| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Douanewet
DOUANEBESLUIT
Tekst zoals deze geldt op
6 maart 2008
Vervallen
m.i.v. 1 augustus 2008
(Zie Algemene
douanewet)
|
|
|
BESLUIT van 4 maart 1996, verband houdende met de herziening van de
douanewetgeving
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 13
december 1993, nr. WD.93/697, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken,
directie Wetgeving Douane;
Gelet op artikel 22f van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, de artikelen 3, 23, vijfde lid, 28, 35, 53, vijfde
lid, 56 en 57 van de Douanewet en artikel 25 van de Invorderingswet
1990;
De Raad van State gehoord (advies van 26 april 1994, nr.
W06.93.0837);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van
26 februari 1996, nr. WD.94/349, Directoraat-Generaal voor Fiscale
Zaken, directie Wetgeving Douane;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
Dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:
a. binnenkomend luchtvaartuig: een luchtvaartuig dat in Nederland
landt, terzake van welke landing de in artikelen 40 en 43 van het
Communautair douanewetboek bedoelde formaliteiten moeten worden
vervuld;
b. binnenkomend schip: een schip dat in Nederland vanuit zee
binnenkomt, terzake van welke binnenkomst de in artikelen 40 en 43
van het Communautair douanewetboek bedoelde formaliteiten moeten
worden vervuld;
c. douanekantoor van uitgang: onverminderd het bepaalde in
artikel 793, tweede lid, van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek, de haven of luchthaven van waaruit de goederen, over
zee dan wel door de lucht het douanegebied van de Gemeenschap
verlaten;
d. de Post: de Koninklijke TPG Post BV;
e. brieven en postzendingen: brieven en postzendingen als bedoeld
in artikel 1, onderdelen b en c, van de Postwet, voorzover zij onder
de verplichting, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van die wet,
vallen;
f. beheerder vrije zone controletype II: de persoon aan wie
vergunning is verleend de vrije zone controletype II te beheren;
g. operateur: de belanghebbende, bedoeld in artikel 799 van de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek.
Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 3
Indien op grond van wettelijke bepalingen een vergunning dan wel
goedkeuring van de inspecteur is vereist, dient ter verkrijging van deze
vergunning, onderscheidenlijk goedkeuring, een verzoek te worden gericht
aan de inspecteur.
Hoofdstuk 2. Binnenbrengen van goederen
§ 1. Over zee binnengebrachte goederen
Artikel 4
1. Binnenkomende schepen en de daarin of daarop aanwezige
goederen worden langs bij ministeriële regeling aangewezen vaarwaters
overgebracht naar een haven ressorterende onder een bij ministeriële
regeling aangewezen douanekantoor, alwaar de in artikel 40 van het
Communautair douanewetboek bedoelde formaliteit van aanbrengen wordt
vervuld.
2. Bij ministeriële regeling kunnen eveneens plaatsen als
bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van het Communautair
douanewetboek worden aangewezen, alwaar voor schepen en de daarin of
daarop aanwezige goederen onder bij ministeriële regeling gestelde
voorwaarden de in artikel 40 van het Communautair douanewetboek bedoelde
formaliteit van het aanbrengen wordt vervuld.
Artikel 5
1. De summiere aangifte, bedoeld in artikel 43 van het
Communautair douanewetboek, houdt aangifte in van alle bij het
douanekantoor, bedoeld in artikel 4, te lossen goederen. Voor de in
het schip aanwezige provisie wordt een afzonderlijke summiere aangifte
gedaan.
2. Aan het douanekantoor, bedoeld in artikel 4, wordt in
voorkomend geval tevens een summiere aangifte gedaan voor de goederen
die zullen worden gelost bij een ander in Nederland gelegen
douanekantoor als bedoeld in artikel 4 voor zover het schip zich anders
dan over zee naar dat douanekantoor zal begeven.
3. Op verzoek van belanghebbende kan aan het douanekantoor,
bedoeld in artikel 4, een summiere aangifte worden gedaan voor de
goederen welke zullen worden gelost bij een ander in Nederland gelegen
douanekantoor als bedoeld in artikel 4, indien het schip zich over zee
naar dat laatst genoemde douanekantoor zal begeven.
4. Een binnengekomen schip mag van het douanekantoor, bedoeld in
artikel 4, niet vertrekken zonder toestemming van de inspecteur.
Artikel 6
1. Communautaire goederen mogen nadat zij zijn gelost eerst
worden weggevoerd nadat ten genoegen van de inspecteur is aangetoond
dat deze goederen de communautaire status hebben.
2. Indien binnen het douanegebied van de Gemeenschap voor
goederen een bewijs van de communautaire status is afgegeven, dient dit
bewijs aan de inspecteur te worden overgelegd alvorens de goederen
waarop dit bewijs betrekking heeft kunnen worden weggevoerd.
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 8
1. De artikelen 4 en 5 zijn niet van
toepassing op de volgende schepen, mits zij in de Gemeenschap
thuishoren, overeenkomstig hun bestemming worden gebezigd en geen
goederen meevoeren waarvoor bij het in het vrije verkeer brengen rechten
bij invoer zijn verschuldigd:
a. oorlogsschepen;
b. pleziervaartuigen welke op hun reis niet een buitenlandse haven
hebben aangedaan;
c. vissersschepen welke van de visvangst komen en zijn voorzien van
een aanduiding omtrent de haven waar zij thuishoren;
d. sleepboten welke op hun reis niet een buitenlandse haven hebben
aangedaan;
e. reddingsboten;
f. bij ministeriële regeling aangewezen vaartuigen van openbare
diensten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien voor het
verkrijgen van vrijstelling van rechten bij invoer of voor het plaatsen
onder de betreffende douaneregeling voor het schip of voor de
meegevoerde goederen ingevolge wettelijke bepalingen de vervulling van
bepaalde formaliteiten is vereist.
Artikel 9
1. Degene die aan de kust goederen heeft opgevist of gered, dan
wel aldaar aangespoelde of gestrande goederen heeft geborgen, geeft
daarvan onverwijld kennis aan de inspecteur. Onder kust worden te
dezen mede verstaan de wateren, stranden en oevers welke ingevolge
artikel 21 van de Wet op de strandvonderij worden beschouwd te behoren
tot de zee en het zeestrand.
2. De goederen mogen zonder toestemming van de inspecteur niet
verder landinwaarts worden gebracht dan tot de eerste plaats waar zij
tegen beschadiging door het zeewater zijn beveiligd.
3. Na de kennisgeving worden de goederen aangemerkt als
binnengebrachte goederen in de zin van artikel 37, eerste lid, van het
Communautair douanewetboek.
§ 2. Door de lucht binnengebrachte goederen
Artikel 10
Binnenkomende luchtvaartuigen worden zonder tussenlanding
overgebracht naar een bij ministeriële regeling aangewezen
internationale luchthaven ressorterende onder een bij ministeriële
regeling aangewezen douanekantoor alwaar de formaliteit van aanbrengen,
bedoeld in artikel 40 van het Communautair douanewetboek, wordt vervuld.
Artikel 11
De summiere aangifte, bedoeld in artikel 43 van het Communautair
douanewetboek, houdt aangifte in van alle te lossen goederen bij het
douanekantoor, bedoeld in artikel 10.
Artikel 12
1. Artikel 10 is niet van toepassing op militaire, politie- en
douaneluchtvaartuigen van Nederlandse of vreemde nationaliteit of op
andere bij ministeriële regeling aangewezen luchtvaartuigen, mits zij
overeenkomstig hun bestemming worden gebezigd en geen goederen
meevoeren welke vreemd zijn aan de normale behoeften aan boord.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien voor het
verkrijgen van vrijstelling van rechten bij invoer of voor het plaatsen
onder de betreffende douaneregeling voor het luchtvaartuig of voor de
aan boord aanwezige goederen ingevolge wettelijke bepalingen de
vervulling van bepaalde formaliteiten is vereist.
§ 3. Tijdelijke opslag
Artikel 13
1. De goedkeuring, bedoeld in artikel 185, eerste lid, van de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek, van een ruimte voor
tijdelijke opslag is gebonden aan een vergunning.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met
betrekking tot de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 14
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot
de in- en uitslag van goederen in en uit de ruimte voor tijdelijke
opslag. Deze regels hebben in het bijzonder betrekking op de te
gebruiken aangiften.
Hoofdstuk 3. Douanebestemmingen
Afdeling 1. Aangiften (normale procedure)
§ 1. Te gebruiken taal
Artikel 15
1. Aangiften tot plaatsing van goederen onder een
douaneregeling worden gedaan in de Nederlandse taal.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid kunnen aangiften
tot plaatsing onder de douaneregeling douanevervoer, aangiften tot
plaatsing onder een douaneregeling met gebruikmaking van een handels- of
administratief bescheid en andere aangiften dan die bedoeld in het
eerste lid, behalve in het Nederlands worden gedaan in het Frans, Duits
of Engels.
3. Ingeval in het buitenland aanvaarde douaneaangiften zijn
gesteld in een andere taal dan het Nederlands, Frans, Duits of Engels,
kan de inspecteur een vertaling vragen welke mag zijn gesteld in het
Nederlands, Frans, Duits of Engels.
§ 2. Inhoud van de aangifte
Artikel 16
1. In de gevallen waarin op grond van wettelijke bepalingen in
een aangifte de goederencode van de desbetreffende goederen moet
worden vermeld, is dat de code die voor die goederen is vastgesteld in
het gebruikstarief. Het gebruikstarief is de lijst van
goederenomschrijvingen met bijbehorende codes en aanduiding van de
voor de desbetreffende goederen van toepassing zijnde maatregelen bij
in- of uitvoer, zoals die geldt ingevolge verordeningen van de Raad
van de Europese Unie of de Commissie van de Europese Gemeenschappen,
en waarin nadere onderverdelingen met bijbehorende codes zijn
aangebracht in verband met de nationale statistiek en bijzondere
maatregelen die voor de desbetreffende goederen gelden.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de
vaststelling, de uitgifte en de beschikbaarstelling van het
gebruikstarief.
3. Een wijziging in de vaststelling van de goederencodes treedt
in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van het
wijzigingsblad van het gebruikstarief waarin de wijziging is vermeld.
Indien een wijziging in de vaststelling van goederencodes in afwachting
van de uitgifte van een wijzigingsblad in de Staatscourant wordt
bekend gemaakt, treedt deze in werking met ingang van de daarbij
vermelde dag.
Artikel 17
1. Ten aanzien van de bij ministeriële regeling aangewezen
goederen en in de daarbij aangewezen gevallen kan, indien gehalte,
samenstelling of hoeveelheid van goederen waarvoor een aangifte tot
plaatsing onder een douaneregeling, met uitzondering van de regeling
douanevervoer, moet worden gedaan aan de aangever niet bekend is, de
vermelding van dat gegeven achterwege blijven indien de aangever
verzoekt dat gegeven op zijn kosten van rijkswege te doen bepalen.
2. Indien in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, de goederen
met toepassing van artikel 73 van het Communautair douanewetboek ter
beschikking van de aangever worden gesteld om hun bestemming te volgen,
worden de gegevens aan de hand waarvan de berekening van de rechten bij
invoer moet plaatsvinden zo nodig bij wijze van schatting vastgesteld.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorwaarden en
bepalingen worden vastgesteld voor de toepassing van dit artikel.
Artikel 18
De in artikel 212 van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek bedoelde toelichting kan worden aangevuld door de
toelichting met daarin opgenomen de aanvullingen, bij ministeriële
regeling vast te stellen. Wijzigingen van de aanvullingen en nadere
aanvullingen kunnen plaatsvinden door de overeenkomstig het vorenstaande
vastgestelde toelichting bij ministeriële regeling te wijzigen.
§ 3. Aangifte ten uitvoer
Artikel 19
1. De aangifte ten uitvoer wordt gedaan:
a. ten aanzien van goederen welke worden uitgevoerd ter voldoening
aan de verplichting welke voortvloeit uit de douaneregeling waaronder
zij waren geplaatst, op de voor het doen van de aangifte ten uitvoer
aangewezen plaats, indien deze plaats in de wettelijke bepalingen of
in de op de betreffende douaneregeling betrekking hebbende vergunning
is aangewezen;
b. in andere gevallen bij de inspecteur onder wie de exporteur
ressorteert of onder wie de plaats ressorteert waar de goederen zijn
verpakt of met het oog op de uitvoer in of op het vervoermiddel zijn
geladen.
2. De inspecteur kan bepalen dat in de gevallen, andere dan die
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, waarin het wenselijk
wordt geacht om de controle van de aangifte ten uitvoer te laten
plaatsvinden op een douanekantoor zo dicht mogelijk gelegen bij de
plaats waar de exporteur is gevestigd of waar de goederen zijn verpakt
of met het oog op de uitvoer in of op het vervoermiddel zijn geladen, de
aangifte ten uitvoer wordt gedaan op een door hem aan te wijzen
douanekantoor.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan de
aangifte ten uitvoer eveneens worden gedaan op bij ministeriële
regeling aangewezen douanekantoren voor zover deze goederen via deze
kantoren Nederland zullen verlaten en voor zover de aangifte wordt
gedaan door of ten behoeve van in Nederland gevestigde exporteurs.
4. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing indien
ter zake van de wederuitvoer ingevolge wettelijke bepalingen een
aangifte is vereist.
Afdeling 2. Aangiften (vereenvoudigde procedures)
Artikel 20
De weigering van een vergunning tot het doen van aangifte volgens een
vereenvoudigde procedure op grond van het overtreden van
douanevoorschriften geschiedt slechts indien:
a. de aanvrager in de laatste vijf jaren voorafgaande aan de
aanvraag een bij wettelijke bepalingen strafbaar gesteld misdrijf
heeft gepleegd;
b. de aanvrager herhaaldelijk een bij wettelijke bepalingen
strafbaar gestelde overtreding heeft begaan, waarvoor hij
onherroepelijk is veroordeeld of waarvoor het recht tot
strafvordering is vervallen ingevolge artikel 76 van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen, of
c. aan de aanvrager in de laatste vijf jaren voorafgaand aan de
aanvraag herhaalde malen ingevolge wettelijke bepalingen een
bestuurlijke boete is opgelegd.
Artikel 21
Een vergunning tot toepassing van de domiciliëringsprocedure wordt
slechts verleend indien de aanvrager van de desbetreffende vergunning
een bedrijf uitoefent waarvan de administratieve organisatie zodanig is,
dat zij voldoende waarborgen inhoudt voor een juiste vastlegging van de
bedrijfshandelingen en de administratie zodanig is ingericht, dat daarin
op overzichtelijke wijze zijn opgenomen de door de inspecteur nodig
geoordeelde gegevens omtrent de goederen welke met toepassing van de
verlangde vereenvoudigde procedure onder een douaneregeling zijn
geplaatst.
Artikel 22
1. Indien de vergunninghouder van een domiciliëringsprocedure
op grond van wettelijke bepalingen een aanvullende aangifte moet
indienen, moet deze aangifte vóór de derde werkdag van het tijdvak
dat in de vergunning is opgenomen zijn ingediend. De aanvullende
aangifte ziet op alle goederen welke in de loop van het voorafgaande
tijdvak met toepassing van deze procedure een douanebestemming hebben
gekregen.
2. In gevallen waarin het doen van aangifte binnen de in het
eerste lid bedoelde termijn bijzondere bezwaren ontmoet, kan de
inspecteur toestaan dat de aangifte wordt gedaan uiterlijk de tiende dag
van het tijdvak volgend op die waarin de goederen een douanebestemming
hebben gekregen.
3. In de aangifte wordt, onverminderd hetgeen ingevolge andere
wettelijke bepalingen is vereist, als waarde vermeld de waarde op de dag
waarop de goederen de douanebestemming hebben gekregen. Die dag wordt in
de aangifte vermeld.
4. Indien de vergunninghouder van een vereenvoudigde
aangifteprocedure op grond van wettelijke bepalingen een aanvullende
aangifte moet indienen, moet deze aangifte vóór de derde werkdag na de
dag waarop de vereenvoudigde aangifte is gedaan zijn ingediend bij de
inspecteur bij wie de vereenvoudigde aangifte is gedaan.
5. Bij ministeriële regeling kunnen gevallen of groepen van
gevallen worden aangewezen waarin voor het doen van de aanvullende
aangifte, bedoeld in het vierde lid, een termijn geldt die afwijkt van
de in dat lid gestelde termijn of waarin deze aangifte periodiek wordt
gedaan. Indien is bepaald dat de aanvullende aangifte periodiek wordt
gedaan wordt steeds binnen een te bepalen termijn na het einde van het
daartoe vastgestelde tijdvak, een aanvullende aangifte gedaan van alle
goederen welke in de loop van dat tijdvak met toepassing van de
vergunning hun douanebestemming hebben gekregen.
Artikel 23
1. Indien de overeenkomstig artikel 22, eerste of tweede lid,
vereiste aangifte niet of niet tijdig wordt gedaan, geschiedt in
voorkomend geval de berekening van de verschuldigde rechten bij invoer
overeenkomstig de door de inspecteur aan de hand van de administratie
van de vergunninghouder of aan de hand van op andere wijze, zo nodig
bij wijze van schatting, vastgestelde gegevens.
2. Indien de overeenkomstig artikel 22, vierde of vijfde lid,
vereiste aangifte niet of niet tijdig wordt gedaan, is de
vergunninghouder de rechten bij invoer verschuldigd berekend op basis
van de vereenvoudigde aangifte, waarbij in aanmerking wordt genomen
hetgeen bij een eventueel onderzoek van de goederen is bevonden, of
overeenkomstig andere gegevens die zo nodig bij wijze van schatting
worden vastgesteld.
Afdeling 3. Schorsingsregelingen en economische douaneregelingen
§ 1. Communautair douanevervoer
Artikel 24
Bij ministeriële regeling kan, indien bij het vervoer van goederen
de identificatie plaatsvindt door middel van verzegeling van de
laadruimte van een vervoermiddel of een container, worden bepaald dat
het vervoermiddel of de container, ten behoeve van de beoordeling van
het gestelde in artikel 357, derde lid, van de toepassingsverordening
Communautair douanewetboek, op een bij die regeling aangewezen plaats,
voor een onderzoek van de bouw en de inrichting van de laadruimte moet
worden aangeboden aan de inspecteur.
Artikel 25
1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot:
a. de gevallen waarin het vervoer van goederen in afwijking van
artikel 357, vierde lid, van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek, zonder verzegeling kan plaatsvinden;
b. de overbrenging, al dan niet in gedeelten, binnen het
ambtsgebied van het kantoor van bestemming, onder geleide van het
document dat ten geleide van de goederen is afgegeven voor het vervoer
naar dat kantoor van bestemming;
c. de overbrenging, al dan niet in gedeelten, binnen het
ambtsgebied van het kantoor van vertrek, onder geleide van het
document dat ten geleide van de goederen is afgegeven voor het vervoer
vanaf dat kantoor van vertrek.
§ 2. Douane-entrepots
Artikel 26
Een vergunning voor een douane-entrepot van het type E wordt slechts
verleend indien de aanvrager van de desbetreffende vergunning een
bedrijf uitoefent waarvan de administratieve organisatie zodanig is, dat
zij voldoende waarborgen inhoudt voor een juiste vastlegging van de
bedrijfshandelingen en de administratie zodanig is ingericht, dat daarin
op overzichtelijke wijze zijn opgenomen de door de inspecteur nodig
geoordeelde gegevens omtrent de goederen welke onder het stelsel van
douane-entrepots zijn geplaatst.
Artikel 27
Aan accijns onderworpen goederen kunnen slechts onder het stelsel van
douane-entrepots worden geplaatst voorzover de Wet op de accijns in deze
plaatsing voorziet en onder de daarbij gestelde voorwaarden en
beperkingen.
Artikel 28
Indien in een douane-entrepot een overmaat wordt vastgesteld, worden
de te veel bevonden goederen geacht onder het stelsel van
douane-entrepots te zijn geplaatst.
Artikel 29
De entreposeur die zodanige wijziging wenst te brengen in de door hem
gevoerde administratie dat daardoor de wijze waarop toezicht op het
douane-entrepot wordt uitgeoefend, wordt beïnvloed, onderwerpt de
voorgenomen wijziging aan goedkeuring van de inspecteur. De wijziging
wordt niet aangebracht dan na verkregen goedkeuring.
Hoofdstuk 4. Verlaten van het douanegebied, vrije entrepots en vrije
zones
§ 1. Verlaten van het douanegebied van de Gemeenschap
Artikel 30
Onverminderd artikel 41, dienen goederen welke voor uitvoer zijn
vrijgegeven, te blijven in de staat waarin zij verkeerden ten tijde van
de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer.
Artikel 31 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 32
Ter uitvoering van artikel 183 van het Communautair douanewetboek
wordt van een schip of een luchtvaartuig dat het douanegebied van de
Gemeenschap via zee of door de lucht zal verlaten aangifte ten
uitklaring gedaan van het schip of het luchtvaartuig en alle bij het
douanekantoor van uitgang aangebrachte goederen overeenkomstig de bij
ministeriële regeling vast te stellen bepalingen.
Artikel 33 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 34
1. Een schip of luchtvaartuig dat het
douanegebied van de Gemeenschap ter zee of door de lucht zal verlaten
mag niet vertrekken uit de haven of van de luchthaven van binnenkomst
zonder dat de inspecteur daarvoor toestemming heeft verleend.
2. Bij het douanekantoor van uitgang aangebrachte goederen die
ter zee of door de lucht het douanegebied van de Gemeenschap zullen
verlaten, mogen niet worden weggevoerd zonder toestemming van de
inspecteur.
Artikel 35
1. Ter uitvoering van artikel 183, eerste lid, van het
Communautair douanewetboek worden goederen die ter zee het
douanegebied van de Gemeenschap verlaten vanuit de haven, of in
voorkomende gevallen van de bij ministeriële regeling aangewezen
plaatsen als genoemd in artikel 4, tweede lid, rechtstreeks langs de
daartoe bij ministeriële regeling aangewezen vaarwaters buiten het
douanegebied van de Gemeenschap gebracht.
2. In afwijking van het eerste lid kan onder bij ministeriële
regeling vast te stellen voorwaarden worden toegestaan dat goederen die
ter zee het douanegebied van de Gemeenschap zullen verlaten, worden
overgeladen in een uitgaand schip op de daartoe bij ministeriële
regeling aangewezen plaatsen als genoemd in artikel 4, tweede lid.
3. Ter uitvoering van artikel 183 van het Communautair
douanewetboek worden goederen die het douanegebied van de Gemeenschap
door de lucht zullen verlaten van de luchthaven buiten het douanegebied
van de Gemeenschap gebracht zonder tussenlanding elders dan op een
internationale luchthaven.
Artikel 36
1. Schepen welke ingevolge artikel 8, eerste lid, bij
binnenkomst uit zee zijn vrijgesteld van het bepaalde in de artikelen
4 en 5, behoeven bij het uitgaan ter zee niet te worden aangebracht
bij een douanekantoor van uitgang.
2. Evenmin behoeven aan een douanekantoor van uitgang worden
aangebracht schepen welke over zee van de ene in Nederland gelegen haven
naar de andere gaan.
3. Luchtvaartuigen welke ingevolge artikel 12 bij binnenkomst
zijn vrijgesteld van het bepaalde in artikel 10, behoeven bij het
uitgaan niet te worden aangebracht bij een douanekantoor van uitgang.
4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing indien ter zake
van de uitvoer, wederuitvoer, dan wel met het oog op de verkrijging van
kwijtschelding of terugbetaling van rechten bij invoer aan het
douanekantoor van uitgang formaliteiten moeten worden vervuld.
§ 2. Uitgaande opslag
Artikel 37
1. Goederen welke voor uitvoer zijn vrijgegeven kunnen, in
afwachting van het verlaten van de Gemeenschap, op de voet van deze
paragraaf worden opgeslagen in een opslaginrichting die in gebruik is
als ruimte voor tijdelijke opslag als genoemd in artikel 185 van de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek. Zodanige opslag kan
ook plaatsvinden in een douane-entrepot van het type B of C, zonder
dat de goederen onder het stelsel van douane-entrepots worden
geplaatst.
2. Het eerste lid is eveneens van toepassing op goederen welke
worden vervoerd onder een regeling voor douanevervoer en waarvan,
overeenkomstig de aanduidingen op de ten behoeve van dat vervoer
aanvaarde aangifte, het kantoor van bestemming buiten Nederland is
gelegen.
Artikel 38
De in artikel 37 bedoelde goederen mogen, nadat van het voornemen tot
opslag kennis is gegeven aan de inspecteur, onder overlegging van de
aangifte waarmee de goederen zijn aangebracht, zonder verdere
formaliteiten in één van de in het eerste lid van dat artikel genoemde
opslaginrichtingen worden opgeslagen.
Artikel 39 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 40
1. Opslag van goederen op de voet van
deze paragraaf in dezelfde ruimten waar andere goederen zijn opgeslagen,
mag slechts plaatsvinden indien de goederen naar het oordeel van de
inspecteur voldoende van elkaar zijn te onderscheiden.
2. Goederen welke in strijd met het eerste lid zijn opgeslagen,
worden geacht niet op de voet van deze paragraaf te zijn opgeslagen.
Artikel 41
De opslag wordt beëindigd door uitslag van de goederen. Van het
voornemen tot uitslag van goederen wordt, onder overlegging van de in
artikel 38 bedoelde aangifte, kennis gegeven aan de inspecteur.
§ 3. Gemeenschappelijke bepaling voor de paragrafen 1 en 2
Artikel 42
1. De inspecteur kan onder daarbij te stellen voorwaarden
toestaan dat ten aanzien van goederen welke op de voet van hoofdstuk
4, paragraaf 2, zijn opgeslagen:
a. de verpakkingsmiddelen worden vervangen;
b. de colli worden gesplitst;
c. de merken en nummers van de colli worden gewijzigd;
d. losse of gestorte goederen worden verpakt;
e. verpakte goederen welke gestort plegen te worden aangeboden,
worden ontpakt;
f. de goederen aan bepaalde onderzoekingen worden onderworpen en
worden bemonsterd.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op uitgaande
goederen waarvoor het bezwaarlijk is deze met het oog op de in dat lid
bedoelde behandelingen in een ruimte voor tijdelijke opslag of in een
entrepot van het type B of C op te slaan.
3. Indien het ten gevolge van dringende noodzakelijkheid niet
mogelijk is om toestemming te vragen alvorens uitgaande goederen een
behandeling als bedoeld in het eerste lid te laten ondergaan, wordt
daarvan onverwijld kennis gegeven aan de inspecteur.
4. De inspecteur geeft desgevraagd een verklaring af omtrent de
staat waarin de goederen na de behandeling verkeren.
§ 4. Vrije entrepots
Artikel 43
Aan accijns onderworpen goederen kunnen slechts in een vrij entrepot
worden opgeslagen voor zover de Wet op de accijns in deze opslag
voorziet en onder de daarbij gestelde voorwaarden en beperkingen.
Artikel 44
Bij ministeriële regeling kunnen voor de in- en uitslag van goederen
in en uit vrij entrepot per goederensoort minimumhoeveelheden worden
vastgesteld.
Artikel 45
De in artikel 799 van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek bedoelde belanghebbende die zodanige wijziging wenst te
brengen in de door hem gevoerde administratie dat daardoor de wijze
waarop toezicht op het vrij entrepot wordt uitgeoefend wordt beïnvloed,
onderwerpt de voorgenomen wijziging aan de goedkeuring van de
inspecteur. De wijziging wordt niet aangebracht dan na verkregen
goedkeuring.
Artikel 46
1. Vrije entrepots worden, wanneer daar niet wordt gewerkt,
ambtelijk gesloten.
2. Buiten de kantooruren van de inspecteur mag alleen met
toestemming van de inspecteur in de vrije entrepots worden gewerkt.
§ 5. Vrije zones
Artikel 46a
1. Op aanvraag als bedoeld in artikel 800 van de
Toepassingsverordening Communautair douanewetboek kunnen bij
ministeriële regeling vrije zones controletype II als bedoeld in
artikel 168 bis van het Communautair douanewetboek worden aangewezen.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend bij de
inspecteur en dient te geschieden door de beoogd beheerder van de vrije
zone controletype II.
Artikel 46b
1. De beheerder vrije zone controletype II dient ervoor te
zorgen dat:
a. goederen tijdens hun verblijf in de vrije zone controletype II
niet aan het douanetoezicht worden onttrokken;
b. de verplichtingen worden nagekomen welke voortvloeien uit de
opslag, de veredeling, de behandeling, de aan- of verkoop van goederen
in een vrije zone controletype II;
c. wordt voldaan aan de bijzondere voorwaarden die in de vergunning
zijn vastgesteld.
2. De operateur is altijd verantwoordelijk voor het nakomen van
de verplichtingen die voortvloeien uit de plaatsing van de goederen in
de vrije zone controletype II.
3. In afwijking van het eerste lid kan in de vergunning worden
bepaald dat de in dat lid onder a en b bedoelde verplichtingen
uitsluitend bij de operateur berusten.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
vastgesteld ten aanzien de werking van de vrije zone controletype II.
Artikel 46c
De beheerder vrije zone controletype II of de operateur die zodanige
wijziging wenst te brengen in of aan een in de vrije zone controletype
II gelegen gebouw, dan wel in de door hem gevoerde administratie, dat
daardoor de wijze waarop toezicht op de vrije zone controletype II wordt
uitgeoefend wordt beïnvloed, onderwerpt de voorgenomen wijziging aan
goedkeuring van de inspecteur. De wijziging wordt niet aangebracht dan
na verkregen goedkeuring.
Hoofdstuk 5. Bijzondere regelingen
§ 1. Postzendingen
Artikel 47
1. Binnengebrachte postzendingen als bedoeld in artikel 237,
eerste lid, onderdeel A, van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek, welke niet rechtstreeks naar een plaats buiten
Nederland zullen worden gevoerd, worden gebracht naar een
sorteerplaats van de Post of naar een bergplaats van de Post.
2. Vanaf de sorteerplaats kunnen postzendingen als bedoeld in
artikel 237, derde lid, onderdeel a, van de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek zonder verdere
formaliteiten ter beschikking worden gesteld aan de geadresseerde.
Andere postzendingen worden zonder verdere formaliteiten hetzij buiten
Nederland gevoerd, hetzij overgebracht naar een bergplaats van de Post.
Artikel 48
De plaatsen waar sorteerplaatsen en bergplaatsen voor binnengekomen
postzendingen zijn gelegen, worden bij ministeriële regeling aangewezen
in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Op de
bergplaatsen is artikel 77 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 49
1. In een bergplaats opgeslagen postzendingen kunnen zonder
formaliteiten uit de bergplaats worden uitgeslagen mits zij als
postzendingen hetzij in een andere bergplaats worden ingeslagen,
hetzij buiten Nederland worden gevoerd dan wel, indien het betreft
postzendingen als bedoeld in artikel 237, derde lid, onderdeel a,
van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, ter
beschikking worden gesteld aan de geadresseerde.
2. In andere dan de in het eerste lid vermelde gevallen vindt de
uitslag uit de bergplaats plaats nadat een aangifte is gedaan om de
goederen een douanebestemming te geven in de zin van artikel 4, 15°,
van het Communautair douanewetboek.
Artikel 50
1. Indien goederen als postzending het douanegebied van de
Gemeenschap zullen verlaten:
a. bij uitvoer met kwijtschelding of terugbetaling van rechten bij
invoer of ter voldoening aan de voorwaarden opgenomen in de vergunning
voor de betreffende douaneregeling de aangifte ten uitvoer of tot
wederuitvoer aan de Post overgelegd;
b. bij uitvoer in andere dan de in onderdeel a vermelde
gevallen de aangifte ten uitvoer bij de Post gedaan;
c. indien de goederen voor de regeling douanevervoer zijn
aangegeven, de aanvaarde aangifte voor die regeling aan de Post
overgelegd.
2. De aftekening van de in het eerste lid bedoelde aangiften
geschiedt door medewerkers van de Post. Deze aftekening kan slechts
plaatsvinden op kantoren van de Post in plaatsen die bij ministeriële
regeling in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
zijn aangewezen.
§ 2. Vervoer door middel van pijpleidingen
Artikel 51
1. Een exploitant van een pijpleiding als bedoeld in artikel
450 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, neemt de
leidingen en de van de leidinginstallatie deel uitmakende gebouwen en
inrichtingen niet in gebruik dan nadat de ligging en de inrichting
daarvan door de inspecteur zijn goedgekeurd.
2. Bij het verzoek, bedoeld in artikel 3, wordt een opgave gedaan
van de leidingen en van de gebouwen en inrichtingen, onder overlegging
van duidelijke tekeningen op schaal.
Artikel 52
Langs leidingen binnenkomende goederen worden gevoerd naar een plaats
waar de soort en de hoeveelheid van de goederen worden bepaald.
Dienovereenkomstig worden de soort en de hoeveelheid van de goederen
vermeld in de aangiften welke naar gelang van de bestemmingen die de
goederen hebben gevolgd, worden gedaan.
Artikel 53
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat, indien aan de hand
van de administratie een doeltreffende controle kan worden verricht, de
vereiste douaneaangiften naar door bij die regeling te stellen regels
maandelijks worden gedaan.
Hoofdstuk 6. Douaneschuld
§ 1. Schuldenaar
Artikel 54
Indien een douaneaangifte als bedoeld in artikel 201, derde lid, van
het Communautair douanewetboek, is opgesteld op basis van gegevens die
er toe leiden dat de verschuldigde rechten bij invoer gedeeltelijk niet
worden geheven, is de persoon die de voor de opstelling van die aangifte
benodigde gegevens heeft verstrekt terwijl hij wist of redelijkerwijs
had moeten weten dat deze gegevens verkeerd waren, eveneens schuldenaar
voor de verschuldigde rechten bij invoer.
§ 2. Boeking en mededeling van het bedrag van de rechten bij invoer
aan de schuldenaar
Artikel 55
1. De bedragen van de verschuldigde rechten bij invoer,
administratieve boeten, compenserende rente en kosten van ambtelijke
werkzaamheden, zomede van de ter zake te verlenen terugbetalingen en
kwijtscheldingen, worden rekenkundig afgerond op centen.
2. Geschiedt de berekening van de rechten bij invoer, de
terugbetaling of de kwijtschelding aan de hand van een aangifte, dan
vindt de afronding plaats voor elk onderdeel van de aangifte.
Artikel 56
1. Voor de berekening van de verschuldigde rechten bij invoer
worden gedeelten van een euro rekenkundig afgerond op hele euro's en
worden gedeelten van een kilogram, van een liter of van een meter voor
een geheel kilogram, een gehele liter of een gehele meter genomen.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid, worden, indien de
hoeveelheid waarover de rechten bij invoer moeten worden berekend,
minder dan een kilogram, een liter of een meter bedraagt, gedeelten van
100 gram, van een deciliter of van een decimeter voor 100 gram, een
gehele deciliter of een gehele decimeter genomen.
3. De berekening van de rechten bij invoer op basis van het
volumepercentage ethylalcohol geschiedt per tiende percent absolute
ethylalcohol, met dien verstande dat gedeelten van een tiende percent
worden verwaarloosd.
4. Ingeval de hoeveelheid goederen waarover de rechten bij invoer
moeten worden berekend groter of kleiner is dan de hoeveelheid waarin
het tarief van het invoerrecht is uitgedrukt, worden de rechten bij
invoer naar evenredigheid berekend.
Artikel 57
1. De boeking van rechten bij invoer bedoeld in artikel 1,
tweede lid, van de Douanewet blijft achterwege indien het totaal
verschuldigde bedrag niet meer bedraagt dan € 10.
2. In geval een aanvullende aangifte als bedoeld in artikel 76,
tweede lid, van het Communautair douanewetboek wordt gedaan, is het op
grond van die aangifte getotaliseerde verschuldigde bedrag bepalend voor
de toepassing van het eerste lid.
§ 3. Uitstel van betaling
Artikel 58
De voor de toepassing van artikel 226, onderdeel b, van het
Communautair douanewetboek in aanmerking te nemen periode is de
kalendermaand.
Hoofdstuk 7. Algemene bepalingen
§ 1. Ambtelijke werkzaamheden
Artikel 59
Deze paragraaf verstaat onder:
a. meerdere: de ambtenaar van de rijksbelastingdienst die uit
hoofde van zijn functie of krachtens beschikking of aanwijzing met
de leiding is belast of het bevel heeft over de taakuitvoering;
b. geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis
uitgeoefend op personen of zaken;
c. aanwenden van geweld: het gebruiken van geweld en het dreigen
met geweld, waaronder niet wordt begrepen het uit voorzorg ter hand
nemen van een vuurwapen;
d. geweldmiddel: de wapens en de uitrusting, waarmee geweld kan
worden uitgeoefend, die krachtens artikel 3a, derde lid, van de Wet
wapens en munitie zijn toegestaan.
Artikel 60
Het gebruik van een geweldmiddel is uitsluitend toegestaan aan een
ambtenaar van de rijksbelastingdienst die in het gebruik van dat
geweldmiddel is geoefend.
Artikel 61
1. Indien de ambtenaar van de rijksbelastingdienst onder
leiding van een ter plaatse aanwezige meerdere optreedt, gebruikt hij
geen geweld dan na uitdrukkelijke last van deze meerdere. De meerdere
geeft daarbij aan van welk geweldmiddel gebruik wordt gemaakt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing in het geval de
meerdere, bedoeld in het eerste lid, vooraf anders heeft bepaald.
Artikel 62
1. Het gebruik van een vuurwapen is slechts geoorloofd:
a. om een visitatie van vervoermiddelen te bewerkstelligen;
b. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs
mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed
zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken;
c. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding,
voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te
onttrekken of heeft onttrokken en die wordt verdacht van of is
veroordeeld wegens het plegen van een ernstig misdrijf, dat bovendien
moet worden aangemerkt als een grove aantasting van de rechtsorde.
2. Het gebruik in het eerste lid is slechts geoorloofd tegen
personen en vervoermiddelen waarin of waarop zich personen bevinden,
indien deze personen of vervoermiddelen aanwezig zijn in of op de in
artikel 12 van de Douanewet bedoelde entrepots, ruimten voor tijdelijke
opslag, plaatsen, spoorwegemplacementen, havens, haventerreinen,
luchthavens, terreinen, gebouwen en erven.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b
en c, wordt van het vuurwapen geen gebruik gemaakt, indien de
identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag
worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar
te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt.
4. Onder het plegen van een ernstig misdrijf, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, worden mede begrepen de poging en de
deelnemingsvormen, bedoeld in de artikelen 47 en 48 van het Wetboek van
Strafrecht.
Artikel 63
De ambtenaar van de rijksbelastingdienst mag in verband met zijn
eigen veiligheid of die van anderen slechts uit voorzorg een vuurwapen
ter hand nemen indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een
situatie ontstaat waarin hij bevoegd is het vuurwapen te gebruiken.
Zodra blijkt dat een dergelijke situatie zich niet voordoet, wordt het
vuurwapen terstond opgeborgen.
Artikel 64
Het trekken van een vuurwapen is slechts geoorloofd in gevallen
waarin het gebruik van een vuurwapen toegestaan is.
