|
BESLUIT van 18 november 2010 tot het stellen
van nadere regels betreffende het vinden van passende arbeid voor
gewezen politieke ambtsdragers en het opleggen van sancties aan gewezen
politieke ambtsdragers (Besluit sollicitatieplicht Appa voor gewezen
politieke ambtsdragers)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 september 2010, nr.
2010-0000419238;
Gelet op de artikelen 7a, vierde lid, 7b,
vierde lid, 7c, tweede lid, 52a, vierde lid, 52b,
vierde lid, 52c, tweede lid, 132a, vierde lid, 132b,
vierde lid, en 132c, tweede lid, van de Algemene pensioenwet
politieke ambtsdragers;
De Afdeling advisering van de Raad van State
gehoord (advies van 13 oktober 2010, nr. W04.10.0442/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 oktober 2010, nr.
2010-0000685028;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene
bepalingen
Artikel 1.1
In dit besluit wordt verstaan onder:
– belanghebbende: belanghebbende als bedoeld in artikel 7a, eerste
lid, 52a, eerste lid, of artikel 132a, eerste lid, van de wet;
– inhouding: inhouding als bedoeld in artikel 7c, eerste lid, 52c,
eerste lid, of artikel 132c, eerste lid, van de wet;
– re-integratiebedrijf: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die
in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling
van personen in de arbeid bevordert;
– passende arbeid: passende arbeid als bedoeld in artikel 7a, derde
lid, 52a, derde lid, of 132a, derde lid, van de wet;
– plan: plan voor het gericht zoeken naar en verwerven van passende
arbeid als bedoeld in artikel 7a, vierde lid, 52a, vierde lid, of
artikel 132a, vierde lid, van de wet;
– planmatige begeleiding en ondersteuning: planmatige begeleiding en
ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende
arbeid als bedoeld in artikel 7b, tweede lid, 52b, tweede lid, of
artikel 132b, tweede lid, van de wet;
– sollicitatieactiviteit: activiteit gericht op het zoeken dan wel
verwerven van passende arbeid;
– uitkering: uitkering als bedoeld in de hoofdstukken 3, 10 of 21 van
de wet;
– verantwoordelijk bestuursorgaan: bestuursorgaan als bedoeld in
artikel 121, eerste lid, of artikel 162, eerste lid, van de wet;
– wet: Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.
Hoofdstuk 2. Regels betreffende activiteiten om passende arbeid te
vinden
Artikel 2.1
Het verantwoordelijk bestuursorgaan wijst ten behoeve van het opstellen
van het plan een re-integratiebedrijf aan.
Artikel 2.2
Het plan bevat de volgende onderdelen:
a. de naam en adresgegevens van de belanghebbende;
b. de wijze waarop de belanghebbende bij het verkrijgen van passende
arbeid zal worden begeleid;
c. de sollicitatieactiviteiten die de belanghebbende zal verrichten;
d. de opleidingen en cursussen die de belanghebbende eventueel zal
volgen;
e. de overige activiteiten die kunnen bijdragen aan het verkrijgen van
passende arbeid;
f. het tijdpad waarbinnen de in het plan opgenomen activiteiten
plaatsvinden;
g. het advies of verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning voor
belanghebbende is aangewezen;
h. de wijze waarop en de frequentie waarmee de contacten tussen het
re-integratiebedrijf en de belanghebbende zullen plaatsvinden.
Artikel 2.3
1. Het re-integratiebedrijf stuurt het plan binnen drie weken na afloop
van de in de artikelen 7a, zesde lid, 52a, zesde lid, en 132a, zesde
lid, van de wet genoemde periode naar het verantwoordelijk
bestuursorgaan.
2. Het plan wordt vastgesteld door het verantwoordelijk bestuursorgaan.
3. Het re-integratiebedrijf informeert terstond het verantwoordelijk
bestuursorgaan, indien de belanghebbende de uit de artikelen 7a, eerste
lid, 52a, eerste lid, en 132a, eerste lid, van de wet voortvloeiende
verplichtingen niet nakomt.
Artikel 2.4
1. Het plan wordt elke drie maanden door de belanghebbende en het
re-integratiebedrijf geëvalueerd.
