| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
REGELING
SUBSIDIES AWBZ
Tekst zoals deze geldt op
5 maart 2008
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
REGELING van de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport van 5 december 2005, nr. Z/VU-2635240, houdende regels
voor subsidies ten laste van de AWBZ en intrekking van de Regeling
subsidies AWBZ en Ziekenfondswet (Regeling subsidies AWBZ)
De
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op artikel 44 van de AWBZ en artikel
3.1.7 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet;
Besluit:
Hoofdstuk I. Algemene
subsidiebepalingen
Paragraaf 1.1. Begrippen en algemene bepalingen
Artikel 1.1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. instelling: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid, dan wel een rechtspersoon krachtens publiekrecht
ingesteld;
b. project: een activiteit met een incidenteel karakter;
c. instellingssubsidie: een subsidie aan een instelling in de
kosten van haar structurele activiteiten of een gedeelte daarvan;
d. projectsubsidie: een subsidie in de kosten van een project;
e. ondersteuningssubsidie: een instellingssubsidie van ten
hoogste € 11.344,51 in een gering deel van de totale kosten
van het algemeen functioneren van een instelling;
f. algemeen fonds: het fonds, genoemd in artikel 89 van de Wet
financiering sociale verzekeringen;
g. zorgkantoor: een verbindingskantoor als bedoeld in artikel 1,
onder c, van het Administratiebesluit Bijzondere
Ziektekostenverzekering;
h. regio: het werkgebied waarvoor het zorgkantoor als
verbindingskantoor ingevolge het Administratiebesluit Bijzondere
Ziektekostenverzekering door de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport is aangewezen.
Artikel 1.1.2
1. Het College zorgverzekeringen verstrekt op grond van deze
regeling subsidies voor de in hoofdstuk 2 aangegeven doeleinden. De
subsidies in deze regeling komen ten laste van het algemeen fonds.
2. Het aanvragen van de subsidie en de subsidievaststelling
alsmede het nemen van besluiten met betrekking tot subsidies geschiedt
overeenkomstig de in deze regeling gestelde regels.
Artikel 1.1.3
1. Subsidie wordt slechts verstrekt indien:
a. naar het oordeel van het College zorgverzekeringen mag worden
verwacht dat de met de subsidiëring beoogde doeleinden zullen worden
bereikt;
b. de aanvrager naar het oordeel van het College zorgverzekeringen
de behoefte aan subsidie heeft aangetoond, en
c. de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat de financiële
middelen met inbegrip van subsidie voldoende zullen zijn om de
voorgenomen activiteiten uit te voeren.
2. Het eerste lid, onderdelen b en c, zijn niet van toepassing op
rechtspersonen krachtens publiekrecht ingesteld.
Paragraaf 1.2. Berekeningswijze instellingsubsidie
Artikel 1.2.1
Een instellingssubsidie bestaat uit een door het College
zorgverzekeringen vast te stellen bedrag voor overeenkomstig een door
het College zorgverzekeringen goedgekeurd activiteitenplan uitgevoerde
activiteiten.
Artikel 1.2.2
1. Het bedrag, bedoeld in artikel 1.2.1 wordt verlaagd met het
bedrag waarmee het maximaal toegestane bedrag van de in artikel 1.8.7
bedoelde reservering wordt overschreden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een
ondersteuningssubsidie.
Artikel 1.2.3
Baten en lasten die door middel van interne doorberekeningen worden
toegerekend, worden bepaald op bedrijfseconomische en maatschappelijk
aanvaardbare grondslagen. Voorzover hierin lasten zijn begrepen van
materiële vaste activa, worden deze lasten op basis van
aanschaffingsprijzen van die activa berekend.
Paragraaf 1.3. Berekeningswijze projectsubsidies
Artikel 1.3.1
Een projectsubsidie bestaat uit het verschil tussen de met de
gesubsidieerde activiteiten samenhangende en met in achtneming van de
ingevolge deze regeling in aanmerking komende werkelijke lasten,
voorzover opgenomen in de door het College zorgverzekeringen
goedgekeurde begroting, en de met de gesubsidieerde activiteiten
samenhangende baten. De subsidie bedraagt niet meer dan het door het
College zorgverzekeringen vastgestelde maximum.
Paragraaf 1.4. Modellen en formulieren
Artikel 1.4.1
Het College zorgverzekeringen stelt voor de subsidies in deze
regeling de volgende modellen en formulieren vast:
a. een formulier voor de aanvraag van subsidie;
b. een model voor het projectplan;
c. een model voor de begroting;
d. een model voor het activiteitenplan;
e. een model voor het activiteitenverslag;
f. een controleprotocol;
g. een model accountantsverklaring, en
h. een formulier voor de aanvraag van de vaststelling van de
subsidie.
Paragraaf 1.5. Aanvraag van een instellingssubsidie
Artikel 1.5.1
1. De instelling die voor haar activiteiten of een gedeelte
daarvan in een jaar een instellingssubsidie verlangt, dient uiterlijk
13 weken vóór de aanvang van het desbetreffende jaar een
subsidieaanvraag in. De aanvraag wordt onderbouwd met een
activiteitenplan en een begroting en gaat, indien de
liquiditeitsbehoefte niet regelmatig gespreid is over het jaar,
vergezeld van een liquiditeitsprognose.
2. In het activiteitenplan worden de aard en de omvang van de
voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke
doelstelling de instelling met de activiteiten nastreeft, op welke wijze
zij zullen worden uitgevoerd en voor welke doelgroep zij zijn bestemd.
3. De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van de
activiteiten van dat jaar. De begroting is voorzien van een postgewijze
toelichting. Daarbij wordt uitgegaan van het prijspeil en van het niveau
van de kosten van de arbeidsvoorwaarden op het moment van indiening van
de aanvraag. In geval van een privaatrechtelijke rechtspersoon bevat de
begroting tevens zowel de baten en lasten van de instelling als geheel
als de baten en lasten van elk te onderscheiden onderdeel van de
instelling.
4. De liquiditeitsprognose geeft gemotiveerd inzicht in het
verloop van de liquiditeitsbehoefte van de activiteiten per
kalenderkwartaal.
5. Het College zorgverzekeringen kan ontheffing verlenen van de
in het eerste lid genoemde aanvraagtermijn.
Artikel 1.5.2
1. Bij de aanvraag van een instellingssubsidie door een
privaatrechtelijke rechtspersoon worden tevens overgelegd:
a. een afschrift van de oprichtingsakte of de statuten;
b. een afschrift waaruit de inschrijving van de instelling in het
geldende openbaar register blijkt;
c. een volledig overzicht van de financiële toestand van de
instelling op het tijdstip van de aanvraag, en
d. indien de aanvraag is ondertekend door een of meer andere
personen dan de personen die op grond van de statuten bevoegd zijn de
instelling te vertegenwoordigen: een afschrift van de volmacht op
grond waarvan de aanvraag door die andere persoon of personen is
ondertekend.
2. Voorzover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens
subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd bij andere
bestuursorganen of organisaties, doet hij daarvan mededeling in de
aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de
beoordeling van die aanvraag of aanvragen.
3. Overlegging van de in het eerste lid bedoelde afschriften kan
achterwege blijven, indien de aanvrager er redelijkerwijs van uit kan
gaan dat deze gegevens aan het College zorgverzekeringen bekend zijn.
Paragraaf 1.6. Aanvraag van een projectsubsidie
Artikel 1.6.1
1. Het College zorgverzekeringen kan projectsubsidies verlenen
die zich uitstrekken over meer dan een kalenderjaar.
2. De natuurlijke persoon of rechtspersoon die subsidie voor een
bepaald project verlangt, dient ten minste 13 weken vóór de aanvang
van het project een aanvraag in. De aanvraag wordt onderbouwd met een
projectplan en een begroting en gaat vergezeld van een
liquiditeitsprognose.
3. In het projectplan worden de aard en de omvang van de
voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke
doelstelling de aanvrager met de activiteiten nastreeft en op welke
wijze die zullen worden uitgevoerd.
4. De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van het
project. De begroting is voorzien van een postgewijze toelichting.
Daarbij wordt uitgegaan van het prijspeil en van het niveau van de
kosten van de arbeidsvoorwaarden op het moment van indiening van de
aanvraag.
5. De liquiditeitsprognose geeft gemotiveerd inzicht in het
verloop van de liquiditeitsbehoefte van de activiteiten per maand. De
liquiditeitsprognose kan achterwege blijven als de liquiditeitsbehoefte
regelmatig gespreid is over de duur van het project.
6. In afwijking van het tweede lid kan het College
zorgverzekeringen bepalen dat aanvragen voor projecten op bepaalde
terreinen vóór een of meer door hem vastgestelde data worden
ingediend.
7. Het College zorgverzekeringen kan ontheffing verlenen van de
in het tweede of zesde lid bedoelde aanvraagtermijn.
Artikel 1.6.2
1. Bij de aanvraag van de subsidie door een privaatrechtelijke
rechtspersoon worden tevens overgelegd:
a. een afschrift van de oprichtingsakte of de statuten;
b. een afschrift waaruit de inschrijving van de instelling in het
geldende openbaar register blijkt, en
c. indien de aanvraag is ondertekend door een of meer andere
personen dan de personen die op grond van de statuten bevoegd zijn de
instelling te vertegenwoordigen: een afschrift van de volmacht op
grond waarvan de aanvraag door die andere persoon of personen is
ondertekend.
2. Voorzover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens
subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd bij andere
bestuursorganen, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, onder
vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van
die aanvraag of aanvragen.
3. Overlegging van in het eerste lid bedoelde afschriften kan
achterwege blijven, indien de aanvrager er redelijkerwijs van uit kan
gaan dat deze gegevens bij het College zorgverzekeringen bekend zijn.
Artikel 1.6.3
1. Het College zorgverzekeringen kan een aanvrager of een
categorie aanvragers tevens verplichten tot het overleggen van een
volledig overzicht van de financiële toestand van de instelling op
het tijdstip van de aanvraag.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien een
rechtspersoon, krachtens publiekrecht ingesteld, een projectsubsidie
aanvraagt.
Paragraaf 1.7. Subsidieverlening en bevoorschotting
Artikel 1.7.1
Het College zorgverzekeringen geeft een beschikking op een aanvraag
binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 1.7.2
1. Nadat een subsidieaanvraag is ingediend, kan het College
zorgverzekeringen voorschotten verlenen. Daarbij wordt rekening
gehouden met de liquiditeitsbehoefte.
2. Het College zorgverzekeringen verstrekt, indien de
liquiditeitsbehoefte regelmatig is gespreid, de volgende voorschotten op
een verleende instellingssubsidie: in januari 15%, februari 7%, maart
7%, april 7%, mei 15%, juni 7%, juli 7%, augustus 7%, september 3%,
oktober 11%, en november 14% van het voor het desbetreffende jaar
verleende bedrag.
3. Indien het College zorgverzekeringen voorschotten verstrekt
voordat hij de beschikking tot subsidieverlening heeft gegeven, worden
de percentages, bedoeld in het tweede lid, tot de datum van
subsidieverlening, toegepast op het voor het voorgaande jaar verleende
bedrag, in voorkomende gevallen bijgesteld overeenkomstig door het
College zorgverzekeringen gegeven beschikkingen. Zodra de beschikking
tot subsidieverlening voor het lopende jaar is gegeven, wordt het bedrag
dat, gezien het in die beschikking verleende bedrag, te veel of te
weinig is bevoorschot, zo spoedig mogelijk verrekend of door de
subsidieaanvrager terugbetaald, onderscheidenlijk door het College
zorgverzekeringen betaald.
4. Indien aannemelijk is dat er teveel is bevoorschot, kan het
College zorgverzekeringen een bedrag vaststellen dat de
subsidieontvanger aan hem dient te betalen binnen de bij die
vaststelling genoemde termijn. Het College zorgverzekeringen kan het
bedrag op andere wijze verrekenen.
Artikel 1.7.3
1. Bij de verlening van een subsidie kan het College
zorgverzekeringen bepalen dat het subsidiebedrag door hem wordt
bijgesteld, rekeninghoudend met de ontwikkeling van het prijspeil of
de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden.
2. Met het oog op de toepassing van het eerste lid kan het
College zorgverzekeringen bij de verlening van de subsidie tevens
bepalen welk deel van het subsidiebedrag in aanmerking zal worden
genomen voor een bijstelling in verband met de ontwikkeling van het
prijspeil, onderscheidenlijk van de kosten van de arbeidsvoorwaarden.
3. Indien een subsidie met toepassing van het eerste lid wordt
bijgesteld, kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.
Paragraaf 1.8. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 1.8.1
De subsidieontvanger zorgt ervoor dat:
a. de doeleinden, gesteld in het activiteitenplan dan wel het
projectplan, op doelmatige wijze worden nagestreefd;
b. de werkzaamheden op een zodanige manier worden geregeld dat
een goed beleid en beheer worden gevoerd, en
c. de subsidie op doelmatige wijze wordt gebruikt voor de
doeleinden waarvoor deze wordt verleend.
Artikel 1.8.2
De subsidieontvanger zorgt er voorts voor:
a. dat de administratie op overzichtelijke en doelmatige wijze
wordt gevoerd;
b. dat de administratie een juist, volledig en actueel beeld
geeft van het functioneren van de instelling, en
c. dat van alle ontvangsten en uitgaven deugdelijke bewijsstukken
aanwezig zijn waaruit de aard en de omvang van de geleverde goederen
of van de verrichte diensten duidelijk blijken.
Artikel 1.8.3
Bij instellingen die een instellingssubsidie ontvangen, is het
boekjaar gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 1.8.4
1. De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk schriftelijk
mededeling aan het College zorgverzekeringen van omstandigheden die
van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking
of vaststelling van de subsidie.
2. Het eerste lid is van toepassing in de situatie dat de
feitelijke liquiditeitsbehoefte lager is dan de verleende voorschotten.
3. Bij een mededeling overeenkomstig dit artikel worden de
relevante stukken overgelegd.
Artikel 1.8.5
1. De privaatrechtelijke rechtspersoon die een
instellingssubsidie ontvangt, verzekert haar roerende en onroerende
zaken op afdoende wijze tegen het risico van diefstal en brand alsmede
tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid tegenover derden.
2. De ontvanger van een instellingssubsidie verzekert voor
vrijwilligers die werkzaamheden verrichten in het kader van de
gesubsidieerde activiteiten, hun wettelijke aansprakelijkheid.
3. Het College zorgverzekeringen kan op aanvraag ontheffing
verlenen van het eerste of tweede lid.
4. Het College zorgverzekeringen kan het eerste of tweede lid van
overeenkomstige toepassing verklaren op de ontvanger van een
projectsubsidie.
Artikel 1.8.6
De subsidieontvanger stelt na afloop van de periode of het project
waarvoor subsidie is verleend een verslag vast dat inzicht geeft in de
aard, duur en omvang van de in het kader van de subsidiëring verrichte
activiteiten. Het verslag vergelijkt de verrichte activiteiten met de in
het activiteitenplan, onderscheidenlijk projectplan, voorgenomen
activiteiten.
Artikel 1.8.7
1. Voorzover het bedrag van de verleende instellingssubsidie,
zonder toepassing van de in artikel 1.2.2 bedoelde vermindering, na
uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten overeenkomstig de
geldende verplichtingen, niet is besteed aan de doeleinden waarvoor
het is verstrekt, wordt het gereserveerd.
2. Voor de berekening van het in het eerste lid bedoelde te
reserveren bedrag wordt het totaal van de met de gesubsidieerde
activiteiten samenhangende baten, bestaande uit de verleende
instellingssubsidie en de gerealiseerde overige baten, verminderd met de
lasten van de gesubsidieerde activiteiten. Deze uitkomst wordt
toegerekend naar rato van de verleende instellingssubsidie en de, in de
ingediende begroting opgenomen, met de gesubsidieerde activiteiten
samenhangende, overige baten. Het te reserveren bedrag is het aan de
instellingssubsidie toegerekende deel.
3. Toevoegingen aan voorzieningen als bedoeld in artikel 374,
eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die samenhangen met
de gesubsidieerde activiteiten, worden gerekend tot de lasten van de
gesubsidieerde activiteiten, bedoeld in het tweede lid.
4. Indien in de ingediende begroting onder de met de
gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten een vrijgevallen
voorziening is opgenomen, blijft deze buiten beschouwing bij de
berekening van het te reserveren bedrag, bedoeld in het tweede lid.
5. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor de
ontvanger van een ondersteuningssubsidie.
6. De in het eerste lid bedoelde reservering wordt uitsluitend
besteed aan doeleinden waarvoor de subsidie werd verstrekt.
7. Het totaal van de in het eerste lid bedoelde reservering in
enig jaar bedraagt ten hoogste 10% van het bedrag van de voor dat jaar
verleende subsidie, zonder toepassing van de in artikel 1.2.2 bedoelde
vermindering.
8. Toevoeging aan de in het eerste lid bedoelde reservering kan
niet plaatsvinden als de in het eerste lid bedoelde reservering reeds
10% of meer van het voor dat jaar verleende subsidie betreft.
Artikel 1.8.8
Op de balans worden de voorzieningen, gesplitst naar hun aard, en de
reservering opgenomen. In de toelichting op de balans worden de
toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorzieningen en reservering
toegelicht.
Artikel 1.8.9
1. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat, behoudens
schriftelijke toestemming van het College zorgverzekeringen,
publicatie of het anderszins openbaar maken op grond van deze regeling
gesubsidieerd onderzoek, delen of samenvattingen daarvan, niet
plaatsheeft binnen drie maanden nadat deze aan het College
zorgverzekeringen zijn voorgelegd.
2. Het College zorgverzekeringen is bevoegd om onderzoek, bedoeld
in het eerste lid, desgewenst te voorzien van commentaar, één of
meermalen te vermenigvuldigen of te publiceren of anderszins openbaar te
maken of te doen openbaar maken, met vermelding van de bron, zonder dat
hiervoor enige vergoeding is verschuldigd.
3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de in het eerste
lid bedoelde onderzoeksgegevens op verzoek van het College
zorgverzekeringen onmiddellijk en kosteloos aan het College
zorgverzekeringen of aan door het College zorgverzekeringen aangewezen
natuurlijke personen of rechtspersonen beschikbaar worden gesteld.
4. Indien een gesubsidieerde activiteit leidt tot een publicatie,
kan het College zorgverzekeringen bepalen dat de subsidieontvanger er
zorg voor draagt dat bij de publicatie wordt aangegeven wie de
uitvoerder en subsidiënt van het project zijn geweest.
5. Indien een subsidie gericht is of mede gericht is op de
totstandkoming van een werk als bedoeld in artikel 10, onder 1°, van de
Auteurswet 1912, draagt de subsidieontvanger er zorg voor
auteursrechthebbende te zijn ter zake van dat werk.
6. De subsidieontvanger vrijwaart de Staat der Nederlanden en het
College zorgverzekeringen voor aanspraken van derden ter zake van alle
schade die zij lijden ten gevolge van de door of vanwege de
subsidieontvanger verrichte publicaties.
Artikel 1.8.10
Aan de subsidie kunnen verplichtingen als bedoeld in artikel 4:39 van
de Algemene wet bestuursrecht worden verbonden.
Artikel 1.8.11
1. De subsidieontvanger is in de gevallen, genoemd in artikel
4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een vergoeding
voor vermogensvorming verschuldigd.
2. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt
uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen
op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien
verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies
of beschadiging van zaken, wordt uitgegaan van het bedrag dat als
schadevergoeding door de instelling wordt ontvangen. Indien het
onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door één of drie
onafhankelijke deskundigen.
3. Toepassing van het eerste lid blijft achterwege indien de
activiteiten van de subsidieontvanger, na toestemming van het College
zorgverzekeringen, door een andere rechtspersoon worden voortgezet en de
activa tegen boekwaarde aan die andere rechtspersoon in eigendom zijn
overgedragen.
Artikel 1.8.12
1. De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie
die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde
instellingen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de
instelling ter beschikking gestelde goederen, is niet hoger dan het
bedrag dat op grond van de verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs
verminderd met de ontvangen investeringssubsidies en bestemmingsgiften
berekend wordt, rekening houdend met de geldende
afschrijvingspercentages.
2. De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie
die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen
ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling geleverde
diensten, is indien het diensten betreft die in het algemeen door
soortgelijke instellingen in eigen beheer worden verricht, niet hoger
dan het bedrag dat gelijk is aan de kosten die de instelling zou hebben
gehad bij het verrichten van de diensten in eigen beheer.
3. De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie
die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen
ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling geleverde
diensten, andere dan de in het tweede lid bedoelde diensten, is niet
hoger dan het bedrag dat voor het doen verrichten van dergelijke
diensten door andere organisaties gebruikelijk kan worden geacht.
Artikel 1.8.13
De subsidieontvanger die aan derden goederen ter beschikking stelt of
voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in
rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor
wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn.
Artikel 1.8.14
1. De subsidieontvanger verstrekt aan de door het College
zorgverzekeringen aangewezen ambtenaren of andere personen op hun
verzoek alle bescheiden en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor een
juiste vervulling van hun taak. De bescheiden worden op één adres
getoond en de inlichtingen, op verzoek, schriftelijk verstrekt. Indien
de instelling slechts kan voldoen aan deze verplichting door inbreuk
te maken op het recht van enig persoon op bescherming van zijn
persoonlijke levenssfeer, verstrekt de instelling de verlangde
gegevens op zodanige wijze dat deze niet tot personen herleidbaar
zijn.
2. Ook anderszins wordt zoveel mogelijk medewerking verleend
teneinde de door het College zorgverzekeringen aangewezen ambtenaren of
andere personen in staat te stellen hun taak op een juiste wijze te
vervullen.
3. De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens het College
zorgverzekeringen ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht
inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het
beleid.
4. De subsidieontvanger machtigt de in artikel 1.9.4 bedoelde
accountant overeenkomstig het eerste tot en met het derde lid te
handelen.
Artikel 1.8.15
Indien bij het College zorgverzekeringen het vermoeden is gerezen dat
artikel 1.8.12 niet is nageleefd, spant de subsidieontvanger zich
desgevraagd in de jaarrekening van de desbetreffende organisatie over te
leggen.
Paragraaf 1.9. De aanvraag tot subsidievaststelling
Artikel 1.9.1
1. Binnen zes maanden na afloop van de periode of het project
waarvoor subsidie is verleend, dient de subsidieontvanger een aanvraag
in voor de subsidievaststelling.
2. De aanvraag voor de subsidievaststelling gaat vergezeld van:
a. het verslag, bedoeld in artikel 1.8.6;
b. de subsidiedeclaratie, bedoeld in artikel 1.9.2;
c. de jaarrekening, en
d. indien de aanvraag is ondertekend door een of meer andere
personen dan de personen die op grond van de statuten bevoegd zijn de
instelling te vertegenwoordigen: een afschrift van de volmacht op
grond waarvan de aanvraag door die andere persoon of personen is
ondertekend.
3. Een subsidiedeclaratie kan achterwege blijven indien de
daarmee te verstrekken informatie reeds in de in te zenden jaarrekening
is opgenomen.
4. De jaarrekening behoeft niet te worden ingezonden, indien het
gaat om:
a. een projectsubsidie, of
b. een subsidie aan een rechtspersoon krachtens publiekrecht
ingesteld.
5. Het College zorgverzekeringen kan ontheffing en vrijstelling
verlenen van de in het eerste lid genoemde aanvraagtermijn.
Artikel 1.9.2
De subsidiedeclaratie geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord
oordeel kan worden gevormd omtrent de aanwending en de besteding van de
subsidie door de instelling en geeft de nodige informatie om de subsidie
vast te stellen. De subsidiedeclaratie sluit aan op de indeling van de
bij de subsidieaanvraag ingediende begroting. Belangrijke verschillen
tussen declaratie en begroting worden toegelicht. In de
subsidiedeclaratie van instellingssubsidies wordt de aansluiting tussen
de subsidiedeclaratie en de jaarrekening toegelicht.
Artikel 1.9.3
1. De afdelingen 2 tot en met 8 van Titel 9 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op de
jaarrekening, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening
vervangen wordt door een exploitatierekening; op deze rekening zijn de
bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van
overeenkomstige toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies zijn
van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.
2. De grondslag voor de waardering van activa en passiva is de
verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met de ontvangen
investeringssubsidies en bestemmingsgiften.
3. Het College zorgverzekeringen kan bepalen dat bepalingen van
de in het eerste lid bedoelde Titel of onderdelen daarvan niet van
toepassing zijn op bepaalde instellingen.
Artikel 1.9.4
1. De jaarrekening en de subsidiedeclaratie zijn ieder
afzonderlijk voorzien van een verklaring van een accountant als
bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek.
2. De jaarrekening of de subsidiedeclaratie gaat vergezeld van
een rapportage omtrent de naleving van de subsidiebepalingen door de
subsidieontvanger, opgesteld door de accountant overeenkomstig een door
het College zorgverzekeringen vast te stellen protocol.
3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de accountant
meewerkt aan door of namens het College zorgverzekeringen in te stellen
onderzoeken naar de door de accountant verrichte werkzaamheden. Voor de
aan dit onderzoek verbonden kosten wordt geen subsidie verstrekt.
Paragraaf 1.10. De vaststelling van de subsidie
Artikel 1.10.1
Binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel
1.9.1, geeft het College zorgverzekeringen een beschikking tot
vaststelling van de subsidie.
Artikel 1.10.2
Indien het College zorgverzekeringen bij de vaststelling van de
subsidie rekening houdt met de ontwikkeling van het prijspeil of met de
ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden, en het bedrag aan
subsidies dat alsdan op grond van een subsidieparagraaf vastgesteld zou
worden het in die paragraaf genoemde subsidieplafond voor het
desbetreffende jaar zou overschrijden, wordt dat plafond verhoogd met
het verschil tussen het totaal door het College zorgverzekeringen op
grond van die paragraaf aan subsidies vast te stellen bedrag en dat
plafond.
Hoofdstuk II. Specifieke subsidies
Paragraaf 2.1. Experimenten diensten bij wonen met zorg
Artikel 2.1.1
1. Aan zorgkantoren wordt op aanvraag een
projectsubsidie verleend voor door de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport uiterlijk op 31 december 2006 aangewezen experimenten
waarbinnen projecten worden uitgevoerd die bestaan uit:
a. dienstverleningsactiviteiten die mogelijk maken dat:
1°. verzekerden die opgenomen zijn in een ingevolge de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten toegelaten instelling weer zelfstandig
gaan wonen, dan wel,
2°. verzekerden die ingevolge de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten aanspraak hebben op zorg als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdelen a tot en met e, van het Besluit
zorgaanspraken AWBZ hun zelfstandigheid behouden,
b. onderzoeksactiviteiten met betrekking tot de onder a genoemde
dienstverleningsactiviteiten, of
c. het verschaffen van een persoonsgebonden budget bestemd voor het
inkopen van dienstverleningsactiviteiten.
2. Artikel 1.1.3, eerste lid, onderdelen b en c, zijn niet van
toepassing.
Artikel 2.1.2
Bij het verlenen van subsidie neemt het College zorgverzekeringen de
voorwaarden in aanmerking die de Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport heeft verbonden aan de activiteiten die plaatsvinden binnen een
door hem aangewezen experiment.
Artikel 2.1.3
1. Subsidie wordt slechts verleend voor uitgevoerde
activiteiten in de regio van het zorgkantoor.
2. In afwijking van het eerste lid worden ook bestedingen door
het zorgkantoor in een andere regio in aanmerking genomen voor zover het
College zorgverzekeringen daarvoor vooraf toestemming heeft verleend.
Deze toestemming wordt slechts verleend indien de besteding van de
subsidie door het zorgkantoor overeenkomstig deze paragraaf in de eigen
regio niet mogelijk is en dit in redelijkheid niet aan het zorgkantoor
is toe te rekenen en het andere zorgkantoor zich schriftelijk ten
opzichte van het zorgkantoor verplicht heeft de overgehevelde middelen
in het subsidiejaar te besteden overeenkomstig deze paragraaf. Het
College zorgverzekeringen kan voorwaarden aan de toestemming verbinden.
Artikel 2.1.4
Het zorgkantoor verleent slechts subsidie aan een instelling indien:
a. er sprake is van een door het zorgkantoor aanvaard projectplan
met een aanvaarde begroting waarin:
1°. inzichtelijk is gemaakt dat de activiteiten binnen het
project inhoudelijk en financieel voldoen aan de voorwaarden die
de Minister heeft gesteld in de aanwijzing als experiment,
2°. inzichtelijk is gemaakt uit welke activiteiten het project
bestaat en hoeveel verzekerden gebruik kunnen maken van deze
activiteiten,
3°. voor zover noodzakelijk inzichtelijk is gemaakt hoe de
instelling een adequate betaling door verzekerden per aangeboden
activiteit heeft geregeld,
4°. inzicht wordt geboden in de georganiseerde activiteiten,
het soort instelling dat de activiteiten uitvoert, de opbouw van
de kostprijzen van de uit te voeren activiteiten en de wijze
waarop registratie van de verzekerden en de verantwoording van de
activiteiten zijn georganiseerd,
5°. is vastgelegd dat bij de afrekening van het
dienstverleningsproject over de in de onderdelen 1°, 2° , 3° en
4° gevraagde inzichten wordt gerapporteerd;
b. de instelling schriftelijk verklaart alle medewerking te
zullen verlenen aan de uitvoering van een evaluatie van de ingevolge
deze paragraaf gesubsidieerde activiteiten.
Artikel 2.1.5
Het subsidieplafond voor de gesubsidieerde activiteiten, bedoeld in
artikel 2.1.1, eerste lid, bedraagt voor het jaar 2008 € 7 000
000.
Artikel 2.1.6
Bij het verlenen van subsidie aan het zorgkantoor wordt maximaal het
bedrag in aanmerking genomen dat de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport voor 2008 in de aanwijzing als experiment heeft
opgenomen.
Artikel 2.1.7
1. Het zorgkantoor verleent medewerking aan de uitvoering van
een evaluatie van de ingevolge deze paragraaf gesubsidieerde
activiteiten.
2. Het zorgkantoor geeft na afloop van het subsidiejaar aan welk
effect de gesubsidieerde activiteiten hebben gehad op:
a. de verschuiving van intramurale naar extramurale zorg;
b. het aantal wachtenden op verblijf in een AWBZ-instelling.
3. Het zorgkantoor registreert op zorgvuldige wijze alle gegevens
die door het College zorgverzekeringen noodzakelijk worden geacht voor
het verkrijgen van inzicht in het effect van de gesubsidieerde
activiteiten.
Paragraaf 2.2 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.2.1 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.2.2 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.2.3 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.2.4 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.2.5 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.2.6 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.2.7 [Vervallen per 01-01-2007]
Paragraaf 2.3 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.3.1 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.3.2 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.3.3 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.3.4 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.3.5 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.3.6 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.3.7 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.3.8 [Vervallen per 01-01-2007]
Paragraaf 2.4 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.4.1 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.4.2 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.4.3 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.4.4 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.4.5 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.4.6 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.4.7 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.4.8 [Vervallen per 01-01-2007]
Paragraaf 2.5. MEE-organisaties
Artikel 2.5.1
1. Aan door het College
zorgverzekeringen, op basis van door het College zorgverzekeringen vast
te stellen nadere regels inzake spreiding en behoefte, aangewezen
MEE-organisaties worden op aanvraag per kalenderjaar
instellingssubsidies verleend voor laagdrempelige, onafhankelijke en
betrouwbare cliëntondersteuning ten behoeve van hun cliënten, zijnde
verzekerden met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke
handicap al da niet veroorzaakt door een chronische ziekte of een
beperking uit het autistisch spectrum, hun ouders, andere verwanten,
verzorgers of vertegenwoordigers.
2. Een MEE-organisatie komt niet voor subsidie in aanmerking
indien zij zorg verleent op grond van de AWBZ.
3. Bij de subsidiëring worden de volgende activiteiten
onderscheiden:
a. collectieve cliëntondersteuning;
b. individuele cliëntondersteuning, en
c. coördinatie van projecten integrale vroeghulp.
Artikel 2.5.2
1. Het subsidieplafond voor collectieve en individuele
cliëntondersteuning bedraagt voor het jaar 2008 € 170 305 073.
2. Het subsidieplafond voor de coördinatie van projecten
integrale vroeghulp bedraagt voor het jaar 2008 € 1 512 547.
Artikel 2.5.3
1. Subsidie voor collectieve cliëntondersteuning wordt slechts
verleend indien de activiteiten van de MEE-organisatie op dit terrein
bestaan uit:
a. het vergaren en verstrekken van informatie en het geven van
voorlichting aan cliënten;
b. het signaleren van relevante ontwikkelingen en belemmeringen, en
c. het scheppen van voorwaarden voor maatschappelijke activering en
integratie door middel van het opbouwen en onderhouden van de sociale
kaart en relevante netwerken.
2. Subsidie wordt slechts verleend voor zover tussen de
MEE-organisatie en het door het College zorgverzekeringen voor hem
aangewezen zorgkantoor schriftelijk overeenstemming is bereikt over de
omvang van de activiteiten bedoeld in het eerste lid.
3. De subsidieverlening bedraagt maximaal € 1 873 per
1000 inwoners, waarbij wordt uitgegaan van het aantal inwoners op 1
januari van het jaar voorafgaande aan het subsidiejaar.
4. Indien het in 2006 verleende subsidiebedrag hoger is dan € 1 814
per 1000 inwoners, bedraagt de subsidieverlening per 1000 inwoners
maximaal het in 2007 verleende subsidiebedrag per 1000 inwoners verhoogd
met 3,25%, waarbij wordt uitgegaan van het aantal inwoners op 1 januari
van het jaar voorafgaande aan het subsidiejaar.
Artikel 2.5.4
1. Subsidie voor individuele cliëntondersteuning wordt slechts
verleend indien de activiteiten van de MEE-organisatie op dit terrein
bestaan uit de volgende diensten:
a. dienst A: informatieverstrekking en advisering;
b. dienst B1: vraagverduidelijking;
c. dienst B2: aanvragen en realiseren van externe dienstverlening
en zorg;
d. dienst B3: klacht en bezwaar en beroep waaronder ook het
voorkomen daarvan;
e. dienst B4: monitoring en evaluatie van externe dienstverlening
en zorg;
f. dienst B5: ondersteuning in een crisissituatie;
g. dienst C: volledige beeldvorming;
h. dienst D: kortdurende en kortcyclische ondersteuning, en
i. dienst E: aanbieding van cursussen in groepen.
2. De te verlenen subsidie wordt berekend op basis van de
volgende normbedragen:
a. dienst A: € 273;
b. dienst B1: € 1 169;
c. dienst B2: € 1 715;
d. dienst B3: € 1 325;
e. dienst B4: € 780;
f. dienst B5: € 780;
g. dienst C: € 1 096;
h. dienst D: € 1 793;
i. dienst E: € 546.
3. De normbedragen voor de diensten A tot en met D hebben
betrekking op in het subsidiejaar afgesloten diensten. Het normbedrag
voor dienst E heeft betrekking op in het subsidiejaar gegeven
cursusbijeenkomsten.
4. De subsidieverlening bedraagt het product van het aantal
diensten en de in het tweede lid genoemde normbedragen.
5. Subsidie wordt slechts verleend voor zover tussen de
MEE-organisatie en het door het College zorgverzekeringen voor hem
aangewezen zorgkantoor schriftelijk overeenstemming is bereikt over de
omvang van de activiteiten bedoeld in het eerste lid.
6. Indien de gezamenlijke aanvragen voor subsidieverlening voor
individuele cliëntondersteuning hoger zijn dan de voor verlening
beschikbare subsidie, vindt de verlening plaats op basis van de volgende
systematiek:
a. subsidie wordt verleend tot de hoogte van de in het voorgaande
subsidiejaar voor individuele cliëntondersteuning verleende subsidie,
waarbij de toepassing van het zevende lid buiten beschouwing blijft;
b. de na toepassing van onderdeel a en artikel 2.5.3, derde lid,
nog resterende subsidie wordt verdeeld volgens de volgende formule:
waarbij wordt verstaan onder:
A: het nog resterende deel van de aanvraag van de MEE-organisatie;
B: het nog resterende deel van alle aanvragen van de
MEE-organisaties;
C: de na toepassing van onderdeel a en artikel 2.5.3, derde lid, nog
resterende subsidie.
7. Indien de gezamenlijke waarde van de in het subsidiejaar
gerealiseerde diensten, als bedoeld in het eerste lid, lager is dan de
verleende subsidie dan wordt de subsidieverlening dienovereenkomstig
verlaagd, met dien verstande dat de aldus herziene subsidieverlening
minimaal 90% bedraagt van de aanvankelijk verleende subsidie.
8. Toepassing van het zevende lid leidt niet tot hernieuwde
toepassing van het zesde lid.
Artikel 2.5.5
1. Subsidie voor de coördinatie van een project integrale
vroeghulp wordt slechts verleend indien het project integrale
vroeghulp:
a. is gebaseerd op een samenwerkingsovereenkomst tussen de
MEE-organisatie en ten minste de sector voor de kinderrevalidatie en
de sector voor de zorg voor kinderen met een verstandelijke handicap;
b. beschikt over een team integrale vroeghulp, bestaande uit
vertegenwoordigers van een kinderrevalidatiecentrum of de
revalidatieafdeling van een ziekenhuis, de subsidieontvanger en de
kinderdagcentra voor kinderen met een verstandelijke handicap;
c. een onafhankelijk aangestuurde coördinator heeft;
d. een pool van deskundige casemanagers heeft;
e. beschikt over een laagdrempelig aanmeldpunt, en
f. beschikt over een projectplan dat de instemming heeft van de
partijen die de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld onder a, zijn
aangegaan.
2. De kosten die de MEE-organisatie maakt als
samenwerkingspartner bij de uitvoering van projecten integrale vroeghulp
vallen onder het subsidieplafond van artikel 2.5.2, eerste lid. De
kosten van de overige samenwerkingspartners in een project integrale
vroeghulp kunnen niet ten laste van deze subsidieparagraaf worden
gebracht.
3. Het subsidieplafond genoemd in artikel 2.5.2, tweede lid,
wordt als volgt verdeeld:
a. € 17.500 per MEE-organisatie;
b. de vervolgens nog resterende subsidie wordt over de
MEE-organisaties verdeeld op basis van het aantal inwoners, waarbij
wordt uitgegaan van het aantal inwoners op 1 januari van het jaar
voorafgaande aan het subsidiejaar.
Artikel 2.5.6
1. De MEE-organisatie kan, ten laste van de subsidie voor
collectieve en individuele cliëntondersteuning, slechts een
voorziening vormen voor:
a. kosten huisvesting;
b. vakantiegelden;
c. spaar/verlofovereenkomsten overeenkomstig de CAO
Gehandicaptenzorg;
d. loonkosten als gevolg van ziekte en arbeidsongeschiktheid
overeenkomstig de CAO Gehandicaptenzorg waarvoor de MEE-organisatie
niet verzekerd is;
e. kosten van arbeidsrechtelijke geschillen, voor zover deze kosten
voortvloeien uit een gerechtelijke uitspraak.
2. Voor zover in de volgende leden niet anders is bepaald, is op
deze voorzieningen artikel 374 van boek 2 BW van toepassing.
3. Toevoeging aan de voorziening bedoeld in het eerste lid, onder
a, is slechts mogelijk voor zover de huisvestingskosten lager zijn dan
12,8% van de voor collectieve en individuele cliëntondersteuning
verleende subsidie.
4. Voor de toepassing van het vorige lid wordt onder
huisvestingskosten verstaan de kosten van huur, lease, hypothecaire
leningen, erfpacht, energie en de afschrijving van gebouwen, inventaris,
automatiseringsapparatuur en programmatuur, waarbij afschrijvingskosten
in aanmerking worden genomen tot de volgende maximum percentages van de
historische kosten:
a. gebouwen 2%;
b. verbouwingen 5%;
c. inventaris 10%;
d. automatiseringsapparatuur en programmatuur 20%.
6. Kosten waarvoor een voorziening als bedoeld in de voorgaande
leden is gevormd, worden ten laste van die voorziening gebracht.
7. In afwijking van artikel 1.8.7, achtste lid, kan toevoeging
aan de in artikel 1.8.7, eerste lid, bedoelde reservering niet
plaatsvinden als de in artikel 1.8.7, eerste lid bedoelde reservering
reeds 8,7% of meer van de voor dat jaar verleende subsidie voor
individuele en collectieve cliëntondersteuning betreft.
8. Artikel 1.8.7 is niet van toepassing op de subsidie voor de
coördinatie van projecten integrale vroeghulp.
Artikel 2.5.7
1. De aanvraag voor de subsidievaststelling gaat vergezeld van
een overzicht van de aan de activiteiten, genoemd in artikel 2.5.3,
eerste lid, en de diensten, genoemd in artikel 2.5.4, eerste lid,
bestede tijd.
2. De aanvraag tot subsidievaststelling wordt pas in behandeling
genomen als het door het College zorgverzekeringen voor de betrokken
MEE-organisatie aangewezen zorgkantoor schriftelijk met de aanvraag
heeft ingestemd.
3. Het College zorgverzekeringen kan bij de subsidievaststelling
van enig jaar overheveling van onbenutte subsidie tussen
MEE-organisaties toepassen. Deze overheveling is slechts mogelijk als de
gezamenlijke waarde van de in het subsidiejaar gerealiseerde diensten,
als bedoeld in artikel 2.5.4, eerste lid, hoger is dan de voor
individuele cliëntondersteuning verleende subsidie en kan slechts
leiden tot een verhoging van maximaal 12,5% van de voor individuele
cliëntondersteuning verleende subsidie.
4. Indien er meer MEE-organisaties zijn met een overschrijding
van de verleende subsidie en er onvoldoende onbenutte subsidiegelden
binnen het subsidieplafond zijn, worden deze
overschrijdingen naar rato toegekend overeenkomstig de volgende
formule:
waarbij wordt verstaan:
A: de overschrijding per MEE-organisatie tot maximaal 12,5% van de
verleende subsidie voor de individuele cliëntondersteuning;
B: de overschrijding van alle MEE-organisaties samen met
inachtneming van de maximering tot 12,5% van de verleende subsidie
voor de individuele cliëntondersteuning;
C: de onbenutte subsidiegelden binnen het subsidieplafond.
Artikel 2.5.8
1. De MEE-organisatie registreert op zorgvuldige wijze alle
gegevens die naar het oordeel van het College zorgverzekeringen
noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van een goed inzicht in de
gesubsidieerde taken. Bij de registratie wordt rekening gehouden met
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het medisch
beroepsgeheim.
2. De MEE-organisatie bewaart de in het eerste lid bedoelde
gegevens gedurende minimaal vijf jaren.
Artikel 2.5.9
1. De MEE-organisatie overlegt met de gemeenten in haar
werkgebied over de invulling van de activiteiten, bedoeld in artikel
2.5.1.
2. De MEE-organisatie legt de uitkomsten van het overleg vast in
een door de MEE-organisatie en de betrokken gemeente gezamenlijk te
ondertekenen schriftelijke overeenkomst.
3. Het College zorgverzekeringen kan voor de in het tweede lid
bedoelde overeenkomst een model vaststellen.
4. De MEE-organisatie zendt de in het tweede lid bedoelde
overeenkomst uiterlijk 1 mei 2008 naar het College zorgverzekeringen.
5. Indien de gemeente de overeenkomst niet ondertekent, maakt de
MEE-organisatie inzichtelijk welke inspanningen zij heeft verricht om
tot mede-ondertekening te komen.
Paragraaf 2.6. Persoonsgebonden budget
Artikel 2.6.1
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. AWBZ: Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
b. persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende
begeleiding, activerende begeleiding en vervoer: hetgeen daaronder
wordt verstaan in het Besluit zorgaanspraken AWBZ, met dien
verstande dat de desbetreffende zorg niet door een instelling hoeft
te worden verleend;
c. verblijf: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit
zorgaanspraken AWBZ;
d. kortdurend verblijf: tijdelijk verblijf gedurende gemiddeld
niet meer dan twee etmalen per week, met dien verstande dat het
verblijf niet door een instelling hoeft te worden verleend;
e. indicatiebesluit: een beschikking als bedoeld in artikel 9b,
eerste lid, van de AWBZ, van het bevoegde indicatieorgaan;
f. netto persoonsgebonden budget: een subsidie waarmee de
verzekerde aan hem te verlenen zorg als bedoeld in onderdeel b of d
kan inkopen.
Artikel 2.6.2
1. Aan zorgkantoren wordt op aanvraag per kalenderjaar een
subsidie verleend die is bestemd voor het met inachtneming van de
artikelen 2.6.4 tot en met 2.6.13 verstrekken van netto
persoonsgebonden budgetten.
2. Het subsidieplafond voor de in het eerste lid bedoelde
activiteiten bedraagt € 1 750 000 000.
3. Voor verleende persoonsgebonden budgetten als bedoeld in het
eerste lid wordt een maximale subsidie in aanmerking genomen, die wordt
berekend overeenkomstig de volgende formule:
(A × B) / C × € 1 70 000 000
waarbij wordt verstaan onder:
A: het aantal verzekerden in de regio van de subsidie-ontvanger
waaraan op 31 augustus van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar een
persoonsgebonden budget was verleend op grond van deze paragraaf;
B: het gemiddeld op jaarbasis op 31 augustus van het jaar voorafgaand
aan het subsidiejaar door de subsidie-ontvanger aan de onder A bedoelde
verzekerden verleende netto persoonsgebonden budget;
C: de som van de tellers voor alle subsidie-ontvangers tezamen.
4. € 50 000 000 wordt verdeeld met inachtneming
van door het College zorgverzekeringen vast te stellen beleidsregels.
5. Het zorgkantoor verleent slechts subsidie voor
persoonsgebonden budgetten voor verzekerden woonachtig in zijn regio.
6. In afwijking van het vijfde lid kan het zorgkantoor ook
bestedingen door een zorgkantoor in een andere regio ten laste van het
subsidie brengen, na schriftelijke toestemming van het College
zorgverzekeringen.
7. Artikel 1.1.3, eerste lid, onderdelen b en c, zijn niet van
toepassing.
8. Voor de toepassing van hoofdstuk I wordt de in het eerste lid
bedoelde subsidie beschouwd als een projectsubsidie, met dien verstande
dat de aanvraag van de subsidie in afwijking van artikel 1.6.1, tweede
lid, niet vergezeld gaat van een projectplan.
9. Het College zorgverzekeringen kan bij de subsidievaststelling
van enig jaar onbenutte subsidiegelden overhevelen van het ene
zorgkantoor naar het andere zorgkantoor.
Artikel 2.6.3 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 2.6.4
1. Een zorgkantoor verleent een
verzekerde een netto persoonsgebonden budget voor zover:
a. de verzekerde beschikt over een indicatiebesluit waaruit blijkt
dat hij is aangewezen op een of meer van de vormen van zorg als
bedoeld in artikel 2.6.1, onderdeel b, c of d, en
b. de verzekerde voor die vorm of die vormen van zorg een netto
persoonsgebonden budget heeft aangevraagd.
2. In afwijking van het eerste lid weigert het zorgkantoor
verlening van een netto persoonsgebonden budget indien:
a. de verzekerde op de dag waarop de subsidieperiode zou aanvangen
anders dan terzake van kortdurend verblijf in een instelling als
bedoeld in de AWBZ of de Zorgverzekeringswet zal verblijven;
b. de verzekerde op grond van een wettelijk voorschrift, anders dan
de AWBZ, recht heeft op de geïndiceerde zorg, of op een gehele of
gedeeltelijke vergoeding van de kosten daarvan;
c. het zorgkantoor, op advies van een een instelling voor
maatschappelijk werk of de Raad voor de kinderbescherming, van oordeel
is dat een ten behoeve van een minderjarige verzekerde aangevraagd
budget in zodanige mate niet voor de inkoop van zorg ten behoeve van
die verzekerde zal worden gebruikt, dat dit mishandeling,
verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van
die verzekerde tot gevolg zal hebben;
d. binnen de maximale subsidie, bedoeld in artikel 2.6.2, tweede en
derde lid, geen ruimte voor verlening van een persoonsgebonden budget
aanwezig is en de subsidieperiode waarvoor een persoonsgebonden budget
wordt aangevraagd niet onmiddellijk aansluit op een eerdere
subsidieperiode.
3. In afwijking van het eerste lid kan het zorgkantoor verlening
van een netto persoonsgebonden budget weigeren indien de verzekerde zich
niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder
persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen.
4. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, kan het
zorgkantoor een persoonsgebonden budget verlenen voor ondersteunende
begeleiding in dagdelen en activerende begeleiding in dagdelen indien de
verzekerde verblijft in een instelling waar de dagbesteding geen
onderdeel vormt en hoeft te vormen van de door de instelling geleverde
zorg.
Artikel 2.6.5
Het netto persoonsgebonden budget wordt verleend voor een
subsidieperiode die:
a. niet eerder aanvangt dan de dag met ingang waarvan de
verzekerde volgens zijn indicatiebesluit op de zorg is aangewezen
waarvoor het budget wordt verleend, en
b. eindigt met ingang van de dag waarop het indicatiebesluit zijn
geldigheidsduur verliest.
Artikel 2.6.6
1. Het bruto persoonsgebonden budget bedraagt per kalenderjaar
voor:
a. persoonlijke verzorging:
1°. klasse 1: € 1 416
2°. klasse 2: € 4 248
3°. klasse 3: € 7 785
4°. klasse 4: € 12 033
5°. klasse 5: € 16 279
6°. klasse 6: € 20 526
7°. klasse 7: € 25 480
8°. klasse 8: € 31 850
9°. klasse 9: het bedrag genoemd bij klasse 8, vermeerderd met
een bedrag gelijk aan het product van het aantal uren waarmee het
geïndiceerde aantal uren de bovengrens van klasse 8 overschrijdt en
een bedrag van € 1 416;
b. verpleging:
1°. klasse 0: € 1 221
2°. klasse 1: € 3 645
3°. klasse 2: € 7 286
4°. klasse 3: € 13 356
5°. klasse 4: € 20 645
6°. klasse 5: € 27 928
7°. klasse 6: € 35 216
8°. klasse 7: € 43 716
9°. klasse 8: het bedrag genoemd bij klasse 7, vermeerderd met
een bedrag gelijk aan het product van het aantal uren waarmee het
geïndiceerde aantal uren de bovengrens van klasse 7 overschrijdt en
een bedrag van € 2 433;
c. ondersteunende begeleiding in uren:
1°. klasse 1: € 1 768
2°. klasse 2: € 5 305
3°. klasse 3: € 9 726
4°. klasse 4: € 15 031
5°. klasse 5: € 20 333
6°. klasse 6: € 25 639
7°. klasse 7: € 31 825
8°. klasse 8: € 39 783
9°. klasse 9: het bedrag genoemd bij klasse 8, vermeerderd met
een bedrag gelijk aan het product van het aantal uren waarmee het
geïndiceerde aantal uren de bovengrens van klasse 8 overschrijdt en
een bedrag van € 1 768;
d. ondersteunende begeleiding in dagdelen:
1°. klasse 1: € 2 297
2°. klasse 2: € 4 597
3°. klasse 3: € 6 894
4°. klasse 4: € 9 193
5°. klasse 5: € 11 491
6°. klasse 6: € 13 789
7°. klasse 7: € 16 088
8°. klasse 8: € 18 386
9°. klasse 9: € 20 684
10°. klasse 10: het bedrag genoemd bij klasse 9, vermeerderd met
een bedrag gelijk aan het product van het aantal dagdelen waarmee
het geïndiceerde aantal dagdelen de bovengrens van klasse 9
overschrijdt en een bedrag van € 2 297;
e. ondersteunende begeleiding in dagdelen, inclusief vervoer:
1°. klasse 1: € 2 576
2°. klasse 2: € 5 151
3°. klasse 3: € 7 727
4°. klasse 4: € 10 303
5°. klasse 5: € 12 879
6°. klasse 6: € 14 900
7°. klasse 7: € 17 476
8°. klasse 8: € 19 773
9°. klasse 9: € 22 072
10°. klasse 10: het bedrag genoemd bij klasse 9, vermeerderd met
een bedrag gelijk aan het product van het aantal dagdelen waarmee
het geïndiceerde aantal dagdelen de bovengrens van klasse 9
overschrijdt en een bedrag van € 2 297;
f. activerende begeleiding in uren:
1°. klasse 1: € 2 712
2°. klasse 2: € 8 135
3°. klasse 3: € 14 916
4°. klasse 4: € 23 052
5°. klasse 5: het bedrag genoemd bij klasse 4, vermeerderd met
een bedrag gelijk aan het product van het aantal uren waarmee het
geïndiceerde aantal uren de bovengrens van klasse 4 overschrijdt en
een bedrag van € 2 712;
g. activerende begeleiding in dagdelen:
1°. klasse 1: € 2 642
2°. klasse 2: € 5 285
3°. klasse 3: € 7 926
4°. klasse 4: € 10 570
5°. klasse 5: € 13 212
6°. klasse 6: € 15 855
7°. klasse 7: € 18 496
8°. klasse 8: € 21 139
9°. klasse 9: € 23 781
10°. klasse 10: het bedrag genoemd bij klasse 9, vermeerderd met
een bedrag gelijk aan het product van het aantal dagdelen waarmee
het geïndiceerde aantal dagdelen de bovengrens van klasse 9
overschrijdt en een bedrag van € 2 642;
h. activerende begeleiding in dagdelen, inclusief vervoer:
1°. klasse 1: € 2 920
2°. klasse 2: € 5 840
3°. klasse 3: € 8 760
4°. klasse 4: € 11 679
5°. klasse 5: € 14 599
6°. klasse 6: € 16 965
7°. klasse 7: € 19 885
8°. klasse 8: € 22 528
9°. klasse 9: € 25 169
10°. klasse 10: het bedrag genoemd bij klasse 9, vermeerderd met
een bedrag gelijk aan het product van het aantal dagdelen waarmee
het geïndiceerde aantal dagdelen de bovengrens van klasse 9
overschrijdt en een bedrag van € 2 642;
i. kortdurend verblijf:
€ 96 per etmaal.
