| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen (Awir)
UITVOERINGSREGELING
ALGEMENE WET INKOMENSAFHANKELIJKE REGELINGEN
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
De Staatssecretaris van Financiën;
Handelende wat artikel 6, tweede en derde lid, betreft, in
overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en
wat artikel 47 betreft, in overeenstemming met de Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op de artikelen 6, tweede en derde lid, 8, zevende lid, 17,
tweede lid, 25, tweede lid, 31, tweede lid, en 47 van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen;
Besluit:
Artikel 1. Reikwijdte
Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 6, tweede en derde
lid, 8, zesde lid, 17, tweede lid, 21a, 25, tweede lid, 31 en 47 van de
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en artikel 2a van het
Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
Artikel 2. Definities
Deze regeling verstaat onder wet: Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen.
Artikel 3. Gelijkstelling met gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens
1.Iemand die niet in Nederland woont, wordt geacht op zijn
woonadres te zijn ingeschreven in een naar aard en strekking met de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens overeenkomende
administratie buiten Nederland, indien:
a. hij vanwege zijn functie of vanwege de functie van een van
de tot zijn huishouden behorende personen niet kan of niet hoeft
te worden ingeschreven in een naar aard en strekking met de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens overeenkomende
administratie buiten Nederland;
b. blijkt dat hij niet woont op het adres waarop hij is
ingeschreven in de bevolkingsadministratie in zijn woonland;
c. zijn woonland geen of geen naar aard en strekking met de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens overeenkomende
administratie voert.
2.Iemand die in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens niet op zijn woonadres is ingeschreven, wordt geacht
daarin wel op dat adres te zijn ingeschreven, indien:
a. hij een vreemdeling is als bedoeld in artikel 9, tweede lid,
van de wet;
b. hij of een tot zijn huishouden behorende persoon op grond
van artikel 32 van de Wet gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens in verband met zijn bijzondere
verblijfsrechtelijke status niet in aanmerking komt voor
inschrijving, met dien verstande dat voor degenen die zijn
opgenomen in de door het Ministerie van Buitenlandse Zaken
gevoerde Protocollaire Basisadministratie, het in deze
administratie opgenomen woonadres geldt;
c. blijkt dat sprake is van een onjuiste inschrijving in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens voor de periode
tot aan de datum van adreswijziging als bedoeld in artikel 47,
derde lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens;
d. hij zich binnen 5 dagen na de aanvang van zijn verblijf op
zijn woonadres heeft laten inschrijven bij de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens.
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 5. Melding wijziging omstandigheden
1. Indien een voorschot op de tegemoetkoming is verleend en zich in
het berekeningsjaar een wijziging van de omstandigheden voordoet
waarmee bij het verlenen van het voorschot geen rekening is gehouden
en die leidt tot beëindiging dan wel verlaging van de tegemoetkoming
doet de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner daarvan binnen
vier weken schriftelijk dan wel elektronisch mededeling aan de
Belastingdienst/Toeslagen.
2. De wijzigingen, bedoeld in het eerste lid, zijn:
a. het aangaan of het beëindigen van het partnerschap;
b. een verhoging van het geschatte toetsingsinkomen die leidt
tot een verlaging van de tegemoetkoming over het berekeningsjaar
van meer dan € 100;
c. een verhuizing van de belanghebbende, diens partner of een
medebewoner naar of vanaf een buiten Nederland gelegen woonadres
dan wel tussen twee buiten Nederland gelegen woonadressen.
3. Indien er een voorschot huurtoeslag is verleend, wordt als een
omstandigheid als bedoeld in het eerste lid tevens aangemerkt:
a. een wijziging in de huurprijs;
b. het aangaan van of het beëindigen van een huurcontract,
waaronder begrepen een schriftelijke overeenkomst als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, van de wet;
c. een verandering van verhuurder;
d. een verhoging van het geschatte vermogen van de
belanghebbende, diens partner of een medebewoner waardoor over het
berekeningsjaar vermoedelijk voordeel uit sparen en beleggen als
bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in
aanmerking zal worden genomen;
e. de komst of het vertrek van een medebewoner.
4. Indien er een voorschot zorgtoeslag is verleend, wordt als een
omstandigheid als bedoeld in het eerste lid tevens aangemerkt de
beëindiging van de zorgverzekering of een opschorting van die
verzekering als bedoeld in artikel 24 van de Zorgverzekeringswet.
5. Indien er een voorschot kinderopvangtoeslag is verleend, wordt
als een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid tevens aangemerkt:
a. een wijziging in het aantal uren genoten kinderopvang door
een kind van de belanghebbende of van zijn partner;
b. een wijziging in het soort genoten kinderopvang door een
kind van de belanghebbende of van zijn partner;
c. een wijziging van het geregistreerde kindercentrum of
geregistreerde gastouderbureau;
d. een wijziging in de uurprijs;
e. een wijziging van de tegemoetkoming van de gemeente of het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel
1.22 onderscheidenlijk artikel 1.29 van de Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
6. In afwijking in zoverre van het eerste lid kan van een wijziging
als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, alsmede van wijzigingen
die leiden tot een beëindiging van het voorschot op de tegemoetkoming
ook telefonisch dan wel anderszins mondeling mededeling worden gedaan
aan de Belastingdienst/Toeslagen.
Artikel 5a. Herziening in het voordeel van belanghebbende
De Belastingdienst/Toeslagen herziet in het voordeel van de
belanghebbende een toegekende of herziene tegemoetkoming die
onherroepelijk is geworden zodra de Belastingdienst/Toeslagen is
gebleken dat die tegemoetkoming op een te laag bedrag is vastgesteld,
tenzij:
a. vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het
berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft;
b. de onjuistheid van de tegemoetkoming voortvloeit uit
jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die tegemoetkoming
onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van
Financiën, zonodig in overeenstemming met de Ministers die het
aangaat, anders heeft bepaald;
c. de onjuistheid van de tegemoetkoming voortvloeit uit
beleidsregels van de Minister van Financiën of van de Ministers die
het aangaat, die eerst zijn uitgevaardigd nadat die tegemoetkoming
onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van
Financiën, zonodig in overeenstemming met de Ministers die het
aangaat, anders heeft bepaald;
d. de onjuistheid van de tegemoetkoming voortvloeit uit de
omstandigheid dat eerst nadat die tegemoetkoming onherroepelijk vast
is komen te staan een beroep wordt gedaan op een faciliteit, waarop
een beroep moet worden gedaan op een eerder wettelijk voorgeschreven
moment; of
e. sprake is van enig feit waardoor de tegemoetkoming op een te
laag bedrag is vastgesteld en een andere tegemoetkoming, al dan niet
van dezelfde belanghebbende, ter zake van datzelfde feit op een te
hoog bedrag is vastgesteld en ter zake daarvan niet is of kan worden
teruggevorderd, met dien verstande dat in dat geval wel in het
voordeel van belanghebbende wordt herzien voor zover het te laag
vastgestelde bedrag van de tegemoetkoming het te hoog vastgestelde
bedrag van de andere tegemoetkoming dat niet is of kan worden
teruggevorderd te boven gaat.
Artikel 6. Gegevensverkeer bij betaling op andere bankrekening
Indien op grond van artikel 25, eerste lid, van de wet de uitbetaling
van een voorschot of een tegemoetkoming plaatsvindt op een andere
bankrekening dan die van de belanghebbende of diens partner, vindt het
gegevensverkeer met betrekking tot de uitbetaling tussen de
Belastingdienst/Toeslagen en die rekeninghouder plaats met gebruikmaking
van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer van de belanghebbende.
Artikel 7. Uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen
1.De Belastingdienst/Toeslagen stelt de belanghebbende in de
gelegenheid een terugvordering te betalen in maandelijkse termijnen
van € 40 mits hij voldoet aan door de Belastingdienst/Toeslagen
nader te stellen voorwaarden.
2.De Belastingdienst/Toeslagen kan ambtshalve een betaling in
termijnen bewerkstelligen door middel van verrekening van de
terugvordering met aan dezelfde belanghebbende periodiek uit te
betalen bedragen. Indien een verrekening als bedoeld in de vorige
volzin plaats vindt, wordt het totaal van de maandelijks aan de
belanghebbende uit te betalen bedragen met ten hoogste € 40
verminderd.
3.Een betaling van de terugvordering in maandelijkse termijnen
eindigt uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de
terugvordering geldende betalingstermijn 24 maanden zijn verstreken.
Indien de omvang van de terugvordering betaling in 24 maandelijkse
termijnen van € 40 niet toelaat, kan de Belastingdienst/Toeslagen,
in afwijking van het eerste en tweede lid, een betaling in
maandelijkse termijnen van meer dan € 40 verlangen.
4.Op schriftelijk verzoek van de belanghebbende die aangeeft niet
in staat te zijn de terugvordering overeenkomstig de voorgaande leden
te betalen kan de Belastingdienst/Toeslagen, in afwijking in zoverre
van de voorgaande leden, een betaling in termijnen toestaan gebaseerd
op de betalingscapaciteit. De berekening van de betalingscapaciteit
vindt plaats op de voet van artikel 13 van de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990, met dien verstande dat de
Belastingdienst/Toeslagen het netto-besteedbare inkomen van de
belanghebbende vermeerdert met het netto-besteedbare inkomen van de
persoon die ten tijde van de indiening van het verzoek als partner in
de zin van artikel 3 van de wet kan worden beschouwd.
5.Een betalingsregeling als bedoeld in het vierde lid wordt niet
toegestaan indien de belanghebbende of de in dat lid bedoelde partner
over voldoende vermogen in de zin van artikel 12 van de
Uitvoeringregeling Invorderingswet 1990 beschikken voor de voldoening
van de terugvordering, met dien verstande dat bevoorrechte schulden op
het vermogen in mindering worden gebracht.
6.De voorgaande leden zijn niet van toepassing indien het ontstaan
van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van de
belanghebbende of diens partner.
Artikel 8. Uitstel van betaling in verband met bezwaar of
herzieningsverzoek
1. Indien de belanghebbende tijdig een gemotiveerd bezwaar of
verzoek om herziening als bedoeld in artikel 21a van de wet heeft
ingediend tegen de terugvordering dan wel beroep of hoger beroep heeft
ingediend tegen de uitspraak op een bezwaar of verzoek om herziening
als bedoeld in artikel 21a van de wet, kan de
Belastingdienst/Toeslagen uitstel van betaling van de terugvordering
verlenen tot het moment waarop op het bezwaar of verzoek om herziening
als bedoeld in artikel 21a van de wet, het beroep of hoger beroep is
beslist.
2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing indien bezwaar,
beroep, hoger beroep of beroep in cassatie, dan wel een verzoek om
ambtshalve vermindering is ingediend ter zake van een inkomensgegeven
als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, dat bepalend is voor de draagkracht waarmee bij de
terugvordering rekening is gehouden. Onder een verzoek om ambtshalve
vermindering wordt mede verstaan een verzoek om herziening als bedoeld
in artikel 9.5, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 9. Hardheidsclausule
1.Artikel 7, derde en vierde lid, van de wet blijft op verzoek van
de belanghebbende buiten toepassing ten aanzien van degene bij wie
over het berekeningsjaar geen voordeel uit sparen en beleggen in
aanmerking zou worden genomen indien de rendementsgrondslag als
bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zou worden
verminderd met:
a. bezittingen die zijn opgekomen:
1°. van de zijde van een pleegkind;
2°. van de zijde van een minderjarig kind en waarover
zowel de belanghebbende, diens partner, een eventuele
medebewoner, alsook het kind niet kan beschikken;
b. een bedrag ter grootte van de navolgende eenmalige
uitkeringen die in het berekeningsjaar of in enig eerder jaar zijn
ontvangen:
1°. immateriële schadevergoedingen;
2°. schadevergoedingen die door de overheid, het
Nederlandse Rode Kruis, of fabrikanten van farmaceutische
producten zijn betaald aan hemofiliepatiënten die met het
aids-virus zijn besmet;
3°. vergoedingen ingevolge de Regeling tegemoetkoming
asbestslachtoffers (Stcrt. 2000, 16), die zijn uitgekeerd aan
de slachtoffers zelf;
4°. uitkeringen van de Stichting Maror-gelden Overheid,
opgericht op 1 december 2000, gevestigd te Amsterdam;
5°. uitkeringen van de Stichting Het Gebaar, opgericht op
19 november 2001, gevestigd te ’s-Gravenhage;
6°. uitkeringen van de Stichting Rechtsherstel Sinti en
Roma, opgericht op 3 november 2000, gevestigd te Tilburg;
7°. uitkeringen van de Stichting Joods Humanitair Fonds,
opgericht op 31 januari 2002, gevestigd te ’s-Gravenhage;
8°. uitkeringen van de Stichting Individuele Maror Gelden,
opgericht op 1 december 2000, gevestigd te Amsterdam;
9°. uitkeringen van de Stichting Individuele
Verzekeringsaanspraken Sjoa, opgericht op 22 november 1999,
gevestigd te ’s-Gravenhage;
10°. uitkeringen van de Stichting Individuele
Bankaanspraken Sjoa, opgericht op 11 maart 2002, gevestigd te
’s-Gravenhage;
11°. uitkeringen van de Stichting Individuele
Effectenaanspraken Sjoa, opgericht op 22 november 1999,
gevestigd te ’s-Gravenhage;
12°. uitkeringen uit het DES-Fonds die zijn verstrekt aan
slachtoffers van het gebruik van DES-preparaten;
13°. Tegemoetkomingen op grond van de Regeling
tegemoetkoming financiële gevolgen in verband met functionele
invaliditeit nieuwjaarsbrand Volendam (Stcrt. 2003, 42) en
bijdragen op grond van de Regeling tegemoetkoming in kosten
nieuwjaarsbrand Volendam II (Stcrt. 2004, 188), uitgekeerd aan
de getroffenen zelf.
2.Het eerste lid, onderdeel b, onder 4° tot en met 11°, is
eveneens van toepassing ingeval de genoemde uitkeringen zijn verstrekt
aan nabestaanden van de gerechtigden.
3.Het in het eerste lid bedoelde verzoek kan worden gedaan tot het
tijdstip dat de toekenning van de tegemoetkoming over het
desbetreffende berekeningsjaar onherroepelijk is geworden.
4.Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt geacht mede te
zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren.
Artikel 9a. Termijnverlenging in het kader van de toepassing van
Verordening (EG) nr. 987/2009 (PbEU 2009, L 284)
Indien de Belastingdienst/Toeslagen overeenkomstig artikel 6 van
Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van
16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van
verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de
socialezekerheidsstelsels (PbEU 2009, L 284) retroactief als bevoegd
orgaan is aangemerkt:
a. wordt de belanghebbende geacht tijdig een aanvraag te hebben
gedaan als bedoeld in artikel 15 van de wet;
b. worden de in artikel 19 van de wet genoemde
beslissingstermijnen voor toekenning van de tegemoetkoming verlengd
met de tijd gedurende welke een orgaan in een andere lidstaat
aangewezen is geweest als voorlopig bevoegd orgaan;
c. worden de in de artikelen 21, tweede lid, en 27, tweede lid,
van de wet genoemde termijnen en de inartikel 5a, onderdeel a,
genoemde termijn verlengd met de tijd gedurende welk een orgaan in
een andere lidstaat aangewezen is geweest als voorlopig bevoegd
orgaan.
Artikel 10. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006.
Artikel 11. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Staatssecretaris van Financiën,
J.G. Wijn.
|
|
|