BESLUIT van 19 december 1991, houdende vaststelling
van een wachttijd ten aanzien van aanspraken op grond van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur van 10 september 1991, DGVGZ/VMP-419 257;
Gelet op artikel 6, zesde lid, van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1990, 176);
Gezien de adviezen van de Ziekenfondsraad van
27 januari 1983, nr. SVV/1771, en van 24 mei 1984, nr. SVV/VERZ/12 726;
De Raad van State gehoord (advies van 29
november 1991, nr. W13.91 0496);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 18 december
1991, DGVGZ/VMP/VVU-91698;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Degene die, komend vanuit het buitenland, in Nederland is gaan wonen
en als gevolg daarvan verzekerd is geworden in de zin van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten heeft gedurende de eerste twaalf maanden na
het tijdstip waarop hij zich in Nederland heeft gevestigd, geen
aanspraak op verblijf als bedoeld in artikel 9 van het Besluit
zorgaanspraken AWBZ indien hij op dat tijdstip, gelet op zijn behoefte,
reeds op de desbetreffende zorg is aangewezen, dan wel indien de
gezondheidstoestand van betrokkene kennelijk moest doen verwachten, dat
hij, gelet op zijn behoefte, binnen een half jaar op de desbetreffende
zorg zou zijn aangewezen.
Artikel 2
1. In afwijking van artikel 1 bedraagt voor de daar bedoelde
verzekerde die in Nederland is gaan wonen binnen twaalf jaar nadat
zijn verzekering ingevolge de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekostenverzekering laatstelijk is geëindigd of, indien het een
minderjarige betreft, de verzekering ingevolge de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten van zijn wettelijk vertegenwoordiger
laatstelijk is geëindigd, de periode gedurende welke hij geen
aanspraak op de in artikel 1 bedoelde zorg heeft een aantal maanden
overeenkomend met het aantal volle jaren liggende tussen het tijdstip
van vestiging in Nederland en het einde van het laatste tijdvak van
verzekering ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
2. Indien de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, in die
periode van twaalf jaar ten laste van Nederland aanspraak heeft gehad op
verstrekkingen met toepassing van een Verordening van de Raad van de
Europese gemeenschappen of van een verdrag inzake sociale zekerheid
waarbij Nederland partij is, wordt het aantal volle jaren gedurende
welke men die aanspraak ten laste van Nederland had, in mindering
gebracht op de periode, bedoeld het eerste lid.
Artikel 3
De artikelen 1 en 2 zijn niet van toepassing op:
a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijf hebben als
bedoeld in artikel 8, onder b, c en d, van de Vreemdelingenwet 2000,
en op
b. personen die hier te lande terugkeren na werkzaam te zijn
geweest in het kader van ontwikkelingssamenwerking, in een naar het
oordeel van Onze Minister voor Ontwikkelingssamenwerking als
ontwikkelingsgebied te beschouwen gebied, alsmede de vorenbedoelde
personen vergezellende echtgenoten, eigen en aangehuwde kinderen en
pleegkinderen.
Artikel 4
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen II,
onderdeel G, en III, onderdelen B en C, van de Wet stelselwijziging
ziektekostenverzekering tweede fase in werking treden.
Artikel 5
Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit wachttijd bijzondere
ziektekostenverzekering.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 19 december 1991
BEATRIX
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur,
H.J. Simons
Uitgegeven de eenendertigste december 1991
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin