| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Algemene wet inzake
rijksbelastingen (Awr)
BESLUIT
VOORKOMING DUBBELE BELASTING 2001 (Bvdb 2001)
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 21 december 2000, houdende vaststelling van het Besluit
voorkoming dubbele belasting 2001
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën
20 november 2000, nr. IFZ2000/1293M, Directoraat-Generaal voor
Fiscale Zaken, Directie Internationale Fiscale Zaken;
Gelet op artikel 38, eerste lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen;
De Raad van State gehoord (advies van 13 december 2000, nr. W06.000541/IV);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van
19 december 2000, nr. IFZ2000/1397U, Directoraat-Generaal voor
Fiscale Zaken, Directie Internationale Fiscale Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Reikwijdte en definities
Artikel 1. Reikwijdte
1. Dit besluit is van toepassing voor de heffing van de navolgende
belastingen:
a. inkomstenbelasting
b. loonbelasting
c. vennootschapsbelasting
d. erfbelasting
e. schenkbelasting
f. kansspelbelasting.
2. Dit besluit vindt slechts toepassing voorzover niet op andere
wijze in het voorkomen van dubbele belasting is voorzien.
Artikel 2. Vaste inrichting
1. In dit besluit wordt onder vaste inrichting verstaan een vaste
bedrijfsinrichting met behulp waarvan de werkzaamheden van een
onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. De plaats van
uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of
installatiewerkzaamheden vormt alleen een vaste inrichting indien de
duur ervan twaalf maanden overschrijdt.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid, wordt niet als een
vaste inrichting beschouwd:
a. het gebruikmaken van inrichtingen, uitsluitend voor opslag,
uitstalling of aflevering van aan de belastingplichtige
toebehorende goederen of koopwaar;
b. het aanhouden van een voorraad van aan de belastingplichtige
toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor opslag,
uitstalling of aflevering;
c. het aanhouden van een voorraad van aan de belastingplichtige
toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor bewerking of
verwerking door een ander;
d. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend
om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of
inlichtingen in te winnen;
e. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting uitsluitend
om voor de onderneming enige andere werkzaamheid uit te oefenen
die van voorbereidende aard is of het karakter van
hulpwerkzaamheid heeft;
f. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting uitsluitend
voor een combinatie van de in de onderdelen a tot en met e
genoemde werkzaamheden, mits het totaal van de werkzaamheden van
de vaste bedrijfsinrichting dat uit deze combinatie voortvloeit
van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid
heeft.
3. Indien een persoon, niet zijnde een onafhankelijke
vertegenwoordiger in de zin van het vierde lid, voor een
belastingplichtige werkzaam is, en een machtiging bezit om namens de
belastingplichtige overeenkomsten af te sluiten en dit recht in een
andere staat gewoonlijk uitoefent, heeft die belastingplichtige voor
de toepassing van dit besluit een vaste inrichting in die andere staat
met betrekking tot de werkzaamheden die de persoon voor die
belastingplichtige verricht. De vorige volzin is niet van toepassing
indien de werkzaamheden van de persoon beperkt blijven tot
werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid die, indien zij worden
uitgeoefend met behulp van een vaste bedrijfsinrichting, deze vaste
bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van dat lid niet tot een
vaste inrichting zouden maken.
4. Een belastingplichtige heeft geen vaste inrichting in een andere
staat alleen op grond van de omstandigheid dat hij in die staat zaken
doet door bemiddeling van een makelaar, commissionair of enige andere
onafhankelijke vertegenwoordiger, mits deze personen in de normale
uitoefening van hun bedrijf handelen.
Artikel 3. Uitbreiding begrip Mogendheid
1. In dit besluit wordt onder Mogendheid mede verstaan: een
bestuurlijke eenheid.
2. Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende
bepalingen worden de landen van het Koninkrijk der Nederlanden
aangemerkt als afzonderlijke Mogendheden.
Artikel 4. Gebied van een andere Mogendheid
In dit besluit wordt onder gebied van een andere Mogendheid verstaan:
het grondgebied van die Mogendheid, daaronder begrepen het gebied buiten
de territoriale zee van die Mogendheid waar deze in overeenstemming met
het internationale recht soevereine rechten kan uitoefenen.
Artikel 5. Dividenden, interest en royalty's
In dit besluit wordt:
a. onder dividenden verstaan: voordelen uit aandelen,
winstbewijzen of andere rechten, met uitzondering van
schuldvorderingen, die aanspraak geven op een aandeel in de winst
van vennootschappen waarvan het kapitaal geheel of ten dele in
aandelen is verdeeld;
b. onder interest verstaan: voordelen uit overheidsleningen,
obligaties of schuldbewijzen en andere schuldvorderingen van welke
aard ook, al dan niet aanspraak gevende op een aandeel in de winst;
c. onder royalty's verstaan: vergoedingen van welke aard ook
voor:
1°. het gebruik van, of het recht op gebruik van, een
auteursrecht op een werk op het gebied van de wetenschap, een
octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening of model,
een plan, een geheim recept of werkwijze;
2°. het gebruik van, of het recht van gebruik van,
nijverheids- en handelsuitrusting of wetenschappelijke
uitrusting;
3°. inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van
nijverheid, handel of wetenschap, of
4°. het verlenen van technische diensten in een
ontwikkelingsland.
Artikel 6. Ontwikkelingsland
Voor de toepassing van dit besluit worden als ontwikkelingsland
aangewezen:
Afghanistan, Algerije, Angola, Belize, Benin, Bhutan, Bolivia,
Botswana, Burkina Faso, Burundi, Cambodja, de Centraal Afrikaanse
Republiek, Colombia, de Comoren, de Republiek Congo, Costa Rica, Cuba,
de Democratische Republiek Congo, Djibouti, Dominica, de Dominicaanse
Republiek, Ecuador, El Salvador, Equatoriaal-Guinea, Eritrea, Ethiopië,
Fiji, Gambia, Grenada, Guatemala, Guinee, Guinee-Bissau, Guyana, Haïti,
Honduras, Irak, Iran, Ivoorkust, Jamaica, Jemen, Kaapverdië, Kameroen,
Kenia, Kiribati, Laos, Lesotho, Libanon, Liberia, Madagaskar, de
Malediven, Mali, de Marshalleilanden, Mauritanië, Micronesië,
Mozambique, Myanmar, Namibië, Nepal, Nicaragua, Niger, Noord-Korea, de
Palau-eilanden, de door de Palestijnse Autoriteit bestuurde gebieden,
Panama, Papoea-Nieuw-Guinea, Paraguay, Peru, Ruanda, St. Vincent en de
Grenadines, de Salomonseilanden, Sao Tome en Principe, Senegal, Sierra
Leone, Soedan, Somalië, Swaziland, Syrië, Tanzania, Togo, Tonga,
Tsjaad, Tuvalu, Vanuatu, West Samoa en Zuid Soedan.
Hoofdstuk 2. Inkomstenbelasting
Afdeling 1. Algemene bepaling
Artikel 7. Te conserveren inkomen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk blijft te conserveren inkomen en
de daarover verschuldigde belasting buiten beschouwing.
Afdeling 2. Inkomen uit werk en woning
Paragraaf 1. Vrijstelling
Artikel 8. Vrijstelling
Een binnenlandse belastingplichtige is vrijgesteld van de
inkomstenbelasting die betrekking heeft op buitenlands inkomen uit werk
en woning.
Artikel 9. Buitenlands inkomen uit werk en woning uit een andere
Mogendheid
1. Het buitenlandse inkomen uit werk en woning uit een andere
Mogendheid bestaat uit het gezamenlijke bedrag van hetgeen de
belastingplichtige als bestanddeel van het inkomen uit werk en woning
uit die Mogendheid geniet als:
a. belastbare winst uit buitenlandse onderneming, zijnde een
onderneming die, of het gedeelte van een onderneming dat, wordt
gedreven met behulp van een vaste inrichting binnen het gebied van
de andere Mogendheid;
b. belastbaar loon ter zake van het binnen het gebied van de
andere Mogendheid in privaatrechtelijke dienstbetrekking
verrichten of hebben verricht van arbeid;
c. belastbaar loon ter zake van het in publiekrechtelijke
dienstbetrekking tot een binnen het gebied van de andere
Mogendheid gevestigde publiekrechtelijke rechtspersoon verrichten
of hebben verricht van arbeid, waarbij het loon ten laste komt van
die rechtspersoon of van een door zulk een rechtspersoon in het
leven geroepen fonds;
d. opbrengsten, verminderd met de in aftrek te brengen kosten,
van onroerende zaken die binnen het gebied van de andere
Mogendheid zijn gelegen of van rechten waaraan deze zijn
onderworpen;
e. belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond
van een publiekrechtelijke regeling ten laste van een binnen het
gebied van de andere Mogendheid gevestigde publiekrechtelijke
rechtspersoon of van een door een zodanige rechtspersoon in het
leven geroepen fonds, voorzover deze inkomensbestanddelen zijn
onderworpen aan een belasting naar het inkomen die vanwege die
andere Mogendheid wordt geheven.
2. Werkzaamheden die in het kader van een onderneming worden
verricht gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 30 dagen
in, op of boven het winningsgebied van de andere Mogendheid, vormen
een buitenlandse onderneming. Het winningsgebied van de andere
Mogendheid bestaat uit de territoriale zee van die Mogendheid alsmede
het buiten de territoriale zee gelegen deel van de zeebodem en de
ondergrond daarvan, voorzover die andere Mogendheid daar op grond van
het internationale recht rechten mag uitoefenen op het gebied van de
exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen.
3. Bij het bepalen van de winst uit een buitenlandse onderneming
worden aan die buitenlandse onderneming de voordelen toegerekend die
deze geacht zou worden te behalen – in het bijzonder bij haar
handelen met andere onderdelen van de onderneming –, indien zij een
zelfstandige en onafhankelijke onderneming zou zijn, die dezelfde of
soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of
soortgelijke omstandigheden, hierbij in aanmerking nemende de door de
belastingplichtige door middel van de buitenlandse onderneming en
andere delen van de onderneming uitgeoefende functies, gebruikte
activa en gelopen risico’s.
4. Het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde loon wordt bij
arbeid die korter dan dertig dagen aaneengesloten binnen het gebied
van de andere Mogendheid is verricht, alleen beschouwd te zijn
onderworpen aan een belasting naar het inkomen die vanwege die
Mogendheid wordt geheven indien blijkt dat ter zake hiervan aan die
Mogendheid belasting is betaald.
5. In afwijking in zoverre van het eerste lid, onderdeel c, is,
indien het aldaar bedoelde loon wordt genoten ter zake van het
verrichten of verricht hebben van arbeid ten behoeve van een
onderneming, op dit loon het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b,
van toepassing.
6. In afwijking in zoverre van het eerste lid behoren door een
belastingplichtige verkregen voordelen en inkomsten uit het door de
belastingplichtige of een ander als artiest of sportbeoefenaar
verrichten van persoonlijke werkzaamheden binnen het gebied van de
andere Mogendheid, niet tot het buitenlandse inkomen uit werk en
woning uit die Mogendheid.
7. Indien de belastingplichtige de onderneming van een vennootschap
waarvan hij aandelen of winstbewijzen houdt, in het kader van de
ontbinding van die vennootschap met toepassing van artikel 14c van de
Wet op de vennootschapsbelasting 1969, voortzet of mede voortzet,
wordt op het tijdstip van voortzetting mede als winst uit buitenlandse
onderneming uit een Mogendheid aangemerkt 20/45 deel van het aan het
aandeel van de belastingplichtige in de vennootschap toe te rekenen
deel van het volgens artikel 34 vastgestelde bedrag aan winst uit
buitenlandse onderneming uit die Mogendheid van de vennootschap na
toepassing van genoemd artikel 14c, tweede lid. De vorige volzin vindt
overeenkomstige toepassing bij volgens artikel 35 vastgestelde
bedragen aan negatieve buitenlandse winst van de vennootschap.
8. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt tot het
buitenlandse inkomen uit werk en woning uit een andere Mogendheid niet
gerekend, het door een belastingplichtige genoten belastbare loon ter
zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een zee- of
luchtvaartuig in het internationale verkeer dat wordt geëxploiteerd
door een onderneming waarvan de werkelijke leiding is gevestigd in een
andere Mogendheid.
Artikel 9a. Toedeling ondernemersaftrek
1. Bij het bepalen van de belastbare winst uit buitenlandse
onderneming, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, wordt de
ondernemersaftrek, bedoeld in artikel 3.74 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, in aanmerking genomen voor een bedrag dat tot
de ondernemersaftrek waarop de belastingplichtige in dat jaar recht
heeft, in dezelfde verhouding staat als de winst uit buitenlandse
onderneming, voor aftrek van de ondernemersaftrek, staat tot de winst,
bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
2. Indien de winst, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, positief is en de buitenlandse winst
negatief, wordt deze laatste voor de toepassing van het eerste lid op
nihil gesteld.
3. Indien de buitenlandse winst groter is dan de winst, bedoeld in
artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt de
ondernemersaftrek bij de bepaling van de belastbare winst uit
buitenlandse onderneming in zijn geheel in aanmerking genomen.
4. Indien de buitenlandse winst negatief is en de winst, bedoeld in
artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, lager is dan de
buitenlandse winst wordt de ondernemersaftrek bij de bepaling van de
belastbare winst uit buitenlandse onderneming voor de helft in
aanmerking genomen.
Artikel 10. Vermindering belasting bij buitenlands inkomen uit werk
en woning
1. De in artikel 8 bedoelde vrijstelling voor buitenlands inkomen
uit werk en woning wordt voor elke Mogendheid waaruit de
belastingplichtige zodanig inkomen geniet afzonderlijk toegepast door
een vermindering te verlenen op de verschuldigde inkomstenbelasting.
2. De in het eerste lid bedoelde vermindering is gelijk aan het
bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van dit besluit
volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 over het belastbare inkomen uit
werk en woning verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als
het buitenlands inkomen uit werk en woning uit een Mogendheid staat
tot het noemerinkomen.
3. De vermindering, dan wel, ingeval de belastingplichtige uit meer
dan een Mogendheid buitenlands inkomen uit werk en woning geniet, het
gezamenlijke bedrag van de verminderingen, kan, met inachtneming van
de verminderingen volgens andere regelen ter voorkoming van dubbele
belasting, niet meer bedragen dan het bedrag van de belasting dat
zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting
2001 verschuldigd zou zijn over het belastbare inkomen uit werk en
woning.
4. Onder de belasting die zonder de toepassing van dit besluit
volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 verschuldigd zou zijn over het
belastbare inkomen uit werk en woning wordt verstaan: de over het
kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit werk en
woning, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van
de Wet inkomstenbelasting 2001.
5. Onder noemerinkomen wordt verstaan: het inkomen uit werk en
woning verminderd met de – met overeenkomstige toepassing van
afdeling 3.13, van de Wet inkomstenbelasting 2001 – te verrekenen
negatieve bedragen aan noemerinkomen uit andere jaren.
6. In afwijking van het vijfde lid wordt het noemerinkomen per
Mogendheid vermeerderd met de op het inkomen uit werk en woning in het
jaar in mindering gebrachte uitgaven voor inkomensvoorzieningen en
persoonsgebonden aftrek voorzover deze bij de belastingheffing in die
Mogendheid in aanmerking zijn genomen.
7. In afwijking van het vijfde lid, wordt, indien het inkomen van
een belastingplichtige hoofdzakelijk uit een Mogendheid afkomstig is
en die Mogendheid bij de belastingheffing van het inkomen de
persoonlijke- en gezinssituatie van de belastingplichtige volledig in
aanmerking neemt, of op grond van het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie gehouden is deze volledig in aanmerking te nemen,
het noemerinkomen, ook voor de bepaling van de vermindering wegens
buitenlands inkomen uit andere Mogendheden, vermeerderd met de op het
inkomen uit werk en woning in het jaar in mindering gebrachte uitgaven
voor inkomensvoorzieningen en persoonsgebonden aftrek. De vorige
volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een
Mogendheid, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die als zij
een zodanige lidstaat zou zijn, gehouden zou zijn om op grond van het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de persoonlijke-
en gezinssituatie volledig in aanmerking te nemen.
Artikel 11. Doorschuifregeling
1. Een bedrag aan in een jaar vrij te stellen buitenlands inkomen
uit werk en woning– per Mogendheid berekend met inachtneming van de
verrekening volgens artikel 12 – dat door de toepassing van artikel
10, derde lid, niet leidt tot een vermindering van belasting over dat
jaar, wordt overgebracht naar het volgend jaar. Deze overbrenging
vindt alleen plaats indien het naar het volgend jaar over te brengen
buitenlands inkomen uit werk en woning door de inspecteur is
vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
2. In het jaar waarnaar de overbrenging plaatsvindt, wordt voor de
berekening van de vermindering van artikel 10 het buitenlands inkomen
uit werk en woning verhoogd met het over te brengen bedrag aan
buitenlands inkomen uit werk en woning. Het noemerinkomen wordt niet
verhoogd.
3. [Vervallen.]
4. Indien een binnenlandse belastingplichtige beloningen geniet als
bedoeld in een compensatieregeling voor grensarbeiders in een andere
regeling ter voorkoming van dubbele belasting, zijn het eerste en
tweede lid niet van toepassing.
5. Bij ministeriële regeling kan onder daarbij te stellen
voorwaarden worden bepaald dat het vierde lid geheel of gedeeltelijk
niet van toepassing is.
Artikel 12. Inhaalregeling
Indien het buitenlands inkomen uit werk en woning uit een Mogendheid
– berekend met inachtneming van de overbrenging per Mogendheid volgens
artikel 11 – negatief is, wordt het voor de toepassing van de
vermindering van artikel 10 aangemerkt als negatief bestanddeel van het
buitenlandse inkomen uit werk en woning van het volgend jaar uit die
Mogendheid. De inspecteur stelt het naar het volgend jaar over te
brengen negatieve buitenlands inkomen uit werk en woning vast bij voor
bezwaar vatbare beschikking.
Paragraaf 2. Verrekening
Artikel 13. Verrekening buitenlandse belasting bij sporters en
artiesten
1.Aan een binnenlandse belastingplichtige wordt, ter verrekening
van vanwege een andere Mogendheid geheven belasting naar het inkomen,
een vermindering van inkomstenbelasting verleend voor in het inkomen
uit werk en woning begrepen voordelen en inkomsten uit het door de
belastingplichtige of een ander als artiest of sportbeoefenaar
verrichten van persoonlijke werkzaamheden binnen het gebied van die
andere Mogendheid.
2.Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vermindering is het
laagste van de volgende bedragen:
a. het bedrag van de in het desbetreffende jaar vanwege andere
Mogendheden geheven belasting;
b. het bedrag dat tot de belasting die in het desbetreffende
jaar zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet
inkomstenbelasting 2001 over het belastbare inkomen uit werk en
woning verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het
bedrag van de in dat jaar volgens het eerste lid in aanmerking te
nemen voordelen en inkomsten, verminderd met de daarmee verband
houdende kosten, staat tot het noemerinkomen.
3.Artikel 10, vierde, vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige
toepassing.
4.De vermindering volgens dit artikel bedraagt, met inachtneming
van de verminderingen volgens andere regelen ter voorkoming van
dubbele belasting en volgens artikel 10, ten hoogste het bedrag aan
berekende belasting over het belastbare inkomen uit werk en woning.
Artikel 13a. Verrekening buitenlandse belasting bij bemanningsleden
van zee- of luchtvaartuigen in het internationale verkeer
1. Aan een binnenlandse belastingplichtige wordt, ter verrekening
van vanwege een andere Mogendheid geheven belasting naar het inkomen,
een vermindering van inkomstenbelasting verleend voor het in het
inkomen uit werk en woning begrepen belastbare loon ter zake van een
dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een zee- of luchtvaartuig
in het internationale verkeer dat wordt geëxploiteerd door een
onderneming waarvan de werkelijke leiding is gevestigd in een andere
Mogendheid.
2. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vermindering is het
laagste van de volgende bedragen:
a. het bedrag van de in het desbetreffende jaar vanwege de
andere Mogendheid geheven belasting;
b. het bedrag dat tot de belasting die in het desbetreffende
jaar zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet
inkomstenbelasting 2001 over het belastbare inkomen uit werk en
woning verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het
bedrag van de in dat jaar volgens het eerste lid in aanmerking te
nemen loon, staat tot het noemerinkomen.
3. Artikel 10, vierde, vijfde en zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4. De vermindering volgens dit artikel bedraagt, met inachtneming
van de verminderingen volgens andere regelen ter voorkoming van
dubbele belasting en volgens artikel 10, ten hoogste het bedrag aan
berekende belasting over het belastbare inkomen uit werk en woning.
Artikel 14. Voortwenteling niet verrekende belasting artiesten en
sporters
1. Het bedrag van de in een jaar vanwege andere Mogendheden geheven
belasting, bedoeld in artikel 13, dat door de toepassing van het
tweede lid, onderdeel b, of het vierde lid van dat artikel, niet leidt
tot een vermindering van inkomstenbelasting over dat jaar, wordt
aangemerkt als vanwege andere Mogendheden geheven belasting van het
daaropvolgende jaar. Deze voortwenteling vindt alleen plaats indien
het naar het volgend jaar over te brengen bedrag door de inspecteur is
vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
2. Indien een binnenlandse belastingplichtige beloningen geniet als
bedoeld in een compensatieregeling voor grensarbeiders in een andere
regeling ter voorkoming van dubbele belasting, is het eerste lid niet
van toepassing.
3. Bij ministeriële regeling kan onder daarbij te stellen
voorwaarden worden bepaald dat het tweede lid geheel of gedeeltelijk
niet van toepassing is.
Artikel 14a. Voortwenteling niet verrekende belasting bij
bemanningsleden van zee- of luchtvaartuigen in het internationale
verkeer
1. Het bedrag van de in een jaar vanwege andere Mogendheden geheven
belasting, bedoeld in artikel 13a, dat door de toepassing van het
tweede lid, onderdeel b, of het vierde lid van dat artikel, niet leidt
tot een vermindering van inkomstenbelasting over dat jaar, wordt
aangemerkt als vanwege andere Mogendheden geheven belasting van het
daaropvolgende jaar. Deze voortwenteling vindt alleen plaats indien
het naar het volgend jaar over te brengen bedrag door de inspecteur is
vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
2. Artikel 14, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 15. Verrekening buitenlandse belasting op dividenden,
interest en royalty's
1. Aan een binnenlandse belastingplichtige wordt, ter verrekening
van vanwege een andere Mogendheid geheven belasting, een vermindering
van inkomstenbelasting verleend voor in het inkomen uit werk en
woning, maar niet in enig in artikel 9 bedoeld buitenlands inkomen uit
werk en woning, begrepen dividenden, interest en royalty's, indien:
a. de vennootschap die de dividenden uitdeelt of de schuldenaar
van de rente en royalty's in een ontwikkelingsland is gevestigd of
woont, en
b. de dividenden, interest en royalty's zijn onderworpen aan
een belasting naar het inkomen die vanwege dat land, al dan niet
aan de bron, wordt geheven.
2. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vermindering is het
laagste van de volgende bedragen:
a. het bedrag van de in het desbetreffende jaar vanwege andere
Mogendheden geheven belasting;
b. het bedrag dat tot de belasting die in het desbetreffende
jaar zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet
inkomstenbelasting 2001 over het belastbare inkomen uit werk en
woning verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het
bedrag van de in dat jaar volgens het eerste lid in aanmerking te
nemen dividenden, interest en royalty's staat tot het
noemerinkomen.
3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, wordt de
belasting die vanwege andere Mogendheden is geheven over dividenden
tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan tot 15% van die
dividenden.
4. Bij de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, worden
dividenden, interest en royalty’s verminderd met de daarmee verband
houdende kosten.
5. Artikel 10, vierde, vijfde en zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
6. De vermindering volgens dit artikel bedraagt, met inachtneming
van de verminderingen volgens andere regelen ter voorkoming van
dubbele belasting en volgens deartikelen 10, 13 en 13a, ten hoogste
het bedrag aan berekende belasting over het belastbare inkomen uit
werk en woning.
Artikel 16. Uiteindelijk gerechtigde
1.Bij de toepassing van artikel 15 wordt geen vermindering verleend
indien de belastingplichtige niet de uiteindelijk gerechtigde is tot
de dividenden, interest of royalty's waarop door een andere Mogendheid
belasting is geheven. Niet als uiteindelijk gerechtigde wordt
beschouwd de belastingplichtige die in samenhang met de ontvangen
opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een
samenstel van transacties waarbij aannemelijk is dat:
a. de opbrengst geheel of gedeeltelijk direct of indirect ten
goede is gekomen aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die
in mindere mate gerechtigd is tot vermindering van Nederlandse
belasting dan de belastingplichtige die de tegenprestatie heeft
verricht; en
b. deze natuurlijke persoon of rechtspersoon een positie in
rechten waaruit de opbrengst is genoten op directe of indirecte
wijze behoudt of verkrijgt die vergelijkbaar is met zijn positie
in soortgelijke rechten voorafgaand aan het moment waarop het
samenstel van transacties een aanvang heeft genomen.
