BESLUIT van 29 maart 1983, houdende vaststelling van
een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 16, eerste
lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 8
april 1982, DG Vgz/VKG/VZ, nr. 120992;
Gelet op artikel 16, eerste lid, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1967, 655);
Gehoord de Ziekenfondsraad;
De Raad van State gehoord (advies van 30 juni
1982, nr.. 2220/15/8224);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 22 maart
1983, DG Vgz/VKG/VZ, nr. 123739;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
a. de Wet: de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
b. het centraal administratiekantoor: de ingevolge artikel 3,
eerste lid, aangewezen centrale instelling;
c. een verbindingskantoor: een ingevolge artikel 3, tweede lid,
aangewezen perifere instelling.
Artikel 2
Als zorg, ten aanzien waarvan het in de artikelen 4 tot en met 6 en 8
aangegeven deel van de administratie wordt verricht door het centraal
administratiekantoor en de verbindingskantoren, wordt aangewezen de
zorg, geregeld in de 4 tot en met 12 en 13, tweede lid, 14, en 16 tot en
met 18 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ.
Artikel 3
1. Onze Minister wijst een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid aan als centrale instelling voor het verrichten van
het in de artikelen 4 tot en met 9 aangegeven deel van de
administratie ten aanzien van zorg die in het Besluit zorgaanspraken
AWBZ is geregeld.
2. Onze Minister wijst voor een periode van ten hoogste vier
jaren rechtspersonen aan voor het verrichten van het in artikel 8
aangegeven deel van de administratie met betrekking tot zorg als bedoeld
in artikel 2.
3. Onze Minister kan een aanwijzing bedoeld in het eerste en
tweede lid wijzigen of intrekken.
4. Aan een aanwijzing van een instelling als bedoeld in het
eerste en tweede lid, kan Onze Minister voorwaarden verbinden. Nieuwe
voorwaarden kunnen worden gesteld.
5. De in het tweede tot en met vierde lid vermelde bevoegdheden
worden door Onze Minister uitgeoefend op gezamenlijke voordracht van de
organisaties van zorgverzekeraars, gehoord het College zorgverzekeringen
en het College toezicht.
Artikel 4
1. Het centraal administratiekantoor verricht de
administratieve taak van landelijk kantoor voor de betaling van
bedragen, welke uit hoofde van de uitvoering van de wet verschuldigd
zijn aan zorgaanbieders ter zake van het verlenen van zorg als bedoeld
in artikel 2.
2. De in het eerste lid bedoelde betalingen geschieden namens de
zorgverzekeraars.
Artikel 5
Het centraal administratiekantoor verricht de vaststelling en de
inning van de eigen bijdrage, bedoeld in de artikelen 4, 14, en 16d van
het Bijdragebesluit zorg, op basis van de door de Belastingsdienst
verstrekte inkomensgegevens.
Het centraal administratiekantoor
verricht voorts de administratieve taak van landelijk kantoor voor
betaling van bedragen, welke dienen tot vergoeding van bedragen welke de
zorgverzekeraars uit hoofde van de uitvoering van de wet verschuldigd
zijn aan zorgaanbieders ter zake van het verlenen van zorg, voor zover
die niet is begrepen onder die, genoemd in artikel 2.
2. De in het eerste lid bedoelde betalingen geschieden namens het
College zorgverzekeringen.
Artikel 8
1. De verbindingskantoren bevorderen het administratieve
contact tussen de zorgaanbieders enerzijds en het centraal
administratiekantoor anderzijds. Zij dienen de zorgverzekeraars voor
zover nodig van advies met betrekking tot de beoordeling van de
aanspraken van verzekerden, alsmede met betrekking tot de
verschuldigdheid en de betalingswijze van bijdragen als bedoeld in
artikel 5, eerste lid.
2. De zorgverzekeraars verstrekken de verbindingskantoren alle
gegevens, welke zij voor de vervulling van hun taak bij de uitvoering
van de wet nodig hebben.
3. Het centraal administratiekantoor enerzijds en de
verbindingskantoren anderzijds verstrekken elkaar alle gegevens, welke
zij voor de vervulling van hun taak bij de uitvoering van de wet nodig
hebben.
4. Het centraal administratiekantoor verricht de in artikel 4,
eerste lid, bedoelde betalingen aan de hand van de overeenkomstig het
derde lid van de verbindingskantoren verkregen gegevens.
5. Het College zorgverzekeringen kan termijnen vaststellen,
binnen welke de in het derde lid bedoelde gegevens dienen te worden
verstrekt.
Artikel 9
1. Het centraal administratiekantoor kan aan zorgaanbieders
voorschotten op de verschuldigde bedragen in rekening-courant
uitkeren.
2. Het centraal administratiekantoor keert de in het eerste lid
bedoelde voorschotten uit aan de hand van de overeenkomstig artikel 8,
derde lid, van de verbindingskantoren verkregen gegevens.
3. Het College zorgverzekeringen kan nadere regels stellen met
betrekking tot het in het eerste lid bepaalde.
Artikel 10
1. De artikelen 36, 37, 55, tweede lid, en 56 van de Wet zijn
van overeenkomstige toepassing op het centraal administratiekantoor en
de verbindingskantoren.
2. Onverminderd het eerste lid kan het College zorgverzekeringen
regels stellen over de wijze waarop het centraal administratiekantoor en
de verbindingskantoren hun werkzaamheden uitvoeren.
Het Besluit regeling administratie verstrekkingen Bijzondere
Ziektekostenverzekering (Stb. 1968, 13) wordt ingetrokken.
Artikel 13
Dit besluit wordt aangehaald als: Administratiebesluit Bijzondere
Ziektekostenverzekering.
Artikel 14
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur is belast met de
uitvoering van dit besluit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 29 maart 1983
BEATRIX
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur,
J.P. van der Reijden
Uitgegeven de zevende juni 1983
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes