BESLUIT van 9 maart 2006, houdende nadere regels met betrekking tot
de rechtspositie van de leden van de Commissie gelijke behandeling (Besluit rechtspositie leden Commissie gelijke
behandeling)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 23 november
2005, nr. 5388180/05/6;
Gelet op artikel 21, tweede lid, van de Algemene wet gelijke
behandeling;
De Raad van State gehoord (advies van 16 december 2005, nr.
W03.05.0532/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van
28 februari 2006, nr. 5404803/06/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Commissie: Commissie gelijke behandeling, genoemd in artikel
11, eerste lid, van de wet;
b. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
c. wet: Algemene wet gelijke behandeling;
d. burgerlijke rijksambtenaren: degenen die door het Rijk zijn
aangesteld om in burgerlijke openbare dienst werkzaam te zijn.
Artikel 2
1. In geval van het bij de Commissie openvallen van een plaats
van voorzitter onderscheidenlijk ondervoorzitter, ander lid of
plaatsvervangend lid, stelt de Commissie onderscheidenlijk de
voorzitter, na overleg met de overige leden van de Commissie, een
lijst van aanbeveling op van ten hoogste drie kandidaten. De Commissie
onderscheidenlijk de voorzitter zendt de lijst van aanbeveling aan
Onze Minister.
2. Indien Onze Minister voornemens is een lid of een
plaatsvervangend lid van de Commissie na het verstrijken van diens
benoemingstermijn niet te herbenoemen, doet hij hiervan aan het
betrokken lid of plaatsvervangend lid van de Commissie zo tijdig
mogelijk, doch uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van die
termijn, schriftelijk mededeling.
3. Indien een lid of een plaatsvervangend lid na het verstrijken
van zijn benoemingstermijn niet voor herbenoeming in aanmerking wenst te
komen, geeft hij hiervan zo tijdig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden
voor het verstrijken van die termijn, kennis aan Onze Minister.
4. Aan een lid of een plaatsvervangend lid van de Commissie
wordt, behoudens in geval van herbenoeming, geacht ontslag te zijn
verleend zodra zijn benoemingstermijn is verstreken.
Artikel 3
1. Een lid of een plaatsvervangend lid van de Commissie legt
voorafgaand aan de datum van indiensttreding de eed of belofte af
volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in de bijlage bij dit
besluit.
2. De voorzitter van de Commissie legt de eed of belofte af ten
overstaan van Onze Minister. De andere leden en de plaatsvervangende
leden van de Commissie leggen de eed of belofte af ten overstaan van de
voorzitter van de Commissie.
3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, wordt na het
afleggen van de eed of belofte ondertekend door het lid of
plaatsvervangend lid van de Commissie en degene te wiens overstaan de
eed of belofte is afgelegd.
Artikel 4
Onze Minister verstrekt aan een lid of plaatsvervangend lid van de
Commissie afschrift van het besluit waarbij hij tot voorzitter,
ondervoorzitter of lid onderscheidenlijk plaatsvervangend lid is
benoemd. Voorts doet Onze Minister aan een lid van de Commissie
schriftelijk mededeling van de standplaats, het salaris en de
arbeidsduur waarvoor hij wordt aangesteld.
Artikel 5
1. Een lid van de Commissie wordt door Onze Minister aangesteld
voor een arbeidsduur van ten hoogste gemiddeld 36 uren per week.
2. Op zijn eigen verzoek kan de arbeidsduur waarvoor een lid van
de Commissie is aangesteld door Onze Minister worden gewijzigd.
3. Onze Minister neemt een besluit als bedoeld in het eerste of
tweede lid niet dan nadat hij hierover het advies heeft ingewonnen van
de voorzitter van de Commissie.
4. Het derde lid is niet van toepassing voorzover het de
aanstelling van de voorzitter van de Commissie betreft.
Artikel 6
1. Het salaris van de voorzitter van de Commissie, die voor een
arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk
aan het maximum van salarisschaal 17 van bijlage B van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
2. Het salaris van een ondervoorzitter van de Commissie, die voor
een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk
aan het maximum van salarisschaal 16 van bijlage B van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
3. Het salaris van een ander lid van de Commissie, dat voor een
arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk aan
het maximum van salarisschaal 15 van bijlage B van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
4. Een lid van de Commissie, dat is aangesteld voor een
arbeidsduur van minder dan gemiddeld 36 uren per week, ontvangt een
salaris overeenkomstig het eerste tot en met derde lid, vermenigvuldigd
met de voor hem geldende arbeidsduurfactor. De arbeidsduurfactor,
bedoeld in de eerste volzin, is een breuk waarvan de teller uit de voor
het lid van de Commissie vastgestelde arbeidsduur bestaat en de noemer
uit het getal 36 bestaat.
Artikel 7
1. De leden van de Commissie hebben, overeenkomstig de
bepalingen die voor burgerlijke rijksambtenaren gelden, aanspraak op
een vakantie-uitkering, een eindejaarsuitkering, een
ziektekostenvergoeding, een waarnemingstoelage, een vergoeding van
reis- en verblijfkosten, een representatiekostenvergoeding en een
vergoeding van verplaatsingskosten.
2. Voorts ontvangen de leden van de Commissie een gratificatie
ter zake van veeljarige dienst op de tijdstippen en tot de bedragen die
gelden voor burgerlijke rijksambtenaren. Bij de bepaling van de
diensttijd wordt, overeenkomstig de bepalingen die voor burgerlijke
rijksambtenaren gelden, rekening gehouden met tijd in overheidsdienst
doorgebracht.
