| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren (Gwwd)
UITVOERINGSREGELING
VARKENSHEFFING
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij;
Gelet op de artikelen 1, vierde lid, 91b, tweede lid,
91g, 93, derde
lid, en 93a, eerste, derde, vierde en zesde lid, van de Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren;
Gelet op de artikelen 3, eerste lid, 6, eerste en derde lid, 8,
eerste lid, 13, eerste lid, 56 en 62 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen;
Gelet op de artikelen 5 en 31 van de Invorderingswet 1990;
Besluit:
Paragraaf 1. Bevoegdheden
Artikel 1
Deze regeling heeft betrekking op de in hoofdstuk VIII van de
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren geregelde varkensheffing.
Artikel 2
In deze regeling wordt onder Bureau Heffingen verstaan: Bureau
Heffingen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te
Assen.
Artikel 3
Met betrekking tot de varkensheffing gelden de bevoegdheden en
verplichtingen van de hierna vermelde, in de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering
rijksbelastingen genoemde, functionarissen, voor de daarachter genoemde
functionarissen:
a. de directeur: de directeur Financieel-Economische Zaken van het
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
b. de inspecteur: de inspecteur van het Bureau Heffingen;
c. de ontvanger: de ontvanger van het Bureau Heffingen;
d. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de ambtenaren van het
Bureau Heffingen en de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van
het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
2. De functionaris, bedoeld in artikel 93a,
eerste, vierde en zesde lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor
dieren is de ontvanger van het Bureau Heffingen.
3. Als inspecteur van het Bureau Heffingen en als ontvanger van
het Bureau Heffingen wordt aangewezen de Directeur Bureau Heffingen.
Artikel 4
De standplaats van de inspecteur en van de ontvanger van het Bureau
Heffingen is Assen.
Artikel 5
De verplichtingen die ingevolge de artikelen 47, 47b, 48, 49, 50, 53
en 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bestaan jegens de
inspecteur van het Bureau Heffingen, gelden mede jegens de door die
inspecteur aangewezen ambtenaren van het Bureau Heffingen en jegens de
ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
Paragraaf 2. Aangifte
Artikel 6
1. De heffingplichtige die niet binnen
zes maanden na afloop van het tijdvak waarover de varkensheffing wordt
geheven, is uitgenodigd tot het doen van aangifte, verzoekt de
inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte.
2. Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt ingediend binnen
twee weken na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn
van zes maanden.
3. Het eerste lid is niet van toepassing indien over het tijdvak
waarover de varkensheffing verschuldigd is reeds een aanslag is
opgelegd.
4. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt mede voor de
in de artikelen 43 en 44, eerste lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen bedoelde personen.
Artikel 7
Het uitnodigen tot het doen van aangifte wordt gedaan door het
uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet.
Artikel 8
Aangifte wordt gedaan door het inleveren of toezenden van het
uitgereikte of toegezonden aangiftebiljet, dat is ingevuld en
ondertekend op de bij het biljet aangegeven wijze, met de bij het biljet
gevraagde bescheiden.
Paragraaf 3. Definitie ’aangrenzend’ en
administratie met betrekking tot de varkensheffing
Artikel 9
1. De heffingplichtige doet jaarlijks
voor 1 februari opgave van het aantal en de ligging van de vestigingen,
bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor
dieren, waaruit zijn bedrijf bestaat.
2. Voor de toepassing van het eerste lid en artikel 91e van de
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren worden de tot een vestiging
behorende percelen grond, gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan
als aangrenzend beschouwd, indien zij onderling voor al het, voor het
houden van varkens noodzakelijke, verkeer rechtstreeks bereikbaar zijn,
anders dan via een openbare weg.
3. De opgave, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door het
inleveren of toezenden van een overeenkomstig de daarbij aangegeven
wijze volledig en naar waarheid ingevuld en ondertekend formulier, zoals
opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling, met de daarbij gevraagde
bescheiden.
4. In afwijking van het eerste lid is de heffingplichtige in 1998
verplicht de in het eerste lid bedoelde opgave te doen voor 14 oktober
en in 1999 voor 15 april van het desbetreffende jaar.
Artikel 10
1. De heffingplichtige houdt een administratie bij van het
aantal door hem gehouden varkens, onderscheiden naar de in de bijlage,
behorende bij artikel 91b, eerste lid, van de Gezondheids- en
welzijnswet voor dieren, opgenomen diercategorieën binnen die
diersoort. Indien een heffingplichtige op meer dan één bedrijf
varkens houdt, houdt hij voor elk bedrijf afzonderlijk een
administratie bij.
2. De administratie bevat de gegevens en wordt opgemaakt
overeenkomstig artikel 2 van de Regeling administratieve verplichtingen
Meststoffenwet.
3. De administratie bevat de gegevens en wordt opgemaakt
overeenkomstig artikel 3 van de Regeling administratieve verplichtingen
Meststoffenwet, indien op het bedrijf artikel 38, eerste lid, van de
Meststoffenwet van toepassing is.
4. De administratie heeft betrekking op een jaar en wordt
afgesloten vóór de eerste februari volgend op het jaar waarop deze
betrekking heeft.
