| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Algemene wet
politieke ambtsdragers (Appa)
BESLUIT
EX ARTIKEL 106 ALGEMENE PENSIOENWET
POLITIEKE AMBTSDRAGERS
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 25 juni 1993, houdende vaststelling van regelen, bedoeld
in de artikelen 106, eerste en tweede lid, en 118, tweede lid, van de
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, alsmede intrekking van het
Koninklijk besluit van 22 december 1969, Stb. 1969, 595
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 2
februari 1993, nr. AW93/U40, directoraat-generaal Management en
Personeelsbeleid, directie Arbeidsvoorwaarden, afdeling Pensioenen en
Sociale Zekerheid;
Gelet op artikel 106, eerste en tweede lid, en op artikel 118, tweede
lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers;
De Raad van State gehoord (advies van 24 maart 1993, nr.
W04.93.0092);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van
17 juni 1993, nr. AW93/315, directoraat-generaal Management en
Personeelsbeleid, directie Arbeidsvoorwaarden, afdeling Pensioenen en
Sociale Zekerheid;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Inhoudingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. politieke ambtsdrager: minister, staatssecretaris en lid van
de Tweede Kamer der Staten-Generaal:
b. wedde: de wedde als minister of staatssecretaris, over elk
tijdvak waarover deze wordt uitbetaald vermeerderd met het voor hem
geldende vakantie-uitkeringspercentage;
c. schadeloosstelling: de schadeloosstelling als lid van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal, bedoelde in artikel 2 van de Wet
schadeloosstelling leden Tweede Kamer, eventueel vermeerderd met de
toelage en verhoging bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid,
respectievelijk artikel 12, eerste lid, van evengenoemde wet;
d. uitkering: de uitkering, bedoeld in de artikelen 7 en 52 van
de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.
e. invaliditeitsuitkering: de uitkering bedoeld in de artikelen 8a
en 53a van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.
Artikel 2
1. Op de wedde en op de schadeloosstelling wordt een bedrag
ingehouden overeenkomstig de inhouding van een bedrag op het salaris
van een overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP, uit
hoofde van een overeenkomst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van
die wet.
2. Het in te houden bedrag wordt berekend als ware de politieke
ambtsdrager een overheidswerknemer met een inkomen als zodanig, gelijk
aan de wedde dan wel de schadeloosstelling.
3. Indien de politieke ambtsdrager overeenkomstig artikel 8b,
negende lid, dan wel artikel 53b, negende lid, heeft gekozen voor
een verlaging van de inhouding ingevolge het eerste lid, wordt het in te
houden bedrag verlaagd met 0,25 procentpunt van de bijdrage die voor de
politieke ambtsdrager ter zake van invaliditeit zou zijn verschuldigd
indien hij deelnemer zou zijn als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3
1. Op de wedde en de schadeloosstelling wordt een bedrag
ingehouden ter grootte van het bedrag dat met toepassing van artikel
97d, eerste lid, van de Werkloosheidswet wordt ingehouden op het loon
van de in dat artikellid bedoelde overheidswerknemer.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de wedde dan wel
de schadeloosstelling, verminderd met het bedrag, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, beschouwd als loon, bedoeld in artikel 28, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP.
Artikel 4
1. Uitkeringen ineens, niet zijnde of verband houdende met de
uitkering of de invaliditeitsuitkering in de zin van dit besluit,
worden voor de toepassing van de artikelen 2 en 3 aangemerkt als wedde
dan wel schadeloosstelling, voor zover daarmee overeenkomende
uitkeringen ineens aan een overheidswerknemer als bedoeld in artikel
2, eerste lid, mede bepalend zijn voor de hoogte van het bedrag dat op
zijn salaris wordt ingehouden, respectievelijk voor zover daarmee
overeenkomende uitkeringen ineens aan een werknemer als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, behoren tot het loon, bedoeld in artikel 3,
tweede lid.
2. Uitkeringen ineens worden aangemerkt als wedde dan wel
schadeloosstelling over het tijdvak waarin de uitkering wordt
uitbetaald.
Artikel 5
1. Met inachtneming van artikel 106, derde lid, van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers is artikel 2 van overeenkomstige
toepassing op de uitkering.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het bedrag waarvan
de uitkering is afgeleid beschouwd als het in artikel 2, tweede lid,
bedoelde inkomen.
3. Artikel 3 is van overeenkomstige toepassing op de uitkering en
op de invaliditeitsuitkering.
4. Voor de toepassing van het derde lid worden de uitkering en de
invaliditeitsuitkering beschouwd als het in artikel 3, tweede lid,
bedoelde loon, met dien verstande dat de eerstbedoelde uitkering
overeenkomstig wordt verminderd.
Artikel 6
1. Nabetalingen in verband met het recht op uitkering of
invaliditeitsuitkering worden voor de toepassing van artikel 5
aangemerkt als uitkering respectievelijk invaliditeitsuitkering.
2. Overige nabetalingen worden voor de berekening van ingevolge
de artikelen 2 en 3 in te houden bedragen gerekend tot de wedde dan wel
schadeloosstelling over het laatste tijdvak waarover inhoudingen hebben
plaatsgevonden.
3. Indien de betrokkene als politieke ambtsdrager in de functie,
waaruit hij ter zake van zijn ontslag of aftreden recht heeft op
uitkering of invaliditeitsuitkering, recht zou hebben gehad op een
uitkering ineens, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, en deze
omstandigheid niet leidt tot verhoging van de wedde of
berekeningsgrondslag, waarnaar de uitkering of de invaliditeitsuitkering
is berekend, wordt deze wedde of berekeningsgrondslag voor de toepassing
van artikel 5 dienovereenkomstig verhoogd.
Artikel 7 [Vervallen per 27-01-1995]
§ 2. Betaling van pensioenen
Artikel 8
De betaling van een pensioen geschiedt door bijschrijving op een door
de gepensioneerde aangewezen rekening bij een in Nederland gevestigde
bankinstelling.
Artikel 9
1. De gepensioneerde die buiten Nederland woonachtig is, doet,
telkens als hij betaling wenst, aan onze Minister van Binnenlandse
Zaken een schriftelijk verzoek daartoe toekomen.
2. Na ontvangst van het verzoek wordt het pensioen over de
periode tot en met de maand waarin het verzoek is gedaan betaald.
3. Ten minste éénmaal per jaar verstrekt de gepensioneerde een
bewijs van in leven zijn, afgegeven door een daartoe bevoegde instantie.
Artikel 10
De gepensioneerde doet van iedere wijziging van zijn adres en
burgerlijke staat terstond mededeling aan Onze Minister van Binnenlandse
Zaken.
§ 3. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 11
1. Het koninklijk besluit van 22 december 1969, houdende
voorschriften ter uitvoering van de Algemene pensioenwet politieke
ambtsdragers (Stb. 1969, 595) wordt ingetrokken.
2. Bedragen die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit
besluit ingevolge artikel 6 of artikel 6a, eerste lid, tweede
volzin, van het in het eerste lid bedoelde besluit, verschuldigd zijn
door een politieke ambtsdrager, zijn met ingang van dat tijdstip
verschuldigd krachtens dit besluit.
Artikel 12
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de
eerste kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad,
waarin het wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 25 juni 1993
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.I. Dales
Uitgegeven de negentiende augustus 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|