| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de
dividendbelasting 1965 (Wet DB)
UITVOERINGSBESCHIKKING
DIVIDENDBELASTING 1965
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
De Staatssecretaris van
Financiën;
Gelet op de artikelen 9 en 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965
(Stb. 1965, 621) en artikel 62 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
(Stb. 1959, 301);
Besluit:
Artikel 1
Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 4, tweede lid, 4c,
vierde lid, 4e, 4f, 9 en 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965.
Artikel 1a
1. Voor de toepassing van de artikelen 4, tweede lid, en 10, tweede
lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 worden van de staten die
partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte aangewezen: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein.
2. Voor de toepassing van artikel 10, derde lid, van de Wet op de
dividendbelasting 1965 wordt als in dat lid bedoelde staat aangewezen:
elke staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte, waarmee Nederland in lijn met de internationale standaard op
het gebied van informatie-uitwisseling gegevens kan uitwisselen.
Artikel 1aa
1.Indien een inhoudingsplichtige die aandelen inkoopt, in het jaar
van de inkoop, of in een of meer van de zeven daaraan voorafgaande
jaren onder algemene titel vermogen heeft verkregen in het kader van
een juridische fusie:
a. worden voor de toepassing van artikel 4c, eerste lid,
aanhef, van de Wet op de dividendbelasting 1965 de inkopen van
aandelen die door de verdwijnende rechtspersoon volgens artikel 4c
van die wet zijn gedaan in het jaar van inkoop voor het
fusietijdstip en in de vier daaraan voorafgaande kalenderjaren,
geacht te zijn gedaan door de inhoudingsplichtige;
b. wordt voor de toepassing van artikel 4c, tweede lid, van de
Wet op de dividendbelasting 1965 het contante dividend dat door de
verdwijnende vennootschap is uitgekeerd in het jaar van inkoop
voor het fusietijdstip en in de zeven daaraan voorafgaande
kalenderjaren, geacht te zijn uitgekeerd door de
inhoudingsplichtige.
2.Indien een inhoudingsplichtige die aandelen inkoopt, in het jaar
van inkoop of in een of meer van de zeven daaraan voorafgaande
kalenderjaren onder algemene titel vermogen heeft verkregen in het
kader van een juridische splitsing:
a. worden, voor de toepassing van artikel 4c, eerste lid,
aanhef, van de Wet op de dividendbelasting 1965 de inkopen van
aandelen die door de splitsende rechtspersoon volgens artikel 4c
van die wet zijn gedaan in het jaar van inkoop voor het
splitsingstijdstip en in de vier daaraan voorafgaande
kalenderjaren, geacht voor een evenredig gedeelte te zijn gedaan
door de inhoudingsplichtige en worden in geval van een splitsing
waarbij de splitsende rechtspersoon blijft bestaan, deze inkopen
door de splitsende rechtspersoon in dezelfde mate geacht te zijn
verminderd;
b. wordt voor de toepassing van artikel 4c, tweede lid, van de
Wet op de dividendbelasting 1965 het contante dividend dat door de
splitsende rechtspersoon is uitgekeerd in het jaar van inkoop voor
het splitsingstijdstip en in de zeven daaraan voorafgaande
kalenderjaren, geacht in die jaren voor een evenredig gedeelte te
zijn uitgekeerd door de inhoudingsplichtige en wordt in geval van
een splitsing waarbij de splitsende rechtspersoon blijft bestaan,
het contante dividend dat door de splitsende rechtspersoon is
uitgekeerd, geacht in dezelfde mate te zijn verminderd.
