| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Algemene wet inzake
rijksbelastingen (Awr)
UITVOERINGSREGELING
ALGEMENE WET INZAKE RIJKSBELASTINGEN 1994
Tekst zoals deze geldt op
29 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
De Staatssecretaris van Financiën;
Gelet op de artikelen 6, 7, 8, 13, 14, 19, 39, 40,
47a, 62 en 71 van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 31 van de Wet op de
loonbelasting 1964 en de artikelen 11 en 14 van de Wet op de
motorrijtuigenbelasting 1966;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepaling
Artikel 1
1. Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 5b, 5c, 5d, 6,
8, 13, 14, 19, 21d, 21k, 38, tweede lid, 39, 47b, tweede lid, 52,
vierde lid, 62 en 67, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen, artikel 67, tweede lid, onderdeel b, van de
Invorderingswet 1990, artikel 10, tweede lid, onderdeel b, van de
Registratiewet 1970, de artikelen 18 en 54 van de Wet op belastingen
van rechtsverkeer en artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting
1965.
2. Deze regeling verstaat onder de wet: de Algemene wet inzake
rijksbelastingen.
Hoofdstuk 1a. Voorwaarden algemeen nut beogende instellingen, sociaal
belang behartigende instellingen en steunstichtingen SBBI
Artikel 1a
1. Een instelling wordt door de inspecteur aangemerkt als een
algemeen nut beogende instelling indien en zolang:
a. uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de
instelling blijkt dat de instelling met het totaal van haar
algemeen nuttige activiteiten geen winstoogmerk heeft;
b. uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de
instelling blijkt dat de instelling uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend het algemeen belang dient;
c. uit de regelgeving van de instelling en de feiten blijkt dat
een natuurlijk persoon noch een rechtspersoon over het vermogen
van de instelling kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen,
met dien verstande dat de inspecteur, zo nodig onder door hem te
stellen voorwaarden, kan toestaan dat een steunstichting en de
instelling of instellingen welke door deze stichting wordt
ondersteund, onderscheidenlijk worden ondersteund, over en weer
kunnen beschikken over elkaars vermogen als ware het eigen
vermogen;
d. de instelling niet meer vermogen aanhoudt dan is aangegeven
in artikel 1b;
e. de leden van het orgaan van de instelling dat het beleid
bepaalt, ter zake van de door hen in die hoedanigheid voor de
instelling verrichte werkzaamheden geen andere beloning ontvangen
dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet-bovenmatig
vacatiegeld;
f. de instelling beschikt over een actueel beleidsplan dat
inzicht geeft in de door de instelling te verrichten werkzaamheden
ter verwezenlijking van haar doelstelling, de wijze van werving
van inkomsten, het beheer van het vermogen van de instelling en de
besteding daarvan;
g. de beheerkosten van de instelling in redelijke verhouding
staan tot de bestedingen ten behoeve van het doel van de
instelling;
h. uit de regelgeving van de instelling blijkt dat bij
opheffing van de instelling een batig liquidatiesaldo wordt
besteed ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling met
een soortgelijke doelstelling of van een buitenlandse instelling
die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt en
die een soortgelijke doelstelling heeft, en
i. de administratie van de instelling zodanig is ingericht dat
daaruit duidelijk blijkt:
1°. de aard en omvang van de aan de afzonderlijke leden
van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt
toekomende onkostenvergoedingen en vacatiegelden;
2°. de aard en omvang van de kosten die door de instelling
zijn gemaakt ten behoeve van het beheer van de instelling,
alsmede de aard en omvang van de andere uitgaven van de
instelling;
3°. de aard en omvang van de inkomsten van de instelling,
en
4°. de aard en omvang van het vermogen van de instelling.
2. Een algemeen nut beogende instelling mag ter financiering van
haar doelstelling commerciële activiteiten ontplooien, indien de
inkomsten, zijnde het saldo van baten en lasten, gerealiseerd met die
activiteiten, in overeenstemming met artikel 1b, binnen een redelijke
termijn geheel of nagenoeg geheel ten goede komen aan die
doelstelling.
3. De beschikking waarbij een instelling wordt aangemerkt als een
algemeen nut beogende instelling kan terugwerken tot en met een voor
dagtekening daarvan gelegen datum.
4. De inspecteur maakt het aanmerken van een instelling als een
algemeen nut beogende instelling op een daartoe geschikte wijze
publiek bekend. Het niet meer als zodanig aanmerken wordt ook op een
daartoe geschikte wijze publiek bekendgemaakt.
5. Onder algemeen nuttige activiteiten worden voor de toepassing
van dit artikel verstaan: alle activiteiten die erop zijn gericht om
de doelstelling van een algemeen nut beogende instelling te
verwezenlijken of te bevorderen. Activiteiten zijn geen algemeen
nuttige activiteiten indien de instelling het geheel van die
activiteiten tegen commerciële tarieven verricht.
6. Onder commerciële activiteiten worden voor de toepassing van
dit artikel verstaan: het tegen commerciële tarieven verrichten van
werkzaamheden of verlenen van diensten met het oogmerk hiermee ter
financiering van de algemeen nuttige activiteiten van de instelling
een positief resultaat te behalen.
Artikel 1b
1. Een algemeen nut beogende instelling houdt niet meer vermogen
aan dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene
werkzaamheden ten behoeve van de doelstelling van de instelling.
2. Onder vermogen dat nodig is voor de continuïteit van de
voorziene werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid worden begrepen:
a. vermogen of bestanddelen daarvan die krachtens uiterste
wilsbeschikking of schenking door de instelling zijn verkregen, en
die op grond van aan die uiterste wilsbeschikking of schenking
verbonden voorwaarden, al dan niet in reële termen, in stand
moeten worden gehouden;
b. vermogensbestanddelen voor zover de instandhouding daarvan
voortvloeit uit de doelstelling van die instelling, en
c. activa en voor de voorziene aanschaf van activa aangehouden
vermogensbestanddelen, voor zover een instelling die activa
redelijkerwijs nodig heeft ten behoeve van de doelstelling van de
instelling.
3. De algemeen nut beogende instelling vermeldt in haar financiële
administratie het doel waarvoor het vermogen wordt aangehouden,
alsmede een motivering voor de omvang van dat vermogen.
Artikel 1c
Als staat als bedoeld in artikel 5b, eerste lid, onderdeel a, onder
3°, en onderdeel b, van de wet en als bedoeld in artikel 5c, onderdeel
d, van de wet wordt aangewezen elke mogendheid waarmee in de relatie met
Nederland voor de heffing van inkomstenbelasting,
vennootschapsbelasting, schenkbelasting en erfbelasting zonder
beperkingen of voorbehouden de uitwisseling is geregeld van gegevens,
inlichtingen en gegevensdragers.
Artikel 1d
1. Een algemeen nut beogende instelling wordt door de inspecteur
aangemerkt als een culturele instelling, indien en zolang uit de
regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt
dat de instelling zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend richt op
cultuur.
2. De beschikking waarbij een algemeen nut beogende instelling
wordt aangemerkt als een culturele instelling kan terugwerken tot en
met een voor dagtekening daarvan gelegen datum.
3. De inspecteur maakt het aanmerken van een instelling als een
culturele instelling op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.
Het niet meer als zodanig aanmerken wordt ook op een daartoe geschikte
wijze publiek bekendgemaakt.
Artikel 1e
1. Bij een verzoek een categorie instellingen dan wel een groep van
met elkaar verbonden instellingen bij één voor bezwaar vatbare
beschikking aan te merken als algemeen nut beogende instellingen of
als culturele instellingen (gemeenschappelijke aanwijzing), wordt in
het verzoek vermeld op welke instellingen het verzoek betrekking
heeft.
2. Een instelling waarop een verzoek om een gemeenschappelijke
aanwijzing betrekking heeft maar die niet voldoet aan de voorwaarden
voor aanmerking als algemeen nut beogende instelling, wordt niet in de
gemeenschappelijke aanwijzing opgenomen.
3. Een beschikking inzake een gemeenschappelijke aanwijzing kan met
betrekking tot elk van de aldus aangemerkte instellingen afzonderlijk
worden ingetrokken, met ingang van het tijdstip waarop die instelling
niet meer voldoet aan de voorwaarden. Het intrekken van die
beschikking kan terugwerken tot en met een voor dagtekening daarvan
gelegen datum.
Artikel 1f
1. Een stichting kwalificeert als een steunstichting SBBI, indien
en zolang:
a. uit haar statuten en feitelijke werkzaamheden blijkt:
1°. dat zij is opgericht uitsluitend met het doel om geld
in te zamelen ter ondersteuning van een bepaalde sociaal
belang behartigende instelling die lid is van een landelijke,
representatieve koepel op het gebied van sport of muziek;
2°. dat het ingezamelde geld uitsluitend bestemd is voor
een bijzondere investering of uitgave ter gelegenheid van de
viering door die instelling van haar 5-jarig bestaan of een
veelvoud daarvan;
3°. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de onder
2° bedoelde viering;
4°. dat de leden van het orgaan van de stichting dat het
beleid bepaalt, ter zake van de door hen in die hoedanigheid
voor de stichting verrichte werkzaamheden geen andere beloning
ontvangen dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en een
niet-bovenmatig vacatiegeld;
5°. dat de stichting het voor de in de onder 2° bedoelde
viering ingezamelde geld besteedt in het kalenderjaar van de
bedoelde viering, het daaraan voorafgaande kalenderjaar of
uiterlijk in het kalenderjaar erna;
6°. dat bij opheffing van de stichting een batig
liquidatiesaldo wordt besteed ten behoeve van een algemeen nut
beogende instelling, en
7°. het kalenderjaar dat zij als steunstichting SBBI wil
kwalificeren;
b. de administratie van de stichting zodanig is ingericht dat
daaruit blijkt:
1°. de aard en omvang van de aan de afzonderlijke leden
van het orgaan van de stichting dat het beleid bepaalt
toekomende onkostenvergoedingen en vacatiegelden, en
2°. de aard en omvang van de kosten die door de stichting
zijn gemaakt ten behoeve van het beheer van de stichting,
alsmede de aard en omvang van de uitgaven van de stichting ten
behoeve van de in onderdeel a, onder 2°, bedoelde viering.
2. Bij de geldinzameling door de stichting wordt duidelijk
aangegeven wat het doel is van de inzameling, alsmede wat het in het
eerste lid, onderdeel a, onder 7°, bedoelde jaar is.
3. Per sociaal belang behartigende instelling kan slechts één
stichting per viering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
onder 2°, als steunstichting SBBI kwalificeren.
4. De inspecteur maakt het bestaan van een steunstichting SBBI op
een daartoe geschikte wijze publiek bekend.
Hoofdstuk 2. Verzoek om uitnodiging tot het doen van aangifte
Artikel 2
1. Met betrekking tot belastingen welke bij wege van aanslag worden
geheven, is de belastingplichtige die niet binnen zes maanden na het
tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan is uitgenodigd tot het
doen van aangifte, gehouden de inspecteur om uitnodiging tot het doen
van aangifte te verzoeken.
2. In afwijking van het eerste lid is, met betrekking tot de
erfbelasting, de belastingplichtige die niet binnen de in artikel 45
van de Successiewet 1956 bedoelde termijn van acht maanden is
uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden de inspecteur om
uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.
3. In afwijking van het eerste lid is, met betrekking tot de
schenkbelasting, de belastingplichtige begiftigde, alsmede de schenker
die de belastbare schenking heeft gedaan, die niet binnen twee maanden
na het einde van het kalenderjaar waarin de schenking heeft
plaatsgevonden is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden de
inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.
4. Het verzoek wordt ingediend binnen twee weken na het verstrijken
van de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde tijdvakken.
5. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een belastingschuld
waarvan de grootte eerst kan worden vastgesteld na afloop van het
tijdvak waarover de belasting wordt geheven, geacht te zijn ontstaan
op het tijdstip waarop dat tijdvak of de belastingplicht eindigt.
6. Het eerste lid is niet van toepassing, indien over het tijdvak
waarover de belasting wordt geheven reeds een aanslag is opgelegd, dan
wel redelijkerwijs moet worden aangenomen dat over dat tijdvak, na
verrekening van voorheffingen, geen belasting verschuldigd is of geen
aanslag zal worden opgelegd.
Artikel 3
1.Met betrekking tot de belastingen welke op aangifte moeten worden
voldaan of afgedragen, is de belastingplichtige, onderscheidenlijk de
inhoudingsplichtige, die niet reeds is uitgenodigd tot het doen van
aangifte, gehouden vóór het tijdstip waarop de belasting moet worden
betaald, de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te
verzoeken.
2.Een lichaam als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, dat weet of
redelijkerwijs moet vermoeden dat een verkrijging van aandelen in dat
lichaam heeft plaatsgehad onder de in die bepaling genoemde
omstandigheden, is gehouden vóór het tijdstip waarop de belasting
ter zake van die verkrijging moet worden betaald, de inspecteur om
uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken, zo het lichaam
niet reeds met het oog op die verkrijging is uitgenodigd tot het doen
van aangifte.
3.Een vereniging als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b,
van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, die voor een bepaald
kalenderjaar niet reeds is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is
gehouden binnen veertien dagen na afloop daarvan de inspecteur om
uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.
Artikel 4
De in de artikelen 2 en 3 omschreven verplichtingen gelden mede voor
de in de artikelen 43 en 44 van de wet bedoelde personen.
Hoofdstuk 3. Uitnodiging tot het doen van aangifte
Artikel 4a
1. Het uitnodigen tot het doen van aangifte geschiedt door het
uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waaruit blijkt de wijze
van het doen van aangifte, een omschrijving van de gevraagde gegevens
of bescheiden en de termijn waarbinnen aangifte moet worden gedaan.
2. Indien de aangifte ingevolge artikel 20 langs elektronische weg
wordt gedaan, kan de aangiftebrief langs elektronische weg verzonden
worden.
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 18a [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2001]
Hoofdstuk 4. Het doen van aangifte en melding
Artikel 20
1. Aangifte wordt gedaan door het op de in de aangiftebrief,
bedoeld in artikel 4a, aangegeven wijze, inleveren of toezenden van de
gevraagde gegevens of bescheiden.
2. Aangifte door een administratieplichtige als bedoeld in artikel
52, tweede lid, van de wet wordt langs elektronische weg gedaan indien
het betreft:
a. de inkomstenbelasting: ingeval de administratieplichtige,
bedoeld in artikel 52, tweede lid, onderdeel b, van de wet
binnenlands belastingplichtige is;
b. de vennootschapsbelasting: ingeval de administratieplichtige
binnenlands belastingplichtige is;
c. de omzetbelasting: ingeval de administratieplichtige of
diens fiscale vertegenwoordiger als bedoeld in de Wet op de
omzetbelasting 1968, in Nederland woont of is gevestigd;
d. de loonbelasting;
e. de accijns;
f. de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van
enkele andere produkten;
g. de verpakkingenbelasting.
3. De in het tweede lid bedoelde verplichting geldt niet indien de
inspecteur een papieren aangiftebiljet uitreikt. De inspecteur kan een
papieren aangiftebiljet uitreiken indien de aangifte betrekking heeft
op een gedeelte van een tijdvak.
4. Het tweede lid is niet van toepassing met betrekking tot
pseudo-eindheffing als bedoeld in artikel 32bb en artikel 32bc van de
Wet op de loonbelasting 1964.
Artikel 21
1. Met betrekking tot de erfbelasting en de schenkbelasting
verleent de inspecteur ontheffing van de verplichting de in de
uitnodiging tot het doen van aangifte gevraagde gegevens en bescheiden
en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan in te leveren of toe te
zenden indien:
a. de belastingplichtige binnen de voor het doen van aangifte
gestelde termijn op een andere wijze de in de uitnodiging tot het
doen van aangifte gevraagde gegevens en bescheiden en andere
gegevensdragers of de inhoud daarvan verstrekt;
b. de belastingplichtige het stuk dat deze gegevens bevat
duidelijk, stellig en zonder voorbehoud opstelt en ondertekent.
2. De belastingplichtige is niet gehouden tot de verplichting,
bedoeld in artikel 2, tweede en derde lid, indien hij binnen de aldaar
gestelde termijnen heeft voldaan aan de in het eerste lid, onderdelen
a en b, gestelde voorwaarden.
Artikel 21a
1.Met betrekking tot de overdrachtsbelasting ter zake van een
verkrijging van andere goederen dan bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, waarvan een
notariële akte is opgemaakt, wordt aangifte gedaan door het aanbieden
van die akte ter registratie. Het verschuldigde bedrag aan
overdrachtsbelasting wordt vermeld in een aan de voet van de akte
gestelde, door de verkrijger of namens deze door de notaris
ondertekende verklaring. In die verklaring wordt tevens vermeld of in
verband met de verkrijging van de onroerende zaak of zaken tevens een
of meer roerende zaken zijn verkregen. Indien dat het geval is, wordt
in de verklaring voorts vermeld welke roerende zaak of zaken het
betreft, voor welk bedrag deze werd of werden verkregen en of dat
bedrag is begrepen in de in de akte vermelde tegenprestatie voor de
onroerende zaak of zaken. Voorzover overigens in de akte niet alle
gegevens voorkomen waarvan kennisneming van belang kan zijn voor de
heffing van de overdrachtsbelasting worden deze eveneens opgenomen in
de verklaring.
2.Voorzover de gegevens, bedoeld in de vierde volzin van het eerste
lid, zijn opgenomen in het lichaam van de akte of in een aan de akte
gehechte en door de verkrijger ondertekende bijlage kan in de
verklaring worden volstaan met een verwijzing naar die gegevens.
3.De aangifte, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan door
een afschrift van de aldaar bedoelde akte, vergezeld van het daartoe
door de Belastingdienst beschikbaar gestelde voorblad, langs
elektronische weg ter registratie aan te bieden. Dit voorblad treedt
dan in de plaats van de in het eerste lid bedoelde verklaring.
Artikel 21b
Aan de verplichting, bedoeld in artikel 54 van de Wet op belastingen
van rechtsverkeer, wordt voldaan door het duidelijk, stellig en zonder
voorbehoud invullen, ondertekenen en inleveren of toezenden van het door
de inspecteur uitgereikte of toegezonden meldingsbiljet.
Artikel 21c
De aangifte, bedoeld in artikel 10, van de Wet op de
dividendbelasting 1965, wordt gedaan binnen drie jaren na afloop van het
kalenderjaar waarin de opbrengst ter beschikking is gesteld.
Artikel 22
Van de verplichting de in de uitnodiging tot het doen van aangifte
gevraagde gegevens en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud
daarvan in te leveren of toe te zenden, kan de inspecteur ontheffing
verlenen ingeval degene die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, op
een binnen de door de inspecteur ingevolge artikel 9, eerste tot en met
derde lid, van de wet gestelde termijn ingediend verzoek opnieuw is
uitgenodigd tot het doen van aangifte.
Hoofdstuk 5. Voorlopige aanslag
Artikel 23
1.De inspecteur legt een voorlopige aanslag op, indien het bedrag
waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, na verrekening
van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, zulks naar
zijn mening rechtvaardigt.
2.De bepaling van het bedrag waarop een voorlopige aanslag die
wordt vastgesteld in het tijdvak waarover de belasting wordt geheven,
dan wel na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, kan
geschieden:
a. voor de inkomstenbelasting: op grond van de gegevens die
hebben gediend ter vaststelling van de meest recente
belastingaanslag over het meest recente kalenderjaar;
b. voor de vennootschapsbelasting: op grond van het gemiddelde
dat voortvloeit uit de gegevens die hebben gediend ter
vaststelling van de meest recente belastingaanslag over elk van de
twee voorafgaande jaren; met dien verstande dat daarbij op
benaderende wijze rekening kan worden gehouden met wijzigingen in
de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van de belasting
alsmede met andere wijzigingen die voor de heffing van de
belasting van belang kunnen zijn.
Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag
waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, na verrekening
van voorheffingen, lager is dan het op de voet van de vorige volzin
berekende bedrag, wordt de voorlopige aanslag gesteld op dit lagere
bedrag.
3.De voorlopige aanslag van een fiscale eenheid als bedoeld in
artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, wordt, over
het jaar waarin het voegingstijdstip valt, alsmede die over het
daaropvolgende jaar, vastgesteld alsof de moedermaatschappij en de
dochtermaatschappij gedurende de twee voorafgaande jaren reeds
verenigd waren.
Artikel 24
Indien een voorlopige aanslag inkomstenbelasting is of zal worden
vastgesteld en een relevante wijziging optreedt in de omstandigheden die
van belang zijn voor de opgelegde of op te leggen voorlopige aanslag,
doet de belastingplichtige daarvan zo spoedig mogelijk op de door de
inspecteur aangewezen wijze mededeling aan de inspecteur. Deze
mededeling wordt geacht een verzoek om herziening als bedoeld in artikel
9.5, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 te zijn.
Artikel 24a
Een verzoek tot vaststelling van een voorlopige aanslag voor de
inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting alsmede een verzoek tot
herziening als bedoeld in artikel 9.5, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, onderscheidenlijk artikel 27, tweede lid, van
de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, van een dergelijke voorlopige
aanslag wordt op de door de inspecteur aangegeven wijze langs
elektronische weg gedaan, ingeval het verzoek wordt gedaan door een
administratieplichtige als bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de wet
die binnenlands belastingplichtige is.
Hoofdstuk 6. Tijdvak
Artikel 25
1. Het tijdvak waarover de omzetbelasting, de belasting van
personenauto’s en motorrijwielen, de assurantiebelasting en de
vliegbelasting moeten worden betaald, is het kalenderkwartaal of,
indien de inspecteur zulks vordert, dan wel de belastingplichtige over
een kalendermaand aangifte doet, de kalendermaand.
2. Ten aanzien van de belastingplichtige met een boekjaar van
twaalf maanden dat niet samenvalt met het kalenderjaar, treden de
boekjaarkwartalen en de boekjaarmaanden in de plaats van de
kalenderkwartalen, onderscheidenlijk de kalendermaanden.
3. In bijzondere gevallen kan de inspecteur een ander tijdvak dan
een kwartaal of een maand aanwijzen als tijdvak waarover de in het
eerste lid bedoelde belastingen moeten worden betaald.
4. Het tijdvak waarover de in het eerste lid bedoelde belastingen
moeten worden betaald, wordt ten aanzien van degene die op enig
tijdstip - anders dan tijdelijk - ophoudt belastingplichtige te zijn,
vervangen door het op dat tijdstip verstreken gedeelte van dat
tijdvak.
Artikel 26
1. Het tijdvak waarover de accijnzen, de verbruiksbelastingen van
alcoholvrije dranken, de kansspelbelasting geheven van degene die
gelegenheid geeft tot deelneming aan binnenlandse casinospelen of aan
binnenlandse kansspelen welke via het internet worden gespeeld, of van
de exploitant van een kansspelautomatenspel, de belastingen op
grondwater, op leidingwater, op afvalstoffen en op kolen, alsmede de
energiebelasting, moeten worden betaald, is de kalendermaand.
2. Ten aanzien van de belastingplichtige met een boekjaar van
twaalf maanden dat niet samenvalt met het kalenderjaar, treden de
boekjaarmaanden in de plaats van de kalendermaanden.
3. In bijzondere gevallen kan de inspecteur een ander tijdvak dan
de kalendermaand aanwijzen als tijdvak waarover de in het eerste lid
bedoelde belastingen moeten worden betaald.
4. Het tijdvak waarover de in het eerste lid bedoelde belastingen
moeten worden betaald, wordt ten aanzien van degene die op enig
tijdstip - anders dan tijdelijk - ophoudt belastingplichtige te zijn,
vervangen door het op dat tijdstip verstreken gedeelte van dat
tijdvak.
Artikel 27 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 28
1.Het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald is de
kalendermaand of periode van vier aaneengesloten weken. De inspecteur
deelt aan de inhoudingsplichtige mee welk tijdvak voor hem in een
kalenderjaar van toepassing is.
2.Bij een tijdvak van vier aaneengesloten weken vangt het eerste
tijdvak van het kalenderjaar aan op de maandag voorafgaande aan de
eerste donderdag van het kalenderjaar.
3.Bij een tijdvak van vier aaneengesloten weken bevat het
kalenderjaar maximaal 13 tijdvakken.
4.Bij een tijdvak van vier aaneengesloten weken geldt, in zoverre
in afwijking van het tweede lid, dat:
a. ingeval het eerste tijdvak van het kalenderjaar aanvangt na
1 januari van het kalenderjaar, de periode vanaf 1 januari tot de
aanvang van het eerste tijdvak wordt toegevoegd aan dat eerste
tijdvak;
b. ingeval het laatste tijdvak van het kalenderjaar eindigt
voor 31 december van het kalenderjaar, de periode na het einde van
het laatste tijdvak tot en met 31 december van het kalenderjaar
wordt toegevoegd aan dat laatste tijdvak;
c. ingeval het eerste tijdvak van het kalenderjaar aanvangt in
het vorige kalenderjaar, de periode tot en met 31 december van het
vorige kalenderjaar wordt toegevoegd aan het laatste tijdvak van
het vorige kalenderjaar;
d. ingeval het laatste tijdvak van het kalenderjaar eindigt in
het volgende kalenderjaar, de periode vanaf 1 januari van het
volgende kalenderjaar wordt toegevoegd aan het eerste tijdvak van
het volgende kalenderjaar.
5.Het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald, wordt
ten aanzien van degene die op enig tijdstip – anders dan tijdelijk
– ophoudt inhoudingsplichtige te zijn, vervangen door het op dat
tijdstip verstreken gedeelte van dat tijdvak.
Artikel 29
In afwijking van artikel 28, eerste lid, is het tijdvak waarover de
loonbelasting moet worden betaald:
a. voor de zelfstandige binnenschipper die woonplaats heeft
gekozen ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit
Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964: het kalenderhalfjaar,
tenzij de inspecteur vordert dat artikel 28 ten aanzien van deze
binnenschipper van toepassing is;
b. voor de natuurlijke persoon ter zake van de loonbelasting van
de werknemer die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten
verricht ten behoeve van diens huishouden, daaronder begrepen het
verlenen van zorg aan de leden van dat huishouden: het kalenderjaar;
c. voor de ouder ter zake van de loonbelasting van zijn in zijn
onderneming werkzame kinderen voorzover de belasting is geheven door
inhouding volgens artikel 27, zesde lid, van de Wet op de
loonbelasting 1964: het kalenderjaar;
d. voor de natuurlijke persoon ter zake van de loonbelasting van
de werknemer die uitsluitend diensten verricht in het kader van
voorzieningen als bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdelen b en
d, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen: het
kalenderjaar.
Hoofdstuk 7. Uitstel van betaling
Artikel 30
1.De inspecteur verleent op verzoek van de belastingplichtige,
onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, uitstel van betaling van
loonbelasting of omzetbelasting over een tijdvak, indien met
betrekking tot dat tijdvak, dan wel een tijdvak dat is geëindigd
vóór of tegelijk met dat tijdvak, door die belastingplichtige,
onderscheidenlijk die inhoudingsplichtige, een verzoek om teruggaaf
van omzetbelasting is gedaan vanwege het feit dat de verschuldigde
omzetbelasting minder beloopt dan de voor aftrek in aanmerking komende
omzetbelasting.
Ingeval loonbelasting moet worden betaald over een tijdvak van vier
weken dat niet aan het einde van een kalendermaand eindigt, wordt voor
de toepassing van de eerste volzin:
a. dat tijdvak geacht te zijn geëindigd aan het einde van de
kalendermaand waarin het tijdvak is geëindigd;
b. het twaalfde tijdvak van het kalenderjaar, in afwijking van
onderdeel a, geacht te zijn geëindigd aan het einde van het
kalenderjaar.
2.Uitstel wordt slechts verleend tot het beloop van de teruggaaf
omzetbelasting.
3.Uitstel wordt niet verleend indien:
a. de aangifte waarvan uitstel wordt verzocht niet tijdig is
gedaan;
b. het verzoek niet uiterlijk gelijktijdig met de in onderdeel
a bedoelde aangifte is gedaan;
c. het verzoek niet mede bevat een machtiging aan de ontvanger
om de teruggaaf omzetbelasting aan te wenden voor de betaling op
de aangifte waarvan uitstel wordt verzocht; of
d. de teruggaaf omzetbelasting op de voet van artikel 24 van de
Invorderingswet 1990 kan worden verrekend met onherroepelijk
vaststaande belastingaanslagen.
4.Indien degene die het verzoek om uitstel doet een
dochtermaatschappij, onderscheidenlijk een moedermaatschappij is met
betrekking tot welke vennootschapsbelasting wordt geheven met
toepassing van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969, is het eerste lid eveneens van toepassing indien het verzoek om
teruggaaf van omzetbelasting is gedaan door de moedermaatschappij, dan
wel door een andere dochtermaatschappij die voor de heffing van
vennootschapsbelasting in deze is opgegaan, onderscheidenlijk door een
dochtermaatschappij.
Hoofdstuk 7a. Basisregistratie inkomen
Artikel 30a
De inspecteur bepaalt zo spoedig mogelijk doch binnen vijf werkdagen
na de ontvangst van een terugmelding als bedoeld in artikel 21d, eerste
lid, onderdeel a, van de wet of het ontstaan van een situatie als
bedoeld in artikel 21d, eerste lid, onderdeel d, van de wet, of de
aantekening ‘in onderzoek’ al dan niet wordt geplaatst.
Artikel 30b
De inspecteur vermindert ambtshalve een inkomensgegeven dat op een te
hoog bedrag is bepaald zodra hem dat is gebleken, tenzij:
a. vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar
waarop het inkomensgegeven betrekking heeft;
b. de onjuistheid van het inkomensgegeven voortvloeit uit
jurisprudentie die eerst is gewezen nadat de met het inkomensgegeven
samenhangende inkomstenbelasting- of loonbelastingschuld
onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van
Financiën anders heeft bepaald;
c. de onjuistheid van het inkomensgegeven voortvloeit uit
beleidsregels van de Minister van Financiën die eerst zijn
uitgevaardigd nadat de met het inkomensgegeven samenhangende
inkomstenbelasting- of loonbelastingschuld onherroepelijk vast is
komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft
bepaald;
d. de onjuistheid van het inkomensgegeven voortvloeit uit de
omstandigheid dat eerst nadat de met het inkomensgegeven
samenhangende inkomstenbelasting- of loonbelastingschuld
onherroepelijk vast is komen te staan een beroep wordt gedaan op een
fiscale faciliteit, waarop een beroep moet worden gedaan bij de
aangifte of op een ander wettelijk voorgeschreven moment; of
e. sprake is van enig feit waardoor het inkomensgegeven op een te
hoog bedrag is bepaald en enig ander inkomensgegeven, al dan niet
van dezelfde betrokkene, ter zake van datzelfde feit op een te laag
bedrag is bepaald, met dien verstande dat in dat geval wel
ambtshalve vermindering plaatsvindt voor zover de met het
laatstgenoemde inkomensgegeven samenhangende inkomstenbelasting of
loonbelasting is of kan worden geheven.
Hoofdstuk 8. Heffingsrente
Artikel 31
1. Bij de bepaling van het aantal dagen waarover ingevolge
hoofdstuk VA van de wet belastingrente wordt berekend, wordt een volle
kalendermaand gesteld op 30 dagen, met uitzondering van de maand op de
laatste dag waarvan het tijdvak waarover de rente wordt berekend
eindigt, in welk geval het werkelijke aantal dagen in aanmerking wordt
genomen.
2. Het bedrag van de in rekening te brengen belastingrente wordt
naar beneden afgerond op gehele euro’s.
3. Het bedrag van de te vergoeden belastingrente wordt naar boven
afgerond op gehele euro’s.
Hoofdstuk 8a. Voorkoming van dubbele belasting; eenzijdige regeling
Artikel 31a
Voor de toepassing van artikel 38, tweede lid, van de wet, worden van
de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte aangewezen: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein.
Hoofdstuk 9. Vrijstellingen
Artikel 32
1.Een op grond van artikel 39 van de wet te verlenen vrijstelling
wordt:
a. voorwaardelijk verleend;
b. voor goederen of diensten verleend voor redelijke
hoeveelheden.
De inspecteur kan nadere voorwaarden en beperkingen stellen.
2.Een in het eerste lid bedoelde vrijstelling vervalt wanneer niet
of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden die voor de
vrijstelling gelden. Aan de voorwaarden die voor een vrijstelling
gelden, wordt in ieder geval niet voldaan wanneer een goed of de
nutswaarde van een dienst ten aanzien waarvan vrijstelling is
verleend, geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt door of ten goede komt
aan een ander dan degene ten behoeve van wie de vrijstelling is
verleend. Indien een instelling of persoon niet langer aanspraak heeft
op een in het eerste lid bedoelde vrijstelling, vervalt de
vrijstelling voor in het verleden met vrijstelling aangeschafte
goederen en diensten, voorzover het goed of het nut van de dienst
geacht kan worden nog niet volledig te zijn verbruikt.
3.Wanneer een in het eerste lid bedoelde vrijstelling vervalt, is
de belasting waarvan vrijstelling is verleend, verschuldigd door
degene ten behoeve van wie de vrijstelling is verleend. De instelling
of persoon wordt terzake aangemerkt als belastingplichtige. De
verschuldigde belasting wordt berekend naar het tarief - en voorzover
van toepassing de dagwaarde van het goed of de resterende nutswaarde
van de dienst ten aanzien waarvan vrijstelling is verleend - op het
moment dat de vrijstelling vervalt. Ingeval van oneigenlijk gebruik
van een vrijstelling wordt de verschuldigde belasting vastgesteld op
ten minste het bedrag waarvan vrijstelling werd verleend.
4.Een in het eerste lid bedoelde vrijstelling van omzetbelasting
wordt verleend in de vorm van teruggaaf van betaalde belasting.
Ingeval evenwel een prestatie wordt verricht aan een diplomatieke of
consulaire vertegenwoordiging, een internationale organisatie,
buitenlandse NAVO-strijdkrachten of een militaire begraafplaats, kan
de ondernemer die de prestatie verricht, afzien van het in rekening
brengen van omzetbelasting indien de instelling tijdig aan de
ondernemer een geldige verklaring van de inspecteur ter beschikking
stelt waaruit blijkt dat geen belasting in rekening hoeft te worden
gebracht. Op verzoek van de in de tweede volzin bedoelde instelling
geeft de inspecteur deze verklaring af indien naar zijn oordeel
aanspraak bestaat op vrijstelling van omzetbelasting en de vergoeding
ten minste € 35.000 bedraagt.
5.De in het eerste lid bedoelde vrijstellingen van omzetbelasting
en accijns met betrekking tot motorbrandstoffen bestemd voor officieel
gebruik door een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging of een
internationale organisatie, of bestemd voor persoonlijk gebruik door
een lid of personeelslid van een dergelijke instelling worden slechts
verleend indien voor het motorrijtuig een CD-kenteken is afgegeven,
dan wel een BN/GN-kenteken in de serie 70-00 tot en met 88-99. De
vrijstellingen wordt verleend in de vorm van teruggaaf van betaalde
belasting.
6.Met inachtneming van hetgeen is bepaald in het eerste, tweede en
derde lid wordt in gevallen waarin op grond van artikel 39 van de wet
aanspraak bestaat op vrijstelling van belastingen bij invoer van een
motorrijtuig mede een vrijstelling verleend van omzetbelasting bij
levering dan wel intracommunautaire verwerving van een motorrijtuig.
De voorwaarden en beperkingen van de desbetreffende vrijstelling van
belastingen bij invoer zijn van overeenkomstige toepassing.
7.Voor de in het vijfde lid bedoelde instellingen en personen zijn
ter zake van een in het eerste lid bedoelde vrijstelling van
omzetbelasting met betrekking tot motorbrandstoffen, vrijstelling van
accijns en vrijstelling van belasting van personenauto's en
motorrijwielen de voorwaarden van de artikelen 7:8 tot en met 7:14 van
de Algemene douaneregeling van overeenkomstige toepassing.
Artikel 32a
1.In gevallen waarin op grond van artikel 39 van de wet een
vrijstelling wordt verleend van omzetbelasting geheven ter zake van de
levering van aardgas of elektriciteit, bestemd voor officieel gebruik
door een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, een
internationale organisatie, buitenlandse NAVO-strijdkrachten of een
militaire begraafplaats, wordt mede een vrijstelling verleend van
energiebelasting.
2.De vrijstelling van energiebelasting wordt gerealiseerd door
teruggaaf van in rekening gebrachte en betaalde belasting. De
vrijstelling kan evenwel direct worden gerealiseerd ten aanzien van de
NAVO, buitenlandse NAVO-strijdkrachten en militaire begraafplaatsen,
indien de inspecteur aan degene die de levering verricht een
vergunning heeft afgegeven om ter zake van die levering geen belasting
in rekening te brengen.
3.Een verzoek om teruggaaf van energiebelasting wordt ingediend
binnen dertien weken nadat de eindafrekening van het
energiedistributiebedrijf is verzonden. Bij het verzoek om teruggaaf
wordt de eindfactuur van het energiedistributiebedrijf overgelegd.
Deze factuur wordt bij de beschikking op het verzoek om teruggaaf
teruggezonden. Artikel 91 van de Wet belastingen op milieugrondslag is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 32b
1.In gevallen waarin op grond van artikel 39 van de wet een
vrijstelling wordt verleend van omzetbelasting geheven ter zake van de
levering van water, bestemd voor officieel gebruik door een
diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, een internationale
organisatie, buitenlandse NAVO-strijdkrachten of een militaire
begraafplaats, wordt mede een vrijstelling verleend van belasting op
leidingwater.
2.De vrijstelling van belasting op leidingwater wordt gerealiseerd
door teruggaaf van in rekening gebrachte en betaalde belasting. De
vrijstelling kan evenwel direct worden gerealiseerd ten aanzien van de
NAVO, buitenlandse NAVO-strijdkrachten en militaire begraafplaatsen,
indien de inspecteur aan degene die de levering verricht een
vergunning heeft afgegeven om ter zake van die levering geen belasting
in rekening te brengen.
3.Een verzoek om teruggaaf van belasting op leidingwater wordt
ingediend binnen dertien weken nadat de eindafrekening van het
waterleidingbedrijf of van de afzonderlijke watervoorziening is
verzonden. Bij het verzoek om teruggaaf wordt de eindfactuur van het
waterleidingbedrijf of van de afzonderlijke watervoorziening
overgelegd. Deze factuur wordt bij de beschikking op het verzoek om
teruggaaf teruggezonden. Artikel 91 van de Wet belastingen op
milieugrondslag is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 33
1.Van de belastingen, genoemd in het derde lid van dit artikel
zijn, met inachtneming van hetgeen is bepaald in de artikelen 34, 36,
37 en 38, vrijgesteld de leden van diplomatieke vertegenwoordigingen
en, met uitzondering van honoraire consuls, de leden van consulaire
vertegenwoordigingen van andere Mogendheden, mits zij:
a. geen Nederlander zijn; en
b. niet duurzaam verblijf houden in Nederland.
De vrijstellingen, bedoeld in het derde lid, onderdelen c, d, e en
f, worden ten aanzien van leden van het administratief, technisch en
bedienend personeel slechts verleend indien sinds de aanvang van de
tewerkstelling in Nederland ten hoogste tien jaren zijn verstreken.
2.De vrijstelling voor de in het eerste lid bedoelde personen vindt
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de bij hen inwonende
gezinsleden en, onder voorwaarde van wederkerigheid, de bij hen in
dienstbetrekking staande particuliere bedienden, mits zij:
a. geen Nederlander zijn; en
b. niet duurzaam verblijf houden in Nederland.
3.De in dit artikel bedoelde vrijstelling vindt toepassing met
betrekking tot:
a. de inkomstenbelasting;
b. de loonbelasting;
c. de omzetbelasting;
d. de motorrijtuigenbelasting;
e. de belasting van personenauto’s en motorrijwielen;
f. de kansspelbelasting.
4.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
de functionarissen van internationale organisaties die ingevolge
artikel 39 van de wet in aanmerking komen voor de vrijstellingen zoals
die worden verleend aan leden van diplomatieke vertegenwoordigingen.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
inwonende gezinsleden van functionarissen van internationale
organisaties die ingevolge artikel 39 van de wet in aanmerking komen
voor de fiscale vrijstellingen zoals die worden verleend aan de
inwonende gezinsleden van leden van diplomatieke vertegenwoordigingen.
5.De vrijstelling van omzetbelasting wordt slechts verleend onder
voorwaarde van wederkerigheid; ten aanzien van functionarissen van
internationale organisaties die ingevolge artikel 39 van de wet in
aanmerking komen voor de vrijstellingen zoals die worden verleend aan
diplomaten, wordt met inachtneming van artikel 32, eerste lid,
aangenomen dat aan de voorwaarde van wederkerigheid wordt voldaan.
Artikel 34
1.De vrijstelling van inkomstenbelasting, bedoeld in artikel 33,
strekt zich niet uit tot het buiten het ambt of de betrekking genoten
inkomen, bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Bij de berekening van de inkomstenbelasting over de niet-vrijgestelde
inkomensbestanddelen wordt geen rekening gehouden met de vrijgestelde
inkomensbestanddelen.
2.De vrijstelling van loonbelasting, bedoeld in artikel 33, strekt
zich niet uit tot het buiten het ambt of de betrekking genoten loon.
3.De vrijstelling van kansspelbelasting, bedoeld in artikel 33,
strekt zich niet uit tot prijzen van binnenlandse kansspelen.
Artikel 35
1.Van de belastingen, genoemd in het tweede lid van dit artikel
zijn, met inachtneming van hetgeen is bepaald in de artikelen 36, 37,
38 en 39, vrijgesteld de diplomatieke en consulaire
vertegenwoordigingen van andere Mogendheden, met uitzondering van
honoraire consulaire vertegenwoordigingen.
2.De in het eerste lid bedoelde vrijstelling vindt toepassing met
betrekking tot:
a. de omzetbelasting;
b. de motorrijtuigenbelasting;
c. de belasting van personenauto’s en motorrijwielen;
d. de overdrachtsbelasting.
3.Honoraire consulaire vertegenwoordigingen zijn, met inachtneming
van hetgeen is bepaald in de artikelen 36 en 39, vrijgesteld van:
a. de omzetbelasting;
b. de overdrachtsbelasting.
4.De in dit artikel bedoelde vrijstellingen van omzetbelasting en
van motorrijtuigenbelasting worden slechts verleend onder voorwaarde
van wederkerigheid.
5.De in dit artikel bedoelde vrijstellingen worden verleend aan het
hoofd van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging.
Artikel 36
1.De vrijstelling van omzetbelasting ten behoeve van de in artikel
33 bedoelde personen wordt verleend voor de levering van roerende
zaken bestemd voor hun persoonlijk gebruik, met uitzondering van de
levering van levensmiddelen, drank of tabakswaren. De vrijstelling
wordt slechts verleend indien de vergoeding per factuur ten minste €
225 bedraagt.
2.De vrijstelling van omzetbelasting ten behoeve van de in artikel
35, eerste lid, bedoelde diplomatieke en beroepsconsulaire
vertegenwoordigingen wordt verleend voor de levering van goederen en
het verrichten van diensten bestemd voor officieel gebruik van deze
vertegenwoordigingen. Onder officieel gebruik wordt begrepen het
huisvesten van leden van de vertegenwoordiging. De vrijstelling wordt
slechts verleend indien de vergoeding per factuur ten minste € 225
bedraagt.
3.De vrijstelling van omzetbelasting ten behoeve van de in artikel
35, derde lid, bedoelde honoraire consulaire vertegenwoordigingen
wordt beperkt tot de volgende prestaties:
a. de levering van onroerende zaken en van rechten waaraan deze
zijn onderworpen, bestemd voor officieel gebruik van de
vertegenwoordiging, daaronder begrepen onroerende zaken en rechten
waaraan deze zijn onderworpen bestemd voor het huisvesten van de
leden van de vertegenwoordiging, met uitzondering van honoraire
consuls;
b. de levering van goederen en het verrichten van diensten
bestemd voor het bouwen, verbouwen, herstellen en onderhouden,
hieronder niet begrepen het schoonmaken, van de officiële
gebouwen van de vertegenwoordiging, met uitzondering van de woning
van de honoraire consul;
c. de verhuur aan de vertegenwoordiging van onroerende zaken,
bestemd voor officieel gebruik.
4.De teruggaaf wordt uitsluitend verleend, indien de levering of de
dienst wordt ingeschreven in een door de inspecteur op verzoek
uitgereikt of toegezonden formulier, onder overlegging van een
gedagtekende factuur, waarin op duidelijke en overzichtelijke wijze
zijn vermeld:
a. de dag waarop de levering of de dienst wordt verricht;
b. naam en adres van de ondernemer die de levering of de dienst
verricht;
c. naam en adres van degene aan wie de levering wordt verricht
of de dienst verleend;
d. een duidelijke omschrijving van de geleverde goederen of van
de dienst;
e. de hoeveelheid van de geleverde goederen;
f. de vergoeding; en
g. het bedrag van de belasting dat ter zake van de levering of
de dienst is verschuldigd.
Zo de vergoeding per factuur een bedrag van € 225 te boven gaat,
dient tevens een bewijs van betaling bij het formulier te worden
gevoegd.
5.Bij de aangifte ter verkrijging van teruggaaf wordt het in het
vierde lid bedoelde formulier te zamen met de daarbij gevoegde
facturen en eventuele bewijzen van betaling overgelegd. De facturen en
eventuele bewijzen van betaling worden bij het afschrift van de
beschikking op het verzoek om teruggaaf teruggezonden.
Artikel 37
1. De vrijstelling van motorrijtuigenbelasting, bedoeld in de
artikelen 33 en 35, wordt verleend voor motorrijtuigen bestemd voor
persoonlijk gebruik door de in artikel 33 bedoelde personen of bestemd
voor officieel gebruik ten behoeve van de in artikel 35, eerste lid,
bedoelde diplomatieke en beroepsconsulaire vertegenwoordigingen.
2. De vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wordt slechts
verleend indien voor het motorrijtuig een CD-kenteken is afgegeven,
dan wel een BN/GN-kenteken in de serie 70-00 tot en met 88-99 of in de
serie 90-00 tot en met 99-99.
Artikel 38
1.De vrijstelling van belasting van personenauto’s en
motorrijwielen, bedoeld in de artikelen 33 en 35, wordt verleend voor
personenauto’s en motorrijwielen bestemd voor persoonlijk gebruik
door de in artikel 33 bedoelde personen of bestemd voor officieel
gebruik ten behoeve van de in artikel 35, eerste lid, bedoelde
diplomatieke en beroepsconsulaire vertegenwoordigingen.
2.De vrijstelling van belasting van personenauto’s en
motorrijwielen wordt slechts verleend indien voor het motorrijtuig een
CD-kenteken is afgegeven, dan wel een BN/GN-kenteken in de serie 70-00
tot en met 88-99 of in de serie 90-00 tot en met 99-99. Er wordt geen
teruggaaf verleend van voor het motorrijtuig reeds betaalde belasting.
Artikel 39
1.De vrijstelling van overdrachtsbelasting, bedoeld in artikel 35,
wordt verleend voor de belasting die is verschuldigd ter zake van de
verkrijging door een vreemde Mogendheid van in Nederland gelegen
onroerende zaken die bestemd zijn voor de huisvesting van een
diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging of die bestemd zijn voor
bewoning door het hoofd van een diplomatieke of consulaire
vertegenwoordiging, met uitzondering van honoraire consuls. De
vrijstelling van overdrachtsbelasting wordt, onder voorwaarde van
wederkerigheid, mede verleend voor de belasting die is verschuldigd
ter zake van de verkrijging door een vreemde Mogendheid van in
Nederland gelegen onroerende zaken die bestemd zijn voor bewoning door
andere leden van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging.
Verkrijging wordt opgevat in de zin van de Wet op belastingen van
rechtsverkeer.
2.De vrijstelling wordt verleend in de vorm van teruggaaf van
belasting, tenzij Onze Minister vooraf een vergunning heeft afgegeven
om geen belasting te voldoen.
Artikel 40
1. Een voorwaardelijke vrijstelling van omzetbelasting wordt
verleend aan diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen,
internationale organisaties en NAVO-strijdkrachten die in een andere
lid-staat van de Europese Gemeenschappen zijn gevestigd, dan wel
gelegerd, met uitzondering van NAVO-strijdkrachten van die lid-staat
zelf.
2. Een voorwaardelijke vrijstelling van omzetbelasting wordt
verleend aan personeelsleden van de in het eerste lid bedoelde
instellingen.
3. Bij het verlenen van de in het eerste lid bedoelde
vrijstellingen zijn de voorwaarden, zoals de andere lid-staat die voor
de instelling, dan wel het personeelslid heeft vastgesteld voor de
vrijstelling van omzetbelasting ter zake van prestaties in het
binnenlandse vrije verkeer, van overeenkomstige toepassing. De
vrijstellingen worden niet verleend voor goederen die bestemd zijn
voor gebruik binnen Nederland, noch voor diensten verricht met
betrekking tot dergelijke goederen.
4. De in het eerste en tweede lid bedoelde vrijstellingen worden
slechts verleend, indien de instelling, dan wel het personeelslid een
originele, door of namens de andere lid-staat gewaarmerkte verklaring
overlegt waaruit blijkt dat ter zake aanspraak op vrijstelling van
omzetbelasting bestaat. Voor deze verklaring dient gebruik te worden
gemaakt van het communautaire document ter uitvoering van de
vrijstelling omzetbelasting en accijns bij intracommunautaire aankopen
door ambassades en consulaten en de leden daarvan, internationale
organisaties en bepaalde functionarissen daarvan, en NAVO-onderdelen.
5. De in het eerste lid en tweede lid bedoelde vrijstelling kan
direct worden verleend indien de instelling, dan wel het
personeelslid, tijdig een geldige verklaring als bedoeld in het vierde
lid ter beschikking stelt aan de ondernemer die de prestatie verricht.
De in het eerste en tweede lid bedoelde vrijstelling kan worden
verleend in de vorm van teruggaaf van belasting indien het bedrag van
de vergoeding per factuur ten minste € 225 bedraagt.
6. De vrijstelling vervalt wanneer niet of niet langer wordt
voldaan aan de in het derde lid bedoelde voorwaarden. De alsdan
verschuldigde omzetbelasting bedraagt ten hoogste het bedrag waarvan
vrijstelling werd verleend.
Artikel 41
De werknemer die niet in Nederland woont en buiten Nederland in
dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke
rechtspersoon, is, in afwijking in zoverre van artikel 2, derde en
vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 7.2, zevende
lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, vrijgesteld van loonbelasting
onderscheidenlijk inkomstenbelasting indien:
a. ter zake van het loon van de werknemer niet een verdrag ter
voorkoming van dubbele belasting van toepassing is en ook de
Belastingregeling voor het Koninkrijk en de Belastingregeling voor
het land Nederland niet van toepassing zijn; en
b. de werknemer is aangeworven in het land waar hij werkzaam is;
en
c. door de Mogendheid op wier grondgebied de dienstbetrekking
wordt vervuld een overeenkomstig standpunt wordt ingenomen ten
aanzien van werknemers van haar publiekrechtelijke rechtspersonen
die werkzaam zijn in Nederland en alhier zijn aangeworven.
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-2001]
Hoofdstuk 10. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Artikel 43 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 43a
Aan de verplichting, bedoeld in artikel 47b, tweede lid, van de wet,
wordt voldaan uiterlijk op het moment waarop de gegevens en
inlichtingen, bedoeld in artikel 53, tweede en derde lid, van de wet,
door een administratieplichtige als bedoeld in artikel 22, eerste lid,
van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 aan de inspecteur
worden verstrekt.