3. Aan een lid of leden van de Commissie kan overeenkomstig
artikel 22a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984
een eenmalige of periodieke toeslag worden toegekend.
4. Indien aan de burgerlijke rijksambtenaren een eenmalige
uitkering wordt toegekend, ontvangen de leden van de Commissie deze op
gelijke voet van Onze Minister.
5. De bevoegdheden die op grond van het eerste tot en met derde
lid van overeenkomstige toepassing zijn, worden uitgeoefend door Onze
Minister, met dien verstande dat de bevoegdheden van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderscheidenlijk aan een
bepaald gezag toekomende regelgevende bevoegdheden door die minister
onderscheidenlijk dat gezag worden uitgeoefend.
Artikel 8
1. De plaatsvervangende leden van de Commissie ontvangen van
Onze Minister zittingsgeld als bedoeld in artikel 21, derde lid, van
de wet overeenkomstig de bepalingen die voor rechters-plaatsvervangers
gelden met betrekking tot de vergoeding voor een zitting.
2. De plaatsvervangende leden van de Commissie genieten een
vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig de bepalingen die
terzake gelden voor burgerlijke rijksambtenaren. Artikel 7, vijfde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9
De voorzitter van de Commissie verdeelt de werkzaamheden van de leden
en de plaatsvervangende leden van de Commissie.
Artikel 10
De leden van de Commissie hebben aanspraak op vakantie en verlof
overeenkomstig de bepalingen die terzake gelden voor burgerlijke
rijksambtenaren. Artikel 7, vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 11
1. Een lid van de Commissie kan worden verplicht te gaan wonen
of te blijven wonen in of nabij de gemeente die hem als standplaats is
aangewezen, indien dit naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk
is in verband met de goede vervulling van zijn ambt.
2. Het lid aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste lid
is opgelegd, voldoet daaraan zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee
jaar nadat die verplichting is opgelegd.
Artikel 12
1. De voorzitter van de Commissie die onderscheidenlijk een
ander lid van de Commissie dat wegens ziekte of om andere redenen
verhinderd is om werkzaamheden te verrichten, geeft hiervan zo spoedig
mogelijk kennis aan Onze Minister onderscheidenlijk de voorzitter van
de Commissie.
2. Ten aanzien van de leden van de Commissie is hetgeen voor
burgerlijke rijksambtenaren overigens is bepaald met betrekking tot
bedrijfsgeneeskundige begeleiding alsmede rechten en verplichtingen bij
ziekte en arbeidsongeschiktheid van overeenkomstige toepassing. Artikel
7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Op de leden van de Commissie is de Suppletieregeling
gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat onder «betrokkene» wordt verstaan:
het lid van de Commissie dat overeenkomstig artikel 16, vierde lid, van
de wet ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, en dat ten tijde van dat
ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is, met uitzondering van degene
die zijn resterende verdienvermogen volledig benut in een of meer
aangehouden betrekkingen. Artikel 7, vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 13
1. Aan een lid of een plaatsvervangend lid wordt ontslag op
eigen verzoek verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een
maand of later dan drie maanden na de dag waarop het ontslagverzoek
door Onze Minister is ontvangen.
2. Van het bepaalde in het eerste lid kan op verzoek van het
betrokken lid of plaatsvervangend lid van de Commissie door Onze
Minister worden afgeweken.
Artikel 14
1. De bezoldiging van een lid van de Commissie wordt niet
langer uitbetaald dan tot en met de dag van zijn overlijden.
2. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van het lid van de
Commissie wordt door Onze Minister een overlijdensuitkering uitbetaald
overeenkomstig de bepalingen die voor burgerlijke rijksambtenaren
gelden.
Artikel 15
Ten aanzien van de leden van de Commissie is het Besluit
bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor rechterlijke
ambtenaren van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder
«betrokkene» wordt verstaan: het lid van de Commissie, dat ten gevolge
van ontslag, niet zijnde ontslag op eigen verzoek, of ongeschiktheid tot
het verrichten van arbeid wegens ziekte, werkloos is geworden in de zin
van de Werkloosheidswet.
Artikel 16
Het Rechtspositiebesluit Commissie gelijke behandeling wordt
ingetrokken.
Artikel 17
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 18
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rechtspositie leden
Commissie gelijke behandeling.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 9 maart 2006
BEATRIX
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de eenentwintigste maart 2006
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de
Grondwet en alle overige wetten zal onderhouden en nakomen.
Ik zweer/verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke
naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van een benoeming aan iemand
iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.
Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige giften of geschenken hoegenaamd
zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed
dat hij betrokken is of zal zijn bij een onderzoek waarbij mijn
ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen.
Ik zweer/beloof dat ik gegevens waarover ik bij de uitoefening van
mijn ambt de beschikking krijg en waarvan ik het vertrouwelijke karakter
ken of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens voorzover enig wettelijk
voorschrift mij tot mededeling verplicht of uit mijn taak de noodzaak
tot mededeling voortvloeit, geheim zal houden.
Ik zweer/beloof dat ik mijn ambt met eerlijkheid, nauwgezetheid en
onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zal uitoefenen en mij in deze
uitoefening zal gedragen zoals een lid/plaatsvervangend lid van de
Commissie gelijke behandeling betaamt.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!
Op ........................, werd te .....................
ten overstaan van (1) ..............................
door (2) .............................
de bovenvermelde eed/belofte afgelegd.
(1) .............................
(2) .............................