2. Indien het bruto persoonsgebonden budget voor meer vormen van
zorg wordt verleend, bedraagt het bruto persoonsgebonden budget de som
van de met behulp van het eerste lid bepaalde bedragen.
3. Indien de subsidieperiode in meer dan een kalenderjaar gelegen
is, wordt het bruto persoonsgebonden budget voor het kalenderjaar
volgende op het jaar waarin het werd verleend, geïndexeerd met het
percentage waarmee de bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden
geïndexeerd.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor
kalenderjaren volgende op het in dat lid bedoelde kalenderjaar, waarbij
als basis voor de indexatie van het bruto persoonsgebonden budget in
enig kalenderjaar dient, het bruto persoonsgebonden budget in het
daaraan voorafgaande kalenderjaar.
5. Indien de subsidieperiode met ingang van een andere dag dan 1
januari van een kalenderjaar aanvangt of eindigt, wordt het bruto
persoonsgebonden budget berekend overeenkomstig de volgende formule:
waarbij wordt verstaan onder:
A: het bruto persoonsgebonden budget waarvoor de verzekerde op
grond van de vorige leden in aanmerking komt;
B: het aantal dagen in het kalenderjaar waarvoor het budget werd
verleend;
C: het aantal dagen in het kalenderjaar.
6. Indien toepassing van de voorgaande leden leidt tot een
verlening van een bruto persoonsgebonden budget van meer dan € 300
per dag, beperkt het zorgkantoor de verlening tot de kosten van
verblijf, met een minimum van € 300 per dag.
7. Indien het verleende bruto persoonsgebonden budget € 300
per dag of meer bedraagt dan meldt het zorgkantoor dit onmiddellijk
aan het College zorgverzekeringen volgens een door het College
zorgverzekeringen vastgesteld model.
8. Het zorgkantoor kan een netto persoonsgebonden budget van
een verzekerde met een indicatie voor verblijf ophogen tot het bedrag
dat de verzekerde in een instelling zou kosten, onder aftrek van de
woonlasten.
Artikel 2.6.7
1. De verzekerde van achttien jaar of ouder aan wie een
persoonsgebonden budget is verleend voor persoonlijke verzorging of
verpleging is een bijdrage verschuldigd. Deze bijdrage bedraagt:
b. 33% van het bruto persoonsgebonden budget voor persoonlijke
verzorging;
c. 20% van het bruto persoonsgebonden budget voor verpleging.
2. De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per
kalenderjaar niet meer dan:
a. voor de ongehuwde verzekerde jonger dan 65 jaar € 219,
met dien verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan €
16 301 het bedrag van € 219 wordt verhoogd met 15% van het
verschil tussen zijn inkomen en € 16 301;
b. voor de ongehuwde verzekerde van 65 jaar of ouder € 219,
met dien verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan €
14 365 het bedrag van € 219 wordt verhoogd met 15% van het
verschil tussen zijn inkomen en € 14 365;
c. voor de gehuwde verzekerden indien een van beiden jonger is dan
65 jaar of beiden jonger zijn dan 65 jaar € 315,46, met dien
verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan €
21 002 het bedrag van € 315,46 wordt verhoogd met 15% van het
verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en € 21 002;
d. voor de gehuwde verzekerden die beiden 65 jaar of ouder zijn € 315,46,
met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer bedraagt
dan € 19 759 het bedrag van € 315,46 wordt verhoogd met
15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en € 19 759.
3. Bij de uitvoering van het tweede lid gaat het zorgkantoor uit
van het verzamelinkomen in het kalenderjaar voorafgaande aan het
peiljaar indien aan de verzekerde op 31 december van het voorgaande
kalenderjaar een persoonsgebonden budget is verleend en het
verzamelinkomen in het peiljaar op 1 maart van het kalenderjaar
niet bekend is bij het zorgkantoor.
4. Het zorgkantoor vermindert de bijdrage die de verzekerde op
grond van het tweede en derde lid maximaal verschuldigd is met een eigen
bijdrage die verschuldigd is ingevolge de Wet maatschappelijke
ondersteuning en het aandeel van de kosten van maatschappelijke
ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming
ingevolge die wet voor eigen rekening komt alsmede met een bijdrage die
verschuldigd is op grond van artikel 16d van het Bijdragebesluit zorg.
5. De artikelen 1 en 16e van het Bijdragebesluit zorg zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.6.8
1. Het netto persoonsgebonden budget bedraagt het verschil
tussen het bruto persoonsgebonden budget en de eigen bijdrage.
2. Indien de verzekerde langer dan zes weken aaneengesloten per
jaar in het buitenland verblijft, en in het buitenland zorgverleners
contracteert die niet vallen onder de Nederlandse fiscale en sociale
zekerheidswetgeving, wordt het bruto persoonsgebonden budget berekend
overeenkomstig de volgende formule:
waarbij wordt verstaan onder:
A: het aantal weken dat de verzekerde in Nederland verblijft;
B: het getal 52;
C: het bruto persoonsgebonden budget waarvoor de verzekerde op
grond van de vorige leden in aanmerking komt;
D: het aantal weken dat de verzekerde in het buitenland verblijft;
E: het voor het desbetreffende land door het College
zorgverzekeringen vastgestelde aanvaardbaarheidspercentage.
3. Indien de verzekerde onmiddellijk voorafgaande aan de
subsidieperiode een netto persoonsgebonden budget werd verleend en het
voor het laatste jaar van dat budget beschikbare bedrag, gezien de
verantwoording over het gebruik van dat bedrag en de
subsidievaststelling, niet volledig werd besteed, wordt het op grond
van het eerste en tweede lid berekende netto persoonsgebonden budget
voor het eerste jaar waarover het wordt verleend verhoogd met een
bedrag gelijk aan dit niet bestede deel.
4. Het derde lid is niet van toepassing indien de
subsidieperiode aanvangt op 1 januari van enig kalenderjaar en
bovendien onmiddellijk aansluit op een eerdere subsidieperiode.
Artikel 2.6.9
1. Bij de verlening van het netto persoonsgebonden budget
worden de verzekerde de volgende verplichtingen opgelegd:
a. de verzekerde gebruikt het budget uitsluitend voor betaling van
zorg als bedoeld in artikel 2.6.1, onderdeel b of d, en de daarmee
noodzakelijk verbonden kosten;
b. de zorg die de verzekerde inkoopt, is kwalitatief verantwoord;
c. de verzekerde sluit een schriftelijke overeenkomst met de
zorgverlener of zorgverlenende instantie waarin ten minste de volgende
afspraken zijn opgenomen:
1°. declaraties voor verleende zorg worden niet betaald indien
zij niet binnen zes weken na de maand waarin de zorg is verleend bij
de verzekerde zijn ingediend,
2°. een declaratie van een zorgverlener bevat een overzicht van
de dagen waarop is gewerkt, het uurtarief, het aantal te betalen
uren, het sociaal-fiscaal nummer en de naam en het adres van de
zorgverlener, en wordt door de zorgverlener ondertekend,
3°. een declaratie van een zorgverlenende instantie bevat het
btw-nummer van die instantie, een overzicht van de dagen waarop is
gewerkt, het tarief, het aantal te betalen uren, dagdelen of
etmalen, en de naam en het adres van de zorgverlenende instantie, en
wordt namens de zorgverlenende instantie ondertekend;
d. de verzekerde bewaart de in onderdeel c bedoelde overeenkomsten
en declaraties gedurende zeven jaren en stelt deze, desgevraagd, ter
beschikking van het zorgkantoor;
e. de verzekerde legt door middel van invulling van een daartoe
door het zorgkantoor toegezonden formulier verantwoording af over het
gebruik van de voorschotten en eventuele eerder verleende voorschotten
voor zover deze laatste nog niet voor betalingen als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, waren gebruikt;
f. bij de verantwoording over de laatste verantwoordingsperiode van
een kalenderjaar dan wel, in het kalenderjaar waarin de
subsidieperiode eindigt, de laatste verantwoordingsperiode in de
subsidieperiode, voegt de verzekerde per zorgverlener of
zorgverlenende instantie een formulier waarop hij naam, adres en
sociaal-fiscaal nummer van de zorgverlener respectievelijk naam, adres
en btw-nummer van de zorgverlenende instantie heeft aangetekend,
alsmede het in dat kalenderjaar aan die zorgverlener of die
zorgverlenende instantie betaalde bedrag;
g. de verzekerde brengt gedurende de subsidieperiode voor de vormen
van zorg waarvoor het budget is verleend niet tevens een
AWBZ-aanspraak op zorg tot gelding;
h. de verzekerde die geïndiceerd is voor verblijf anders dan
kortdurend verblijf, brengt gedurende de subsidieperiode zijn
aanspraak op verblijf niet tot gelding;
i. de verzekerde deelt het zorgkantoor op diens verzoek of
onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee
waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed
kunnen zijn op de verstrekking van het persoonsgebonden budget.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mag vervoer
slechts worden betaald uit een budget verleend voor ondersteunende of
activerende begeleiding gedurende een of meer dagdelen inclusief
vervoer.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en e, mag de
verzekerde in een kalenderjaar maximaal 1,5% van het voor dat jaar
beschikbare netto persoonsgebonden budget, maar ten minste € 250
en ten hoogste € 1 250, gebruiken voor andere betalingen dan
betalingen bedoeld in onderdeel a, en geldt de verantwoordingsplicht,
bedoeld in onderdeel e, niet voor dit deel van het budget.
4. Indien een subsidieperiode met ingang van een andere dag dan 1
januari van een kalenderjaar aanvangt of eindigt, worden de bedragen,
genoemd in het derde lid, voor dat kalenderjaar vermenigvuldigd met een
breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal dagen van de
subsidieperiode in het desbetreffende kalenderjaar en de noemer uit het
aantal dagen in dat kalenderjaar.
5. Onder noodzakelijke kosten als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, vallen niet kosten die voorvloeien uit verschillen tussen
door de verzekerde afgesloten overeenkomsten enerzijds en de door het
College zorgverzekeringen opgestelde modelovereenkomsten anderzijds.
6. Onderdeel f van het eerste lid is niet van toepassing indien
de verzekerde verplicht is tot loonheffing.
7. Onderdeel g van het eerste lid geldt niet voor zover de
verzekerde voor ondersteunende of activerende begeleiding zowel een
AWBZ-aanspraak tot gelding brengt als een netto persoonsgebonden budget
ontvangt.
8. Het College zorgverzekeringen stelt standaardmodellen op voor
de formulieren, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e en f.
9. De verantwoording, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e,
wordt aan het zorgkantoor afgelegd binnen zes weken na:
a. het einde van het kalenderjaar en voorts na afloop van de
subsidieperiode, indien het tot een jaarbedrag herleide netto
persoonsgebonden budget minder dan € 5000 bedraagt;
b. het einde van de eerste helft van een kalenderjaar alsmede het
einde van een kalenderjaar, en voorts na afloop van de
subsidieperiode, indien het tot een jaarbedrag herleide netto
persoonsgebonden budget € 5000 of meer bedraagt.