3.Indien een inhoudingsplichtige die aandelen inkoopt, in het jaar
van de inkoop of in de zeven voorafgaande jaren in het kader van een
bedrijfsfusie als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 vermogen heeft verkregen van een
rechtspersoon (overdrager):
a. worden, voor de toepassing van artikel 4c, eerste lid,
aanhef, van de Wet op de dividendbelasting 1965 de inkopen van
aandelen die door de overdrager volgens artikel 4c van die wet
zijn gedaan in het jaar van inkoop voor het overgangstijdstip en
in de vier daaraan voorafgaande kalenderjaren, geacht voor een
evenredig gedeelte te zijn gedaan door de inhoudingsplichtige en
worden deze inkopen door de overdrager waarvan het vermogen wordt
verkregen, geacht in dezelfde mate te zijn verminderd;
b. wordt voor de toepassing van artikel 4c, tweede lid, van de
Wet op de dividendbelasting 1965 het contante dividend dat door de
overdrager is uitgekeerd in het jaar van inkoop voor het
overgangstijdstip en in de zeven daaraan voorafgaande
kalenderjaren, geacht voor een evenredig gedeelte te zijn
uitgekeerd door de inhoudingsplichtige en wordt het contante
dividend dat door de overdrager is uitgekeerd, geacht in dezelfde
mate te zijn verminderd.
4.De vorige leden zijn niet van toepassing indien, in geval van een
juridische fusie, een juridische splitsing of een bedrijfsfusie in de
zin van artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 het
nominaal gestorte kapitaal in respectievelijk de verdwijnende
rechtspersoon, de splitsende rechtspersoon of de overdrager, in het
jaar van inkoop of in de vier daaraan voorafgaande kalenderjaren is
vergroot anders dan in situaties als genoemd in artikel 4c, eerste
lid, onderdeel d, van de Wet op de dividendbelasting 1965.
5.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een evenredig
gedeelte verstaan:
a. voor de toepassing van het tweede lid: een gedeelte dat
evenredig is aan de verhouding op het splitsingstijdstip tussen de
waarde in het economische verkeer van de vermogensbestanddelen van
de splitsende rechtspersoon die overgaan op de inhoudingsplichtige
en de waarde in het economische verkeer van het gehele vermogen
van de splitsende rechtspersoon;
b. voor de toepassing van het derde lid: een gedeelte dat
evenredig is aan de verhouding op het overgangstijdstip tussen de
waarde in het economische verkeer van de vermogensbestanddelen van
de overdrager die worden verkregen door de inhoudingsplichtige en
de waarde in het economische verkeer van het gehele vermogen van
de overdrager.
6.De correctie met een inflatiebijstelling, bedoeld in artikel 4c,
tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965, vindt plaats door
het bedrag van het uitgekeerde dividend in een voorafgaand
kalenderjaar te vermenigvuldigen met het produkt van de
tabelcorrectiefactoren, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, van het op dat jaar volgende jaar tot en met
het jaar waarin de inkoop plaatsvindt.
Artikel 1ab
Op grond van artikel 4e van de Wet op de dividendbelasting 1965 kan
inhouding van dividendbelasting achterwege blijven, voor zover de
opbrengstgerechtigde voor het tijdstip waarop de opbrengst ter
beschikking wordt gesteld jegens de inhoudingsplichtige schriftelijk
verklaart dat hij met betrekking tot dat dividend een verzoek zal doen
om toepassing van artikel 4.12a van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 1ac
Op grond van artikel 4f van de Wet op de dividendbelasting 1965 kan
inhouding van dividendbelasting achterwege blijven, voor zover de
opbrengstgerechtigde voor het tijdstip waarop de opbrengst ter
beschikking wordt gesteld jegens de inhoudingsplichtige schriftelijk
verklaart dat met betrekking tot dat dividend sprake is van een situatie
als bedoeld in artikel 25, elfde lid, van de Invorderingswet 1990.
Artikel 1b
De in artikel 9, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965
bedoelde dividendnota houdt in:
a. de naam en het adres van degene die de dividendnota uitreikt;
b. de naam en het adres van de rechthebbende;
c. de dag waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld;
d. de omschrijving en het bedrag van de opbrengst;
e. de ingehouden belasting over de totale in de dividendnota
begrepen opbrengst.
Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 5
1. Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 1966.
2. Deze beschikking kan worden aangehaald als:
Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965.
's-Gravenhage, 28 december 1965.
De Staatssecretaris van Financiën,
voor deze,
de directeur-generaal voor fiscale zaken in algemene dienst,
C.P. Tuk.
Bijlage [Vervallen per 26-08-1982]
Bijlage A [Vervallen per 01-01-1996]
Bijlage B [Vervallen per 01-01-1996]
|
|
|