St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Algemene wet gelijke behandeling (Awgb)

 

BESLUIT  RECHTSPOSITIE  LEDEN  COMMISSIE  GELIJKE  BEHANDELING

Tekst zoals deze geldt op 26 januari 2009

Verwijderd uit ons regelingenbestand

 

  
 

 

 
BESLUIT van 9 maart 2006, houdende nadere regels met betrekking tot de rechtspositie van de leden van de Commissie gelijke behandeling (Besluit rechtspositie leden Commissie gelijke behandeling)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 23 november 2005, nr. 5388180/05/6;
     Gelet op artikel 21, tweede lid, van de Algemene wet gelijke behandeling;
     De Raad van State gehoord (advies van 16 december 2005, nr. W03.05.0532/I);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 28 februari 2006, nr. 5404803/06/6;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. Commissie: Commissie gelijke behandeling, genoemd in artikel 11, eerste lid, van de wet;

b. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;

c. wet: Algemene wet gelijke behandeling;

d. burgerlijke rijksambtenaren: degenen die door het Rijk zijn aangesteld om in burgerlijke openbare dienst werkzaam te zijn.

Artikel 2

1. In geval van het bij de Commissie openvallen van een plaats van voorzitter onderscheidenlijk ondervoorzitter, ander lid of plaatsvervangend lid, stelt de Commissie onderscheidenlijk de voorzitter, na overleg met de overige leden van de Commissie, een lijst van aanbeveling op van ten hoogste drie kandidaten. De Commissie onderscheidenlijk de voorzitter zendt de lijst van aanbeveling aan Onze Minister.

2. Indien Onze Minister voornemens is een lid of een plaatsvervangend lid van de Commissie na het verstrijken van diens benoemingstermijn niet te herbenoemen, doet hij hiervan aan het betrokken lid of plaatsvervangend lid van de Commissie zo tijdig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van die termijn, schriftelijk mededeling.

3. Indien een lid of een plaatsvervangend lid na het verstrijken van zijn benoemingstermijn niet voor herbenoeming in aanmerking wenst te komen, geeft hij hiervan zo tijdig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van die termijn, kennis aan Onze Minister.

4. Aan een lid of een plaatsvervangend lid van de Commissie wordt, behoudens in geval van herbenoeming, geacht ontslag te zijn verleend zodra zijn benoemingstermijn is verstreken.

Artikel 3

1. Een lid of een plaatsvervangend lid van de Commissie legt voorafgaand aan de datum van indiensttreding de eed of belofte af volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in de bijlage bij dit besluit.

2. De voorzitter van de Commissie legt de eed of belofte af ten overstaan van Onze Minister. De andere leden en de plaatsvervangende leden van de Commissie leggen de eed of belofte af ten overstaan van de voorzitter van de Commissie.

3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, wordt na het afleggen van de eed of belofte ondertekend door het lid of plaatsvervangend lid van de Commissie en degene te wiens overstaan de eed of belofte is afgelegd.

Artikel 4

Onze Minister verstrekt aan een lid of plaatsvervangend lid van de Commissie afschrift van het besluit waarbij hij tot voorzitter, ondervoorzitter of lid onderscheidenlijk plaatsvervangend lid is benoemd. Voorts doet Onze Minister aan een lid van de Commissie schriftelijk mededeling van de standplaats, het salaris en de arbeidsduur waarvoor hij wordt aangesteld.

Artikel 5

1. Een lid van de Commissie wordt door Onze Minister aangesteld voor een arbeidsduur van ten hoogste gemiddeld 36 uren per week.

2. Op zijn eigen verzoek kan de arbeidsduur waarvoor een lid van de Commissie is aangesteld door Onze Minister worden gewijzigd.

3. Onze Minister neemt een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid niet dan nadat hij hierover het advies heeft ingewonnen van de voorzitter van de Commissie.

4. Het derde lid is niet van toepassing voorzover het de aanstelling van de voorzitter van de Commissie betreft.

Artikel 6

1. Het salaris van de voorzitter van de Commissie, die voor een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 17 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

2. Het salaris van een ondervoorzitter van de Commissie, die voor een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 16 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

3. Het salaris van een ander lid van de Commissie, dat voor een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 15 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

4. Een lid van de Commissie, dat is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan gemiddeld 36 uren per week, ontvangt een salaris overeenkomstig het eerste tot en met derde lid, vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor. De arbeidsduurfactor, bedoeld in de eerste volzin, is een breuk waarvan de teller uit de voor het lid van de Commissie vastgestelde arbeidsduur bestaat en de noemer uit het getal 36 bestaat.

Artikel 7

1. De leden van de Commissie hebben, overeenkomstig de bepalingen die voor burgerlijke rijksambtenaren gelden, aanspraak op een vakantie-uitkering, een eindejaarsuitkering, een ziektekostenvergoeding, een waarnemingstoelage, een vergoeding van reis- en verblijfkosten, een representatiekostenvergoeding en een vergoeding van verplaatsingskosten.