Artikel 2.6.10
1. Het zorgkantoor bevoorschot de verzekerde het verleende
netto persoonsgebonden budget:
a. per jaar, indien het tot een jaarbedrag herleide budget € 2500
of minder bedraagt;
b. per half jaar, indien het tot een jaarbedrag herleide budget € 5000
of minder, maar meer dan € 2500 bedraagt;
c. per kwartaal, indien het tot een jaarbedrag herleide budget € 25.000
of minder, maar meer dan € 5000 bedraagt;
d. per maand, indien het tot een jaarbedrag herleide budget meer
dan € 25.000 bedraagt.
2. Indien een subsidieperiode met ingang van een andere dag dan 1
januari van een kalenderjaar aanvangt of eindigt, wordt voor de
toepassing van het eerste lid het voor dat jaar beschikbare budget tot
een jaarbedrag herleid door het desbetreffende budget te
vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het
aantal dagen in het kalenderjaar en de noemer gelijk is aan het aantal
dagen van de subsidieperiode in het kalenderjaar.
3. Indien het zorgkantoor op basis van een verantwoording als
bedoeld in artikel 2.6.9, eerste lid, onderdeel e, van mening is dat een
voorschot is gebruikt voor andere betalingen, dan betalingen als bedoeld
in het eerste lid, onderdeel a, van laatstgenoemd artikel, deelt het
zorgkantoor dit binnen zes weken na ontvangst van de desbetreffende
verantwoording aan de verzekerde mee.
Artikel 2.6.11
1. De verleningsbeschikking van het zorgkantoor aan de
verzekerde bevat ten minste de volgende gegevens:
a. de subsidieperiode;
b. het bruto persoonsgebonden budget en de wijze waarop dit budget
is berekend;
c. de hoogte van de eigen bijdrage en de wijze waarop deze bijdrage
is berekend;
d. het netto persoonsgebonden budget en de wijze waarop dit budget
is berekend;
e. de wijze waarop het netto persoonsgebonden budget wordt
bevoorschot;
f. de verplichtingen van de verzekerde;
g. de hoogte van het bestedings- en verantwoordingsvrije bedrag, en
de wijze waarop dat bedrag is berekend;
h. indien van toepassing: het bedrag, bedoeld in artikel 2.6.8,
tweede tot en met vierde lid;
i. de mededeling dat de in artikel 2.6.9, eerste lid, onderdeel f,
bedoelde formulieren door het zorgkantoor worden doorgezonden aan de
belastingdienst.
2. Indien het bedrag, bedoeld in artikel 2.6.8, tweede tot en met
vierde lid, pas na de bekendmaking van de verleningsbeschikking bekend
wordt, is het zorgkantoor bevoegd om in afwijking van het eerste lid,
een aanvullende verleningsbeschikking te geven waarin slechts de in het
eerste lid, onderdeel d, g en h genoemde gegevens worden vermeld.
3. Indien de subsidieperiode in meer dan één kalenderjaar
gelegen is, deelt het zorgkantoor vanaf het kalenderjaar na het jaar
waarin de subsidie is verleend de verzekerde jaarlijks het bedrag van
het netto persoonsgebonden budget voor het in dat jaar gelegen deel van
de subsidieperiode mede.
Artikel 2.6.12
1. Onverminderd de intrekkings- of wijzigingsgronden, genoemd
in artikel 4:48, eerste lid, onderdelen c en d, van de Algemene wet
bestuursrecht wordt de verleningsbeschikking ingetrokken of gewijzigd:
a. met ingang van de dag gelegen na de dag waarop de verzekerde
overlijdt;
b. met ingang van de dag waarop de verzekerde langer dan twee
maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de AWBZ of de
Zorgverzekeringswet;
c. met ingang van de dag vanaf welke de verzekerde schriftelijk
heeft aangegeven geen prijs meer te stellen op het budget;
d. met ingang van de dag waarop de verzekerde op grond van een
wettelijk voorschrift, anders dan de AWBZ, recht heeft op de
geïndiceerde zorg, of op een gehele of gedeeltelijke vergoeding van
de kosten daarvan;
e. met ingang van de dag waarop het zorgkantoor, op advies van een
instelling voor maatschappelijk werk of de Raad voor de
kinderbescherming, van oordeel is dat een ten behoeve van een
minderjarige verzekerde aangevraagd budget in zodanige mate niet voor
de inkoop van zorg ten behoeve van die verzekerde zal worden gebruikt,
dat dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de
opvoeding of ontwikkeling van die verzekerde tot gevolg zal hebben.
2. De verleningsbeschikking kan worden ingetrokken of gewijzigd:
a. met ingang van de dag waarop het zorgkantoor constateert dat
meer dan het bedrag, bedoeld in artikel 2.6.9, derde lid, zonodig in
combinatie met het vierde lid, is gebruikt voor andere betalingen dan
betalingen als bedoeld in artikel 2.6.9, eerste lid, onderdeel a.
b. met ingang van de dag waarop de verzekerde de bij of krachtens
artikel 2.6.9 opgelegde overige verplichtingen niet nakomt.
Artikel 2.6.13
1. Na afloop van ieder kalenderjaar wordt de subsidie voor het
desbetreffende kalenderjaar vastgesteld.
2. Indien de subsidieperiode met ingang van een andere dag dan 1
januari van een kalenderjaar eindigt, wordt, in afwijking van het eerste
lid, de subsidie voor de periode gelegen tussen 1 januari van het
kalenderjaar waarin de subsidie afloopt en de dag waarop de
subsidieperiode afloopt, vastgesteld na afloop van de subsidieperiode.
3. Een bij het zorgkantoor ingediend verantwoordingsformulier
over de laatste voorschotperiode in het kalenderjaar of, indien het
tweede lid van toepassing is, in de subsidieperiode, dient als aanvraag
tot subsidievaststelling.
4. Het zorgkantoor stelt het netto persoonsgebonden budget binnen
zes weken na de aanvraag tot subsidievaststelling vast.
5. Artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing, met dien verstande dat het persoonsgebonden budget wordt
vastgesteld op de som van:
a. 1,5% van het voor het kalenderjaar beschikbare netto
persoonsgebonden budget, maar ten minste op € 250 en ten
hoogste op € 1250, en
b. het restant van het voor het kalenderjaar beschikbare netto
persoonsgebonden budget voor zover er betalingen mee zijn verricht als
bedoeld in artikel 2.6.9, eerste lid, onderdeel a.
6. Indien een subsidieperiode met ingang van een andere dag dan 1
januari van een kalenderjaar aanvangt of eindigt, worden de bedragen,
genoemd in het vijfde lid, voor dat kalenderjaar vermenigvuldigd met een
breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal dagen van de
subsidieperiode in het desbetrefende kalenderjaar en de noemer uit het
aantal dagen in dat kalenderjaar.
7. Het zorgkantoor vordert onverschuldigd betaalde bedragen van
de verzekerde terug of verrekent deze met door hem aan de verzekerde
terzake van persoonsgebonden budgetten verschuldigde bedragen.
Artikel 2.6.14
1. Het zorgkantoor controleert steekproefsgewijs of de
formulieren, bedoeld in artikel 2.6.9, eerste lid, onderdelen e en f,
naar waarheid zijn ingevuld.
2. Het College zorgverzekeringen bepaalt welke gegevens de
zorgkantoren bij de uitvoering van deze paragraaf registreren.
3. Het zorgkantoor bewaart de in het tweede lid bedoelde gegevens
gedurende ten minste vijf jaar.
Artikel 2.6.15
1. Gedurende dan wel over de periode waarvoor het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de
verzekerde een subsidie ten behoeve van de aanschaf van een
voorziening als bedoeld in artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen heeft verleend:
a. mag de verzekerde, in afwijking van artikel 2.6.9, eerste lid,
onderdeel a, zijn netto persoonsgebonden budget ook gebruiken voor de
aanschaf van dergelijke voorzieningen;
b. ziet de verantwoording, bedoeld in artikel 2.6.9, eerste lid,
onderdeel e, op gebruik van voorschotten voor zover deze niet eerder
voor betalingen als bedoeld in artikel 2.6.9, eerste lid, onderdeel a,
of voor betalingen voor de in onderdeel a bedoelde voorzieningen zijn
gebruikt;
c. heeft het bedrag, genoemd in artikel 2.6.9, negende lid,
betrekking op de som van het tot een jaarbedrag herleide netto
persoonsgebonden budget en de subsidie, bedoeld in de aanhef;
d. doet het zorgkantoor de mededeling, bedoeld in artikel 2.6.10,
derde lid, slechts indien het voorschot is gebruikt voor andere
betalingen dan betalingen, bedoeld in onderdeel b;
e. kan het zorgkantoor, in afwijking van artikel 2.6.12, tweede
lid, onderdeel a, zijn beschikking tot verlening van het
persoonsgebonden budget niet intrekken of wijzigen indien dat budget
is gebruikt voor de aanschaf van een voorziening als bedoeld in
onderdeel a;
f. wordt, in afwijking van artikel 2.6.13, vijfde lid, onderdeel b,
het restant van het voor het kalenderjaar beschikbare netto
persoonsgebonden budget meegeteld voor zover er betalingen mee zijn
verricht als bedoeld in artikel 2.6.9, eerste lid, onderdeel a of er
betalingen mee zijn verricht voor voorzieningen als bedoeld in
onderdeel a;
g. verstrekt het zorgkantoor het Uitvoeringinstituut
werknemersverzekeringen voor zover deze voor dat instituut
noodzakelijk zijn om de subsidie, bedoeld in de aanhef van het eerste
lid, te kunnen verstrekken, de volgende gegevens over de verzekerde:
1°. of hem een persoonsgebonden budget is verstrekt, voor welke
bedrag en over welke subsidieperiode;
2°. waaraan het persoonsgebonden budget volgens de
verantwoording van de verzekerde en, indien dit van deze
verantwoording afwijkt, volgens het zorgkantoor is besteed;
3°. welke bedragen van het persoonsgebonden budget bij de
verzekerde zijn teruggevorderd en welke bedragen daarvan
daadwerkelijk zijn ontvangen of verrekend.
2. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2016, met
dien verstande dat het artikel zoals dat onmiddellijk voorafgaande aan
die datum luidde, blijft gelden met betrekking tot persoonsgebonden
budgetten of delen daarvan die tot die datum konden worden besteed.
Paragraaf 2.7. Het verwezenlijken van ADL-clusters
Artikel 2.7.1
In de paragrafen 2.7 tot en met 2.9 wordt verstaan onder:
a. Programma van eisen: het in 2006 door het College
zorgverzekeringen vastgestelde Programma van eisen en
besteksbepalingen voor ADL-clusterprojecten;
b. ADL-assistentie: direct oproepbare persoonlijke assistentie
aan een lichamelijke gehandicapte, welke op diens verzoek en
aanwijzing wordt verleend gedurende het gehele etmaal bij algemene
dagelijkse levensverrichtingen die hij als gevolg van lichamelijke
functiebeperkingen niet zelf kan verrichten, waaronder in ieder
geval assistentie bij eten en drinken, bij verplaatsen en toilet
maken;
c. ADL-cluster: een aantal bij elkaar horende standaard
aangepaste huurwoningen, waarvan de bewoners voor hun dagelijkse
levensverrichtingen zijn aangewezen op ADL-assistentie waarvoor op
grond van paragraaf 2.9 subsidie wordt verstrekt, inclusief een
ADL-eenheid, mits deze zijn gebouwd in overeenstemming met het
Programma van eisen;
d. ADL-woning: een woning deel uitmakend van een ADL-cluster;
e. ADL-eenheid: een ruimte, centraal gelegen binnen een
ADL-cluster, waarin en van waaruit ADL-assistentie wordt verleend
aan bewoners van een ADL-woning.
Artikel 2.7.2
Voor de bouw en de exploitatie van ADL-clusters worden
projectsubsidies verstrekt aan de rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid die een ADL-cluster wil bouwen en exploiteren.
Artikel 2.7.3
1. Subsidie wordt slechts verstrekt indien wordt voldaan aan de
volgende voorwaarden:
a. het cluster omvat ten minste zestien en ten hoogste
vierentwintig ADL-woningen en een ADL-eenheid;
b. het cluster maakt deel uit van een wooncomplex van ten minste
vijftig woningen;
c. de loopafstand tussen de ADL-woningen en de ADL-eenheid is niet
groter dan 150 meter en de loopafstand tussen de twee verst uit elkaar
gelegen ADL-woningen is niet meer dan 200 meter;
d. de ADL-woningen zijn in de totale woonbebouwing geïntegreerd,
grenzen zo weinig mogelijk aan elkaar en zijn van buitenaf niet of
nagenoeg niet als ADL-woning herkenbaar;
e. de subsidieontvanger heeft een op schrift gestelde overeenkomst
gesloten met een rechtspersoon die met toepassing van paragraaf 2.9
gesubsidieerde ADL-assistentie verleent, op basis waarvan vaststaat,
dat bij verwezenlijking van het cluster op zoveel aanbod van
assistentie kan worden gerekend, dat voldoende hulp beschikbaar is bij
volledige bezetting van de woningen;
f. uit de centrale registratie bij het College zorgverzekeringen
blijkt dat ten minste 30 personen voor toewijzing van een ADL-woning
in het cluster in aanmerking willen komen, en
g. er wordt voldaan aan het programma van eisen, waarbij het aantal
4-kamerwoningen het aantal 3-kamerwoningen niet overschrijdt.
2. Het College zorgverzekeringen kan ontheffing van het eerste
lid verlenen voor zover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid
van overwegende aard.
Artikel 2.7.4
Geen subsidie wordt verstrekt indien met de bouw van het cluster een
aanvang is gemaakt voordat is beslist op de subsidieaanvraag.
Artikel 2.7.5
1. Het subsidieplafond voor de gesubsidieerde activiteiten
bedraagt voor het jaar 2008 € 2 160 947.
2. De aanvragen van subsidies worden behandeld in volgorde van de
datum van ontvangst van de volledige aanvraag.
Artikel 2.7.6
1. Het College zorgverzekeringen verleent subsidie volgens de
Beleidsregel Projectsubsidies voor ADL-clusters.
2. De volgende lasten worden tot maximaal de in de beleidsregel
genoemde normbedragen in aanmerking genomen:
a. de grond- en bouwkosten van de ADL-eenheid;
b. de extra grond- en bouwkosten van de ADL-woningen die nodig zijn
voor de verruiming van de ADL-woningen ten opzichte van normale
woningen in het complex;
c. de kosten van de standaardinrichtingselementen van de
ADL-eenheid en de ADL-woningen, met uitzondering van de kosten van het
individueel aanpassen en nastellen van deze inrichtingselementen en
van de kosten van voor rolstoelgebruik geschikte vloerbedekking;
d. bijkomende kosten, voor zover zij gezamenlijk niet meer dan 10%
van de in de onderdelen a en c genoemde kosten bedragen:
1°. de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten;
2°. het architectenhonorarium;
3°. kosten van toezicht op de uitvoering van de
woningaanpassing;
4°. financieringskosten, en
5°. administratiekosten;
e. de netto-contante waarde van de exploitatiekosten van de
ADL-eenheid over twintig jaren tot een maximum van € 927 per
jaar, berekend overeenkomstig de volgende formule:
waarbij wordt verstaan onder:
t: aantal jaren;
r: de EURIBOR-rentevoet voor leningen met een looptijd van een jaar op
1 januari van het jaar waarin de aanvraag van subsidie bij het
College zorgverzekeringen is ingediend.
3. In afwijking van artikel 1.3.1, kan het College
zorgverzekeringen, in gevallen waarin sprake is van redelijkerwijs niet
voorziene kosten, een aanvullende subsidie verlenen.
4. Indien de ADL-eenheid langer dan 20 jaar in gebruik is, komt
de netto-contante waarde van de exploitatiekosten van de ADL-eenheid
over tien jaren tot een maximum van € 927 per jaar, berekend
overeenkomstig de formule in lid 2 onder e, in aanmerking voor subsidie.
5. Het College zorgverzekeringen kan aan de subsidieverlening,
genoemd in het eerste lid, nadere verplichtingen verbinden.
Artikel 2.7.7
1. De subsidieaanvraag gaat vergezeld van alle gegevens zoals
genoemd in hoofdstuk 2.4 van de Beleidsregel Projectsubsidies voor
ADL-clusters.
2. De gegevens in het eerste lid zijn niet vereist bij een
aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 2.7.6, vierde lid.
Artikel 2.7.8
1. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat:
a. voor plaatsing in een ADL-woning uitsluitend in aanmerking komt
de verzekerde die voldoende in staat is om zelfstandig te wonen en te
leven en als zodanig bij het College zorgverzekeringen is
geregistreerd en ten minste vijf, en ten hoogste dertig uur per week
op ADL-assistentie is aangewezen;
b. voor verder verblijf in een ADL-woning uitsluitend in aanmerking
komt:
1°. de verzekerde die voldoet aan de onder a gestelde
voorwaarden, of
2°. de verzekerde die tijdens het verblijf meer dan dertig uur
op ADL-assistentie raakt aangewezen en overigens voldoende sociaal
zelfredzaam is;
c. de verzekerde en zijn gezinsledeneen aanhangsel bij de
huurovereenkomst ondertekenen waarin zij verklaren uit de woning te
zullen verhuizen:
1°. indien de verzekerde niet meer voldoet aan de onder b
gestelde voorwaarden,
2°. indien sprake is van beëindiging van de dienstverlening van
de betrokken ADL-verlenende instantie,
3°. bij overlijden, of
4°. bij opname van de verzekerde in een andere zorgvoorziening;
d. het College zorgverzekeringen onmiddellijk in kennis wordt
gesteld van een vrijgekomen woning.
2. Bij de toepassing van onderdeel a van het eerste lid wordt
uitgegaan van een schriftelijk indicatie-advies, gegeven door een
persoon of organisatie die door het College zorgverzekeringen wordt
aangewezen, waarin wordt ingegaan op de sociale zelfredzaamheid van de
kandidaat en waarin het aantal uren te leveren ADL-assistentie is
aangegeven.
Artikel 2.7.9
Voorschotten worden niet verleend voordat met de bouw van het cluster
is gestart.
Artikel 2.7.10
1. Het College zorgverzekeringen kan besluiten, op grond van
een daartoe strekkend verzoek van de eigenaar van een woning, om een
aangepaste woning toe te voegen aan de capaciteit van een bestaand of
nieuw te bouwen ADL-cluster, voor zover en voor zo lang deze woning
wordt bewoond door een verzekerde die voldoet aan de eisen gesteld in
artikel 2.7.8, onderdeel a.
2. Bij het in het eerste lid bedoelde verzoek legt de
woningeigenaar een overeenkomst over overeenkomstig artikel 2.7.3,
onderdeel e.
3. Het College zorgverzekeringen kan aan de toevoeging nadere
voorwaarden verbinden.
Paragraaf 2.8. Aanpassingen in bestaande ADL-clusters
Artikel 2.8.1
Voor aanpassingen in bestaande ADL-clusters worden projectsubsidies
verstrekt aan de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die een
ADL-cluster exploiteert. Het College zorgverzekeringen verleent de
projectsubsidies volgens de Beleidsregel Projectsubsidies voor
ADL-clusters. In deze beleidsregel zijn normbedragen vastgelegd voor de
kosten van aanpassingen zoals genoemd in artikel 2.8.2, tweede lid.
Artikel 2.8.2
1. De volgende aanpassingen worden in aanmerking genomen bij de
subsidieverlening:
a. onderhoud, reparatie en vervanging van het alarmintercomsysteem;
b. kosten die verband houden met onderhoud, reparatie en vervanging
van standaardinrichtingselementen;
c. nastelling bij oplevering van een nieuw cluster, bij toewijzing
van de ADL-woning aan een nieuwe bewoner of bij verergering van de
handicap van de bewoner;
d. onderhoud, reparatie en vervanging van extra voorzieningen, en
e. kosten die verband houden met leegstand van de ADL-woning, voor
zover deze leegstand te maken heeft met het aanbrengen van de
noodzakelijke aanpassingen. Slechts de kosten van huurderving
gedurende de derde tot en met de vijfde maand worden voor 50% van de
kale huurprijs in aanmerking genomen.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:
a. standaardinrichtingselementen in een ADL-woning:
1°. keukenonderdelen en bijbehorende kasten, waaronder de
ladegeleiders, het schuifblad en de deurscharnieren, en
2°. sanitair, waaronder frontkraan en zwenkkraan in de keuken,
wastafelkraan in de natte cel, douchemengkraan, flexibele slangen,
stopkranen, de afvoeren tot 0 centimeter en vloer, toiletbril,
toiletsteunen en verstelset voor douche en wastafel;
b. standaardinrichtingselementen in een ADL-eenheid:
1°. hoog/laag bad, waaronder hefmechanisme, thermostaten,
boiler, aansluitingen, afvoeren en hydraulische badhulp;
2°. sanitair, waaronder wastafel in de natte cel en toilet,
douchemengkraan, flexibele slangen, stopkranen, afvoeren,
toiletsteunen en eenhendel-gootsteenmengkraan, en
3°. deuraandrijvingen;
c. nastellingen in een ADL-woning:
1°. hoger of lager monteren van het keukenblad, bovenkastjes en
wastafel;
2°. het wisselen van wastafel en douche;
3°. het verplaatsen van de frontkraan;
4°. het leveren, aanbrengen en verplaatsen van een wanddouche
zitje;
5°. het leveren, aanbrengen en verplaatsen van toiletsteunen;
6°. het aanbrengen van extra handvatten op deuren of van
dichttrektouwtjes;
7°. het leveren en aanbrengen van diverse voorzieningen aan het
alarmintercomsysteem, te weten blaas-zuigbediening of stemalarm;
8°. het vervangen, aanpassen of verwijderen van drempels;
9°. het leveren en aanbrengen van schopplaten en hoeklijnen, en
10°. het leveren en aanbrengen of vervangen van een
thermostaatkraan;
d. extra voorzieningen in een ADL-woning:
1°. plafondlift;
2°. Deurmotoren, en
3°. toilet met spoel/föhninstallatie.
3. De aanpassing wordt slechts in aanmerking genomen indien deze
noodzakelijk is en het de meest adequate voorziening betreft tegen de
minste kosten.
4. Kosten van reparatie en vervanging van
standaardinrichtingselementen die de subsidie-ontvanger op de vorige
bewoner kan verhalen, worden niet gerekend tot de lasten van de
gesubsidieerde activiteiten. De subsidieontvanger schouwt een opnieuw te
verhuren ADL-woning voor de einddatum van de vorige van verhuur.
5. Advieskosten die betrekking hebben op collectieve vervanging
van standaardinrichtingselementen worden tot een maximum van 10% van de
totale vervangingskosten voor subsidie in aanmerking genomen.
6. Het College zorgverzekeringen kan afwijken van het eerste en
tweede lid voor zover toepassing daarvan leidt tot onbillijkheid van
overwegende aard.
Artikel 2.8.3
Geen subsidie wordt verstrekt indien met de aanpassing een aanvang is
gemaakt voordat is beslist op de subsidieaanvraag, tenzij het gaat om:
a. reparatiekosten van een alarmintercomsysteem die vallen onder
een onderhoudscontract waarvoor de in artikel 2.8.1 genoemde
rechtspersoon reeds vooraf subsidie heeft ontvangen;
b. reparatiekosten van een alarmintercomsysteem die niet vallen
onder een onderhoudscontract als bedoeld onder a, indien deze lager
zijn dan € 1 000;
c. kosten die betrekking hebben op de in artikel 2.8.2, eerste
lid, onderdelen b, c of d, genoemde aanpassingen, indien deze lager
zijn dan € 1 000 per bewoner.
Artikel 2.8.4
Het subsidieplafond voor de gesubsidieerde activiteiten bedraagt voor
het jaar 2008 € 6 026 909.
Artikel 2.8.5
Indien de bewoner de huurovereenkomst beëindigt, anders dan bij
overlijden of vertrek naar een zorgvoorziening, brengt de
subsidieontvanger de kosten van de aanpassing tot maximaal de volgende
bedragen in rekening aan die bewoner:
a. bij vertrek uit de woning binnen een half jaar na het
aanbrengen van de aanpassing, maximaal 50% van de kosten van
aanpassing;
b. bij vertrek uit de woning binnen een jaar na het aanbrengen
van de aanpassing, maximaal 25% van de kosten van aanpassing, of
c. bij vertrek uit de woning binnen twee jaar na het aanbrengen
van de aanpassing, maximaal 10% van de kosten van aanpassing.
Artikel 2.8.6
De begroting bij de subsidieaanvraag is gebaseerd op een of meer
gespecificeerde offertes. De aanvraag van een subsidie gaat tevens
vergezeld van deze offertes.
Paragraaf 2.9. ADL-assistentie in ADL-clusters
Artikel 2.9.1
In deze paragraaf wordt onder ingebruikneming van een ADL-cluster
mede verstaan: het in gebruik nemen van een capaciteitsuitbreiding.
Artikel 2.9.2
Voor het verlenen van ADL-assistentie in ADL-clusters worden
instellingssubsidies verstrekt aan de rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid die ADL-assistentie verleent in een of meer
ADL-clusters.
Artikel 2.9.3
Subsidie wordt slechts verstrekt indien de ADL-assistentie wordt
verleend op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de
subsidieontvanger en de rechtspersoon die het ADL-cluster beheert.
Artikel 2.9.4
Het aantal werkelijk verleende uren ADL-assistentie dient globaal
overeen te komen met het aantal geïndiceerde uren. Indien bij een
bewoner van een ADL-woning de behoefte aan assistentie de meest recente
indicatie structureel overschrijdt met meer dan twee uur, meldt de
subsidieontvanger de bewoner binnen drie maanden aan voor herindicatie.
Artikel 2.9.5
1. Het subsidieplafond voor de gesubsidieerde activiteiten in
ADL-clusters bedraagt voor het jaar 2008 € 63 819 130.