Artikel 65
1. De ambtenaar van de rijksbelastingdienst waarschuwt
onmiddellijk voordat hij gericht met een vuurwapen zal schieten, met
luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat geschoten zal
worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze
waarschuwing, die zonodig vervangen kan worden door een
waarschuwingsschot, blijft slechts achterwege, wanneer de
omstandigheden de waarschuwing niet toelaten.
2. Een waarschuwingsschot moet op zodanige wijze worden gegeven
dat gevaar voor personen of zaken zoveel mogelijk wordt vermeden.
Artikel 66
1. De ambtenaar van de rijksbelastingdienst die geweld heeft
aangewend, meldt dit aanwenden van geweld, de redenen die daartoe
hebben geleid en de daaruit voortvloeiende gevolgen onverwijld
schriftelijk aan zijn meerdere.
2. Indien de aanwending van het geweld lichamelijk letsel van
meer dan geringe betekenis tot gevolg heeft gehad en in alle gevallen
waarin van een vuurwapen gebruik is gemaakt, dient deze melding tevens
ter kennis te worden gebracht van de officier van justitie van het
arrondissement waarbinnen het geweld is aangewend.
3. De melding, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt
binnen 48 uur in de vorm van een rapport indien:
a. de gevolgen van het aangewende geweld daartoe, naar het oordeel
van de in het eerste lid bedoelde meerdere, aanleiding geven, of
b. gebruik is gemaakt van enig geweldmiddel en lichamelijk letsel
dan wel de dood veroorzaakt is.
Artikel 67
Indien de aanwending van het geweld met gebruikmaking van enig
geweldmiddel op uitdrukkelijke last van een meerdere heeft
plaatsgevonden, wordt het rapport, bedoeld in artikel 66, derde lid,
door die meerdere opgemaakt.
Artikel 68
De meerdere licht de ambtenaar van de rijksbelastingdienst zo spoedig
mogelijk in over de afhandeling van de melding. Desgevraagd worden aan
de ambtenaar van de rijksbelastingdienst tussentijds inlichtingen
verstrekt.
Artikel 69
Het onderzoek, bedoeld in artikel 27, derde lid, van de Douanewet,
geschiedt door het oppervlakkig aftasten van de kleding en wordt zoveel
mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van de rijksbelastingdienst van
hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.
Artikel 70
De ambtenaar van de rijksbelastingdienst die een onderzoek als
bedoeld in artikel 27, derde lid, van de Douanewet heeft uitgevoerd,
meldt dit onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van
de redenen die tot dit onderzoek hebben geleid.
Artikel 71
1. De ambtenaar van de rijksbelastingdienst kan een persoon die
rechtens van zijn vrijheid is beroofd, ten behoeve van het vervoer
handboeien aanleggen.
2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden
getroffen, indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs
vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op
gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van
zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar van de rijksbelastingdienst
of van derden.
3. De in het tweede lid bedoelde feiten of omstandigheden kunnen
slechts gelegen zijn in:
a. de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, of
b. de aard van het strafbare feit op grond waarvan de
vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, één en ander in samenhang
met de wijze waarop en de situatie waarin het vervoer plaatsvindt.
Artikel 72
De ambtenaar van de rijksbelastingdienst die gebruik heeft gemaakt
van handboeien als bedoeld in artikel 71, eerste lid, meldt dit
onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de redenen
die tot het gebruik van handboeien hebben geleid.
Artikel 73
De ambtenaar van de rijksbelastingdienst maakt bij de uitoefening van
zijn dienst uitsluitend gebruik van het door of vanwege Onze Minister
verstrekte geweldmiddel of de door of vanwege deze minister verstrekte
handboeien.
§ 2. Kosten
Artikel 74
1. Ter zake van het verrichten van de volgende ambtelijke
werkzaamheden zijn kosten verschuldigd:
a. het bewaken van goederen in de gevallen waarin niet is voldaan
aan het vereiste in de wettelijke bepalingen dat de identificatie van
de goederen moet zijn verzekerd;
b. het opnieuw opnemen van de inhoudsruimte van bergingsmiddelen en
werktuigen, zomede het opnieuw verifiëren van peilinstrumenten en
meetapparaten, ingeval zulks ingevolge wettelijke bepalingen op
vordering van de belanghebbende geschiedt, en de uitkomst van de
opneming of de verificatie niet van het vroeger bevondene verschilt;
c. het heronderzoek van goederen, ingeval tussen de uitkomst van
het onderzoek en die van het heronderzoek geen verschil bestaat in het
voordeel van de belanghebbende;
d. werkzaamheden verricht op verzoek van de belanghebbende:
1°. buiten de gewone diensttijd;
2°. elders dan aan douanekantoren, in ruimten voor tijdelijke
opslag, entrepots en panden waar zich goederen bevinden waarvoor
vrijstelling van rechten bij invoer wordt genoten dan wel waarbij de
plaatsing onder de betreffende douaneregeling aan een vergunning is
onderworpen;
e. het op verzoek van de belanghebbende instellen van een onderzoek
naar de laadruimte van een vervoermiddel of een container, elders dan
op een daarvoor krachtens artikel 24 aangewezen plaats;
f. werkzaamheden verricht ter opheffing van de gevolgen van het
door de belanghebbende niet naleven van de wettelijke bepalingen of
van een te zijnen aanzien getroffen regeling;
g. werkzaamheden welke voortvloeien uit het teloorgaan,
vernietigen, bederven of op andere wijze onbruikbaar worden van
goederen;
h. werkzaamheden niet voorzien in de wettelijke bepalingen,
uitsluitend verricht op verzoek of ten behoeve van de belanghebbende.
2. Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel d, vindt geen
toepassing ingeval ontheffing is verleend van de verplichting tot het
aanbrengen aan een douanekantoor of douanekantoor van uitgang en de
werkzaamheden in verband met de aard van de goederen, de wijze van
transport of om andere redenen, naar het oordeel van de inspecteur
kunnen worden verricht binnen het kader van de normale
dienstuitoefening.
3. Voor de behandeling van een verzoek om kwijtschelding of
terugbetaling van rechten bij invoer zijn slechts kosten verschuldigd
indien de rechten bij invoer ten onrechte zijn geheven als gevolg van
een laakbare slordigheid of nalatigheid van de aangever of diens
opdrachtgever.
Artikel 75
1. Als gewone diensttijd wordt aangemerkt de tijd op werkdagen
gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur.
2. Voor douanekantoren als bedoeld in deartikelen 4 en 10 en voor
laatste kantoren wordt met betrekking tot werkzaamheden welke verband
houden met het nakomen van verplichtingen, bij wettelijke bepalingen
opgelegd ter zake van het binnenbrengen van goederen in of het verlaten
van goederen van het douanegebied van de Gemeenschap, als gewone
diensttijd aangemerkt, de tijd gedurende welke het douanekantoor of
laatste kantoor voor het aangeven van die goederen is opengesteld.
