|
BESLUIT van 25 februari 1982, houdende regelen betreffende de
rechtstoestand van de militaire ambtenaren van de krijgsmacht
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van
Defensie, C.L.J. van Lent, van 25 mei 1981, nr. PP81/091/1244;
Overwegende dat het wenselijk is de bepalingen
inzake de rechtstoestand van de militaire ambtenaren van de krijgsmacht
aan te passen aan de thans dienaangaande bestaande inzichten en
opvattingen;
Gelet op artikel 68 van de Grondwet (Stb.
1972, 193), artikel 125 van de Ambtenarenwet 1929 (Stb.
1929, 530), artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (Stb.
1931, 519) en artikel 2 van de Wet voor het reserve-personeel der
krijgsmacht (Stb. 1954, 576);
De Raad van State gehoord (advies van 5 oktober
1981, nr. 810923/16);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Defensie, J. van Houwelingen, van 18 februari 1982,
nr. PP81/094/403;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Betekenis van uitdrukkingen
1. In dit besluit en de daarop rustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister
Onze Minister van Defensie;
b. militair
de militaire ambtenaar in de zin
van artikel 1, eerste en tweede lid, van de Militaire
Ambtenarenwet 1931;
c. militair in werkelijke dienst
– tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald – de militair die:
1. is aangesteld bij het
beroepspersoneel, tenzij hij op non-activiteit is gesteld of
hem buitengewoon verlof van lange duur is verleend;
2. behoort tot het
reservepersoneel en als zodanig feitelijk onder de wapenen is;
d. officiersrang
de rang van luitenant ter zee der
3e klasse of van tweede-luitenant of een hogere rang;
e. operationeel commando:
de Koninklijke marine, de
Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht en de Koninklijke
marechaussee;
f. militaire inkomsten
alle beloningen in geld waarop de
militair aanspraak kan maken krachtens de voor hem geldende
bezoldigingsregeling of bezoldigingsregelingen, en krachtens de
ter uitvoering van deze regeling of regelingen gegeven
voorschriften;
g. initiële opleiding
de opleiding als genoemd in artikel
13, eerste lid;
h. de commandant operationeel
commando
de Commandant Zeestrijdkrachten, de
Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten,
de Commandant Koninklijke Marechaussee, voor het desbetreffende
commando;
i. hoofd defensieonderdeel
1°. de Secretaris-Generaal,
voor zover het betreft de Bestuursstaf;
2°. de commandant operationeel
commando voor het desbetreffende commando;
3°. de directeur van de
Defensie Materieel Organisatie, voor zover het betreft de
Defensie Materieel Organisatie, met uitzondering van het deel
ondergebracht in de Bestuursstaf;
4°. de commandant van het
Commando Dienstencentra, voor zover het betreft het Commando
Dienstencentra.
j. de commandant
een bij ministeriële regeling aan
te wijzen functionaris;
k. doorstroombesluit:
een besluit, als bedoeld in artikel
31, waarmee de militair wordt medegedeeld dat de loopbaan bij
Defensie al dan niet wordt voortgezet;
l. fase één:
de periode waarin de aan de
aanstelling verbonden verplichting als bedoeld in artikel 12k,
eerste en tweede lid, van de Militaire ambtenarenwet 1931, juncto
artikel 7 van dit besluit, van toepassing is;
m. fase twee:
de periode van de datum waarop fase
één eindigt tot en met de datum waarop het doorstroombesluit in
werking treedt, respectievelijk de periode na inwerkingtreding van
een doorstroombesluit indien hierin wordt bepaald dat de loopbaan
bij Defensie niet wordt voortgezet;
n. fase drie:
de periode na inwerkingtreding van
een doorstroombesluit waarin wordt bepaald dat de loopbaan bij
Defensie wordt voortgezet;
o. effectieve rang:
het bekleden van een rang anders
dan titulair of tijdelijk;
p. onderofficier:
de militair ingedeeld bij de
Koninklijke marine met de rang van korporaal, sergeant,
sergeant-majoor of adjudant-onderofficier, de militair ingedeeld
bij de Koninklijke landmacht, luchtmacht en marechaussee met de
rang van sergeant, sergeant der eerste klasse, wachtmeester,
wachtmeester der eerste klasse, sergeant-majoor, opperwachtmeester
of adjudant-onderofficier;
q. maximum looptijd:
het aantal jaren dat een militair
maximaal in een bepaalde rang of stand mag doorbrengen;
r. functie:
een samenstel van taken,
bevoegdheden en verantwoordelijkheden.
s. functietoewijzing:
de aanwijzing van een militair voor
het vervullen van een functie;
t. rang:
een militaire rang en stand of
klasse, voor zover niet titulair toegekend;
u. functionele chef:
de functionaris onder wiens directe
toezicht en rechtstreekse leiding de toegewezen functie wordt
vervuld, dan wel die als zodanig door het hoofd defensieonderdeel
is aangewezen.
2. Voor de toepassing van dit besluit
wordt mede begrepen onder «rang», «stand» of «klasse»: de bij
het koninklijk besluit van 20 juni 1956 (Stb. 361) met die rang, stand
of klasse gelijkgestelde rang, stand of klasse.
3. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:
a. echtgenote of echtgenoot
1°. de geregistreerde partner;
2°. degene die door de
militair als partner is aangemeld bij de Stichting
pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als
zodanig is aangemerkt, op voorwaarde dat de militair een
bewijs van die aanmelding heeft overlegd aan de commandant;
b. huwelijk
1°. geregistreerd
partnerschap;
2°. het samenleven met de
partner die door de militair als zodanig is aangemeld bij de
Stichting pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds
als zodanig is aangemerkt.
4. De gelijkstellingen, bedoeld in het
derde lid, onderdeel a, onder 2° en onderdeel b, onder 2° eindigen
op de dag waarop de aanmelding van het partnerpensioen door het
Stichting Pensioenfonds ABP wordt doorgehaald. De militair meldt die
doorhaling aan de commandant, waarbij hij een afschrift van de
mededeling van die doorhaling verstrekt.
5. Voor de toepassing van de
hoofdstukken 5, 7, 8, 9 en 10, alsmede deartikelen 39, tweede lid,
onderdelen a, f en g, 39a, aanhef en onderdeel e, 44, 49, 126b, 126d
tot en met 126f, 130, 134 en 144 tot en met 148, wordt onder
«militair» mede begrepen hij die bij het Ministerie van Defensie op
grond van artikel 6 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie is
aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als
geestelijk verzorger doorlopend werkzaam te zijn. Deze geestelijk
verzorger wordt, in voorkomend geval, mede begrepen onder het
beroepspersoneel. De hoofdstukken 4, 5, 6 en 8, alsmede de artikelen
70b, 70d tot en met 70f, 76, 85, 87a, 88, 93, 109 tot en met 111, 114,
121, eerste lid, onderdelen f en h, derde lid, 127 en 127a van het
Burgerlijk ambtenarenreglement defensie zijn op hem niet van
toepassing.
6. Voor de toepassing van de
hoofdstukken en artikelen, genoemd in het vijfde lid, wordt voor de
geestelijk verzorger als genoemd in het vijfde lid in voorkomend geval
onder hoofd defensieonderdeel verstaan: de commandant van het Commando
Dienstencentra.
7. Op degene die is aangesteld in
burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk
verzorger niet doorlopend werkzaam te zijn, is het vijfde lid van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat hij in voorkomend
geval wordt mede begrepen onder het reservepersoneel.
Artikel 2. Afwijking van dit besluit
Onze Minister kan voorts bijzondere
regelen, die afwijken van dit besluit, vaststellen ten aanzien van
militairen die tewerkgesteld zijn:
a. onder leiding of toezicht van een
orgaan van de Verenigde Naties;
b. bij of ten behoeve van een
bondgenootschappelijk orgaan of bondgenootschappelijke
strijdkrachten;
c. ten behoeve van operaties in het
kader van internationale overeenkomsten of andere verplichtingen
door Nederland aangegaan.
d. buiten het Ministerie van
Defensie, anders dan in de gevallen, bedoeld onder a, b en c,
met dien verstande dat de bevoegdheid tot
afwijken niet geldt met betrekking tot aangelegenheden, geregeld in de
hoofdstukken 2, 4, 5 en 6.
Artikel 3. Ter inzage leggen van dit
besluit
De commandant draagt er zorg voor dat een
of meer exemplaren van dit besluit en van alle overige voorschriften
betreffende de rechtstoestand van de militair steeds bij de eenheid of
het onderdeel, waartoe de militair behoort, ter inzage aanwezig zijn.
Artikel 3a. Mandaatverlening
De bevoegdheid tot het vaststellen van
ministeriële regelingen als bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 12
kan door Onze Minister worden gemandateerd aan de hoofddirecteur
personeel van het Ministerie van Defensie.
Hoofdstuk 2. Aanstelling
Artikel 4. Wijze van aanstelling
1.Aanstelling kan plaatsvinden:
a. bij het beroepspersoneel;
b. bij het reservepersoneel.
2.De aanstelling waarbij een
officiersrang wordt toegekend, geschiedt bij koninklijk besluit.
3.De aanstelling waarbij een rang of
stand en klasse wordt toegekend beneden de rang van luitenant ter zee
der 3e klasse/tweede-luitenant, geschiedt door Onze Minister.
4.De aanstelling van een lid van het
Koninklijk Huis geschiedt bij koninklijk besluit.
Artikel 4a. Werving en selectie
1. De Onze Minister maakt bij de
werving bekend en verschaft informatie over:
a. de voorwaarden voor aanstelling
als bedoeld in artikel 5;
b. de uiterlijke datum van
inzending van de sollicitatieformulieren;
c. bijzondere selectie-onderzoeken;
d. de arbeidsvoorwaarden;
e. de inhoud van de opleiding;
f. de inhoud van de in de regel te
vervullen functies;
g. de loopbaanmogelijkheden die de
militair heeft.
2. Tijdens de selectie worden de
gestelde voorwaarden, bedoeld in het eerste lid onder a, niet ten
nadele van de gegadigde gewijzigd.
3. Het inwinnen van inlichtingen –
anders dan in het kader van het veiligheidsonderzoek – bij personen
en instanties buiten het Ministerie van Defensie staat in direct
verband met het functioneren binnen de organisatie en vindt
uitsluitend plaats onder opgave van redenen aan de gegadigde en nadat
met hem is overeengekomen bij wie en in welke fase van het
selectieonderzoek dat kan geschieden.
4. De gegadigde wordt – op diens
verzoek – geïnformeerd omtrent de inhoud van de inlichtingen,
bedoeld in het derde lid en welke betekenis hieraan voor de selectie
is toegekend. De informant wordt vooraf van dit recht van de gegadigde
in kennis gesteld.
5. De gegadigde heeft het recht kennis
te nemen van de uitslag van het psychologisch onderzoek en om,
desgewenst, hierop een toelichting te ontvangen van respectievelijk de
psycholoog die het onderzoek heeft verricht of de psycholoog onder
wiens verantwoordelijkheid het psychologisch onderzoek heeft
plaatsgevonden.
6. De gegadigde heeft het recht om
kennis te nemen van de uitslag van het geneeskundig onderzoek binnen
twee weken na vaststelling en om, desgewenst, hierop een toelichting
te ontvangen van respectievelijk de arts die het onderzoek heeft
verricht of de arts onder wiens verantwoordelijkheid het geneeskundig
onderzoek heeft plaatsgevonden.
7. De gegadigde heeft het recht zijn
bedenkingen tegen de uitslag van een geneeskundig of psychologisch
onderzoek kenbaar te maken. Indien deze bedenkingen door een door Onze
Minister aan te wijzen arts respectievelijk psycholoog gegrond zijn
verklaard, kan hij desgewenst aan een hernieuwd onderzoek worden
onderworpen.
8. Aan de gegadigde die deelneemt aan
de selectie of onderdelen daarvan wordt een tegemoetkoming wegens
ondergane inkomstenderving en gemaakte reiskosten verleend. De kosten
die de gegadigde maakt teneinde resultaten van onderdelen van de
selectie te verkrijgen worden niet vergoed.
Artikel 5. Voorwaarden voor aanstelling
1.Om in aanmerking te komen voor een
aanstelling dient de gegadigde:
a. het Nederlanderschap te
bezitten;
b. te voldoen aan de eisen van
lichamelijke en geestelijke geschiktheid die ter zake zijn gesteld
bij of krachtens het Militair Keuringsreglement;
c. zich schriftelijk bereid te
verklaren tot het afleggen van de eed of belofte;
d. afhankelijk van de functie dan
wel de groepen van functies waarvoor hij is bestemd te voldoen
aan, voor zover niet bij of krachtens wet anders is bepaald, door
de commandant operationeel commando vastgestelde bijzondere eisen
inzake:
1°. vooropleiding;
2°. geschiktheid, anders dan
bedoeld onder b, en bekwaamheid.
2.Wanneer aan de aanstelling een
proeftijd is verbonden, kan in bijzondere gevallen worden afgeweken
van de bij en krachtens het eerste lid, onder a, b en d, gestelde
voorwaarden, indien in redelijkheid mag worden verwacht dat vóór het
einde van de proeftijd wel aan de voorwaarden is voldaan. Indien op de
laatste dag van de proeftijd niet is voldaan aan alle voorwaarden voor
aanstelling, eindigt met ingang van die dag de aanstelling van
rechtswege.
3.De gegadigde kan alleen worden
aangesteld als ten diens aanzien in verband met de voorgenomen
aanstelling een verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
b, van de Wet veiligheidsonderzoeken is afgegeven.
Artikel 5a. Leeftijdsgrenzen bij
aanstelling
1. Om in aanmerking te kunnen komen
voor een aanstelling als militair moet de gegadigde een zodanige
leeftijd bezitten, dat:
a. hem voldoende loopbaanmogelijkheden
kunnen worden geboden gelet op de ambities van de gegadigde en de aan
de aanstelling verbonden verplichting; en
b. er uit oogpunt van het waarborgen
van de operationele inzetbaarheid een evenwicht bestaat tussen de
leeftijd van de gegadigde en de functie of groep van functies waarvoor
de gegadige wordt bestemd.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
voor specifieke categorieën personeel, met inachtneming van het
eerste lid, concrete leeftijdsgrenzen worden gesteld.
3. De gegadigde die bij aanstelling is
bestemd voor functievervulling in fase drie is op de datum van
aanstelling niet minder dan twaalf jaar verwijderd van zijn datum van
leeftijdsontslag, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel a.
Indien de gegadigde reeds eerder gedurende een periode van ten minste
twee jaar was aangesteld als militair bij het beroepspersoneel wordt
de periode van twaalf jaar beperkt tot een periode van tien jaar.
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 7. Aan de aanstelling verbonden
verplichting
1. Aan een aanstelling bij het
beroepspersoneel is de verplichting verbonden deel uit te maken van
het beroepspersoneel gedurende de initiële opleiding en aansluitend
een periode van vier jaar.
2. Bij ministeriële regeling kan voor
specifieke categorieën personeel worden bepaald dat de duur van de in
het eerste lid genoemde verplichting wordt verminderd.
Artikel 8. Rang of stand en klasse bij
aanstelling
Aan de militair wordt door het op grond
van artikel 4 bevoegde gezag bij aanstelling een rang of stand en klasse
toegekend.
Artikel 9. Proeftijd
1. Aan een aanstelling is een proeftijd
van zes kalendermaanden verbonden.
2. Wanneer sprake is van een hernieuwde
aanstelling van een gewezen militair, kan door Onze Minister worden
afgeweken van het eerste lid, waarbij de proeftijd maximaal drie
kalender maanden bedraagt.
Artikel 10. Bekendmaking van functies
Aan de militair, aangesteld bij het
beroepspersoneel, wordt bij aanstelling inzicht gegeven in de functie
dan wel groepen van functies waarvoor hij is bestemd.
Artikel 11. Tijdelijke aanstelling
1.Wegens en voor de duur van de
vervulling van een functie die niet door reeds in werkelijke dienst
verblijvende militairen kan worden vervuld, kan in bijzondere gevallen
tijdelijke aanstelling als militair bij het beroepspersoneel
plaatsvinden.
2.Bij de in het eerste lid bedoelde
tijdelijke aanstelling kan worden afgeweken van de bij en krachtens
artikel 5, eerste lid, gestelde voorwaarden.
3.Indien een als zodanig tijdelijk
aangestelde militair wordt ontheven van zijn functie, eindigt de
aanstelling met ingang van de dag van die ontheffing van rechtswege.
Artikel 12. Akte van aanstelling
Aan de militair wordt zo spoedig mogelijk
na aanstelling een akte van aanstelling uitgereikt. Deze moet in ieder
geval inhouden:
a. naam en voornamen, alsmede de
plaats en datum van geboorte van de militair;
b. het operationeel commando waarbij
de militair wordt ingedeeld;
c. de categorie als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, waartoe de militair behoort;
d. de rang of stand en klasse die de
militair is toegekend;
e. de functie dan wel groepen van
functies waarvoor de militair is bestemd;
f. de datum van ingang van de
aanstelling;
g. de aan de aanstelling verbonden
verplichting.
Artikel 12a. Wijziging van bestemming en
indeling
1. De militair kan door Onze Minister
worden bestemd voor een andere functie of groep van functies dan
waarvoor hij tot dan toe was bestemd:
a. op zijn aanvraag, binnen het
operationeel commando waarbij hij is ingedeeld;
b. op zijn aanvraag, bij een ander
operationeel commando, waarbij ook indeling bij dat operationeel
commando kan plaatsvinden;
c. bij gebleken noodzaak en met de
instemming van de militair in het belang van de dienst binnen het
operationeel commando waar hij is ingedeeld;
d. bij gebleken noodzaak en met de
instemming van de militair in het belang van de dienst bij een
ander operationeel commando, waarbij ook indeling bij dat
operationeel commando kan plaatsvinden.
2. Bij toepassing van het eerste lid
wordt gewijzigd hetgeen ingevolge artikel 12, onderdelen b en e en in
voorkomend geval onderdeel g, in de aanstellingsbeschikking is
opgenomen.
Hoofdstuk 3. Opleiding, functietoewijzing
en bevordering alsmede functie- en loopbaanbegeleiding
Paragraaf 1. Opleidingen
Artikel 13. Initiële opleidingen
De militair wordt door Onze Minister bij
aanstelling in beginsel aangewezen voor het volgen van een initiële
opleiding. Deze opleiding is ten minste gericht op het verkrijgen van de
benodigde kennis en vaardigheid voor de eerste functie(s) waarvoor hij
is bestemd.
Artikel 14. Functieopleidingen
1. De militair wordt voor het
verkrijgen van benodigde kennis en vaardigheden door Onze Minister
aangewezen voor:
a. een opleiding benodigd voor de
vervulling van zijn huidige functie of voor een vervolgfunctie die
past binnen de groep van functies waarbinnen hij zijn loopbaan
vervult;
b. een opleiding benodigd voor de
vervulling van functies in een andere groep van functies dan
waarvoor hij is bestemd.
2. Onze Minister vergoedt de aan een
functieopleiding verbonden kosten.
Artikel 15. Loopbaanopleidingen
1. De militair kan met inachtneming van
artikel 28a door Onze Minister worden aangewezen voor een opleiding
gericht op het verwerven van kennis en vaardigheden die nodig zijn
voor het vervullen van functies waaraan een hogere rang is verbonden
dan de militair bekleedt.
2. Onze Minister vergoedt de aan een
loopbaanopleiding verbonden kosten.
Artikel 16. Opleidingen in het kader van
de persoonlijke ontwikkeling
1. De militair wordt op zijn aanvraag
door Onze Minister aangewezen voor een opleiding die ziet op zijn
persoonlijke ontwikkeling ten behoeve van de verbreding van zijn
loopbaanmogelijkheden binnen Defensie. De aanvraag gaat vergezeld van
een advies van de loopbaanbegeleider.
2. Onze Minister vergoedt de aan een
opleiding in het kader van de persoonlijke ontwikkeling verbonden
noodzakelijke kosten, die voor rekening van de militair komen.
3. Wanneer de opleiding dan wel de
noodzakelijke voorbereiding daarop plaatsvindt tijdens de arbeidstijd
van de militair, wordt hij door Onze Minister hiervoor vrijgesteld van
arbeid. Indien zwaarwegende redenen van dienstbelang dit noodzakelijk
maken, kan de vrijstelling van arbeid door Onze Minister tijdelijk
worden opgeheven.
Artikel 16a. Opleidingen, gericht op een
loopbaan buiten Defensie
1. De militair kan een aanvraag
indienen bij Onze Minister om te worden aangewezen voor een opleiding,
gericht op een loopbaan buiten het ministerie van Defensie. De
aanvraag gaat vergezeld van een advies van de loopbaanbegeleider of,
wanneer sprake is van een extern bemiddelingstraject, als bedoeld in
artikel 31a, van een advies van het Dienstencentrum externe
bemiddeling defensiepersoneel.
2. Bij een besluit van Onze Minister
tot aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden
met:
a. het bij de aanvraag gevoegde
advies van de loopbaanbegeleider of van het Dienstencentrum
externe bemiddeling defensiepersoneel;
b. de beroepswensen van de
militair;
c. de arbeidsmarkt relevantie van
de gewenste opleiding en de verhouding tot het werkervarings- en
opleidingsniveau van de militair.
3. Wanneer de opleiding is gericht op
het voortzetten van de loopbaan buiten Defensie binnen het
functiegebied, waarin de militair bij Defensie werkzaam is, en op een
vergelijkbaar werkniveau worden de kosten voor de opleiding volledig
vergoed.
4. Wanneer de opleiding is gericht op
het voortzetten van de loopbaan buiten Defensie buiten het
functiegebied, waarin de militair bij Defensie werkzaam is, dan wel op
een hoger werkniveau worden de kosten voor de opleiding vergoed tot
bij ministeriële regeling vast te stellen maximum bedragen.
5. Wanneer de opleiding niet kan worden
afgerond voordat ontslag plaatsvindt op grond van artikel 39, tweede
lid, onder i, kan, in voorkomend geval in afwijking van artikel 29a
tot en met 29c, de ingangsdatum van het ontslag door Onze Minister met
instemming van de militair worden opgeschort tot:
a. de opleiding is afgerond,
wanneer sprake is van een opleiding, als bedoeld in het derde lid;
b. uiterlijk twaalf maanden na de
oorspronkelijke ontslagdatum, wanneer sprake is van een opleiding,
als bedoeld in het vierde lid.
6. Wanneer bemiddeling van de militair
op basis van artikel 31a van dit besluit binnen het functiegebied en
op een vergelijkbaar werkniveau, waarin de militair bij Defensie
werkzaam is, niet mogelijk is, en de militair aangeeft een opleiding,
als bedoeld in het vierde lid, te willen volgen, zijn het derde en
vijfde lid, onder a, van overeenkomstige toepassing zijn op deze
opleiding.
7. Met instemming van de militair kan
door Onze Minister worden afgeweken van het vierde en vijfde lid,
onder b, waar het gaat om maximale duur van de voortzetting van het
dienstverband met het oog op de afronding van de opleiding en daarmee
samenhangende vergoeding van de kosten.
8. Wanneer de opleiding plaatsvindt
tijdens de arbeidstijd van de militair, wordt hij door Onze Minister
hiervoor vrijgesteld van arbeid, tenzij dit op grond van zwaarwegende
redenen van dienstbelang niet mogelijk is.
9. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld ten aanzien van dit artikel.
Artikel 16b. Vrijstellen van een
opleiding of delen daarvan
1. Onze Minister kan de militair
vrijstelling verlenen van een opleiding, bedoeld in artikel 13 tot en
met 16, of delen daarvan, indien blijkt dat reeds over de benodigde
kennis en vaardigheid wordt beschikt.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld ten aanzien van de uitvoering van het
eerste lid.
Artikel 16c. Aanvraag voorschot
1. Aan de militair kan op diens
aanvraag een voorschot worden verstrekt voor de door hem te maken
kosten voor een opleiding, als bedoeld in artikel 16en16a.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld ten aanzien van de uitvoering van het
eerste lid.
Artikel 16d. Ontheffing van een opleiding
De militair, die is aangewezen voor het
volgen van een opleiding, als bedoeld in artikel 13 tot en met 16, kan
daarvan door Onze Minister worden ontheven, indien hij niet voldoet aan
de voor de opleiding gestelde eisen of indien ontheffing in het belang
van de dienst of van de militair noodzakelijk is.
Artikel 16e. Terugbetalingsverplichting
opleidingskosten
1. Aan de aanwijzing voor een
opleiding, als bedoeld in artikel 13 tot en met 16a, kan door Onze
Minister de verplichting worden verbonden tot gehele of gedeeltelijke
terugbetaling van de kosten van de opleiding, indien de militair na
het verstrijken van de voor hem geldende proeftijd:
a. in verband met aan hem te
verwijten omstandigheden wordt ontheven van de opleiding;
b. in verband met aan hem te
verwijten omstandigheden wordt ontheven van de functie waarvoor
hij is opgeleid;
c. uit de dienst wordt ontslagen,
op grond van artikel 39, eerste lid of tweede lid, onder e, ten
1e, h, j, k, l, m of n, of artikel 45.
2. Bij de berekening van het terug te
betalen bedrag wordt uitgegaan van een evenwichtige verdeling van
risico's tussen werkgever en werknemer.
3. Het bedrag van de
terugbetalingsverplichting in geval van een initiële opleiding, als
bedoeld in artikel 13, wordt naar evenredigheid verminderd naarmate de
termijn van de hem op basis van artikel 12k van de Militaire
Ambtenarenwet 1931 opgelegde verplichting is verstreken met dien
verstande dat de periode van de proeftijd hierbij meetelt.
4. Het door de militair terug te
betalen bedrag wordt als volgt vastgesteld:
a. voor het deel van de opleiding
dat is gevolgd binnen het Ministerie van Defensie: overeenkomstig
de door Onze Minister vastgestelde kosten van die opleiding per
cursist;
b. voor het deel van de opleiding
dat is gevolgd buiten het Ministerie van Defensie: de
opleidingskosten die rechtstreeks door het Ministerie van Defensie
aan die onderwijsinstelling zijn betaald;
c. de militaire inkomsten die
volgens het Inkomstenbesluit militairen zijn ontvangen tijdens
een:
(1) opleiding, die is gevolgd
bij een externe onderwijsinstelling, met volledige
vrijstelling van het verrichten van arbeid: over de werkdagen
voor de volle duur van die opleiding waarop de militair is
vrijgesteld van werkzaamheden en diensten als militair,
(2) opleiding, die is gevolgd
bij een externe onderwijsinstelling, met gedeeltelijke
vrijstelling van het verrichten van arbeid: over de werkdagen
van die opleiding waarop de militair is vrijgesteld van
werkzaamheden en diensten als militair,
verminderd met het minimumloon over die
periode, vastgesteld conform hetgeen is bepaald bij en krachtens de
Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag.
5. De militair op wie een
terugbetalingsverplichting rust, wordt ontslagen van die verplichting,
indien hij bij ontslag op aanvraag, als bedoeld in artikel 39, eerste
lid, binnen zes maanden na dat ontslag wordt aangesteld als ambtenaar
bij het Ministerie van Defensie.
6. Het door de militair terug te
betalen bedrag is direct opeisbaar, wanneer een omstandigheid, als
bedoeld in het eerste lid, zich voordoet, en wordt in beginsel in
één termijn voldaan. Onze Minister kan een afbetalingsregeling
treffen.
7. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld ten aanzien van de uitvoering van dit
artikel.
Paragraaf 2. Functietoewijzing
Artikel 17. Functietoewijzing en
ontheffing uit de functie
1. Functietoewijzing en ontheffing uit
een functie geschiedt door Onze Minister.
2. De functie wordt in beginsel voor
minimaal twee jaar en maximaal drie jaar toegewezen. De duur van de
functievervulling kan met instemming van de militair worden verlengd
tot een maximum van vijf jaar.
3. De militair is gehouden de hem
toegewezen functie te vervullen.
4. Gedurende de eerste twee jaar van
functievervulling komt de militair in beginsel niet in aanmerking voor
plaatsing op een andere functie.
5. Na ontheffing uit de functie volgt
in beginsel functietoewijzing of bestemming voor een functieopleiding.
6. Indien de militair buiten staat is
de hem toegewezen functie te vervullen, kunnen daaraan door Onze
Minister consequenties worden verbonden.
7. In afwijking van het tweede lid kan
voor bij ministeriële regeling aan te wijzen specifieke
functiegroepen de functievervullingsduur worden vastgesteld tot een
maximum van zeven jaar. In geval van een afwijkende
functievervullingsduur van meer dan vijf jaar, kan tevens een van het
vierde lid afwijkende termijn worden vastgesteld tot een maximum van
vier jaar.
Artikel 18. Belangstellingsregistratie
1. De militair wordt in de gelegenheid
gesteld zijn voorkeur kenbaar te maken voor te vervullen functies.
Hiertoe worden in ieder geval de beschikbare functies bekend gesteld.
2. Bij de bekendstelling van functies
worden in ieder geval vermeld:
a. de functie-eisen;
b. een indicatie van de datum
waarop de functie voor toewijzing in aanmerking komt.
Artikel 19. Opbouw van kennis en ervaring
1. Om voor een functie in aanmerking te
komen voldoet de militair aan de gestelde eisen over de opbouw van
kennis, ervaring en vaardigheden.
2. Tot de in het eerste lid bedoelde
eisen worden in ieder geval gerekend:
a. de voor de functievervulling en
het functieniveau vereiste bekwaamheden en vooropleidingen;
b. de voor de functievervulling en
het functieniveau vereiste ervaring;
c. de eventuele voor de
functievervulling en voor bepaalde functiegroepen vereiste
competenties;
d. de eventuele functionele eisen
ten aanzien van de lichamelijke geoefendheid.
Artikel 20. Beslissing tot
functietoewijzing
1. Bij het nemen van een beslissing tot
functietoewijzing wordt in ieder geval rekening gehouden met de
volgende factoren:
a. de noodzaak van een voortdurende
taakvervulling door de krijgsmacht en in samenhang daarmee van een
zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies;
b. de door de militair kenbaar
gemaakte voorkeur; met inachtneming vanartikel 28a;
c. de beschikbaarheid van de
militair;
d. de uit een oogpunt van opbouw
van kennis en ervaring wenselijke spreiding van de loopbaan van de
militair over verschillende functies;
e. de bekwaamheid en de
geschiktheid van de militair voor de functie.
2. Bij het nemen van een beslissing tot
functietoewijzing worden in ieder geval de volgende kandidaten in
ogenschouw genomen:
a. de militairen, voor wie een
voorkeurspositie geldt, omdat zij in aanmerking komen voor ontslag
op grond van artikel 39, tweede lid, onder f;
b. andere bepaalde categorieën
militairen aan wie een voorkeurspositie is toegekend;
c. de militair die zijn voorkeur
voor de functie heeft kenbaar gemaakt;
d. militairen die in het kader van
een reorganisatie zijn aangemerkt als herplaatsingkandidaat en die
voor de vervulling van de vacante functie zijn voorgedragen;
e. militairen die op grond van
organisatiebelang geschikt worden geacht voor de functie, met
inbegrip van de militair die op grond van het gevoerde
loopbaanbeleid voor toewijzing van de functie in aanmerking komt.
3. Bij de bekwaamheid en geschiktheid
van de militair, genoemd in het eerste lid onder e worden in beginsel
in beschouwing genomen:
a. de mate waarin de militair
voldoet aan de functie-eisen als bedoeld in artikel 19;
b. de uitkomst van
functioneringsgesprekken, als bedoeld in artikel 28;
c. de uitkomst van
loopbaangesprekken, als bedoeld in artikel 28a;
d. de voor het besluit tot
functietoewijzing relevante beoordelingen, als bedoeld inartikel
28b.
Artikel 21. Bekendmaking van
functietoewijzing
1. Onze Minister stelt de betrokken
militair indien mogelijk zes maanden voor de datum van ingang van de
functievervulling, in kennis van het besluit tot functietoewijzing
onder vermelding van:
a. de functie;
b. de standplaats;
c. de datum van ingang;
d. een indicatie van de duur van
functievervulling.
2. Van de termijn, genoemd in het
eerste lid, kan door Onze Minister worden afgeweken tot een termijn
van ten minste twee maanden, indien naar zijn oordeel het dienstbelang
hiertoe noodzaakt.
3. In afwijking van het eerste lid
wordt voor in het buitenland geplaatste militairen in beginsel een
termijn van 12 maanden maar ten minste 9 maanden gehanteerd, indien
zij na hun buitenlandse plaatsing een functie in Nederland gaan
vervullen.
Artikel 22. Waarneming
1. De militair kan door Onze Minister
eenmaal tijdens een functievervulling voor een periode van maximaal 12
maanden worden belast met de volledige waarneming van een functie.
Onder volledige waarneming van een functie wordt verstaan: het op
aanwijzing van Onze Minister in de plaats van de eigen functie
uitoefenen van het volledige samenstel van werkzaamheden van een
andere functie.
2. Voorts kan de militair eenmaal
tijdens een functievervulling door Onze Minister voor een periode van
maximaal 12 maanden, naast het blijven vervullen van zijn eigen
functie, worden belast met de waarneming van een deel van het
samenstel van werkzaamheden, verbonden aan een andere functie dan die
aan hem is toegewezen.
3. Een militair kan alleen worden
belast met de waarneming van een functie waaraan zijn eigen
rangsniveau of het naasthogere rangsniveau is verbonden.
4. De militair wordt zo spoedig
mogelijk in kennis gesteld van het besluit hem te belasten met de
waarneming van een functie indien de waarneming voorzienbaar langer
dan 30 dagen zal duren. Hierbij wordt vermeld:
a. de functie die wordt
waargenomen;
b. of er sprake is van volledige of
gedeeltelijke waarneming;
c. indien het een gedeeltelijke
waarneming betreft, welk gedeelte van de functie niet wordt
waargenomen;
d. de datum van aanvang en de
vermoedelijke einddatum van de waarneming;
e. de mogelijkheid dat de
waarneming eerder kan eindigen dan de aangegeven vermoedelijke
einddatum.
f. het feit of een toelage wordt
toegekend als bedoeld in artikel 11 van het Inkomstenbesluit
militairen.
5. De commandant van de in het tweede
lid bedoelde militair draagt er zorg voor dat de combinatie van de
waar te nemen werkzaamheden en de eigen werkzaamheden de belasting van
één functie niet overschrijdt.
Artikel 23. Ontheffing van de
functie-eisen
1. Onze Minister kan de militair
ontheffen van de eisen die aan de hem toe te wijzen functie zijn
verbonden wanneer het onder bijzondere omstandigheden onmogelijk is
gebleken de militair tijdig aan te wijzen voor een opleiding als
bedoeld in artikel 14, eerste lid en artikel 15 eerste lid.
2. De in het eerste lid genoemde
ontheffing geldt voor de duur dat de militair de opleiding nog niet
heeft voltooid.
3. Onze Minister stelt de militair met
voorrang in de gelegenheid de voor de vervulling van de hem toegewezen
functie noodzakelijke opleidingen te volgen.
Paragraaf 3. Bevordering
Artikel 24. Bevordering
1. Bij koninklijk besluit geschiedt de
bevordering van:
a. een militair met een rang
beneden de rang van luitenant ter zee der derde klasse/tweede
luitenant tot een officiersrang;
b. een militair die een
officiersrang bekleedt;
c. een lid van het Koninklijk Huis;
d. een militair die behoort tot het
Militaire huis van Hare Majesteit de Koningin;
e. een militair tot de rang van
commandeur/brigadegeneraal/commodore of tot een hogere rang.
2. De bevoegdheid tot de in het eerste
lid, onderdeel b, bedoelde bevordering kan bij koninklijk besluit aan
Onze Minister worden toegekend.
3. De overige bevorderingen geschieden
door Onze Minister.
4. Aan de militair die een functie is
toegewezen waaraan een hogere rang is verbonden dan de rang die hij
bekleedt, wordt met ingang van de datum van ingang van
functievervulling die hogere rang toegekend. Het toekennen van die
rang kan tevens, voor een korte periode van voorbereiding, daaraan
voorafgaand geschieden.
5. In afwijking van het vierde lid kan
aan de militair in bijzondere gevallen tijdelijk een hogere rang
worden toegekend dan die welke hij bekleedt indien:
a. het gewenste optreden van de
militair daartoe noodzaakt en het optreden een wezenlijk onderdeel
uitmaakt van de functie
b. de militair wordt ingezet in het
kader van een vredesoperatie als bedoeld inartikel 2, onderdeel c,
en hij niet voldoet aan de eisen, genoemd inartikel 19.
6. De in het vijfde lid bedoelde
militair keert van rechtswege terug tot de rang of klasse die hij
daarvoor bekleedde indien de reden tot het toekennen van de hogere
rang vervalt.
7. De navolgende bevorderingen kunnen
geschieden in afwijking van het vierde lid:
a. bij de Koninklijke marine: de
bevorderingen in de stand van matroos en de bevordering van de
luitenant ter zee der derde klasse tot luitenant ter zee der
tweede klasse;
b. bij de Koninklijke landmacht: de
bevorderingen in de stand van soldaat, de bevordering van
korporaal tot korporaal der eerste klasse, de bevordering van
sergeant/wachtmeester tot sergeant/wachtmeester der eerste klasse
en de bevordering van tweede luitenant tot eerste luitenant;
c. bij de Koninklijke luchtmacht:
de bevorderingen in de stand van soldaat, de bevorderingen van
korporaal tot korporaal der eerste klasse, de bevordering van
sergeant tot sergeant der eerste klasse en de bevordering van
tweede luitenant tot eerste luitenant;
d. bij de Koninklijke marechaussee:
de bevorderingen in de stand van marechaussee der vierde en derde
klasse; de bevordering van marechaussee der tweede klasse tot
marechaussee der eerste klasse, de bevordering van de wachtmeester
tot wachtmeester der eerste klasse en de bevordering van tweede
luitenant tot eerste luitenant.
8. Indien een militair die een rang
tijdelijk bekleedt, overlijdt, wordt hij geacht de tijdelijke rang
effectief te hebben bekleed op het tijdstip van zijn overlijden.
Artikel 24a. Bevordering bij
functiewaardering
1. Indien naar aanleiding van de
uitkomst van een functiewaarderingsonderzoek bij een bestaande functie
sprake is van een verhoging van de rang die wordt verbonden aan de
functie, wordt de militair, die deze functie vervult, bevorderd tot
deze hogere rang.
2. De bevordering gaat in op de datum
waarop de aanvraag tot het houden van een functiewaarderingsonderzoek
is aangeboden aan het hoofd van het defensieonderdeel.
Artikel 24b. Bevorderingen tijdens
opleiding en in verband met ervaringsopbouw
1. De militair kan tijdens een
initiële opleiding door Onze Minister worden bevorderd wegens het
afsluiten van de opleiding of een gedeelte daarvan.
2. Onze Minister kan aan de militair
tijdens een opleiding een titulaire rang of een rang tijdelijk
toekennen.
3. De militair, ingedeeld bij de
Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht of de Koninklijke
marechaussee wordt in verband met opgedane ervaring of de gevolgde
opleiding bevorderd tot:
a. eerste luitenant wanneer hij de
effectieve rang van tweede luitenant gedurende twee jaren heeft
bekleed;
b. sergeant/wachtmeester der eerste
klasse wanneer hij de effectieve rang van sergeant/wachtmeester
gedurende vier jaren heeft bekleed;
c. korporaal/marechaussee der
eerste klasse wanneer hij de effectieve rang van korporaal dan wel
marechaussee der tweede klasse gedurende twee jaren heeft bekleed;
d. soldaat der eerste klasse
wanneer hij de effectieve stand van soldaat der tweede klasse
gedurende één jaar heeft bekleed en zijn initiële opleiding met
goed gevolg heeft afgerond dan wel zijn initiële opleiding niet
heeft kunnen afronden in verband met een niet voor zijn rekening
of risico komende omstandigheid;
e. marechaussee der tweede klasse
wanneer hij zijn initiële opleiding met goed gevolg heeft
afgerond.
4. De militair voldoet aan de in het
derde lid genoemde ervaringseis indien de militair gedurende de in dat
lid genoemde en voor zijn aanstellingscategorie en functieniveau
geldende periode op voldoende wijze heeft gefunctioneerd. Daarbij
wordt rekening gehouden met de bekwaamheid en geschiktheid, als
bedoeld in artikel 20, derde lid. De duur van de genoemde periode kan
in geval van onvoldoende functioneren worden verlengd met ten hoogste
een jaar.
5. De militair, ingedeeld bij de
Koninklijke marine, wordt in verband met opgedane ervaring bevorderd
tot korporaal wanneer hij is aangewezen voor een loopbaanopleiding tot
onderofficier en deze met goed gevolg heeft afgerond.
6. De militair, ingedeeld bij de
Koninklijke marine, die is aangewezen voor een loopbaanopleiding tot
officier wordt bevorderd tot:
a. tijdelijk luitenant ter zee der
3e klasse/tweede luitenant wanneer hij het theoretische deel van
die functie- of loopbaanopleiding met goed gevolg heeft afgerond;
b. luitenant ter zee der 2e
klasse/eerste luitenant wanneer hij de gehele functie-of
loopbaanopleiding met goed gevolg heeft afgerond.
7. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld voor bevordering tijdens of aansluitend
op een opleiding dan wel op grond van ervaringsopbouw.
Artikel 24c. Akte van bevordering
Aan de militair die is bevorderd, wordt
als akte van bevordering een afschrift van of uittreksel uit het
betreffende besluit tot bevordering uitgereikt. In een akte inzake een
tijdelijke bevordering als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, en artikel
24b, tweede lid, worden de reden en het tijdelijke karakter van die
bevordering uitdrukkelijk vermeld.
Artikel 25. Overgangsbeleid bevordering
tot sergeant bij de Koninklijke Marine
1. De militair ingedeeld bij
Koninklijke marine die op 9 december 2003 de rang van korporaal
bekleedde zal, indien hij 12 jaren die rang heeft bekleed, bij
voorrang een functie worden toegewezen waaraan de rang van sergeant is
verbonden, voor zover een dergelijke functie beschikbaar is, met dien
verstande dat een dergelijke functietoewijzing niet kan geschieden
binnen een termijn van twee jaar voor de dag waarop hem ontslag als
bedoeld in artikel 39a, onder a, zal worden verleend.
2. Indien het niet mogelijk is om de
militair, bedoeld in het eerste lid, een functie toe te wijzen waaraan
de rang van sergeant is verbonden, wordt hij, op het moment dat hij de
rang van korporaal 15 jaar heeft bekleed, bevorderd tot sergeant.
3. De militair ingedeeld bij de
Koninklijke marine, die op 9 december 2003 de rang van korporaal
bekleedde en aan wie twee jaar voor de dag waarop hem ontslag als
bedoeld in artikel 39a onder a, zal worden verleend, nog geen functie
is of kan worden toegewezen waaraan de rang van sergeant is verbonden,
wordt niettemin bevorderd tot sergeant.
4. Om voor toewijzing van een functie
waaraan de rang van sergeant is verbonden, als bedoeld in het eerste
lid, dan wel voor bevordering tot sergeant, als bedoeld in het tweede
en derde lid, in aanmerking te komen dient de militair te voldoen aan
de gestelde eisen als bedoeld inartikel 19.
Artikel 26. Behoud toegekende effectieve
rang
1. In bijzondere gevallen en voor ten
hoogste achttien maanden kan aan de militair een functie worden
toegewezen waaraan een lagere rang is verbonden dan de effectieve rang
die hij bekleedt.
2. De in het eerste lid bedoelde
militair, alsmede de militair die is aangewezen voor het volgen van
een opleiding, behoudt zijn rang.
Paragraaf 4. Functie- en
loopbaanbegeleiding
Artikel 27. Informatie tijdens de
loopbaan
De militair wordt tijdens zijn loopbaan
geïnformeerd over:
a. de inhoud van de door de militair
te vervullen functie, aan de hand van een functie-introductiegesprek;
b. de wijze van functioneren, aan de
hand van een functioneringsgesprek en in voorkomend geval een
beoordeling;
c. de loopbaanmogelijkheden, aan de
hand van een loopbaangesprek;
d. de wijze waarop de selectie voor
doorstroom naar fase drie plaatsvindt.
Artikel 28. Functioneringsgesprek
1. Aan de wijze waarop de militair –
aangesteld bij het beroepspersoneel– functioneert wordt ten minste
eenmaal per jaar aandacht besteed in een functioneringsgesprek. Met de
militair, aangesteld bij het reservepersoneel, wordt door de
commandant, in beginsel ten minste eenmaal per drie jaar een
functioneringsgesprek gehouden.
2. Indien een militair naast de uit
zijn functie voortvloeiende arbeid andere opgedragen arbeid heeft
verricht, wordt tevens aan de wijze waarop hij die arbeid heeft
verricht, aandacht besteed.
3. Onverminderd het eerste lid wordt
een functioneringsgesprek gehouden indien daartoe de behoefte wordt
aangegeven door de militair of door de functionele chef. Hierbij geldt
dat sprake is van een dienstverhouding van ten minste twee maanden.
4. Aan het functioneringsgesprek wordt
deelgenomen door de militair en diens functionele chef.
5. Op initiatief van een van de
deelnemers aan het functioneringsgesprek kunnen een of meer andere
personen deelnemen aan het gesprek, mits dit uiterlijk een week
voordat het gesprek plaatsvindt, wordt gemeld aan de andere
deelnemer(s) aan het gesprek.
6. Het functioneringsgesprek is ten
minste gericht op de navolgende onderdelen:
a. het functioneren en de
werkomstandigheden van de militair in de omgeving waarin hij zijn
functie vervult, waarbij aandacht wordt besteed aan de
functionele, wederzijdse relatie tussen de militair en zijn
functionele chef, de verhouding tussen de getoonde kennis en
vaardigheden en de functie-eisen;
b. de toetsing in hoeverre eerder
gemaakte afspraken zijn nagekomen;
c. de persoonlijke ontwikkeling van
de militair in zijn huidige functie;
d. andere onderwerpen, waaronder in
ieder geval sociale aspecten van leiderschap en het
levensfasebeleid.
7. De functionele chef legt een
samenvatting van de inhoud van het gesprek alsmede de gemaakte
afspraken en besproken aandachtspunten vast in het bij ministeriële
regeling vast te stellen functioneringsgesprekformulier. Het formulier
wordt voor een correcte weergave daarvan door de militair en de
functionele chef ondertekend, waarna de militair een afschrift van het
formulier ontvangt. De samenvatting van de inhoud van het gesprek, de
gemaakte afspraken en de besproken aandachtspunten worden in het
personeelsdossier opgelegd.
8. Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld ten aanzien van het houden van
functioneringsgesprekken.
Artikel 28a. Loopbaangesprek
1. Met de militair die zich in
loopbaanfase één bevindt:
a. wordt in ieder geval een jaar
voor het einde van loopbaanfase één een loopbaangesprek gevoerd
door de loopbaanbegeleider;
b. wordt daarnaast op zijn aanvraag
een loopbaangesprek gevoerd door de loopbaanbegeleider.
2. Met de militair die zich in
loopbaanfase twee of drie bevindt wordt tijdens elke
functievervulling, maar ten minste eenmaal per drie jaar, minimaal
één loopbaangesprek gevoerd door de loopbaanbegeleider.
3. Op verzoek van de militair kan een
derde persoon deelnemen aan het loopbaangesprek, mits dit uiterlijk
een week voordat het gesprek plaats vindt, wordt gemeld aan de andere
deelnemer(s) aan het gesprek.
4. In het loopbaangesprek wordt ten
minste aan de volgende aspecten aandacht besteed:
a. de loopbaanwensen van de
militair;
b. de kansen en mogelijkheden
binnen het door hem gevolgde loopbaanpad;
c. de kansen en mogelijkheden bij
het mogelijk wijzigen van het loopbaanpad;
d. de ontwikkelpunten inzake
kennis, ervaring en competenties, gericht op het vervolg van de
loopbaan.
5. Indien het een militair betreft die
een functie in fase twee vervult, wordt daarnaast aandacht besteed aan
de kansen en mogelijkheden voor het vervolgen van de loopbaan in fase
drie in afwachting van het doorstroombesluit.
6. Afspraken die in het loopbaangesprek
worden gemaakt, worden vastgelegd in het bij ministeriële regeling
vast te stellen persoonlijk ontwikkelplanformulier. Het formulier
wordt ondertekend door de militair, de loopbaanbegeleider en de
commandant operationeel commando.
7. De afspraken uit het persoonlijk
ontwikkelplan, vastgelegd in het formulier, genoemd in het zesde lid,
zijn bindend, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich verzet tegen
uitvoering van de gemaakte afspraken.
8. Indien de in het zesde lid genoemde
afspraken niet kunnen worden uitgevoerd om zwaarwegende redenen van
dienstbelang, biedt de commandant van het operationeel commando,
waarbij de militair is ingedeeld, binnen één jaar, vanaf het moment
dat duidelijk wordt dat de oorspronkelijke afspraak niet wordt
uitgevoerd, een gelijkwaardig alternatief aan.
9. Wanneer de afspraken niet zijn
nagekomen en de militair van mening is dat geen gelijkwaardig
alternatief, bedoeld in het achtste lid, is aangeboden kan hij zich
binnen vier weken wenden tot een door Onze Minister in te stellen
commissie van advies voor een mogelijke oplossing.
10. Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld ten aanzien van het houden van
loopbaangesprekken en het opstellen, vaststellen en nakomen van de
afspraken, vastgelegd in het persoonlijk ontwikkelplanformulier
alsmede ten aanzien van de commissie van advies, genoemd in het
negende lid.
Artikel 28b. Beoordeling
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. eerste beoordelaar:
de functionele chef van de
militair;
b. tweede beoordelaar:
de commandant van de militair. In
het geval de commandant de eerste beoordelaar is, treedt in
beginsel de functionele chef van de commandant op als tweede
beoordelaar.
2. Indien de militair of zijn
commandant dit wenselijk vindt wordt een beoordeling over het
functioneren van de militair opgemaakt. De militair kan hiertoe een
aanvraag indienen bij zijn commandant.
3. Onze Minister kan opdracht geven tot
het opmaken van een beoordeling.
4. In de beoordeling wordt een oordeel
gegeven over de wijze waarop de militair zijn functie, inclusief
eventueel andere opgedragen werkzaamheden, heeft vervuld gedurende het
beoordelingstijdvak. De beoordeling wordt gebaseerd op concrete
handelingen, resultaten en gedragingen van de te beoordelen militair.
Daarbij kunnen ook omstandigheden worden meegewogen buiten de dienst
die van invloed zijn geweest op het vervullen van de functie.
5. Het beoordelingstijdvak, waarin ten
minste één functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden, bedraagt ten
minste zes maanden en maximaal 2 jaren. Per kalenderjaar kan slechts
één beoordeling worden opgemaakt.
6. De beoordeling wordt opgemaakt door
de eerste beoordelaar en vastgelegd in het bij ministeriële regeling
vast te stellen beoordelingsformulier.
7. Na het opstellen van de beoordeling
wordt deze besproken met de militair. De militair ontvangt een
afschrift van de beoordeling waarna hij twee weken de tijd heeft om
bedenkingen kenbaar te maken bij de tweede beoordelaar. Deze termijn
kan op verzoek van de militair met twee weken worden verlengd.
8. De tweede beoordelaar neemt de
beoordeling en de eventueel daartegen ingediende bedenkingen in
beschouwing en stelt de beoordeling vast. De militair ontvangt een
afschrift van de vastgestelde beoordeling.
9. Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld ten aanzien van het opmaken en vaststellen van
beoordelingen.
Artikel 28c. Ambtsberichten
1. Gegevens betreffende gedragingen of
omstandigheden van een militair kunnen schriftelijk worden vastgelegd
in een ambtsbericht.
2. De militair wordt schriftelijk in
kennis gesteld van een voorgenomen ambtsbericht, waarna hij vier weken
de tijd heeft om eventuele schrifelijke bedenkingen kenbaar te maken.
Deze termijn kan op verzoek van de militair met twee weken worden
verlengd.
3. Onze Minister houdt bij de
vaststelling van een ambtsbericht rekening met de door de militair
ingediende bedenkingen en stelt vervolgens het ambtsbericht vast. Onze
Minister kan besluiten af te zien van het vaststellen van het
ambtsbericht.
4. De militair ontvangt een afschrift
van het ambtsbericht. Indien Onze Minister besluit af te zien van het
vaststellen van een ambtsbericht ontvangt de militair een afschrift
hiervan.
5. Een ambtsbericht kan gedurende een
periode van ten hoogste zes jaar na de vaststelling worden meegewogen
bij een te nemen rechtspositioneel besluit.
6. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vorm en de wijze
van indiening van ambtsberichten.
Hoofdstuk 4. Doorstroom naar fase drie
Artikel 29. Maximum aantal militairen in
een bepaalde rang
Onze Minister stelt het aantal militairen
vast dat een bepaalde rang mag bekleden.
Artikel 29a. Soldaten
1. Voor de toepassing van dit artikel
wordt verstaan onder soldaten: bij de Koninklijke landmacht en
luchtmacht: soldaten der 1e, 2e en 3eklasse.
2. Voor soldaten bedraagt de maximum
looptijd in rang in totaal acht jaren.
3. Ten aanzien van soldaten wordt
uiterlijk twee jaar voor het verstrijken van de periode van de maximum
looptijd in rang, door Onze Minister besloten of hij tijdens de
resterende periode kan worden bevorderd naar een hogere rang, als
bedoeld in artikel 29b en29c.
4. Onze Minister besluit over de
bevordering naar een hogere rang, genoemd in het derde lid, op basis
van:
a. de beschikbare functies;
b. het aantal militairen dat de
hogere rang mag bekleden, genoemd in artikel 29en
c. de geschiktheid van de militair
voor functievervulling in de hogere rang.
5. Soldaten komen niet in aanmerking
voor doorstroom naar functievervulling in fase drie.
6. Bij ministeriële regeling kunnen
voor specifieke functiegroepen nadere regels worden gesteld over een
afwijkende maximale looptijd in rang. Daarbij wordt rekening gehouden
met de noodzaak van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle
functies binnen die functiegroep in samenhang met de
arbeidsmarktpositie van de militairen, behorende tot de aan te wijzen
functiegroep.
Artikel 29b. Korporaals en
overeenkomstige rangen
1. Voor de toepassing van dit artikel
wordt verstaan onder korporaals en overeenkomstige rangen:
a. bij de Koninklijke marine:
matrozen der 1e klasse en mariniers der 1eklasse;
b. bij de Koninklijke landmacht en
luchtmacht: korporaals en korporaals der 1e klasse;
c. bij de Koninklijke marechaussee:
marechaussees der 1e en 2e klasse.
2. Voor korporaals en overeenkomstige
rangen bedraagt de maximum looptijd in rang in totaal acht jaren.
3. Ten aanzien van korporaals en
overeenkomstige rangen wordt uiterlijk twee jaar voor het verstrijken
van de periode van de maximum looptijd in rang, door Onze Minister
besloten of hij tijdens de resterende periode kan worden bevorderd
naar een hogere rang, als bedoeld in artikel 29c.
4. Onze Minister besluit over de
bevordering naar een hogere rang, genoemd in het derde lid, op basis
van:
a. de beschikbare functies;
b. het aantal militairen dat de
hogere rang mag bekleden, genoemd in artikel 29en
c. de geschiktheid van de militair
voor functievervulling in de hogere rang.
5. Korporaals of militairen met een
overeenkomstige rang komen niet in aanmerking voor doorstroom naar
functievervulling in fase drie.
6. Bij ministeriële regeling kunnen
voor specifieke functiegroepen nadere regels worden gesteld over een
afwijkende maximale looptijd in rang. Daarbij wordt rekening gehouden
met de noodzaak van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle
functies binnen die functiegroep in samenhang met de
arbeidsmarktpositie van de militairen, behorende tot de aan te wijzen
functiegroep.
Artikel 29c. Onderofficieren en
officieren
1. Voor korporaals bij de Koninklijke
marine, sergeanten, wachtmeesters alsmede sergeanten/wachtmeesters der
1e klasse bij de Koninklijke landmacht, luchtmacht en marechaussee
bedraagt de maximum looptijd in rang in fase een en twee in totaal
tien jaren.
2. Voor officieren in de rang van
luitenant ter zee der 2e klasse oudste categorie, kapitein der
mariniers of kapitein bij de Koninklijke landmacht, luchtmacht of
marechaussee bedraagt de maximum looptijd in rang in fase een en twee
negen jaren.
3. Aan onderofficieren en officieren,
genoemd in het eerste en tweede lid, wordt uiterlijk drie jaar voor
het verstrijken van de periode van de maximum looptijd in rang,een
besluit genomen over zijn mogelijkheden tot doorstroom naar fase drie.
4. Bij ministeriële regeling kunnen
voor specifieke functiegroepen nadere regels worden gesteld over een
afwijkende maximale looptijd in rang. Daarbij wordt rekening gehouden
met de noodzaak van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle
functies binnen die functiegroep in samenhang met de
arbeidsmarktpositie van de militairen, behorende tot de aan te wijzen
functiegroep.
Artikel 30. Doorstroom naar fase drie
1. Met inachtneming van artikel 29a,
derde lid, 29b, derde lid, en 29c, kan Onze Minister een militair
voordragen voor doorstroom naar fase drie.
2. Wanneer een militair op verzoek van
de commandant van het operationeel commando zijn voorkeur kenbaar
maakt voor een of meerdere, door de commandant van het operationeel
commando bepaalde functies en dit leidt tot een functietoewijzing, die
gepaard gaat met een doorstroom naar fase drie, wordt dit aangemerkt
als een voordracht, bedoeld in het eerste lid. Wanneer geen
functietoewijzing plaatsvindt, wordt het kenbaar maken van de voorkeur
door de militair niet aangemerkt als een aanvraag, bedoeld in het
derde lid.
3. Onverminderd het eerste en tweede
lid, kan de militair in fase een of twee zelf maximaal drie maal een
aanvraag voor doorstroom naar fase drie bij Onze Minister indienen.
4. Onze Minister informeert de militair
tijdig over de mogelijkheid, bedoeld in het derde lid.
5. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 31. Besluit inzake doorstroom
naar fase drie
1. Onze Minister besluit in beginsel
binnen uiterlijk zes weken na ontvangst van de voordracht, genoemd in
artikel 30, eerste lid, of de aanvraag, genoemd in artikel 30, derde
lid, op basis van:
a. de beschikbare functies;
b. het aantal militairen dat een
bepaalde rang mag bekleden, genoemd in artikel 29en
c. de geschiktheid van de militair
voor functievervulling in fase drie.
2. Bij de bepaling van de geschiktheid
van de militair, bedoeld in het eerste lid, onder c worden ten minste
in beschouwing genomen:
a. het verloop van het gevolgde
loopbaanpad;
b. de uitkomst van
functioneringsgesprekken en beoordelingen;
c. de gevolgde opleidingen;
d. de uitkomst van
loopbaangesprekken;
e. de mate waarin de militair
voldoet aan de eisen voor functievervulling in fase 3.
3. In bij ministeriële regeling aan te
wijzen gevallen kan worden afgeweken van de in het eerste lid genoemde
termijn van zes weken tot een maximum van tien weken.
4. In het in het eerste lid genoemde
besluit wordt de militair meegedeeld dat hij:
a. doorstroomt naar fase 3;
b. nog niet doorstroomt naar fase
drie;
c. niet doorstroomt naar fase drie.
5. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 31a. Begeleiding naar de civiele
arbeidsmarkt
1. De soldaat, genoemd in artikel 29a,
de korporaal of de militair met een overeenkomstige rang, genoemd in
artikel 29b, of de militair aan wie een besluit, als bedoeld in
artikel 31, vierde lid onder b of c, is meegedeeld en aan wie ontslag
zal worden verleend op grond van artikel 39, tweede lid, onder i,
wordt door de commandant van het operationeel commando, waarbij hij is
ingedeeld, uiterlijk één jaar voor het beoogde ontslagmoment
aangemeld bij het Dienstencentrum externe bemiddeling
defensiepersoneel, voor begeleiding bij de overgang naar een
betrekking op de civiele arbeidsmarkt.
2. De militair die om ontslag verzoekt,
kan op zijn aanvraag, onder regie van het Dienstencentrum externe
bemiddeling defensiepersoneel, gedurende ten hoogste een periode van
een jaar, voorafgaand aan de datum van ontslag, worden begeleid bij de
overgang naar een betrekking op de civiele arbeidsmarkt.
3. Afspraken, gemaakt in het kader van
de bemiddeling, worden vastgelegd in het persoonlijk
ontwikkelplanformulier, genoemd in artikel 28a, zesde lid. Artikel
28a, zevende tot en met tiende lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 32 [Vervallen per 04-09-1998]
Artikel 33 [Vervallen per 04-09-1998]
Hoofdstuk 5. Schorsing
Artikel 34. Gevallen waarin schorsing
plaatsvindt
1.De militair is van rechtswege in zijn
ambt geschorst, wanneer hij krachtens wettelijke maatregel van zijn
vrijheid is beroofd, tenzij die vrijheidsbeneming het gevolg is van:
a. een maatregel, anders dan op
grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische
ziekenhuizen, genomen in het belang van de volksgezondheid of;
b. een straf op grond van de Wet
militair tuchtrecht.
2.De militair kan voorts in zijn ambt
worden geschorst:
a. indien een strafrechtelijke
vervolging ter zake van misdrijf tegen hem is ingesteld;
b. wanneer hem is medegedeeld dat
hij in aanmerking zal worden gebracht voor ontslag als bedoeld in
artikel 39, tweede lid, onderdeel k, l, m of n, dan wel als
bedoeld in artikel 12g, tweede lid, van de Militaire Ambtenarenwet
1931;
c. wanneer het belang van de dienst
zulks vordert.
Artikel 35. Wijze waarop schorsing
plaatsvindt
1.Schorsing als bedoeld in artikel 34,
tweede lid, geschiedt door de commandant.
2.In afwijking van het eerste lid
geschiedt de schorsing van een geestelijk verzorger en van een
militair als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onderdeel c, d en e,
door Onze Minister.
3.Een schorsing als bedoeld in artikel
34, tweede lid, gaat in op het tijdstip, waarop deze de betrokken
militair bekend wordt gemaakt. Indien het gedurende zes dagen
feitelijk niet mogelijk is de militair het schorsingsbesluit ter
kennis te brengen, gaat de schorsing in op de zevende dag na de
dagtekening van het schorsingsbesluit.
Artikel 36. Opheffing van de schorsing
1.Een schorsing als bedoeld in artikel
34, tweede lid, onderdeel a en b, eindigt wanneer hij wordt opgeheven
door de bevoegde autoriteit, bedoeld inartikel 35.
2.Een schorsing als bedoeld in artikel
34, tweede lid, onderdeel c, wordt opgeheven wanneer de belangen van
de dienst de schorsing niet meer vorderen, doch uiterlijk na drie
maanden, tenzij de omstandigheid die aanleiding gaf voor die schorsing
zich nog immer voordoet.
Artikel 37 [Vervallen per 23-06-2004]
Hoofdstuk 6. Ontslag
Artikel 38. Bevoegdheid tot het verlenen
van ontslag
1.Het verlenen van ontslag aan de
militair met een officiersrang geschiedt bij koninklijk besluit.
2.Het verlenen van ontslag aan de
militair met een rang beneden de rang van luitenant ter zee der 3e
klasse/tweede-luitenant, of een stand, geschiedt door Onze Minister.
Artikel 39. Ontslaggronden
1. Aan de militair kan ontslag op
aanvraag worden verleend, indien hij daartoe aan het ingevolge artikel
38 bevoegde gezag schriftelijk de wens te kennen geeft. Indien de
ontslagaanvraag wordt ingediend tijdens de proeftijd vindt artikel
12m, onder b, c of d, van de Militaire ambtenarenwet 1931, geen
toepassing.
2. Aan de militair kan verder
uitsluitend ontslag worden verleend:
a. ter zake van het bereiken of
overschrijden van de leeftijd van 60 jaar;
b. wegens het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd;
c. wanneer zijn diensten door het
ingevolge artikel 38 bevoegde gezag niet langer nodig worden
geoordeeld, nadat hij ingevolge artikel 8 van de Uitkeringswet
gewezen militairen weder is aangesteld;
d. wegens overtolligheid indien er
voor hem geen functie beschikbaar is, onverminderd het bepaalde in
artikel 43;
e. wanneer hij, bij ontslag uit een
ambt, voor het bekleden waarvan hij op non-activiteit was gesteld:
1°. het ingevolge artikel 38
bevoegde gezag niet doet blijken van zijn verlangen om in
werkelijke dienst te worden gehandhaafd; dan wel
2°. ofschoon hij dat verlangen
te kennen heeft gegeven, naar verwachting niet binnen twee
jaren bij het krijgsmachtdeel waartoe hij behoort, of indien
dat niet mogelijk is bij een ander krijgsmachtdeel, kan worden
geplaatst;
f. ter zake van blijvende
ongeschiktheid voor het vervullen van de dienst uit hoofde van een
ziekte of een gebrek;
g. wanneer hij is ingedeeld bij de
zeemacht en een officiersrang heeft, dan wel wanneer hij is
ingedeeld bij de landmacht, luchtmacht of marechaussee - ongeacht
welke rang hij heeft -, ter zake van het bereiken of overschrijden
van de leeftijd van vijftig jaar, wanneer hij naar het oordeel van
het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag - in verband met zijn
leeftijd voor het vervullen van de dienst niet meer ten volle
geschikt is;
h. wegens ontheffing van de
initiële opleiding tot het volgen waarvan hij bij zijn
aanstelling is aangewezen, om reden dat hij niet voldoet aan de
bij die opleiding gestelde eisen;
i. voor soldaten en korporaals
wegens het niet kunnen worden bevorderd op basis van een besluit
als bedoeld in artikel 29a, derde lid, respectievelijk 29b, derde
lid, uiterlijk twee jaar na dat besluit dan wel voor
onderofficieren en officieren wegens het niet kunnen doorstromen
naar fase drie op basis van een besluit als bedoeld in artikel 31
vierde lid onder c, uiterlijk drie jaar na dat besluit;
j. wegens onbekwaamheid of
ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie of voor de
vervulling van functies binnen de groepen van functies, waarvoor
hij is bestemd, wat de ongeschiktheid betreft, voor zover het
bepaalde onder f of g niet toepasselijk is; een en ander
onverminderd het bepaalde in artikel 43, eerste lid;
k. wegens verregaande nalatigheid
in de vervulling van zijn plichten;
l. wegens wangedrag in de dienst,
dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of
kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is
met het aanzien van zijn ambt;
m. wegens een vonnis dat in kracht
van gewijsde is gegaan en is gewezen in verband met een feit van
zodanige aard, dat, mede gelet op het algemeen gedrag van de
militair, diens ontslag in het belang van de dienst noodzakelijk
is;
n. ter zake van misleiding bij zijn
indiensttreding indien blijkt dat hij bij zijn aanmelding onjuiste
gegevens heeft verstrekt of omstandigheden heeft verzwegen en de
juiste gegevens of de verzwegen omstandigheden de aanstelling
zouden hebben belet, tenzij de militair aannemelijk maakt dat hij
te goeder trouw heeft gehandeld.
3. Aan de militair die behoort tot het
reserve-personeel kan voorts ontslag worden verleend ter zake van een
aanstelling in een betrekking, die krachtens enig wettelijk
voorschrift onverenigbaar is met de militaire dienst.
4. Aan de militair die is aangesteld
bij het reserve-personeel op grond van zijn burgerlijke betrekking kan
voorts nog ontslag worden verleend ter zake van beëindiging van die
burgerlijke betrekking.
5. Aan de militair die behoort tot het
reservepersoneel kan voorts nog ontslag worden verleend indien het op
grond van artikel 38 bevoegde gezag handhaving van die
dienstverhouding niet langer nodig oordeelt.
6.
a. Aan de militair behorend tot het
beroepspersoneel die de rang van commandeur, brigade-generaal of
commodore bekleedt, of die een hogere rang bekleedt, kan voorts
ontslag worden verleend.
1°. op voordracht van Onze
minister-president en Onze Minister, wanneer het belang van de
dienst dit noodzakelijk maakt;
2°. op andere gronden;
b. In deze gevallen wordt bij
koninklijk besluit - in het geval bedoeld onder a, ten eerste, op
de gezamenlijke voordracht van Onze minister-president en van Onze
Minister - een regeling getroffen waarbij aan de betrokkene een
uitkering wordt toegekend welke met het oog op de omstandigheden
redelijk is te achten. Die regeling zal in geen geval nadeliger
mogen zijn dan die volgens welke de uitkering ingevolge de
Uitkeringswet gewezen militairen zou zijn toegekend, waarop de
betrokken militair aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hem,
in plaats van vorenbedoeld ontslag, op grond van het tweede lid
onder a, ontslag zou zijn verleend.
7. Aan de militair voor wie na de
aanstelling een proeftijd geldt, kan tijdens die proeftijd ontslag
worden verleend zonder toepassing van één van de in het tweede lid
genoemde ontslaggronden.
8. Wanneer een ontslag op aanvraag,
bedoeld in het eerste lid, wordt verleend in verband met het
aanvaarden van een betrekking op de civiele arbeidsmarkt binnen drie
maanden voor het bereiken van het moment van ontslag, genoemd in
artikel 39, tweede lid, onder i, wordt dit ontslag aangemerkt als een
ontslag op grond van het tweede lid, onder i.
Artikel 39a. Overgangsbepaling
ontslagleeftijd
In afwijking van artikel 39, tweede lid,
onderdeel a, kan aan de militair die vóór 1 januari 2002 voor
onbepaalde tijd is aangesteld bij het beroepspersoneel, ontslag worden
verleend wegens het bereiken of overschrijden van de volgende
ontslagleeftijd:
a. Voor de militair van de zeemacht
zonder rang, of die een rang bekleedt lager dan luitenant ter zee
der derde klasse, die de leeftijd van vijftig jaar bereikt:
1°. in het jaar 2006: vijftig
jaar en drie maanden;
2°. in het jaar 2007: vijftig
jaar en zes maanden;
3°. in het jaar 2008: vijftig
jaar en negen maanden;
4°. in het jaar 2009:
eenenvijftig jaar;
5°. in het jaar 2010:
eenenvijftig jaar en drie maanden;
6°. in het jaar 2011:
eenenvijftig jaar en zes maanden;
7°. in het jaar 2012:
tweeënvijftig jaar;
8°. in het jaar 2013:
tweeënvijftig jaar en zes maanden;
9°. in het jaar 2014:
drieënvijftig jaar;
10°. in het jaar 2015:
drieënvijftig jaar en zes maanden;
11°. in het jaar 2016:
vierenvijftig jaar;
12°. in het jaar 2017:
vierenvijftig jaar en zes maanden;
13°. in het jaar 2018 tot en met
het jaar 2024: vijfenvijftig jaar.
b. Voor de militair van de zeemacht,
die de rang bekleedt van luitenant ter zee der derde klasse,
luitenant ter zee der tweede klasse of luitenant ter zee der tweede
klasse oudste categorie, die de leeftijd van tweeënvijftig jaar
bereikt:
1°. in het jaar 2006:
tweeënvijftig jaar en drie maanden;
2°. in het jaar 2007:
tweeënvijftig jaar en zes maanden;
3°. in het jaar 2008:
tweeënvijftig jaar en negen maanden;
4°. in het jaar 2009:
drieënvijftig jaar;
5°. in het jaar 2010:
drieënvijftig jaar en drie maanden;
6°. in het jaar 2011:
drieënvijftig jaar en zes maanden;
7°. in het jaar 2012:
vierenvijftig jaar;
8°. in het jaar 2013:
vierenvijftig jaar en zes maanden;
9°. in het jaar 2014:
vijfenvijftig jaar;
10°. in het jaar 2015:
vijfenvijftig jaar en zes maanden;
11°. in het jaar 2016:
zesenvijftig jaar;
12°. in het jaar 2017:
zesenvijftig jaar en zes maanden;
13°. in het jaar 2018 tot en met
het jaar 2026: zevenenvijftig jaar.
c. Voor de militair van de zeemacht
die de rang bekleedt van luitenant ter zee der eerste klasse, of een
hogere rang:
1°. tot en met 30 juni 2006:
vierenvijftig jaar en drie maanden;
2°. van 1 juli 2006 tot en met
30 juni 2007: vierenvijftig jaar en zes maanden;
3°. van 1 juli 2007 tot en met
30 juni 2008: vierenvijftig jaar en negen maanden;
4°. van 1 juli 2008 tot en met
31 december 2008: vijfenvijftig jaar;
d. Voor de militair van de zeemacht
die de rang bekleedt van luitenant ter zee der eerste klasse, of een
hogere rang, die de leeftijd van vijfenvijftig jaar bereikt:
1°. in het jaar 2009:
vijfenvijftig jaar en drie maanden;
2°. in het jaar 2010:
vijfenvijftig jaar en zes maanden;
3°. in het jaar 2011:
vijfenvijftig jaar en negen maanden;
4°. in het jaar 2012:
zesenvijftig jaar;
5°. in het jaar 2013:
zesenvijftig jaar en drie maanden;
6°. in het jaar 2014:
zesenvijftig jaar en zes maanden;
7°. in het jaar 2015:
zevenenvijftig jaar;
8°. in het jaar 2016:
zevenenvijftig jaar en zes maanden;
9°. in het jaar 2017:
achtenvijftig jaar;
10°. in het jaar 2018:
achtenvijftig jaar en zes maanden;
11°. in het jaar 2019:
negenenvijftig jaar;
12°. in het jaar 2020:
negenenvijftig jaar en zes maanden.
e. Voor de overige militairen, die de
leeftijd van vijfenvijftig jaar bereiken:
1°. in het jaar 2006:
vijfenvijftig jaar en drie maanden;
2°. in het jaar 2007:
vijfenvijftig jaar en zes maanden;
3°. in het jaar 2008:
vijfenvijftig jaar en negen maanden;
4°. in het jaar 2009:
zesenvijftig jaar;
5°. in het jaar 2010:
zesenvijftig jaar en drie maanden;
6°. in het jaar 2011:
zesenvijftig jaar en zes maanden;
7°. in het jaar 2012:
zevenenvijftig jaar;
8°. in het jaar 2013:
zevenenvijftig jaar en zes maanden;
9°. in het jaar 2014:
achtenvijftig jaar;
10°. in het jaar 2015:
achtenvijftig jaar en zes maanden;
11°. in het jaar 2016:
negenenvijftig jaar;
12°. in het jaar 2017:
negenenvijftig jaar en zes maanden.
Artikel 39b. Leeftijdsontslag voor
militairen met de rang van kapitein ter zee, kolonel of een hogere rang
en academisch geschoolde kapitein-luitenants ter zee en
luitenant-kolonels
In afwijking van artikel 39, tweede lid,
onderdeel a, wordt, onverminderd artikel 39a, ontslag verleend wegens
het bereiken van een individueel te bepalen leeftijd gelegen tussen de
leeftijd van zestig en vijfenzestig jaar:
a. aan militairen met de rang van
kapitein ter zee / kolonel of een hogere rang;
b. met hun instemming, aan militairen
met de rang van kapitein-luitenant ter zee / luitenant-kolonel die
een academische opleiding hebben afgerond en als zodanig werkzaam
zijn in het veld van hun academische deskundigheid.
Artikel 39c. Verlaging van de
ontslagleeftijd wegens deelname aan vredes- en humanitaire operaties
1.De voor de militair geldende
ontslagleeftijd kan met een maximum van twee jaren worden verlaagd in
verband met de buiten Nederland doorgebrachte inzet in het kader van
een vredes- of humanitaire operatie met dien verstande dat de
ontslagleeftijd nimmer lager kan zijn dan achtenvijftig jaar.
2.De in het eerste lid bedoelde
verlaging bedraagt:
a. één derde van de tijd die
vanaf 1 januari 1990 tot en met 31 december 2007 in het kader van
een vredes-of humanitaire operatie buiten Nederland is
doorgebracht; en
b. de helft van de tijd die vanaf 1
januari 2008 in het kader van een vredes- of humanitaire operatie
buiten Nederland is doorgebracht.
Artikel 40. Ontslag bij aanvaarding van
het ambt van minister of staatssecretaris
Aan de militair die een benoeming tot
minister of staatssecretaris aanvaardt, wordt om die reden ontslag
verleend.
Artikel 41. Aanduiding van het ontslag
Het ontslag wordt "eervol"
verleend, behoudens in de gevallen, genoemd in artikel 39, tweede lid,
aanhef en onder k, l, m en n, in welke gevallen het ontslag zonder die
aanduiding wordt verleend.
Artikel 42 [Vervallen per 01-02-2011]
Artikel 43. Ontslag wegens overtolligheid
van personeel of onbekwaamheid/ongeschiktheid
1. Ontslag van een militair om de
reden, genoemd in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder d of j kan
slechts plaatsvinden indien het naar het oordeel van de minister na
een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de militair binnen
zijn krijgsmachtdeel, of indien dit niet mogelijk is bij een ander
krijgsmachtdeel, een andere, mede in verband met zijn persoonlijkheid
en omstandigheden passende, functie toe te wijzen, dan wel indien hij
een zodanige functie weigert te aanvaarden. In het onderzoek wordt de
mogelijkheid tot bij- of omscholing van de militair betrokken.
2. Indien meerdere functies worden
opgeheven in verband met een reorganisatie of een wijziging van de
personeelssamenstelling van een krijgsmachtdeel, vindt ontslag wegens
overtolligheid plaats naar een vooraf vastgesteld en bekendgemaakt
plan.
Artikel 44. Ontslag wegens blijvende
geestelijke of lichamelijke ongeschiktheid
Ontslag om de reden, genoemd in artikel
39, tweede lid onder f, wordt pas verleend, nadat de militair ter zake
van het ontstaan, de aard en de gevolgen van zijn ziekte of gebrek is
onderworpen aan een geneeskundig onderzoek naar de regelen, gesteld bij
het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende
dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen.
Artikel 45. Ontslag wegens onvoldoende
waarborg voor getrouwe plichtsvervulling
1.Ontslag om de reden als bedoeld in
artikel 12g, tweede lid, van de Militaire ambtenarenwet 1931, kan
slechts plaatsvinden met medewerking van Onze Minister-President dan
wel, indien het de militair met een officiersrang betreft, op
voordracht van Onze Minister-President en Onze Minister. Daaraan
voorafgaand wordt het advies ingewonnen van een commissie, bestaande
uit vijf leden en vijf plaatsvervangende leden.
2.De leden en de plaatsvervangende
leden van de commissie, bedoeld in het eerste lid worden bij
koninklijk besluit benoemd op voordracht van Onze Minister-President
en van Onze Minister. De taak, samenstelling en werkwijze van de
commissie worden bij de instelling geregeld.
Artikel 46 [Vervallen per 04-09-1998]
Artikel 47. Datum van ingang van het
ontslag
1. Ontslag wordt in het algemeen
verleend met ingang van de eerste dag van een kalendermaand.
2. Een ontslag op aanvraag anders dan
tijdens de proeftijd en een ontslag om een van de redenen, genoemd in
artikel 39, tweede lid, aanhef en onder c, d, e, f, g, i en j, gaan
niet eerder in dan nadat ten minste drie maanden zijn verstreken
sedert het tijdstip waarop het aanvraag om ontslag is ingediend
onderscheidenlijk de militair van de beslissing tot ontslagverlening
schriftelijk in kennis is gesteld.
3. Een ontslag op aanvraag tijdens de
proeftijd en de ontslagen, bedoeld in artikel 39, tweede lid onder h,
en zevende lid, gaan niet eerder in dan nadat ten minste een maand is
verstreken sedert het tijdstip waarop het aanvraag om ontslag is
ingediend of de militair van de beslissing onderscheidenlijk het
voorstel tot ontslagverlening schriftelijk in kennis is gesteld.
4. De in het tweede en derde lid
genoemde termijnen kunnen op verzoek van de militair worden bekort.
5. Een ontslag ten gevolge van het
aanvaarden van het ambt van minister of staatssecretaris, als bedoeld
in artikel 40, gaat in op de dag van aanvaarding van dit ambt.
Artikel 48. Intrekking van reeds verleend
ontslag
Ontslag dat is verleend om een andere
reden dan genoemd in artikel 39, tweede lid onder k, l, m of n, en dat
nog niet is ingegaan, wordt ingetrokken, indien zich inmiddels een
omstandigheid heeft voorgedaan die het ingevolge artikel 38 bevoegde
gezag aanleiding geeft de militair te ontslaan om één van de redenen,
genoemd in artikel 39, tweede lid onder k, l, m of n.
Artikel 49. Ontslag tijdens verblijf
buiten Nederland
1.In afwijking van artikel 47, tweede
lid, kan het tijdstip van ingang van een ontslag-op-aanvraag van de
militair die om redenen van dienst buiten Nederland verblijft, worden
uitgesteld voor de tijd die onvermijdelijk nodig is om hem aldaar te
vervangen, maar voor ten hoogste drie maanden.
2.Het ontslag van de militair die om
redenen van dienst buiten Nederland verblijft, gaat eerst in op een
datum gelegen na het tijdstip van zijn terugkeer in Nederland.
3.Van het tweede lid kan worden
afgeweken, indien de militair zulks aanvraagt en het dienstbelang zich
naar het oordeel van het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag niet
verzet tegen inwilliging van het aanvraag, of indien de terugkeer niet
tijdig plaatsvindt ten gevolge van omstandigheden die zijn te wijten
aan de schuld of het toedoen van de militair.
Artikel 50 [Vervallen per 23-05-2003]
Artikel 51. Getuigschrift
1.Aan de militair aan wie ontslag wordt
verleend nadat hij ten minste één jaar in werkelijke dienst is
geweest, wordt op zijn verzoek de commandant operationeel commando een
getuigschrift uitgereikt.
2.Het getuigschrift vermeldt:
a. de begindatum en einddatum van
de dienstverhouding, alsmede de arbeidsduur per week;
b. de aard van de verrichte
werkzaamheden;
c. de wijze waarop de militair zijn
werkzaamheden heeft verricht;
d. de grond waarop aan de militair
ontslag is verleend.
3.De in lid 2, onderdelen c en d,
genoemde gegevens worden slechts op verzoek van de militair in het
getuigschrift vermeld.
Artikel 52 [Vervallen per 12-06-1991]
Artikel 53. Ontslag van rechtswege
De militair is van rechtswege ontslagen:
a. zodra hij het Nederlanderschap
verliest;
b. zodra een tegen hem gewezen vonnis
waarbij de bijkomende straf van ontzetting van het recht om bij de
gewapende macht te dienen is opgelegd zonder dat daarbij is bepaald
dat deze straf geheel of gedeeltelijk niet ten uitvoer zal worden
gelegd, in kracht van gewijsde is gegaan.
In deze gevallen wordt de militair door
Onze Minister schriftelijk in kennis gesteld van het feit dat, de datum
met ingang waarvan en de reden waarom hij van rechtswege ontslagen is.
Hoofdstuk 7. Werk- en rusttijden
Paragraaf 1. Algemene bepalingen inzake
werk- en rusttijden
Artikel 54 [Vervallen per 25-07-2001]
Artikel 54a. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. militair:
de militair in werkelijke dienst;
b. diensten:
activiteiten die zijn vereist voor
het functioneren van de militaire organisatie, voor zover deze zijn
ingesteld door het hoofd defensieonderdeel;
c. werkzaamheden:
activiteiten die voortvloeien uit de
door de militair vervulde functie, alsmede andere opgedragen
activiteiten die om redenen van dienst of in het algemeen belang
noodzakelijk zijn, doch die niet kunnen worden aangemerkt als
diensten;
d. werktijd:
het totaal van de in kloktijden
aangegeven perioden gedurende welke een militair de hem opgedragen
werkzaamheden of diensten moet verrichten;
e. rooster:
een voor een periode van tenminste
een week opgesteld en van tevoren schriftelijk bekendgemaakt schema
van aanvang en einde van de dagelijkse werk- en rusttijden,
eventueel afzonderlijk vastgesteld voor werkzaamheden en voor
diensten;
f. arbeidsduur:
de tijdsduur, uitgedrukt in een
aantal uren per dag of per week, gedurende welke een militair
werkzaamheden of diensten verricht;
g. nachtdienst:
een werkdag waarin de uren tussen
00.00 uur en 06.00 uur geheel of gedeeltelijk zijn begrepen;
h. werkdag:
een aaneengesloten tijdruimte waarin
werkzaamheden of diensten worden verricht en die is gelegen tussen
twee voorgeschreven opeenvolgende onafgebroken rusttijden;
i. pauze:
een tijdruimte van ten minste 15
achtereenvolgende minuten, waarmee de werkzaamheden of diensten
tijdens de werkdag worden onderbroken en de militair geen enkele
verplichting heeft ten aanzien van de bedongen werkzaamheden of
diensten;
j. consignatie:
een tijdruimte tussen twee elkaar
opeenvolgende werkdagen of tijdens een pauze, waarin die militair
uitsluitend verplicht is bereikbaar te zijn om in geval van
onvoorziene omstandigheden op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen
werkzaamheden of diensten te verrichten;
k. aanwezigheidsdienst:
een aaneengesloten tijdruimte van ten
hoogste 24 uren, waarin de militair, zo nodig naast het verrichten
van de bedongen werkzaamheden of diensten, consignatie wordt
opgelegd waarbij die militair verplicht is op de werkplek aanwezig
te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen werkzaamheden
of diensten te verrichten;
l. piket:
een periode waarin de militair, zo
nodig naast het verrichten van de bedongen werkzaamheden of
diensten, consignatie wordt opgelegd waarbij de militair verplicht
is om in verband met zijn bereikbaarheid op de werkplek aanwezig te
zijn;
m. oefening:
elk door defensiepersoneel in de
praktijk brengen van onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de
bedrevenheid in het uitvoeren van aan de krijgsmacht opgedragen
operationele taken te verwerven, te vergroten of te onderhouden.
Artikel 54b. Vaststelling werk- en
rusttijden
1.De militair verricht de hem
opgedragen werkzaamheden of diensten in beginsel gedurende
vastgestelde werktijden.
2.De werk- en rusttijden van de
militair worden met inachtneming van de bepalingen in dit hoofdstuk,
en nadat hierover overeenkomstig het Besluit medezeggenschap defensie
overeenstemming is bereikt met de betrokken medezeggenschapscommissie,
vastgesteld door de commandant en schriftelijk vastgelegd in roosters.
3.De werktijd dient zoveel mogelijk te
zijn gelegen tussen 07.00 en 18.00 uur.
4.De arbeidsduur bedraagt gerekend over
de periode waarvoor het rooster is vastgesteld ten hoogste gemiddeld
38 uren per week. Hiervan kan worden afgeweken ter zake van het
verrichten van diensten.
5.Door Onze Minister kunnen functies
worden aangewezen waarbij het reizen, naar en vanaf de plaats waar de
militair werkzaamheden of diensten moet verrichten, een wezenlijk
bestanddeel uitmaakt van de functie. Bij die functies wordt de
reisduur buiten de voor de militair geldende werktijd als arbeidsduur
aangemerkt.
Artikel 54c. Bekendstelling werk- en
rusttijden
1.De commandant die een rooster
vaststelt of opnieuw vaststelt, maakt het rooster ten minste 28 dagen
vóór de datum van inwerkingtreding bekend aan de militair.
2.Indien de aard van de werkzaamheden
of diensten toepassing van het eerste lid onmogelijk maakt, stelt de
commandant ten minste 28 dagen van tevoren aan de militair bekend op
welke dag de rusttijd, bedoeld in de artikelen 56e en 57a, eerste lid,
aanvangt. Tevens maakt hij aan de militair ten minste 4 dagen van
tevoren de tijdstippen bekend waarop hij werkzaamheden of diensten
moet verrichten.
3.De commandant dient overeenstemming
te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het
dienstbelang het noodzakelijk maakt af te wijken van het eerste of
tweede lid.
Artikel 54d. Tijdelijke verlenging van de
arbeidsduur
1. De militair kan bij de commandant
eenmaal per kalenderjaar een aanvraag indienen om zijn arbeidsduur
gedurende het resterende deel van dat kalenderjaar met 2 uren per week
te verlengen wanneer:
a. de militair is aangesteld bij
het beroepspersoneel; en
b. de militair een functie vervult
in fase twee of fase drie; en
c. het rooster van de militair in
het resterende deel van dat kalenderjaar zal zijn gebaseerd op een
arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
Voor de militair die in verband met
deeltijdverlof een arbeidsduur heeft van gemiddeld minder dan 38 uur
per week wordt de ingevolge de vorige volzin geldende aanspraak
vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een arbeidsduur
van gemiddeld 38 uur per week.
2. De commandant wijst een aanvraag als
bedoeld in het eerste lid toe, tenzij het dienstbelang zich daartegen
verzet. In ieder geval wordt de aanvraag afgewezen indien de
tijdelijke verlenging van de arbeidsduur geen effect heeft op de
formatie, onder door Onze Minister bij ministeriële regeling nader
vast te stellen voorwaarden.
3. Een toegestane verlenging van de
arbeidsduur gaat in op de eerste dag van de maand, volgend op de maand
waarin de verlenging is toegestaan.
4. Een toegestane verlenging van de
arbeidsduur wordt jaarlijks stilzwijgend voortgezet tenzij:
a. de militair een aanvraag indient
om de tijdelijke verlenging van de arbeidsduur te beëindigen; of
b. de militair een aanvraag indient
als bedoeld in artikel 54e, eerste lid; of
c. de commandant de verlenging van
de arbeidsduur beëindigt omdat hij van oordeel is dat het
dienstbelang zich tegen een voortgezette verlenging daarvan
verzet.
5. Indien de militair een andere
functie wordt toegewezen vervalt met ingang van de datum waarop hij de
nieuwe functie gaat vervullen de verlenging van de arbeidsduur. In dat
geval kan de militair bij zijn nieuwe commandant een aanvraag als
bedoeld in het eerste lid indienen.
6. Voor het deel dat de arbeidsduur
wordt verlengd ontvangt de militair een maandelijkse toeslag. Deze
toeslag bedraagt 12 maal 1/165 deel van het voor de betrokken militair
geldende maandsalaris, of een evenredig deel daarvan voor de militair
die in verband met deeltijdverlof een arbeidsduur heeft van gemiddeld
minder dan 38 uur per week.
Artikel 54e. Tijdelijke verkorting van de
arbeidsduur
1. De militair kan bij de commandant
eenmaal per kalenderjaar een aanvraag indienen om zijn arbeidsduur
gedurende het resterende deel van dat kalenderjaar met 2 uren per week
te verkorten wanneer:
a. de militair is aangesteld bij
het beroepspersoneel; en
b. de militair een functie vervult
in fase twee of fase drie; en
c. het rooster van de militair in
het resterende deel van dat kalenderjaar zal zijn gebaseerd op een
arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
Voor de militair die in verband met
deeltijdverlof een arbeidsduur heeft van gemiddeld minder dan 38 uur
per week wordt de ingevolge de vorige volzin geldende aanspraak
vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een arbeidsduur
van gemiddeld 38 uur per week.
2. De in het eerste lid bedoelde
verkorting van de arbeidsduur wordt verwerkt in het voor de betrokken
militair geldende rooster dan wel wordt toegekend in de vorm van acht
spaaruren per maand wanneer het een militair betreft van wie het
rooster is gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
Voor de militair die in verband met deeltijdverlof een arbeidsduur
heeft van gemiddeld minder dan 38 uur per week wordt de ingevolge de
vorige volzin geldende aanspraak vastgesteld op een evenredig deel van
de aanspraak bij een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
3. De commandant wijst een aanvraag
indien het gaat om een militair als bedoeld in het eerste lid toe.
4. Een toegestane verkorting van de
arbeidsduur gaat in op de eerste dag van de maand, volgend op de maand
waarin de verkorting is toegestaan.
5. Een toegestane verkorting van de
arbeidsduur wordt jaarlijks stilzwijgend voortgezet tenzij:
a. de militair een aanvraag indient
om de tijdelijke verkorting van de arbeidsduur te beëindigen; of
b. de militair een aanvraag indient
als bedoeld in artikel 54d, eerste lid.
6. Indien de militair een andere
functie wordt toegewezen vervalt met ingang van de datum waarop hij de
nieuwe functie gaat vervullen de verkorting van de arbeidsduur. In dat
geval kan de militair bij zijn nieuwe commandant een aanvraag als
bedoeld in het eerste lid indienen.
7. Voor het deel dat de arbeidsduur
wordt verkort, wordt maandelijks een inhouding op de inkomsten van de
militair toegepast. Deze inhouding bedraagt 2 maal 1/165 deel van het
voor de betrokken militair geldende maandsalaris, of een evenredig
deel daarvan voor de militair die in verband met deeltijdverlof een
arbeidsduur heeft van gemiddeld minder dan 38 uur per week.
Artikel 54f. Opname van spaaruren
1.De spaaruren, bedoeld in artikel 54e,
tweede lid, worden geheel of gedeeltelijk in een aaneengesloten
periode van ten minste 288 spaaruren en ten hoogste 960 spaaruren
opgenomen. Voor de militair die in verband met deeltijdverlof een
arbeidsduur heeft van gemiddeld minder dan 38 uur per week wordt de in
de vorige volzin genoemde verplichting vastgesteld op een
aaneengesloten periode van een evenredig aantal spaaruren van het
aantal dat geldt voor een militair met een arbeidsduur van gemiddeld
38 uur per week.
2.De spaaruren worden in beginsel
opgenomen bij functiewisseling, voorafgaand aan de datum van plaatsing
op de nieuwe functie.
3.In afwijking van het tweede lid kan
de opname van spaaruren gedurende de functievervulling worden
toegestaan, tenzij het dienstbelang zich hiertegen verzet.
4.Indien de militair van functie
wisselt kan het hoofd defensieonderdeel op aanvraag van de militair
afwijken van het minimum aantal op te nemen spaaruren. Indien de
militair wordt verplaatst kan het hoofd defensieonderdeel op aanvraag
van de militair afwijken van het gestelde in het eerste lid dat de
spaaruren in een aaneengesloten periode van ten minste 288 spaaruren
worden opgenomen. Indien met een dergelijke aanvraag wordt ingestemd,
dan wordt het gehele tegoed aan spaaruren opgenomen bij
functiewisseling, voorafgaand aan de datum van plaatsing op de nieuwe
functie.
5.Een aanvraag voor de opname van
spaaruren wordt ten minste 6 maanden voorafgaande aan de gewenste
datum van aanvang van de opnameperiode, ingediend bij het hoofd
defensieonderdeel.
6.De in een kalenderjaar opgebouwde
spaaruren vervallen na een periode van 10 kalenderjaren, te rekenen
vanaf de dag van aanvang van het daarop volgende kalenderjaar.
7.Indien vanwege dienstbelang dan wel
persoonlijke omstandigheden de militair gedurende de periode van 10
jaar bedoeld in het zesde lid niet in de gelegenheid is gesteld de
spaaruren op te nemen, maakt het hoofd defensieonderdeel in afwijking
van het zesde lid met de militair afspraken over de opname van de
spaaruren binnen de 2 daaropvolgende kalenderjaren.
8.Ten aanzien van de opname van
spaaruren zijn de artikelen 64, 65, 66 en 67 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 54fa
In afwijking van het bepaalde in de
artikelen 54d, 54e, 54f berust de bevoegdheid tot het toekennen van een
aanvraag van militairen met de rang van kapitein ter zee/kolonel en
hoger op grond van deze artikelen, bij de Secretaris-Generaal.
Artikel 54g. Spaaruren en ontslag
Indien de militair op de datum dat hij de
werkelijke dienst verlaat nog een tegoed aan spaaruren heeft, dan wordt
voor elk spaaruur een vergoeding toegekend van 1/165 deel van het voor
de betrokken militair geldende maandsalaris, zoals dit gold direct
voorafgaande aan het verlaten van de werkelijke dienst.
Artikel 54h. Registratie werk- en
rusttijden
1.De commandant voert een deugdelijke
registratie ter zake van de werk- en rusttijden en de realisatie
daarvan, welke het toezicht op de naleving van de bepalingen in dit
hoofdstuk mogelijk maakt.
2.De in het eerste lid bedoelde
gegevens en bescheiden worden ten minste 52 weken, gerekend vanaf de
datum waarop de desbetreffende gegevens en bescheiden betrekking
hebben, bewaard.
Artikel 54i. Gelijkstelling met
arbeidsduur
Voor de toepassing van de bepalingen in
dit hoofdstuk, ten aanzien van de arbeidsduur, wordt voor het bepalen
van het aantal uren dat werkzaamheden of diensten worden verricht,
meegeteld de uren waarop de militair de werkzaamheden of diensten zou
hebben verricht, maar deze uren in het kader van de medezeggenschap als
bedoeld in artikel 17 van het Besluit medezeggenschap defensie, ziekte,
verlof als bedoeld in artikel 61, tweede lid, met uitzondering van
buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid, of de vervulling van
door wet of overheid opgelegde verplichting welke niet in zijn vrije
tijd kon geschieden, niet heeft verricht.
Artikel 54j. Gelijkstelling met de zondag
Voor de toepassing van de bepalingen in
dit hoofdstuk ten aanzien van de zondag, vindt voor de militair, die in
verband met zijn godsdienstige of levensbeschouwelijke opvatting, de
wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag viert,
overeenkomstige toepassing ten aanzien van die dag in plaats van ten
aanzien van de zondag, indien die militair dit schriftelijk verzoekt.
Artikel 54k. Gezondheidsproblemen bij
nachtdiensten
1.Indien uit arbeidsgezondheidskundig
onderzoek blijkt, dat de gezondheidsproblemen van een militair
voortvloeien uit het verrichten van nachtdiensten, dan worden de
werkzaamheden of diensten van die militair binnen redelijke termijn
zodanig ingericht, dat hij werkzaamheden of diensten verricht anders
dan in nachtdienst.
2.De commandant voldoet aan de voor hem
uit het eerste lid voortvloeiende verplichting, tenzij hij aannemelijk
maakt dat dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
Paragraaf 2. Toepassingsbereik
Artikel 55 [Vervallen per 25-07-2001]
Artikel 55a. Algemene
uitzonderingsbepalingen
1.Dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen zijn, met uitzondering van paragraaf 12, niet van
toepassing op werkzaamheden of diensten verricht:
a. ten tijde van buitengewone
omstandigheden, alsmede ten aanzien van een onderdeel van de
krijgsmacht, waaraan de mededeling bedoeld in artikel 71 van het
Wetboek van Militair Strafrecht is gedaan;
b. ter uitvoering van bij wet of
daarop berustende bepalingen opgedragen taken, voor zover de
toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen
een goede taakuitoefening belemmert;
c. in door Onze Minister te bepalen
andere gevallen waarin onderdelen van de krijgsmacht worden
ingezet;
d. inzake aangelegenheden die
rechtstreeks betrekking hebben op de omstandigheden, bedoeld onder
a, b, en c.
2.Dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 11 en 12, niet van
toepassing op werkzaamheden of diensten verricht:
a. tijdens varen, vliegen en
oefeningen;
b. inzake aangelegenheden die
rechtstreeks betrekking hebben op het varen, het vliegen en het
houden van oefeningen.
Artikel 55b. Opleidingen
Dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 2 en 12, niet van
toepassing op verrichtingen van de militair die een opleiding volgt als
bedoeld in de artikelen 13, 14 en 15.
Artikel 55c. Inzet brandweer
Dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen zijn van toepassing op werkzaamheden of diensten verricht
door militair brandweerpersoneel, tenzij dit personeel repressief
optreedt bij brand en ongevallen.
Artikel 55d. Leidinggevenden en hoger
personeel
Dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 2, 11 en 12, en de
artikelen 54a, 54b, derde tot en met vijfde lid, 54d, 54e, 54f, 54g, 54k
en 57a, niet van toepassing op werkzaamheden of diensten verricht door:
a. de militair van 18 jaar en ouder
met de rang van luitenant ter zee der 1e klasse dan wel majoor of
een hogere rang die uitsluitend of in hoofdzaak leiding geeft;
b. de militair van 18 jaar en ouder
met de rang van kapitein-luitenant ter zee dan wel luitenant-kolonel
of met een hogere rang, tenzij hij werkzaamheden of diensten pleegt
te verrichten in nachtdienst dan wel werkzaamheden of diensten
verricht waaraan of in rechtstreeks verband waarmee ernstige gevaren
voor de veiligheid of de gezondheid van personen zijn verbonden.
Artikel 55e. Internationaal tewerkgesteld
Dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 2, 11 en 12, en de
artikelen 54a, 54b, vierde lid, 54d, 54e, 54f, 54g, 54k en 57a, eerste
en tweede lid, niet van toepassing op werkzaamheden of diensten verricht
door de militair, bedoeld in artikel 2, tweede lid, voor zover hij is
tewerkgesteld buiten Nederland.
Artikel 55f. Medisch specialisten
Dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 2, 11 en 12, en de
artikelen 54a, 54b, derde tot en met vijfde lid, 54d, 54e, 54f, 54g, 54k
en 57a, niet van toepassing op werkzaamheden of diensten verricht door
de militair van 18 jaar en ouder die werkzaam is als medisch specialist,
als huisarts of als sociaal geneeskundige en als zodanig staat
geregistreerd in één van de registers van de Koninklijke Nederlandsche
Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, dan wel als tandheelkundig
specialist en als zodanig staat ingeschreven in het specialistenregister
van de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde.
Paragraaf 3. Arbeidsduur en verlengde
arbeidsduur
Artikel 56 [Vervallen per 25-07-2001]
Artikel 56a. Arbeidsduur
1.De arbeidsduur van de militair
bedraagt ten hoogste 10 uren per werkdag, in elke periode van 4
achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 50 uren per week en in
elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 45
uren per week.
2.De commandant dient over de
toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de
betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het
noodzakelijk maakt dat de militair meer dan 9 uren per werkdag of meer
dan 45 uren per week werkzaamheden of diensten verricht.
3.Indien het eerste en tweede lid niet
wordt toegepast, dan bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 9 uren per
werkdag, ten hoogste 45 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren
per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
Artikel 56b. Verlengde arbeidsduur
1.Van de in artikel 56a genoemde
arbeidsduur kan worden afgeweken indien zich een onvoorziene wijziging
van omstandigheden, incidenteel en niet periodiek, voordoet, of de
aard van de werkzaamheden of diensten, incidenteel en voor korte tijd,
dergelijke afwijkingen noodzakelijk maakt.
2.De arbeidsduur bedraagt in situaties
als bedoeld in het eerste lid ten hoogste 12 uren per werkdag, ten
hoogste 60 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende
weken ten hoogste gemiddeld 48 uren per week.
3.Op de afwijking, bedoeld in het
eerste lid, is artikel 56p, vierde lid, onderdelen b en c, en het
zesde lid, niet van toepassing.
4.Indien als gevolg van de toepassing
van het eerste lid werkzaamheden of diensten worden verricht in
nachtdienst, welke werkzaamheden of diensten eindigen vóór of op
02.00 uur, dan zijn hierop de in paragraaf 5 opgenomen bepalingen ten
aanzien van het verrichten van werkzaamheden of diensten in
nachtdienst niet van toepassing.
Artikel 56c. Arbeidsduur jeugdige
militair
In afwijking van artikel 56a, eerste lid,
artikel 56b, tweede lid, artikel 58b, vijfde lid, artikel 58c, derde
lid, onderdeel b, en artikel 58d, vierde lid, bedraagt de arbeidsduur
van de militair die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt ten
hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13
achtereenvolgende weken.
Paragraaf 4. Dagelijkse en wekelijkse
rusttijd
Artikel 56d. Dagelijkse onafgebroken
rusttijd
1.De militair heeft in elke
aaneengesloten tijdruimte van 24 uren recht op een onafgebroken
rusttijd van ten minste 11 uren, welke rusttijd éénmaal in elke
aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren mag worden ingekort tot
ten minste 8 uren.
2.De in het voorgaande lid bedoelde
tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de
militair werkzaamheden of diensten verricht.
Artikel 56e. Wekelijkse onafgebroken
rusttijd
1.De militair heeft recht op een
onafgebroken rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke
aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, hetzij ten minste 60
uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 9 maal 24 uren. De
voorgeschreven rusttijd van 60 uren mag éénmaal in elke periode van
5 achtereenvolgende weken worden bekort tot 32 uren.
2.De in het voorgaande lid bedoelde
tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de
militair werkzaamheden of diensten verricht.
Paragraaf 5. Aanvullende bepalingen bij
nachtdienst
Artikel 56f. Arbeidsduur nachtdienst
1.Voor de militair die werkzaamheden of
diensten in nachtdienst verricht, bedraagt de arbeidsduur ten hoogste
9 uren per nachtdienst, in elke periode van 4 achtereenvolgende weken
ten hoogste gemiddeld 50 uren per week en in elke periode van 13
achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week.
2.De commandant dient over de
toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de
betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het
noodzakelijk maakt dat de militair meer dan 8 uren per nachtdienst of
meer dan 45 uren per week werkzaamheden of diensten verricht.
3.Indien het eerste en tweede lid niet
wordt toegepast, dan bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 8 uren per
nachtdienst, ten hoogste 45 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40
uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
Artikel 56g. Verlengde arbeidsduur
nachtdienst
1.Van de in artikel 56f genoemde
arbeidsduur kan worden afgeweken indien zich een onvoorziene wijziging
van omstandigheden, incidenteel en niet periodiek, voordoet, of de
aard van de werkzaamheden of diensten, incidenteel en voor korte tijd,
dergelijke afwijkingen noodzakelijk maakt.
2.De arbeidsduur bedraagt in situaties
als bedoeld in het eerste lid ten hoogste 10 uren per nachtdienst, ten
hoogste 60 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende
weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week.
3.Op de afwijking, bedoeld in het
eerste lid, is artikel 56p, vierde lid, onderdelen b en c, en het
zesde lid, niet van toepassing.
Artikel 56h. Onafgebroken rusttijd
nachtdienst
1.De militair heeft na het verrichten
van werkzaamheden of diensten in nachtdienst, welke eindigen ná 02.00
uur, recht op een onafgebroken rusttijd van tenminste 14 uren, welke
éénmaal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren mag
worden bekort tot ten minste 8 uren.
2.De commandant dient over de
toepassing van de in het eerste lid bedoelde bekorting van de
onafgebroken rusttijd tot ten minste 8 uren overeenstemming te
bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het
dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
3.De in het eerste lid bedoelde
tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de
militair werkzaamheden of diensten verricht.
Artikel 56i. Aantal nachtdiensten die
eindigen vóór of op 02.00 uur
1.De militair verricht in elke periode
van 13 achtereenvolgende weken niet meer dan ten hoogste 52 maal
werkzaamheden of diensten in nachtdienst, indien de werkzaamheden of
diensten eindigen vóór of op 02.00 uur.
2.De commandant dient over de
toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de
betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het
noodzakelijk maakt dat de militair in een periode van 4
achtereenvolgende weken meer dan 16 maal werkzaamheden of diensten in
nachtdienst verricht, indien die werkzaamheden of diensten eindigen
vóór of op 02.00 uur.
Artikel 56j. Aantal nachtdiensten die
eindigen ná 02.00 uur
1.De militair verricht in elke periode
van 13 achtereenvolgende weken niet meer dan ten hoogste 28 maal
werkzaamheden of diensten in nachtdienst, indien de werkzaamheden of
diensten eindigen ná 02.00 uur.
2.De commandant dient over de
toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de
betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het
noodzakelijk maakt dat de militair in elke periode van 4
achtereenvolgende weken meer dan 10 maal en in elke periode van 13
achtereenvolgende weken meer dan 25 maal werkzaamheden of diensten in
nachtdienst verricht, indien die werkzaamheden of diensten eindigen
ná 02.00 uur.
Artikel 56k. Afwijking aantal
nachtdiensten
1.In afwijking van artikel 56j, eerste
lid, kan de commandant dit artikel toepassen.
2.Indien de aard van de werkzaamheden
of diensten met zich brengt dat werkzaamheden of diensten in
nachtdienst worden verricht, en dit door het op een andere wijze
organiseren van die werkzaamheden of diensten redelijkerwijs niet is
te voorkomen, verricht de militair:
a. hetzij ten hoogste 35 maal in
elke periode van 13 achtereenvolgende weken werkzaamheden of
diensten in nachtdienst;
b. hetzij ten hoogste 20 uren in
elke periode van 2 achtereenvolgende weken werkzaamheden of
diensten tussen 00.00 uur en 06.00 uur.
3.De commandant dient over de
toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken
met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang
toepassing noodzakelijk maakt.
Artikel 56l. Rusttijd na reeks
nachtdiensten
1.Na een reeks van ten minste 3 en ten
hoogste 7 maal achtereen werkzaamheden of diensten in nachtdienst te
hebben verricht, heeft de militair recht op een onafgebroken rusttijd
van ten minste 48 uren.
2.De commandant dient over de
toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de
betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang
noodzakelijk maakt dat de militair 7 maal achtereen werkzaamheden of
diensten in nachtdienst verricht die eindigen vóór of op 02.00 uur,
hetzij 6 of 7 maal achtereen werkzaamheden of diensten in nachtdienst
verricht die eindigen ná 02.00 uur.
3.Indien het eerste lid niet wordt
toegepast, dan heeft de militair,:
a. na een reeks van ten minste 3 en
ten hoogste 6 maal achtereen werkzaamheden of diensten in
nachtdienst te hebben verricht, die eindigen vóór of op 02.00
uur;
b. hetzij na een reeks van ten
minste 3 en ten hoogste 5 maal achtereen werkzaamheden of diensten
in nachtdienst te hebben verricht, die eindigen ná 02.00 uur,
recht op een onafgebroken rusttijd van
ten minste 48 uren.
Artikel 56m. Referentieperiode
1.In afwijking van artikel 56f, eerste
lid, en artikel 56g, tweede lid, ten aanzien van het gemiddeld aantal
uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken dat
werkzaamheden of diensten in nachtdienst wordt verricht, kan de
commandant dit artikel toepassen.
2.Indien zich een onvoorziene wijziging
van omstandigheden voordoet of de aard van de werkzaamheden of
diensten het noodzakelijk maakt dat de militair slechts incidenteel of
voor korte tijd werkzaamheden of diensten in nachtdienst verricht en
dit door het op een andere wijze organiseren van de werkzaamheden of
diensten redelijkerwijs niet is te voorkomen, verricht de militair in
elke periode van 52 achtereenvolgende weken gemiddeld 40 uren per week
werkzaamheden of diensten.
3.De commandant dient over de
toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken
met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang
toepassing noodzakelijk maakt.
Paragraaf 6. Afwijkende bepalingen inzake
arbeidsduur en rusttijd
Artikel 56n. Noodzakelijke werkzaamheden
1.In afwijking van de artikelen 56a,
56b, 56f en 56g, ten aanzien van de arbeidsduur per werkdag of
nachtdienst, kan de commandant dit artikel toepassen.
2.Indien de werkzaamheden of diensten
geen uitstel gedogen, en door het nemen van andere maatregelen
redelijkerwijs niet is te voorkomen, verricht de militair ten hoogste
éénmaal in elke periode van 2 achtereenvolgende weken 14 uren
werkzaamheden of diensten per werkdag onderscheidenlijk per
nachtdienst.
3.Het tweede lid is eveneens van
toepassing, indien de werkzaamheden of diensten worden verstoord door
een zich plotseling voordoende situatie:
a. waarbij personen ernstig letsel
oplopen, dan wel daartoe de onmiddellijke dreiging bestaat;
b. waarbij buitengewoon ernstige
schade aan goederen ontstaat, dan wel dreigt te ontstaan.
Artikel 56o. Overdracht van werkzaamheden
of diensten
1.De commandant kan, in afwijking van
de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van de
arbeidsduur per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst en de
onafgebroken rusttijd, dit artikel toepassen.
2.De arbeidsduur per werkdag of per
nachtdienst onderscheidenlijk de onafgebroken rusttijd wordt met ten
hoogste 15 achtereenvolgende minuten verlengd onderscheidenlijk
ingekort, indien de werkzaamheden of diensten van de militair aan het
eind van de werkdag worden overgenomen en direct daaropvolgend worden
voortgezet door een andere militair en de goede voortgang van die
werkzaamheden of diensten overdracht noodzakelijk maakt.
3.Op de afwijking bedoeld in het tweede
lid zijn de artikelen 56i, 56j en 56k, ten aanzien van het aantal
malen dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst worden verricht,
niet van toepassing.
Paragraaf 7. Pauzeregeling
Artikel 56p. Pauze
1.Indien de arbeidsduur van de militair
meer dan 5½ uur per werkdag of nachtdienst bedraagt, dan worden de
werkzaamheden of diensten afgewisseld door een pauze.
2.De in het eerste lid bedoelde pauze
bedraagt ten minste een half uur aaneengesloten, welke mag worden
gesplitst in twee pauzes van ten minste 15 achtereenvolgende minuten.
3.De commandant dient over de
toepassing van het tweede lid overeenstemming te bereiken met de
betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang
toepassing noodzakelijk maakt.
4.Indien het tweede lid niet wordt
toegepast, dan worden, met inachtneming van het eerste lid, de
werkzaamheden of diensten van de militair:
a. indien hij niet meer dan 8 uren
werkzaamheden of diensten per werkdag of nachtdienst verricht,
afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste een half uur;
b. indien hij meer dan 8 uren, doch
niet meer dan 10 uren werkzaamheden of diensten per werkdag of
nachtdienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten
minste 45 minuten;
c. indien hij meer dan 10 uren
werkzaamheden of diensten per werkdag of nachtdienst verricht,
afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste 1 uur.
5.Eén van de pauzes, bedoeld in het
vierde lid, bedraagt ten minste een half uur aaneengesloten.
6.De pauzes, bedoeld in het vierde lid,
vangen aan en eindigen in de periode, gelegen tussen 2 uren na de
aanvang en 2 uren voor het einde van de werkzaamheden of diensten.
Artikel 56q. Consignatie tijdens pauze
1.De commandant kan van het bepaalde in
artikel 54a, onderdeel j, en artikel 58a, tweede lid, afwijken, indien
de aard van de werkzaamheden of diensten van de militair het
noodzakelijk maakt dat hij tijdens de pauze bereikbaar is
onderscheidenlijk op de werkplek aanwezig is om op oproep zo spoedig
mogelijk die werkzaamheden of diensten te verrichten, en dit door het
op een andere wijze organiseren van de werkzaamheden of diensten
redelijkerwijs niet is te voorkomen.
2.De commandant dient over de
toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de
betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang
toepassing noodzakelijk maakt.
3.Voor de toepassing van het eerste lid
geldt de tijd tijdens de werkplekgebonden pauze waarop de
werkzaamheden of diensten van de militair zich uitsluitend beperken
tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek, als pauze.
Artikel 56r. Afwijking pauzeverplichting
1.De commandant kan van het bepaalde in
artikel 56p, eerste lid, afwijken, indien de militair:
a. werkzaamheden of diensten
verricht zonder enig direct contact met een andere militair of
ambtenaar die vergelijkbare werkzaamheden of diensten verricht, of
b. indien de aard van de
werkzaamheden of diensten met zich brengt dat de afwisseling van
de werkzaamheden of diensten per werkdag onderscheidenlijk per
nachtdienst door een pauze onmogelijk is en dit door het op een
andere wijze organiseren van de werkzaamheden of diensten
redelijkerwijs niet is te voorkomen.
2.De commandant dient over de
toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de
betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang
toepassing noodzakelijk maakt.
3.Indien het eerste lid wordt
toegepast, verricht de militair in elke periode van 52
achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week
werkzaamheden of diensten.
4.Indien het eerste lid wordt
toegepast, verricht de militair in afwijking van artikel 57c, tweede
lid, en artikel 59b, tweede lid, ten hoogste 12 uren per werkdag
onderscheidenlijk per nachtdienst werkzaamheden of diensten.
Paragraaf 8. Werk- en rusttijden op
bepaalde dagen
Artikel 57 [Vervallen per 25-07-2001]
Artikel 57a. Werk- en rusttijden op
bepaalde dagen
1.Op zaterdag en zondag worden aan de
militair geen werkzaamheden of diensten opgedragen. Hiervan kan
slechts worden afgeweken indien naar het oordeel van de commandant het
dienstbelang zulks onvermijdelijk maakt.
2.Het eerste lid geldt mede voor
Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste en
Tweede Pinksterdag, Eerste en Tweede Kerstdag, Koninginnedag, 5 mei en
de door Onze Minister aan te wijzen feest- of gedenkdagen.
3.Er dient naar te worden gestreefd dat
de militair geen werkzaamheden of diensten verricht op de dagen,
bedoeld in het eerste en tweede lid, die voorafgaan aan, vallen in of
aansluiten op een aan hem verleend verlof van meer dan 3 dagen, doch
minder dan 10 dagen. De militair verricht in beginsel geen
werkzaamheden of diensten op de in de eerste volzin bedoelde dagen,
die voorafgaan aan, vallen in of aansluiten op een hem verleend verlof
van 10 dagen of meer.
4.De militair verricht geen
werkzaamheden of diensten op ten minste 26 zondagen per periode van 52
weken.
5.De voor de militair, die volgens
rooster werkzaamheden of diensten in continu- of ploegendienst
verricht, geldende arbeidsduur, bedoeld in artikel 54b, vierde lid,
wordt tijdens de desbetreffende roosterperiode evenredig verminderd
indien hij op dagen als bedoeld in het tweede lid, die niet op
zaterdag of zondag vallen:
a. daadwerkelijk werkzaamheden of
diensten heeft verricht, of;
b. volgens rooster niet was
aangewezen voor het verrichten van werkzaamheden of diensten.
Een dergelijk vermindering van de
arbeidsduur zal per dag, als bedoeld in het tweede lid, niet meer dan
acht uren bedragen.
6.Ten aanzien van militairen die zijn
ingedeeld bij eenheden die onmiddellijk in actie moeten kunnen komen
of bij eenheden die dienst verrichten buiten Nederland, kan bij het
opstellen van het rooster door de commandant worden afgeweken van het
eerste, het tweede en het derde lid met betrekking tot de
zaterdagmorgen en de feest- of gedenkdagen.
7.Indien naar het oordeel van de
commandant de belangen van de dienst zich hiertegen niet verzetten,
wordt de militair, aan wie op een zondag of een dag als bedoeld in het
tweede lid of het zesde lid, werkzaamheden of diensten zijn
opgedragen, tijdens de werktijd in de gelegenheid gesteld de
godsdienstuitoefening van de gezindte waartoe hij behoort bij te
wonen.
8.Onze Minister kan ter uitvoering van
dit artikel bij ministeriële regeling nadere regels stellen.
Artikel 57b. Arbeidsduur voorafgaand aan
feest- of gedenkdagen
1.In afwijking van de artikelen 56b en
56g ten aanzien van de arbeidsduur per werkdag onderscheidenlijk per
nachtdienst kan de commandant dit artikel toepassen.
2.Indien de aard van de werkzaamheden
of diensten, of de bedrijfsomstandigheden, in verband met de
Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste en
Tweede Pinksterdag, Eerste en Tweede Kerstdag, Koninginnedag of 5
december dit noodzakelijk maakt, verricht de militair in de
aaneengesloten periode van 7 dagen voorafgaand aan die dag ten hoogste
tweemaal 14 uren per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst
werkzaamheden of diensten.
3.De commandant dient over de
toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken
met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang
toepassing noodzakelijk maakt.
4.Artikel 56n is niet van toepassing
indien het eerste en tweede lid wordt toegepast.
Artikel 57c. Arbeidsduur op feest- of
gedenkdagen
1.In afwijking van artikel 56a, eerste
lid, en artikel 56f, eerste lid, ten aanzien van de arbeidsduur per
werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst, en artikel 56h, eerste lid,
ten aanzien van de onafgebroken rusttijd na een nachtdienst, kan de
commandant dit artikel toepassen.
2.De militair verricht, in verband met
de Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste en
Tweede Pinksterdag en Eerste en Tweede Kerstdag, in de tijdruimte
tussen de dag voorafgaand aan bedoelde dagen 18.00 uur en de op deze
dagen volgende dag 08.00 uur ten hoogste 11 uren per werkdag
onderscheidenlijk per nachtdienst werkzaamheden of diensten. De
militair heeft na het verrichten van die werkzaamheden of diensten een
onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren.
3.Indien het eerste en tweede lid wordt
toegepast, dan organiseert de commandant de werkzaamheden of diensten
zodanig, dat zoveel mogelijk militairen op de in het tweede lid
bedoelde dagen geen werkzaamheden of diensten verrichten in de
tijdruimte gelegen tussen 00.00 uur en de daarop volgende dag 06.00
uur.
4.De commandant dient over de
toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken
met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang
toepassing noodzakelijk maakt.
Paragraaf 9. Consignatie en bijzondere
vormen van consignatie
Artikel 58 [Vervallen per 25-07-2001]
Artikel 58a. Consignatie
1.De commandant kan de militair
consignatie opleggen.
2.Ten minste gedurende 2 maal een
aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren in elke periode van 4
achtereenvolgende weken wordt geen consignatie opgelegd.
3.Tijdens de onafgebroken rusttijd
direct voorafgaand aan en direct volgend op een nachtdienst wordt geen
consignatie opgelegd.
4.Als consignatie wordt opgelegd
bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 13 uren in elke periode van 24
achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste
gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende
weken.
5.Indien de consignatie geheel of
gedeeltelijk de periode van 00.00 uur tot 06.00 uur bestrijkt,
bedraagt de arbeidsduur, in afwijking van het vorige lid ten hoogste
13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60
uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke
periode van 13 achtereenvolgende weken.
6.Voor de toepassing van het vierde en
vijfde lid vangt de arbeidsduur aan op het moment van de oproep.
Indien binnen een half uur na beëindiging van de werkzaamheden die
voortvloeien uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de
tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een
half uur één of meer keren werkzaamheden voortvloeiend uit een
oproep worden verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een
half uur te bedragen.
7.De werkzaamheden die voortvloeien uit
een oproep worden voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen
bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing
gelaten.
8.Op de werkzaamheden die voortvloeien
uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5 ten aanzien van het
aantal malen dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst wordt
verricht niet van toepassing.
Artikel 58b. Aanwezigheidsdienst
1.In afwijking van artikel 58a, tweede
lid, kan de commandant de militair ten hoogste 3 maal in elke
aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren en ten hoogste 26 maal in
elke periode van 13 achtereenvolgende weken een aanwezigheidsdienst
opleggen.
2.In afwijking van het eerste lid kan
de commandant de militair gedurende ten hoogste 6 weken in elke
periode van 52 achtereenvolgende weken ten hoogste 4 maal in elke
aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren en ten hoogste 26 maal in
elke periode van 13 achtereenvolgende weken een aanwezigheidsdienst
opleggen.
3.Als het tweede lid wordt toegepast
heeft de militair na de aanwezigheidsdienst of reeks van
aaneengesloten aanwezigheidsdiensten een onafgebroken rusttijd die ten
minste even lang is als de voorafgaande aanwezigheidsdienst
onderscheidenlijk reeks van aaneengesloten aanwezigheidsdiensten.
4.Tijdens de onafgebroken rusttijd
direct voorafgaand aan en direct volgend op een nachtdienst wordt geen
aanwezigheidsdienst opgelegd.
5.Als een aanwezigheidsdienst wordt
opgelegd bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 13 uren in elke periode
van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten
hoogste gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 13
achtereenvolgende weken.
6.Indien de aanwezigheidsdienst geheel
of gedeeltelijk de periode van 00.00 uur tot 06.00 uur bestrijkt,
bedraagt de arbeidsduur, in afwijking van het vorige lid ten hoogste
13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60
uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke
periode van 13 achtereenvolgende weken.
7.Voor de toepassing van dit artikel
geldt de tijd tijdens een aanwezigheidsdienst, waarbij de dienst van
de militair zich uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op
de werkplek, als rusttijd.
8.Voor de toepassing van het vijfde en
zesde lid vangt de arbeidsduur aan op het moment van de oproep. Indien
binnen een half uur na beëindiging van de werkzaamheden die
voortvloeien uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de
tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een
half uur één of meer keren werkzaamheden voortvloeiend uit een
oproep worden verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een
half uur te bedragen.
9.De werkzaamheden die voortvloeien uit
een oproep worden voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen
bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing
gelaten.
10.Op de werkzaamheden die voortvloeien
uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5, ten aanzien van het
aantal malen dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst wordt
verricht, niet van toepassing.
Artikel 58c. Aanwezigheidsdienst
brandweer
1.Dit artikel is uitsluitend van
toepassing op de militair die met goed gevolg een brandweeropleiding
heeft afgesloten en die als zodanig werkzaam is, alsmede de militair
die in directe samenhang met voornoemde militair werkzaamheden of
diensten verricht.
2.In afwijking van artikel 58a, tweede
lid, kan de commandant de militair ten hoogste 4 maal in elke
aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, ten hoogste 46 maal in
elke periode van 13 achtereenvolgende weken en ten hoogste 124 maal in
elke periode van 52 achtereenvolgende weken een aanwezigheidsdienst
opleggen.
3.Indien het tweede lid wordt
toegepast, dan:
a. heeft de militair vóór en ná
een aanwezigheidsdienst een onafgebroken rusttijd van ten minste
11 uren, welke rusttijd éénmaal in elke aaneengesloten
tijdruimte van 7 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8
uren;
b. bedraagt de arbeidsduur ten
hoogste 10 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren en
in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste
gemiddeld 45 uren per week.
4.Het derde lid, onderdeel a, blijft
buiten toepassing, indien zich incidentele en onvoorziene
omstandigheden voordoen waardoor het aantal militairen dat nodig is
onder het vereiste minimum komt, die een dergelijke afwijking
noodzakelijk maakt.
5.Voor de toepassing van dit artikel
geldt de tijd tijdens een aanwezigheidsdienst, waarbij de dienst van
de militair zich uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op
de werkplek, als rusttijd.
6.Voor de toepassing van het derde lid,
onderdeel b, vangt de arbeidsduur aan op het moment van de oproep.
Indien binnen een half uur na beëindiging van de werkzaamheden die
voortvloeien uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de
tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een
half uur één of meer keren werkzaamheden voortvloeiend uit een
oproep worden verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een
half uur te bedragen.
7.De werkzaamheden die voortvloeien uit
een oproep worden voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen
bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing
gelaten.
8.Op de werkzaamheden die voortvloeien
uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5, ten aanzien van het
aantal malen dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst wordt
verricht, niet van toepassing.
Artikel 58d. Piket
1.In afwijking van artikel 58a, tweede
lid, kan de commandant de militair ten hoogste een aaneengesloten
tijdruimte van 7 maal 24 uren piket opleggen.
2.Als piket wordt opgelegd, dan wordt
de militair ten minste gedurende 8 maal een aaneengesloten tijdruimte
van 7 maal 24 uren in elke periode van 13 achtereenvolgende weken geen
piket, aanwezigheidsdienst of consignatie opgelegd.
3.Tijdens de onafgebroken rusttijd
direct voorafgaand aan en direct volgend op een nachtdienst wordt geen
piket opgelegd.
4.Als piket wordt opgelegd bedraagt de
arbeidsduur ten hoogste 13 uren in elke periode van 24
achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste
gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende
weken.
5.Indien het piket geheel of
gedeeltelijk de periode van 00.00 uur tot 06.00 uur bestrijkt,
bedraagt de arbeidsduur, in afwijking van het vorige lid ten hoogste
13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60
uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke
periode van 13 achtereenvolgende weken.
6.Voor de toepassing van dit artikel
geldt de tijd tijdens het piket, waarbij de dienst van de militair
zich uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op de
werkplek, als rusttijd.
7.Voor de toepassing van het vierde en
vijfde lid vangt de arbeidsduur aan op het moment van de oproep.
Indien binnen een half uur na beëindiging van de werkzaamheden die
voortvloeien uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de
tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een
half uur één of meer keren werkzaamheden voortvloeiend uit een
oproep worden verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een
half uur te bedragen.
8.De werkzaamheden die voortvloeien uit
een oproep worden voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen
bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing
gelaten.
9.Op de werkzaamheden die voortvloeien
uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5, ten aanzien van het
aantal malen dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst wordt
verricht, niet van toepassing.
Paragraaf 10. Bijzondere bepalingen voor
continu- en ploegendienst
Artikel 59 [Vervallen per 25-07-2001]
Artikel 59a. Continu- en ploegendienst
Deze paragraaf is uitsluitend van
toepassing op werkzaamheden of diensten die door de militair in continu-
of ploegendienst worden verricht.
Artikel 59b. Arbeidsduur op zaterdag en
zondag
1.In afwijking van artikel 56a, eerste
lid, en artikel 56f, eerste lid, ten aanzien van de arbeidsduur per
werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst, en artikel 56h, eerste lid,
ten aanzien van de onafgebroken rusttijd na een nachtdienst, kan de
commandant dit artikel toepassen.
2.De militair verricht in de tijdruimte
gelegen tussen vrijdag 18.00 uur en de daaropvolgende maandag 08.00
uur ten hoogste 11 uren per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst
werkzaamheden of diensten.
3.Indien het eerste en tweede lid wordt
toegepast heeft de militair na het verrichten van die werkzaamheden of
diensten een onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren, en verricht
hijten minste 2 maal in elke periode van 4 achtereenvolgende weken
geen werkzaamheden of diensten in de tijdruimte gelegen tussen
zaterdag 00.00 uur en de daaropvolgende maandag 06.00 uur.
4.De commandant dient over de
toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken
met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang
toepassing noodzakelijk maakt.
Artikel 59c. Onafgebroken rusttijd
continu- en ploegendienst
1. In afwijking van artikel 56e, eerste
lid, kan de commandant dit artikel toepassen.
2. De militair heeft recht op een
onafgebroken rusttijd van ten minste 92 uren in elke aaneengesloten
tijdruimte van 11 maal 24 uren, welke rusttijd éénmaal in elke
periode van 5 achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 72 uren.
3. De commandant dient over de
toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken
met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang
toepassing noodzakelijk maakt.
4. Indien het eerste en tweede lid niet
wordt toegepast, dan heeft de militair recht op een onafgebroken
rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten
tijdruimte van 7 maal 24 uren, hetzij ten minste 92 uren in elke
aaneengesloten tijdruimte van 11 maal 24 uren.
5. De in het tweede en vierde lid
bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag,
waarop de militair werkzaamheden of diensten verricht.
Artikel 59d. Pauze continu- en
ploegendienst
1.In afwijking van artikel 56p, tweede
lid, kan de commandant dit artikel toepassen.
2.Indien de arbeidsduur meer dan 5½
uur per werkdag of nachtdienst bedraagt, dan worden de werkzaamheden
of diensten van de militair afgewisseld door een pauze.
3.De commandant dient over de
toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken
met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang
toepassing noodzakelijk maakt.
Artikel 59e. Doorstaan in continu- en
ploegendienst
1.Indien zich incidentele en
onvoorziene omstandigheden voordoen, waardoor het aantal militairen in
een ploeg onder het vereiste minimum komt, kan de commandant afwijken
van artikel 56f, eerste lid, ten aanzien van de arbeidsduur per
nachtdienst, en artikel 56h, eerste lid.
2.Onverminderd het gestelde in artikel
57c, en artikel 59b ten aanzien van de zondag,:
a. verricht de militair bij
toepassing van het eerste lid gedurende ten hoogste 2 maal in elke
periode van 4 achtereenvolgende weken en 8 maal in elke periode
van 52 achtereenvolgende weken, ten hoogste 11 uur per nachtdienst
werkzaamheden of diensten;
b. heeft de militair na het
verrichten van die werkzaamheden of diensten recht op een
onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren.
3.De commandant dient over de
toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken
met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang
toepassing noodzakelijk maakt.
Paragraaf 11. Bijzondere bepalingen voor
vrouwelijke militairen
Artikel 59f. Werk- en rusttijden tijdens
de zwangerschap
1.De werkzaamheden of diensten van een
zwangere militair worden zodanig ingericht, dat rekening wordt
gehouden met haar specifieke omstandigheden. De commandant voldoet,
met inachtneming van het tweede tot en met vijfde lid, aan de voor hem
uit de eerste volzin voortvloeiende verplichting binnen een redelijke
termijn nadat een aanvraag daartoe door de zwangere militair is
gedaan. Bij deze aanvraag wordt desgevraagd een schriftelijke
verklaring overgelegd van een geneeskundige of een verloskundige
waaruit blijkt, dat de betrokken militair zwanger is.
2.De zwangere militair heeft het recht
de werkzaamheden of diensten af te wisselen met één of meer pauzes
buiten die bedoeld in artikel 56p. Deze extra pauze onderscheidenlijk
pauzes bedragen tezamen ten minste 15 minuten en ten hoogste één
achtste deel van de voor haar geldende arbeidsduur per werkdag of
nachtdienst. De in de vorige volzin bedoelde pauzes gelden voor de
toepassing van dit hoofdstuk als arbeidsduur.
3.De zwangere militair heeft het recht
werkzaamheden of diensten te verrichten in een bestendig en regelmatig
werk- en rusttijdenpatroon.
4.De zwangere militair kan niet worden
verplicht werkzaamheden of diensten te verrichten anders dan op grond
van artikel 56a is toegestaan.
5.De zwangere militair kan niet worden
verplicht werkzaamheden of diensten te verrichten in nachtdienst,
tenzij de commandant aannemelijk maakt dat dit redelijkerwijs niet van
hem kan worden gevergd.
6.De commandant stelt de zwangere
militair in de gelegenheid de noodzakelijke zwangerschapsonderzoeken
te ondergaan. De tijd van de in de vorige volzin bedoelde onderzoeken
geldt voor de toepassing van dit hoofdstuk als arbeidsduur.
Artikel 59g. Bevalling
De commandant organiseert de
werkzaamheden of diensten zodanig, dat een vrouwelijke militair:
a. geen werkzaamheden of diensten
verricht binnen 28 dagen voor de vermoedelijke datum van de
bevalling, zoals die is aangegeven in een door de vrouwelijke
militair aan de commandant overgelegde schriftelijke verklaring van
een geneeskundige of verloskundige waaruit de vermoedelijke datum
van bevalling blijkt. Het in de eerste volzin bedoelde tijdvak wordt
verlengd met het tijdvak dat verloopt tussen de vermoedelijke datum
van de bevalling en de werkelijke datum van de bevalling;
b. geen werkzaamheden of diensten
verricht binnen 42 dagen na haar bevalling.
Artikel 59h. Werk- en rusttijden na de
bevalling
Artikel 59f is, met uitzondering van het
zesde lid, van overeenkomstige toepassing gedurende een periode van 6
maanden na de bevalling.
Artikel 59i. Voedingsrecht
1.Een vrouwelijke militair, die een
borstkind voedt, heeft, indien zij de commandant hiervan in kennis
heeft gesteld, gedurende ten minste de eerste 9 levensmaanden van dat
kind het recht de werkzaamheden of diensten te onderbreken ten einde
in de nodige rust en afzondering haar kind te zogen dan wel de
borstvoeding te kolven. De commandant biedt haar daartoe de
gelegenheid en stelt, waar nodig, een geschikte af te sluiten besloten
ruimte ter beschikking.
2.De onderbrekingen, bedoeld in het
eerste lid, vinden plaats zo vaak en zo lang als nodig is doch
bedragen gezamenlijk ten hoogste een vierde van de arbeidsduur per
werkdag of nachtdienst. De vaststelling van het tijdstip en de duur
van de onderbrekingen vindt plaats door de betrokken vrouwelijke
militair na overleg met de commandant.
3.De duur van de onderbrekingen,
bedoeld in dit artikel, gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk
als arbeidsduur.
Paragraaf 12. Overige bepalingen
Artikel 60 [Vervallen per 25-07-2001]
Artikel 60a. Herleiding werktijd
Indien de aard van de te verrichten
diensten daartoe aanleiding geeft, kan Onze Minister bij ministeriële
regeling bepalen dat de tijd, gedurende welke deze diensten worden
verricht slechts voor een deel tot de arbeidsduur wordt gerekend.
Artikel 60b. Beperking van de
bewegingsvrijheid
Door het hoofd defensieonderdeel kan aan
de militair de verplichting worden opgelegd buiten de voor hem
vastgestelde werktijden met het oog op eventuele dienstverrichting:
a. zich op een bepaalde plaats ter
beschikking te houden;
b. binnen een bepaald gebied te
verblijven of zich op bepaalde tijdstippen te melden.
Artikel 60c. Vergoeding van extra
beslaglegging
Aan de militair kan naar bij
ministeriële regeling te stellen regels worden toegekend:
a. een toelage voor het volgens een
rooster regelmatig of vrij regelmatig verrichten van werkzaamheden
of diensten op ongebruikelijke tijdstippen, of;
b. een vergoeding over de tijd
gedurende welke op hem een verplichting rust als bedoeld in de
artikelen 56q, 58a, 58b, 58c, 58d en 60b, of;
c. een vergoeding voor de
overschrijding van de arbeidsduur, bedoeld in artikel 54b, vierde
lid, of;
d. een vergoeding voor meerdaagse
activiteiten, met een duur van ten minste een etmaal, of;
e. een vergoeding voor het verrichten
van diensten, of werkzaamheden, of meerdaagse activiteiten, op een
dag als bedoeld in artikel 57a, eerste en tweede lid.
Artikel 60d. Toepasselijkheid
verlofbepalingen
Indien de overschrijding van de
arbeidsduur, bedoeld in artikel 54b, vierde lid, wordt vergoed in tijd,
zijn op deze tijd de artikelen 63 tot en met 67 van overeenkomstige
toepassing.
Hoofdstuk 8. Verlof
§ 1. Algemene bepalingen inzake verlof
Artikel 61. Begripsbepalingen
1.Voor de toepassing van dit hoofdstuk
wordt verstaan onder:
a. «verlof» elke vorm van verlof
genoemd in het tweede lid;
b. «militair» de militair in
werkelijke dienst;
c. «maand» de periode tussen een
datum van een kalendermaand en de overeenkomstige datum van de
volgende kalendermaand, waarbij een resterend aantal van zestien
of meer dagen voor een maand wordt gerekend.
2.De verloven die aan de militair
kunnen worden verleend worden onderscheiden in:
a. vakantieverlof;
b. inschepings- en
ontschepingsverlof;
c. buitengewoon verlof;
d. buitengewoon verlof in het kader
van arbeid en zorg.
Artikel 62. Bevoegdheid tot het verlenen
van verlof
Verlof wordt verleend door de commandant
van de militair tenzij in dit hoofdstuk anders wordt bepaald.
Artikel 63. Verlenen van verlof
1. Het verlof, bedoeld in artikel 61,
tweede lid, onderdelen a tot en met c, waarop de militair ingevolge
dit hoofdstuk aanspraak heeft, wordt hem al dan niet op zijn aanvraag
verleend.
2. Verlof op aanvraag als bedoeld in
het eerste lid, wordt, onder vermelding van de redenen, niet verleend
voor zover de belangen van de dienst dit, naar het oordeel van degene
die bevoegd is het verlof te verlenen, vorderen.
3. Het verlof, bedoeld in artikel 61,
tweede lid, onderdeel d, wordt na melding door de militair verleend
met inachtneming van de Wet arbeid en zorg en de bepalingen in
paragraaf 4b van dit hoofdstuk.
Artikel 64. Dagen die niet als verlof
worden aangemerkt
1.De dagen gedurende welke een
militair, ware hij niet met verlof geweest, verhinderd zou zijn
geweest dienst te verrichten wegens ziekte of een ongeval, worden niet
aangemerkt als verlof mits hij degene die het verlof heeft verleend,
naar regels bij ministeriële regeling te stellen, zo spoedig mogelijk
van die ziekte of dat ongeval in kennis heeft gesteld. Het voorgaande
vindt geen toepassing voor de dagen waarop buitengewoon verlof als
bedoeld in artikel 12c, tweede lid, van de Militaire ambtenarenwet
1931 of artikel 86, aanhef en onder b van dit besluit wordt genoten.
2.Wanneer een militair tijdens een hem
verleend vakantieverlof, inschepings- of ontschepingsverlof aanspraak
kan maken op buitengewoon verlof als bedoeld in artikel 85 of
buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg als bedoeld in
paragraaf 4b, wordt het vakantieverlof, inschepings- of
ontschepingsverlof als niet verleend aangemerkt, maar, met
inachtneming van artikel 85, tweede lid, onderscheidenlijk paragraaf
4b als buitengewoon verlof dan wel buitengewoon verlof in het kader
van arbeid en zorg aangemerkt, mits hij degene die het verlof heeft
verleend, tijdig van de reden voor dat buitengewoon verlof in kennis
heeft gesteld.
Artikel 65. Intrekken of beëindiging van
verleend of aangevangen verlof
1.Verleend verlof als bedoeld in
artikel 61, tweede lid, onderdelen a tot en met c, kan geheel of
gedeeltelijk worden ingetrokken, indien de belangen van de dienst
zulks naar het oordeel van degene die het verlof heeft verleend,
uitdrukkelijk vorderen.
2.Een dag waarop een militair door een
maatregel als bedoeld in het eerste lid slechts voor een gedeelte
verlof heeft genoten, wordt niet aangemerkt als een verlofdag.
3.Voorts kan verleend verlof als
bedoeld in artikel 61, tweede lid, onderdelen a tot en met c, geheel
of gedeeltelijk worden ingetrokken op aanvraag van de betrokken
militair, indien naar het oordeel van degene die het verlof heeft
verleend, de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten.
4.Buitengewoon verlof in het kader van
arbeid en zorg eindigt met inachtneming van paragraaf 4b.
Artikel 66. Verlof buiten het land van
plaatsing
De militair die voornemens is een verlof
door te brengen buiten het land waar hij is geplaatst kan om redenen van
operationele aard door degene die tot het verlenen van het verlof
bevoegd is, worden verplicht hem van dat voornemen tijdig schriftelijk
mededeling te doen onder vermelding van het land of de landen die hij
tijdens zijn verlof zal bezoeken.
Artikel 67. Vergoeding van schade ten
gevolge van het niet doorgaan of beëindigen van verlof
1.De militair aan wie een verlof is
verleend en die geldelijke schade lijdt als gevolg van het geheel of
gedeeltelijk intrekken van dat verlof krachtens artikel 65, eerste
lid, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk beëindigen van dat
verlof krachtens artikel 65, vierde lid, of als gevolg van een verbod
als bedoeld in artikel 12e van de Militaire Ambtenarenwet 1931, heeft
aanspraak op vergoeding van die schade, voor zover hij die
redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.
2.Aan de militair die met het oog op de
besteding van een verlof waarop hij aanspraak kan doen gelden maar dat
hem nog niet is verleend, met schriftelijke instemming van degene die
tot het verlenen van het verlof bevoegd is, bepaalde voorzieningen
heeft getroffen en:
a. aan wie het verlof wordt
geweigerd om redenen die op het tijdstip waarop de instemming werd
verleend niet konden worden voorzien, of
b. wiens voorgenomen besteding van
het verlof als gevolg van een verbod als bedoeld in het eerste lid
geen doorgang kan vinden, kan door het hoofd defensieonderdeel een
gehele of gedeeltelijke vergoeding worden toegekend van de
geldelijke schade die hij als gevolg van die weigering of dat
verbod heeft geleden.
Artikel 67a. Afronding
Indien een berekening van een
vakantieverlof ingevolge de artikelen 69, 70, 71, 71a, 74, 75, 80, 80a,
80b of 81 niet uitmondt in een afgerond aantal uren, wordt een gedeelte
van een uur naar boven afgerond tot een heel uur.
§ 2. Vakantieverlof voor militairen die
zijn ingedeeld bij de Koninklijke marine
Artikel 68. Aanspraak op vakantieverlof
over een vol kalenderjaar
1.De militair ingedeeld bij de
Koninklijke marine die gedurende een vol kalenderjaar als zodanig in
werkelijke dienst is, heeft over dat jaar aanspraak op het navolgende
vakantieverlof:
a. in het tijdvak van 1 juni tot 15
september: een aaneengesloten zomerverlof, omvattende 120 uren;
b. in het tijdvak van 1 december
van het lopende kalenderjaar tot 1 februari van het daarop
volgende jaar: een aaneengesloten winterverlof, omvattende 80
uren;
c. In het tijdvak van 1 januari tot
en met 31 december op een tijdstip naar eigen keuze: 32 uren,
zoveel mogelijk op te nemen in aaneengesloten perioden van ten
minste 4 uren.
2.Het hoofd defensieonderdeel kan voor
bijzondere gevallen van het eerste lid afwijkende
vakantieverloftijdstippen vaststellen.
3.De commandant kan een militair in
bijzondere gevallen toestaan:
a. het hem toekomende zomer- of
winterverlof op te nemen buiten de tijdvakken, genoemd in het
eerste lid, onder a en b, of
b. die verloven aaneengesloten op
te nemen.
Artikel 69. Aanspraak op vakantieverlof
over een deel van een kalenderjaar
1.De militair ingedeeld bij de
Koninklijke marine die niet gedurende een vol kalenderjaar als zodanig
in werkelijke dienst is, heeft - behalve indien hij in dienst is
gekomen voor een periode van minder dan 85 dagen - over dat jaar
aanspraak op het navolgende vakantieverlof:
a. indien hij in dienst is
getreden:
(1). vóór 1 juni: op het in
het vorige artikel bedoelde zomer- en winterverlof;
(2). op of na 1 juni doch
vóór 1 november: op het in het vorige artikel bedoelde
winterverlof;
b. indien hij de dienst zal
verlaten:
(1). vóór 1 juni: op een
vijfde deel van het in het vorige artikel bedoelde aantal uren
zomerverlof voor elke kalendermaand dat hij in werkelijke
dienst zal zijn;
(2). in het tijdvak van 1 juni
tot en met 31 augustus: op het in het vorige artikel bedoelde
zomerverlof;
(3). in het tijdvak van 1
september tot en met 30 november: op het in het vorige artikel
bedoelde zomerverlof alsmede op een derde deel van het in het
vorige artikel bedoelde aantal uren winterverlof voor elke
kalendermaand dat hij na 31 augustus in werkelijke dienst zal
zijn;
(4). op of na 1 december: op
het in het vorige artikel bedoelde zomer- en winterverlof;
c. op een twaalfde deel van het in
het vorige artikel, eerste lid onder c, bedoelde vakantieverlof,
voor elke maand dat hij in werkelijke dienst zal zijn.
2.In afwijking van het eerste lid kan
aan de militair niettemin het in artikel 68 bedoelde zomer- en
winterverlof worden verleend, indien de eenheid waar hij metterdaad
dienst verricht gedurende de verlofperiode wordt gesloten.
3.Het tweede en derde lid van artikel
68 zijn van toepassing.
Artikel 70. Verandering van het aantal
uren vakantieverlof
1.Over kalendermaanden gedurende de
welke de militair ingedeeld bij de Koninklijke marine in het geheel
geen dienst verricht, heeft hij geen aanspraak op vakantieverlof. Over
kalendermaanden gedurende de welke de militair ingedeeld bij de
Koninklijke marine gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij slechts
aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid van het gedeelte van de
werktijd waarop hij feitelijk dienst verricht.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing:
a. in geval geen dienst is verricht
wegens verleend verlof, niet zijnde buitengewoon verlof;
b. in geval geen dienst is verricht
wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof, als bedoeld in artikel
3:1 van de Wet arbeid en zorg;
c. in geval gedurende een periode,
korter dan 52 weken geen dienst is verricht wegens ziekte die niet
aan schuld of nalatigheid van de militair is te wijten, waarbij
een hervatting gedurende dertig kalenderdagen of minder geen
nieuwe periode van 52 weken inluidt;
d. in andere gevallen, indien
degene die tot het verlenen van het verlof bevoegd is, daartoe
aanleiding aanwezig acht.
3.Het vakantieverlof waarop een
militair ingedeeld bij de Koninklijke marine ingevolge artikel 68 of
69 aanspraak maakt:
a. wordt verminderd naar
evenredigheid van de tijd gedurende welke hem langer durend
zorgverlof als bedoeld in artikel 87c, of ouderschapsverlof als
bedoeld in artikel 87d, is verleend;
b. kan, naar regels bij
ministeriële regeling te stellen, worden verminderd naar
evenredigheid van de tijd gedurende welke hem buitengewoon verlof
als bedoeld in artikel 12c, tweede lid, van de Militaire
Ambtenarenwet 1931 of artikel 86, aanhef en onder b, is verleend.
4.Het vakantieverlof waarop een
militair ingedeeld bij de Koninklijke marine ingevolge artikel 68 of
69 aanspraak maakt wordt naar evenredigheid verminderd indien hem op
grond van het Besluit aanpassing arbeidsduur militairen buitengewoon
verlof in verband met deeltijdarbeid wordt verleend. In geval van
vermeerdering van de arbeidsduur op grond van het Besluit aanpassing
arbeidsduur militairen wordt de in de vorige volzin genoemde
verminderde aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid
vermeerderd.
5.De militair heeft geen aanspraak op
vakantieverlof indien artikel 17, vijfde lid, onderdeel j van het
Inkomstenbesluit militairen van toepassing is.
Artikel 71. Niet verleend vakantieverlof
1.Aan een militair ingedeeld bij de
Koninklijke marine die naar het oordeel van de commandant. buiten zijn
wil of toedoen het hem ingevolge artikel 68 of 69 toekomende zomer-
en/of winterverlof geheel of gedeeltelijk niet heeft kunnen genieten
gedurende het lopende kalenderjaar of in de maand januari van het
volgende kalenderjaar, kan het niet genoten vakantieverlof alsnog
worden verleend zodra dat mogelijk is, doch uiterlijk op een zodanig
tijdstip dat het zal zijn genoten voor het einde van dat volgende
kalenderjaar.
2.Het vakantieverlof, bedoeld in
artikel 68, eerste lid onder c, en 69, eerste lid onder c, dat in enig
kalenderjaar niet is genoten, wordt in het volgende kalenderjaar
verleend, echter tot ten hoogste de helft van het aantal in die leden
onder c genoemde onderscheidenlijk bedoelde aantal uren.
Artikel 71a. Vakantieverlof en ontslag
1.Indien de militair op de datum waarop
hij de werkelijke dienst verlaat nog aanspraak heeft op
vakantieverlof, wordt hem voor ieder uur vakantieverlof dat hem niet
is verleend een vergoeding toegekend ten bedrage van 1/165 deel van de
bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k,
van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct
voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had.
De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak
op vakantieverlof over een vol kalenderjaar, zoals die direct
voorafgaand aan het verlaten van de werkelijke dienst van de militair
voor hem gold.
2.Indien op de dag, waarop de militair
de werkelijke dienst verlaat, blijkt dat de militair teveel
vakantieverlof heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten
vakantieverlof, tenzij dit niet aan zijn schuld of toedoen te wijten
is, een bedrag verschuldigd ten bedrage van 1/165 deel van de
bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k,
van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct
voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had.
3.Indien de militair uiterlijk veertien
dagen na het tijdstip waarop hij in de loop van een kalenderjaar de
werkelijke dienst verlaat weer in werkelijke dienst komt of wordt
aangesteld als burgerlijk ambtenaar bij het Ministerie van Defensie,
kan de militair, in afwijking van het eerste lid, ervoor kiezen de
vakantieverlofaanspraken van het lopende kalenderjaar die niet zijn
genoten, te behouden. Daarbij wordt vakantieverlof dat in het lopende
kalenderjaar is verleend in mindering gebracht op de aanspraken in dat
jaar.
4.Het eerste en derde lid zijn niet van
toepassing ten aanzien van op 31 december 1996 nog niet verleend
vakantieverlof, dat, wanneer het nog niet is genoten op de datum
waarop de militair de werkelijke dienst verlaat, vervalt.
Artikel 72 [Vervallen per 04-09-1998]
§ 3. Vakantieverlof voor militairen die
zijn ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht
en de Koninklijke marechaussee
Artikel 73. Aanspraak op vakantieverlof
over een vol kalenderjaar
1.De militair ingedeeld bij de
Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke
marechaussee, die gedurende een vol kalenderjaar als zodanig in
werkelijke dienst is, heeft over dat jaar aanspraak op het navolgende
vakantieverlof:
a. een militair beneden de rang van
majoor: 184 uren;
b. een militair met de rang van
majoor of een hogere rang: 192 uren.
2.Voor de toepassing van het vorige lid
is bepalend de rang of de stand die de militair op 1 januari van het
kalenderjaar bekleedt.
3.De volgens het eerste lid
vastgestelde aantallen uren vakantieverlof worden verhoogd volgens
onderstaande tabel, afhankelijk van de leeftijd die de militair in het
desbetreffende kalenderjaar bereikt:
|
leeftijd |
verhoging |
|
18 jaar en jonger |
24 uren |
|
19 jaar |
16 uren |
|
20 jaar |
8 uren |
|
van 30 tot en met 39 jaar |
8 uren |
|
van 40 tot en met 44 jaar |
16 uren |
|
van 45 tot en met 49 jaar |
24 uren |
|
van 50 tot en met 54 jaar |
32 uren |
|
van 55 tot en met 59 jaar |
40 uren |
|
60 jaar en ouder |
48 uren |
Artikel 74. Aanspraak op vakantieverlof
over een deel van een kalenderjaar
1.De militair ingedeeld bij de
Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke
marechaussee die niet gedurende een vol kalenderjaar als zodanig in
werkelijke dienst is, heeft - behalve indien hij in dienst is gekomen
voor een periode van minder dan 85 dagen - over dat jaar aanspraak op
het in het vorige artikel bedoelde vakantieverlof, vastgesteld naar
evenredigheid van de tijd gedurende welke hij in dat jaar in
werkelijke dienst is.
2.Voor de toepassing van het vorige lid
is bepalend:
a. indien de militair in de loop
van het kalenderjaar als zodanig in werkelijke dienst komt: de
rang of stand die hij op het tijdstip van indiensttreding
bekleedt;
b. indien de militair in de loop
van het kalenderjaar de werkelijke dienst verlaat: de rang of
stand die hij op 1 januari van dat kalenderjaar bekleedt.
Artikel 75. Verandering van het aantal
uren vakantieverlof
1.Over kalendermaanden gedurende de
welke de militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke
luchtmacht of Koninklijke marechaussee in het geheel geen dienst
verricht, heeft hij geen aanspraak op vakantieverlof. Over
kalendermaanden gedurende de welke de militair ingedeeld bij de
Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke
marechaussee gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij slechts aanspraak
op vakantieverlof naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd
waarop hij feitelijk dienst verricht.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing:
a. in geval geen dienst is verricht
wegens verleend verlof, niet zijnde buitengewoon verlof;
b. in geval geen dienst is verricht
wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof, als bedoeld in artikel
3:1 van de Wet arbeid en zorg;
c. in geval gedurende een periode,
korter dan 52 weken geen dienst is verricht wegens ziekte die niet
aan schuld of nalatigheid van de militair is te wijten, waarbij
een hervatting gedurende dertig kalenderdagen of minder geen
nieuwe periode van 52 weken inluidt;
d. in andere gevallen, indien
degene die tot het verlenen van het verlof bevoegd is, daartoe
aanleiding aanwezig acht.
3.Het vakantieverlof waarop een
militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke
luchtmacht of Koninklijke marechaussee ingevolge artikel 73 of 74
aanspraak maakt:
a. wordt verminderd naar
evenredigheid van de tijd gedurende welke hem langer durend
zorgverlof als bedoeld in artikel 87c, of ouderschapsverlof als
bedoeld in artikel 87d, is verleend;
b. kan, naar regels bij
ministeriële regeling te stellen, worden verminderd naar
evenredigheid van de tijd gedurende welke hem buitengewoon verlof
als bedoeld in artikel 12c, tweede lid, van de Militaire
Ambtenarenwet 1931 of artikel 86, aanhef en onder b, is verleend.
4.Het vakantieverlof waarop een
militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke
luchtmacht of Koninklijke marechaussee ingevolge artikel 73 of 74
aanspraak maakt, wordt naar evenredigheid verminderd indien hem op
grond van het Besluit aanpassing arbeidsduur militairen buitengewoon
verlof in verband met deeltijdarbeid wordt verleend. In geval van
vermeerdering van de arbeidsduur op grond van het Besluit aanpassing
arbeidsduur militairen wordt de in de vorige volzin genoemde
verminderde aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid
vermeerderd.
5.Voor de militair ingedeeld bij de
Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke
marechaussee aan wie ten hoogste veertien dagen voor het tijdstip
waarop hij in werkelijke dienst komt, ontslag is verleend uit een
andere overheidsbetrekking, wordt het aantal uren vakantieverlof
waarop ingevolge artikel 73 of 74 aanspraak bestaat vermeerderd met
zoveel uren vakantieverlof als hij uit hoofde van die vorige
betrekking over het lopende kalenderjaar nog tegoed had.
6.De militair heeft geen aanspraak op
vakantieverlof indien artikel 17, vijfde lid, onderdeel j van het
Inkomstenbesluit militairen van toepassing is.
Artikel 76. Verlenen van vakantieverlof
1.Vakantieverlof wordt aan een militair
ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of
Koninklijke marechaussee verleend:
a. op zijn aanvraag;
b. niet op zijn aanvraag, voor
zover naar het oordeel van degene die het verlof verleent, de
belangen van de dienst dat vorderen.
2.Aan de militair dient in elk
kalenderjaar ten minste 120 uren vakantieverlof te worden verleend,
waarvan ten minste 80 uren aaneengesloten of tot in evenredigheid
lagere getallen indien de militair buitengewoon verlof in verband met
deeltijdarbeid is verleend op grond van het Besluit aanpassing
arbeidsduur militairen.
Artikel 77. Vakantieverlof op aanvraag
1.Vakantieverlof wordt zoveel mogelijk
opgenomen in aaneengesloten perioden van ten minste 4 uren.
2.Indien voor een militair ingedeeld
bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke
marechaussee een periode of perioden is of zijn vastgesteld, gedurende
welke hem vakantieverlof niet-op-aanvraag wordt verleend, wordt hem
vakantieverlof op aanvraag zoveel mogelijk verleend voorafgaand aan of
in aansluiting op die periode of perioden.
3.Onverminderd het bepaalde in het
tweede lid van artikel 79, wordt aan de militair ingedeeld bij de
Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke
marechaussee op zijn aanvraag zoveel mogelijk een vakantieverlof in
een door hem gekozen periode verleend van tenminste twee
aaneengesloten weken.
Artikel 78. Beperking vakantieverlof op
aanvraag
1.Gedurende een bepaalde tijd, doch ten
hoogste gedurende de eerste zes maanden nadat hij als zodanig in
werkelijke dienst is gekomen, wordt aan een militair ingedeeld bij de
Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke
marechaussee op zijn aanvraag slechts zoveel maal een twaalfde deel
van het hem ingevolge artikel 73 of 74 toekomende vakantieverlof
verleend als hij volle maanden in werkelijke dienst is.
2.Het vorige lid blijft buiten
toepassing, indien de militair onmiddellijk voorafgaand aan het
tijdstip waarop hij als zodanig in werkelijke dienst kwam - een
onderbreking van veertien dagen of minder buiten beschouwing gelaten
-:
a. reeds uit anderen hoofde in
werkelijke dienst verbleef, dan wel
b. reeds gedurende ten minste zes
maanden een andere overheidsbetrekking vervulde.
3.Het eerste lid blijft eveneens buiten
toepassing, indien aan de militair vakantieverlof niet-op-aanvraag
wordt verleend.
Artikel 79. Verlenen van vakantieverlof
niet-op-aanvraag
1.Bij het verlenen van vakantieverlof
niet-op-aanvraag, dat altijd ten minste 2 aaneengesloten werkdagen
bedraagt, wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de belangen van
de militair.
2.Van het aantal uren vakantieverlof
dat een militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke
luchtmacht of Koninklijke marechaussee in enig kalenderjaar toekomt,
kunnen, in overleg met de medezeggenschapscommissie:
a. ten hoogste 120 uren als
vakantieverlof niet-op-aanvraag worden verleend, in een periode
van ten hoogste drie weken, dan wel
b. ten hoogste 40 uren als
vakantieverlof niet-op-aanvraag worden verleend.
3.De in het tweede lid, onder a,
bedoelde periode dient zoveel mogelijk te zijn gelegen in de periode
van de zomervakanties in het onderwijs.
Artikel 80. Niet verleend vakantieverlof
1. Niet verleend vakantieverlof,
waaronder eventueel van vorige jaren overgeboekt vakantieverlof, wordt
overgeboekt naar het volgende kalenderjaar tot een maximum van het
aantal uren per jaar, te berekenen volgens artikel 73, verminderd met
het in artikel 76, tweede lid, bedoelde aantal verplicht te verlenen
uren.
2. Uitsluitend indien operationele
omstandigheden het tot het verlof verlenen bevoegd gezag hebben
verhinderd vakantieverlof te verlenen of, naar het oordeel van het tot
het verlof verlenen bevoegd gezag, gewichtige persoonlijke
omstandigheden de militair hebben verhinderd het vakantieverlof te
genieten, kan worden afgeweken van het overeenkomstig het eerste lid
maximaal naar het volgend kalenderjaar over te boeken vakantieverlof.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing ten aanzien van op 31 december 1996 nog niet verleend
vakantieverlof.
Artikel 80a. Teveel verleend
vakantieverlof
1.Vakantieverlof op aanvraag dat in
enig kalenderjaar teveel is verleend, wordt in mindering gebracht op
het vakantieverlof over het volgende kalenderjaar of over de volgende
twee of drie kalenderjaren, indien het teveel meer beloopt dan één
derde onderscheidenlijk twee derde gedeelte van het de militair
ingevolge artikel 73 toekomende vakantieverlof.
2.Het in enig kalenderjaar verleende
vakantieverlof niet-op-aanvraag dat, uitsluitend omdat de militair
reeds vakantieverlof op aanvraag is verleend, leidt tot overschrijding
van het aan de militair toekomende aantal uren vakantieverlof in dat
jaar, wordt niet in mindering gebracht op het vakantieverlof over het
volgend kalenderjaar of de volgende kalenderjaren.
Artikel 80b. Vakantieverlof en ontslag
1.Indien de militair op de datum waarop
hij de werkelijke dienst verlaat nog aanspraak heeft op
vakantieverlof, wordt hem voor ieder uur vakantieverlof dat hem niet
is verleend een vergoeding toegekend ten bedrage van 1/165 deel van de
bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k,
van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct
voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had.
De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak
op vakantieverlof over een vol kalenderjaar, zoals die direct
voorafgaand aan het verlaten van de werkelijke dienst van de militair
voor hem gold.
2.Indien op de dag, waarop de militair
de werkelijke dienst verlaat, blijkt dat de militair teveel
vakantieverlof heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten
vakantieverlof, tenzij dit niet aan zijn schuld of toedoen te wijten
is, een bedrag verschuldigd ten bedrage van 1/165 deel van de
bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k,
van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct
voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had.
3.Indien de militair uiterlijk veertien
dagen na het tijdstip waarop hij in de loop van een kalenderjaar de
werkelijke dienst verlaat weer in werkelijke dienst komt of wordt
aangesteld als burgerlijk ambtenaar bij het Ministerie van Defensie,
kan de militair, in afwijking van het eerste lid, ervoor kiezen de
vakantieverlofaanspraken van het lopende kalenderjaar die niet zijn
genoten, te behouden. Daarbij wordt vakantieverlof dat in het lopende
kalenderjaar is verleend in mindering gebracht op de aanspraken in dat
jaar.
4.Het eerste en derde lid zijn niet van
toepassing ten aanzien van op 31 december 1996 nog niet verleend
vakantieverlof, dat, wanneer het nog niet is genoten op de datum
waarop de militair de werkelijke dienst verlaat, vervalt.
Paragraaf 3a. Afwijkende verlofbepalingen
Artikel 81. Bepalingen van algemene aard
1.Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden vastgesteld die afwijken van de artikelen 68 tot en met
71 en 73 tot en met 80, indien de belangen van de dienst een zodanige
afwijking vorderen.