2. Indien het totaalbedrag van de voor subsidie in aanmerking
komende aanvragen hoger is dan het subsidieplafond, heeft verdeling van
het plafond plaats naar evenredigheid van de bij de subsidieverlening in
aanmerking te nemen begrote aantallen te verlenen uren vermenigvuldigd
met het door het College zorgverzekeringen vast te stellen uurtarief.
Artikel 2.9.6
1. In afwijking van artikel 1.2.1 bestaat de subsidie uit het
product van het door de subsidieontvanger begrote aantal te verlenen
uren ADL-assistentie en het door het College zorgverzekeringen vast te
stellen tarief per uur.
2. Het bij de subsidieverlening in aanmerking te nemen begrote
aantal uren bestaat uit de som van het aantal op jaarbasis te verlenen
uren in bestaande clusters ten tijde van de aanvraag, het aantal
geraamde geïndiceerde uren voor te verwachten zorgverzwaring in het
subsidiejaar en het aantal geraamde geïndiceerde uren in tijdens het
subsidiejaar te openen nieuwe clusters.
3. Het in het eerste lid bedoelde tarief per verleend
assistentie-uur wordt bepaald op het quotiënt van de vastgestelde
subsidie voor het kalenderjaar voorafgaande aan het subsidiejaar,
geïndexeerd met het door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport vast te stellen index voor lonen en prijzen, en 97,5% van het
werkelijk aantal verleende uren in het eerder bedoeld kalenderjaar.
4. Bij de toepassing van het tweede lid van dit artikel is
artikel 2.7.8, tweede lid, zo veel mogelijk van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 2.9.7
In afwijking van artikel 1.5.1 worden aanvragen van subsidies voor
het verlenen van ADL-assistentie in het betreffende subsidiejaar in
gebruik te nemen ADL-clusters uiterlijk zes weken voor ingebruikneming
van het ADL-cluster ingediend.
Artikel 2.9.8
1. De subsidieontvanger registreert op zorgvuldige wijze:
a. in welke clusters ADL-assistentie wordt verleend;
b. het aantal uren ADL-assistentie dat per bewoner en per cluster
wordt verleend, en
c. het aantal ADL-assistenten dat per cluster werkzaam is.
2. De subsidieontvanger bewaart de in het eerste lid bedoelde
gegevens gedurende minimaal vijf jaren.
Paragraaf 2.10 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.10.1 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.10.2 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.10.3 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.10.4 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.10.5 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.10.6 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.10.7 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.10.8 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.10.9 [Vervallen per 01-01-2007]
Paragraaf 2.11. Abortusklinieken
Artikel 2.11.1
Voor de exploitatie van de navolgende abortusklinieken kan een
instellingssubsidie worden verleend aan de daarbij vermelde
rechtspersonen:
a. Stimezo Alkmaar te Alkmaar, Stichting Stimezo Alkmaar;
b. MR’70 (Stimezo) te Amsterdam, Stichting MR’70;
c. dr. Frans Wong Kliniek te Amsterdam, Stichting dr. Frans Wong;
d. Mildredhuis te Arnhem, Stichting Mildredhuis, Centrum voor
seksuele gezondheid Arnhem e.o.;
e. Preterm Kliniek te Den Haag, Stichting Polikliniek voor
Zwangerschapsonderbreking;
f. CASA Den Haag te Den Haag, Stichting Centrum voor
Anticonceptie, Seksualiteit en Abortus;
g. g. Stichting RutgersStimezo Zuid Nederland, centrum voor
seksuele gezondheid Eindhoven e.o.;
h. Emma Kliniek te Enschede, Stichting ter bevordering van
medisch verantwoorde zwangerschapsafbreking Enschede en omstreken;
i. CASA Goes te Goes, Stichting Centrum voor Anticonceptie,
Seksualiteit en Abortus;
j. Stimezo Groningen te Groningen, Stichting Medisch Centrum voor
Geboorteregeling Stimezo Groningen;
k. Beahuis te Heemstede, Stichting Hulpverlening
Zwangerschapsonderbreking Noord-Holland ‘STIZO’;
l. CASA Leiden te Leiden, Stichting Centrum voor Anticonceptie,
Seksualiteit en Abortus;
m. CASA Maastricht te Maastricht, Stichting Centrum voor
Anticonceptie, Seksualiteit en Abortus;
n. CASA Rotterdam te Rotterdam, Stichting Centrum voor
Anticonceptie, Seksualiteit en Abortus;
o. Vrelinghuis te Utrecht, Stichting voor Hulpverlening bij
Zwangerschapsonderbreking Utrecht en omgeving;
p. Stimezo Zwolle te Zwolle, Stichting Stimezo Zwolle.
Artikel 2.11.2
1. De gesubsidieerde activiteiten bestaan uit
zwangerschapsafbrekingen in de zin van artikel 1, tweede lid, van de
Wet afbreking zwangerschap, overtijdbehandelingen en de aan beide
behandelingsvormen verbonden nazorg ten behoeve van verzekerden, voor
zover deze hulp onder verantwoordelijkheid van de subsidieontvanger en
met personeel in dienst van de subsidieontvanger plaats vindt in diens
abortuskliniek.
2. In afwijking van het eerste lid kan het College
zorgverzekeringen onder door hem te stellen voorwaarden de
subsidieontvanger toestemming verlenen werkzaamheden die rechtstreeks
verband houden met de exploitatie van de abortuskliniek, door derden ten
laste van de subsidiegelden te doen uitvoeren.
Artikel 2.11.3
De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat geen betalingen van
verzekerden worden gevraagd voor de gesubsidieerde activiteiten.
Artikel 2.11.3a
In aanvulling op artikel 1.8.1 verplicht de subsidieontvanger zich
zorg te dragen voor zowel de continuïteit van de te leveren zorg als
voor een sluitende exploitatie van de instelling.
Artikel 2.11.4
Bij de subsidieverstrekking worden slechts de volgende lasten in
aanmerking genomen:
a. de personeelslasten en materiële lasten, die noodzakelijk
zijn voor het uitvoeren van zwangerschapsafbrekingen,
overtijdsbehandelingen en nazorg;
b. de kapitaalslasten met in achtneming van de volgende
voorwaarden;
1°. afschrijvingslasten worden berekend met toepassing van de
beleidsregels inzake afschrijvingen bij abortusklinieken van de
Nederlandse Zorgautoriteit,
2°. rentelasten worden slechts in aanmerking genomen, inzien
zij betrekking hebben op benodigd vreemd vermogen,
3°. ingeval vreemd vermogen is aangetrokken in de vorm van
annuïteiten, wordt als rente in aanmerking genomen het bedrag van
de annuïteit, verminderd met de berekende rechtlijnige aflossing,
4°. indien de subsidieontvanger geen eigenaar is van de
gebouwen, installaties of inventaris en de verhuurder een
rechtspersoon is die zich ten doel stelt of mede ten doel stelt de
ondersteuning van de subsidieontvanger, zullen aan huur ten
hoogste in aanmerking worden genomen de eigenaarslasten,
berekenend volgens het eerste, tweede en derde lid,
5°. in andere gevallen waarin de subsidieontvanger geen
eigenaar is van de gebouwen, installaties of inventaris zal aan
huur in aanmerking worden genomen het door een huuradviescommissie
recentelijk geadviseerd huurbedrag voor het betreffende pand, dan
wel, indien een dergelijk advies niet beschikbaar is of indien in
het pand nieuwe investeringen gepleegd worden om het geschikt te
maken aan zijn nieuwe bestemming een en ander in samenhang met het
bepaalde in artikel 2.11.12, de huur die wordt vastgesteld door
drie makelaars, één aan te wijzen door de huurder, één aan te
wijzen door de verhuurder en één aan te wijzen door beide
voornoemde makelaars,
6°. bij overname door een andere rechtspersoon of verandering
van rechtsvorm worden dezelfde grondslagen gehanteerd, waarbij een
overname voor de beoordeling van de kapitaalslasten geen wijziging
met zich brengt;
7°. huur die onder enige andere regeling kan worden of wordt
vergoed, komt niet voor vergoeding in aanmerking op grond van deze
subsidieparagraaf.
c. Baten en lasten worden alleen dan verantwoord in de
exploitatie als deze verband houden met de in artikel 2.11.2, eerste
lid, genoemde activiteiten.
Artikel 2.11.5
Indien de subsidieontvanger tevens zwangerschapsafbrekingen,
overtijdsbehandelingen en nazorg verricht die niet voor subsidiëring in
aanmerking komen, worden de volgens artikel 2.11.4 in aanmerking te
nemen lasten, na aftrek van de vaste opslagen bedoeld in artikel 2.11.6,
onderdelen b, c, en d, naar rato van het aantal behandelingen van
verzekerden respectievelijk niet-verzekerden berekend.
Artikel 2.11.6
In afwijking van artikel 1.2.1 wordt de maximale subsidie als volgt
berekend:
a. voor de eerste duizend zwangerschapsafbrekingen een bedrag van
€ 385 per behandeling en voor elke volgende behandeling een
bedrag van € 232;
b. voor tweede trimesterbehandelingen een opslag van € 162
per behandeling;
c. Voor eerste en tweede trimesterbehandelingen onder narcose een
opslag van € 100 per behandeling bij een sedatiescore van
vier of vijf overeenkomstig de door het centraal begeleidingsorgaan
voor de Intercollegiale Toetsing vastgelegde consensus ‘Sedatie
en/of analgesie door niet anesthesiologen’, indien de begeleiding
in handen is van een tweede arts die daartoe bevoegd en bekwaam is;
d. voor behandelingen met prostaglandine naast de opslag, vermeld
in onderdeel c, een extra opslag van € 297 per behandeling;
e. voor huisvestingskosten:
1°. ingeval van eigendom de afschrijvingen op het gebouw met
de vaste installaties en een bedrag voor onderhoud ter hoogte van
1% van de stichtingskosten,
2°. ingeval de subsidieontvanger geen eigenaar is van de
gebouwen het huurbedrag, exclusief de servicekosten en de
afschrijvingen op vaste installaties en verbouwingen, voor zover
deze niet zijn begrepen in het huurbedrag,
3°. de rente van geldleningen die rechtstreeks verband houden
met de financiering van de huisvesting of, ingeval financiering
plaatsvindt met eigen vermogen, de rentevergoeding volgens artikel
2.11.8;
f. een toeslag voor overige kapitaalslasten van € 23 235,
indien het totale aantal behandelingen minder dan 1500 is en een
toeslag van € 28 501, indien het totale aantal
behandelingen 1500 of meer bedraagt;
g. een opslag per consult dat geen behandeling tot gevolg heeft
van € 37.
Artikel 2.11.7
In afwijking van artikel 1.8.7 worden toevoegingen aan voorzieningen
niet gerekend tot de lasten van de gesubsidieerde activiteiten.
Artikel 2.11.8
Uitsluitend ten behoeve van de berekening van de maximaal in
aanmerking te nemen huisvestingslasten, bedoeld in artikel 2.11.6,
onderdeel e, wordt voor de beschikbaarstelling van eigen vermogen een
rentevergoeding berekend. Hiervoor wordt het normrente kort vreemd
vermogen gehanteerd volgens de beleidsregels voor abortusklinieken van
de Nederlandse Zorgautoriteit.
Artikel 2.11.9
1. Onverminderd artikel 1.5.1 zendt de subsidieontvanger de
begroting per gelijke post aan de Nederlandse Zorgautoriteit.
2. In afwijking van 1.5.1 gaat de aanvraag niet vergezeld van een
activiteitenplan.
Artikel 2.11.10
1. Onverminderd artikel 1.8.14 verstrekt de subsidieontvanger
alle bescheiden en inlichtingen aan de Nederlandse Zorgautoriteit.
2. Het College zorgverzekeringen is bevoegd alle informatie met
betrekking tot de subsidiëring ter beschikking te stellen aan de
Nederlandse Zorgautoriteit.
Artikel 2.11.11
Met betrekking tot uitgaven waarin deze paragraaf niet voorziet,
wordt gehandeld overeenkomstig de beleidsregels voor abortusklinieken
van de Nederlandse Zorgautoriteit.
Artikel 2.11.12
Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het College
zorgverzekeringen vindt geen wijziging plaats in de aard, omvang en
plaats van de huisvesting van de abortuskliniek.
Artikel 2.11.13
1. Op een aanvraag voor nieuwbouw of verbouw van een
abortuskliniek zijn de beleidsregels ‘Bouwvoorschriften College
zorgverzekeringen abortusklinieken’ van toepassing.
2. De subsidieontvanger dient bij het College zorgverzekeringen
de volledige aanvraag in uiterlijk 26 weken vóór aanvang van de
voorziene nieuwbouw of verbouw, waarop het College zorgverzekeringen een
beslissing neemt.
3. De aanvraag moet vergezeld gaan van een bouwplan, een
onderbouwing van de bouwwerkzaamheden, bouwtekeningen van de bestaande
en nieuwe situatie en een open begroting van het investeringsbedrag.
Hoofdstuk III. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 3.1.1
Deze regeling is niet van toepassing op subsidies en uitkeringen die
voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend of vastgesteld.
Artikel 3.1.2
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006.
Artikel 3.1.3
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling subsidies AWBZ.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
Den Haag, 5 december 2005.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp.
|
|
|