| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Algemene wet
politieke ambtsdragers (Appa)
BESLUIT
EX ARTIKEL 160, EERSTE LID, ALGEMENE
PENSIOENWET POLITIEKE AMBTSDRAGERS
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 29 april 1970, houdende vaststelling van een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 160, eerste lid, van de
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
WIJ
JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 10
maart 1970, nr. AW 70/U 493, Directie Overheidspersoneelsbeleid,
Hoofdafdeling Overheidspersoneelszaken, Afdeling Pensioenen en
Wachtgelden;
Gelet op artikel 160, eerste lid, van de Algemene pensioenwet
politieke ambtsdragers;
De Raad van State gehoord (advies van 8 april 1970,
nr. 8);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van
20 april 1970, nr. AW 70/882, Directie Overheidspersoneelsbeleid,
Hoofdafdeling Overheidspersoneelszaken, Afdeling Pensioenen en
Wachtgelden;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. politieke ambtsdrager: lid van gedeputeerde staten en
wethouder;
b. wedde: de wedde als politieke ambtsdrager, over elk tijdvak
waarover deze wordt uitbetaald vermeerderd met het voor hem geldende
vakantie-uitkeringspercentage;
c. uitkering: de uitkering bedoeld in artikel 131 van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers;
d. invaliditeitsuitkering: de uitkering bedoeld in artikel 133a
van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.
Artikel 2
1. Op de wedde wordt een bedrag ingehouden ter grootte van het
bedrag dat wordt ingehouden op het salaris van een overheidswerknemer
in de zin van de Wet privatisering ABP, uit hoofde van een
overeenkomst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die wet.
2. Het in te houden bedrag wordt berekend als ware de politieke
ambtsdrager een overheidswerknemer met een inkomen als zodanig, gelijk
aan de wedde.
3. Indien de politieke ambtsdrager overeenkomstig artikel 133b,
negende lid, heeft gekozen voor een verlaging van de inhouding ingevolge
het eerste lid, wordt het in te houden bedrag verlaagd met 0,25
procentpunt van de bijdrage die voor de politieke ambtsdrager ter zake
van invaliditeit zou zijn verschuldigd indien hij deelnemer zou zijn als
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3
1. Op de wedde wordt een bedrag ingehouden ter grootte van het
bedrag dat met toepassing van artikel 97d, eerste lid, van de
Werkloosheidswet wordt ingehouden op het loon van de in dat artikellid
bedoelde overheidswerknemer.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de wedde,
verminderd met het bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, beschouwd
als loon, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
financiλle voorzieningen privatisering ABP.
Artikel 4
1. Uitkeringen ineens, niet zijnde of verband houdende met de
uitkering of de invaliditeitsuitkering in de zin van dit besluit,
worden voor de toepassing van de artikelen 2 en 3 aangemerkt als
wedde, voor zover daarmee overeenkomende uitkeringen ineens aan een
overheidswerknemer als bedoeld in artikel 2, eerste lid, mede bepalend
zijn voor de hoogte van het bedrag dat op zijn salaris wordt
ingehouden, respectievelijk voor zover daarmee overeenkomende
uitkeringen ineens aan een werknemer als bedoeld in artikel 3, eerste
lid, behoren tot het loon, bedoeld in artikel 3, tweede lid.
2. Uitkeringen ineens worden aangemerkt als wedde over het
tijdvak waarin de uitkering wordt uitbetaald.
Artikel 5
1. Met inachtneming van artikel 160, derde lid, van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers is artikel 2 van overeenkomstige
toepassing op de uitkering.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het bedrag waarvan
de uitkering is afgeleid beschouwd als het in artikel 2, tweede lid,
bedoelde inkomen.
3. Artikel 3 is van overeenkomstige toepassing op de uitkering en
op de invaliditeitsuitkering.
4. Voor de toepassing van het derde lid worden de uitkering en de
invaliditeitsuitkering beschouwd als het in artikel 3, tweede lid,
bedoelde loon, met dien verstande dat de eerstbedoelde uitkering
overeenkomstig wordt verminderd.
Artikel 5a [Vervallen per 27-01-1995]
Artikel 6
1. Nabetalingen in verband met het recht
op uitkering of invaliditeitsuitkering worden voor de toepassing van
artikel 5 aangemerkt als uitkering respectievelijk
invaliditeitsuitkering.
2. Overige nabetalingen worden voor de berekening van ingevolge
de artikelen 2 en 3 in te houden bedragen gerekend tot de wedde over het
laatste tijdvak waarover inhoudingen hebben plaatsgevonden.
3. Indien de betrokkene als politieke ambtsdrager in de functie,
waaruit hij ter zake van zijn ontslag of aftreden recht heeft op
uitkering of invaliditeitsuitkering, recht zou hebben gehad op een
uitkering ineens, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, en deze
omstandigheid niet leidt tot verhoging van de wedde of
berekeningsgrondslag, waarnaar de uitkering of de invaliditeitsuitkering
is berekend, wordt deze wedde of berekeningsgrondslag voor de toepassing
van artikel 5 dienovereenkomstig verhoogd.
Artikel 7 [Vervallen per 27-01-1995]
Artikel 8
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin het wordt
geplaatst.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van
dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en
waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Soestdijk, 29 april 1970
JULIANA
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.K.J. Beernink
Uitgegeven de negentiende mei 1970
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
|
|
|