| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de
motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB 1994)
UITVOERINGSBESLUIT
MOTORRIJTUIGENBELASTING 1994
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 30 maart 1995 tot vaststelling van het
Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 6
september 1994, nr. WV94/365, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken,
Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen;
Gelet op de artikelen 1, tweede lid, 4, 22, tweede lid, 30, derde
lid, 50, tweede lid, 71, tweede lid, 72, eerste lid, 73 en 74, eerste
lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en artikel 37 van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen;
De Raad van State gehoord (advies van 21 november 1994, nr.
W06.94.0556);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van
20 maart 1995, nr. WV95/164, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken,
Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Artikel 1
Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 1, tweede lid, 4, 19,
eerste lid, 22, tweede lid, 23a, eerste lid, 24a, eerste lid, 25b, 30,
tweede lid, 37b, derde lid en vierde lid, onderdeel b, 71, tweede lid,
72, eerste lid, 73 en 74, eerste lid, van de Wet op de
motorrijtuigenbelasting 1994 en artikel 37, eerste lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen.
Artikel 2
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994;
b. belasting: motorrijtuigenbelasting.
Hoofdstuk II. Belastbaar feit en definities
Artikel 3
Met betrekking tot het gebruik van motorrijtuigen als bedoeld in
artikel 1, tweede lid, van de wet zijn de krachtens artikel 37, derde en
vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorwaarden voor het
gebruik van die motorrijtuigen en de aldaar bedoelde kentekens van
toepassing.
Artikel 4
Met motorrijwielen als bedoeld in artikel 2, onderdeel d , van de wet
worden gelijkgesteld motorrijtuigen op drie of vier wielen die:
1°. geschikt zijn voor het vervoer van ten hoogste twee
personen;
2°. niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie of een
daarmee vergelijkbare constructie;
3°. zijn geconstrueerd met een frame;
4°. een directe stuuroverbrenging hebben naar het voorwiel of de
voorwielen; en
5°. waarin de motor en versnellingsbak centraal zijn geplaatst.
HOOFDSTUK IIA. SCHORSING
Artikel 4a [Vervallen per 01-01-2010]
Hoofdstuk III. Tarief
Artikel 5
Voor een personenauto of bestelauto die is voorzien van een
installatie voor het verplaatsen of vastzetten van een rolstoel wordt
het gewicht van die installatie niet meegerekend bij het vaststellen van
de eigen massa van het motorrijtuig indien het daartoe strekkende
verzoek vergezeld gaat van bescheiden waaruit blijkt:
a. dat het motorrijtuig is voorzien van een in de aanhef bedoelde
installatie;
b. het gewicht van die installatie; en
c. de datum waarop die installatie is ingebouwd in het
motorrijtuig.
Artikel 5aa
1. Artikel 23a, eerste lid, van de wet vindt toepassing indien:
a. de personenauto een ruimte heeft, gesitueerd achter de
zitplaatsen voor de bestuurder en de bijrijder, die een
rechthoekig blok kan bevatten van ten minste 170 cm hoogte over
een lengte van ten minste 200 cm en over een breedte van ten
minste 90 cm; en
b. de personenauto is voorzien van:
– minimaal twee vaste zitplaatsen, eventueel in de vorm
van draaibare zitplaatsen voor de bestuurder en de bijrijder;
– een vaste tafel, eventueel zodanig bevestigd dat deze
eenvoudig kan worden verwijderd;
– slaapaccommodatie voor twee of meer personen, eventueel
gecreëerd met behulp van de zitplaatsen, niet zijnde de
zitplaatsen voor de bestuurder en de bijrijder;
– vaste en afsluitbare opbergfaciliteiten; en
– een vast keukenblok met een minimale hoogte van het
werkblad van ten minste 60 cm, voorzien van een ingebouwde
uitneembare watervoorziening met een spoelbak, een kraan en
een afvoer, het geheel bestemd voor gebruik in de
binnenruimte.
2. In afwijking van het eerste lid vindt artikel 23a, eerste lid,
van de wet mede toepassing, indien de binnenruimte van de personenauto
af fabriek geen hoogte van 170 cm maar wel van ten minste 130 cm
heeft, en het dak is voorzien van een al dan niet uitklapbare,
permanent aangebrachte gesloten dakconstructie waardoor de hoogte over
een breedte van ten minste 90 cm en een lengte van 100 cm verhoogd kan
worden tot ten minste 170 cm.
3. Wanneer aan de binnenkant van de in het eerste en tweede lid
bedoelde ruimte materialen zijn aangebracht tegen de wanden, de vloer
of het plafond, wordt voor de beoordeling van de vraag of wordt
voldaan aan de in het eerste en tweede lid genoemde maten uitgegaan
van de aldus verkleinde ruimte.
4. De toepassing van artikel 23a van de wet vindt plaats op
verzoek.
5. Het verzoek wordt bij de inspecteur ingediend voor de aanvang
van het tijdvak.
6. Bij het verzoek worden bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat
wordt voldaan aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden, alsmede
een opgave van het kenteken van de personenauto.
7. Bij het verzoek wordt een verklaring overgelegd dat indien niet
meer wordt voldaan aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden de
inspecteur daarvan in kennis zal worden gesteld.
8. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare
beschikking. Tenzij in de beschikking anders is bepaald, werkt deze
terug tot op het tijdstip waarop het verzoek is ingediend.
9. Indien aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden niet langer
wordt voldaan, trekt de inspecteur de beschikking in. De intrekking
geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking.
10. Indien degene aan wie de beschikking is verleend niet voldoet
aan de verplichting, bedoeld in het vijfde lid, wordt de beschikking
geacht te zijn vervallen op het tijdstip waarop aan de in het eerste
lid gestelde voorwaarden niet meer wordt voldaan.
Artikel 5a
1. Ten behoeve van eenzelfde gehandicapte vindt artikel 24a van de
wet toepassing voor één bestelauto.
2. Artikel 24a van de wet vindt slechts toepassing indien het
verzoek daartoe wordt ingediend bij de inspecteur voor de aanvang van
het tijdvak, en
a. bij het verzoek worden overgelegd:
– bescheiden waaruit blijkt dat de gehandicapte beschikt
over een rolstoel als bedoeld in artikel 24a, eerste lid, van
de wet die is verstrekt in het kader van een beschikking
ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten of een
beschikking van het Uitvoeringsinstituut
Werknemersverzekeringen, dan wel waarvoor hij beschikt over
een verklaring van een arts die is afgegeven ten hoogste zes
weken voorafgaand aan de datum van indiening van het verzoek,
dat hij voor zijn vervoer is aangewezen op het gebruik van een
dergelijke rolstoel;
– een afschrift van de delen I en II, de delen I en I B
of deel I A en B van het bewijs dat ingevolge artikel 36,
tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is afgegeven voor de
bestelauto; en
– een verklaring van een ambtenaar van de
rijksbelastingdienst, bevoegd inzake de douane, dat de
bestelauto is ingericht voor het in artikel 24a, eerste lid
van de wet bedoelde vervoer; en
b. de bestelauto uitsluitend wordt gebruikt voor het in artikel
24a, eerste lid, van de wet bedoelde vervoer, alsmede voor het
persoonlijk gebruik, gebruik door inwonende gezinsleden daaronder
begrepen, van de gehandicapte en, in geval dit een ander is, van
de houder van de bestelauto.
3. Indien artikel 24a van de wet reeds wordt toegepast voor een
andere bestelauto ten behoeve van de gehandicapte, wordt in het
verzoek vermeld vanaf welke datum de bestelauto waarop het verzoek
betrekking heeft die andere bestelauto vervangt voor het in artikel
24a, eerste lid, van de wet bedoelde vervoer.
4. De beschikking bedoeld in artikel 24a, zesde lid, van de wet
werkt terug tot op het tijdstip waarop het verzoek is ingediend,
tenzij in de beschikking anders is bepaald.
5. Telkens vóór het einde van het vierde opeenvolgende tijdvak,
gerekend vanaf het tijdstip waarop de beschikking van kracht is
geworden, wordt een verklaring van de gehandicapte en, in geval dit
een ander is, de houder overgelegd dat de bestelauto uitsluitend wordt
gebruikt voor het in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde gebruik en
dat de bestelauto niet in een zodanige staat is gebracht, anders dan
door een aanpassing als bedoeld in het artikel 24a, tweede lid,van de
wet, dat het een personenauto is.
6. Indien niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden en
beperkingen voor de toepassing van artikel 24a van de wet, trekt de
inspecteur de beschikking in. De intrekking geschiedt bij voor bezwaar
vatbare beschikking. Indien degene aan wie de beschikking is verleend
niet voldoet aan de verplichting bedoeld in artikel 17, tweede lid, of
artikel 24a, vierde lid, van de wet, wordt de beschikking geacht te
zijn vervallen op het tijdstip waarop niet langer aan de voorwaarden
en beperkingen van artikel 24a van de wet wordt voldaan.
Artikel 5b
1.Artikel 25b van de wet vindt toepassing voor een motorrijtuig dat
wordt gebruikt in de uitoefening van de detailhandel en dat is
voorzien van een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte die
blijvend is ingericht als winkel en uitsluitend als zodanig wordt
gebruikt, indien met het motorrijtuig niet wordt gereden op autowegen
en autosnelwegen.
2.De toepassing van artikel 25b van de wet vindt plaats op verzoek.
3.Het verzoek wordt bij de inspecteur ingediend vóór de aanvang
van het tijdvak.
4.Bij het verzoek worden een of meer foto’s overgelegd waaruit
blijkt dat het motorrijtuig op de in het eerste lid vermelde wijze is
ingericht en waarop het kenteken duidelijk waarneembaar is.
5.Bij het verzoek wordt een verklaring overgelegd dat als het
motorrijtuig niet meer voldoet aan de in het eerste lid genoemde
voorwaarden een opgaaf aan de inspecteur zal worden gedaan.
6.De inspecteur beslist op het verzoek voor bij bezwaar vatbare
beschikking. Tenzij in de beschikking anders is bepaald, werkt deze
terug tot op het tijdstip waarop het verzoek is ingediend.
7.Indien aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden niet langer
wordt voldaan, trekt de inspecteur de beschikking in. De intrekking
geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking.
8.Indien degene aan wie de beschikking is verleend niet voldoet aan
de verplichting bedoeld in het vijfde lid, wordt de beschikking geacht
te zijn vervallen op het tijdstip waarop aan de in het eerste lid
gestelde voorwaarden niet meer wordt voldaan.
Artikel 6
1. Artikel 30 van de wet vindt toepassing voor
a. een motorrijtuig dat wordt gebruikt voor het vervoer van
kermis- of circusbenodigdheden: indien het motorrijtuig
uitsluitend als zodanig wordt gebruikt en wordt gehouden door een
kermis- of circusexploitant;
b. een motorrijtuig dat is ingericht als werktuig: indien het
motorrijtuig als zodanig uiterlijk herkenbaar is, het als zodanig
wordt gebruikt op vaste plaatsen en daarmee niet meer dan zestig
dagen gedurende iedere opeenvolgende periode van vier
aaneengesloten tijdvakken na het eerste tijdvak waarop artikel 30,
eerste lid, van de wet van toepassing is, dan wel, in het geval
een kortere vrijstellingsperiode van toepassing is, niet meer dan
vijftien dagen per tijdvak van de weg gebruik wordt gemaakt en het
gebruik uitsluitend dient voor de verplaatsing naar een andere
werkplek;
c. een motorrijtuig dat is ingericht als werkplaats: indien het
motorrijtuig is voorzien van een laadruimte waarin permanent een
werkbank is aangebracht, het met het oog op de te verrichten
werkzaamheden noodzakelijke gereedschap permanent daarin aanwezig
is, het motorrijtuig uitsluitend als zodanig wordt gebruikt en
daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende iedere opeenvolgende
periode van vier aaneengesloten tijdvakken na het eerste tijdvak
waarop artikel 30, eerste lid, van de wet van toepassing is, dan
wel, in het geval een kortere vrijstellingsperiode van toepassing
is, niet meer dan vijftien dagen per tijdvak van de weg gebruik
wordt gemaakt en het gebruik uitsluitend dient voor de
verplaatsing naar een andere werkplek;
d. een motorrijtuig dat is ingericht voor het vervoer van
paarden: indien het motorrijtuig uitsluitend niet-beroepsmatig ten
behoeve van de paardensport wordt gebruikt en de houder van het
motorrijtuig een verklaring overlegt waaruit dit blijkt.
2. De toepassing van artikel 30, eerste lid, van de wet vindt
plaats op verzoek.
3. Het verzoek wordt bij de inspecteur ingediend voor de aanvang
van het eerste tijdvak waarover om de toepassing van artikel 30,
eerste lid, van de wet wordt verzocht.
4. Bij het verzoek worden bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat
wordt voldaan aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden, alsmede
een opgave van het kenteken van het motorrijtuig.
5. Wanneer een motorrijtuig niet meer voldoet aan de in het eerste
lid gestelde voorwaarden doet de belastingplichtige daarvan opgaaf aan
de inspecteur.
6. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare
beschikking.
Tenzij in de beschikking anders is bepaald, werkt deze terug tot op
het tijdstip waarop het eerste tijdvak aanvangt waarop het verzoek
betrekking heeft.
7. Indien aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden niet langer
wordt voldaan, trekt de inspecteur de beschikking in. De intrekking
geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking.
8. Indien degene aan wie de beschikking is verleend niet voldoet
aan de verplichting bedoeld in het vijfde lid, wordt de beschikking
geacht te zijn vervallen op het tijdstip waarop aan de in het eerste
lid gestelde voorwaarden niet meer wordt voldaan.
Artikel 7 [Vervallen per 01-10-2008]
Hoofdstuk IIIA. Bedrijfsvoertuigenpark
Artikel 7a
De inspecteur verleent een vergunning voor een bedrijfsvoertuigenpark
onder de nadere voorwaarden en beperkingen dat:
a. tot het bedrijfsvoertuigenpark geen vrachtauto’s behoren ten
aanzien waarvan artikel 25b van de wet, artikel 30 van de wet of een
vrijstelling als bedoeld in hoofdstuk VI van de wet van toepassing
is;
b. een aanhangwagen die behoort tot een bedrijfsvoertuigenpark is
voorzien van een nummerplaat die is ingericht en aangebracht volgens
bij ministeriële regeling te stellen regels dan wel voor de
aanhangwagen een kenteken is opgegeven krachtens de Wegenverkeerswet
1994;
c. het verzoek tijdig is ingediend, tezamen met de overeenkomstig
ministeriële regeling vereiste gegevens;
d. de inspecteur niet in de drie jaren, voorafgaand aan het
verzoek om een vergunning, een eerder aan de aanvrager verleende
vergunning heeft ingetrokken op de voet van artikel 37b, vijfde lid,
aanhef en onderdelen a of b, van de wet;
e. de houder schriftelijk verklaart wijzigingen met betrekking
tot de in het bedrijfsvoertuigenpark opgenomen vrachtauto’s en
aanhangwagens aan de inspecteur te melden.
Artikel 7b
1.De vergunning, bedoeld in artikel 37a van de wet kan slechts op
verzoek worden gewijzigd indien gedurende het jaar waarvoor zij is
afgegeven:
a. een vrachtauto, behorende tot het bedrijfsvoertuigenpark,
wordt verkocht, gesloopt of definitief naar het buitenland wordt
overgebracht;
b. een vrachtauto, anders dan bedoeld in onderdeel a, uit het
bedrijfsvoertuigenpark wordt genomen, met dien verstande dat de
vrachtauto voor de berekening van de teruggaaf krachtens artikel
37c van de wet wordt geacht gedurende het jaar geen deel te hebben
uitgemaakt van het bedrijfsvoertuigenpark;
c. een aanhangwagen, behorende tot het bedrijfsvoertuigenpark,
wordt verkocht, gesloopt of definitief naar het buitenland wordt
overgebracht;
d. een aanhangwagen in het bedrijfsvoertuigenpark wordt
opgenomen.
2.De vergunning wordt niet ingetrokken indien het eerste lid,
onderdeel a of b, zich voordoet en daarmee de verhouding tussen en het
aantal vrachtauto’s en het aantal aanhangwagens niet meer voldoet
aan het bepaalde in artikel 37b, tweede lid, onderdeel g, van de wet,
tenzij sprake is van misbruik als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel
b, van dat artikel.
Artikel 7c [Vervallen per 01-01-2001]
Hoofdstuk IV. Vrijstellingen
Artikel 8
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht en
uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van zieken en gewonden en
die als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn, wordt verleend indien:
a. de personenauto uiterlijk herkenbaar is als ambulance en is
voorzien van:
– een meertonige hoorn;
– een duidelijk zichtbaar blauw zwaai- of knipperlicht;
b. een vergunning is verleend op de voet van artikel 2 van de Wet
ambulancevervoer, dan wel het motorrijtuig behoort tot de in artikel
17a van die wet bedoelde categorieën van ambulancevervoer.
Artikel 9
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht en
uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van een stoffelijk
overschot, wordt verleend indien:
a. direct achter de bestuurderszitplaats een vaste wand is
aangebracht over de gehele breedte van het motorrijtuig;
b. de achterruimte niet is voorzien van zitplaatsen en
veiligheidsgordels; en
c. de achterruimte geheel is voorzien van een verhoogde
laadvloer.
Artikel 10
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht en
uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van zieke en gewonde dieren
en die als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn, wordt verleend indien zij
zijn voorzien van:
a. een duidelijk zichtbaar geel zwaai- of knipperlicht;
b. ten minste aan weerszijden één of meer duidelijk zichtbare
aanduidingen waaruit blijkt dat het een dierenambulance is, welke
aanduidingen alle een oppervlakte hebben van ten minste 1960 cm2 op
een wit veld van ten minste 4500 cm2;
c. een mobilofooninstallatie of daarmee vergelijkbare
installatie; en
d. voorzieningen voor vervoer en verzorging van zieke of gewonde
dieren.
Artikel 11 [Vervallen per 01-10-2008]
Artikel 12
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die op 31 december
2011 ten minste 25 jaar oud waren, wordt verleend indien:
a. uit het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden
register van opgegeven kentekens blijkt dat het motorrijtuig op 31
december 2011 ten minste 25 jaar oud was, dan wel aan de hand van
bescheiden zulks wordt aangetoond; en
b. voorzover het vrachtauto’s en autobussen betreft, de houder
van het motorrijtuig een verklaring overlegt dat het motorrijtuig
uitsluitend niet bedrijfsmatig wordt gebruikt.
Artikel 13
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die uitsluitend worden
gebruikt voor defensie wordt verleend indien voor die motorrijtuigen de
artikelen 4, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel c, van de
Wegenverkeerswet 1994 van toepassing zijn.
Artikel 14
1. Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die uitsluitend
worden gebruikt door de politie wordt verleend indien:
a. het motorrijtuig is geregistreerd op naam van een
politie-instantie; en
b. het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt door
politie-ambtenaren voor de uitoefening van hun politietaak.
2. Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die uitsluitend
worden gebruikt door de brandweer en als zodanig uiterlijk herkenbaar
zijn wordt verleend indien:
a. het motorrijtuig is geregistreerd op naam van een
brandweer-instantie;
b. het motorrijtuig is voorzien van:
- een tweetonige hoorn;
- een duidelijk zichtbaar blauw zwaai- of knipperlicht; en
- ten minste aan weerszijden één of meer duidelijk
zichtbare afbeeldingen van een brandweerembleem dan wel in
voorkomend geval een gemeentewapen, welke afbeeldingen alle
een oppervlakte hebben van ten minste 314 cm²; en
c. het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt door
brandweerlieden voor de uitoefening van hun brandweertaak.
3. Onder brandweer-instantie wordt mede begrepen een aangewezen
inrichting als bedoeld in artikel 31 van de Wet veiligheidsregio’s.
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 17
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht en
uitsluitend worden gebruikt als vuilniswagen, kolkenzuiger of
straatveegwagen wordt verleend indien:
a. het kenteken van het motorrijtuig op naam van een openbaar
lichaam of van een bedrijf dat zich bezighoudt met werkzaamheden
waarbij deze motorrijtuigen worden ingezet, is ingeschreven in het
krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van
opgegeven kentekens; en
b. de houder van het motorrijtuig een verklaring overlegt dat het
motorrijtuig is ingericht en uitsluitend wordt gebruikt als een in
de aanhef genoemd motorrijtuig.
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 19
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht en
uitsluitend worden gebruikt voor de aanleg en het onderhoud van wegen
wordt verleend indien de houder van het motorrijtuig:
a. zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van wegen; en
b. een verklaring overlegt dat het motorrijtuig is ingericht en
uitsluitend wordt gebruikt voor de in de aanhef genoemde doeleinden.
Artikel 20 [Vervallen per 01-10-2008]
Artikel 21
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen waarmee gewoonlijk
slechts over een geringe afstand gebruik van de weg wordt gemaakt, wordt
verleend, indien:
a. het gebruik van de weg zich beperkt tot een op aanwijzingen
van de houder door de inspecteur vastgesteld gebied dat is gelegen
in de onmiddellijke nabijheid van de plaatsen waar het motorrijtuig,
elders dan op de weg, wordt gebruikt; en
b. de houder van het motorrijtuig een verklaring overlegt dat met
het motorrijtuig uitsluitend gebruik van de weg wordt gemaakt
overeenkomstig onderdeel a.
Artikel 22
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen waarmee met het oog op
een ingevolge hoofdstuk V van de Wegenverkeerswet 1994 te verrichten
keuring van het motorrijtuig tijdens een voor het motorrijtuig geldende
schorsing gebruik van de weg wordt gemaakt op de dag waarop dat
motorrijtuig naar aanleiding van de aanvraag van een keuringsbewijs aan
een keuring wordt onderworpen, wordt verleend indien bescheiden worden
overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig op de desbetreffende dag
aan een keuring zal worden onderworpen.
Artikel 23
1. Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die blijkens een
ingevolge de Wet personenvervoer of de Wet personenvervoer 2000
afgegeven vergunning, dan wel voor zover afgegeven een
vergunningbewijs, zijn bestemd om daarmee als personenauto openbaar
vervoer of taxivervoer te verrichten en daarvoor geheel of nagenoeg
geheel worden gebruikt, wordt verleend indien:
a. een afschrift van de vergunning of van het vergunningbewijs
wordt overgelegd;
b. een afschrift van de delen I en II, de delen I en I B of
deel I A en B van het kentekenbewijs dat is afgegeven voor het
motorrijtuig wordt overgelegd; en
c. een verklaring wordt overgelegd van de exploitant van het
motorrijtuig dat het motorrijtuig geheel of nagenoeg geheel wordt
gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer
in de zin van de Wet personenvervoer 2000.
2. Op een met de inspecteur afgesproken tijdstip worden jaarlijks
een afschrift als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en een
verklaring als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, overgelegd.
Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 25
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn geregistreerd
in het buitenland en door een aldaar gevestigde werkgever ter
beschikking zijn gesteld aan een als werknemer bij hem in dienst zijnde
in Nederland wonende persoon, wordt verleend indien:
a. met het motorrijtuig in Nederland uitsluitend gebruik wordt
gemaakt van de weg door de werknemer of zijn inwonende gezinsleden;
b. de werkgever blijkens een schriftelijke verklaring te kennen
heeft gegeven dat het motorrijtuig door hem aan belanghebbende ter
beschikking is gesteld en hoofdzakelijk is bestemd voor de
uitvoering van de werkzaamheden buiten Nederland; en
c. de werknemer als gevolg van de arbeidsverhouding tussen hem en
zijn werkgever in beginsel geen invloed kan uitoefenen op de
beslissing in welk land het motorrijtuig wordt geregistreerd.
Artikel 26
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn geregistreerd
in het buitenland en die worden gebruikt door Nederlands ingezetenen die
elders dan in Nederland hoofd zijn van een eenmansbedrijf, lid zijn van
een maatschap, of bestuurder, vennoot of aandeelhouder zijn van een
onderneming, opgericht in de vorm van een vennootschap, wordt verleend
indien:
a. met het motorrijtuig in Nederland uitsluitend gebruik wordt
gemaakt van de weg door de Nederlands ingezetene of zijn inwonende
gezinsleden; en
b. het motorrijtuig blijkens een kilometerregistratie voor ten
minste 50% zakelijk buiten Nederland wordt gebruikt; het zakelijk
gebruik buiten Nederland wordt per kalenderjaar bepaald, waarbij de
afstand die wordt overbrugd van de woonplaats naar de in het
buitenland gelegen werkplaats en omgekeerd buiten beschouwing
blijft; en
c. de houder niet een werknemer is als bedoeld in artikel 25.
Artikel 26a
1.Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn
geregistreerd in het buitenland en in Nederland ten hoogste twee weken
feitelijk ter beschikking staan van een houder die in Nederland zijn
hoofdverblijf heeft of is gevestigd, wordt verleend indien:
a. het motorrijtuig vanuit het andere land in Nederland ter
beschikking staat van de houder, indien van toepassing daaronder
begrepen zijn inwonende gezinsleden;
b. de houder, indien van toepassing daaronder begrepen zijn
inwonende gezinsleden, met het motorrijtuig geen gebruik heeft
gemaakt van de weg in Nederland in de twaalf maanden voorafgaand
aan de periode van terbeschikkingstelling in Nederland;
c. een beroep op de vrijstelling wordt gedaan vóór aanvang
van het gebruik van de weg met het motorrijtuig in Nederland, door
middel van een elektronische melding, en
d. de houder, indien van toepassing daaronder begrepen zijn
inwonende gezinsleden, in de twaalf maanden volgend op de aanvang
van de periode van ten hoogste twee weken, bedoeld in het eerste
lid, in Nederland met het motorrijtuig uitsluitend gebruik maakt
van de weg gedurende deze periode van ten hoogste twee weken.
2.Ingeval voor het motorrijtuig een beroep wordt gedaan op de
vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen
ingevolge artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit belasting van
personenauto’s en motorrijwielen 1992, geldt dit mede als een beroep
op de vrijstelling ingevolge het eerste lid, onderdeel c.
3.De vrijstelling kan mede worden verleend indien door aantoonbare
overmacht niet is voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel c, mits zo snel mogelijk na aanvang van het gebruik van
de weg alsnog de elektronische melding, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, wordt gedaan, onder opgave van de dag waarop het gebruik
van de weg is aangevangen en de redenen waarom niet eerder een beroep
op de vrijstelling kon worden gedaan.
4.Indien voor een motorrijtuig waarvoor een beroep op de
vrijstelling is gedaan niet of niet langer wordt voldaan aan een in
het eerste lid genoemde voorwaarde, stelt degene aan wie de
vrijstelling is verleend, de inspecteur daarvan onverwijld in kennis.
5.Indien de houder of, indien van toepassing, een inwonend
gezinslid van de houder, met het motorrijtuig in Nederland gebruik
blijft maken van de weg na het verstrijken van de in het eerste lid
bedoelde periode van twee weken, vervalt de vrijstelling en wordt de
verschuldigde belasting op aangifte voldaan uiterlijk op de laatste
dag van deze periode van twee weken.
6.Indien in andere situaties dan als bedoeld in het vijfde lid, de
houder of, indien van toepassing, een inwonend gezinslid van de
houder, opnieuw gebruik maakt met het motorrijtuig van de weg in
Nederland in de vijftig weken volgend op de in het eerste lid bedoelde
periode van twee weken, vervalt de vrijstelling en wordt de
verschuldigde belasting door degene aan wie de vrijstelling is
verleend op aangifte voldaan vóór de hernieuwde aanvang van het
gebruik van de weg.
7.Indien het beroep op de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, daaronder begrepen een beroep op de vrijstelling als
bedoeld in het tweede lid, elektronisch wordt ingetrokken vóór de
dag waarop volgens het elektronische beroep op de vrijstelling het
gebruik in Nederland van de weg aanvangt, geldt het beroep als niet
gedaan.
Artikel 27
1.De vrijstellingen, bedoeld in de artikelen 8 tot en met 10, 13,
14, 17, 19,21, 23, 25 en 26, worden op verzoek verleend. De
vrijstelling, bedoeld in artikel 12, wordt voor vrachtauto’s en
autobussen op verzoek verleend.
2.Ingeval voor een motorrijtuig een verzoek wordt ingediend om
vrijstelling van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen
ingevolge artikel 2 of artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit belasting
van personenauto’s en motorrijwielen 1992, geldt dit verzoek mede
als verzoek om toepassing van de vrijstelling ingevolge artikel 25
onderscheidenlijk artikel 26van dit besluit.
3.Het verzoek wordt bij de inspecteur ingediend vóór de aanvang
van het tijdvak, onderscheidenlijk van het gebruik van de weg in
Nederland met het motorrijtuig.
4.Bij het verzoek worden de bescheiden die van belang zijn voor de
toepassing van de vrijstelling overgelegd, alsmede een opgave van het
kenteken van het motorrijtuig.
5.De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare
beschikking. De vrijstelling werkt, tenzij in de beschikking anders is
bepaald, terug tot op het tijdstip waarop het verzoek is ingediend.
6.Indien niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden van
de vrijstelling, of indien het motorrijtuig wordt afgestoten, stelt
degene aan wie de vrijstelling is verleend, de inspecteur daarvan
onverwijld in kennis.
7.Indien niet langer aan de voorwaarden van de vrijstelling wordt
voldaan, trekt de inspecteur de vrijstelling in bij voor bezwaar
vatbare beschikking.
8.Indien degene aan wie de vrijstelling is verleend niet voldoet
aan de verplichting, bedoeld in het zesde lid, vervalt de vrijstelling
op het tijdstip waarop niet langer aan de voorwaarden van de
vrijstelling wordt voldaan.
