|
BESLUIT van 12 juni 1931, tot vaststelling van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement
WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onzen Minister van
Justitie van 20 Februari 1931, n°. 974, 2de Afdeeling A;
Gelet op de artikelen 125, eerste lid en 133,
eerste lid, van de Ambtenarenwet 1929;
Den Raad van State gehoord (advies van 31 Maart
1931, n°. 22);
Gezien het nader rapport van Onzen Minister
voornoemd van 9 Juni 1931, n°. 918, 2 A;
Hebben goedgevonden en verstaan:
vast te stellen de navolgende bepalingen.
Hoofdstuk I. Algemeene bepalingen
Artikel 1
Ambtenaar in de zin van dit besluit is degene, die door het Rijk is
aangesteld om in burgerlijke openbare dienst werkzaam te zijn.
Artikel 2
1. Voor de toepassing van dit besluit worden niet als ambtenaren
beschouwd:
a. ministers en staatssecretarissen;
b. Commissarissen des Konings;
c. krachtens Grondwet of wet voor hun leven aangestelde ambtenaren;
d. de Nationale ombudsman en substituut-ombudsmannen;
e. burgemeesters;
f. de voorzitter en de leden van de Wetenschappelijke Raad voor het
Regeringsbeleid;
g. de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de
zittingsvoorzitters van de huurcommissie, bedoeld in artikel 3a van de
Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.
2. De hoofdstukken III, IV en V zijn niet van toepassing op ambtenaren
met gedeeltelijke dag-, week- of jaartaken, die niet regelmatig dienst
doen. Ten aanzien van de in die hoofdstukken geregelde onderwerpen
worden voor hen voor elk betrokken dienstvak de nodige bepalingen
vastgesteld.
3. Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van enkele
diensten niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak,
waarbij per dienst een afzonderlijke beloning wordt vastgesteld, zijn
niet van toepassing:
a. hoofdstuk II, paragraaf 4;
b. de artikelen 14 en 16 tot en met 20d;
c. de hoofdstukken IV en V;
d. hoofdstuk VI, paragrafen 2 en 3;
e. de artikelen 33fb, 39, 47 en 48a.
Artikel 3
1.De bepalingen van dit besluit vinden slechts toepassing, voor zoover
niet bij of krachtens eene wet anders is of wordt bepaald.
2.De bepalingen van dit besluit of sommige daarvan vinden niet
toepassing op ambtenaren of groepen van ambtenaren, ten aanzien van wie
een algemeene maatregel van bestuur of een uit kracht daarvan gegeven
voorschrift, om bijzondere redenen hare toepasselijkheid uitsluit.
Artikel 4
1.In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: het hoofd van het betrokken ministerie;
b. hoofd van dienst: de door Ons of door Onze Minister als zodanig
aangewezen autoriteit;
c. volledige arbeidsduur: een arbeidsduur welke gemiddeld 36 werkuren
per week omvat;
d. arbeidsduurfactor: een breuk, waarvan de teller bestaat uit de voor
de ambtenaar vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal
36.
2.Tenzij anders is bepaald wordt voor de toepassing van dit besluit
verstaan onder salaris onderscheidenlijk bezoldiging, vakantie-uitkering
en eindejaarsuitkering, hetgeen daaronder wordt verstaan in het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
3.Ingeval de bezoldiging van de ambtenaar is geregeld krachtens een
andere bezoldigingsregeling dan die bedoeld in het tweede lid, wordt
voor de toepassing van dit besluit onder salaris, onderscheidenlijk
bezoldiging verstaan, het bedrag dat op overeenkomstige wijze is
vastgesteld als in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren
1984.
4.In dit besluit wordt onder echtgenoot of echtgenote mede verstaan de
levenspartner met wie de niet gehuwde ambtenaar samenwoont en – met
het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke
huishouding voert op basis van een notarieel verleden
samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen
ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding alsmede
de geregistreerde partner. Onder weduwe of weduwnaar wordt mede verstaan
de achtergebleven levenspartner of de achtergebleven geregistreerde
partner. Tegelijkertijd kan slechts een persoon als echtgenoot of
echtgenote dan wel weduwe of weduwnaar worden aangemerkt. Onder
gezinslid wordt in voorkomend geval mede verstaan de geregistreerde
partner of de levenspartner.
Onze Minister kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een
notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract is
gesloten.
5.In dit besluit wordt onder lid van de Algemene Bestuursdienst
verstaan:
a. de ambtenaar die het ambt van lid van de topmanagementgroep, genoemd
in de bijlage A van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren
1984, vervult;
b. de ambtenaar die een functie vervult waarvoor salarisschaal 17 of 18
van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren
1984 geldt;
c. de ambtenaar die een functie vervult waarvoor salarisschaal 16 of 15
van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren
1984 geldt en die daartoe door of namens Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties is aangewezen.
Hoofdstuk II. Aanstelling en loopbaanvorming
§ 1. De aanstelling
Artikel 4a
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels
ten aanzien van de werving en selectie van ambtenaren.
Artikel 5
1.De aanstelling geschiedt in vaste of tijdelijke dienst.
2.De aanstelling geschiedt in vaste dienst, tenzij er grond is een
aanstelling in tijdelijke dienst te verlenen.
3.De niet-Nederlander kan uitsluitend worden aangesteld indien hij in
Nederland rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8 van de
Vreemdelingenwet 2000 en het bevoegd gezag voor hem beschikt over een
tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid vreemdelingen,
tenzij die tewerkstellingsvergunning krachtens laatstgenoemde wet niet
is vereist.
4.Evenmin vindt aanstelling plaats in een functie waaruit ontslag op
grond van artikel 97, tweede of derde lid, kan worden verleend, van
personen die onmiddellijk voorafgaande aan de vroegst mogelijke datum
van dat ontslag geen ononderbroken diensttijd van ten minste 5 jaar,
doorgebracht in een of meer zodanige functies, zouden kunnen aanwijzen.
5.Het in het vorige lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing in
geval van plaatsing van een ambtenaar in een functie als in dat lid
bedoeld.
Artikel 5a
De aanstelling in vaste dienst geschiedt in algemene dienst van het
rijk.
Artikel 6
1.Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt verleend voor:
a. een kalenderperiode, of
b. een andere objectief bepaalbare periode.
2.Een aanstelling in tijdelijke dienst kan plaatsvinden:
a. voor een proeftijd van ten hoogste twee jaar, zonodig ambtshalve te
verlengen met de tijd gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in
werkelijke dienst heeft doorgebracht;
b. voor een tijd van ten hoogste drie maanden, indien de betrokkene de
verlangde verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in artikel 9, zesde
lid, nog niet in zijn bezit heeft;
c. voor het verrichten van werkzaamheden, waarvoor slechts tijdelijk een
beroep op de arbeidsmarkt kan worden gedaan;
d. voor een opleiding tot een beroep of verdere theoretische of
praktische vorming;
e. voor oproepkrachten;
f. voor een andere reden.
3.In het geval een aanstelling in tijdelijke dienst voor een proeftijd
is voorafgegaan door een andere aanstelling in tijdelijke dienst
krachtens het tweede lid, onder b tot en met f, wordt de maximale duur
van de proeftijd verminderd met de duur van die andere aanstelling,
indien:
a. beide aanstellingen in tijdelijke dienst zijn verleend door Onze
Minister;
b. de andere aanstelling in tijdelijke dienst is beëindigd binnen een
periode van drie maanden direct voorafgaande aan de aanstelling in
tijdelijke dienst voor een proeftijd; en
c. het in deze beide aanstellingen in tijdelijke dienst dezelfde
werkzaamheden betreft.
4.Vanaf de dag waarop na het verstrijken van de door Onze Minister
vastgestelde proeftijd de aanstelling in tijdelijke dienst stilzwijgend
wordt voortgezet, geldt dat er een aanstelling in vaste dienst is
verleend.
5.De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het tweede lid, onder
b tot en met f, wordt geacht opnieuw voor dezelfde tijd, maar telkens
ten hoogste voor een jaar op dezelfde voorwaarden te zijn verleend in
geval van stilzwijgende voortzetting na het verstrijken van de tijd,
voor welke zij is verleend.
6.De aanstelling in tijdelijke dienst geldt als een aanstelling in vaste
dienst vanaf de dag waarop:
a. door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst
elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd
en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben
overschreden;
b. meer dan drie door Onze Minister verleende aanstellingen in
tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer
dan drie maanden.
7.Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing, indien de ambtenaar
voorafgaande aan een door Onze Minister verleende aanstelling in
tijdelijke dienst dan wel tussen twee door Onze Minister verleende
aanstellingen in tijdelijke dienst binnen zijn gezagsbereik op een
andere titel dan een aanstelling dezelfde werkzaamheden heeft verricht.
8.Het zesde lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op een
aanstelling, aangegaan voor niet meer dan drie maanden, die onmiddellijk
volgt op een aanstelling van 36 maanden of langer.
9.Voorzover de aanstelling betrekking heeft op een functie bij de
Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de
Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de Raad van
State of het secretariaat van de commissie van toezicht op de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten dient in het derde, het vierde, het
zesde en het zevende lid voor Onze Minister telkens te worden gelezen:
het College van de Algemene Rekenkamer, respectievelijk de voorzitter
van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der Koningin, de
kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de
vice-president van de Raad van State of de voorzitter van de commissie
van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Artikel 6a
1.In zeer bijzondere gevallen kan op verzoek van betrokkene een
aanstelling in tijdelijke dienst worden verleend waarin ten aanzien van
hem dit besluit gedeeltelijk of andere algemene maatregelen van bestuur
als bedoeld in artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet die
specifiek betrekking hebben op ambtenaren in de zin van dit besluit,
geheel of gedeeltelijk buiten toepassing worden verklaard.
2.Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het
eerste lid.
Artikel 6b
1.De aanstelling geschiedt voor een vast aantal uren of voor een
variabel aantal uren.
2.Indien de aanstelling geschiedt voor een variabel aantal uren wordt
daarbij een aantal garantie-uren bepaald.
3.Indien het dienstbelang zich in bijzondere gevallen verzet tegen het
bepalen van een aantal garantie-uren kan Onze Minister regels stellen
waarbij wordt afgeweken van het tweede lid.
Artikel 7
1. De aanstelling van de ambtenaar vindt plaats door Onze Minister.
Indien het een ambtenaar betreft als bedoeld in artikel 4, vijfde lid,
onder b of c, vindt de aanstelling plaats in overeenstemming met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2. Voor zover de aanstelling betrekking heeft op een functie bij de
Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de
Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of de Raad van
State, wordt in het eerste lid voor Onze Minister respectievelijk
gelezen: het College van de Algemene Rekenkamer respectievelijk de
voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der
Koningin, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of
de vicepresident van de Raad van State.
3. De aanstelling als lid van de topmanagementgroep, bedoeld in artikel
4, vijfde lid, onder a, vindt plaats bij Koninklijk Besluit op de
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
4. De ambtenaar die is aangesteld tot lid van de topmanagementgroep
wordt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
in overeenstemming met Onze Minister voor een periode van maximaal zeven
jaar benoemd in een van de volgende functies:
• secretaris-generaal
• directeur-generaal
• inspecteur-generaal
• thesaurier-generaal
• directeur van het Centraal Planbureau
• directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau
• hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst
• directeur Planbureau van de Leefomgeving
• Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding.
5. In bijzondere gevallen kan de periode van zeven jaar, genoemd in het
vierde lid, worden verlengd dan wel voortijdig worden beëindigd. Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten
aanzien van de wijze waarop tot verlenging respectievelijk voortijdige
beëindiging wordt gekomen, alsmede over de gevolgen voor de
rechtspositie van de ambtenaar.
6. Tenzij Wij anders hebben bepaald wordt de ambtenaar, bedoeld in
artikel 4, vijfde lid, onder b of c, voor een periode van in beginsel
ten hoogste vijf jaar in een functie benoemd. Deze benoeming duurt
voort, zolang na afloop van die periode geen nieuwe functie wordt
opgedragen.
§ 2. Voorwaarden voor aanstelling
Artikel 8
1.In deze paragraaf wordt verstaan onder "het bevoegd gezag":
het tot aanstelling bevoegd gezag of, indien de aanstelling bij
koninklijk besluit geschiedt, Onze Minister.
2.Voor zover de aanstelling bij koninklijk besluit geschiedt en
betrekking heeft op een functie bij de Raad van State, de Algemene
Rekenkamer, het bureau van de Nationale ombudsman of het secretariaat
van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
wordt verstaan onder het bevoegd gezag: de vice-president van de Raad
van State respectievelijk het college van de Algemene Rekenkamer, de
Nationale ombudsman of de voorzitter van de commissie van toezicht op de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Artikel 9
1. Een aanstelling voor de tijd van langer dan drie maanden kan slechts
plaatsvinden, indien het bevoegd gezag op grond van de gegevens waarover
het beschikt van oordeel is dat de betrokkene in voldoende mate geschikt
en bekwaam is voor de desbetreffende functie.
2. Het bevoegd gezag kan voor een bepaalde functie of voor een groep van
functies eisen van geschiktheid en bekwaamheid vaststellen waaraan de
betrokkene moet voldoen om voor een aanstelling in aanmerking te komen.
3. Teneinde vast te stellen of de betrokkene in voldoende mate geschikt
of bekwaam is, wordt deze aan een onderzoek onderworpen, waaronder
begrepen het verifiëren en zo nodig aanvullen van de gegevens die door
de betrokkene desgevraagd zijn verstrekt.
4. Het onderzoek, bedoeld in het derde lid, omvat tevens:
a. een psychologisch onderzoek, indien daaraan naar het oordeel van het
bevoegd gezag behoefte bestaat;
b. een geneeskundig onderzoek, indien dit op grond van een wettelijk
voorschrift verplicht is gesteld dan wel indien op grond van
functie-eisen een onderzoek naar de medische geschiktheid van de
betrokkene noodzakelijk is.
5. Onze Minister stelt vast voor welke functies een onderzoek naar de
medische geschiktheid van de betrokkene noodzakelijk is.
6. Het bevoegd gezag kan, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in
het zevende en het achtste lid, van de betrokkene vergen dat deze een
verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële gegevens
overlegt.
7. Indien een functie niet zijnde een vertrouwensfunctie als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken,
bijzondere eisen stelt aan de integriteit of de verantwoordelijkheid van
degene die deze functie vervult en indien een zwaarwegend algemeen
belang dit vordert, kunnen aan het bevoegd gezag justitiële gegevens
worden verstrekt voor het verrichten van een onderzoek naar de
betrouwbaarheid en de geschiktheid van een kandidaat voor die functie.
Aanstelling in een zodanige functie is slechts mogelijk, indien op grond
van het onderzoek tegen de vervulling door betrokkene van de
desbetreffende functie geen bezwaar blijkt te bestaan.
8. Aanstelling in een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken is slechts
mogelijk, indien ten aanzien van de betrokkene een verklaring als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van die wet is afgegeven.
9. Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van het
onderzoek, bedoeld in het zevende lid. Deze nadere regels dienen in
ieder geval waarborgen te bevatten omtrent een voldoende bescherming van
de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.
10. Het geneeskundig onderzoek, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b,
mag pas plaatsvinden, indien de betrokkene naar het oordeel van het
bevoegd gezag op grond van het onderzoek, bedoeld in het derde lid, en
eventueel na het psychologisch onderzoek, bedoeld in het vierde lid,
onderdeel a, overigens voldoende bekwaam en geschikt is voor de
desbetreffende functie. Ook een verklaring omtrent het gedrag mag dan
pas worden gevraagd.
11. Een onderzoek als bedoeld in het zevende lid of een
veiligheidsonderzoek wordt pas ingesteld als naar het oordeel van het
bevoegd gezag de betrokkene bekwaam en geschikt is voor de betreffende
functie.
12. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
omtrent het onderzoek, bedoeld in het derde lid, nadere regels
vaststellen.
Artikel 9a
Bij wijziging van een tijdelijk in een vast dienstverband dan wel in
geval van wijziging van tewerkstelling in een andere
niet-vertrouwensfunctie wordt geen verklaring omtrent het gedrag
verlangd of, indien het een functie betreft die bijzondere eisen stelt
aan de integriteit of verantwoordelijkheid van de betrokkene, wordt niet
verzocht om justitiële gegevens, tenzij naar het oordeel van het
bevoegd gezag door gewijzigde omstandigheden betreffende de functie of
de tewerkstelling een verklaring omtrent het gedrag dan wel een
onderzoek, bedoeld in artikel 9, zevende lid, nodig is.
Artikel 9b [Vervallen per 22-08-1997]
Artikel 9c [Vervallen per 22-08-1997]
Artikel 10
1.De kosten van het geneeskundig onderzoek en het hernieuwd geneeskundig
onderzoek komen voor rekening van het Rijk. De betrokkene ontvangt een
vergoeding van reis- en verblijfkosten op de voet van de bepalingen van
het Reisbesluit binnenland.
2.De uitslag van het geneeskundig onderzoek wordt uiterlijk binnen twee
weken na vaststelling aan de betrokkene medegedeeld.
3.De betrokkene kan binnen twee weken nadat hem de uitslag van het
geneeskundig onderzoek is meegedeeld, een hernieuwd geneeskundig
onderzoek aanvragen.
4.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt
omtrent het hernieuwd geneeskundig onderzoek nadere regels vast. Dit
hernieuwd geneeskundig onderzoek mag niet worden verricht door de arts
die het geneeskundig onderzoek heeft verricht.
5.Bij wijziging van een tijdelijk in een vast dienstverband vindt niet
opnieuw een geneeskundig onderzoek plaats, tenzij ten aanzien van de
geschiktheid van de betrokkene ernstige twijfel is gerezen.
6.De betrokkene die op grond van artikel 9, vierde lid, onderdeel b, is
onderworpen aan een geneeskundig onderzoek, wordt bij aanstelling in een
andere functie opnieuw aan een onderzoek naar de medische geschiktheid
onderworpen indien betrokkene voor het vervullen van die functie aan
andere medische eisen dient te voldoen dan voor de tot dusverre vervulde
functie.
Artikel 11
1.Aan de betrokkene die is onderworpen aan een psychologisch onderzoek
als bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel a, wordt op zijn verzoek
binnen twee weken na de vaststelling van de uitslag van het onderzoek
inzage verleend in die uitslag. Dit vindt plaats in het kader van een
nagesprek met de psycholoog die het onderzoek heeft verricht.
2.Mededeling van de uitslag van het onderzoek aan het bevoegd gezag
blijft achterwege, indien de betrokkene uiterlijk een week nadat hij van
de uitslag van het onderzoek heeft kennis genomen zijn wens daartoe
schriftelijk heeft meegedeeld aan degene die met het onderzoek is
belast.
3.De uitslag van het onderzoek wordt niet eerder dan twee weken nadat
betrokkene van de uitslag van het onderzoek heeft kennis genomen,
medegedeeld aan het tot aanstelling bevoegd gezag, tenzij die mededeling
op een eerder tijdstip is geboden en de betrokkene met die eerdere
mededeling schriftelijk heeft ingestemd.
4.Voor zover dit niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig het bepaalde
in het eerste lid heeft de betrokkene recht op een nagesprek met de
psycholoog die het onderzoek heeft verricht.
5.De betrokkene kan na afloop van het in het eerste en vierde lid
bedoelde nagesprek afschrift nemen van de uitslag of daarvan een
fotocopie krijgen overeenkomstig het bij en krachtens artikel 12 van de
Wet openbaarheid van bestuur bepaalde.
6.De kosten van het onderzoek en van het nagesprek komen voor rekening
van het Rijk. De betrokkene ontvangt voor ten behoeve van het onderzoek
gemaakte reis- en verblijfkosten een vergoeding op de voet van de
bepalingen van het Reisbesluit binnenland.
7.Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op
vergelijkende vooronderzoeken in de door Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties te bepalen gevallen.
§ 3. De akte van aanstelling en andere bescheiden
Artikel 12
1.Aan de ambtenaar wordt, zo mogelijk vóór de aanvaarding van zijn
ambt, een akte van aanstelling uitgereikt, waarin in ieder geval worden
vermeld:
a. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de ambtenaar;
b. de naam van het ministerie, de dienst, het bedrijf of de instelling,
waarbij hij werkzaam zal zijn, al dan niet als lid van de Algemene
Bestuursdienst;
c. de datum, met ingang waarvan hij wordt aangesteld;
d. of de aanstelling geschiedt in vaste of tijdelijke dienst.
2.Indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst, wordt bovendien
in de akte van aanstelling vermeld:
a. de duur van de aanstelling in tijdelijke dienst;
b. de toepasselijke, in artikel 6, tweede lid, omschreven grond(en) voor
de aanstelling in tijdelijke dienst;
c. de specifieke reden, indien sprake is van een aanstelling op grond
van artikel 6, tweede lid, onder f.
3.Indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst met toepassing
van artikel 6a, eerste lid, wordt bovendien in de akte van aanstelling
vermeld welke van de in dat artikellid bedoelde regelingen geheel of
gedeeltelijk buiten toepassing zijn verklaard.
4.Indien de aanstelling geschiedt voor een variabel aantal uren wordt in
de akte van aanstelling in voorkomende gevallen bovendien het op grond
van artikel 6b, tweede lid, voor de ambtenaar geldende aantal
garantie-uren vermeld.
Artikel 12a
Voor zover deze gegevens op hem betrekking hebben en niet reeds in de
akte van aanstelling zijn vermeld, worden aan de ambtenaar zo spoedig
mogelijk schriftelijk medegedeeld:
a. het ministerie, de afdeling of het dienstvak waarbij, de betrekking
waarin, en de periode gedurende welke hij in die betrekking wordt te
werk gesteld, zomede de hem dienovereenkomstig aangewezen standplaats;
b. de salarisschaal en de voor de bepaling van die schaal in acht
genomen regels;
c. het salaris dat hem is toegekend, zomede, het salarisnummer en het
tijdstip waarop het salaris voor de eerste maal periodiek zal worden
verhoogd;
d. andere hem mogelijk toegekende voordelen, onder verwijzing naar de
desbetreffende kortingsregeling.
Artikel 12b [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 12c
1.De ambtenaar wordt bij zijn aanstelling schriftelijk op de hoogte
gesteld van de hoofdlijnen van zijn rechtspositie.
2.Regelingen waarin zijn rechtspositie is neergelegd worden op een voor
de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Van
deze regelingen kan hij kosteloos afschriften maken voor zover dat
redelijkerwijs nodig is.
3.De schriftelijk vastgestelde en voor hem geldende regelingen en
instructies, welke hij bij de vervulling van zijn dienst heeft na te
leven, worden eveneens op een voor de ambtenaar gemakkelijk
toegankelijke plaats ter inzage gelegd. In het geval vermelde regelingen
en instructies niet schriftelijk zijn vastgesteld, worden deze
behoorlijk te zijner kennis gebracht.
4.Over belangrijke wijzigingen in regelingen betreffende zijn
rechtspositie wordt de ambtenaar periodiek op de hoogte gesteld.
Artikel 12d [Vervallen per 01-01-1994]
§ 4. Loopbaanvorming
Artikel 13
1.Wij behouden Ons voor op de voordracht van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die in de daarvoor in
aanmerking komende gevallen overleg pleegt met Onze betrokken Minister,
regels vast te stellen omtrent loopbaanvorming in het algemeen en
omtrent daarmede verband houdende bijzondere regelingen ter bepaling van
de voor de ambtenaar geldende salarisschaal.
2.Voor zover dit niet door Ons is geschied, kunnen deze regels en
bijzondere regelingen ook worden vastgesteld door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dan wel, passend in het door
deze gecoördineerde beleid, door Onze Minister, hoofd van het
desbetreffende departement van algemeen bestuur.
Hoofdstuk III. Bezoldiging
Artikel 14
De ambtenaar ontvangt over den tijd, gedurende welken hij in strijd met
zijne verplichtingen opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten, geen
bezoldiging.
Artikel 15
De beloning van de ambtenaar, die is aangesteld voor enkele diensten,
niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak, wordt bepaald
op een voor elk geval of voor elke te verrichten dienst, afzonderlijk
vast te stellen bedrag.
Artikel 16
1.Aan de ambtenaar die in verband met de werkzaamheden die voortvloeien
uit een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd
of verkozen, tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt wordt
gedurende zijn ontheffing een non-activiteitswedde toegekend. De
non-activiteitswedde is het bedrag waarmee de laatstelijkdoor hem in
zijn ambt genoten bezoldiging het bedrag van de inkomsten die de
ambtenaar in verband met zijn werkzaamheden in dat publiekrechtelijk
college geniet, overschrijdt.
2.Voor de toepassing van het eerste lid geldt voorts dat:
a. toekenning van de non-activiteitswedde plaatsvindt op de voet van het
bepaalde in de artikelen 4, tweede, derde, vierde en vijfde lid, en 5
van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement;
b. onder inkomsten die in verband met zijn werkzaamheden in dat
publiekrechtelijk college worden genoten wordt verstaan: alle inkomsten
die aan die werkzaamheden zijn verbonden.
3.Voor de toepassing van dit artikel wordt de functie van
substituut-ombudsman met de in het eerste lid bedoelde functie
gelijkgesteld.
4.Dit artikel is niet van toepassing op degenen die een
non-activiteitswedde geniet uit hoofde van artikel 4, eerste lid, van de
Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement.
Artikel 17
1.De ambtenaar, die als militair in werkelijke dienst is, wordt geacht
in zijn burgerlijke betrekking met verlof te zijn.
2.Hij behoudt over de tijd van deze dienst het genot van de aan zijn
ambt verbonden bezoldiging, slechts voor zover hem bij of krachtens de
artikelen 18 tot en met 20 daarop aanspraak is verleend. Voor zover die
werkelijke dienst wordt vervuld in aan hem verleend vacantieverlof,
behoudt hij in ieder geval het genot van de volle aan zijn ambt
verbonden bezoldiging.
3.Voor de toepassing van het vorige lid en de artikelen 18 tot en met 20
en 20d wordt - ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als
bedoeld in artikel 17 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984 - dit bezoldigingsdeel vastgesteld op het bedrag
dat hem ingevolge de voor hem geldende werktijdregeling zou zijn
toegekend, indien hij niet aan zijn burgerlijke betrekking zou zijn
onttrokken.
Is de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk, dan wordt
dit, met inachtneming van de percentages en het berekeningsmaximum zoals
genoemd in artikel 17 van vorengenoemd besluit, berekend over het voor
de ambtenaar geldende salaris, zulks naar de aantallen uren als bedoeld
in dat artikel waarop door hem gedurende de drie kalendermaanden
voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan hij aan zijn
burgerlijke betrekking werd onttrokken, ingevolge de voor hem geldende
werktijdregeling gemiddeld per maand is gewerkt.
4.Voor de toepassing van het tweede lid en de artikelen 18 tot en met 20
en 20d wordt - ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als
bedoeld in artikel 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984 - dit bezoldigingsdeel vastgesteld op het bedrag
dat hem ingevolge het voor hem geldende consignatierooster zou zijn
toegekend, indien hij niet aan zijn burgerlijke betrekking zou zijn
onttrokken. Is de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet
mogelijk, dan wordt dit bedrag berekend naar de berekeningsgrondslag en
de percentages zoals genoemd in artikel 18a van vorengenoemd besluit,
zulks naar de aantallen uren als bedoeld in dat artikel waarop door hem
gedurende de drie kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip met
ingang waarvan hij aan zijn burgerlijke betrekking werd onttrokken,
gemiddeld per maand consignatiediensten zijn verricht.
5.Voor zover de ambtenaar ingevolge de voor hem geldende
bezoldigingsregeling aanspraak heeft op een vakantie-uitkering geniet
hij deze uitkering slechts voor zoveel die uitgaat boven de
vakantie-uitkering waarop hij als militair aanspraak heeft.
Artikel 18
1.De ambtenaar, die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor
herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is, geniet
onverminderd het bepaalde in artikel 92 de aan zijn ambt verbonden
bezoldiging voor zoveel deze meer bedraagt dan zijn militaire beloning,
met dien verstande, dat indien de ambtenaar ongehuwd is, hij slechts de
aan zijn ambt verbonden bezoldiging geniet, voor zoveel 70 ten honderd
daarvan meer bedraagt dan zijn militaire beloning.
2.Zonodig in afwijking van het bepaalde in het eerste lid blijft de
ambtenaar als daar bedoeld in ieder geval de aan zijn ambt verbonden
bezoldiging genieten tot een bedrag, dat gelijk is aan het bedrag van
het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de premie
voor de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3
van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en
artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds
ABP.
3.Ongehuwde enige kostwinners worden voor de toepassing van het eerste
lid gelijk gesteld met gehuwden. Onze Minister, Hoofd van het betrokken
departement van algemeen bestuur, beslist of een ongehuwde als enig
kostwinner wordt beschouwd.
4.Voor de toepassing van het eerste lid wordt de militaire beloning
verminderd met een eventuele aftrek wegens genot van voeding en
huisvesting.
5.Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van
Financiën stellen bij gemeenschappelijke ministeriële regeling vast
hetgeen voor de toepassing van dit artikel onder militaire beloning
wordt verstaan.
Artikel 19
1.Het bepaalde in artikel 18 is eerst van toepassing, nadat de ambtenaar
als militair de opleiding en oefening heeft volbracht.
2.De ambtenaar, die ingevolge een wettelijke verplichting voor opleiding
en oefening als militair in werkelijke dienst is, geniet gedurende deze
opleiding en oefening, de aan zijn ambt verbonden bezoldiging tot een
bedrag, hetwelk gelijk is aan het op hem te verhalen gedeelte van de
pensioenbijdrage en van de premie voor de Regeling flexibel pensioen en
uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst
overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het
Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.
3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van
ambtenaren op wie bij koninklijk besluit de artikelen 17 en 18 van
overeenkomstige toepassing zijn verklaard.
4.Indien de ambtenaar bij opkomst in militaire dienst voldoet aan de
voorwaarde, gesteld in het eerste lid, dan wel indien ingevolge het
derde lid bij opkomst in militaire dienst deze voorwaarde niet voor hem
geldt, geniet hij in afwijking van het bepaalde in artikel 18 gedurende
twee weken na zijn opkomst de volle aan zijn ambt verbonden bezoldiging.
Artikel 20
1.De ambtenaar die voor een herhalingsoefening als militair in
werkelijke dienst is, geniet de aan zijn ambt verbonden bezoldiging voor
zoveel deze meer bedraagt dan zijn militaire beloning. Artikel 18,
tweede, vierde en vijfde lid, is van toepassing.
2.Voor zoveel nodig bepaalt Onze Minister van Defensie welke dienst als
herhalingsoefening wordt beschouwd.
3.Voor de toepassing of voortgezette toepassing van het eerste lid
worden met inachtneming van hetgeen daaromtrent is bepaald in de
Kaderwet dienstplicht of in de Wet voor het reservepersoneel der
krijgsmacht en onverminderd het bepaalde in artikel 92 van dit reglement
met herhalingsoefeningen gelijk gesteld:
a. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een
herhalingsoefening langer in dienst blijven voor een onderzoek omtrent
een strafbaar feit of een krijgstuchtelijk vergrijp, waarvan de militair
verdacht of beklaagd wordt;
b. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een
herhalingsoefening langer in dienst blijven ten einde rekening en
verantwoording af te leggen van gevoerd beheer;
c. het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst
blijven wegens:
1. ziekte;
2. het niet tijdig bereiken van de vereiste graad van geoefendheid als
gevolg van ziekte;
3. het heersen of geheerst hebben van een besmettelijke ziekte;
d. het in dienst komen om gehoord te worden omtrent een bij Ons of bij
Onze Minister van Defensie ingediend beroepschrift onderscheidenlijk
bezwaarschrift.
Artikel 20a
Indien de ambtenaar, als militair in werkelijke dienst zijnde,
overlijdt, wordt de uitkering, bedoeld in artikel 102, verminderd met
het bedrag van de overeenkomstige uitkering, welke uit hoofde van de
militaire dienst ter zake van dit overlijden wordt gedaan.
Artikel 20b
1.Het bepaalde in de artikelen 17 tot en met 20a is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van:
a. de ambtenaar, die is tewerkgesteld in de zin van artikel 9 van de Wet
gewetensbezwaren militaire dienst;
b. de ambtenaar, die in werkelijke dienst is op grond van een
verbintenis bij het Korps Nationale Reserve;
c. de ambtenaar, die als militair in werkelijke dienst is op grond van
een verbintenis bij het reserve-personeel der krijgsmacht;
d. de ambtenaar, die op grond van een andere bijzondere verbintenis in
werkelijke militaire of daarmede gelijk te stellen dienst is, ter zake
waarvan Wij zulks hebben bepaald.
2.Wij behouden Ons voor met betrekking tot de uitvoering van het eerste
lid nadere regels te stellen.
Artikel 20c
Op de ambtenaar, die in tijdelijke dienst is aangesteld, zijn de
bepalingen, vervat in de artikelen 17 tot en met 20b, slechts van
toepassing tot en met de dag, waarop de burgerlijke betrekking zou zijn
beëindigd, indien hij daaraan niet door de militaire dienst zou zijn
onttrokken.
Artikel 20d
1.De ambtenaar, die op grond van een verbintenis als vrijwilliger in de
zin van artikel 2, eerste lid onder a of b, van de
Rechtstoestandsregeling reservepolitie of van een overeenkomstige
verbintenis, als bedoeld in de artikelen 53 en 54 van die regeling in
werkelijke dienst is, wordt geacht met verlof te zijn.
2.De in het eerste lid bedoelde ambtenaar blijft gedurende het aldaar
bedoelde verlof, onverminderd het bepaalde in artikel 92, in het genot
van de aan zijn ambt verbonden bezoldiging, met dien verstande, dat deze
bezoldiging, indien het verlof langer dan twee weken duurt, voor de
verdere duur van het verlof wordt verminderd met de beloning, waarop de
ambtenaar als vrijwilliger aanspraak heeft.
3.De in het tweede lid bedoelde vermindering wordt slechts toegepast tot
een zodanig bedrag, dat de ambtenaar in het genot blijft van een bedrag
gelijk aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en
van de premie voor de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld
in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en
onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de
Stichting Pensioenfonds ABP.
4.Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is niet van toepassing
indien de ambtenaar de werkelijke dienst als vrijwilliger vervult
tijdens aan hem verleend vakantieverlof.
5.Het bepaalde in artikel 20c is voor zoveel mogelijk van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 20e
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels
ten aanzien van het spaarloon, bedoeld in artikel 32 van de Wet op de
Loonbelasting 1964.
Hoofdstuk IV. Dienst- en werktijden
Artikel 21
1.Met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk en van het bepaalde
in of krachtens wetten, houdende regels tot beperking van de werktijd,
stelt het bevoegd gezag voor de ambtenaren werktijdregelingen vast.
Onder werktijdregeling wordt verstaan een van tevoren bekend gemaakt
schema van aanvang en einde van de dagelijkse werktijden gedurende een
bepaalde periode. Het in de werktijdregeling opgenomen aantal te werken
uren op jaarbasis kan niet hoger zijn dan gemiddeld 40 uur per week.
2.De arbeidsduur bedraagt gemiddeld ten hoogste 36 uur per week. De
werktijd wordt behoorlijk door rusttijd onderbroken. De ambtenaar kan
bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om de arbeidsduur in hele
uren vast te stellen op meer dan gemiddeld 36 uur per week, waarbij een
maximum geldt van gemiddeld 40 uur per week. Deze aanvraag wordt
toegewezen tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
Een aanvraag tot het vaststellen van de arbeidsduur op meer dan
gemiddeld 36 uur per week wordt niet toegewezen voor:
a. de ambtenaar wiens gemiddelde wekelijkse werktijd op basis van
artikel 21a is teruggebracht;
b. de ambtenaar die op basis van artikel 33g betaald ouderschapsverlof
geniet;
c. de ambtenaar die op basis van artikel 34 buitengewoon verlof van
lange duur geniet;
d. de ambtenaar aan wie op basis van artikel 94a, derde lid,
gedeeltelijk ontslag is verleend;
e. de arbeidsgehandicapte in de zin van artikel 2 van de Wet op de (re)ïntegratie
arbeidsgehandicapten, waarbij een verminderde arbeidsprestatie is
vastgesteld.
3.Het aantal te werken uren per jaar bedraagt: het aantal kalenderdagen
per jaar verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en niet op
zaterdag of zondag vallende feestdagen, genoemd in het zevende lid,
onder a, in dat jaar, vermenigvuldigd met 7,2 en vervolgens
vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor.
4.Het aantal te werken uren, bedoeld in het derde lid, wordt rekenkundig
op hele uren afgerond.
5.Aan de ambtenaar van 55 jaar en ouder wordt niet opgedragen dienst te
verrichten tussen 22.00 uur en 06.00 uur tenzij het een gedeelte van een
dienst betreft die doorloopt na 22.00 uur en ten laatste eindigt om
24.00 uur.
6.Van het bepaalde in het vorige lid kan voor de duur van telkens ten
hoogste één jaar worden afgeweken indien de ambtenaar dit heeft
aangevraagd danwel zeer gewichtige redenen van dienstbelang hiertoe
noodzaken, mits de deskundige persoon of de arbodienst als bedoeld in
hoofdstuk VI, daaromtrent een positief medisch advies heeft uitgebracht.
7.
a. Geen dienst wordt geëist op zondagen, alsmede op de Nieuwjaarsdag,
de Tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de Tweede Pinksterdag, de beide
Kerstdagen, de dag, waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd
en op 5 mei.
b. Van onderdeel a van dit artikellid kan slechts worden afgeweken
indien het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt en met inachtneming van
het navolgende:
1. geen dienst wordt geëist op ten minste dertien zondagen per periode
van zes maanden;
2. de ambtenaar wordt zo weinig mogelijk in zijn zondagsrust beperkt en
hem wordt zoveel mogelijk de gelegenheid geboden op zondag en op de voor
hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk te bezoeken.
c. De onderdelen a en b vinden ten aanzien van de zondag voor de
ambtenaar die aan het hoofd van dienst heeft medegedeeld dat hij, in
verband met zijn godsdienstige opvattingen, de wekelijkse rustdag op een
andere dag dan de zondag viert, overeenkomstige toepassing voor die dag
in plaats van ten aanzien van de zondag.
d. Op zaterdag kan dienst worden geëist, mits de belangen van de dienst
daartoe aanleiding geven.
8.
a. De ambtenaar van 18 jaar of ouder heeft een onafgebroken rusttijd van
hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal
24 uren, hetzij ten minste 60 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van
9 maal 24 uren welke rusttijd éénmaal in elke periode van 5
achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 32 uren.
b. De ambtenaar van 16 of 17 jaar heeft een onafgebroken rusttijd van
ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren.
9.Van de voor de ambtenaar vastgestelde werktijdregeling kan slechts
worden afgeweken indien het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt en -
behoudens in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone
omstandigheden - mits ervoor wordt gezorgd, dat de ambtenaar in of over
het desbetreffende tijdvak van zeven dagen een ononderbroken rusttijd
van ten minste 36 uren geniet.
10.In bijzondere gevallen kan van de vaststelling van een
werktijdregeling als bedoeld in het eerste lid worden afgezien. In die
gevallen vindt in het tweede tot en met negende lid overeenkomstige
toepassing.
11.In overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties kan in uitzonderlijke gevallen van het bepaalde in
het tweede tot en met negende lid, alsmede van het bepaalde in de tweede
volzin van het tiende lid, worden afgeweken voorzover dat niet in strijd
is met het bepaalde bij of krachtens de Arbeidstijdenwet.
12.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is
bevoegd ter zake van de uitvoering van het bepaalde in dit artikel
nadere regels vast te stellen.
Artikel 21a
1.De gemiddelde wekelijkse werktijd van een ambtenaar van 57 jaar en
ouder die daartoe een aanvraag heeft ingediend, wordt, met behoud van
zijn arbeidsduur, teruggebracht met 15,8%, tenzij het dienstbelang zich
daartegen verzet. De ambtenaar voor wie de arbeidsduur op meer dan
gemiddeld 36 uur is vastgesteld, kan een aanvraag als bedoeld in de
eerste volzin eerst indienen nadat op zijn aanvraag door het bevoegd
gezag zijn arbeidsduur is vastgesteld op ten hoogste gemiddeld 36 uur.
2.De in het eerste lid bedoelde ambtenaar dient op het moment van de
vermindering van de werktijd tenminste 5 aaneengesloten jaren in dienst
te zijn van het rijk.
3.Voor de uren die het wekelijkse verschil vormen tussen de in het
eerste lid bedoelde arbeidsduur en de teruggebrachte werktijd wordt de
ambtenaar geacht met verlof te zijn.
4.Op het salaris van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar wordt een
inhouding toegepast. De hoogte van deze inhouding is afhankelijk van de
leeftijd op de datum dat de werktijdvermindering op grond van dit
artikel ingaat en bedraagt een percentage volgens onderstaande tabel van
het salaris dat voor hem zou gelden zonder werktijdvermindering op grond
van dit artikel, nadat dit salaris is verminderd met een eventuele
inhouding als bedoeld in artikel 57b:
|
Leeftijd
|
Inhouding in procenten
|
|
57
|
5
|
|
58
|
5
|
|
59
|
3,5
|
|
60
|
3,5
|
|
61
|
2
|
|
62
|
2
|
|
63
|
1
|
|
64
|
1
|
5.De inhouding, bedoeld in het vierde lid, wordt teruggebracht tot 70%
voor zover op grond van artikel 37, eerste lid, niet meer dan 70% van de
bezoldiging wordt doorbetaald.
6.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt
omtrent de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of bedrijf met het
salaris van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar regels vast.
Artikel 21b
De ambtenaar heeft het recht om, op zijn verzoek, in deeltijd te gaan
werken, tenzij hieruit bezwaren voor de dienst voortvloeien.
Artikel 21c
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels
ten aanzien van individuele keuzemogelijkheden in het
arbeidsvoorwaardenpakket.
Artikel 21d [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 21e [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 21f [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 21g [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 21h [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 21i [Vervallen per 01-01-2004]
Hoofdstuk V. Vakantie en verlof
§ 1. Vakantie
Artikel 22. De aanspraak op vakantie
1.De ambtenaar heeft jaarlijks aanspraak op vakantie met behoud van zijn
volle bezoldiging.
2.De aanspraak op vakantie wordt uitgedrukt in hele uren.
3.De omvang van de aanspraak op vakantie is afhankelijk van:
a. de leeftijd van de ambtenaar;
b. de werktijd van de ambtenaar.
4.Voor de ambtenaar met volledige werktijd bedraagt de aanspraak op
vakantie 165,6 uren per kalenderjaar. Onder volledige werktijd wordt
verstaan een werktijd welke gemiddeld 36 werkuren per week omvat.
5.De op grond van het vierde lid geldende aanspraak op vakantie wordt
verhoogd volgens onderstaande tabel afhankelijk van de leeftijd die de
ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar bereikt:
|
leeftijd:
|
verhoging:
|
|
van 45 tot en met 49 jaar
|
7,2 uren
|
|
van 50 tot en met 54 jaar
|
14,4 uren
|
|
van 55 tot en met 59 jaar
|
21,6 uren
|
|
vanaf 60 jaar
|
28,8 uren.
|
6.De ingevolge het vierde en vijfde lid geldende aanspraak op vakantie
wordt vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende
arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op hele uren
plaats.
7.Bij beëindiging of aanvang van het dienstverband in de loop van een
kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie vastgesteld naar
evenredigheid van de dienst, die hij in dat jaar verricht heeft of zal
verrichten.
8.Indien de werktijd van de ambtenaar wordt gewijzigd, wordt de
aanspraak op vakantie over een eventueel resterend gedeelte van het
desbetreffende kalenderjaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de
nieuwe werktijd. De tot aan de datum van ingang van de wijziging van de
werktijd verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd gehandhaafd.
9.Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking van de
voor hem geldende werktijdregeling in het geheel geen dienst verricht,
heeft hij geen aanspraak op vakantie. Over kalendermaanden gedurende
welke de ambtenaar in afwijking van de voor hem geldende
werktijdregeling gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij aanspraak op
vakantie naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop hij
volgens de werktijdregeling dienst verricht.
10.Lid 9 is niet van toepassing, indien geheel of gedeeltelijk geen
dienst wordt verricht wegens:
a. genoten vakantie;
b. ziekte, voor zover de verhindering tot dienstverrichting korter duurt
dan 26 weken, waarbij een hervatting van de dienstverrichting gedurende
vier weken of minder geen nieuwe periode van 26 weken inluidt.
c. zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 33fb, derde
en vierde lid;
d. verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefeningen;
e. verlof verleend op basis van artikel 32a, 33, 33b, 33c, 33d, 33h of
33i van dit besluit;
f. het minder uren werken op basis van de in artikel 21c van dit besluit
bedoelde regels.
11.In afwijking van het tiende lid, onder b, heeft de ambtenaar
gedurende de periode datartikel 40a, eerste lid, onderdeel i, q of r,
toepassing vindt, geen aanspraak op vakantie.
12.Met ingang van de dag dat de ambtenaar op grond van artikel 21a
gedeeltelijk geen dienst verricht vervalt de in het vijfde lid bedoelde
verhoging van de vakantieaanspraak.
13.Indien het belang van de dienst zich daartegen niet verzet, kan het
bevoegd gezag op aanvraag van de ambtenaar eenmaal per kalenderjaar zijn
aanspraak op vakantie verlagen. Het aantal uren vakantie waarmee de
aanspraak kan worden verlaagd, bedraagt ten hoogste het aantal uren
vakantie waarop de ambtenaar over het desbetreffende kalenderjaar
aanspraak heeft, verminderd met: 144 uur vermenigvuldigd met de voor de
ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar
boven op hele uren plaats.
14.Het bevoegd gezag stelt vast voor welke datum aanvragen als bedoeld
in het dertiende lid kunnen worden ingediend en geeft op of na die datum
gelijktijdig beschikkingen op de voor die datum ingediende aanvragen.
15.De ambtenaar wordt voor elk uur vakantie waarmee zijn aanspraak op
vakantie overeenkomstig het dertiende en zeventiende lid wordt verlaagd,
een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat hij
geniet op de door het bevoegd gezag krachtens het veertiende lid
vastgestelde datum.
16.Indien de ambtenaar de vergoeding, genoemd in het vijftiende lid,
volledig inzet ten behoeve van levensloopverlof, bedoeld in artikel 34g,
bedraagt, in afwijking van het dertiende lid, het aantal uren waarmee de
aanspraak op vakantie kan worden verlaagd ten hoogste het aantal uren
waarop de ambtenaar over het desbetreffende kalenderjaar aanspraak
heeft, verminderd met: 108 uur vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar
geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op hele
uren plaats.
17.Met inachtneming van de beperkingen die krachtensartikel 34g zijn
gesteld aan het sparen voor levensloopverlof, verlaagt het bevoegd gezag
op aanvraag van de ambtenaar het aantal vakantie-uren dat met toepassing
van artikel 23, zevende en achtste lid, is overgeboekt, indien de
vergoeding voor de uren waarmee de aanspraak op vakantie wordt verlaagd
volledig wordt ingezet ten behoeve van levensloopverlof als bedoeld in
artikel 34g. De ambtenaar doet de aanvraag gelijktijdig met de aanvraag
om te sparen voor levensloopverlof.
Artikel 23. Het opnemen van vakantie
1.De ambtenaar is vrij te bepalen wanneer hij vakantie opneemt, voor
zoveel de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten.
2.De ambtenaar dient in elk kalenderjaar ten minste 108 uur vakantie op
te nemen waarvan ten minste 72 uur over een aaneengesloten periode
indien voor hem een volledige werktijd geldt en tot in evenredigheid
lagere getallen indien voor hem een onvolledige werktijd geldt.
3.Het bevoegde gezag kan toestaan, dat een ambtenaar in enig
kalenderjaar meer uren vakantie opneemt dan zijn aanspraak tot en met
het lopende jaar bedraagt, met dien verstande, dat de opgenomen vakantie
de aanspraak tot en met het lopende jaar nimmer met meer dan 57,6 uren
mag overschrijden. Voor de ambtenaar met onvolledige werktijd wordt het
in de vorige volzin bedoelde aantal uren van de maximaal toegestane
overschrijding verminderd naar evenredigheid van de werktijd. De in een
kalenderjaar teveel genoten vakantie wordt in mindering gebracht op de
aanspraak op vakantie over het eerstvolgende jaar.
4.De ambtenaar meldt het voornemen vakantie op te nemen ruimschoots van
tevoren.
5.Tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten,
is het de ambtenaar toegestaan op het voornemen vakantie op te nemen,
terug te komen, dan wel het opnemen niet voort te zetten. De vorige
volzin geldt in geval van ziekte of ongeval alleen indien de ambtenaar
ten genoege van het bevoegd gezag die ziekte of dat ongeval aantoont.
6.Wanneer dringende redenen van dienstbelang dat noodzakelijk maken, kan
het bevoegde gezag aan de ambtenaar verleende toestemming vakantie op te
nemen intrekken, zowel vóór als tijdens de vakantie. Indien de
ambtenaar ten gevolge van het intrekken van de toestemming vakantie op
te nemen geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed.
7.Niet-opgenomen vakantie, waaronder eventuele van vorige jaren
overgeboekte vakantie, wordt naar het volgende kalenderjaar overgeboekt
tot een maximum van de aanspraak van de ambtenaar over een vol
kalenderjaar berekend volgens artikel 22, eerste tot en met twaalfde
lid, verminderd met de in het tweede lid van dit artikel bedoelde
vakantie.
8.Het bevoegd gezag kan toestaan dat in individuele gevallen in een
bepaald jaar wordt afgeweken van de overeenkomstig het zevende lid
maximaal naar een volgend kalenderjaar over te boeken
vakantie-aanspraken.
Artikel 24. Ontslag en vakantie
1.Indien de ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft
op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft
opgenomen een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur
dat de ambtenaar direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot. De
vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op
vakantie over een vol kalenderjaar, uitgaande van het salaris en de
werktijd zoals die direct voorafgaand aan het ontslag voor de ambtenaar
golden en de leeftijd welke hij bereikt in het kalenderjaar waarin de
dienstbetrekking wordt beëindigd.
2.Indien op de dag van zijn ontslag blijkt, dat de ambtenaar teveel
vakantie heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantie
een bedrag verschuldigd ten bedrage van het salaris per uur.
3.In geval van overgang zonder onderbreking naar een andere functie
binnen de rijksdienst in de loop van een kalenderjaar kan de ambtenaar
er - in zoverre in afwijking van lid 1 - voor kiezen de
vakantieaanspraken van het lopende kalenderjaar die niet genoten zijn,
te behouden. Daarbij wordt vakantie die in het lopende kalenderjaar
genoten is in mindering gebracht op de aanspraken in dat jaar.
Artikel 25. Overige bepalingen
Ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in
artikel 17 dan wel artikel 18a van het BBRA 1984 is - met betrekking tot
de vaststelling van dat bezoldigingsdeel tijdens vakantie - artikel 17,
derde lid, respectievelijk vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 25a [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 26
Onze Minister is bevoegd nadere en zonodig afwijkende regels vast te
stellen.
Artikel 27 [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 28 [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 29 [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 30 [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 30a [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 30b [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 30c [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 30d [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 30e [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 31 [Vervallen per 01-01-1984]
§ 2. Verlof
Artikel 32. Verlof bij militaire- en soortgelijke dienst alsmede in
geval van ziekte
Onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken III en VI, geniet verlof:
a. de ambtenaar, die als militair dan wel op grond van een verbintenis
als vrijwilliger in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a of b van
de Rechtstoestandregeling reservepolitie of van een overeenkomstige
verbintenis, als bedoeld in de artikelen 53 en 54 van die regeling in
werkelijke dienst is;
b. de ambtenaar, die zich bevindt in een der omstandigheden, genoemd in
artikel 20b;
c. de ambtenaar, die uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is
dienst te verrichten.
Artikel 32a. Verlof bij sluiting van de Rijksdienst op daartoe
aangewezen dagen
1.Indien de Rijksdienst op een daartoe aangewezen kerkelijke of
nationale, landelijk, regionaal of plaatselijk erkende feest- of
gedenkdag is gesloten, geniet de desbetreffende ambtenaar verlof voor
zoveel het dienstbelang niet anders vereist.
2.Het vorige lid vindt geen toepassing, indien de sluiting van de
Rijksdienst regionaal of plaatselijk plaats vindt en de ambtenaar elders
werkzaam is.
Artikel 32b
1.Onverminderd artikel 76 wordt aan de ambtenaar in de gevallen en onder
de voorwaarden genoemd in de volgende artikelen van deze paragraaf
buitengewoon verlof verleend.
2.Onder zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden als bedoeld in
artikel 4:1 van de Wet arbeid en zorg worden in ieder geval begrepen de
omstandigheden genoemd in de artikelen 33c, 33d en 33fa.
Buitengewoon verlof van korte duur
Artikel 33. Kiesrecht en wettelijke verplichting
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:
a. voor de uitoefening van kiesrecht;
b. voor het voldoen aan een wettelijke verplichting, een en ander, voor
zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet
mogelijk is.
Artikel 33a. Vergaderingen van en werkzaamheden voor publiekrechtelijke
colleges
1.Indien de ambtenaar een vaste vergoeding ontvangt uit de functie
waarvoor hem het in artikel 125c, tweede lid, van de Ambtenarenwet
bedoelde verlof wordt verleend, wordt op zijn bezoldiging een inhouding
toegepast over de tijd dat hij het verlof geniet. Deze inhouding gaat
hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vaste vergoeding voor de
met het verlof overeenkomende tijd in de bedoelde functie niet te boven.
2.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan nadere
regels ter uitvoering van het eerste lid vaststellen.
Artikel 33b. Vergaderingen van statutaire organen van
ambtenarenorganisaties, kaderactiviteiten, cursussen en commissies van
georganiseerd overleg in ambtenarenzaken
1.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt
jaarlijks ten hoogste 120 uren buitengewoon verlof met behoud van volle
bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van statutaire
organen van verenigingen van ambtenaren, van centrale organisaties,
waarbij deze verenigingen zijn aangesloten of van internationale
ambtenarenorganisaties, mits de ambtenaar hieraan deelneemt:
a. voor zover betreft vergaderingen van verenigingen van ambtenaren als
bestuurslid van die vereniging dan wel als afgevaardigde of bestuurslid
van een onderdeel daarvan;
b. voor zover betreft vergaderingen van centrale organisaties, waarbij
verenigingen van ambtenaren zijn aangesloten, als bestuurslid van die
centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een
bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren;
c. voor zover betreft vergaderingen van een internationale
ambtenarenorganisatie als bestuurslid van deze organisatie dan wel als
afgevaardigde of besuurslid van een bij die organisatie aangesloten
vereniging van ambtenaren.
2.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt tot
ten hoogste 208 uren per jaar buitengewoon verlof met behoud van volle
bezoldiging verleend aan de ambtenaar, die door een centrale als bedoeld
in artikel 105 of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen
om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien
binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten vereniging c.q. binnen
de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen
van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten
verenigingen te ondersteunen.
3.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend aan de
ambtenaar voor het - op uitnodiging van een organisatie van ambtenaren -
als cursist deelnemen aan een cursus, met dien verstande dat dit verlof
ten hoogste 48 uren per twee jaren bedraagt.
4.Het aantal uren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid aan
een ambtenaar mag worden verleend, bedraagt te zamen ten hoogste 240
uren per jaar, met dien verstande dat ten hoogste 320 uren worden
verleend
a. aan leden van de hoofdbesturen van de centrale organisaties, genoemd
in artikel 105, tweede lid onder a en b, en van organisaties, die
rechtstreeks bij die centrale organisaties zijn aangesloten;
b. aan leden van het hoofdbestuur van het Ambtenarencentrum en aan leden
van het dagelijks bestuur van de bij die centrale aangesloten
organisaties;
c. aan leden van het hoofdbestuur van de Centrale van Middelbare en
Hogere Functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en
Instellingen, alsmede aan de bestuursleden van de sectoren en secties
van die organisatie.
5.Het verlof bedoeld in de vorige leden, wordt slechts verleend aan
ambtenaren, die lid zijn van verenigingen van ambtenaren, welke zijn
aangesloten bij centrales van verenigingen van ambtenaren, die deel
uitmaken van de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.
6.Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het
bijwonen van vergaderingen van georganiseerd overleg, in
ambtenarenzaken. Dit geldt eveneens voor één voorvergadering per in de
vorige volzin bedoelde vergadering.
Artikel 33c. Verhuizing
1.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:
a. voor het zoeken van een woning in geval van overplaatsing: ten
hoogste twee dagen;
b. bij verhuizing ingeval van overplaatsing: aan hen, die een eigen
huishouding hebben: twee dagen, zo nodig te verlengen tot drie en in
zeer bijzondere gevallen tot vier dagen en aan hen, die niet een eigen
huishouding hebben: ten hoogste twee dagen.
2.Onze Minister kan regels stellen in aanvulling op of in afwijking van
het eerste lid.
Artikel 33d. Familie-omstandigheden
1.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan
de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging
verleend:
a. bij zijn huwelijk: twee dagen;
b. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de
eerste en de tweede graad: één dag;
c. bij overlijden van:
1e. in artikel 33i, tweede lid, genoemde personen: vier dagen;
2e. bloed- of aanverwanten in de tweede graad: twee dagen, of, indien de
ambtenaar is belast met de regeling van de lijkbezorging of van de
nalatenschap dan wel van beide, ten hoogste vier dagen;
d. bij bevalling van zijn echtgenote: ten hoogste twee dagen.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder huwelijk mede begrepen
het sluiten van een samenlevingscontract als bedoeld in artikel 4,
vierde lid, of het aangaan van een geregistreerd partnerschap.
3.Buitengewoon verlof dat aan de ambtenaar op grond van het eerste lid
wordt verleend in verband met aanverwantschap die door zijn huwelijk is
ontstaan met bloedverwanten van zijn echtgenote wordt op gelijke wijze
verleend aan de ambtenaar die ongehuwd samenwoont als bedoeld in artikel
4, vierde lid, of aan de ambtenaar die een geregistreerd partnerschap is
aangegaan, met betrekking tot dezelfde bloedverwanten van zijn
levenspartner of van zijn geregistreerde partner.
4.Onze Minister kan regels stellen in aanvulling op of in afwijking van
de vorige leden.
Artikel 33e. Aanvullende bevoegdheid tot het verlenen van buitengewoon
verlof
1.Buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van volle
bezoldiging, kan bovendien worden verleend in de gevallen, waarin hij,
die tot verlenen van dat verlof bevoegd is verklaard, oordeelt, dat
daartoe aanleiding bestaat.
2.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd
ter uitvoering van het eerste lid zo nodig nadere regels vast te
stellen.
Artikel 33f. Aanvragen van buitengewoon verlof
1.Behoudens in dringende gevallen moet buitengewoon verlof van korte
duur tenminste 24 uren tevoren schriftelijk of mondeling worden
aangevraagd.
2.Indien de ambtenaar, die niet vooraf een aanvraag voor buitengewoon
verlof van korte duur heeft ingediend, ten genoegen van de in het eerste
lid bedoelde autoriteit aantoont, dat hij daartoe geen gelegenheid heeft
gehad, terwijl er voor zijn afwezigheid gegronde redenen bestonden,
wordt deze afwezigheid beschouwd als buitengewoon verlof met behoud van
volle bezoldiging.
3.Een gegronde reden als bedoeld in het tweede lid is slechts aanwezig:
a. indien een der in de voorgaande artikelen genoemde omstandigheden
aanwezig is geweest, op grond waarvan aan de ambtenaar op zijn aanvraag
buitengewoon verlof wordt verleend, zulks met inachtneming van de
daarbij vermelde voorwaarden en termijnen;
b. in alle andere gevallen, indien de ambtenaar, alle omstandigheden in
aanmerking genomen, redelijkerwijze de dienst mocht verzuimen.
Artikel 33fa
1.De ambtenaar die zorg draagt voor een of meer personen als bedoeld in
het vierde lid heeft aanspraak op zorgverlof bij calamiteiten onder
behoud van zijn volle bezoldiging.
2.Onder calamiteit wordt verstaan ziekte of een andere onverwachte
gebeurtenis waardoor een noodsituatie ontstaat in de verzorging van een
of meer van de in het vierde lid bedoelde personen.
3.Het verlof is bedoeld als eerste opvang en voor het treffen van
verdere voorzieningen en bedraagt maximaal 1 dag per calamiteit.
4.De personen voor wier verzorging het verlof kan worden verleend zijn:
de echtgenote, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen,
stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwdkinderen van de ambtenaar.
5.De ambtenaar informeert het bevoegd gezag vooraf over het opnemen van
het verlof onder vermelding van de reden.
6.Het bevoegd gezag kan eisen dat de ambtenaar achteraf aannemelijk
maakt dat daadwerkelijk sprake was van een noodsituatie. Indien de
ambtenaar daar naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in slaagt
kunnen de opgenomen uren in mindering worden gebracht op het
vakantieverlof.
7.Voor de toepassing van dit artikel is het derde lid van artikel 33d
van overeenkomstige toepassing.
Zwangerschaps- en bevallingsverlof
Artikel 33fb
1.De vrouwelijke ambtenaar heeft in verband met haar bevalling aanspraak
op zwangerschaps- en bevallingsverlof.
2.Gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof behoudt de
vrouwelijke ambtenaar haar aanspraak op bezoldiging.
3.De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een zwangerschapsverlof vanaf
de dag waarop de bevalling blijkens een verklaring van een arts of van
een verloskundige aangevende de vermoedelijke datum van de bevalling,
binnen zes weken is te verwachten. Het verlof vangt uiterlijk aan vier
weken voorafgaand aan de vermoedelijke datum van de bevalling.
4.De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een bevallingsverlof van tien
weken vanaf de dag volgend op die van de bevalling. Dit verlof wordt
verlengd tot ten hoogste zestien weken, voor zover het
zwangerschapsverlof voorafgaand aan de vermoedelijke datum van
bevalling, om andere redenen dan wegens ziekte minder dan zes weken
heeft bedragen.
5.Indien de vrouwelijke ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende
dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht
heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en
zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een
inhouding op de doorbetaling van bezoldiging als bedoeld in het tweede
lid toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële
tegemoetkoming.
6.Indien aan de gestelde voorwaarden voor het toekennen van een
financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar
geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de vrouwelijke
ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het
vijfde lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening
gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de vrouwelijke
ambtenaar zou zijn toegekend indien zij wel een aanvraag zou hebben
ingediend.
Artikel 33fc. Bevalling en ontslag
1.De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier tijdstip van ingang van haar
ontslag is gelegen in de periode, bedoeld in artikel 33fb, eerste lid,
behoudt haar aanspraak op bezoldiging vermeerderd met de
vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. De aanspraak eindigt na 16
weken, te rekenen vanaf de eerste dag waarop haar zwangerschapsverlof
als bedoeld in artikel 33fb, derde lid, een aanvang heeft genomen.
2.De gewezen ambtenaar, wier bevalling waarschijnlijk is binnen vier
maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt haar
laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en
de eindejaarsuitkering gedurende de periode die:
a. aanvangt op de 41e dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van
bevalling; en
b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft
plaatsgevonden.
3.De periode, bedoeld in het tweede lid, wordt verlengd tot 16 weken,
indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken
heeft bedragen.
4.De gewezen ambtenaar wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier
maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar die niettemin
binnen die termijn bevalt, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging
vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering
gedurende de periode die:
a. aanvangt op de datum van bevalling; en
b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft
plaatsgevonden.
5.De artikelen 33fb, vijfde en zesde lid, 40, tweede lid, en 48a, zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 33g. Buitengewoon verlof in verband met ouderschap
1. De ambtenaar die als ouder in familierechtelijke betrekking staat tot
een kind, heeft aanspraak op verlof. Indien de ambtenaar met ingang van
hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in familierechtelijke
betrekking komt te staan, bestaat er ten aanzien van ieder van die
kinderen aanspraak op verlof.
2. De ambtenaar die blijkens verklaringen uit de gemeentelijke
basisadministratie op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de
verzorging en de opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft
genomen, heeft aanspraak op verlof. Indien de ambtenaar met ingang van
hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op
zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen
aanspraak op verlof.
3. Geen aanspraak op verlof bestaat na de datum waarop het kind de
leeftijd van acht jaren heeft bereikt.
4. Het verlof wordt uitsluitend verleend aan de ambtenaar wiens
dienstbetrekking ten minste een jaar heeft geduurd. Indien de
dienstbetrekking buiten Nederland wordt vervuld bestaat aanspraak op
verlof tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen
verzetten.
5. Het aantal uren verlof waarop de ambtenaar per keer ten hoogste
aanspraak heeft, bedraagt zesentwintig maal de arbeidsduur per week
uitgaande van zijn arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof
aanvangt. Indien de arbeidsduur van de ambtenaar gedurende het verlof
wijzigt, wordt de aanspraak op het verlof opnieuw vastgesteld, rekening
houdend met de mate waarin de arbeidsduur is gewijzigd en de mate waarin
de periode gedurende welke het verlof wordt genoten is verstreken.
6. Het verlof wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van
ten hoogste twaalf maanden en gelijkmatig over deze periode verdeeld. In
afwijking van de eerste volzin kan de ambtenaar het bevoegd gezag
verzoeken om het verlof op een andere wijze aaneengesloten te genieten
of het verlof op te delen in ten hoogste drie perioden, waarbij iedere
periode ten minste een maand bedraagt. Het bevoegd gezag stemt in met
het verzoek tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.
7. Bij een keuze voor het maximale aantal uren verlof als bedoeld in het
vijfde lid, heeft de ambtenaar over de verlofuren aanspraak op 27,5% van
zijn bezoldiging. Bij een aanvraag voor een geringer aantal uren verlof
wordt het percentage evenredig verhoogd tot ten hoogste 55. Zo nodig
wordt het percentage rekenkundig afgerond op één decimaal achter de
komma.
8. De ambtenaar is verplicht tot terugbetaling van hetgeen hem over de
genoten uren ouderschapsverlof is toegekend over de genoten verlofuren
wanneer hem tijdens de verlofperiode of binnen een jaar na afloop van
het verlof ontslag wordt verleend op aanvraag dan wel niet op aanvraag
op grond van aan de ambtenaar te wijten feiten of omstandigheden.
Ontslag op aanvraag gevolgd door een overgang binnen een maand naar een
andere functie binnen de rijksdienst wordt niet als ontslag beschouwd.
Het bevoegd gezag kan de ambtenaar ontheffen van de in de eerste volzin
bedoelde verplichting indien er bijzondere omstandigheden zijn die dat
naar het oordeel van het bevoegd gezag rechtvaardigen.
9. De ambtenaar meldt het voornemen verlof op te nemen ten minste twee
maanden voor het door hem gewenste tijdstip van ingang van het verlof
schriftelijk aan het tot verlening van het verlof bevoegde gezag.
Daarbij geeft de ambtenaar op:
a. het tijdvak waarin het verlof zal worden genoten;
b. het aantal uren verlof per week; en
c. de spreiding van de verlofuren over de week.