2. Indien de evaluatie aanleiding geeft tot wijziging van het plan,
stuurt het re-integratiebedrijf het bijgestelde plan aan het
bestuursorgaan. Artikel 2.3, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 2.5
1. De belanghebbende voert gemiddeld een keer per week een
sollicitatieactiviteit uit, tenzij in het plan anders is bepaald.
2. Bij het vaststellen van de mate waarin sollicitatieactiviteiten
dienen te worden ondernomen, wordt rekening gehouden met de regionale
arbeidsmarktsituatie en het aantal beschikbare vacatures, de
mogelijkheden van de belanghebbende en eventueel aanwezige medische
beperkingen en het begrip passende arbeid.
Artikel 2.6
1. De belanghebbende kan per kalenderjaar gedurende twintig dagen
vakantie genieten waarin geen sollicitatieactiviteiten hoeven worden
uitgevoerd. Onder dagen wordt verstaan: maandag tot en met vrijdag dan
wel dinsdag tot en met zaterdag.
2. Op het aantal dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt in mindering
gebracht vijf maal het aantal hele weken voor de eerste dag waarop de
sollicitatieactiviteiten volgens het plan een aanvang nemen in het
desbetreffende kalenderjaar, gedeeld door 13.
3. Het aantal dagen, berekend volgens het tweede lid, wordt rekenkundig
op hele dagen afgerond.
Artikel 2.7
Op het re-integratiebedrijf zijn de krachtens artikel 4.2 van het
Besluit SUWI gestelde voorwaarden van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.8
1. De kosten die de belanghebbende maakt voor de activiteiten, bedoeld
in artikel 2.2., onderdelen d en e, worden door het verantwoordelijk
bestuursorgaan vergoed, overeenkomstig de in het vastgestelde plan
opgenomen begroting, of, bij gebreke hiervan, overeenkomstig het besluit
op de aanvraag.
2. Indien in het plan voor de activiteiten, bedoeld in het eerste lid,
geen begroting is opgenomen, dient de belanghebbende bij het
verantwoordelijk bestuursorgaan een aanvraag in voor een tegemoetkoming
in de kosten van die activiteiten, voorafgaand aan de aanvang van die
activiteiten. Vergoeding vindt uitsluitend plaats na overlegging van
facturen en bewijzen van betaling tot ten hoogste het bedrag waarop op
grond van het vastgestelde plan of het besluit op de aanvraag aanspraak
bestaat.
3. Het verantwoordelijk bestuursorgaan kan bij de vaststelling van het
plan of het besluit op de aanvraag de voor een activiteit te vergoeden
kosten lager vaststellen dan in het plan of de aanvraag is begroot,
indien de begrote kosten niet noodzakelijk zijn voor het verrichten van
de activiteit of als de kosten voor een activiteit hoger zijn begroot
dan voor de uitvoering noodzakelijk is.
Hoofdstuk 3. Planmatige begeleiding en ondersteuning
Artikel 3.1
1. De belanghebbende dient bij het verantwoordelijk bestuursorgaan een
aanvraag in voor een tegemoetkoming in de kosten van vrijwillige
planmatige begeleiding en ondersteuning, voordat met de planmatige
begeleiding en ondersteuning een aanvang is gemaakt. Vergoeding vindt
uitsluitend plaats na overlegging van facturen en bewijzen van betaling
tot ten hoogste het bedrag waarop op grond van de wet aanspraak bestaat.
Kosten die niet noodzakelijk zijn voor planmatige begeleiding en
ondersteuning, of die niet in redelijke verhouding staan tot geleverde
prestaties, worden niet vergoed.
2. Indien de planmatige begeleiding en ondersteuning als verplichting is
opgelegd, vergoedt het verantwoordelijk bestuursorgaan de kosten voor de
planmatige begeleiding en ondersteuning rechtstreeks aan de door de
belanghebbende aangewezen organisatie die de planmatige begeleiding en
ondersteuning uitvoert. Het verantwoordelijk bestuursorgaan sluit
daartoe een schriftelijke overeenkomst met de organisatie.
3. Een tegemoetkoming voor planmatige begeleiding en ondersteuning als
bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend, indien de planmatige
begeleiding en ondersteuning wordt uitgevoerd door een organisatie die
voldoet aan de eisen, gesteld in artikel 3.2.
