WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 3 februari 1989, directoraat-generaal Sociale
Zekerheid, Hoofddirectie Bijstand en Voorzieningen, Sector Specifieke
Voorzieningen, nr. SZ/BV/SpV/89/1186;
Overwegende, dat het wenselijk is een maatregel te treffen ten
behoeve van alleenstaande werkenden ter voorkoming van
arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dubbele taakbelasting in
verband met het verrichten van betaalde arbeid gedurende meer dan 30 uur
per week en het daarnaast voeren van een huishouding;
Gelet op artikel 57, derde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1987, 90);
Gezien het advies van de Sociaal-Economische Raad van 20 Augustus
1982, nr. 12;
Gezien de adviezen van de Sociale Verzekeringsraad van 8 maart 1985,
nr. 85/1441, 2 september 1985, nr. 85/6011 en 16 maart 1989, nr.
89/4897;
Gezien het advies van de Emancipatiekommissie van 3 juli 1980
nr.3/7/310;
De Raad van State gehoord (advies van 24 mei 1989, nr. W12.89.0061);
Gezien nader het rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 22 september 1989, Directoraat-Generaal Sociale
Zekerheid, Nr. SZ/BV/SpV/89/3893;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt:
a. verstaan onder de Wet: de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Stb.
1987, 90);
b. als ongehuwd mede aangemerkt: degene die duurzaam gescheiden
leeft van de man of vrouw met wie hij of zij gehuwd is;
c. als het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs-
en beroepsleven in de zin van het Inkomensbesluit AAW (Stb.
1986, 657).
Artikel 2
Onverminderd het bepaalde in het Besluit van 14 augustus 1976, Stb.
434, is het Landelijk instituut sociale verzekeringen bevoegd, met
inachtneming van het bepaalde in dit besluit, de verzekerde in
aanmerking te brengen voor voorzieningen tot behoud van de
arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de Wet.
Artikel 3
1. Een voorziening als bedoeld in artikel 2 kan worden verleend
indien
a. zij noodzakelijk is ter voorkoming van arbeidsongeschiktheid als
gevolg van een dubbele taakbelasting in verband met het verrichten van
betaalde arbeid gedurende meer dan 30 uur per week en het daarnaast
voeren van een huishouding,
b. de verzekerde 55 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is,
c. de verzekerde ongehuwd is, en niet duurzaam een gezamenlijke
huishouding voert met een ander,
d. het inkomen van de verzekerde minder bedraagt dan 1 1/3 maal het
minimumloon vermeerderd met de minimumvakantiebijslag als bedoeld in
de artikelen 8, eerste lid, onderdeel b en 15 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), en
e. de wekelijkse duur van de betaalde arbeid wordt verkort tot 30
uur.
2. Onder arbeidsongeschiktheid als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, wordt niet verstaan arbeidsongeschiktheid welke
korter duurt dan één jaar. Hierbij worden perioden van ongeschiktheid
tot werken samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan een maand opvolgen.
3. Een voorziening als bedoeld in artikel 2 wordt voortgezet
indien er sprake is van werkloosheid uitsluitend als gevolg van vorst,
sneeuwval, hoogwater of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden.
Artikel 4
1. Een voorziening als bedoeld in artikel 2 wordt verstrekt in
de vorm van een vergoeding in geld.
2. De vergoeding strekt ertoe tegemoet te komen in financieel
nadeel tengevolge van de verkorting van de wekelijkse duur van de
betaalde arbeid.
3. De hoogte van de in het eerste lid bedoelde vergoeding
bedraagt per week het aantal uren arbeidsverkorting vermenigvuldigd met
3 (a-b) waarbij a = 1 1/3 maal het tot een uurbedrag herleide
minimumloon vermeerderd met de minimumvakantiebijslag als bedoeld in de
artikelen 8, eerste lid, onderdeel c, 12 en 15 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag en b = het tot uurbedrag herleide
inkomen uit betaalde arbeid als bedoeld in artikel 3, onderdeel a.
4. Het aantal uren arbeidsduurverkorting, bedoeld in het derde
lid, wordt niet hoger gesteld dan op 10.
5. Voor de herleiding tot een uurbedrag van het inkomen bedoeld
in het derde lid, is het Besluit regels arbeid van normaal te achten
duur AAW (Stb. 1987, 42) van overeenkomstige toepassing.
6. Indien de verzekerde een inkomen geniet dat gelijk is aan of
meer bedraagt dan het minimumloon vermeerderd met de
minimumvakantiebijslag als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid,
onderdeel b en 15 van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag en hij tengevolge van de toepassing van het
eerste tot en met vijfde lid per week minder inkomen zou gaan genieten
dan het hiervoor bedoelde minimumloon vermeerderd met de
minimumvakantiebijslag, wordt de vergoeding zodanig verhoogd, dat zijn
inkomen met inbegrip van de vergoeding gelijk is aan dat minimumloon
vermeerderd met de minimumvakantiebijslag.
7. Indien het inkomen van de verzekerde minder bedraagt dan het
minimumloon vermeerderd met de minimumvakantiebijslag als bedoeld in de
artikelen 8, eerste lid, onderdeel b en 15 van de Wet minimumloon
en minimumvakantiebijslag en hij tengevolge van de toepassing van het
eerste tot en met vijfde lid per week minder inkomen zou gaan genieten
dan zijn inkomen voor toepassing van het eerste tot en met vijfde lid,
wordt de vergoeding zodanig verhoogd dat zijn inkomen met inbegrip van
de vergoeding, gelijk is aan zijn inkomen voor toepassing van het eerste
tot en met het vijfde lid.
8. Onverminderd het bepaalde in het zesde en zevende lid, kan de
maximale vergoeding niet meer bedragen dan 1 1/2 maal het bedrag waarop
werknemers, die bij volledig werken het minimumloon ontvangen, aanspraak
kunnen maken.
Artikel 5
1. Een voorziening tot behoud van de arbeidsgeschiktheid kan
worden verstrekt indien de wekelijkse duur van de betaalde arbeid niet
wordt verkort tot 30 uur.
2. De vergoeding voor de in het eerste lid bedoelde voorziening
strekt ertoe tegemoet te komen in de kosten van door de verzekerde
betaalde huishoudelijke hulp.
3. De hoogte van de vergoeding, als bedoeld in het tweede lid,
wordt met toepassing van artikel 4, eerste, derde, vierde, vijfde en
achtste lid, berekend alsof wel aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 3,
onder e is voldaan.
4. Ongeacht het bepaalde in de vorige leden kan het bedrag van
een voorziening niet hoger worden gesteld dan op het bedrag van de
werkelijke kosten van de hulpverlening.
Artikel 6
Ingeval de vergoeding door tussenkomst van de werkgever van de
verzekerde wordt uitbetaald, vergoedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen aan de werkgever de voor diens rekening over de vergoeding
af te dragen sociale verzekeringspremies.
Artikel 7
Dit Besluit treedt in werking twee maanden na publikatie daarvan in
de Nederlandse Staatscourant.
Artikel 8
Dit besluit kan worden aangehaald onder de titel "Besluit
taakverlichting alleenstaande werkenden/AAW".
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan
afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 29 september 1996
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L. de Graaf
Uitgegeven de eenendertigste oktober 1989
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes