| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de
verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere
produkten
UITVOERINGSBESLUIT
VERBRUIKSBELASTINGEN VAN ALCOHOLVRIJE DRANKEN
EN VAN ENKELE ANDERE PRODUKTEN
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 24 december 1992, tot vaststelling van het
Uitvoeringsbesluit verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van
enkele andere produkten
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 10
november 1992, nr. WV 92/534, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken,
Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen;
Gelet op de artikelen 3, derde lid, 4, tweede, derde en vierde lid,
5, derde lid, 14, tweede lid, 28, eerste lid, 29, eerste lid, 30, eerste
lid, 31, 32, eerste lid, 33, eerste lid, 36, 37 en 40 van de Wet op de
verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere
produkten (Stb. 1992, 683) en artikel 70 van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen (Stb. 1959, 301);
De Raad van State gehoord (advies van 9 december 1992, nr.
W06.92.0540);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van
17 december 1992, nr. WV 92/648, Directoraat-Generaal voor Fiscale
Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Afdeling 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
1.Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 3, derde lid, 4,
tweede, derde en vierde lid, 5, derde lid, 14, tweede lid, 28, eerste
lid, 29, eerste lid, 30, eerste lid, 31, 32, eerste lid, 33, eerste
lid, 36, 37 en 40 van de Wet op de verbruiksbelastingen van
alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten en artikel 70 van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2.In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de Wet op de
verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere
produkten.
Afdeling 2. Overbrengen van alcoholvrije dranken, pruimtabak of
snuiftabak
Artikel 2
1.Het brengen, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de
wet, van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak vanuit een
inrichting naar een andere inrichting die voor dat soort goed als
zodanig is aangewezen, dient te kunnen worden aangetoond met een
vervoersopdracht.
2.De vervoersopdracht wordt opgemaakt door de vergunninghouder van
de inrichting van waaruit alcoholvrije dranken, pruimtabak of
snuiftabak worden overgebracht.
3.De vervoersopdracht moet binnen één maand na de datum van
verzending van de in het eerste lid bedoelde goederen zijn
terugontvangen door de vergunninghouder van de inrichting van waaruit
de goederen zijn overgebracht, voorzien van een verklaring van de
vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen zijn
overgebracht dat de goederen hun bestemming hebben bereikt en in de
administratie van zijn inrichting zijn opgenomen.
4.De vergunninghouder van de inrichting waarnaar de in het eerste
lid bedoelde goederen zijn overgebracht, draagt zorg voor de
terugzending van de in het derde lid bedoelde vervoersopdracht.
5.Indien de in het derde lid bedoelde vervoersopdracht niet wordt
terugontvangen voorzien van de in het derde lid bedoelde verklaring,
stelt de vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen
zijn overgebracht, de inspecteur daarvan in kennis uiterlijk binnen
twee maanden na de datum van verzending van de goederen.
6.De vervoersopdracht, bedoeld in het eerste lid, kan op verzoek
achterwege blijven indien:
a. zowel de vergunninghouder van de inrichting van waaruit de
goederen worden overgebracht, als de vergunninghouder van de
inrichting waarnaar de goederen worden overgebracht, beschikt over
een administratie waarin deze overbrengingen afzonderlijk worden
bijgehouden en waaruit naar het oordeel van de inspecteur de
overbrengingen op overzichtelijke wijze zijn af te lezen;
b. gebruik wordt gemaakt van een maandverklaring, waarin de
vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen worden
overgebracht opgave doet van de door hem in een kalendermaand
zonder vervoersopdracht naar een andere inrichting overgebrachte
goederen; en
c. de maandverklaring na afloop van een kalendermaand wordt
verstrekt aan elke vergunninghouder van een inrichting waarnaar in
die kalendermaand goederen zijn overgebracht.
7.De toestemming voor toepassing van het zesde lid wordt opgenomen
in de vergunning voor beide in het zesde lid bedoelde inrichtingen. Op
de toestemming zijn de artikelen 43 tot en met 50 van de Wet op de
accijns van overeenkomstige toepassing.