9.Bij beëindiging van de vrijstelling wordt de belasting
verschuldigd over het resterende gedeelte van het lopende tijdvak, met
dien verstande dat voor motorrijtuigen die niet zijn geregistreerd in
het register, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
wet, de belasting verschuldigd wordt vanaf de dag waarop de
vrijstelling is beëindigd.
Artikel 28
1.Vrijstelling van een gedeelte van de belasting voor
motorrijtuigen die worden gebezigd in het gecombineerde
rail-wegvervoer van goederen tussen lid-staten van de Europese Unie
wordt verleend indien de toepasselijkheid van de vrijstelling blijkt
uit boeken en bescheiden.
2.Ter vaststelling van het aantal dagen dat het in het eerste lid
bedoelde motorrijtuig of voertuig per trein is vervoerd, worden de dag
van aanvang en de dag van beëindiging van het vervoer per trein te
zamen gerekend één dag te zijn. Indien het aantal dagen dat het
motorrijtuig of voertuig in het betrokken tijdvak per trein is
vervoerd, minder is dan zestien in een tijdvak van twaalf maanden, of
minder dan vier in een tijdvak van drie maanden, wordt de vrijstelling
niet verleend.
3.De vrijstelling wordt op verzoek verleend in de vorm van
teruggaaf van belasting.
4.Het verzoek wordt ingediend binnen drie maanden na afloop van het
tijdvak waarover de belasting is voldaan.
5.De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare
beschikking.
Artikel 29
1. Met inachtneming van het beginsel van wederkerigheid wordt, in
aansluiting aan de desbetreffende bepalingen in de wetgeving van een
ander land of in een regeling van internationaal recht, vrijstelling
van belasting verleend voor motorrijtuigen die zijn ingeschreven in
een ander land en waarvan de houder niet in Nederland woont of is
gevestigd.
2. Wanneer motorrijtuigen als bedoeld in het eerste lid feitelijk
ter beschikking staan van natuurlijke personen die hun hoofdverblijf
buiten Nederland hebben, wordt, behoudens blijk van het tegendeel,
geacht aan het beginsel van wederkerigheid te zijn voldaan indien:
a. het motorrijtuig ten hoogste twaalf maanden in Nederland
wordt gebruikt, en daarbij niet wordt gebruikt voor het vervoeren
van goederen of personen tegen betaling; dan wel
b. het motorrijtuig binnen een periode van twaalf maanden ten
hoogste drie maanden in Nederland wordt gebruikt.
3. Onze Minister houdt een lijst bij van de in het eerste lid
bedoelde vrijstellingen en de daarbij geldende voorwaarden en
beperkingen, voor zover deze afwijken van het in het tweede lid
bepaalde, en draagt zorg voor de bekendmaking van deze lijst.
Hoofdstuk V. Overgangsbepalingen
Artikel 30
1.Voor motorrijtuigen waarvoor tot 1 april 1995 een vrijstelling
van belasting gold op grond van artikel 9 van de Wet op de
motorrijtuigenbelasting 1966, en waarvoor op grond van de artikelen 71
tot en met 73 van de wet aanspraak op een vrijstelling kan worden
gemaakt, geldt in afwijking van artikel 27 dat:
a. indien de vrijstelling onder de voorwaarde van een
vergunning van de inspecteur is verleend, het verzoek om
vrijstelling wordt ingediend vóór de datum waarop de vergunning
afloopt, dan wel, indien de vergunning voor onbepaalde tijd is
afgegeven, vóór 1 juli 1995;
b. indien de vrijstelling niet onder de voorwaarde van een
vergunning is verleend, de verklaringen, bedoeld in artikel 27,
derde en vierde lid, worden overgelegd vóór 1 juli 1995.
2.In de in het eerste lid genoemde gevallen wordt de vrijstelling
geacht te zijn verleend op grond van de wet tot de in het eerste lid
genoemde tijdstippen.
Artikel 31
1. Het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1966 wordt
ingetrokken, met dien verstande dat het van toepassing blijft voor de
gevallen bedoeld in artikel 30.
2. Het Besluit tot vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor
buitenlanders wordt ingetrokken.
Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Artikel 32
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in
werking treedt.
Artikel 33
Dit besluit kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbesluit
motorrijtuigenbelasting 1994.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 30 maart 1995
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
W.A.F.G. Vermeend
Uitgegeven de eenendertigste maart 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Bijlage
[Vervallen per 01-01-2011]
|
|
|