Artikel 43b [Vervallen per 01-01-2012]
Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht
Artikel 43c
1. De geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van
de wet, artikel 67, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en artikel
10, eerste lid, van de Registratiewet 1970, geldt niet voor
verstrekking aan de hierna genoemde bestuursorganen voor zover het
betreft de hierna genoemde gegevens ten behoeve van de hierna genoemde
publiekrechtelijke taak:
a. de Minister van Financiën:
1°. gegevens die worden gebruikt door de Auditdienst Rijk
ten behoeve van controles en onderzoeken als bedoeld in
hoofdstuk VI van de Comptabiliteitswet 2001, of ten behoeve
van door de Belastingdienst aan de Auditdienst Rijk opgedragen
werkzaamheden;
2°. gegevens over het vermoeden van het bestaan van een
onbeheerd gelaten nalatenschap, vermogens- en persoonsgegevens
en eventuele andere van belang geachte gegevens die nodig zijn
voor de vereffening door het Rijksvastgoed- en
ontwikkelingsbedrijf van onbeheerde nalatenschappen;
b. de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties:
1°. gegevens ten behoeve van de aan de Algemene
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst opgedragen taken;
2°. gegevens over het inkomen van voormalige ambtenaren
over een bepaalde periode ten behoeve van de uitvoering van
ontslaguitkeringsregelingen van de sector Rijk;
3°. gegevens over het inkomen van voormalige ambtsdragers
over een bepaalde periode ten behoeve van de uitvoering van de
wachtgeldregeling op basis van de Algemene pensioenwet
politieke ambtsdragers;
4°. gegevens over het inkomen van commissarissen van de
Koning, burgemeesters, gedeputeerden, wethouders, voorzitters
van waterschappen en leden van het dagelijks bestuur van
waterschappen over een bepaalde periode ten behoeve van de
uitvoering van verrekeningsregelingen bij neveninkomsten;
5°. gegevens inzake bestuurlijke boeten als bedoeld in
hoofdstuk VIIIA van de wet die zijn opgelegd dan wel hadden
kunnen worden opgelegd indien de termijn om deze op te leggen
niet was verlopen, met betrekking tot kandidaten voor de
functie van commissaris van de Koning, burgemeester,
Rijksvertegenwoordiger of waarnemend Rijksvertegenwoordiger
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba of gezaghebber van
Bonaire, Sint Eustatius of Saba ten behoeve van de
oordeelsvorming door de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties ter zake van de voordracht van een
kandidaat voor één van de hiervoor genoemde functies;
6°. loonheffingennummers behorende bij de instellingen die
zijn opgenomen in het overzicht van de Stichting Pensioenfonds
ABP, ten behoeve van het koppelen van overheidswerkgevers aan
de bestaande arbeidsvoorwaardelijke sectoren in het kader van
beleidsonderzoek;
c. de Minister van Defensie:
1°. gegevens over het inkomen van voormalige militairen
over een bepaalde periode ten behoeve van de uitvoering van
ontslaguitkeringsregelingen;
2°. gegevens ten behoeve van de aan de Militaire
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst opgedragen taken;
d. de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie:
1°. gegevens die van belang kunnen zijn voor de uitvoering
van hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en
overdragen van ondernemingen;
2°. gegevens met betrekking tot bedrijven als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet voorraadvorming
aardolieproducten 2001 ten behoeve van de uitvoering van die
wet;
3°. gegevens over het inkomen van uitgetreden vissers, ten
behoeve van het controleren van de juistheid van de aan die
vissers toegekende financiële tegemoetkoming, bedoeld in
artikel 4:9, eerste lid, onderdeel d, van de Regeling
LNV-subsidies door de Dienst Regelingen;
e. de Minister van Veiligheid en Justitie:
1°. gegevens over mogelijke ongebruikelijke transacties
ten behoeve van de uitvoering en de handhaving van de Wet ter
voorkoming van witwassen financieren van terrorisme door de
Financial Intelligence Unit Nederland;
2°. gegevens die van belang kunnen zijn bij het
uitwisselen van rechtshulpverzoeken in het kader van de aanpak
van grensoverschrijdende, zware criminaliteit door de dienst
IPOL van de Landelijke eenheid;
3°. gegevens die worden gebruikt voor de uitvoering van de
Politiewet 2012 door de Rijksrecherche;
f. de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: gegevens
over het inkomen over een bepaalde periode van (voormalige)
ambtenaren ten behoeve van de vaststelling van
werkloosheidsuitkeringen;
g. de Minister van Infrastructuur en Milieu:
1°. de aantallen personen die werkzaam zijn in bedrijven
en de onttrokken hoeveelheden grondwater waarover
grondwaterbelasting is berekend, ten behoeve van het
vaststellen van de vervuilingswaarde voor de Waterwet;
2°. gegevens die worden gebruikt door de Inspectie
Leefomgeving en Transport ten behoeve van het toezicht op de
naleving van wet- en regelgeving van het Ministerie van
Infrastructuur en Milieu, voor zover de Inspectie Leefomgeving
en Transport als toezichthouder is aangewezen, alsmede
werkzaamheden ter bevordering van de veiligheid en de
kwaliteit van het leefmilieu voor zover vallend binnen de
toezichtdomeinen van de Inspectie Leefomgeving en Transport;
3°. gegevens omtrent rechthebbenden van auto’s, welke
rechthebbenden eerste kentekenhouder zijn van een nieuw
motorrijtuig met een roetfilter, ten behoeve van de uitvoering
en handhaving door Agentschap NL van de Subsidieregeling voor
motorrijtuigen met emissiearme dieselmotor en recht op
teruggaaf BPM;
4°. specifieke branche- en productkennis, resultaten en
bevindingen van ingestelde onderzoeken en acties alsmede
gegevens van burgers en bedrijven die behoren tot de doelgroep
vuurwerkimporteurs, groothandelaren en detailhandelaren, ten
behoeve van het selecteren van door de Inspectie Leefomgeving
en Transport te inspecteren vuurwerkbedrijven;
h. de directeur van de FIOD: gegevens die door de FIOD worden
gebruikt in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de
rechtsorde ingevolge artikel 3 van de Wet op de bijzondere
opsporingsdiensten;
i. de directeur van de Belastingdienst Holland/Midden: gegevens
die worden gebruikt in het kader van de aan dit
organisatieonderdeel toegewezen niet-fiscale toezichts- en
opsporingstaken, doch met uitzondering van gegevens die worden
gebruikt in het kader van de uitvoering en handhaving van de Wet
ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme;
j. gemeenten:
1°. winst uit onderneming, loon en resultaat uit overige
werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001
over een bepaalde periode en identificerende gegevens van een
eventuele inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de
loonbelasting 1964 van (voormalige) ambtenaren ten behoeve van
de vaststelling van en controle op betalingen van
werkloosheidsuitkeringen op grond van gemeentelijke
verordeningen;
2°. gegevens over het inkomen van voormalige ambtsdragers
over een bepaalde periode ten behoeve van de uitvoering van de
wachtgeldregeling op basis van de Algemene pensioenwet
politieke ambtsdragers;
3°. gegevens over uit te betalen voorlopige teruggaven
inkomstenbelasting wegens toegekende heffingskortingen, op
naam van de belastingschuldige staande bankrekeningnummers
zoals deze blijken uit de bestanden ten behoeve van
rekeningenbeheer, kentekenregistergegevens en identificerende
gegevens van een eventuele inhoudingsplichtige in de zin van
de Wet op de loonbelasting 1964 ten behoeve van de inning van
gemeentelijke belastingen;
4°. gegevens over bewoning van een eigen woning ten
behoeve van het tegengaan van permanente bewoning van
recreatiewoningen;
5°. gegevens die bij de aanvraag van een
sociaal-fiscaalnummer aan de inspecteur worden verstrekt ten
behoeve van de handhaving door gemeenten van de Woningwet een
leefmilieuverordening als bedoeld in artikel 9, derde lid, van
de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing en overige regelingen
betreffende brandgevaar, onhygiënische omstandigheden en
overbewoning;
6°. kentekenregistergegevens van circus- en kermisauto’s
als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet
op de motorrijtuigenbelasting 1994 ten behoeve van de
uitvoering en handhaving van het gemeentelijke
ontheffingenbeleid inrijverbod milieuzones;
7°. de naam, het adres en de woonplaats van erfgenamen,
ten behoeve van het innen van openstaande gemeentelijke
belastingschulden van de overledene;
k. waterschappen:
1°. gegevens over het inkomen van voormalige ambtsdragers
over een bepaalde periode ten behoeve van de uitvoering van de
wachtgeldregeling op basis van de Algemene pensioenwet
politieke ambtsdragers;
2°. gegevens over uit te betalen voorlopige teruggaven
inkomstenbelasting wegens toegekende heffingskortingen, op
naam van de belastingschuldige staande bankrekeningnummers
zoals deze blijken uit de bestanden ten behoeve van
rekeningenbeheer, kentekenregistergegevens en identificerende
gegevens van een eventuele inhoudingsplichtige in de zin van
de Wet op de loonbelasting 1964 ten behoeve van de inning van
waterschapsbelastingen;
3°. gegevens die van belang kunnen zijn voor de uitvoering
en het toezicht op naleving van de Waterwet;
l. de officier van justitie:
1°. gegevens die van belang kunnen zijn voor het instellen
van vorderingen tot ontbinding van rechtspersonen;
2°. gegevens over het inkomen en vermogen van degene tegen
wie een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld als
bedoeld in artikel 126 van het Wetboek van Strafvordering ten
behoeve van de uitvoering door de met het strafrechtelijk
financieel onderzoek belaste opsporingsambtenaar;
3°. gegevens over strafbare feiten waarvoor een ieder op
grond van artikel 161 van het Wetboek van Strafvordering
bevoegd is aangifte te doen;
4°. gegevens over het inkomen en vermogen van degene tegen
wie een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld, ten behoeve
van een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het
Wetboek van Strafrecht;
5°. gegevens die van belang zijn voor de tenuitvoerlegging
van rechterlijke beslissingen op grond van artikel 553 van het
Wetboek van Strafvordering;
m. gemeenten, provincies, de politie, de officier van justitie,
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Koninklijke
marechaussee, de Inspectie SZW, de Sociale verzekeringsbank of het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: gegevens die nodig
zijn om de samenwerking in het kader van de integrale toepassing
en handhaving van overheidsregelingen effectief en efficiënt te
laten verlopen voor zover een convenant is gesloten met deze
bestuursorganen;
n. academische ziekenhuizen: gegevens over het inkomen en
vermogen van (voormalige) werknemers over een bepaalde periode ten
behoeve van de vaststelling van werkloosheidsuitkeringen;
o. universiteiten: gegevens over het inkomen en vermogen van
(voormalige) werknemers over een bepaalde periode ten behoeve van
de vaststelling van werkloosheidsuitkeringen;
p. de raad van bestuur van de Nederlandse
Mededingingsautoriteit: gegevens die van belang zijn voor de
handhaving van de Mededingingswet, de Elektriciteitswet 1998 en de
Gaswet;
q. de Pensioen- en Uitkeringsraad: gegevens over het inkomen en
vermogen over een bepaalde periode ten behoeve van het vaststellen
van pensioenbijdragen krachtens de Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940–1945, de Wet uitkeringen
burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945, de Wet buitengewoon
pensioen 1940–1945, de Wet buitengewoon pensioen
zeelieden-oorlogsslachtoffers of de Wet buitengewoon pensioen
Indisch verzet;
r. de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen: gegevens
over het inkomen en vermogen over een bepaalde periode ten behoeve
van het vaststellen van de buitengewone pensioenen volgens de
Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd
veteranen of de Uitkeringswet KNIL beroepsmilitairen;
s. De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Autoriteit
Financiële Markten: gegevens over opgelegde vergrijpboetes ten
behoeve van de uitvoering van de betrouwbaarheidstoetsing, bedoeld
in artikel 14 van het Besluit Gedragstoezicht financiële
ondernemingen Wft, artikel 7 van het Besluit prudentiële regels
Wft, artikel 2 van de Beleidsregel inzake de
betrouwbaarheidstoetsing van (kandidaat)(mede)beleidsbepalers van
en houders van gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht
staande instellingen (Stcrt. 2005, 20), artikel 2 van de
Beleidsregel 06-1 inzake de betrouwbaarheidstoets van
(kandidaat)(mede)beleidsbepalers van accountantsorganisaties van
19 september 2006 (Stcrt. 2006, 190) en artikel 33 van het Besluit
uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling;
t. het Bureau Financieel Toezicht, De Nederlandsche Bank N.V.,
de voorzitter van het managementteam van de
Belastingdienst/Holland Midden en de Stichting Autoriteit
Financiële Markten: gegevens die van belang kunnen zijn bij de
uitvoering en de handhaving van de Wet ter voorkoming van
witwassen en financieren van terrorisme;
u. de participanten van het samenwerkingsverband zonder
rechtspersoonlijkheid Financieel Expertise Centrum (FEC), genoemd
in artikel 1 van het Convenant houdende afspraken over de
samenwerking in het kader van het Financieel Expertise Centrum
(Stcrt. 2009, 71): de gegevens die noodzakelijk zijn ter
uitvoering van de in dat convenant opgenomen verplichtingen;
v. de Consumentenautoriteit: gegevens die van belang kunnen
zijn voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.2 van
de Wet handhaving consumentenbescherming;
w. provincies:
1°. gegevens over het inkomen van voormalige ambtsdragers
over een bepaalde periode ten behoeve van de uitvoering van de
wachtgeldregeling op basis van de Algemene pensioenwet
politieke ambtsdragers;
2°. gegevens die van belang kunnen zijn voor de uitvoering
en het toezicht op naleving van de Waterwet;
3°. gegevens die van belang kunnen zijn voor
vergunningverlening en het houden van toezicht in het kader
van de Wet milieubeheer;
x. de Inspectie SZW, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gemeenten, de Sociale verzekeringsbank,
het openbaar Ministerie, de politie en de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (zoals vertegenwoordigd in de landelijke
Stuurgroep Interventieteams): gegevens die nodig zijn voor de
uitvoering van samenwerkingsprojecten door middel van
interventieteams ter voorkoming en terugdringing van belasting- en
premiefraude, uitkeringsfraude, illegale tewerkstelling en de
daarmee samenhangende misstanden;
y. de gemeenschappelijke regeling DCMR Milieudienst Rijnmond:
gegevens die van belang kunnen zijn voor de vergunningverlening,
en het toezicht en de handhaving van de gemeentelijke en
provinciale taken in het kader van de Wet milieubeheer, de Wet
bodembescherming en de Wet geluidhinder;
z. de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit: gegevens met
betrekking tot het doen van loonaangifte door horecaondernemers
ten behoeve van het op grond van artikel 11a, eerste en vierde
lid, van de Tabakswet te maken onderscheid tussen werkgevers met
werknemers en werkgevers zonder werknemers;
aa. de inspecteur, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van het
Besluit tegemoetkoming specifieke zorgkosten, en de ontvanger,
bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van dat besluit: gegevens die
van belang zijn voor de uitvoering van het Besluit tegemoetkoming
specifieke zorgkosten;
ab. de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
of het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting: de resultaten van
bestandsbevragingen ter verificatie van bij de directie
Woningmarkt van het directoraat-generaal Wonen, Bouwen en
Integratie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties of het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting
aanwezige informatie, alsmede vastgoedtransactiegegevens en
inkomensgegevens van leden van de raad van bestuur en van
medewerkers van de woningcorporaties, ten behoeve van het toezicht
op de woningcorporaties en ten behoeve van integriteitsonderzoeken;
ac. Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer
Organisatie: de controlerapporten en onderzoeksverslagen die zijn
opgemaakt naar aanleiding van controles bij vervoerders, gegevens
omtrent btw-identificatienummers van vervoerders en gegevens van
vervoerders die op één adres staan ingeschreven, ten behoeve van
de uitvoering en handhaving van de haar op grond van de Wet
wegvervoer goederen toegekende taken.
2. De in het eerste lid bedoelde gegevens worden verstrekt op
verzoek van het betreffende bestuursorgaan. De eerste volzin is niet
van toepassing op de verstrekking van gegevens als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel l, onder 3°, alsmede de onderdelen h, i en t,
voor zover het gegevens betreft die worden verstrekt aan de directeur
van de Belastingdienst/Holland Midden.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:
a. inkomen: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21,
onderdeel e, van de wet;
b. vermogen: de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.2 van
de Wet inkomstenbelasting 2001;
c. kentekenregistergegevens: gegevens afkomstig van de
Rijksdienst voor het Wegverkeer, bestaande uit de datum van het
afgeven van het kenteken, de naam-, adres- en woonplaatsgegevens
van de houder van het kenteken en het merk en type auto.
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 43d
Artikel 43c, eerste lid, onderdeel aa, is van overeenkomstige
toepassing op de uitvoering van artikel 19 van de Wet tegemoetkoming
chronisch zieken en gehandicapten.
Artikel 44
De Uitvoeringsbeschikking Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964
wordt ingetrokken.
Artikel 45
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 1994.
Artikel 46
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Algemene wet
inzake rijksbelastingen 1994.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140,
MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd
bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van
Financiën.
De Staatssecretaris van Financiën,
M.J.J. van Amelsvoort.
Bijlagen [Vervallen per 01-01-2001]
|
|
|