2.Voor de toepassing van het eerste lid:
a. kan van een samenstel van transacties eveneens sprake zijn
ingeval transacties zijn aangegaan op een gereglementeerde
effectenbeurs of markt;
b. wordt met een samenstel van transacties gelijkgesteld een
transactie die betrekking heeft op de enkele verwerving van een of
meer dividendbewijzen of rentetermijnen, of op de vestiging van
kortlopende genotsrechten op rechten.
Artikel 17. Voortwenteling niet verrekende belasting dividenden,
interest en royalty's
Het bedrag van de in een jaar vanwege andere Mogendheden geheven
belasting, bedoeld in artikel 15, dat door de toepassing van het tweede
lid, onderdeel b, of het vijfde lid, van dat artikel niet leidt tot een
vermindering van inkomstenbelasting over dat jaar, wordt aangemerkt als
vanwege andere Mogendheden geheven belasting van het daaropvolgende
jaar. Deze voortwenteling vindt alleen plaats indien het naar het
volgend jaar over te brengen bedrag door de inspecteur is vastgesteld
bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 18. Kostenaftrek
Op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige blijft artikel 15
buiten toepassing voor de in een jaar genoten dividenden, interest en
royalty's, bedoeld in dat artikel en voor de daarover vanwege
ontwikkelingslanden geheven belasting.
Afdeling 3. Inkomen uit aanmerkelijk belang
Artikel 19. Verrekening buitenlandse belasting op dividenden
1. Aan een binnenlandse belastingplichtige wordt, ter verrekening
van vanwege een andere Mogendheid geheven belasting, een vermindering
van inkomstenbelasting verleend voor in het inkomen uit aanmerkelijk
belang begrepen dividenden, indien:
a. de vennootschap die de dividenden uitdeelt in een
ontwikkelingsland is gevestigd, en
b. de dividenden zijn onderworpen aan een belasting naar het
inkomen die vanwege dat andere land, al dan niet aan de bron,
wordt geheven.
2. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vermindering is het
laagste van de volgende bedragen:
a. het bedrag van de in het desbetreffende jaar vanwege andere
Mogendheden geheven belasting;
b. het bedrag dat tot de belasting die in het desbetreffende
jaar zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet
inkomstenbelasting 2001 over het belastbare inkomen uit
aanmerkelijk belang verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding
staat als het bedrag van de in dat jaar volgens het eerste lid in
aanmerking te nemen dividenden staat tot het noemerinkomen.
3. Artikel 15, derde en vierde lid, en artikel 16 vinden
overeenkomstige toepassing.
4. Onder de belasting die zonder de toepassing van dit besluit
volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 verschuldigd zou zijn over het
belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang wordt verstaan: de over het
kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit
aanmerkelijk belang, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
5. Onder noemerinkomen wordt verstaan: het belastbare inkomen uit
aanmerkelijk belang.
6. In afwijking van het vijfde lid, wordt, indien het inkomen van
een belastingplichtige hoofdzakelijk uit een Mogendheid afkomstig is
en die Mogendheid bij de belastingheffing van het inkomen de
persoonlijke- en gezinssituatie van de belastingplichtige volledig in
aanmerking neemt, of op grond van het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie gehouden is de persoonlijke- en gezinssituatie
volledig in aanmerking te nemen, het noemerinkomen vermeerderd met de
op het inkomen uit aanmerkelijk belang in het jaar in mindering
gebrachte persoonsgebonden aftrek. De vorige volzin is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot een Mogendheid, niet
zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die als zij een zodanige
lidstaat zou zijn, gehouden zou zijn om op grond van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie de persoonlijke- en
gezinssituatie volledig in aanmerking te nemen.
Artikel 20. Voortwenteling niet verrekende belasting
Het bedrag van de in een jaar vanwege andere Mogendheden geheven
belasting, bedoeld in artikel 19, dat door de toepassing van het tweede
lid, onderdeel b, van dat artikel niet leidt tot een vermindering van
inkomstenbelasting over dat jaar, wordt aangemerkt als vanwege andere
Mogendheden geheven belasting van het daaropvolgende jaar. Deze
voortwenteling vindt alleen plaats indien het naar het volgend jaar over
te brengen bedrag door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar
vatbare beschikking.
Artikel 21. Kostenaftrek
Op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige blijft artikel 19
buiten toepassing voor de in een jaar genoten dividenden als bedoeld in
dat artikel en voor de daarover vanwege ontwikkelingslanden geheven
belasting.
Artikel 21a. Verrekening buitenlandse belasting op dividenden in
geval van afgezonderd particulier vermogen
1. Aan een binnenlandse belastingplichtige wordt, in afwijking in
zoverre vanartikel 19, eerste lid, ter verrekening van vanwege een
andere Mogendheid geheven belasting, voorts een vermindering van
inkomstenbelasting verleend voor in het inkomen uit aanmerkelijk
belang begrepen dividenden uit die andere Mogendheid, indien:
a. die dividenden worden geacht bij hem op te komen op grond
van artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001, en
b. die dividenden zijn onderworpen aan een belasting naar het
inkomen, die vanwege die andere Mogendheid, al dan niet aan de
bron, bij die binnenlandse belastingplichtige zelf of bij het
desbetreffende afgezonderde particuliere vermogen wordt geheven.
2. Artikel 19, tweede tot en met zesde lid, en de artikelen 20 en
21 zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Inkomen uit sparen en beleggen
Paragraaf 1. Vrijstelling
Artikel 22. Vrijstelling
Een binnenlandse belastingplichtige is vrijgesteld van de
inkomstenbelasting die betrekking heeft op buitenlands voordeel uit
sparen en beleggen.
Artikel 23. Buitenlands voordeel uit sparen en beleggen
1. Het buitenlandse voordeel uit sparen en beleggen bestaat uit het
gezamenlijke bedrag van hetgeen de belastingplichtige als bestanddeel
van het voordeel uit sparen en beleggen geniet als voordeel uit de
rendementsgrondslag in het buitenland.
2. De rendementsgrondslag in het buitenland is de waarde aan het
begin van het kalenderjaar (peildatum) van de bezittingen in het
buitenland verminderd met de waarde op de peildatum van de schulden in
verband met die bezittingen. Bezittingen in het buitenland zijn:
a. binnen het gebied van een andere Mogendheid gelegen
onroerende zaken;
b. rechten die direct of indirect betrekking hebben op binnen
het gebied van een andere Mogendheid gelegen onroerende zaken, en
c. rechten op aandelen in de winst van een onderneming waarvan
de leiding binnen het gebied van een andere Mogendheid is gelegen,
voorzover zij niet voortkomen uit effectenbezit of
dienstbetrekking.
3. Bezittingen als bedoeld in het tweede lid behoren alleen tot de
rendementsgrondslag in het buitenland voorzover de daaruit genoten
opbrengsten zijn onderworpen aan een belasting naar het inkomen die
vanwege de andere Mogendheid waarin de bezittingen zijn gelegen, wordt
geheven.
4. Indien de in het tweede lid genoemde bezittingen en schulden
niet het gehele jaar tot de rendementsgrondslag van de
belastingplichtige behoren, wordt de naar tijdsgelang herleide waarde
op de peildatum hiervan voor de vaststelling van de
rendementsgrondslag in het buitenland in aanmerking genomen, waarbij
gedeelten van kalendermaanden als volle maand worden beschouwd.
Behoort de bezitting of de schuld op de peildatum niet tot de
rendementsgrondslag, dan wordt voor de toepassing van de eerste volzin
uitgegaan van de waarde op het tijdstip waarop de bezitting of de
schuld tot de rendementsgrondslag gaat behoren.
Artikel 24. Vermindering belasting bij buitenlands voordeel uit
sparen en beleggen
1. De in artikel 22 bedoelde vrijstelling voor buitenlands voordeel
uit sparen en beleggen wordt toegepast door een vermindering te
verlenen op de verschuldigde inkomstenbelasting.
2. De in het eerste lid bedoelde vermindering is gelijk aan het
bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van dit besluit
volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 over het belastbare inkomen uit
sparen en beleggen verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat
als het forfaitair rendement, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, van de rendementsgrondslag in het buitenland
staat tot het noemerinkomen. De vermindering kan, met inachtneming van
de verminderingen volgens andere regelen ter voorkoming van dubbele
belasting, niet meer bedragen dan de belasting die zonder de
toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 over
het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn.
3. Indien de belastingplichtige niet het gehele jaar binnenlands
belastingplichtige is, wordt voor de in het tweede lid bedoelde
vermindering het naar tijdsgelang herleide forfaitaire rendement,
bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de
rendementsgrondslag in het buitenland over de periode dat hij in
Nederland woonde in aanmerking genomen. Gedeelten van kalendermaanden
worden hierbij verwaarloosd. Als noemerinkomen geldt de som van het
naar tijdsgelang herleide noemerinkomen over de periode dat de
belastingplichtige in Nederland woonde en het naar tijdsgelang
herleide belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland over
de periode dat hij niet in Nederland woonde. De derde volzin vindt
geen toepassing bij de belastingplichtige die volgens artikel 2.5 van
de Wet inkomstenbelasting 2001 kiest voor toepassing van de regels van
die wet voor binnenlandse belastingplichtigen.
4. Onder de belasting die zonder de toepassing van dit besluit
volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 verschuldigd zou zijn over het
belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt verstaan: de over het
kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit sparen
en beleggen, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel
c, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
5. Onder noemerinkomen wordt verstaan het belastbare inkomen uit
sparen en beleggen.
6. In afwijking van het vijfde lid, wordt, indien het inkomen van
een belastingplichtige hoofdzakelijk uit een Mogendheid afkomstig is
en die Mogendheid bij de belastingheffing van het inkomen de
persoonlijke- en gezinssituatie van de belastingplichtige volledig in
aanmerking neemt, of op grond van het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie gehouden is de persoonlijke- en gezinssituatie
volledig in aanmerking te nemen, het noemerinkomen vermeerderd met de
op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in het jaar in
mindering gebrachte persoonsgebonden aftrek, alsmede met het
forfaitair rendement, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, van het in aanmerking genomen heffingvrije
vermogen. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot een Mogendheid, niet zijnde een lidstaat van de
Europese Unie, die als zij een zodanige lidstaat zou zijn, gehouden
zou zijn om op grond van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie de persoonlijke- en gezinssituatie volledig in
aanmerking te nemen.
Artikel 24a. Doorschuifregeling
1. Een bedrag aan in een jaar vrij te stellen buitenlands voordeel
uit sparen en beleggen dat als gevolg van het in aanmerking nemen van
de persoonsgebonden aftrek en de toepassing van artikel 24, tweede
lid, tweede volzin, niet leidt tot een vermindering van belasting over
dat jaar, wordt overgebracht naar het volgend jaar. Deze overbrenging
bedraagt niet meer dan het bedrag van de persoonsgebonden aftrek
waarmee het voordeel uit sparen en beleggen is verminderd. De
overbrenging vindt alleen plaats indien het naar het volgend jaar over
te brengen buitenlands voordeel uit sparen en beleggen door de
inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
2. In het jaar waarnaar de overbrenging plaatsvindt, wordt voor de
berekening van de vermindering van artikel 24 het buitenlands voordeel
uit sparen en beleggen verhoogd met het over te brengen bedrag aan
buitenlands voordeel uit sparen en beleggen. Het noemerinkomen wordt
niet verhoogd.
Artikel 24b. Vermindering belasting bij buitenlands voordeel uit
sparen en beleggen in geval van afgezonderd particulier vermogen
1. De inartikel 22 bedoelde vrijstelling voor buitenlands voordeel
uit sparen en beleggen in de zin van artikel 23 wordt, in afwijking in
zoverre van artikel 22, voorts toegepast door een vermindering te
verlenen op de verschuldigde inkomstenbelasting, indien:
a. dat buitenlandse voordeel wordt geacht bij de binnenlandse
belastingplichtige op te komen op grond van artikel 2.14a van de
Wet inkomstenbelasting 2001, en
b. dat buitenlandse voordeel is onderworpen aan een belasting
naar het inkomen, die vanwege een andere Mogendheid, al dan niet
aan de bron, bij die binnenlandse belastingplichtige zelf of bij
het desbetreffende afgezonderde particuliere vermogen wordt
geheven.
2. Artikel 24, tweede tot en met zesde lid, en artikel 24a zijn van
overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 2. Verrekening
Artikel 25. Verrekening buitenlandse belasting op dividenden,
interest en royalty's
1. Aan een binnenlandse belastingplichtige wordt, ter verrekening
van vanwege een andere Mogendheid geheven belasting, een vermindering
van inkomstenbelasting verleend in verband met ontvangen dividenden,
interest en royalty's indien:
a. de rechten waaruit de opbrengst is genoten behoren tot de
bezittingen als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
b. de vennootschap die de dividenden uitdeelt of de schuldenaar
van de rente en royalty's in een ontwikkelingsland is gevestigd of
woont, en
c. de dividenden, interest en royalty's zijn onderworpen aan
een belasting naar het inkomen die vanwege dat land, al dan niet
aan de bron, wordt geheven.
2. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vermindering is
gelijk aan het bedrag van de in het desbetreffende jaar vanwege andere
Mogendheden geheven belasting. De belasting die vanwege andere
Mogendheden is geheven over dividenden, interest en royalty's wordt
tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan tot 15% van de
desbetreffende dividenden, interest en royalty's.
3. Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing.
4. De vermindering volgens dit artikel bedraagt, met inachtneming
van de verminderingen volgens andere regelen ter voorkoming van
dubbele belasting en volgens artikel 24, ten hoogste het bedrag aan
berekende belasting op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.
Artikel 25a. Voortwenteling niet verrekende belasting
Het bedrag van de in een jaar vanwege andere Mogendheden geheven
belasting, bedoeld in artikel 25, dat door de toepassing van het vierde
lid van dat artikel niet leidt tot een vermindering van
inkomstenbelasting over dat jaar, wordt aangemerkt als vanwege andere
Mogendheden geheven belasting van het daaropvolgende jaar. Deze
voortwenteling vindt alleen plaats indien het naar het volgend jaar over
te brengen bedrag door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar
vatbare beschikking.
Artikel 25b. Verrekening buitenlandse belasting op dividenden,
interest en royalty’s in geval van afgezonderd particulier vermogen
1. Aan een binnenlandse belastingplichtige wordt, in afwijking in
zoverre vanartikel 25, eerste lid, ter verrekening van vanwege een
andere Mogendheid geheven belasting, voorts een vermindering van
inkomstenbelasting verleend voor buitenlandsedividenden, interest en
royalty’s, indien:
a. die dividenden, interest en royalty’s worden geacht bij
hem op te komen op grond van artikel 2.14a van de Wet
inkomstenbelasting 2001, en
b. die dividenden, interest en royalty’s zijn onderworpen aan
een belasting naar het inkomen, die vanwege die andere Mogendheid,
al dan niet aan de bron, bij die binnenlandse belastingplichtige
zelf of bij het desbetreffende afgezonderde particuliere vermogen
wordt geheven.
2. Artikel 25, tweede tot en met vierde lid, en artikel 25a zijn
van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 5. Formele en overige bepalingen
Artikel 26. Beschikkingen doorschuifregeling
1. De inspecteur stelt het bedrag van het volgens artikel 11 naar
een volgend jaar over te brengen buitenlands inkomen uit werk en
woning per Mogendheid en het bedrag van het volgens artikel 24a of
artikel 24b, tweede lid, naar een volgend jaar over te brengen
buitenlands voordeel uit sparen en beleggen vast bij voor bezwaar
vatbare beschikking. Deze vaststelling gebeurt gelijktijdig met het
vaststellen van de aanslag over dat jaar. Het bedrag van het naar het
volgend jaar over te brengen buitenlands inkomen uit werk en woning en
het bedrag van het naar het volgend jaar over te brengen buitenlands
voordeel uit sparen en beleggen worden op het aanslagbiljet
afzonderlijk vermeld.
2. Rechtsmiddelen tegen een beschikking als bedoeld in het eerste
lid kunnen uitsluitend betrekking hebben op:
a. de grootte van het over te brengen bedrag aan buitenlands
inkomen uit werk en woning en van het over te brengen bedrag aan
buitenlands voordeel uit sparen en beleggen, voorzover niet eerder
vastgesteld, en
b. de toepassing van artikel 28a.
3. Het bedrag aan buitenlands inkomen uit werk en woning dat
volgens artikel 11, eerste lid, naar het volgend jaar wordt
overgebracht en het bedrag aan buitenlands voordeel uit sparen en
beleggen dat volgens artikel 24a, eerste lid, of artikel 24b, tweede
lid, naar het volgend jaar wordt overgebracht, kunnen worden herzien
of alsnog worden vastgesteld, indien:
a. een aanslag wordt verminderd wegens de verrekening van
verliezen uit andere jaren;
b. de inspecteur een navorderingsaanslag vaststelt;
c. de inspecteur een beschikking herziet waarin het bedrag van
een verlies wordt vastgesteld;
d. enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het bedrag
van het over te brengen buitenlands inkomen uit werk en woning te
hoog is vastgesteld, waarbij de herziening alleen kan plaatsvinden
voor in de beschikking opgenomen buitenlands inkomen uit werk en
woning dat is genoten in een van de twaalf voorafgaande jaren;
e. enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het bedrag
van het over te brengen buitenlands voordeel uit sparen en
beleggen te hoog is vastgesteld, waarbij de herziening alleen kan
plaatsvinden voor in de beschikking opgenomen buitenlands voordeel
uit sparen en beleggen dat is genoten in een van de twaalf
voorafgaande jaren.
4. In afwijking in zoverre van artikel 11, eerste lid, tweede
volzin, onderscheidenlijk de artikelen 24a, eerste lid, derde volzin,
en 24b, tweede lid, wordt, indien het derde lid toepassing vindt, het
herziene of het alsnog vastgestelde bedrag aan buitenlands inkomen uit
werk en woning, onderscheidenlijk het herziene of het alsnog
vastgestelde bedrag aan buitenlands voordeel uit sparen en beleggen
dat naar het volgend jaar wordt overgebracht, in het volgend jaar in
aanmerking genomen zonder dat dit bedrag vooraf door de inspecteur bij
voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld. De vorige volzin
vindt overeenkomstige toepassing voorzover de herziening gevolgen
heeft voor bedragen die worden overgebracht naar jaren waarvoor al een
aanslag is vastgesteld.
Artikel 27. Beschikkingen inhaalregeling
1.De inspecteur stelt het bedrag van het volgens artikel 12 naar
een volgend jaar over te brengen negatieve buitenlands inkomen uit
werk en woning per Mogendheid vast bij voor bezwaar vatbare
beschikking.
2.Artikel 26, eerste lid, tweede en derde volzin, tweede lid, derde
lid en vierde lid is van overeenkomstige toepassing.
3.Indien het negatieve buitenlands inkomen uit werk en woning niet
bij voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld, wordt het bedrag
in het volgende jaar toch in aanmerking genomen als negatief
bestanddeel van het buitenlands inkomen uit werk en woning. Het bedrag
wordt niet meer in aanmerking genomen indien de termijn waarbinnen de
inspecteur bevoegd is om een aanslag vast te stellen over het eerste
jaar waarin een lager naar het volgend jaar over te brengen bedrag aan
negatief buitenlands inkomen uit werk en woning bij voor bezwaar
vatbare beschikking had moeten worden vastgesteld, met meer dan twee
jaar is overschreden.
Artikel 28. Beschikkingen verrekening
1. De inspecteur stelt de volgens de artikelen 14,14a, 17, 20, 21a,
25a en25b over te brengen bedragen aan vanwege andere Mogendheden
geheven belasting per artikel vast bij voor bezwaar vatbare
beschikking.
2. Artikel 26, eerste lid, tweede en derde volzin, tweede lid,
derde lid en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 28a. Volgorde van in aanmerking nemen verminderingen
Indien een belastingplichtige op grond van enige bepaling in dit
besluit in aanmerking komt voor een vermindering in verband met uit meer
dan een Mogendheid genoten buitenlands inkomen of vanwege meer dan een
Mogendheid geheven belasting en het gezamenlijke bedrag van de
verminderingen ingevolge enig artikel in dit besluit is beperkt tot het
bedrag van de inkomstenbelasting dat zonder toepassing van dit besluit
verschuldigd zou zijn, worden deze verminderingen in aanmerking genomen
met inachtneming van het volgende. Verminderingen die voortvloeien uit
een andere regeling ter voorkoming van dubbele belasting gaan voor op de
verminderingen die uitsluitend voortvloeien uit dit besluit. Vervolgens
worden de verminderingen in aanmerking genomen in de volgorde die blijkt
uit de overige bepalingen van dit besluit. Ten slotte worden de
verminderingen in aanmerking genomen in volgorde van toenemende grootte.
Ingeval de verminderingen even groot zijn, wordt van elk een
evenredig gedeelte in aanmerking genomen.
Artikel 29. Emigratie en terugkeer
Ingeval de belastingplichtige in een jaar anders dan door overlijden
ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn, en binnen een termijn
van acht jaren na afloop van dit jaar wederom binnenlands
belastingplichtige wordt, worden de over het jaar voorafgaande aan het
jaar waarin de binnenlandse belastingplicht is geëindigd volgens de
artikelen 26, 27 en 28 vastgestelde bedragen aan over te brengen
buitenlands inkomen uit werk en woning, negatief buitenlands inkomen uit
werk en woning en vanwege andere Mogendheden geheven belasting,
aangemerkt als bedragen die in het jaar voorafgaande aan het opnieuw
binnenlands belastingplichtig worden, zijn vastgesteld.
Hoofdstuk III. Loonbelasting
Artikel 30. Vrijstelling van loonbelasting
Een in Nederland wonende werknemer is vrijgesteld van de
loonbelasting die betrekking heeft op door hem genoten loon waarop
artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van toepassing is, en dat is
onderworpen aan een belasting naar het inkomen die vanwege de andere
Mogendheid als in dat artikel bedoeld wordt geheven.
Hoofdstuk IV. Vennootschapsbelasting
Afdeling 1. Vrijstelling
Artikel 31 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 33 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 34. Overgangsregeling nog vrij te stellen buitenlandse
winsten
Op een volgens artikel 34, zoals dat luidde op 31 december 2011, naar
een jaar dat aanvangt op of na 1 januari 2012 over te brengen bedrag aan
vrij te stellen buitenlandse winst uit een staat, blijven de regels van
dit besluit, zoals die luidden op 31 december 2011, van toepassing. Het
naar een later jaar over te brengen bedrag aan buitenlandse winst wordt
hierbij, in afwijking van artikel 34, eerste lid, zoals dat luidde op 31
december 2011, niet verminderd met negatieve buitenlandse winst uit dat
land over een boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2012.
Artikel 35 [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 2. Verrekening
Artikel 36. Verrekening buitenlandse belasting op dividenden,
interest en royalty's
1. Aan een binnenlandse belastingplichtige wordt, ter verrekening
van vanwege een andere Mogendheid geheven belasting, een vermindering
van vennootschapsbelasting verleend voor in de winst, maar niet in de
winst uit een andere staat, bedoeld in artikel 15e, tweede lid, van de
Wet op de vennootschapsbelasting 1969, begrepen dividenden, interest
en royalty's, indien:
a. de vennootschap die de dividenden uitdeelt of de schuldenaar
van de rente en royalty's in een ontwikkelingsland woont of
gevestigd is, en
b. de dividenden, interest en royalty's zijn onderworpen aan
een belasting naar de winst die vanwege dat land, al dan niet aan
de bron, wordt geheven.
2. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vermindering is het
laagste van de volgende bedragen:
a. het bedrag van de in het desbetreffende jaar vanwege andere
Mogendheden geheven belasting;
b. Het bedrag van de in dat jaar volgens het eerste lid in
aanmerking te nemen dividenden, interest en royalty’s,
vermenigvuldigd met het percentage van het hoogste tarief, bedoeld
in artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, wordt de
belasting die vanwege andere Mogendheden is geheven over dividenden
tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan tot 15% van die
dividenden.
4. Bij de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, worden
dividenden, royalty’s en interest verminderd met de daarmee verband
houdende kosten. Tot de kosten, bedoeld in de eerste volzin, behoren
ook de kosten die een met de belastingplichtige verbonden lichaam als
bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 of een met de belastingplichtige verbonden
natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969, heeft gemaakt en die bij het
bepalen van de in Nederland belastbare winst of het in Nederland
belastbare inkomen van dat verbonden lichaam of van die natuurlijke
persoon in aftrek zijn gekomen.
5. Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing.
6. De vermindering volgens dit artikel bedraagt, met inachtneming
van de verminderingen volgens andere regelen ter voorkoming van
dubbele belasting, ten hoogste het bedrag aan belasting dat volgens de
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 verschuldigd is.
Artikel 36a. Verrekening buitenlandse belasting op royalty’s.
Innovatiebox.
1. In afwijking in zoverre van artikel 36, eerste lid, wordt aan
een binnenlandse belastingplichtige, ter verrekening van vanwege een
andere Mogendheid geheven belasting, een vermindering van
vennootschapsbelasting verleend voor royalty’s waarop artikel 12b
van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 van toepassing is,
indien:
a. de schuldenaar van de royalty’s in een ontwikkelingsland
woont of gevestigd is, en
b. de royalty’s zijn onderworpen aan een belasting naar de
winst die vanwege dat land, al dan niet aan de bron, wordt
geheven.
2. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vermindering is het
laagste van de volgende bedragen:
a. het bedrag van de in het desbetreffende jaar vanwege andere
Mogendheden geheven belasting;
b. het bedrag van de in dat jaar volgens het eerste lid in
aanmerking te nemen royalty’s, vermenigvuldigd met 5/100;
3. Bij de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, worden
royalty’s verminderd met de daarmee verband houdende kosten.
4. Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing.
5. De vermindering volgens dit artikel bedraagt, met inachtneming
van de vermindering volgens andere regelen ter voorkoming van dubbele
belasting en volgens de artikelen 33 en 36, ten hoogste het bedrag aan
verschuldigde vennootschapsbelasting.
Artikel 37. Voortwenteling niet verrekende belasting dividenden,
interest en royalty’s
Het bedrag van de in een jaar vanwege andere Mogendheden geheven
belasting als bedoeld in artikel 36 en artikel 36a dat door de
toepassing van artikel 36, tweede lid, onderdeel b, of zesde lid,
onderscheidenlijk door de toepassing van artikel 36a, tweede lid,
onderdeel b, of vijfde lid, niet leidt tot een vermindering van
vennootschapsbelasting over dat jaar, wordt aangemerkt als vanwege
andere Mogendheden geheven belasting van het daaropvolgende jaar. Deze
voortwenteling vindt alleen plaats indien het naar het volgende jaar
over te brengen bedrag door de inspecteur is vastgesteld bij voor
bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 38. Kostenaftrek
Op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige blijft artikel 36
buiten toepassing voor de in een jaar genoten dividenden, interest en
royalty's als bedoeld in dat artikel en voor de daarover vanwege
ontwikkelingslanden geheven belasting.
Artikel 39 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 41 [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 3. Formele en overige bepalingen
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 43 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 44. Beschikkingen verrekening
1. De inspecteur stelt het volgens artikel 37 over te brengen
bedrag aan vanwege andere Mogendheden geheven belasting vast bij voor
bezwaar vatbare beschikking.
2. De in het eerste lid bedoelde vaststelling gebeurt gelijktijdig
met het vaststellen van de aanslag over dat jaar. Het bedrag van de
naar het volgende jaar over te brengen belasting wordt op het
aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.
3. Rechtsmiddelen tegen een beschikking als bedoeld in het eerste
lid kunnen uitsluitend betrekking hebben op:
a. de grootte van het over te brengen bedrag aan belasting voor
zover dat niet eerder is vastgesteld, en
b. de toepassing vanartikel 44a.
4. Het bedrag aan over te brengen belasting kan worden herzien of
alsnog worden vastgesteld, indien:
a. een aanslag wordt verminderd wegens de verrekening van
verliezen uit andere jaren;
b. de inspecteur een navorderingsaanslag vaststelt;
c. de inspecteur een beschikking herziet waarin het bedrag van
een verlies wordt vastgesteld;
d. enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het bedrag
van de over te brengen belasting te hoog is vastgesteld, waarbij
de herziening alleen kan plaatsvinden voor in de beschikking
opgenomen vanwege een buitenlandse mogendheid geheven belasting in
een van de twaalf voorafgaande jaren.
5. In afwijking in zoverre van artikel 37, eerste lid, tweede
volzin, wordt, indien het vierde lid toepassing vindt, het herziene of
het alsnog vastgestelde bedrag aan belasting dat naar het volgende
jaar wordt overgebracht, in het volgend jaar in aanmerking genomen
zonder dat dit bedrag vooraf door de inspecteur bij voor bezwaar
vatbare beschikking is vastgesteld. De vorige volzin vindt
overeenkomstige toepassing voor zover de herziening gevolgen heeft
voor bedragen die worden overgebracht naar jaren waarvoor al een
aanslag is vastgesteld.
Artikel 44a. Volgorde van in aanmerking nemen verminderingen
Indien een belastingplichtige op grond van enige bepaling in dit
besluit in aanmerking komt voor een vermindering in verband met vanwege
meer dan een Mogendheid geheven belasting en het gezamenlijke bedrag van
de verminderingen ingevolge enig artikel in dit besluit is beperkt tot
het bedrag van de vennootschapsbelasting dat zonder toepassing van dit
besluit verschuldigd zou zijn, worden deze verminderingen in aanmerking
genomen met inachtneming van het volgende. Verminderingen die
voortvloeien uit een andere regeling ter voorkoming van dubbele
belasting gaan voor op de verminderingen die uitsluitend voortvloeien
uit dit besluit. Vervolgens worden de verminderingen in aanmerking
genomen in de volgorde die blijkt uit de overige bepalingen van dit
besluit. Ten slotte worden de verminderingen in aanmerking genomen in
volgorde van toenemende grootte. Ingeval de verminderingen even groot
zijn, wordt van elk een evenredig gedeelte in aanmerking genomen.
Artikel 45. Emigratie en terugkeer
Ingeval de belastingplichtige in een jaar anders dan door liquidatie
ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn, en binnen een termijn
van acht jaren na afloop van dit jaar wederom binnenlands
belastingplichtige wordt, worden de over het jaar voorafgaande aan het
jaar waarin de binnenlandse belastingplicht is geëindigd volgens
artikel 44 vastgestelde bedrag aan over te brengen vanwege andere
Mogendheden geheven belasting, aangemerkt als bedragen die in het jaar
voorafgaande aan het opnieuw binnenlands belastingplichtig worden, zijn
vastgesteld.
Artikel 46. Wijziging gerechtigdheid tot lichaam
1. Indien aannemelijk is dat in vergelijking met het begin van het
oudste jaar waarvan een naar het volgende jaar voort te wentelen
bedrag aan niet verrekende vanwege andere Mogendheden geheven
belasting bedoeld inartikel 37 in een later jaar nog niet volledig tot
een vermindering heeft geleid, het uiteindelijke belang in de
belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd, wordt met ingang
van het jaar waarin de wijziging heeft plaatsgevonden, het voort te
wentelen bedrag aan niet verrekende vanwege andere Mogendheden geheven
belasting van het daaraan voorafgaande jaar niet meer bij de
berekening van de vermindering, bedoeld in artikel 36,
onderscheidenlijk 36a, in aanmerking genomen.
2. Artikel 20a, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende,
achtste, tiende, elfde en twaalfde lid, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 is van overeenkomstige toepassing.
3. Artikel 15ae van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk V. Schenk- en erfbelasting
Artikel 47. Vermindering erfbelasting bij in Nederland wonende
erflater
1. Bij een verkrijging krachtens erfrecht door het overlijden van
iemand die ten tijde van dat overlijden in Nederland woonde, wordt ter
verrekening van vanwege een andere Mogendheid geheven belasting een
vermindering verleend van de erfbelasting voor de in de verkrijging
begrepen bezittingen behorende tot een door hem gedreven buitenlandse
onderneming als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, en voor
de in de verkrijging begrepen onroerende zaken die binnen het gebied
van een andere Mogendheid zijn gelegen en rechten waaraan deze zijn
onderworpen, voorzover de verkrijging van vorenbedoelde bezittingen
aan een gelijksoortige belasting is onderworpen die vanwege een andere
Mogendheid als daar bedoeld wordt geheven. Deze bepaling geldt niet
bij een verkrijging krachtens erfrecht door het overlijden van iemand
die op grond van artikel 3, eerste lid, van de Successiewet 1956
geacht wordt ten tijde van het overlijden in Nederland te hebben
gewoond.
2. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vermindering is het
laagste van de volgende bedragen:
a. het bedrag van de vanwege de andere Mogendheid geheven
belasting;
b. het bedrag dat tot de erfbelasting die volgens de
Successiewet 1956 verschuldigd zou zijn zonder toepassing van dit
besluit, in dezelfde verhouding staat als de gezamenlijke waarde
van de in de verkrijging begrepen, in het eerste lid bedoelde,
bezittingen in de andere Mogendheid staat tot de waarde van alle
verkregen bezittingen.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt:
a. de waarde van de in het eerste lid bedoelde bezittingen
verminderd met de waarde van de schulden in verband met die
bezittingen;
b. de waarde van alle verkregen bezittingen verminderd met de
waarde van alle schulden die op grond van de Successiewet 1956 in
aftrek komen en verminderd met de vrijstellingen, bedoeld in
artikel 32 van de Successiewet 1956, voorzover belastingplichtige
daarvoor in aanmerking komt.
4. De vermindering volgens dit artikel bedraagt ten hoogste het
bedrag aan erfbelasting dat volgens de Successiewet 1956 verschuldigd
zou zijn zonder de toepassing van dit besluit.
5. Met onroerende zaken als bedoeld in het eerste lid worden
gelijkgesteld:
a. de– niet tot een buitenlandse onderneming, als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onderdeel a, behorende – economische
eigendom, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op
belastingen van rechtsverkeer, van de binnen het gebied van een
andere Mogendheid gelegen onroerende zaken of rechten waaraan deze
zijn onderworpen;
b. aandelen in lichamen en lidmaatschapsrechten als bedoeld in
artikel 4 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, welke
onroerende zaken en in dit artikel daarmee gelijkgestelde goederen
binnen het gebied van een andere Mogendheid vertegenwoordigen. De
waarde van de aandelen en lidmaatschapsrechten is gelijk aan de
waarde van de onroerende zaken en daarmee gelijkgestelde goederen
die door de aandelen en lidmaatschapsrechten middellijk of
onmiddellijk worden vertegenwoordigd, verminderd met de waarde van
de schulden in verband met die zaken en goederen.
6. Indien artikel 12, eerste lid, tweede volzin, van de
Successiewet 1956 van toepassing is op een schenking en deze
toepassing tot dubbele belasting leidt, wordt voor de toepassing van
dit artikel de vanwege een andere Mogendheid geheven belasting ter
zake van die schenking geacht gelijksoortig te zijn aan de
erfbelasting.
7. Indien artikel 16 van de Successiewet 1956 van toepassing is op
de aldaar bedoelde bezittingen en schulden en deze toepassing tot
dubbele belasting leidt met betrekking tot die bezittingen en
schulden, wordt voor de toepassing van dit artikel de vanwege een
andere Mogendheid geheven, vervangende erfbelasting ter zake van die
bezittingen en schulden toegerekend aan de erfgenamen van de erflater
op basis van dezelfde verdeling als die in artikel 16 van de
Successiewet 1956 en geacht gelijksoortig te zijn aan de erfbelasting.
Artikel 48. Vermindering erfbelasting bij fictief in Nederland
wonende erflater
1. Bij een verkrijging krachtens erfrecht door het overlijden van
iemand die op grond van artikel 3, eerste lid, van de Successiewet
1956 geacht wordt ten tijde van het overlijden in Nederland te hebben
gewoond, wordt ter verrekening van vanwege een andere Mogendheid
geheven belasting, een vermindering van de erfbelasting verleend voor
in die verkrijging begrepen bezittingen, voorzover ter zake van de
verkrijging van die bezittingen vanwege een andere Mogendheid, waarin
de erflater ten tijde van het overlijden zijn daadwerkelijke
woonplaats had, een gelijksoortige belasting is geheven. Voorts wordt
een vermindering van de erfbelasting verleend voor in die verkrijging
begrepen bezittingen, behorende tot een door hem gedreven buitenlandse
onderneming als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, en voor
in de verkrijging begrepen onroerende zaken als bedoeld in artikel 47
die binnen het gebied van een andere Mogendheid zijn gelegen en
rechten waaraan deze zijn onderworpen, voorzover de verkrijging van
vorenbedoelde bezittingen aan een gelijksoortige belasting is
onderworpen die vanwege een andere Mogendheid als daar bedoeld wordt
geheven.
2. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vermindering is het
laagste van de volgende bedragen:
a. het bedrag van de vanwege de andere Mogendheid geheven
belasting;
b. het bedrag dat tot de erfbelasting die volgens de
Successiewet 1956 verschuldigd zou zijn zonder toepassing van dit
besluit, in dezelfde verhouding staat als de gezamenlijke waarde
van de in de verkrijging begrepen, in het eerste lid van dit
artikel bedoelde, bezittingen staat tot de waarde van alle
verkregen bezittingen.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt:
a. de waarde van de in het eerste lid bedoelde bezittingen
verminderd met de waarde van alle schulden;
b. de waarde van alle verkregen bezittingen verminderd met de
waarde van alle verkregen schulden en verminderd met de
vrijstellingen, bedoeld in artikel 32 van de Successiewet 1956,
voorzover belastingplichtige daarvoor in aanmerking komt.
4. De vermindering volgens dit artikel bedraagt ten hoogste het
bedrag aan erfbelasting dat volgens de Successiewet 1956 verschuldigd
zou zijn zonder de toepassing van dit besluit.
5. Indien artikel 12, eerste lid, tweede volzin, van de
Successiewet 1956 van toepassing is op een schenking en deze
toepassing tot dubbele belasting leidt, wordt voor de toepassing van
dit artikel de vanwege een andere Mogendheid geheven belasting ter
zake van die schenking geacht gelijksoortig te zijn aan de
erfbelasting.
6. Indien artikel 16 van de Successiewet 1956 van toepassing is op
de aldaar bedoelde bezittingen en schulden en deze toepassing tot
dubbele belasting leidt met betrekking tot die bezittingen en
schulden, wordt voor de toepassing van dit artikel de vanwege een
andere Mogendheid geheven, vervangende erfbelasting ter zake van die
bezittingen en schulden toegerekend aan de erfgenamen van de erflater
op basis van dezelfde verdeling als die in artikel 16 van de
Successiewet 1956 en geacht gelijksoortig te zijn aan de erfbelasting.
Artikel 49. Buitenlandse gelijksoortige belasting als boedelschuld
Indien een verkrijging van een erflater die ten tijde van het
overlijden in Nederland woonde, bezittingen omvat welke zich binnen het
gebied van een andere Mogendheid bevinden en niet op grond van de
artikelen 47 en 48 aanspraak bestaat op een vermindering ter voorkoming
van dubbele belasting, wordt bij het bepalen van de waarde van die
verkrijging een vanwege die andere Mogendheid over deze bezittingen
geheven gelijksoortige belasting in mindering gebracht op die
verkrijging.
Artikel 50. Vermindering per verkrijger
De verminderingen bedoeld in de artikelen 47 tot en met 49 worden per
verkrijger berekend.
Artikel 51. Schenkbelasting
1. Deartikelen 47 tot en met 50 vinden overeenkomstige toepassing
met betrekking tot de schenkbelasting, met dien verstande dat:
a. voor de overeenkomstige toepassing van artikel 47, tweede
lid, onderdeel b, en artikel 48, tweede lid, onderdeel b, de
waarde van alle verkregen bezittingen tevens wordt verminderd met
de vrijstellingen, bedoeld in artikel 33 van de Successiewet 1956;
b. artikel 47, zevende lid, en artikel 48, zesde lid, van
overeenkomstige toepassing zijn, indien artikel 17 van de
Successiewet 1956 van toepassing is.
2. Artikel 48 is van overeenkomstige toepassing op schenkingen door
een schenker die op grond van artikel 3, tweede lid, van de
Successiewet 1956 geacht wordt ten tijde van de schenking in Nederland
te hebben gewoond.
Hoofdstuk VI. Kansspelbelasting
Artikel 52. Vrijstelling kansspelbelasting
1.Een in Nederland wonende of gevestigde gerechtigde tot een prijs
van een buitenlands kansspel is vrijgesteld van de daarop betrekking
hebbende kansspelbelasting, indien die prijs is onderworpen aan een
gelijksoortige belasting, die vanwege een ander land of een andere
Mogendheid wordt geheven.
2.Het eerste lid vindt geen toepassing, indien de prijs als winst
uit onderneming moet worden aangemerkt.
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 53 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 54 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 55 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 56 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 57 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 58 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 59. Intrekking Besluit voorkoming dubbele belasting 1989
1. Het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 wordt ingetrokken.
2. Het in het eerste lid genoemde besluit vindt voor de toepassing
van de vennootschapsbelasting nog toepassing op het jaar dat is
aangevangen voor 1 januari 2001 en dat na die datum eindigt.
Artikel 60. Inwerkingtreding
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
2. Voor de heffing van de vennootschapsbelasting vindt dit besluit
voor het eerst toepassing met ingang van het jaar dat met of in 2001
aanvangt.
3. Voor de heffing van de schenk- en erfbelasting vindt dit besluit
toepassing, indien het overlijden, de schenking of de in artikel 45,
derde lid, tweede zin, of de in artikel 53, eerste lid, van de
Successiewet 1956 bedoelde gebeurtenis plaatsvindt op of na het
tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit, zomede indien op of
na dat tijdstip krachtens schenking wordt verkregen ten gevolge van de
vervulling van een voorwaarde.
Artikel 61. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit voorkoming dubbele
belasting 2001.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 21 december 2000
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
W.J. Bos
Uitgegeven de achtentwintigste december 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|