5. Het eerste lid is niet van toepassing op de heffingplichtige
die een bedrijf voert waarvan het gemiddeld in een jaar op het bedrijf
gehouden aantal dieren van de in bijlage A bij de Meststoffenwet
onderscheiden diercategorieën, omgerekend in grootvee-eenheden
overeenkomstig de in die bijlage daarvoor opgenomen normen, drie of
minder bedraagt, en de gemiddeld in het desbetreffende jaar tot het
bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond drie hectare of minder
bedraagt.
Artikel 11
1. In afwijking van artikel 10 houdt de heffingplichtige in
1998 een administratie bij van het aantal gehouden varkens,
onderscheiden naar de in de bijlage, behorende bij artikel 91b, eerste
lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opgenomen
diercategorieën binnen die diersoort, in het nog niet verstreken deel
van het jaar.
2. De administratie bevat de gegevens en wordt opgemaakt
overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de Regeling administratieve
verplichtingen Wet herstructurering varkenshouderij.
3. De administratie bevat de gegevens en wordt opgemaakt
overeenkomstig artikel 3, tweede lid, van de Regeling administratieve
verplichtingen Wet herstructurering varkenshouderij, indien op het
bedrijf artikel 38, eerste lid, van de Meststoffenwet van toepassing is.
Artikel 12
1. De heffingplichtige doet jaarlijks voor 1 september van het
jaar volgend op het desbetreffende jaar opgave van het in het
desbetreffende jaar gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens,
bedoeld in artikel 91b, tweede lid, van de Gezondheids- en welzijnswet
voor dieren, door gebruik te maken van het in artikel 14, tweede lid,
van de Regeling administratieve verplichtingen Meststoffenwet bedoelde
formulier.
2. Over het jaar 1998 verstrekt de varkenshouder gegevens over
het gemiddeld in dat jaar op het bedrijf gehouden aantal varkens door
gebruik te maken van een daartoe door de Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij vastgesteld formulier, dat overeenkomstig de
op het formulier aangegeven wijze volledig en naar waarheid is ingevuld
en ondertekend.
Artikel 13
1. Het gemiddeld in een jaar op een bedrijf gehouden aantal
varkens wordt bepaald door:
a. ingeval de administratie van het aantal op het bedrijf gehouden
varkens de gegevens bevat en wordt opgemaakt overeenkomstig artikel 2
van de Regeling administratieve verplichtingen Meststoffenwet, de som
van de aantallen dagelijks op het bedrijf gehouden varkens gedeeld
door het aantal dagen waaruit het desbetreffende jaar bestaat, dan wel
b. ingeval de administratie van het aantal op het bedrijf gehouden
varkens de gegevens bevat en wordt opgemaakt overeenkomstig artikel 3
van de Regeling administratieve verplichtingen Meststoffenwet, de som
van de aantallen op de eerste dag van elke maand op het bedrijf
gehouden varkens gedeeld door 12.
2. Het in 1998 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens
wordt bepaald voor het tijdvak dat bestaat uit het vanaf 1 september
1998 nog niet verstreken deel van het jaar door respectievelijk:
a. de som van de aantallen dagelijks op het bedrijf gehouden
varkens, gedeeld door het aantal dagen waaruit dat tijdvak bestaat,
indien de administratie van het aantal op het bedrijf gehouden varkens
de gegevens bevat en wordt opgemaakt overeenkomstig artikel 3, eerste
lid, van de Regeling administratieve verplichtingen Wet
herstructurering varkenshouderij, dan wel
b. de som van de aantallen op de eerste dag van elke maand op het
bedrijf gehouden varkens, gedeeld door het aantal kalendermaanden
waaruit dat tijdvak bestaat, indien de administratie van het aantal op
het bedrijf gehouden varkens de gegevens bevat en wordt opgemaakt
overeenkomstig artikel 3, tweede lid, van de Regeling administratieve
verplichtingen Wet herstructurering varkenshouderij.
Paragraaf 4. Voorlopige aanslag en
invorderingsrente
Artikel 14
1. De inspecteur legt een voorlopige
aanslag op, indien het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden
vastgesteld, na verrekening van reeds opgelegde voorlopige aanslagen,
zulks naar zijn mening rechtvaardigt.
2. De bepaling van het bedrag van een voorlopige aanslag die
wordt vastgesteld in het tijdvak waarover de varkensheffing wordt
geheven, geschiedt op basis van de ten aanzien van het bedrijf van de
heffingplichtige geregistreerde gegevens betreffende het varkensrecht,
bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Wet herstructurering
varkenshouderij, geldend op de dag voorafgaand aan het opleggen van de
voorlopige aanslag.
Artikel 15
Bij de berekening van het bedrag van de invorderingsrente, bedoeld in
artikel 28 van de Invorderingswet 1990, is hoofdstuk III van de
Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 van toepassing.
Paragraaf 5. Slotbepalingen
Artikel 16
1. Deze regeling treedt in werking met
ingang van 1 september 1998.
2. Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling
varkensheffing.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd
bij de bibliotheek van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij alsmede bij de dienst Landelijke service bij regelingen (LASER)
van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
’s-Gravenhage, 28 juli 1998.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J.J. van Aartsen.
|
|
|