8.De administratie van de in het zesde lid bedoelde
vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen worden
overgebracht, bevat in ieder geval:
a. de naam, het adres en het vergunningnummer van de
vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen zijn
overgebracht;
b. de soort, de hoeveelheid en de voor de heffing van de
belasting van belang zijnde samenstelling van de goederen;
c. de datum van verzending van de goederen; en
d. per overbrenging het nummer van de maandverklaring waarin
die overbrenging is begrepen.
9.De administratie van de in het zesde lid bedoelde
vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen worden
overgebracht, bevat in ieder geval:
a. de naam, het adres en het vergunningnummer van de
vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen zijn
overgebracht;
b. de soort, de hoeveelheid en de voor de heffing van de
belasting van belang zijnde samenstelling van de goederen;
c. de datum van verzending van de goederen;
d. de datum waarop de goederen zijn ontvangen; en
e. per overbrenging het nummer van de maandverklaring waarin
die overbrenging is begrepen.
10.De vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen zijn
overgebracht, draagt zorg voor de terugzending van de in het zesde lid
bedoelde maandverklaring.
11.De in het zesde lid bedoelde maandverklaring moet binnen één
maand na de maand waarop de maandverklaring betrekking heeft, zijn
terugontvangen door de vergunninghouder van de inrichting van waaruit
de goederen zijn overgebracht, voorzien van een verklaring van de
vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen zijn
overgebracht, dat de goederen hun bestemming hebben bereikt en in de
administratie van zijn inrichting zijn opgenomen.
12.Indien de maandverklaring niet wordt terugontvangen voorzien van
de in het elfde lid bedoelde verklaring, stelt de vergunninghouder van
de inrichting van waaruit de goederen zijn overgebracht, de inspecteur
daarvan onverwijld in kennis, maar uiterlijk binnen één week na
afloop van de maand waarin de maandverklaring door hem moet zijn
terugontvangen.
13.Bij toepassing van het zesde lid is artikel 27 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 3
1.Het brengen, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel b, van de
wet, van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak vanuit een
inrichting naar een ondernemer dan wel een publiekrechtelijk lichaam,
anders dan als ondernemer, in een andere lid-staat dient te blijken
uit boeken en bescheiden.
2.De vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen,
bedoeld in het eerste lid, worden overgebracht dient te beschikken
over een administratie waarin deze overbrengingen afzonderlijk worden
bijgehouden en waaruit naar het oordeel van de inspecteur de
overbrengingen op overzichtelijke wijze zijn af te lezen.
3.De in het tweede lid bedoelde administratie bevat in ieder geval
de gegevens over de door de vergunninghouder in het tijdvak waarover
aangifte wordt gedaan overgebrachte goederen, alsmede per
overbrenging:
a. de naam en het adres van de ondernemer dan wel het
publiekrechtelijke lichaam, anders dan als ondernemer, waarnaar de
goederen zijn overgebracht;
b. de soort, de hoeveelheid en de voor de belastingheffing van
belang zijnde samenstelling van de goederen;
c. de datum waarop de overbrenging van de goederen is
aangevangen.
Artikel 4
Het brengen, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel c, van de
wet, van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak vanuit een
inrichting naar een derde land wordt aangetoond met afdrukken van het
uitvoergeleidedocument of de aangifte ten uitvoer alsmede van de
bevestiging van uitgang, welke documenten zijn vereist op grond van de
wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van
de Algemene douanewet.
Artikel 5
1.Het vervoer van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak,
bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, b, c, d of e , van de
wet naar een inrichting die voor dat soort goed als zodanig is
aangewezen, naar een ondernemer of publiekrechtelijk lichaam, anders
dan als ondernemer, naar een natuurlijke persoon die de goederen voor
andere doeleinden dan voor persoonlijk verbruik betrekt in Nederland,
naar een andere lid-staat via Nederland of naar een derde land dient
te kunnen worden aangetoond met een bescheid.
2.In het bescheid, bedoeld in het eerste lid, worden vermeld:
a. de naam en het adres van degene van wie de goederen
afkomstig zijn;
b. de naam en het adres van degene naar wie de goederen worden
vervoerd;
c. de naam en het adres van degene die de goederen vervoert;
d. de soorten en de hoeveelheden van de goederen;
e. de datum waarop het vervoer van de goederen is aangevangen.
Artikel 6
Voor de toepassing van artikel 4, derde lid, van de wet wordt als het
op incidentele basis aanwenden van een beperkte hoeveelheid alcoholvrije
dranken, pruimtabak of snuiftabak aangemerkt die hoeveelheid die een bij
ministeriële regeling vastgestelde hoeveelheid niet overschrijdt.
Artikel 7
De in artikel 4, eerste lid, van de wet bedoelde personen of lichamen
moeten hun administratie zodanig doen zijn dat daarin op overzichtelijke
wijze alle voor de heffing van alcoholvrije dranken, pruimtabak of
snuiftabak van belang zijnde gegevens zijn opgenomen. De administratie
dient in ieder geval te bevatten de regelmatige aantekening van de
vorenbedoelde goederen.
Artikel 8
1.Het brengen, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdelen a en d ,
van de wet van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak vanuit
een derde land of vanuit een plaats voor tijdelijke opslag naar een
inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen, alsmede
het brengen, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel c, van de wet
van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die zijn geplaatst
onder een communautaire douaneregeling naar een inrichting die voor
dat soort goed als zodanig is aangewezen, dient bij het op grond van
de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede
lid, van de Algemene douanewet, aangeven voor het vrije verkeer van
dat goed te worden aangetoond met een vervoersopdracht, waarop een
verklaring is gesteld van de vergunninghouder van de inrichting
waarnaar de goederen zullen worden overgebracht dat de goederen worden
overgebracht naar zijn inrichting en in de administratie van zijn
inrichting worden opgenomen.
2.De in het eerste lid bedoelde goederen dienen binnen één maand
na het tijdstip waarop de op grond van de wettelijke bepalingen,
bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene
douanewet, vereiste aangifte is gedaan hun bestemming te hebben
bereikt.
3.De vervoersopdracht wordt opgemaakt door de vergunninghouder van
de inrichting waarnaar de goederen worden overgebracht, dan wel in
diens opdracht.
Artikel 9
Het brengen, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel a, van de
wet, van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak vanuit een derde
land naar een plaats voor tijdelijke opslag, het in Nederland plaatsen
onder een communautaire douaneregeling van vanuit een derde land
binnengebrachte alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak, bedoeld
in artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de wet, alsmede het onder
ambtelijk toezicht vernietigen van alcoholvrije dranken, pruimtabak of
snuiftabak die onder een communautaire douaneregeling zijn geplaatst,
bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel e, van de wet, dient te
geschieden met inachtneming van de formaliteiten die op grond van de
wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van
de Algemene douanewet, moeten worden vervuld.
Artikel 10
1.In de vervoersopdracht, bedoeld in de artikelen 2 en 8, worden
vermeld:
a. de naam en het adres van degene die de vervoersopdracht
opmaakt dan wel van degene in wiens opdracht zij wordt opgemaakt;
b. de naam en het adres van degene die de goederen overbrengt;
c. de naam en het adres van de vergunninghouder van de
inrichting waarnaar de goederen worden overgebracht en het adres
van die inrichting;
d. de soort, de hoeveelheid en de voor de heffing van belang
zijnde samenstelling van de goederen; en
e. de datum waarop de overbrenging van de goederen aanvangt.
2.De vervoersopdracht dient te zijn gedagtekend en ondertekend.
3.Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid vergunninghouder
is van een inrichting, wordt tevens het nummer van zijn vergunning
vermeld.
4.Afschriften van de vervoersopdrachten worden door de
vergunninghouder van de inrichting die de vervoersopdracht heeft
opgemaakt of heeft doen opmaken op overzichtelijke wijze bij zijn
administratie bewaard.
Hoofdstuk II. Inrichting
Artikel 11
1.De vergunninghouder van een inrichting moet:
a. de administratieve organisatie van de inrichting zodanig
doen zijn dat zij een juiste en volledige vastlegging van de
bedrijfshandelingen waarborgt; en
b. de administratie van de inrichting zodanig doen zijn dat
daarin op overzichtelijke wijze de gegevens omtrent alle voor de
heffing van belang zijnde bedrijfshandelingen zijn opgenomen.
2.De administratie van de vergunninghouder van de inrichting dient
in ieder geval te bevatten de regelmatige aantekening van:
a. de uitgeslagen alcoholvrije dranken, pruimtabak of
snuiftabak en de daarvoor uitgereikte facturen;
b. de vervoersopdrachten of, indien artikel 2, vijfde lid,
toepassing vindt, de overgebrachte alcoholvrije dranken,
pruimtabak of snuiftabak met de daarbij behorende gegevens en de
daarvoor uitgereikte facturen;
c. de uit Nederland betrokken alcoholvrije dranken, pruimtabak
of snuiftabak;
d. de uit een andere lid-staat betrokken alcoholvrije dranken,
pruimtabak of snuiftabak; en
e. de uit een derde land betrokken alcoholvrije dranken,
pruimtabak of snuiftabak.
3.Met betrekking tot inrichtingen waar alcoholvrije dranken,
pruimtabak of snuiftabak worden vervaardigd, dient de in het eerste
lid, onderdeel b, bedoelde administratie tevens de voor de heffing van
belang zijnde gegevens te bevatten omtrent de inkoop van grondstoffen
en van halffabrikaten, alsmede omtrent de vervaardiging van
halffabrikaten en van eindprodukten.
Artikel 12
1.Indien degene die om een vergunning voor een inrichting verzoekt
naar het oordeel van de inspecteur niet volledig kan voldoen aan het
bepaalde in artikel 11, eerste lid, stelt de inspecteur voorwaarden
met betrekking tot de locatie en de inrichting van de inrichting,
alsmede met betrekking tot het stelsel van toezicht.
2.De in het eerste lid bedoelde inrichting van een inrichting heeft
mede betrekking op de daar aanwezige produktie-, transport- en
opslaginstallaties.
Hoofdstuk III. Vrijstellingen en teruggaven
Afdeling 1. Vrijstellingen
Artikel 13
Vrijstelling van belasting ter zake van de uitslag en de invoer van
vruchte- en groentesappen die kennelijk zijn bestemd om te worden
gebruikt als aanvulling op kindervoeding, voor medicinale doeleinden of
anders dan om te worden gedronken, wordt verleend indien die bestemming
blijkt uit de kleinhandelsverpakking en de presentatie van het produkt.
Artikel 14
1.Vrijstelling van belasting ter zake van de uitslag en de invoer
van:
a. vruchte- en groentesappen die worden gebruikt voor het
vervaardigen van vruchte- of groentesappen als bedoeld in artikel
28 van de wet; en
b. alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die worden
gebruikt als grondstof voor het vervaardigen van andere goederen
dan alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak,
wordt verleend indien degene die deze goederen betrekt in het bezit
is van een vergunning van de inspecteur waaruit blijkt dat hij de
desbetreffende goederen met vrijstelling mag betrekken met
inachtneming van de in het tweede tot en met vijfde lid opgenomen
voorwaarden.
2.Om de in het eerste lid bedoelde vergunning te kunnen verkrijgen
dient de administratie van degene die om de vergunning verzoekt
zodanig te zijn ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze de
gegevens omtrent alle voor de vrijstelling van belasting van belang
zijnde bedrijfshandelingen zijn opgenomen. Daarin moeten in ieder
geval de gegevens zijn opgenomen omtrent de betrokken alcoholvrije
dranken, pruimtabak of snuiftabak en omtrent de daarvan vervaardigde
alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak dan wel andere
goederen.
3.Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, is artikel 13
van overeenkomstige toepassing op de door degene die de goederen met
vrijstelling betrekt vervaardigde vruchte- en groentesappen.
4.Degene die de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak met
vrijstelling betrekt dient zekerheid te stellen voor de belasting die
hij verschuldigd kan worden. De artikelen 56, vijfde tot en met
achtste lid, en 57 tot en met 60 van de Wet op de accijns zijn van
overeenkomstige toepassing.
5.Met betrekking tot het brengen van alcoholvrije dranken,
pruimtabak of snuiftabak vanuit een inrichting, een derde land, een
andere lid-staat, een entrepot of een plaats voor tijdelijke opslag
naar degene die de goederen met vrijstelling betrekt, zijn de
artikelen 2, 5, 8 en 10 van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat het nummer van de vergunning van degene die de
alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak met vrijstelling mag
betrekken dient te worden vermeld op de vervoersopdracht of het
bescheid, dan wel dient te worden opgenomen in de administratie van de
inrichting van waaruit de alcoholvrije dranken, pruimtabak of
snuiftabak worden overgebracht met overeenkomstige toepassing van
artikel 2, vijfde lid.
Artikel 15
Vrijstelling van belasting ter zake van de uitslag of de invoer van
alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die worden gebruikt aan
boord van schepen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat,
anders dan over de binnenwateren, wordt verleend indien:
a. de eigenaar of exploitant van het schip of zijn
vertegenwoordiger aan boord van het schip verklaart dat de aan hem
te leveren alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak worden
gebruikt voor het in de aanhef bedoelde gebruik;
b. de verklaring in tweevoud geschiedt met gebruikmaking van een
door de vergunninghouder van de inrichting opgesteld bescheid
ingeval van uitslag of met gebruikmaking van een door degene die de
levering verricht opgesteld bescheid ingeval van invoer;
c. de eigenaar of exploitant van het schip of zijn
vertegenwoordiger aan boord van het schip beide exemplaren van de
verklaring ondertekent; en
d. een exemplaar op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de
administratie van de vergunninghouder van de inrichting ingeval van
uitslag en bij de administratie van degene die de aangifte tot
plaatsing onder de douaneregeling brengen in het vrije verkeer doet,
ingeval van invoer. Het andere exemplaar wordt op overzichtelijke
wijze bewaard bij de administratie aan boord van het schip.
Artikel 16
Vrijstelling van belasting ter zake van de uitslag of de invoer van
alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die worden gebruikt aan
boord van luchtvaartuigen in het verkeer van Nederland naar een andere
lidstaat wordt verleend indien:
a. de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig of zijn
vertegenwoordiger aan boord van het luchtvaartuig verklaart dat de
aan hem te leveren alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak
worden gebruikt voor het in de aanhef bedoelde gebruik;
b. de verklaring in tweevoud geschiedt met gebruikmaking van een
door de vergunninghouder van de inrichting opgesteld bescheid
ingeval van uitslag of met gebruikmaking van een door degene die de
levering verricht opgesteld bescheid ingeval van invoer;
c. de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig of zijn
vertegenwoordiger aan boord van het luchtvaartuig beide exemplaren
van de verklaring ondertekent; en
d. een exemplaar op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de
administratie van de vergunninghouder van de inrichting ingeval van
uitslag en bij de administratie van degene die de aangifte tot
plaatsing onder de douaneregeling brengen in het vrije verkeer doet,
ingeval van invoer. Het andere exemplaar wordt op overzichtelijke
wijze bewaard bij de administratie van de eigenaar of exploitant van
het luchtvaartuig.
Artikel 17
1.Vrijstelling van belasting ter zake van de uitslag en de invoer
van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die worden gebruikt
voor onderzoek, kwaliteitscontroles en smaaktesten buiten een
inrichting wordt verleend indien de vergunninghouder van de inrichting
van waaruit de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak worden
uitgeslagen dan wel degene die de goederen invoert, in het bezit is
van een vergunning van de inspecteur waaruit blijkt dat hij de
desbetreffende goederen met vrijstelling mag uitslaan dan wel
invoeren.
2.De vergunning wordt op verzoek verleend. In het verzoek om de
vergunning worden vermeld:
a. de soort, de hoeveelheid en de voor de heffing van belang
zijnde samenstelling van de alcoholvrije dranken, pruimtabak of
snuiftabak;
b. de naam en het adres van de plaats waar de alcoholvrije
dranken, pruimtabak of snuiftabak zullen worden onderzocht,
gecontroleerd of getest;
c. de aard en het doel van het onderzoek, de controle of de
test; en
d. de bestemming van de eventueel resterende alcoholvrije
dranken, pruimtabak of snuiftabak na afloop van het onderzoek, de
controle of de test.
3.Bij het verzoek om de vergunning moet de schriftelijke opdracht
voor de in het eerste lid bedoelde onderzoeken, controles of testen
worden overgelegd.
4.De vergunning kan worden verleend voor een bepaalde periode of
voor periodiek wederkerende onderzoeken, controles of testen. De in
het tweede lid bedoelde opdrachten dienen alsdan afzonderlijk per
onderzoek, controle of test uit de administratie te blijken.
5.De alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die na afloop
van de in het eerste lid bedoelde onderzoeken, controles of testen
resteren moeten na de onderzoeken, controles of testen worden
overgebracht naar een inrichting, worden uitgevoerd of onder ambtelijk
toezicht worden vernietigd.
Afdeling 2. Teruggaven
Artikel 18
Voor de toepassing van de teruggaaf van belasting voor alcoholvrije
dranken, pruimtabak of snuiftabak in gevallen waarin deze goederen op de
voet van artikel 29 van de wet zouden kunnen worden betrokken met
vrijstelling, is artikel 14 van overeenkomstige toepassing met
uitzondering van het bepaalde in het vierde en het vijfde lid van dat
artikel.
Artikel 19
Teruggaaf van belasting waarvoor op de voet van artikel 30 van de wet
aanspraak op een vrijstelling zou bestaan, wordt verleend indien:
a. degene die om teruggaaf verzoekt in zijn administratie een
verklaring opneemt van de eigenaar of exploitant van het schip of
luchtvaartuig of zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip of
luchtvaartuig dat de goederen worden gebruikt voor het in artikel 30
van de wet bedoelde gebruik;
b. de verklaring in tweevoud geschiedt met gebruikmaking van een
door degene die de levering heeft verricht opgesteld bescheid;
c. de eigenaar of exploitant van het schip of luchtvaartuig of
zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip of luchtvaartuig
beide exemplaren van de verklaring ondertekent; en
d. een exemplaar van de verklaring op overzichtelijke wijze wordt
bewaard bij de administratie aan boord van het schip of bij de
administratie van de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig.
Artikel 20
1.Teruggaaf van belasting voor alcoholvrije dranken, pruimtabak of
snuiftabak die zijn verloren gegaan, wordt verleend indien de goederen
tot een bedrijfsvoorraad behoren en de belanghebbende onverwijld nadat
is geconstateerd dat de goederen zijn verloren gegaan daarvan melding
doet bij de inspecteur.
2.De soort, de hoeveelheid en de voor de berekening van de
teruggaaf van belang zijnde samenstelling van de alcoholvrije dranken,
pruimtabak of snuiftabak die zijn verloren gegaan, alsmede het
tijdstip waarop en de oorzaak waardoor de goederen verloren zijn
gegaan, dienen door de belanghebbende te worden aangetoond.
3.Teruggaaf wordt uitsluitend verleend indien het verloren gaan van
de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak is te wijten aan
overmacht of ongeval.
Artikel 21
Voor de toepassing van teruggaaf van belasting voor onder ambtelijk
toezicht vernietigde alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak is
artikel 20, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22
Teruggaaf van belasting voor alcoholvrije dranken, pruimtabak of
snuiftabak die zijn gebracht naar een derde land of zijn geplaatst onder
een communautaire douaneregeling met als bestemming een derde land,
wordt verleend indien in de administratie van degene die verzoekt om
teruggaaf van belasting elektronische op geprinte exemplaren zijn
opgenomen van het uitvoergeleidedocument of de aangifte ten uitvoer
alsmede van de bevestiging van uitgang, welke documenten zijn vereist op
grond van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en
tweede lid, van de Algemene douanewet.
Artikel 23
1.Teruggaaf van belasting voor alcoholvrije dranken, pruimtabak of
snuiftabak die zijn gebracht binnen een inrichting die voor dat soort
goed als zodanig is aangewezen, wordt verleend aan de vergunninghouder
van de inrichting waarnaar de goederen zijn overgebracht indien uit de
administratie blijkt dat de goederen in zijn inrichting zijn
opgenomen.
2.De vergunninghouder van de inrichting brengt het bedrag waarvoor
aanspraak op teruggaaf wordt gemaakt in mindering op het bedrag dat
hij ingevolge artikel 20 van de wet op aangifte moet voldoen over het
tijdvak waarin de desbetreffende alcoholvrije dranken, pruimtabak of
snuiftabak binnen zijn inrichting zijn gebracht.
Artikel 24
Voor de toepassing van de teruggaaf van belasting voor alcoholvrije
dranken, pruimtabak of snuiftabak die door een ondernemer zijn
overgebracht naar een ondernemer dan wel een publiekrechtelijk lichaam,
anders dan als ondernemer, in een andere lid-staat, dient belanghebbende
aan de hand van boeken en bescheiden aan te tonen dat de goederen hun
bestemming hebben bereikt.
Artikel 25
Bij een verzoek om teruggaaf binnen drie maanden na een
tariefwijziging van de belasting wordt teruggaaf ingevolge deze afdeling
bij een tariefverhoging naar het daarvóór geldende tarief en bij een
tariefverlaging naar het dan geldende tarief verleend, tenzij de
belanghebbende aantoont dat de belasting waarvan teruggaaf wordt
gevraagd, is voldaan naar het na de tariefverhoging geldende
onderscheidenlijk vóór de tariefverlaging gegolden hebbende hogere
tarief.
Artikel 26
1. Voor een verzoek om teruggaaf van belasting wordt gebruik
gemaakt van een van rijkswege beschikbaar gesteld elektronisch
formulier.
2. Tenzij anders bepaald wordt een verzoek om teruggaaf van
belasting ingediend bij de inspecteur uiterlijk drie maanden na afloop
van het kalenderkwartaal waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.
3. Degene die verzoekt om teruggaaf van belasting neemt in zijn
administratie de aankoopfacturen van de desbetreffende alcoholvrije
dranken, pruimtabak of snuiftabak op alsmede alle andere bescheiden
die in verband met het verzoek om teruggaaf zijn vereist.
4. De administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van
belasting is voorts zodanig ingericht, dat daarin op overzichtelijke
wijze alle van belang zijnde gegevens zijn opgenomen voor de
beoordeling van het bedrag van de teruggaaf.
Hoofdstuk IV. Bijzondere bepalingen
Afdeling 1. Controlebepalingen
Artikel 27
1.Van alcoholvrije dranken die worden vervoerd dan wel voorhanden
zijn buiten een inrichting of een entrepot, moet aan de hand van
bescheiden de herkomst kunnen worden aangetoond.
2.Het bescheid dat wordt gebruikt om de herkomst aan te tonen van
alcoholvrije dranken die worden vervoerd, mag niet ouder zijn dan zes
dagen.