2.Indien op een militair een afwijkende
verlofregeling als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, zijn
de artikelen 68 tot en met 71 en 73 tot en met 80 niet van toepassing
en worden vakantieverloftegoeden, opgebouwd op grond van die artikelen
voor dat de afwijkende verlofregeling op de militair van toepassing
werd, bevroren. Verlof, opgebouwd op grond van de afwijkende
verlofregeling, vervalt op het moment dat de afwijkende verlofregeling
niet meer van toepassing is.
3.Indien een militair kan aantonen dat
hij gedurende de tijd dat op hem een afwijkende verlofregeling van
toepassing is geweest, minder uren vakantieverlof heeft kunnen opnemen
dan het aantal uren vakantieverlof waarop hij aanspraak had kunnen
maken op grond van de artikelen 68 tot en met 71 en 73 tot en met 80,
indien op hem de afwijkende verlofregeling niet van toepassing zou
zijn geweest, heeft hij aanspraak op het resterende verschil in uren
vakantieverlof.
4.De militair, op wie over een gedeelte
van een kalenderjaar een afwijkende verlofregeling als bedoeld in het
eerste lid van toepassing is, heeft over het overblijvende gedeelte
van dat jaar aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid van de
tijd gedurende welke hij in dat gedeelte in werkelijke dienst is.
Artikel 82 [Vervallen per 04-09-1998]
§ 4. Inschepings- en ontschepingsverlof
Artikel 83. Aanspraak op
inschepingsverlof
1.Aan de militair die is aangewezen
voor het verrichten van dienst buiten Europa dan wel aan boord van een
varend schip buiten Nederland en om die reden naar verwachting ten
minste 6 maanden achtereen buiten Europa onderscheidenlijk buiten
Nederland zal verblijven, wordt uiterlijk vóór de dag van vertrek
inschepingsverlof verleend voor:
a. 5 werkdagen, indien het verblijf
buiten Europa dan wel aan boord van een varend schip buiten
Nederland naar verwachting minder dan 9 maanden achtereen zal
duren;
b. 10 werkdagen, indien het
verblijf buiten Europa dan wel aan boord van een varend schip
buiten Nederland naar verwachting 9 maanden of meer zal duren.
2.Aan de militair die is aangewezen
voor het verrichten van dienst buiten Nederland in Europa, anders dan
aan boord van een varend schip en om die reden naar verwachting ten
minste 6 maanden achtereen buiten Nederland zal verblijven, wordt
uiterlijk vóór de dag van vertrek inschepingsverlof verleend voor
ten hoogste 5 werkdagen.
3.Ten aanzien van de militair die
inschepingsverlof heeft genoten en die zijn bestemming niet volgt ten
gevolge van omstandigheden afhankelijk van zijn wil of toedoen, kan
het hoofd defensieonderdeel dat verlof aanmerken als verleend
vakantieverlof.
Artikel 84. Aanspraak op
ontschepingsverlof
1.De militair heeft na een verblijf
voor dienst buiten Europa dan wel aan boord van een varend schip
buiten Nederland gedurende één maand of langer achtereen, aanspraak
op ontschepingsverlof van één werkdag voor elke maand dat het
verblijf voor dienst buiten Europa dan wel aan boord van een varend
schip buiten Nederland heeft geduurd, zulks met een maximum van 20
werkdagen.
2.Het ontschepingsverlof, bedoeld in
het eerste lid, wordt aaneengesloten of in gedeelten aan de militair
verleend zo spoedig mogelijk nadat hij in Nederland is teruggekeerd.
3.Aan de militair wordt na een verblijf
voor dienst buiten Nederland in Europa, anders dan aan boord van een
varend schip, van ten minste 6 maanden achtereen, ten hoogste 5
werkdagen ontschepingsverlof verleend.
4.De aanspraak op ontschepingsverlof
dat binnen 12 maanden na terugkeer niet is genoten, vervalt. Het hoofd
defensieonderdeel kan bepalen dat het ontschepingsverlof alsnog na het
verstrijken van dat tijdvak wordt verleend, indien naar zijn oordeel
bijzondere omstandigheden, verband houdende met de dienst, het
verlenen van ontschepingsverlof aan de betrokken militair binnen dat
tijdvak hebben belet.
Paragraaf 4a. Buitengewoon verlof
Artikel 85. Aanspraak op buitengewoon
verlof
1.Aan de militair wordt op zijn
aanvraag buitengewoon verlof met behoud van militaire inkomsten
verleend:
a. tot het bijwonen van
vergaderingen van organen van het georganiseerd overleg
militairen;
b. voor het verrichten van
werkzaamheden ten behoeve van verenigingen van militairen, die
aangesloten zijn bij een tot het overleg toegelaten centrale van
overheidspersoneel als bedoeld in artikel 4 van het Besluit
georganiseerd overleg sector Defensie, zulks volgens bij
ministeriële regeling te stellen regels.
c. tot het verkrijgen van
woonruimte, indien de plaats waar hij in de regel zijn dienst
verricht, verandert: voor ten hoogste twee werkdagen ingeval het
land van plaatsing niet verandert, en voor ten hoogste vier
werkdagen indien het land van plaatsing wel verandert, welke dagen
desgewenst in halve dagen kunnen worden verleend;
d. bij verhuizing, indien de plaats
waar hij in de regel zijn dienst verricht, verandert: voor ten
hoogste vier werkdagen, indien de militair een eigen huishouding
voert, of voor ten hoogste twee werkdagen, indien zulks niet het
geval is;
e. bij zijn ondertrouw: voor één
werkdag, indien de ondertrouw op zulk een dag valt;
f. bij zijn huwelijk: voor vier
werkdagen, met dien verstande dat de militair dat verlof
desgewenst kan opnemen gedeeltelijk ten tijde van de voltrekking
van het huwelijk en gedeeltelijk ten tijde van de godsdienstige
plechtigheden die verband houden met het huwelijk;
g. bij het huwelijk van bloed- of
aanverwanten in de eerste graad, van stief- of pleegouders, dan
wel van stief- of pleegkinderen: voor één werkdag, indien het
huwelijk wordt voltrokken in de woonplaats van de militair, en
voor ten hoogste twee werkdagen, indien het huwelijk buiten die
plaats wordt voltrokken;
h. bij de toekenning van een
diensttijdgratificatie wegens het volbrengen van een diensttijd
van 25 of 35 jaren, en bij zijn vijfentwintig- en veertigjarig
huwelijksjubilieum: voor één werkdag, indien de datum van de
gebeurtenis op zulk een dag valt of op zulk een dag wordt gevierd;
i. tot het bijwonen van het
vijfentwintig-, het veertig-, het vijftig- en het zestigjarig
huwelijksjubileum van zijn ouders, stief-, pleeg-, schoon- of
grootouders: voor één werkdag, indien het jubileum op zulk een
dag valt of op zulk een dag wordt gevierd;
j. tot het deelnemen aan een
bezinningsbijeenkomst, georganiseerd door of met medewerking van
een dienst van de geestelijke verzorging bij de krijgsmacht:
eenmaal per kalenderjaar voor ten hoogste twee werkdagen;
k. voor het afleggen van bezoeken
of het voldoen aan oproepingen, verband houdende met het zoeken
van een werkkring: gedurende de laatste zes maanden van zijn
verblijf in werkelijke dienst voor in totaal ten hoogste vier
werkdagen;
2.Buitengewoon verlof als bedoeld in
het eerste lid wordt niet verleend en verleend verlof wordt
ingetrokken, indien het niet zal of kan worden gebruikt voor het doel
waarvoor het is bestemd.
Artikel 86. Buitengewoon verlof in andere
gevallen
In andere gevallen dan die, genoemd in
artikel 85, kan aan de militair op zijn aanvraag buitengewoon verlof
worden verleend, indien naar het oordeel van degene die bevoegd is het
verlof te verlenen bijzondere redenen daartoe aanleiding geven, met dien
verstande dat:
a. de commandant dit verlof slechts
kan verlenen voor ten hoogste 10 werkdagen per kalenderjaar en
b. het hoofd defensieonderdeel dit
– zonder de onder a bedoelde beperking van het aantal werkdagen
per kalenderjaar –, eveneens kan verlenen al of niet met behoud
van militaire inkomsten of een gedeelte daarvan naar nader bij
ministeriële regeling te stellen regels.
Artikel 87. Buitengewoon verlof van lange
duur
1.Het hoofd defensieonderdeel kan,
indien daartoe naar zijn oordeel aanleiding bestaat, aan de militair
op diens aanvraag buitengewoon verlof van lange duur verlenen, al of
niet met behoud van militaire inkomsten en volgens nader bij
ministeriële regeling te stellen regels.
2.Indien het verlof, bedoeld in het
vorige lid, uitsluitend het persoonlijk belang van de militair dient,
kan hem dat verlof slechts worden verleend zonder behoud van militaire
inkomsten.
3.Indien het verlof, bedoeld in het
eerste lid, ten doel heeft de militair in de gelegenheid te stellen
een functie buiten de krijgsmacht te vervullen en met de verlening van
het verlof naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel niet
alleen het persoonlijke belang van de militair, maar mede het algemeen
belang wordt gediend, kan het verlof - onverminderd het bepaalde in
het vierde lid - in beginsel worden verleend voor ten hoogste een jaar
en zonder behoud van militaire inkomsten.
4.Indien het verlof, bedoeld in het
eerste lid, ten doel heeft de militair in de gelegenheid te stellen
anders dan in vaste dienst, hetzij een functie te vervullen in dienst
van een volkenrechtelijke organisatie, hetzij tijdelijk werkzaam te
zijn ten behoeve van de Nederlandse Antillen dan wel als deskundige
ten behoeve van een vreemde mogendheid, en naar het oordeel van het
hoofd defensieonderdeel met de verlening van het verlof in overwegende
mate het algemeen belang wordt gediend, kan het verlof in beginsel
worden verleend voor ten hoogste drie jaren en zonder behoud van
militaire inkomsten.
5.Het verlof, bedoeld in de vorige
leden, gaat niet eerder in dan na aanvaarding van dat verlof met de
daaraan verbonden voorwaarden door de militair.
Paragraaf 4b. Buitengewoon verlof in het
kader van arbeid en zorg
Artikel 87a. Buitengewoon verlof bij
calamiteiten en zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden
1. Onverminderd artikel 4:1 van de Wet
arbeid en zorg wordt aan de militair buitengewoon verlof met behoud
van militaire inkomsten verleend:
bij plotselinge ziekte van de
echtgenote of echtgenoot van de militair, de persoon met wie de
militair ongehuwd samenwoont of een van zijn bloed- of
aanverwanten in de eerste graad of wanneer een andere
noodsituatie, waarvoor de militair onverwijld een voorziening moet
treffen, ontstaat: voor de duur benodigd voor de eerste opvang en
het treffen van verdere voorzieningen, maar voor ten hoogste één
werkdag per zich voordoende situatie;
bij de bevalling van zijn
echtgenote of de persoon met wie de militair ongehuwd samenwoont;
bij overlijden en lijkbezorging van
de echtgenote of echtgenoot van de militair, de persoon met wie de
militair ongehuwd samenwoont of een van zijn bloed- en
aanverwanten in de eerste graad: vanaf het overlijden tot en met
de dag van de begrafenis of de crematie en indien sprake is van
bijzondere godsdienstige plechtigheden zoveel werkdagen als
benodigd om overeenkomstig de bepalingen van die godsdienst
rouwceremoniën te verrichten;
bij overlijden van:
bloed- of aanverwanten in de 2e
graad, dan wel van pleegbroers of -zusters: voor ten hoogste 2
werkdagen;
bloed- of aanverwanten in de 3e
of 4e graad of een van zijn huisgenoten: voor 1 werkdag,
met dien verstande dat indien de
militair is belast met de regeling van de begrafenis, de crematie of
van de nalatenschap dan wel van beide, het verlof voor ten hoogste 4
werkdagen kan worden verleend en indien sprake is van bijzondere
godsdienstige plechtigheden zoveel werkdagen als benodigd om
overeenkomstig de bepalingen van die godsdienst rouwceremoniën te
verrichten.
2. De militair meldt vooraf aan de
commandant dat hij het verlof, bedoeld in het eerste lid, opneemt
onder opgave van de reden. Indien dit niet mogelijk is, meldt de
militair het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk aan de
commandant onder opgave van de reden.
3. Het verlof, bedoeld in het eerste
lid, vangt niet aan of eindigt in ieder geval zodra de commandant aan
hem kenbaar maakt dat tegen het opnemen van het verlof
onderscheidenlijk de voortzetting daarvan een zodanig zwaarwegend
dienstbelang bestaat, dat het belang van de militair daarvoor naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
4. Van een zwaarwegend dienstbelang als
bedoeld in het derde lid, is in ieder geval sprake bij het varen, het
vliegen en oefeningen en de direct daarmee samenhangende werkzaamheden
als mede de daadwerkelijke inzet van de krijgsmacht en de
voorbereiding daarop.
5. De commandant kan achteraf van de
militair verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij geen dienst heeft
kunnen verrichten wegens een van de redenen, genoemd in het eerste
lid.
Artikel 87b. Kort durend zorgverlof
Het kort durend zorgverlof, bedoeld in
hoofdstuk 5 van de Wet arbeid en zorg, wordt verleend met behoud van
militaire inkomsten.
Artikel 87c. Langer durend zorgverlof
1.Aan de militair wordt langer durend
zorgverlof met behoud van militaire inkomsten verleend voor
hulpverlening aan een tijdelijk ernstig hulpbehoevende of stervende
echtgenote, echtgenoot of persoon met wie de militair ongehuwd
samenwoont, ouders, stief-, pleeg- of schoonouders, eigen of
aangehuwde kinderen, stief- of pleegkinderen.
2.Voor de toepassing van dit artikel is
artikel 87a, tweede tot en met vijfde lid, van overeenkomstige
toepassing, waarbij de militair bij de melding, bedoeld in artikel
87a, tweede lid, ook de omvang, de wijze van opneming en zo mogelijk
de vermoedelijke duur van het verlof aangeeft.
Artikel 87d. Ouderschapsverlof
1. Wanneer aan de militair door de
commandant ouderschapsverlof, als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet
arbeid en zorg, wordt verleend, behoudt hij over de eerste periode van
het ouderschapsverlof, die overeenkomt met dertien maal de voor de
militair geldende arbeidsduur per week, 75% van zijn bezoldiging. Over
de resterende periode van het verleende ouderschapsverlof, ontvangt de
militair over de ouderschapsverlofuren geen bezoldiging.
2. De militair kan door de commandant
worden verplicht tot terugbetaling van de tijdens het
ouderschapsverlof genoten inkomsten wanneer hem tijdens de
verlofperiode of binnen één jaar na afloop van het ouderschapsverlof
ontslag wordt verleend op zijn aanvraag dan wel op grond van aan de
militair te wijten omstandigheden. Indien binnen één jaar na afloop
van het ouderschapsverlof ontslag wordt verleend, wordt de
verplichting tot terugbetaling naar evenredigheid beperkt. Indien het
ontslag verband houdt met een aanstelling als burgerlijk ambtenaar bij
het Ministerie van Defensie of indiensttreding bij een andere
overheidssector bestaat geen verplichting tot terugbetaling.
3. De militair meldt het voornemen om
ouderschapsverlof op te nemen ten minste zes maanden voor het tijdstip
van ingang van het verlof schriftelijk aan de commandant.
4. De commandant kan bepalen dat de
aanspraak op ouderschapsverlof op grond van zwaarwegend dienstbelang
wordt opgeschort tot een later tijdstip, waarbij kan worden afgeweken
van de datum, waarop op grond van artikel 6:4 van de Wet arbeid en
zorg geen recht bestaat op ouderschapsverlof.
§ 5. Bijzondere bepalingen
Artikel 88. Verlofverlening aan
militairen, werkzaam in continu- of ploegendienst
1.Voor de toepassing van dit hoofdstuk
wordt, ingeval het betreft buitengewoon verlof anders dan van lange
duur of buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg, toekomend
aan een militair die werkzaamheden en/of diensten in continu- of
ploegendienst verricht, onder werkdag verstaan elke tijdseenheid van
ten hoogste vierentwintig uur gedurende welke de militair volgens het
voor hem geldende rooster zodanige werkzaamheden en/of diensten moet
verrichten.
2.Indien aan de in het eerste lid
bedoelde militair met toepassing van artikel 85, 86 of paragraaf 4b
buitengewoon verlof onderscheidenlijk buitengewoon verlof in het kader
van arbeid en zorg wordt verleend kan daarbij:
a. overschrijding plaatsvinden van
het met toepassing van het vorige lid vastgestelde aantal
tijdseenheden buitengewoon verlof, indien zulks nodig is ter
verwezenlijking van het met het buitengewoon verlof beoogde doel;
b. vermindering plaatsvinden van
het met toepassing van het vorige lid vastgestelde aantal
tijdseenheden buitengewoon verlof, indien met minder tijdseenheden
kan worden volstaan voor de verwezenlijking van het met het
buitengewoon verlof beoogde doel.
Artikel 89 [Vervallen per 04-09-1998]
Hoofdstuk 9. Aanspraken en verplichtingen
in verband met de gezondheidszorg
Paragraaf 1. Ziektekostenstelsel
Artikel 90. Ziektekostenverzekering
1.De militair in werkelijke dienst als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1°, met
inbegrip van de militair aan wie buitengewoon verlof met behoud van
militaire inkomsten is verleend, is verzekerd voor geneeskundige
verzorging aan de militair verleend door of vanwege de voor hem
aangewezen militair geneeskundige dienst.
2.Bij ministeriële regeling wordt de
omvang van de geneeskundige zorg vastgesteld.
3.Bij ministeriële regeling wordt de
in verband met de verzekering verschuldigde premie vastgesteld na
ontvangst van een daartoe strekkend voorstel van de in artikel 90a
bedoelde rechtspersoon. De premie wordt ingehouden op de bezoldiging,
voor zover door Onze Minister niet in de premie wordt bijgedragen.
4.Onze Minister draagt op bij
ministeriële regeling te bepalen wijze bij in de in het derde lid
bedoelde premie.
5.De in het derde lid bedoelde
ministeriële regeling vormt geen onderwerp van overleg als bedoeld in
artikel 3 van het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie.
6.Aan de verzekering kunnen geen
aanspraken worden ontleend door of ten behoeve van:
a. degene die tijdens een vredes-
of humanitaire operatie in het buitenland plaatselijk is geworven
en met toepassing van artikel 11 tijdelijk is aangesteld als
militair;
b. de ambtenaar bedoeld in artikel
1 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie die met
toepassing van artikel 11 tijdelijk is aangesteld als militair.
Artikel 90a. Uitvoering van de
ziektekostenverzekering
1.Een door Onze Minister aan te wijzen
rechtspersoon is belast met de uitvoering van de in artikel 90
bedoelde verzekering.
2.De voorzitter en de overige leden van
het bestuur van de rechtspersoon worden benoemd en ontslagen door Onze
Minister.
3.Wijzigingen in de statuten van de
rechtspersoon worden ter goedkeuring voorgelegd aan Onze Minister.
4.De rechtspersoon verstrekt Onze
Minister informatie met betrekking tot de uitvoering van de
verzekering, waaronder jaarlijks een jaarrekening die is voorzien van
een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid afgegeven door
een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek.
5.Onze Minister kan de in het eerste
lid bedoelde aanwijzing intrekken, wanneer de rechtspersoon
tekortschiet in de uitvoering van de verzekering dan wel de
verplichtingen genoemd in dit artikel niet nakomt.
Artikel 90b. Aanspraken reservisten en
tijdelijk aangestelde militairen
De militair bedoeld in:
a. artikel 1, eerste lid, onderdeel
c, subonderdeel 2º,
b. artikel 90, zesde lid,
heeft gedurende de periode dat hij in
werkelijke dienst is, aanspraak op geneeskundige verzorging door of
vanwege de militair geneeskundige diensten.
Artikel 90c [Vervallen per 16-08-2006]
Artikel 91. Geneeskundige verzorging
De geneeskundige verzorging verleend door
of vanwege de militair geneeskundige dienst omvat al de maatregelen,
voorzieningen en geneeskundige verstrekkingen in het belang van de
bescherming, het behoud, het herstel en de bevordering van de gezondheid
van de militair alsmede in het belang van het behoud, het herstel en de
bevordering van de geschiktheid van de militair voor de dienst.
Artikel 91a. Ziekte of een gebrek verband
houdende met de uitoefening van de dienst
De niet in werkelijke dienst verblijvende
militair en de gewezen militair die lijden aan een ziekte of een gebrek,
verband houdende met de uitoefening van de dienst, hebben ten aanzien
van die ziekte of dat gebrek naar bij ministeriële regeling te stellen
regels en voorwaarden aanspraak op geneeskundige verzorging tot het op
grond van artikel 90a, derde lid vastgestelde maximum.
Paragraaf 2. Rechten en verplichtingen in
geval van ziekte
Artikel 92. Maatregelen ter bescherming
van de gezondheid
De militair in werkelijke dienst is
verplicht de maatregelen in acht te nemen die door de minister worden
voorgeschreven ter bescherming van de gezondheid van de militair of die
van anderen, zulks onverminderd de wettelijke mogelijkheden ten aanzien
van bepaalde maatregelen van die verplichting te worden ontheven.
Artikel 93. Verplichtingen in geval van
ziekte
1.De militair in werkelijke dienst die
wegens ziekte geheel of gedeeltelijk verhinderd is dienst te
verrichten, is verplicht, naar regels bij ministeriële regeling te
stellen, daarvan kennis te geven aan zijn commandant en een (tand)arts
te consulteren.
2.De in het vorige lid bedoelde
militair kan op verzoek van zijn commandant door of vanwege de
militair geneeskundige dienst aan een onderzoek worden onderworpen ter
beantwoording van de vragen:
a. of, in welke mate en tot welk
tijdstip er van die verhindering tot dienstverrichting sprake is;
b. of verdere maatregelen of
voorzieningen nodig zijn in het belang van het herstel van zijn
gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of
de bevordering van zijn geschiktheid voor de dienst.
3.De militair in werkelijke dienst is
in geval van ziekte verplicht zich te houden aan de voorschriften, hem
door de behandelend (tand)arts gegeven, met dien verstande dat hij
niet verplicht is zich te onderwerpen aan een ingreep van heelkundige
aard of een andere kunstbewerking.
4.De militair in werkelijke dienst die
zich onder behandeling heeft gesteld van een (tand)arts, niet
behorende tot de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst, is
verplicht hiervan kennis te geven aan deze dienst.
Artikel 94. Verplichtingen van de
commandant
1.De commandant is verplicht zo tijdig
mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als
redelijkerwijs mogelijk is, opdat de militair die in verband met
ongeschiktheid als gevolg van ziekte verhinderd is dienst te
verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid
te verrichten. Indien vaststaat, dat de eigen arbeid niet meer kan
worden verricht en binnen het gezagsbereik van Onze Minister geen
andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de commandant, naar
regels bij ministeriële regeling te stellen, de inschakeling van de
militair in voor hem passende arbeid buiten het gezagsbereik van Onze
Minister.
2.Uit hoofde van de verplichting,
bedoeld in het eerste lid, stelt de commandant in overeenstemming met
de militair of de gewezen militair een plan van aanpak op als bedoeld
in artikel 71a, tweede lid van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het plan van aanpak wordt met
medewerking van de militair of de gewezen militair regelmatig
geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.
3.Om te beoordelen of de militair
gevolg geeft aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 94a wint de
commandant een hierop betrekking hebbend advies in van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en neemt dit advies mede
in beschouwing.
Artikel 94a. Verplichtingen van de
militair in geval van ongeschiktheid tot dienstverrichting als gevolg
van ziekte
1.De militair die als gevolg van ziekte
ongeschikt is dienst te verrichten, is verplicht tot:
a. gedurende het eerste jaar van
zijn ziekte, het verrichten van hem opgedragen passende arbeid.
Onder passende arbeid wordt verstaan alle arbeid die voor de
krachten en bekwaamheden van de militair is berekend, tenzij deze
om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van
hem kan worden gevergd;
b. gedurende het tweede jaar van
zijn ziekte en daarna, het verrichten van hem opgedragen gangbare
arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
2.De militair, bedoeld in het eerste
lid, is verplicht tot het opvolgen van door de commandant of door een
door deze aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en is
verplicht mee te werken aan door hen getroffen maatregelen om hem in
staat te stellen de arbeid als bedoeld in het eerste lid te
verrichten.
3.De militair, bedoeld in het eerste
lid, is verplicht zijn medewerking te verlenen aan het opstellen,
evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
71a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
4.Dit artikel is van overeenkomstige
toepassing wanneer de militair onder andere voorwaarden wordt
verplicht tot het verrichten van dienst.
Artikel 95. Diensthervatting na ziekte
Zodra de verhindering tot
dienstverrichting heeft opgehouden te bestaan, is de in werkelijke
dienst verblijvende militair verplicht zich te wenden tot de voor hem
aangewezen militair geneeskundige dienst teneinde zo nodig een onderzoek
te ondergaan ter beantwoording van de vraag of hij weer volledig
geschikt kan worden geacht voor de uitoefening van de dienst.
De commandant kan in afwijking hiervan de
aanwijzing geven dat betrokkene zich meldt bij de bedrijfsgeneeskundige
dienst. Betrokkene is verplicht de dienst te hervatten, behoudens indien
en voor zover door of vanwege vorenbedoelde geneeskundige dienst anders
wordt bepaald.
Artikel 96. Infectieziekten
1.De militair in werkelijke dienst die
in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon die een
ziekte heeft waarvoor ingevolge het krachtens de Infectieziektenwet
bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, is verplicht daarvan
ten spoedigste kennis te geven aan de voor hem aangewezen militair
geneeskundige dienst.
2.In het geval, bedoeld in het eerste
lid, mag de militair geen dienst verrichten en heeft hij geen toegang
tot de plaats van zijn tewerkstelling dan met toestemming gegeven door
of vanwege de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst. Hij
is gehouden zich te gedragen naar de door of vanwege deze dienst
gegeven aanwijzingen, welke mede kunnen bestaan in een verbod om zich
naar een eenheid of onderdeel van de krijgsmacht te begeven.
3.Indien een militair krachtens het
tweede lid geen dienst mag verrichten, wordt hij voor de toepassing
van dit hoofdstuk geacht wegens ziekte verhinderd te zijn tot
dienstverrichting.
Paragraaf 3. Geneeskundig of
tandheelkundig onderzoek
Artikel 97. Periodiek geneeskundig of
tandheelkundig onderzoek
1.De militair in werkelijke dienst kan
worden verplicht zich periodiek te onderwerpen aan een geneeskundig of
tandheelkundig onderzoek door of vanwege de voor hem aangewezen
militair geneeskundige dienst.
2.Aan een geneeskundig of
tandheelkundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid zal in ieder
geval worden onderworpen de militair die in verband met de uitoefening
van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid
blootstaat, dan wel voor een goede vervulling van die werkzaamheden
aan bijzondere gezondheidseisen moet voldoen.
Artikel 98. Incidenteel geneeskundig of
tandheelkundig onderzoek
De militair in werkelijke dienst kan
worden verplicht zich te onderwerpen aan een geneeskundig of
tandheelkundig onderzoek door of vanwege de voor hem aangewezen militair
geneeskundige dienst, wanneer de commandant operationeel commando dit
noodzakelijk acht in verband met toelating tot een opleiding, plaatsing
in een andere functie, plaatsing bij bepaalde onderdelen of in bepaalde
gebieden, dan wel beëindiging van het verblijf in werkelijke dienst.
Artikel 99. Geneeskundig of
tandheelkundig onderzoek op verzoek van de commandant
De militair in werkelijke dienst, van wie
door zijn commandant op goede gronden wordt verondersteld dat zijn
lichamelijke of geestelijke gesteldheid een beletsel vormt om naar
behoren dienst te verrichten, kan, op verzoek van zijn commandant,
worden onderworpen aan een geneeskundig of tandheelkundig onderzoek door
of vanwege de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst.
Artikel 100. Vrijstelling van
werkzaamheden of diensten op grond van uitslag geneeskundig of
tandheelkundig onderzoek
1.Indien bij een onderzoek als bedoeld
in de artikelen 97, 98, en 99 blijkt van een zodanige lichamelijke of
geestelijke gesteldheid van de militair, dat zijn belangen of het
dienstbelang zich tegen gehele of gedeeltelijke voortzetting van zijn
werkzaamheden of diensten verzetten, wordt hij door zijn commandant
geheel of gedeeltelijk van die werkzaamheden of diensten vrijgesteld.
Alsdan kunnen hem door zijn commandant – in overleg met de betrokken
militair geneeskundige dienst – passende andere werkzaamheden of
diensten worden opgedragen.
2.Indien en voor zover een militair
krachtens het vorige lid van de dienst is vrijgesteld van zijn
normaliter te verrichten werkzaamheden of diensten en hem geen
passende andere werkzaamheden of diensten zijn opgedragen, wordt hij
voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht wegens ziekte verhinderd
te zijn tot dienstverrichting.
Artikel 101. Kennisgeving geneeskundig of
tandheelkundig onderzoek
Van het voornemen tot het instellen van
een geneeskundig of tandheelkundig onderzoek als bedoeld in de artikelen
97, tweede lid, 98 en 99, wordt de militair door zijn commandant, onder
vermelding van de redenen en van de desbetreffende bepaling van dit
besluit, schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 102. Verplichting tot medewerking
aan een onderzoek
De militair in werkelijke dienst is
verplicht medewerking te verlenen aan de onderzoeken, bedoeld in de
artikelen 93, tweede lid, 95, 97, 98 en99.
Artikel 103. Uitslag geneeskundig of
tandheelkundig onderzoek
De uitslag van een onderzoek als bedoeld
in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet, alsmede in de artikelen
93, tweede lid, 95, 97, 98 en99, wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk
aan de militair medegedeeld.
Artikel 104. Hernieuwd geneeskundig of
tandheelkundig onderzoek
1.De militair die zich niet kan
verenigen met de in artikel 103 bedoelde uitslag, kan, indien het een
onderzoek als bedoeld in artikel 93, tweede lid, of artikel 95,
betreft, binnen drie maal vierentwintig uren en, zo het een onderzoek
als bedoeld in de artikelen 97, 98 en 99 betreft, binnen zes weken,
nadat de uitslag te zijner kennis is gebracht, schriftelijk onder
opgave van de redenen daartegen zijn bedenkingen kenbaar maken bij de
commandant operationeel commando. Het indienen van de bedenkingen
heeft geen schorsende werking.
2.Behalve indien de commandant
operationeel commando, na overleg met de betrokken militair
geneeskundige dienst, de bedenkingen van de militair reeds aanstonds
voldoende gegrond acht, wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk
binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift, een hernieuwd
geneeskundig of tandheelkundig onderzoek ingesteld.
3.Het hernieuwd onderzoek geschiedt
door een (of meer) daartoe door de inspecteur van de betrokken
militair geneeskundige dienst aangewezen deskundige(n) die niet aan
het voorafgaande onderzoek heeft (hebben) deelgenomen. De uitslag van
het hernieuwd onderzoek wordt de militair zo spoedig mogelijk
schriftelijk ter kennis gebracht.
Artikel 105. Geneeskundig onderzoek in
verband met vermoedelijke blijvende ongeschiktheid
1.De militair in werkelijke dienst, van
wie op goede gronden wordt verondersteld dat hij blijvend ongeschikt
is voor het vervullen van de dienst, kan, in opdracht van Onze
Minister, worden onderworpen aan een geneeskundig onderzoek naar de
regelen, gesteld in het Besluit procedure geneeskundig onderzoek
blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen.
2.In het geval, bedoeld in het eerste
lid, zijn de artikelen 101 en 102van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 10. Andere voorzieningen van
materiële aard
Artikel 106. Begripsbepalingen
1.Voor de toepassing van dit hoofdstuk
wordt verstaan onder:
|
WAO: |
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering |
|
ZW: |
Ziektewet |
|
WW: |
Werkloosheidswet |
|
Werknemersverzekering: |
WAO, ZW, dan wel WW |
|
Arbeidsongeschiktheid: |
arbeidsongeschiktheid in de zin van
artikel 18, eerste lid van de WAO |
|
Bovenwettelijke WW-uitkering: |
de uitkering bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder 1 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen
bij werkloosheid voor de sector Defensie. |
Artikel 107 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 108. Huisvesting van rijkswege
1.Aan de militair kan gedurende zijn
verblijf in werkelijke dienst, naar regels bij ministeriële regeling
te stellen, door de commandant van rijkswege huisvesting worden
verleend.
2.De huisvesting van rijkswege wordt
zoveel mogelijk verleend bij de eenheid of het onderdeel waar de
militair is tewerkgesteld.
3.Bij ministeriële regeling kunnen
omstandigheden worden aangegeven waarin de militair verplicht is
gebruik te maken van de gelegenheid tot nachtverblijf die hem van
rijkswege is geboden.
Artikel 109. Voeding van rijkswege
1.Aan de militair kan gedurende zijn
verblijf in werkelijke dienst, naar regels bij ministeriële regeling
te stellen, door de commandant van rijkswege voeding worden verstrekt.
2.Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald dat de verstrekking van huisvesting van rijkswege geschiedt in
combinatie met de verstrekking van voeding van rijkswege.
Artikel 110. Vergoeding ter zake van
huisvestings- of voedingskosten
De militair die buiten zijn woonplaats is
tewerkgesteld en uitsluitend om redenen van dienst gewoonlijk niet
dagelijks heen en weer kan reizen tussen die woonplaats en de plaats
waar hij in de regel zijn dienst verricht, kan, naar regels bij
ministeriële regeling te stellen, een vergoeding worden toegekend ter
zake van de kosten wegens het zelf voorzien in huisvesting of voeding.
Artikel 111. Vervoer voor rekening van
het rijk en tegemoetkoming in reis- en verblijfkosten
1. De niet in werkelijke dienst
verblijvende militair en de gewezen militair die in bij ministeriële
regeling te bepalen gevallen moeten reizen teneinde te voldoen van een
oproep van het bevoegde gezag, dan wel in verband met het
verwezenlijken van aanspraken op grond van artikel 104, hebben volgens
bij ministeriële regeling te stellen regels aanspraak op vervoer voor
rekening van het Rijk alsmede op een tegemoetkoming in de noodzakelijk
gemaakte verblijfkosten, voor zover zij hierop niet uit anderen hoofde
aanspraak kunnen doen gelden.
2. Indien een militair of een gewezen
militair, als bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de
functionaris, bij wie hij zich moet vervoegen, niet alleen kan reizen,
is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op degene die hem
begeleidt.
Artikel 112. Uitkering ter zake van
inkomstenderving van niet in werkelijke dienst verblijvende militairen
en gewezen militairen
1.De niet in werkelijke dienst
verblijvende militair en de gewezen militair die inkomsten derven
wegens het voldoen aan een oproep van het bevoegde gezag, danwel in
verband met het verwezenlijken van aanspraken op grond van artikel
104, hebben in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen
aanspraak op een uitkering ter zake van gederfde inkomsten over de
tijd die zij als gevolg daarvan noodzakelijk hebben verlet, voorzover
zij hierop niet uit anderen hoofde recht kunnen doen gelden.
2.Het bedrag van de uitkering, bedoeld
in het vorige lid, is gelijk aan dat van de gederfde netto-inkomsten,
maar beloopt per dag ten hoogste het bedrag, genoemd in artikel 17,
eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen met
betrekking tot een loontijdvak van een dag, eventueel gewijzigd
krachtens artikel 18 van die wet.
3.Indien een militair of een gewezen
militair, als bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de
functionaris, bij wie hij zich moet vervoegen, niet alleen kan reizen,
zijn het eerste en het tweede lid van overeenkomstige toepassing op
degene die hem begeleidt.
Artikel 113. Tegemoetkoming in reis- en
verblijfkosten van naaste betrekkingen ingeval van ziekte of overlijden
van de militair
1.In geval van verpleging in een
zieken- of verplegingsinrichting van een militair in werkelijke dienst
kan aan diens naaste betrekkingen een tegemoetkoming worden verleend
in de kosten van vervoer en van verblijf ter zake van reizen die zij
tot het bezoeken van de militair hebben gemaakt.
2.In geval van overlijden van een
militair in werkelijke dienst kan aan diens naaste betrekkingen een
tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid worden verleend ter zake
van reizen die zij tot het bezoeken van het stoffelijk overschot
hebben gemaakt.
3.Een tegemoetkoming als bedoeld in het
eerste en tweede lid kan in de aldaar bedoelde gevallen eveneens
worden verleend aan de naaste betrekkingen van de niet in werkelijke
dienst verblijvende militair of van de gewezen militair die wordt of -
ten tijde van zijn overlijden - werd verpleegd in een zieken- of
verplegingsinrichting.
4.Indien de betrekkingen van de
militair of de gewezen militair, in dit artikel, naar het oordeel van
het hoofd defensieonderdeel niet alleen kunnen reizen, zijn de vorige
leden van overeenkomstige toepassing op degene die hen begeleidt.
5.Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld omtrent het verlenen van de tegemoetkoming bedoeld in
dit artikel.
Artikel 113a. Berichtgeving aan een
militair in het buitenland
1.Voor de toepassing van dit artikel
worden onder belanghebbenden begrepen de echtgenote, ouders, pleeg-,
stief- of schoonouders, grootouders, zwagers en schoonzusters, eigen
kinderen, stief- of pleegkinderen, kleinkinderen, voogden, verloofde,
broers en zusters.
2.Aan de militair in werkelijke dienst
die ingevolge een dienstopdracht in het buitenland verblijft, kunnen
door het hoofd defensieonderdeel voor rekening van het rijk berichten
worden verzonden in geval van:
a. overlijden van belanghebbenden;
b. ziekte of ongeval van
belanghebbenden;
c. bevalling van de echtgenote;
d. bijzondere gevallen, die naar
het oordeel van de met berichtgeving belaste ambtenaar
onmiddellijk aan de militair moeten worden bericht.
Artikel 114. Voortijdige terugkeer of
overkomst in verband met omstandigheden in het gezin
Aan de militair die om redenen van dienst
verblijft buiten het land, waar zijn gezin woonachtig is, kan door het
hoofd defensieonderdeel worden toegestaan voor rekening van het rijk
voortijdig naar dat land terug te keren of over te komen, indien naar
het oordeel van het hoofd defensieonderdeel omstandigheden in het gezin
die terugkeer of die overkomst noodzakelijk maken.
Artikel 114a. Bijdrage in de kosten van
kinderopvang
1. Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder kinderopvang en gastouderopvang verstaan hetgeen daaronder
wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
2. Door het hoofd defensieonderdeel kan
naar bij ministeriële regeling te stellen regels, financieel worden
bijgedragen in de kosten van de militair voor kinderopvang of
gastouderopvang van een of meerdere kinderen.
3. De bijdrage, als bedoeld in het
tweede lid, eindigt met ingang van de dag waarop de militair ontslag
wordt verleend.
4. Wanneer sprake is van een ontslag op
grond van artikel 39, tweede lid, onder d, van dit besluit, eindigt de
bijdrage, als bedoeld in het tweede lid, in afwijking van het vierde
lid, 6 maanden na de datum waarop dat ontslag is ingegaan, of op het
moment dat uit andere hoofde aanspraak bestaat op een bijdrage, als
bedoeld in het tweede lid. Gedurende deze periode van 6 maanden blijft
de situatie van voor het ontslag ongewijzigd gehandhaafd.
Artikel 115. Schadeloosstelling
Onze Minister kan de militair naar
billijkheid schadeloos stellen voor schaden anders dan bedoeld in
artikel 26 van het Inkomstenbesluit militairen en is bevoegd hieromtrent
voor groepen van militairen regels te geven.
Artikel 116 [Vervallen per 04-09-1998]
Artikel 117. Verstrekking in natura en
tegemoetkoming in kosten van kleding en andere goederen
1.De militair heeft met betrekking tot
de uniformkleding en andere goederen, behorende tot zijn persoonlijke
standaarduitrusting, aanspraak hetzij op een verstrekking van
rijkswege en voor rekening van het rijk in natura, hetzij op een
tegemoetkoming in de kosten van aanschaffing.
2.Met betrekking tot de uniformkleding
en andere goederen, bedoeld in het vorige lid, die de militair in
eigendom moet hebben, kan hem een tegemoetkoming worden verleend in de
kosten van onderhoud en vernieuwing en in de kosten van voorgeschreven
veranderingen van die kleding en goederen.
3.Aan de militair kan in bij
ministeriële regeling aan te wijzen gevallen een tegemoetkoming in de
kosten van aanschaffing of van onderhoud en vernieuwing worden
verleend ter zake van uniformkleding en andere goederen die niet tot
zijn persoonlijke standaarduitrusting behoren, maar die hij niettemin
in eigendom moet hebben, alsmede ter zake van burgerkleding van
hemzelf en - in geval van uitzending van de militair met zijn gezin
naar bij ministeriële regeling aan te wijzen gebieden - van kleding
van leden van zijn gezin.
4.De verstrekking in natura en die van
de tegemoetkomingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid,
geschieden naar regels bij ministeriële regeling te stellen.
Artikel 118. Aanspraken bij overlijden
1.Indien een militair in Nederland
overlijdt terwijl hij om redenen van dienst buiten zijn woonplaats
verbleef, worden aan de nabestaanden de kosten vergoed van het doen
overbrengen van het stoffelijk overschot naar een plaats van keuze in
Nederland.
2.Indien een militair in werkelijke
dienst overlijdt en het overlijden verband houdt met de uitoefening
van de militaire dienst, wordt aan de nabestaanden een tegemoetkoming
in de kosten van lijkbezorging verleend tot maximaal € 5 000.
3.Indien een militair in werkelijke
dienst overlijdt ten gevolge van een vliegongeval tijdens een
dienstreis als bedoeld in artikel 1, onder d, van het Besluit
dienstreizen defensie, wordt aan de nabestaanden een som ineens ten
bedrage van € 15 000 toegekend. Deze aanspraak vervalt wanneer de
Regeling uitkering vliegongeval van toepassing is.
4.Voor zover Onze Minister niet anders
bepaalt, is dit artikel niet van toepassing in buitengewone
omstandigheden en ten aanzien van militairen die zijn overleden in de
tijd waarin zij waren ingedeeld bij een eenheid of onderdeel van de
krijgsmacht, waaraan de bekendmaking, bedoeld in artikel 71 van het
Wetboek van Militair Strafrecht, is gedaan.
Artikel 118a. Uitkering bij overlijden
1.In geval van overlijden van de
militair wordt een uitkering verstrekt:
a. aan de echtgenoot van de
militair, dan wel
b. indien de militair geen
echtgenoot heeft nagelaten, aan of ten behoeve van het kind of de
kinderen waarvoor aanspraak op kinderbijslag bestaat, dan wel
c. indien de militair geen
echtgenoot of kinderen als bedoeld onder b heeft nagelaten, aan
zijn ouders, broers, zusters of kinderen waarvoor geen aanspraak
op kinderbijslag bestaat, indien hij naar het oordeel van het
hoofd defensieonderdeel in de noodzakelijke kosten van hun
levensonderhoud grotendeels bijdroeg.
2.Indien het eerste lid geen toepassing
kan vinden, kan het hoofd defensieonderdeel de uitkering geheel of
gedeeltelijk doen aanwenden ter bestrijding van de kosten van de
laatste ziekte en de begrafenis of crematie van de militair.
3.De uitkering is gelijk aan driemaal
het bedrag van de bezoldiging waarop de militair op de dag van zijn
overlijden aanspraak had, vermeerderd met het bedrag per maand van de
andere inkomsten die in aanmerking worden genomen bij de vaststelling
van de pensioengrondslag, ongeacht of hij daarover pensioenbijdrage
was verschuldigd.
4.In voorkomend geval wordt de
bezoldiging, bedoeld in het derde lid, verhoogd met de
toelage-buitenland, bedoeld in het Voorzieningenstelsel buitenland
defensiepersoneel.
5.Op de uitkering worden de aan de
militair reeds vóór zijn overlijden betaalde inkomsten met
betrekking tot een na zijn overlijden gelegen tijdvak, in mindering
gebracht.
6.De artikelen 54g, 71a, eerste lid, en
80b, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 118b. Uitkering bij vermissing
Het hoofd defensieonderdeel kan artikel
118a van overeenkomstige toepassing verklaren in geval van vermissing
van de militair.
Artikel 119. Bemiddeling bij procedure en
vergoeding van proceskosten bij vermissing
1.Naar regels bij ministeriële
regeling te stellen, kunnen de naaste betrekkingen van een militair
die vermist is geraakt bij de uitoefening van de dienst dan wel ten
gevolge van bijzondere omstandigheden die zich bij de uitoefening van
de dienst hebben voorgedaan, in aanmerking komen voor bemiddeling van
Onze Minister bij het voeren van de procedure tot het verkrijgen van
een verklaring, dat rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste
militair bestaat.
2.De naaste betrekkingen van een
militair als bedoeld in het vorige lid hebben, indien de procedure,
bedoeld in dat lid, niet kosteloos kan worden gevoerd, naar regels bij
ministeriële regeling te stellen, aanspraak op een vergoeding van de
kosten die ter zake voor hun rekening zijn gekomen.
3.Het hoofd defensieonderdeel kan,
indien een gezinslid van een militair vermist is geraakt ten gevolge
van omstandigheden die naar zijn oordeel verband houden met de dienst
van de militair, ten aanzien van die militair overeenkomstige
voorzieningen treffen.
Artikel 120. Doorbetaling van bezoldiging
bij arbeidsongeschiktheid na ontslag
1.Voor de toepassing van dit artikel
wordt verstaan onder:
a. gewezen militair: de militair
die is ontslagen uit de dienst bij het beroepspersoneel;
b. laatstelijk genoten bezoldiging:
de som van de geldelijke inkomsten per maand, die in aanmerking
worden genomen bij de vaststelling van de pensioengrondslag van de
militair, zulks naar de toestand op de dag voorafgaande aan het
ontslag.
2.De gewezen militair die wegens ziekte
of een gebrek, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag,
nadien nog ongeschikt is voor het verrichten van naar aard en omvang
soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, heeft
gedurende een termijn van twaalf maanden na zijn ontslag aanspraak op
zijn laatstelijk genoten bezoldiging. Vervolgens heeft hij aanspraak
op 70% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging. Het in de vorige
volzin bepaalde geldt slechts voor zover de termijn van achttien
kalendermaanden, gerekend vanaf de eerste ziektedag, nog niet is
verstreken.
3.De gewezen militair die binnen een
maand na het tijdstip van ingang van zijn ontslag wegens ziekte of een
gebrek ongeschikt wordt voor het verrichten van naar aard en omvang
soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, heeft,
mits hij gedurende twee maanden onmiddellijk aan evenbedoeld tijdstip
voorafgaande in werkelijke dienst is geweest, naar regels bij
ministeriële regeling te stellen, gedurende die ongeschiktheid, doch
uiterlijk tot een jaar na de aanvang daarvan, aanspraak op de
laatstelijk genoten bezoldiging.
4.Indien de gewezen militair binnen een
tijdvak van vier weken, nadat de volgens het tweede en derde lid
geregelde doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging in
verband met zijn herstel is gestaakt, wederom wegens ziekte of een
gebrek ongeschikt wordt voor het verrichten van naar aard en omvang
soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, wordt de
nieuw opgetreden ongeschiktheid als een voortzetting van de vorige
ongeschiktheid beschouwd en wordt de doorbetaling van de laatstelijk
genoten bezoldiging hervat. Voor het bepalen van het tijdstip, waarop
de in het tweede en derde lid bedoelde termijnen zijn verstreken,
worden perioden van in die leden bedoelde ongeschiktheid welke elkaar
met een onderbreking van minder dan vier weken zijn opgevolgd,
samengeteld.
5.
a. Het tweede, derde en vierde lid
zijn eveneens van toepassing op de gewezen vrouwelijke militair
die na afloop van de periode gedurende welke zij in verband met
zwangerschap of bevalling aanspraak heeft op een uitkering op
basis van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg nog wegens ziekte
arbeidsongeschikt is voor het verrichten van naar aard en omvang
soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht.
b. De in het derde lid bedoelde
termijn van een jaar vangt aan op de dag na die van de bevalling.
6.De voorgaande leden vinden geen
toepassing op de gewezen militair die op het tijdstip van ingang van
zijn ontslag ongeschikt is dan wel binnen een maand daarna ongeschikt
wordt, en op de gewezen vrouwelijke militair wier ongeschiktheid na
het tijdstip, bedoeld in het vorige lid onder b, voortduurt, vanaf de
dag met ingang waarvan zij na evenbedoelde tijdstippen in verband met
de aanvaarding van een volledige betrekking aanspraak kunnen maken op
loon of bezoldiging, dan wel op een uitkering krachtens de Ziektewet.
7.De aanspraak op de laatstelijk
genoten bezoldiging bestaat niet indien de betrokkene:
a. de ziekte of het gebrek heeft
voorgewend, althans zodanig overdreven voorgesteld, dat
ongeschiktheid tot het verrichten van naar aard en omvang
soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, niet
kan worden aangenomen; of
b. de ongeschiktheid tot het
verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die
welke als militair werd verricht, opzettelijk heeft veroorzaakt,
tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen
verwijt kan worden gemaakt.
8.De uitbetaling van de laatstelijk
genoten bezoldiging wordt gestaakt, indien en voor zolang de
betrokkene de door Onze Minister krachtens het tweede of derde lid
vastgestelde voorschriften niet nakomt.
9.Het bedrag van de laatstgenoten
bezoldiging, bedoeld in dit artikel, wordt in voorkomende gevallen:
a. gewijzigd overeenkomstig een
algemene herziening die voor de betrokkene zou hebben gegolden,
ware hij niet ontslagen;
b. verminderd na toepassing van
artikel 120a;
c. verminderd met:
1° de periodieke inkomsten
waarop hij uit hoofde van het laatstelijk door hem beklede
ambt na het ontslag aanspraak kan maken;
2° inkomsten die hij inmiddels
mocht zijn gaan genieten uit of in verband met arbeid of
bedrijf. Bij deze vermindering wordt uitgegaan van de
volledige laatstgenoten bezoldiging.
Artikel 120a. Samenloop van doorbetaling
van bezoldiging na ontslag en uitkering op grond van een wettelijke of
bovenwettelijke werknemersverzekering
1. Indien de gewezen militair, bedoeld
in artikel 120, recht heeft op een uitkering op grond van een
werknemersverzekering, dan wel een bovenwettelijke WW-uitkering
berustend op de dienstbetrekking waaraan de laatstgenoten bezoldiging
is verbonden, wordt die uitkering daarop in mindering gebracht.
2. Indien als gevolg van handelingen of
het nalaten van handelingen door die gewezen militair geen uitkering
op grond van de WAO wordt toegekend, wordt voor de toepassing van het
eerste lid uitgegaan van een uitkering op grond van die wet, zoals die
zou zijn toegekend bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
3. Indien als gevolg van handelingen of
het nalaten van handelingen door die gewezen militair het bedrag van
de uitkering op grond van de in het eerste lid bedoelde
werknemersverzekering of een bovenwettelijke WW-uitkering een
vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of
gedeeltelijk niet wordt toegekend, wordt deze uitkering voor de
toepassing van het eerste lid steeds aangemerkt als een uitkering die
onverminderd is genoten.
4. Indien die gewezen militair over een
periode ter zake van de dienstbetrekking waaraan de laatstgenoten
bezoldiging is verbonden aanspraak heeft of had kunnen hebben op een
uitkering op grond van de ZW of de WAO, is het verplichtingen- en
sanctieregime van die wet over die periode van overeenkomstige
toepassing.
5. Indien ten aanzien van die
wettelijke uitkering een verplichting wordt opgelegd of een sanctie
wordt toegepast, wordt door de commandant operationeel commando zoveel
mogelijk dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomstige
sanctie toegepast op het verminderde bedrag van de laatstgenoten
bezoldiging.
6. De aanspraak op doorbetaling van
bezoldiging ingevolge artikel 120 vervalt, indien de gewezen militair
zonder deugdelijke grond weigert de hem door de commandant
operationeel commando aangeboden gangbare arbeid, waartoe de militair
geneeskundige dienst hem in staat acht, te aanvaarden.
Artikel 121 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 122 [Vervallen per 01-05-1992]
Artikel 123 [Vervallen per 04-09-1998]
Artikel 124. Bijzondere uitkering ter
zake van derving van inkomsten uit arbeid
1.De niet in werkelijke dienst
verblijvende militair en de gewezen militair, die verplicht tot het
reserve-personeel behoort onderscheidenlijk laatstelijk heeft behoord,
hebben, indien zij ten gevolge van een ziekte of een gebrek, verband
houdende met de uitoefening van de dienst, tijdelijk niet in staat
zijn:
a. de inkomsten te verwerven die
zij uit hoofde van hun beroep of bedrijf gemiddeld verdienden of
zouden kunnen verdienen, dan wel
b. de inkomsten te verwerven die
zij - zo de inkomsten, bedoeld onder a, niet kunnen worden
vastgesteld - zouden kunnen verdienen met arbeid die voor hun
krachten en bekwaamheid is berekend
naar regels bij ministeriële regeling
te stellen, aanspraak op een uitkering zolang zij in vorenbedoelde
omstandigheden verkeren, maar ten hoogste gedurende twee jaren. Deze
aanspraak bestaat niet indien ter zake uit anderen hoofde aanspraak
bestaat op inkomsten, waarvan het totale bedrag gelijk is aan of hoger
is dan dat van de inkomsten, bedoeld onder a of b.
2.Het bedrag van de uitkering is gelijk
aan het verschil tussen de inkomsten, bedoeld in het vorige lid onder
a of b, en de inkomsten waarop de belanghebbende uit anderen hoofde
aanspraak heeft of aanspraak had kunnen maken gedurende de tijd waarin
hij verkeert in de omstandigheid, bedoeld in dat lid. De uitkering
wordt uitbetaald in maandelijkse termijnen.
3.Voor de toepassing van de vorige
leden worden als inkomsten waarop de belanghebbende uit anderen hoofde
aanspraak kan maken, aangemerkt:
a. uitkeringen op grond van artikel
123;
b. inkomsten uit of in verband met
arbeid of bedrijf;
c. uitkeringen krachtens de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Stb. 1972, 313) of
krachtens enige sociale verzekeringswet;
d. uitkeringen wegens een
particuliere verzekering ter zake van de geldelijke gevolgen van
arbeidsongeschiktheid;
e. inkomsten ingevolge de bij of
krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen
met uitzondering van een bedrag, gelijk aan dat van het
invaliditeitspensioen, alsmede van de bijzondere
invaliditeitsverhoging ingevolge die bepalingen.
4.Onze Minister kan in naar zijn
oordeel bijzondere gevallen:
a. de termijn van twee jaren,
genoemd in het eerste lid, verlengen;
b. op de uitkering een suppletie
verlenen.
Artikel 125. Uitkering bij overlijden
1.Na het overlijden van:
a. de gewezen militair die op de
dag van het overlijden in het genot was van een uitkering
ingevolge artikel 120;
b. de gewezen militair die op de
dag van het overlijden in het genot was van een uitkering
ingevolge artikel 124;
wordt een bedrag uitgekeerd aan de
volgende nagelaten betrekkingen:
1°. aan de langstlevende der
echtgenoten, tenzij zij duurzaam gescheiden leefden;
2°. bij ontstentenis van de onder
1° bedoelde echtgenote, ten behoeve van het kind of de kinderen
voor wie de overledene aanspraak op kinderbijslag had;
3°. bij ontstentenis van de onder
1° en 2° bedoelde betrekkingen, aan of ten behoeve van de
ouders, broers, zusters of kinderen van de overledene, voor wie
hij naar het oordeel van de commandant operationeel commando
grotendeels in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud
bijdroeg.
2.Indien de overledene geen
betrekkingen als bedoeld in het vorige lid nalaat, kan de commandant
operationeel commando het in dat lid bedoelde bedrag geheel of
gedeeltelijk doen aanwenden ter bestrijding van de kosten van de
laatste ziekte en de begrafenis of crematie.
3.Het uit te keren bedrag is indien het
een overledene betreft als bedoeld in het eerste lid:
a. onderdeel a: gelijk aan het
bedrag van de laatstgenoten bezoldiging, bedoeld in artikel 120
eerste lid, zonder vermindering ingevolge artikel 120a;
b. onderdeel b: gelijk aan de
uitkering welke belanghebbende op de dag van zijn overlijden
genoot;
en wordt berekend over een tijdvak van
drie maanden.
4.Op dat bedrag worden in mindering
gebracht de uitkering ingevolge artikel 35 van de Ziektewet, dan wel
artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering waarop
de overledene aanspraak had dan wel zou kunnen hebben gehad, alsmede
naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen.
Hoofdstuk 11a. Integriteit
§ 1. Regels omtrent goed handelen als
militair ambtenaar
Artikel 126 [Vervallen per 01-02-2011]
Artikel 126a. Afleggen eed of belofte
1.Zo spoedig mogelijk na aanstelling
legt de militair de volgende eed of belofte af:
«Ik zweer (beloof) trouw aan de
Koning, gehoorzaamheid aan de wetten en onderwerping aan de
krijgstucht.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig
(Dat beloof ik)».
2.In afwijking van het eerste lid legt
de militair die bij zijn aanstelling is aangewezen voor het volgen van
een initiële opleiding, de eed of belofte af zo spoedig mogelijk na
het voltooien van die opleiding.
3.Indien de militair ingevolge een
eerdere aanstelling reeds de eed of belofte heeft afgelegd, wordt deze
niet opnieuw afgelegd.
Artikel 126b. Nevenbetrekkingen en
nevenwerkzaamheden
1.De militair meldt aan Onze Minister,
op een door Onze Minister te bepalen wijze, de nevenwerkzaamheden die
de militair verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de
belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met zijn
functievervulling, kunnen raken.
2.Onze Minister voert een registratie
van de op grond van het eerste lid gedane meldingen.
3.De door militairen met de rang van
vice-admiraal/luitenant-generaal of een hogere rang gemelde
nevenwerkzaamheden worden openbaar gemaakt met vermelding van
eventueel door Onze Minister aan het verrichten van de
nevenwerkzaamheden gestelde beperkingen.
4.De militair verricht geen
nevenwerkzaamheden waardoor de goede vervulling van de functie of het
goed functioneren van de openbare dienst, voor zover dit in verband
staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
verzekerd.
5.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld omtrent de melding, bedoeld in het eerste
lid, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en het verbod, bedoeld
in het vierde lid.
Artikel 126c
1.Onze Minister wijst de militairen aan
die werkzaamheden verrichten waaraan in het bijzonder het risico van
financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk
gebruik van koersgevoelige informatie verbonden is. De aangewezen
militair meldt financiële belangen, alsmede het bezit van en
transacties met effecten die de belangen van de dienst voor zover deze
in verband staan met zijn functievervulling kunnen raken, aan een
daartoe aangewezen functionaris.
2.Onze Minister voert een registratie
van de op grond van het eerste lid gedane meldingen.
3.De militair verstrekt nadere
informatie of bescheiden met betrekking tot de financiële belangen of
het bezit van of de transacties met effecten, indien daarvoor naar het
oordeel van Onze Minister of de door Onze Minister aangewezen
functionaris, bedoeld in het eerste lid, aanleiding bestaat op grond
van de melding of na de melding gebleken feiten of omstandigheden.
4.Het is de militair verboden
financiële belangen te hebben, effecten te bezitten of
effectentransacties te verrichten waardoor de goede vervulling van de
functie of het goed functioneren van de openbare dienst, voorzover dit
in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou
zijn verzekerd.
5.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld omtrent de melding, bedoeld in het eerste
lid, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en het verbod, bedoeld
in het vierde lid.
Artikel 126d. Geen vergoedingen,
beloningen, steekpenningen
1.Vergoedingen, beloningen, giften of
beloften worden door de militair in zijn ambt niet van derden
gevorderd of verzocht of, anders dan met goedvinden van Onze Minister,
aangenomen.
2.De militair neemt geen steekpenningen
aan.
Artikel 126e. Deelname aan aannemingen en
leveringen
1.De militair neemt geen deel, direct
of indirect, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van openbare
diensten, tenzij daarvoor toestemming is verleend.
2.De militair gedraagt zich naar
hetgeen voor de militair is bepaald ten aanzien van het deelnemen,
direct of indirect, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van
anderen.
Artikel 126f. Deelneming aan
vennootschappen, stichtingen of verenigingen
Aan de militair die is aangesteld bij het
beroepspersoneel kan door Onze Minister worden verboden commissaris,
bestuurder of vennoot te zijn van een vennootschap, stichting of
vereniging, die geregeld in aanraking komt, of krachtens haar opzet kan
komen met de krijgsmacht.
§ 2. Melden van een misstand
Artikel 126g
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. organisatie: een ministerie met
inbegrip van de daaronder ressorterende diensten en instellingen, de
Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Raad van State, de
Algemene Rekenkamer, het bureau van de Nationale ombudsman, de Hoge
Raad van Adel, de Kanselarij der Nederlandse Orden, het Kabinet der
Koningin, de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten, een regionaal politiekorps, het Korps
landelijke politiediensten, het Landelijk selectie- en
opleidingsinstituut politie, een voorziening tot samenwerking
waarbij een publiekrechtelijke rechtspersoon is ingesteld als
bedoeld in artikel 47a van de Politiewet 1993, de rechtbanken, de
gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep
voor het bedrijfsleven, de Raad voor de rechtspraak en de daaronder
ressorterende diensten, alsmede de diensten die door een
gerechtelijk college of de Raad voor de rechtspraak gezamenlijk of
in samenwerking met een ander orgaan van de rijksoverheid in stand
worden gehouden;
b. bevoegd gezag: het tot aanstellen
bevoegde gezag, bedoeld in artikel 4, met dien verstande dat
daaronder mede wordt begrepen degene aan wie de bevoegdheid tot
aanstellen is gemandateerd en dat in de gevallen, bedoeld in artikel
4, tweede lid, Onze Minister optreedt als bevoegd gezag in de zin
van deze paragraaf;
c. vermoeden van een misstand: een op
redelijke gronden gebaseerd vermoeden van:
1° een schending van wettelijke
voorschriften of beleidsregels;
2° een gevaar voor de
gezondheid, de veiligheid of het milieu;
3° een onbehoorlijke wijze van
handelen of nalaten, die een gevaar vormt voor het goed
functioneren van de openbare dienst;
bij het Ministerie van Defensie, of
bij een andere organisatie indien de militair uit hoofde van zijn
ambtenaarschap met die organisatie in aanraking is gekomen en kennis
heeft gekregen van de misstand;
d. melder: de militair die een
vermoeden van een misstand meldt overeenkomstig dit besluit;
e. melding: de melding van een
vermoeden van een misstand door een melder;
f. commissie: de Commissie
integriteit overheid, bedoeld in het Besluit melden vermoeden van
misstand bij Rijk en Politie;
g. vertrouwenspersoon: de
vertrouwenspersoon, bedoeld in artikel 126i.
Artikel 126h
1. Ten aanzien van een melder wordt als
gevolg van het te goeder trouw melden van een vermoeden van een
misstand geen besluit met nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie
genomen. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een melder niet op
andere wijze bij de uitoefening van zijn functie nadelige gevolgen
ondervindt ten gevolge van die melding.
2. Ten aanzien van een
vertrouwenspersoon of een gewezen vertrouwenspersoon, wordt vanwege de
uitoefening van zijn taken op basis van dit besluit geen besluit met
nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie genomen. Het bevoegd gezag
draagt er zorg voor dat hij niet op andere wijze bij de uitoefening
van zijn functie nadelige gevolgen ondervindt in de uitoefening van
zijn taken.
3. Onder een besluit met nadelige
gevolgen voor de rechtspositie wordt in ieder geval verstaan een
besluit dat strekt tot:
a. het verlenen van ontslag anders
dan op eigen verzoek;
b. het verplaatsen of overplaatsen
of het weigeren van een verzoek daartoe;
c. het treffen van een
ordemaatregel;
d. het treffen van een
disciplinaire maatregel;
e. het onthouden van
salarisverhoging;
f. het onthouden van
promotiekansen;
g. het afwijzen van verlof.
Artikel 126i
1. Onze Minister wijst een of meer
vertrouwenspersonen aan.
2. De vertrouwenspersoon heeft tot
taak:
a. een militair op diens verzoek te
adviseren over een melding;
b. de Secretaris-Generaal te
informeren over een melding; en
c. het bevoegd gezag en de
Secretaris-Generaal te adviseren over vermoedens van misstanden.
3. Als vertrouwenspersoon wordt niet
een militair van de Koninklijke marechaussee belast met een feitelijke
opsporingsfunctie aangewezen.
Artikel 126j
1. Een militair doet een melding bij
zijn leidinggevende, bij een vertrouwenspersoon, of, indien daartoe
aanleiding bestaat, rechtstreeks bij de commissie.
2. Een militair doet een melding over
een organisatie anders dan het Ministerie van Defensie, bij een
leidinggevende of bij een vertrouwenspersoon van die organisatie of
indien daartoe aanleiding bestaat, rechtstreeks bij de commissie.
3. Een melding laat wettelijke
verplichtingen tot het doen van aangifte van strafbare feiten
onverlet.
Artikel 126k
Indien een melder niet meer werkzaam is
bij de organisatie waarop de melding betrekking heeft, doet hij de
melding binnen twee jaar na zijn vertrek.
Artikel 126l
De vertrouwenspersoon maakt de identiteit
van de melder niet bekend zonder instemming van de melder.
Artikel 126m
Diegenen die betrokken zijn bij de
behandeling van een melding gaan op behoorlijke en zorgvuldige wijze met
de identiteit van de melder om.
Artikel 126n
Degene bij wie een melding is gedaan
stelt de Secretaris-Generaal onverwijld schriftelijk in kennis van de
melding en de datum waarop deze is ontvangen.
Artikel 126o
1. De Secretaris-Generaal:
a. bevestigt de ontvangst van de
melding schriftelijk aan de melder of de vertrouwenspersoon; en
b. informeert de persoon of
personen op wie de melding betrekking heeft over de melding,
tenzij daardoor een onderzoeksbelang kan worden geschaad.
2. Indien de Secretaris-Generaal de
ontvangst van de melding aan de vertrouwenspersoon heeft gemeld,
stuurt deze de ontvangstbevestiging door aan de melder.
Artikel 126p
1. Het bevoegd gezag stelt een
onderzoek in naar het vermoeden van een misstand.
2. Het onderzoek wordt niet verricht
door een persoon die mogelijk betrokken is of is geweest bij de
vermoede misstand.
3. Het onderzoek en de verdere
behandeling van de melding kan in ieder geval achterwege worden
gelaten als:
a. geen sprake is van een vermoeden
van een misstand als bedoeld in artikel 126g, onderdeel c;
b. de melding niet is gedaan binnen
de in artikel 126k genoemde termijn, wanneer de melder niet meer
werkzaam is bij de organisatie waarop de melding betrekking heeft;
c. de melding kennelijk onredelijk
laat is gedaan.
4. Het bevoegd gezag meldt het
achterwege laten van een onderzoek en van de verdere behandeling van
de melding zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de melder of de
vertrouwenspersoon, alsmede aan de persoon of personen op wie de
melding betrekking heeft, tenzij daardoor een ander onderzoeksbelang
kan worden geschaad. De vertrouwenspersoon stuurt de kennisgeving door
aan de melder.
5. Bij de kennisgeving, bedoeld in het
vierde lid, wordt mededeling gedaan van de mogelijkheid het vermoeden
van een misstand te melden bij de commissie.
Artikel 126q
1. Het bevoegd gezag stelt de melder of
de vertrouwenspersoon binnen twaalf weken na de melding schriftelijk
en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek, het
oordeel daarover en de eventuele consequenties die daaraan worden
verbonden.
2. Als niet binnen twaalf weken
toepassing kan worden gegeven aan het eerste lid, wordt de melder of
de vertrouwenspersoon voordat deze termijn verlopen is daarvan
schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte gesteld. Daarbij wordt de
termijn aangegeven waarbinnen de melder of de betrokken
vertrouwenspersoon een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid
ontvangt.
3. Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing op de persoon of personen op wie de melding
betrekking heeft, tenzij daardoor een onderzoeksbelang kan worden
geschaad.
4. Indien het bevoegd gezag de
kennisgeving, bedoeld in het eerste of tweede lid, zendt aan de
vertrouwenspersoon, stuurt deze de kennisgeving door aan de melder.
5. Bij de kennisgeving, bedoeld in het
eerste lid, wordt mededeling gedaan van de mogelijkheid het vermoeden
van een misstand te melden bij de commissie.
Artikel 126r
1. Behoudens de rechtstreekse melding
bij de commissie, bedoeld in artikel 126j, eerste en tweede lid, kan
een melder een vermoeden van een misstand melden bij de commissie,
indien hij:
a. zich niet kan vinden in de
inhoud van de kennisgeving, bedoeld in artikel 126p, vierde lid;
b. zich niet kan vinden in de
inhoud van de kennisgeving, bedoeld in artikel 126q, eerste lid;
c. niet binnen de termijn, genoemd
in artikel 126q, eerste lid, of de door het bevoegd gezag
aangegeven termijn, bedoeld in artikel 126q, tweede lid, een
kennisgeving heeft ontvangen;
d. de door het bevoegd gezag
aangegeven termijn, bedoeld in artikel 126q, tweede lid,
onredelijk lang is.
2. De melding bevat ten minste:
a. naam en adres van de melder;
b. de organisatie waar de
betrokkene werkzaam is of is geweest;
c. de organisatie waarop de melding
betrekking heeft;
d. een omschrijving van de misstand
die wordt vermoed;
e. de reden van de melding aan de
commissie.
3. De melder verschaft voorts de
gegevens die voor het advies van de commissie nodig zijn en waarover
de melder redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Artikel 126s
De commissie maakt de identiteit van de
melder niet bekend zonder instemming van de melder.
Artikel 126t
De commissie bevestigt de ontvangst van
een melding aan de melder en stelt het bevoegd gezag op de hoogte van de
melding. De commissie informeert voorts de persoon of de personen op wie
de vermoede misstand betrekking heeft, dat een melding is gedaan, tenzij
dit een onderzoeksbelang kan schaden.
Artikel 126u
1. De commissie stelt een onderzoek in.
2. Het onderzoek en de verdere
behandeling van de melding kan achterwege worden gelaten indien:
a. de termijnen, genoemd in artikel
126r, eerste lid, onder c en d, nog niet verstreken zijn;
b. niet is voldaan aan artikel
126j, eerste of tweede lid;
c. niet is voldaan aan artikel
126r, tweede lid, met dien verstande dat de melder eerst de
gelegenheid moet hebben gehad binnen een door de commissie
gestelde termijn de melding aan te vullen;
d. de melding niet is gedaan binnen
de in artikel 126k genoemde termijn, wanneer de melder niet meer
werkzaam is bij de organisatie waarop de melding betrekking heeft.
3. Het achterwege laten van een
onderzoek en de verdere behandeling van de melding wordt onder
vermelding van redenen zo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld
aan de melder, het bevoegd gezag, alsmede aan de persoon of personen
op wie de melding betrekking heeft, tenzij daardoor een ander
onderzoeksbelang kan worden geschaad.
4. Ten behoeve van het onderzoek kan de
commissie bij het bevoegd gezag alle inlichtingen inwinnen die zij
voor de vorming van haar advies nodig acht. Het bevoegd gezag
verschaft aan de commissie de gevraagde inlichtingen.
5. Wanneer de inhoud van bepaalde door
het bevoegd gezag verstrekte inlichtingen vanwege het vertrouwelijke
karakter uitsluitend ter kennisneming van de commissie dient te
blijven, wordt dit aan de commissie medegedeeld. De commissie draagt
er zorg voor in dergelijke gevallen vertrouwelijk met deze informatie
om te gaan en deze waar nodig te beveiligen tegen kennisneming door
onbevoegden.
6. De kosten van het onderzoek komen
voor rekening van de organisatie waarop de melding betrekking heeft.
Artikel 126v
1. De commissie legt zo spoedig
mogelijk, maar uiterlijk twaalf weken na ontvangst van de melding,
haar bevindingen omtrent de melding neer in een advies, gericht aan
het bevoegd gezag.
2. Als niet binnen twaalf weken kan
worden geadviseerd, kan de commissie het uitbrengen van een advies
verdagen. Het bevoegd gezag en de melder worden daarover tijdig
schriftelijk en met vermelding van redenen geïnformeerd. Daarbij
wordt de termijn aangegeven waarbinnen zij het advies ontvangen.
3. De commissie zendt aan de melder een
afschrift van het advies.
Artikel 126w
1. Na ontvangst van het advies, bedoeld
in artikel 126v, stelt het bevoegd gezag de melder, de commissie en,
tenzij daardoor een onderzoeksbelang kan worden geschaad, de persoon
of personen op wie de melding betrekking heeft, zo spoedig mogelijk
maar uiterlijk binnen twaalf weken schriftelijk in kennis van zijn
standpunt dienaangaande en de eventuele consequenties die het daaraan
verbindt.
2. Als het standpunt en de
consequenties afwijken van het advies, vermeldt het bevoegd gezag de
reden voor de afwijking.
3. Als de commissie de identiteit van
de melder niet bekend heeft gemaakt, stuurt de commissie de
kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, door aan de melder.
4. Nadat de commissie het standpunt van
het bevoegd gezag heeft ontvangen maakt deze haar advies in
geanonimiseerde vorm openbaar. Indien de commissie het standpunt na
twaalf weken na verzending van het advies aan het bevoegd gezag nog
niet heeft ontvangen, maakt de commissie haar advies openbaar. Indien
zwaarwegende redenen hieraan in de weg staan blijft openbaarmaking van
het advies achterwege.
5. Het bevoegd gezag maakt zijn
standpunt in geanonimiseerde vorm openbaar tenzij zwaarwegende redenen
hieraan in de weg staan.
Artikel 126x
1. De melder, de vertrouwenspersoon of
de gewezen vertrouwenspersoon die bezwaar maakt, beroep of hoger
beroep instelt of een verzoek om voorlopige voorziening bij de
bestuursrechter doet, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de
kosten van die procedures, op voorwaarde dat:
a. de rechtsprocedure is gericht
tegen een besluit als bedoeld in artikel 126h, eerste of tweede
lid;
b. bedoeld besluit is genomen
binnen vijf jaar nadat het bevoegd gezag kennis heeft gegeven van
de bevindingen en het oordeel, bedoeld in artikel 126q, eerste
lid, of nadat het bevoegd gezag kennis heeft gegeven van het
standpunt, bedoeld in artikel 126w, eerste lid; en
c. bedoeld besluit wordt
aangevochten op de grond dat het is genomen vanwege een melding.
2. De melder, de vertrouwenspersoon of
de gewezen vertrouwenspersoon die op grond van artikel 4:8 Algemene
wet bestuursrecht zijn zienswijze naar voren brengt met betrekking tot
een voorgenomen besluit, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in
de kosten op voorwaarde dat:
a. het voorgenomen besluit betreft
een besluit als bedoeld in artikel 126h, eerste of tweede lid;
b. het voorgenomen besluit is
kenbaar gemaakt binnen de in het eerste lid, onder b, genoemde
termijn; en
c. in de zienswijze naar voren
wordt gebracht dat het voorgenomen besluit verband houdt met de
melding.
3. De melder, de vertrouwenspersoon of
de gewezen vertrouwenspersoon richt een verzoek om een tegemoetkoming
aan het bevoegd gezag.
Artikel 126y
1. Aanspraak op een tegemoetkoming
bestaat alleen voor zover:
a. door de melder in verband met de
in artikel 126x bedoelde procedures daadwerkelijk kosten worden of
zijn gemaakt met betrekking tot door een derde beroepsmatig
verleende rechtsbijstand; en
b. het verzoek door het bevoegd
gezag is ontvangen voordat op het bezwaar is beslist of uitspraak
is gedaan in de procedure waarop het verzoek betrekking heeft.
2. Het bevoegd gezag kan het verzoek in
ieder geval afwijzen indien het onderzoek en de verdere behandeling
van de melding op grond van artikel 126p, derde lid, en 126u, tweede
lid, achterwege zijn gelaten.
Artikel 126z
1. De tegemoetkoming voor iedere
afzonderlijke procedure, genoemd in artikel 126x, eerste en tweede
lid, is gelijk aan tweemaal het bedrag, genoemd in onderdeel B1 van de
bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.
2. Artikel 3 van het Besluit
proceskosten bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126aa
1. Het bevoegd gezag beslist binnen zes
weken op het verzoek.
2. Het bevoegd gezag kan de beslissing
voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt
schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 126ab
Degene aan wie een tegemoetkoming is
toegekend, kan worden verplicht tot terugbetaling, indien hij de
procedure waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, staakt voordat op
het bezwaar is beslist of uitspraak is gedaan. Deze verplichting geldt
niet, indien het staken van de procedure direct voortvloeit uit de
intrekking door het bevoegd gezag van het besluit, waartegen de
procedure is gericht.
Artikel 126ac
1. Als een besluit of een voorgenomen
besluit waarvoor op grond van artikel 126x, eerste of tweede lid,
aanspraak bestaat op een tegemoetkoming in de kosten van de
procedures, in de bezwaarprocedure of zienswijzeprocedure wordt
herroepen wegens een aan het bevoegd gezag te wijten onrechtmatigheid
of het bestreden besluit als gevolg van een uitspraak van de rechter
die onherroepelijk is geworden wordt vernietigd, waarbij de
rechtsgevolgen niet in stand worden gelaten, vergoedt het bevoegd
gezag voor iedere afzonderlijke procedure aan de melder, de
vertrouwenspersoon of de gewezen vertrouwenspersoon alle daadwerkelijk
en in redelijkheid door hem gemaakte kosten als bedoeld in artikel 1
van het Besluit proceskosten bestuursrecht, met dien verstande dat:
a. de vergoeding wordt toegekend
zonder toepassing van het tariefsysteem in voornoemd besluit;
b. de kosten van door een derde
beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vergoed voor een
bedrag van ten hoogste € 200 per uur tot een bedrag van ten
hoogste € 5000, beide bedragen exclusief BTW en kantoorkosten;
c. aan de melder toegekende
bedragen waarop de melder op grond van een ander wettelijk
voorschrift of een uitspraak van een gerechtelijke instantie
aanspraak heeft in verband met de vergoeding van kosten als
bedoeld in dit artikel, in aftrek worden gebracht op de
vergoeding.
2. De in het eerste lid genoemde
bedragen worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling
gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de
maand september van het voorafgaande jaar.
Hoofdstuk 11b. Andere rechten en
verplichtingen
Artikel 127 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 128 [Vervallen per 04-09-1998]
Artikel 129 [Vervallen per 01-09-1998]
Artikel 130. Onderscheidingen,
buitengewone bevordering en toekennen van een titulaire rang
1. Aan de militair kan ter zake van
bijzondere dienstverrichtingen, dan wel langdurige en eervolle dienst,
naar regelen bij koninklijk besluit te stellen, een onderscheiding
worden toegekend.
2. De militair kan, in afwijking van de
bepalingen van hoofdstuk 3, buitengewoon worden bevorderd ter beloning
van een zeer belangrijk wapenfeit of een andere daad of verrichting,
waardoor hij zich zeer bijzonder heeft onderscheiden.
3. Aan de militair kan ter zake van het
op een bijzondere wijze hebben bijgedragen tot de behartiging van de
belangen van de krijgsmacht een titulaire rang worden toegekend.
Artikel 130a [Vervallen per 29-03-1996]
Artikel 131 [Vervallen per 01-02-2011]
Artikel 131a [Vervallen per 01-02-2011]
Artikel 132 [Vervallen per 18-02-2000]
Artikel 133. Non-activiteit
In geval van buitengewone omstandigheden
kan Onze Minister de militair die in verband met een functie in een
publiekrechtelijk college ingevolge artikel 12c, eerste lid, van de
Militaire ambtenarenwet 1931 op non-activiteit is gesteld, in werkelijke
dienst terugroepen.
Artikel 134. Kleding
1.De militair in werkelijke dienst is
verplicht tijdens de voor hem vastgestelde werktijden het voor hem
vastgestelde uniform te dragen. De vaststelling van het uniform
geschiedt, voor zover Wij Ons dat niet hebben voorbehouden, door de
commandant operationeel commando.
2.Het kan de militair die al dan niet
in werkelijke dienst verblijft door de commandant operationeel
commando worden toegestaan onder bepaalde omstandigheden het uniform
al dan niet te dragen.
Artikel 135 [Vervallen per 11-05-2005]
Artikel 136 [Vervallen per 01-01-1990]
Artikel 137 [Vervallen per 10-03-2006]
Artikel 138. Verplichte sportbeoefening
De militair in werkelijke dienst kan door
het hoofd defensieonderdeel worden verplicht tot sportbeoefening in
dienstverband.
Artikel 139. Bereikbaarheidsplicht
De militair in werkelijke dienst kan door
Onze Minister worden verplicht zodanige maatregelen te treffen, dat hij
aan per radio, televisie of andere wijze gedane oproepingen om zich te
melden onverwijld gevolg kan geven.
Artikel 140 [Vervallen per 01-02-2011]
Artikel 141 [Vervallen per 04-09-1998]
Artikel 142. Onderzoek aan kleding dan
wel lichaam
De commandant is bevoegd tot het gelasten
van een onderzoek aan kleding dan wel lichaam, als bedoeld in artikel
12d van de Militaire ambtenarenwet 1931 en met inachtneming van dat
artikel.
Artikel 143. Verplichting tot wonen
binnen een bepaalde afstand van de plaats van tewerkstelling
De militair kan worden verplicht te wonen
op een bepaalde afstand van de plaats, waar hij in de regel dienst
verricht, of in een ambts- of dienstwoning, indien dit naar het oordeel
van het hoofd defensieonderdeel in het belang van de dienst nodig of
gewenst is.
Artikel 144. Ambts- of dienstwoning
1.De militair die een ambts- of
dienstwoning bewoont, draagt de kosten van het onderhoud, dat volgens
de wet en het plaatselijk gebruik voor rekening van de huurder komt,
tenzij bij ministeriële regeling afwijkende regels worden gesteld.
2.Ingeval de militair overlijdt
behouden de achtergebleven gezinsleden gedurende de maand van het
overlijden en de volgende drie maanden het gebruik van de ambts- of
dienstwoning waarin zij met de militair woonden. Het hoofd
defensieonderdeel kan die termijn bekorten indien het belang van de
dienst dit noodzakelijk maakt. Alsdan wordt door het hoofd
defensieonderdeel naar billijkheid een schadevergoeding gegeven.
3.Bij vrijwillig verlaten van de ambts-
of dienstwoning binnen de termijn gedurende welke de woning nog mag
worden gebruikt, kan het hoofd defensieonderdeel een uitkering geven.
Artikel 145. Schadeverhaal
1.Onze Minister kan de militair
verplichten tot geheel of gedeeltelijke vergoeding van de door de
dienst geleden schade:
a. indien deze schade in het kader
van de vervulling van aan de militair opgedragen diensten en
werkzaamheden is ontstaan door opzet of bewuste roekeloosheid van
de militair, dan wel
b. indien deze schade buiten het
kader van aan de militair opgedragen diensten en werkzaamheden is
ontstaan door verwijtbaar handelen van de militair.
2.Wanneer de schade is veroorzaakt door
meerdere personen gezamenlijk is in beginsel ieder hoofdelijk
aansprakelijk.
Artikel 146. Verplichting tot
aanzuivering van een tekort
De militair die uit hoofde van zijn
functie is belast met het beheer over of de bewaring van aan het rijk
toebehorende of toevertrouwde gelden of geldswaardige papieren kan, bij
constatering van een tekort, worden verplicht dat tekort geheel of
gedeeltelijk aan te zuiveren, indien en voor zover hij niet aannemelijk
maakt dat het ontstaan van dat tekort hem redelijkerwijs niet kan worden
verweten.
Artikel 147. Vastleggen van gegevens en
kennisgeven van ongevallen
1.Naar regels bij ministeriële
regeling te stellen, wordt van elk ongeval dat aan een militair in
werkelijke dienst tijdens de uitoefening van de dienst is overkomen,
zo spoedig mogelijk een proces-verbaal opgemaakt. De militair is
verplicht, zodra hij daartoe redelijkerwijs in staat is, kennis te
geven van een hem overkomen ongeval als vorenbedoeld aan zijn
commandant.
2.Naar regels bij ministeriële
regeling te stellen, wordt van elk ongeval dat aan een militair in
werkelijke dienst is overkomen en waarvan niet reeds op grond van het
vorige lid een proces-verbaal is opgemaakt, op aanvraag van de
militair zo spoedig mogelijk een proces-verbaal opgemaakt. Bedoelde
aanvraag kan, indien de militair hiertoe niet in staat is, ook worden
gedaan door zijn naaste betrekkingen. Een proces-verbaal als in dit
lid bedoeld kan ook ambtshalve worden opgemaakt.
3.Onze Minister beslist of het ongeval
waarop een proces-verbaal betrekking heeft, wordt geacht wel of niet
in verband te staan met de uitoefening van de dienst, van welke
beslissing de militair schriftelijk in kennis wordt gesteld.
4.Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder militair in werkelijke dienst mede begrepen de militair,
aan wie buitengewoon verlof van lange duur met behoud van militaire
inkomsten is verleend.
Artikel 148. Kennisgeving van ongevallen
waarbij een derde is betrokken
1.Onverminderd artikel 147, tweede lid,
is de militair in werkelijke dienst verplicht Onze Minister onverwijld
kennis te geven van elk ongeval dat hem is overkomen, indien:
a. bij dat ongeval een derde is
betrokken en
b. hij tengevolge van dat ongeval
verhinderd is zijn normale werkzaamheden uit te oefenen of
geneeskundige hulp heeft moeten inroepen.
2.Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder militair in werkelijke dienst mede begrepen de militair,
aan wie buitengewoon verlof van lange duur met behoud van militaire
inkomsten is verleend.
3.Bij ministeriële regeling worden
nadere regels ter uitvoering van dit artikel vastgesteld.
Artikel 149 [Vervallen per 04-09-1998]
Artikel 150 [Vervallen per 10-03-2006]
Artikel 151 [Vervallen per 10-03-2006]
Artikel 152 [Vervallen per 10-03-2006]
Artikel 153 [Vervallen per 10-03-2006]
Artikel 153a. Afwijking van dit hoofdstuk
Ten aanzien van militairen die deelnemen
aan een initiële opleiding kunnen bij ministeriële regeling met
betrekking tot de aangelegenheden geregeld in dit hoofdstuk bijzondere
afwijkende regels worden vastgesteld.
Hoofdstuk 12. Overgangs- en
slotbepalingen
Paragraaf 1. : Overgangsbepalingen in
verband met de introductie van het flexibel personeelssysteem
Artikel 154. status militairen die voor
onbepaalde tijd zijn aangesteld bij het beroepspersoneel
1.De militair die voor onbepaalde tijd
is aangesteld bij het beroepspersoneel is vanaf 1 januari 2008
aangesteld bij de krijgsmacht en ingedeeld bij het krijgsmachtdeel
waarbij hij vóór deze datum was aangesteld.
2.Een bestaande verplichting om deel
uit te maken van het beroepspersoneel wordt gehandhaafd.
3.Voor de toepassing van dit besluit
wordt de in het eerste lid bedoelde militair gelijk gesteld met de
militair die zich in fase drie bevindt.
Artikel 154a. status militairen die voor
een bepaalde tijd zijn aangesteld bij het beroepspersoneel
1.De militair die voor een bepaalde
tijd is aangesteld bij het beroepspersoneel blijft voor een bepaalde
tijd bij het beroepspersoneel aangesteld.
2.Hieraan is de verplichting verbonden
gedurende die tijd deel uit te maken van het beroepspersoneel.
3.Voor de toepassing van dit besluit
wordt de in het eerste lid bedoelde militair gelijk gesteld met de
militair die zich in fase één bevindt, met dien verstande dat de
militair die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding
van dit artikel aanspraak had op deelname aan flexibilisering
arbeidsduur als bedoeld in de artikelen 54d en 54e, deze aanspraak
behoudt.
4.De aanstelling van de militair
bedoeld in het eerste lid aan wie vóór 31 december 2007 schriftelijk
een aanstelling voor onbepaalde tijd bij het beroepspersoneel in het
vooruitzicht is gesteld wordt aan het einde van de aanstellingsduur
omgezet naar een aanstelling bij de krijgsmacht, waarbij de militair
gaat functioneren in fase drie.
Artikel 154b. ontslaggrond
1.De in artikel 154a, eerste lid,
bedoelde militair wordt eervol ontslag verleend vanwege het eindigen
van de tijd waarvoor de aanstelling is geschied.
2.In afwijking van het eerste lid kan
de aanstelling van de in artikel 154a, eerste lid, bedoelde militair
met diens instemming en onder bij ministeriële regeling te stellen
voorwaarden:
a. aan het einde van de initiële
of verlengde aanstellingsduur worden omgezet naar een aanstelling
bij de krijgsmacht, waarbij de militair gaat functioneren in fase
twee;
b. tijdens de initiële of
verlengde aanstellingsduur worden omgezet naar een aanstelling bij
de krijgsmacht, waarbij de militair gaat functioneren in fase
één respectievelijk fase twee.
3.In het geval, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel b, wordt de verplichting om deel uit te maken van het
beroepspersoneel als bedoeld in artikel 154a, tweede lid, gehandhaafd.
Artikel 154c. Premie
1.Aan de in artikel 154a bedoelde
militair wordt een premie toegekend:
a. nadat hij de bij zijn
aanstelling op hem gelegde verplichting heeft volbracht;
b. nadat hij in voorkomend geval
een verlengde verplichting heeft volbracht; of
b. nadat hij zijn opleiding met
gunstig resultaat heeft volbracht, en hij niet heeft kunnen
voldoen aan de uit de aanstelling voortvloeiende of in voorkomend
geval verlengde verplichting, door een naar het oordeel van Onze
Minister niet aan hem zelf te wijten oorzaak.
2.De premie is ten minste een bedrag
gelijk aan 5% van het bij de aanstelling geldende laagste
salarisbedrag verbonden aan de rang behorende bij de functie waarvoor
hij is bestemd, berekend naar het aantal maanden van de voor de
militair geldende verplichting.
3.De premie is ten hoogste een bedrag
dat gelijk is aan het onder a tot en met d genoemde percentage van de
bezoldiging behorende bij ten hoogste salarisnummer 19 van het salaris
van de rang die één rang hoger is dan de rang die verbonden is aan
de functie waarvoor hij bij aanstelling is bestemd, berekend naar het
aantal maanden van de voor de militair geldende verplichting, te
weten:
a. bij een verplichting van vier
jaar of langer: 25%;
b. bij een verplichting van drie
tot vier jaar: 23%;
c. bij een verplichting van twee
tot drie jaar: 21%;
d. bij een verplichting van minder
dan twee jaar: 20%.
4.Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing indien artikel 154b, tweede lid, wordt toegepast met dien
verstande dat:
a. de premie van de militair,
waarvan de aanstelling tijdens de initiële aanstellingsduur wordt
omgezet naar een aanstelling bij de krijgsmacht, wordt berekend
over de duur van de aan de aanstelling verbonden verplichting;
b. de premie van de militair,
waarvan de aanstelling tijdens de verlengde aanstellingsduur wordt
omgezet naar een aanstelling bij de krijgsmacht, wordt naar rato
berekend over de periode tot de omzetting.
5.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld omtrent het toekennen van de premie.
Artikel 154d. Andere percentages
Door Onze Minister kunnen uitsluitend ten
aanzien van bepaalde doelgroepen van militairen andere percentages dan
de percentages genoemd in artikel 154c, derde lid onder a tot en met d,
worden vastgesteld indien vaststaat dat met toepassing van
laatstgenoemde percentages onvoldoende in de werving van tot deze
doelgroepen behorende militairen kan worden voorzien.
Artikel 154e. Uitbetaling van de premie
Een premie als bedoeld in artikel 154c
wordt uitbetaald binnen twee maanden nadat daarop aanspraak is ontstaan.
Een voorschot op deze premie kan worden uitgekeerd aan de militair die
zijn initiële opleiding als bedoeld in artikel 13 met goed gevolg heeft
afgerond: voor ten hoogste een kwart van de bij zijn aanstelling
toegekende premie.
Artikel 154f. Burgerberoepsopleiding
1.De in artikel 154a bedoelde militair
kan, met het oog op het na zijn verblijf in werkelijke dienst
uitoefenen van een beroep in de burgermaatschappij, naar bij
ministeriële regeling te stellen regels, in de gelegenheid worden
gesteld een bij zijn aanstelling vastgestelde burgerberoepsopleiding
te volgen.
2.Deze opleiding vindt plaats tijdens
het verblijf in werkelijke dienst en geschiedt voor rekening van en,
indien en voorzover dat naar het oordeel van Onze minister wenselijk
en mogelijk is, door de zorg van het Rijk.
3.Bij de regeling bedoeld in het eerste
lid worden voor de onderscheiden opleidingen maximum tijdsduren
vastgesteld, gedurende welke die opleidingen op rijkskosten kunnen
worden gevolgd, met dien verstande dat deze tijdsduur nimmer meer kan
bedragen dan vierentwintig maanden.
4.Gedurende zes maanden na de datum van
aanstelling kan, in overeenstemming tussen Onze minister en de
betrokken militair, eenmaal wijziging in de burgerberoepsopleiding
worden gebracht. Indien het dienstbelang zulks vordert kan ook na
vorenbedoelde termijn Onze minister de burgerberoepsopleiding met
instemming van de militair wijzigen. De voorgaande leden zijn in dat
geval van overeenkomstige toepassing.
5.Indien de militair de
burgerberoepsopleiding, als gevolg van een naar het oordeel van Onze
minister niet aan hemzelf te wijten oorzaak, niet binnen de voor hem
op grond van het derde lid vastgestelde maximum tijdsduur met gunstig
resultaat heeft voltooid, kan Onze minister bepalen, dat bij een
verlengde verplichting een gedeelte van die verlenging wordt bestemd
voor het voltooien van de opleiding.
6.De militair die door een naar het
oordeel van Onze minister niet aan hemzelf te wijten oorzaak wordt
ontslagen nadat de aan de aanstelling verbonden proeftijd is
verstreken, maar voordat de– eventueel verlengde – verplichting is
volbracht, kan op zijn aanvraag in aanmerking worden gebracht voor een
tegemoetkoming ten einde de in dit artikel bedoelde
burgerberoepsopleiding te voltooien.
Artikel 154g. Cursusfaciliteiten
1.De in artikel 154a bedoelde militair
die, met het oog op het na zijn verblijf in werkelijke dienst
uitoefenen van een beroep in de burgermaatschappij, tijdens zijn
verblijf in werkelijke dienst algemeen vormend of vak onderricht
volgt, kan op zijn aanvraag, naar bij ministeriële regeling te
stellen regels, in het genot worden gesteld van faciliteiten, verband
houdende met het volgen van het onderricht.
2.De in het eerste lid bedoelde
militair, die de uit zijn aanstelling voortvloeiende verplichting en
eventueel verlengde verplichting heeft volbracht, kan op zijn aanvraag
gedurende ten hoogste één jaar na de datum van ingang van zijn
ontslag in het genot van de in het eerste lid bedoelde faciliteiten
worden gesteld, in geval deze verband houden met het volgen van
onderwijs.
Artikel 154h. Studietoelagen
De in artikel 154a bedoelde militair die
de uit zijn aanstelling voortvloeiende verplichting heeft volbracht, of
daaraan– nadat hij met gunstig resultaat zijn opleiding heeft voltooid–
niet heeft kunnen voldoen door een naar het oordeel van Onze minister
niet aan hemzelf te wijten oorzaak, kan op zijn aanvraag na de datum van
ingang van zijn ontslag, naar bij ministeriële regeling te stellen
regels, in het genot worden gesteld van een studietoelage, indien hij
met het oog op het uitoefenen van een beroep in de burgermaatschappij
aan een in Nederland gevestigde en erkende onderwijsinstelling
niet-schriftelijk wetenschappelijk, algemeen vormend of vak onderricht
volgt.
Artikel 154i. Familiebezoek
1.De in artikel 154a genoemde militair
die geen aanspraak maakt op een tegemoetkoming in het dagelijks
reizen, heeft, indien zijn plaats van tewerkstelling in Nederland,
België of Duitsland is gelegen, eenmaal in de twee weken aanspraak op
een tegemoetkoming in de kosten van het reizen ten behoeve van
familiebezoek over een enkele reis afstand van ten hoogste 460
kilometer, met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 25 van
het Verplaatsingskostenbesluit militairen.
2.Indien de in het eerste lid bedoelde
militair tevens aanspraak heeft op een tegemoetkoming in de reiskosten
op grond van het Verplaatsingskostenbesluit militairen, bestaat
slechts aanspraak op de hoogste vergoeding per maand.
3.De in dit artikel bedoelde aanspraak
is niet van toepassing voor de militair die voorzieningen geniet
ingevolge het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel (DBZV).
Artikel 154j. Status militairen die voor
onbepaalde tijd zijn aangesteld bij het reservepersoneel
1.De militair die voor onbepaalde tijd
is aangesteld bij het reservepersoneel is vanaf 1 januari 2008
aangesteld bij het reservepersoneel en ingedeeld bij het
krijgsmachtdeel waarbij hij vóór deze datum was aangesteld.
2.Artikel 154 is op de in het eerste
lid bedoelde militair van overeenkomstige toepassing.
Artikel 154k. Status militairen die voor
een bepaalde tijd zijn aangesteld bij het reservepersoneel
1.De militair die voor een bepaalde
tijd is aangesteld bij het reservepersoneel blijft voor een bepaalde
tijd bij het reservepersoneel aangesteld.
2.Artikel 154a is op de in het eerste
lid bedoelde militair van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 2. : Overige bepalingen
Artikel 155 [Vervallen per 04-09-1998]
Artikel 156 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 157 [Vervallen per 04-09-1998]
Artikel 158 [Vervallen per 11-10-1984]
Artikel 159 [Vervallen per 01-01-1990]
Artikel 160 [Vervallen per 04-09-1998]
Artikel 161. Toepasselijkheid van de
Algemene termijnenwet
De Algemene termijnenwet (Stb.
1964, 314) is niet van toepassing op de termijnen in dit besluit
gesteld.
Artikel 162 [Vervallen per 04-09-1998]
Artikel 163. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als "Algemeen militair
ambtenarenreglement", afgekort AMAR.
Artikel 164. Inwerkingtreding
De artikelen van dit besluit treden in werking op een door Ons te
bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan, alsook per krijgsmachtdeel, verschillend kan worden gesteld.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad
van State en de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 25 februari 1982
BEATRIX
De Staatssecretaris van Defensie,
J. van
Houwelingen
Uitgegeven de achtste juni
1982
De Minister van Justitie,
J. de
Ruiter
|