4. Het verantwoordelijk bestuursorgaan verstrekt de organisatie die de
planmatige begeleiding en ondersteuning uitvoert de noodzakelijke
gegevens.
5. De aanspraak op de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, vervalt
zodra de belanghebbende ophoudt mee te werken aan de planmatige
begeleiding en ondersteuning of op andere wijze de oorzaak is dat de
planmatige begeleiding en ondersteuning niet of niet langer bijdraagt
aan het vinden van passend werk.
Artikel 3.2
Een organisatie die planmatige begeleiding en ondersteuning uitvoert,
voldoet aan de volgende eisen:
a. de organisatie is ten minste drie jaar in de Europese Unie gevestigd;
b. de organisatie heeft ten minste twee consultants in volledige
betrekking in dienst die ieder ten minste drie jaar ervaring hebben in
planmatige begeleiding en ondersteuning;
c. de planmatige begeleiding en ondersteuning bestaat in ieder geval uit
gemiddeld twee uur per maand persoonlijke en individuele begeleiding;
d. de organisatie heeft noch rechtstreeks, noch indirect, op enigerlei
wijze financiële verbindingen met of geeft financiële bijdragen aan
personen, organisaties, bedrijven of daarmee gelieerde natuurlijke of
rechtspersonen die direct of indirect invloed hebben op het gunnen van
de opdracht tot planmatige begeleiding en ondersteuning.
Hoofdstuk 4. Inhouding van de uitkering
Artikel 4.1
Het verantwoordelijk bestuursorgaan legt een inhouding op, indien het
constateert dat:
a. de belanghebbende weigert te voldoen aan een oproep van of namens het
verantwoordelijk bestuursorgaan om de benodigde inlichtingen en
informatie te verstrekken voor een goede uitvoering van dit besluit;
b. de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 7a, eerste
lid, 52a, eerste lid, of artikel 132a, eerste lid, van de wet niet
nakomt;
c. de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 7a, tweede
lid, 52a, tweede lid, of artikel 132a, tweede lid, van de wet niet
nakomt;
d. de belanghebbende weigert mee te werken aan het opstellen van een
plan;
e. de belanghebbende de in het plan opgenomen verplichtingen niet
nakomt;
f. de belanghebbende weigert mee te werken aan een verplicht opgelegde
planmatige begeleiding en ondersteuning.
Artikel 4.2
1. De hoogte en duur van de inhouding op grond van de artikelen 7c,
eerste lid, 52c, eerste lid, of artikel 132c, eerste lid, van de wet
bedragen:
a. 5% van het uitkeringsbedrag gedurende ten minste een maand indien
sprake is van een gedraging of nalaten als bedoeld in artikel 4.1,
onderdeel a, waarbij het bestuursorgaan de mogelijkheid heeft af te
wijken tot ten minste 2% en ten hoogste 20% van het uitkeringsbedrag;
b. 25% van het uitkeringsbedrag gedurende ten minste vier maanden indien
sprake is van een gedraging of nalaten als bedoeld in artikel 4.1,
onderdelen b tot en met f, waarbij het bestuursorgaan de mogelijkheid
heeft af te wijken tot ten minste 15% en ten hoogste 100% van het
uitkeringsbedrag.
2. De hoogte van de inhouding bedraagt ten minste € 25.
3. Inhoudingen kunnen gelijktijdig opgelegd worden, met dien verstande
dat nooit meer dan 100% van de uitkering wordt ingehouden.
Artikel 4.3
Een inhouding wordt opgelegd met ingang van de eerste dag dat een
verplichting als bedoeld in dit besluit niet of niet behoorlijk is
nagekomen.
Artikel 4.4
Indien het verantwoordelijk bestuursorgaan de belanghebbende een
inhouding oplegt binnen twee jaar na de bekendmaking van een inhouding
wegens dezelfde grond, worden de percentages alsmede het minimumbedrag,
genoemd in artikel 4.2, tweede lid, met 50% verhoogd.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 5.1
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 5.2
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit sollicitatieplicht Appa voor
gewezen politieke ambtsdragers.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 18 november 2010
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de dertigste november
2010
De Minister van Veiligheid en Justitie,
I.W. Opstelten
|