3.Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot
alcoholvrije dranken die bij anderen dan ondernemers als bedoeld in
artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968, of publiekrechtelijke
lichamen, anders dan als ondernemer, voorhanden zijn of door hen
worden vervoerd voor eigen verbruik voor zover die produkten zich
bevinden in de gebruikelijke kleinhandelsverpakkingen.
Afdeling 2. Overige bepalingen
Artikel 28
Met betrekking tot het verlenen, het aanpassen en het intrekken van
op grond van dit besluit te verlenen vergunningen zijn de artikelen 45
tot en met 50 van de Wet op de accijns van overeenkomstige toepassing.
Artikel 29
In een douane-entrepot of een vrij entrepot in de zin van de
wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van
de Algemene douanewet, mogen voorhanden zijn:
a. niet-communautaire alcoholvrije dranken, pruimtabak of
snuiftabak als bedoeld in artikel 4, onderdeel 8, van het
Communautair douanewetboek;
b. communautaire alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak
als bedoeld in artikel 4, onderdeel 7, van het Communautair
douanewetboek die voor uitvoer zijn vrijgegeven en die in afwachting
van het verlaten van de Gemeenschap worden opgeslagen in een
douane-entrepot van het type B of C, met toepassing van artikel 106,
eerste lid, onderdeel a, van het Communautair douanewetboek in
samenhang met artikel 534 van de toepassingsverordening Communautair
douanewetboek.
Artikel 30
1.De voor opslag bestemde inrichtingen van de vergunninghouder van
een entrepot van het type E of van het type C, bedoeld in artikel 525,
tweede lid, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel c, van de
toepassingsverordening Communautair douanewetboek, kunnen voor de
opslag van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak als
inrichting worden aangewezen.
2.Uit de administratie van de vergunninghouder voor de inrichting
en voor een entrepot als bedoeld in het eerste lid, blijkt op
overzichtelijke wijze welke goederen in de inrichting zijn opgeslagen
en welke in het entrepot.
3.Met betrekking tot plaatsen waarvoor een vergunning als bedoeld
in het eerste lid is verleend, wordt onder het in artikel 5, derde
lid, onderdeel c, van de wet bedoelde brengen van alcoholvrije
dranken, pruimtabak of snuiftabak die zijn geplaatst onder een
communautaire douaneregeling vanuit het entrepot naar een inrichting
die voor dat soort goederen als zodanig is aangewezen, mede verstaan
het in de administratie overboeken van de goederen van het entrepot
naar de inrichting.
4.Voor de in het derde lid bedoelde overbrengingen is geen
vervoersopdracht vereist.
5.Op verzoek kunnen alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak
worden aangemerkt als voorhanden te zijn in plaatsen waarvoor een in
het eerste lid bedoelde vergunning is verleend indien zij in de
administratie van de inrichting dan wel van het entrepot zijn
opgenomen. In afwijking in zoverre van artikel 2, derde lid, worden de
vervoersopdrachten alsdan voorzien van de verklaring dat de goederen
in de administratie zijn opgenomen.
Hoofdstuk V. Ontheffing verbodsbepalingen
Tabaksprodukten
Artikel 31 [Vervallen per 01-07-2008]
Hoofdstuk VI. Strafbepalingen
Artikel 32
Strafbare feiten zijn:
a. het nalaten te voldoen aan een in de artikelen 2, vierde,
vijfde, zesde, achtste, negende, tiende en twaalfde lid, 3, tweede
en derde lid, 7, 11, 15, 16 en 27 opgenomen verplichting en een op
grond van artikel 12 opgelegde verplichting; en
b. het overigens in strijd met dit besluit vervoeren of
voorhanden hebben van alcoholvrije dranken, pruimtabak of
snuiftabak.
Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Artikel 33
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1993.
Artikel 34
Dit besluit kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbesluit
verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere
produkten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan
afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Het Oude Loo, 24 december 1992
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
M.J.J. van Amelsvoort
Uitgegeven de dertigste december 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|