3. Andere tijden dan de in het eerste lid genoemde tijd,
gedurende welke op of aan douanekantoren het lossen, laden, verpakken en
ontpakken van goederen gebruikelijk is, worden voor wat betreft de daar
verband mee houdende ambtelijke werkzaamheden mede aangemerkt als gewone
diensttijd. De inspecteur wijst de plaatsen aan waar, alsmede de tijden
gedurende welke, het lossen, laden, verpakken en ontpakken als
gebruikelijk moet worden beschouwd.
4. Voor de toepassing van het eerste lid worden onder werkdagen
niet begrepen de zaterdagen, de zondagen en de in artikel 3, eerste lid,
van de Algemene termijnenwet, genoemde algemeen erkende feestdagen.
Artikel 76
Op de uit te keren opbrengst van in bewaring genomen goederen - in
geval van uitoefening van het recht van verhaal op hetgeen is
overgebleven - wordt na aftrek van de kosten een vergoeding in mindering
gebracht welke bedraagt:
a. zes percent van de kosten, doch ten minste € 5 indien de
goederen niet binnen zes maanden na de mededeling omtrent de
inbewaringneming zijn verkocht;
b. drie percent van de kosten, doch ten minste € 2 in de
overige gevallen.
§ 3. Algemene bepaling voor gebouwen en terreinen
Artikel 77
1. De inrichting van visitatieruimten op haven- en
luchtvaartterreinen en van andere voor douanedoeleinden dienende
gebouwen, gedeelten van gebouwen en terreinen van
vervoersondernemingen in geregelde dienst, moet zodanig zijn dat de
ambtelijke werkzaamheden op doelmatige wijze kunnen worden verricht.
2. Een dergelijke ruimte of een dergelijk gebouw, gedeelte van
een gebouw of terrein mag voor douanedoeleinden niet in gebruik worden
genomen alvorens de inrichting ervan door de inspecteur is goedgekeurd.
3. Een wijziging in de inrichting wordt niet aangebracht dan na
verkregen goedkeuring van de inspecteur.
4. Indien de doelmatigheid van de ambtelijke werkzaamheden zulks
vordert kan de inspecteur eisen dat binnen een door hem, gezien de aard
van de wijziging, te bepalen redelijke termijn, wijziging wordt gebracht
in de inrichting. De belanghebbende wordt daarvan schriftelijk in kennis
gesteld. Indien de wijziging niet binnen de gestelde termijn is
aangebracht, kan de inspecteur bepalen dat het gebruik voor
douanedoeleinden niet meer is toegestaan.
§ 4. Overige bij ministeriële regeling vast te stellen nadere
bepalingen
Artikel 78
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld welke noodzakelijk
zijn voor de goede werking van de wettelijke bepalingen:
a. inzake vrijstelling van rechten bij invoer, vastgesteld
overeenkomstig artikel 184 van het Communautair douanewetboek;
b. inzake de preferentiële tariefmaatregelen als bedoeld in
artikel 20, derde lid, onderdelen d, e, f en g,
van het Communautair douanewetboek;
c. inzake de gunstige tariefbehandeling als bedoeld in artikel 21
van het Communautair douanewetboek;
d. inzake de forfaitaire heffing van rechten bij invoer als
bedoeld in bijlage I, titel II, onderdeel C, 1°, van Verordening
(EEG) nr. 2658/87 van 23 juli 1987 van de Raad met betrekking tot de
tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk
douanetarief;
e. inzake de douanewaarde van goederen, in het bijzonder de
bepalingen betreffende de toe te passen wisselkoers en die
betreffende de eenheidswaarde van bepaalde goederen als bedoeld in
artikel 173 van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek.
Hoofdstuk 8. Douanetoezicht
Artikel 79
1. Goederen welke ten behoeve van de verrichting van ambtelijke
werkzaamheden zijn gelost uit het vervoermiddel waarin of waarop zij
zich bevonden, worden niet geladen dan met toestemming van de
inspecteur.
2. Voor zover niet anders is bepaald, worden binnengebrachte
goederen en goederen, die het douanegebied van de Gemeenschap zullen
verlaten, waarvoor een summiere aangifte dan wel een douaneaangifte is
gedaan, niet weggevoerd van de plaats waar zij zich volgens de aangifte
bevinden, dan met toestemming van de inspecteur.
Artikel 80
1. Indien de lossing, lading, inslag of uitslag van goederen
krachtens wettelijke bepalingen slechts kan geschieden indien daartoe
een aangifte is gedaan, wordt, voor zover bij ministeriële regeling
niet anders is bepaald, niet aangevangen met de lossing, lading,
inslag of uitslag dan met toestemming van de inspecteur.
2. De in het eerste lid bedoelde toestemming wordt verleend na
kennisgeving van de voorgenomen lossing, lading, inslag of uitslag van
goederen.
Hoofdstuk 9. Bestuurlijke boete
Artikel 81
De entreposeur of een in artikel 799 van de toepassingsverordening
Communautair douanewetboek bedoelde belanghebbende die handelt in strijd
met het bepaalde in de hem verleende vergunning beloopt een bestuurlijke
boete van € 90.
Hoofdstuk 10. Strafrechtelijke bepalingen
Artikel 82
Strafbare feiten zijn:
a. het zonder de ingevolge wettelijke bepalingen vereiste
toestemming lossen, laden, inslaan of uitslaan van goederen;
b. het achterwege laten van een ingevolge wettelijke bepalingen
verplichte kennisgeving of inkennisstelling;
c. het zonder de ingevolge wettelijke bepalingen vereiste
toestemming wegvoeren van goederen of vertrekken met een
vervoermiddel;
d. het in strijd met dit besluit met een binnenkomend
luchtvaartuig landen elders dan op een internationale luchthaven of
op een tijdstip waarop de internationale luchthaven daarvoor niet is
opengesteld;
e. het nalaten te voldoen aan een krachtens artikel 25 gestelde
voorwaarde;
f. het in strijd met wettelijke bepalingen verandering brengen in
de staat waarin binnengebrachte goederen of goederen die het
douanegebied van de Gemeenschap zullen verlaten zijn aangebracht;
g. het in strijd met wettelijke bepalingen wijziging brengen in
de administratie van een entrepot;
h. het achterwege laten of niet tijdig doen van een aangifte
bedoeld in artikel 22.
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Artikel 83
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Douanewet in
werking treedt.
Artikel 84
Dit besluit wordt aangehaald als: Douanebesluit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 4 maart 1996
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
W.A.F.G. Vermeend
Uitgegeven de eenentwintigste maart 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|