2. Voorts ontvangen de leden van de Commissie een gratificatie ter zake van veeljarige dienst op de tijdstippen en tot de bedragen die gelden voor burgerlijke rijksambtenaren. Bij de bepaling van de diensttijd wordt, overeenkomstig de bepalingen die voor burgerlijke rijksambtenaren gelden, rekening gehouden met tijd in overheidsdienst doorgebracht.

3. Aan een lid of leden van de Commissie kan overeenkomstig artikel 22a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 een eenmalige of periodieke toeslag worden toegekend.

4. Indien aan de burgerlijke rijksambtenaren een eenmalige uitkering wordt toegekend, ontvangen de leden van de Commissie deze op gelijke voet van Onze Minister.

5. De bevoegdheden die op grond van het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing zijn, worden uitgeoefend door Onze Minister, met dien verstande dat de bevoegdheden van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderscheidenlijk aan een bepaald gezag toekomende regelgevende bevoegdheden door die minister onderscheidenlijk dat gezag worden uitgeoefend.

Artikel 8

1. De plaatsvervangende leden van de Commissie ontvangen van Onze Minister zittingsgeld als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de wet overeenkomstig de bepalingen die voor rechters-plaatsvervangers gelden met betrekking tot de vergoeding voor een zitting.

2. De plaatsvervangende leden van de Commissie genieten een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig de bepalingen die terzake gelden voor burgerlijke rijksambtenaren. Artikel 7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9

De voorzitter van de Commissie verdeelt de werkzaamheden van de leden en de plaatsvervangende leden van de Commissie.

Artikel 10

De leden van de Commissie hebben aanspraak op vakantie en verlof overeenkomstig de bepalingen die terzake gelden voor burgerlijke rijksambtenaren. Artikel 7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11

1. Een lid van de Commissie kan worden verplicht te gaan wonen of te blijven wonen in of nabij de gemeente die hem als standplaats is aangewezen, indien dit naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van zijn ambt.

2. Het lid aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, voldoet daaraan zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd.

Artikel 12

1. De voorzitter van de Commissie die onderscheidenlijk een ander lid van de Commissie dat wegens ziekte of om andere redenen verhinderd is om werkzaamheden te verrichten, geeft hiervan zo spoedig mogelijk kennis aan Onze Minister onderscheidenlijk de voorzitter van de Commissie.

2. Ten aanzien van de leden van de Commissie is hetgeen voor burgerlijke rijksambtenaren overigens is bepaald met betrekking tot bedrijfsgeneeskundige begeleiding alsmede rechten en verplichtingen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid van overeenkomstige toepassing. Artikel 7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. Op de leden van de Commissie is de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «betrokkene» wordt verstaan: het lid van de Commissie dat overeenkomstig artikel 16, vierde lid, van de wet ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, en dat ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is, met uitzondering van degene die zijn resterende verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden betrekkingen. Artikel 7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13

1. Aan een lid of een plaatsvervangend lid wordt ontslag op eigen verzoek verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand of later dan drie maanden na de dag waarop het ontslagverzoek door Onze Minister is ontvangen.

2. Van het bepaalde in het eerste lid kan op verzoek van het betrokken lid of plaatsvervangend lid van de Commissie door Onze Minister worden afgeweken.

Artikel 14

1. De bezoldiging van een lid van de Commissie wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van zijn overlijden.

2. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van het lid van de Commissie wordt door Onze Minister een overlijdensuitkering uitbetaald overeenkomstig de bepalingen die voor burgerlijke rijksambtenaren gelden.

Artikel 15

Ten aanzien van de leden van de Commissie is het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «betrokkene» wordt verstaan: het lid van de Commissie, dat ten gevolge van ontslag, niet zijnde ontslag op eigen verzoek, of ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet.

Artikel 16

Het Rechtspositiebesluit Commissie gelijke behandeling wordt ingetrokken.

Artikel 17

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 18

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rechtspositie leden Commissie gelijke behandeling.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 9 maart 2006

 

BEATRIX

 

De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner

 

Uitgegeven de eenentwintigste maart 2006
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner

 

 

Bijlage als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit rechtspositie leden Commissie gelijke behandeling

 

Formulier voor het afleggen van de eed of belofte door een lid of plaatsvervangend lid van de Commissie gelijke behandeling

Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal onderhouden en nakomen.

Ik zweer/verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van een benoeming aan iemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.

Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij betrokken is of zal zijn bij een onderzoek waarbij mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen.

Ik zweer/beloof dat ik gegevens waarover ik bij de uitoefening van mijn ambt de beschikking krijg en waarvan ik het vertrouwelijke karakter ken of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens voorzover enig wettelijk voorschrift mij tot mededeling verplicht of uit mijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit, geheim zal houden.

Ik zweer/beloof dat ik mijn ambt met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zal uitoefenen en mij in deze uitoefening zal gedragen zoals een lid/plaatsvervangend lid van de Commissie gelijke behandeling betaamt.

Zo waarlijk helpe mij God almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!

Op ........................, werd te .....................

ten overstaan van (1) ..............................

door (2) .............................

de bovenvermelde eed/belofte afgelegd.

(1) .............................

(2) .............................

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Awgb | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x