Bij de eerste melding ten aanzien van het desbetreffende kind dient
tevens opgave te worden gedaan van het totaal aantal uren dat de
ambtenaar wenst op te nemen en de eventuele opdeling daarvan in perioden
op grond van het zesde lid. Indien de ambtenaar het verlof heeft
opgedeeld in meerdere perioden geldt de opgave, bedoeld in de onderdelen
a tot en met c, slechts voor één verlofdeel tegelijk. De tijdstippen
van ingang en einde van het verlof kunnen afhankelijk worden gesteld van
de datum van de bevalling, van het einde van het bevallingsverlof of van
de aanvang van de verzorging van het kind.
10. Het bevoegd gezag is verplicht in te stemmen met een aanvraag van de
ambtenaar het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond
van het opnemen van zwangerschaps-, bevallings- of adoptieverlof als
bedoeld in de artikelen 33fb, onderscheidenlijk33h.
Het bevoegd gezag is tevens verplicht in te stemmen met een aanvraag van
de ambtenaar het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op
grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen van
dienstbelang zich hiertegen verzetten.
11. Het bevoegd gezag behoeft aan een aanvraag als bedoeld in het tiende
lid niet met ingang van een vroeger tijdstip dan vier weken na de
aanvraag gevolg te geven. In het geval het verlof met toepassing van het
tiende lid, eerste volzin, na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt
voortgezet, wordt de aanspraak op het overige deel van het verlof
opgeschort. In het geval het verlof met toepassing van het tiende lid,
tweede volzin, na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet,
vervalt de aanspraak op het overige deel van dat verlof.
12. Indien op grond van het zesde lid het verlof is opgedeeld, zijn het
tiende en elfde lid op iedere periode van toepassing.
13. Het bevoegd gezag kan, na overleg met de ambtenaar, de spreiding van
de uren over de week op grond van gewichtige redenen van dienstbelang
wijzigen tot vier weken voor het tijdstip van ingang van het verlof.
14. Indien het verlof op grond van het zesde lid is opgedeeld en de
aanstelling eindigt voordat het verlof volledig is genoten, heeft de
ambtenaar, indien hij een nieuwe aanstelling krijgt bij een ander
bevoegd gezag, aanspraak op de eventueel resterende deelperioden van het
verlof met inachtneming van het bepaalde in dit artikel.
15. Op de ambtenaar die voor een kind het verlof geheel of gedeeltelijk
heeft opgenomen voor 1 januari 2011, blijven het vijfde en zevende lid,
van toepassing zoals die luidden op 31 december 2010 voor wat betreft
zijn recht op bezoldiging tijdens de uren waarop hem ouderschapsverlof
is verleend, met dien verstande dat aanvullend dertien maal de
arbeidsduur per week kan worden opgenomen zonder behoud van bezoldiging.
Artikel 33h
1.De ambtenaar heeft in verband met de adoptie van een kind aanspraak op
verlof met behoud van bezoldiging.
2.De aanspraak op verlof in verband met adoptie van een kind bedraagt
ten hoogste vier aaneengesloten weken. De aanspraak bestaat gedurende
een tijdvak van achttien weken te rekenen vanaf twee weken vóór de
eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft
genomen of zal nemen zoals die dag is aangeduid in een door de ambtenaar
aan het bevoegd gezag overgelegd document waaruit blijkt dat een kind
ter adoptie is of zal worden opgenomen.
3.Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee of meer
kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat de aanspraak op
verlof slechts ten aanzien van één van die kinderen.
4.De ambtenaar meldt aan het bevoegd gezag het verlof in verband met
adoptie uiterlijk drie weken voor de dag van ingang van het verlof onder
opgave van de omvang van het verlof. Bij de melding worden documenten
gevoegd waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden
opgenomen.
5.Indien de ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of
gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een
financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt
gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de
doorbetaling van bezoldiging als bedoeld in het eerste lid toegepast
welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële
tegemoetkoming.
6.Indien aan gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële
tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar geen
financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag
heeft ingediend, past het bevoegd gezag het vijfde lid op
overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de
financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend
indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.
7.De bepalingen in dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op de
ambtenaar die een pleegkind opneemt als bedoeld in artikel 5:1, tweede
lid, onderdeel d, van de Wet arbeid en zorg.
Artikel 33i
1.Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de
ambtenaar verlof met behoud van bezoldiging verleend voor de
noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van:
a. zijn echtgenote of echtgenoot;
b. een inwonend kind tot wie de ambtenaar als ouder in een
familierechtelijke betrekking staat;
c. een inwonend kind van zijn echtgenote of echtgenoot;
d. een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke
basisadministratie op hetzelfde adres woont als de ambtenaar en door hem
duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract als
bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg.
2.Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de
ambtenaar verlof met behoud van bezoldiging verleend voor de
noodzakelijke verzorging in verband met ernstige ziekte van: echtgenote,
echtgenoot, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen,
stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen.
3.Het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt in elk
kalenderjaar ten hoogste tweemaal de arbeidsduur per week.
4.De ambtenaar meldt vooraf aan het bevoegd gezag dat hij het verlof,
bedoeld in het eerste en tweede lid, opneemt onder opgave van de reden.
Indien dit niet mogelijk is, meldt de ambtenaar het opnemen van het
verlof zo spoedig mogelijk aan het bevoegd gezag onder opgave van de
reden. Bij die melding geeft de ambtenaar ook de omvang, de wijze van
opneming en de vermoedelijke duur van het verlof aan.
5.Het bevoegd gezag kan achteraf van de ambtenaar verlangen dat hij
aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet heeft verricht in verband met
de noodzakelijke verzorging als bedoeld in het eerste en tweede lid.
Buitengewoon verlof van lange duur
Artikel 34. Buitengewoon verlof van lange duur
1. Buitengewoon verlof van lange duur kan aan de ambtenaar op zijn
aanvraag worden verleend, al dan niet met behoud van bezoldiging en al
dan niet onder bepaalde voorwaarden.
2. Het verlof, bedoeld in het eerste lid, gaat niet in dan nadat de
ambtenaar schriftelijk heeft verklaard dat hij de daaraan verbonden
voorwaarden aanvaardt.
3. Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van
het bevoegd gezag uitsluitend strekt in het persoonlijk belang van de
ambtenaar, wordt hem dit niet verleend dan zonder behoud van bezoldiging
en voor ten hoogste een jaar.
4. Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, verband houdt met een
benoeming van de ambtenaar tot bezoldigd bestuurder van een vereniging
van ambtenaren, van een centrale of van een internationale organisatie
van zodanige verenigingen, wordt hem dit niet verleend dan zonder behoud
van bezoldiging en voor ten hoogste twee jaren. Artikel 33b, vijfde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
5. Het bevoegd gezag biedt de ambtenaar aan wie buitengewoon verlof is
verleend op grond van het eerste lid in verband met het vervullen van
een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie, dan
wel van een functie als bedoeld in het vierde of vijfde lid, na afloop
van het verlof een passende functie aan.
6. Een passende functie als bedoeld in het zesde lid, dient zo mogelijk
ten minste gelijkwaardig te zijn aan de functie waarop het buitengewoon
verlof betrekking had.
Artikel 34a [Vervallen per 01-10-1997]
Artikel 34b [Vervallen per 01-10-1997]
Artikel 34c [Vervallen per 01-10-1997]
Artikel 34d [Vervallen per 01-10-1997]
Artikel 34e. Ontslag bij niet hervatten van de werkzaamheden na afloop
van buitengewoon verlof van lange duur
1.De ambtenaar, die na afloop van hem verleend buitengewoon verlof van
lange duur en zonder dat dit is verlengd, zijn dienst niet tijdig
hervat, wordt voor de toepassing van dit reglement geacht een aanvraag
tot ontslag te hebben ingediend.
2.Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ambtenaar binnen een
redelijke termijn ten genoegen van Onze Minister aannemelijk maakt, dat
hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten, in welk geval het
verlof geacht wordt te zijn verlengd tot het tijdstip, waarop bedoelde
geldige redenen hebben opgehouden te bestaan.
Artikel 34f
Voor de toepassing van deze paragraaf is - ingeval de ambtenaar in het
genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, dan wel artikel 18a
van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 - met
betrekking tot de vaststelling van dit bezoldigingsdeel, het derde,
respectievelijk vierde lid van artikel 17 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 34g
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels
ten aanzien van levensloopverlof.
Hoofdstuk VI. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding, rechten en
verplichtingen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid
§ 1. Definities en bevoegdheden
Artikel 35. Definities
In dit hoofdstuk en in hoofdstuk X wordt verstaan onder:
– AAOP-uitkering: ABP ArbeidsongeschiktheidsPensioen als bedoeld in
hoofdstuk 11 van het pensioenreglement;
– arbeidsongeschiktheid: volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid
als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de WIA of gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid als bedoeld in artikel 5 van de WIA;
– arbodienst: een arbodienst als bedoeld in de
Arbeidsomstandighedenwet;
– beroepsincident: een dienstongeval of beroepsziekte voortvloeiend
uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de
uitvoering van zijn taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn
specifieke functie niet kan onttrekken;
– beroepsziekte: een ziekte, die in overwegende mate haar oorzaak
vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in
de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en
niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
– bovenwettelijke WW-uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder e, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij
werkloosheid voor de sector Rijk;
– deskundige persoon: een deskundige persoon als bedoeld in artikel
14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de
taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die
wet;
– dienstongeval: een ongeval, dat in overwegende mate zijn oorzaak
vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in
de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en
niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
– gewezen ambtenaar: een ambtenaar aan wie ontslag is verleend, met
ingang van de dag waarop het ontslag is ingetreden;
– passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden
van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van
lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden
gevergd;
– Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP;
– Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP, genoemd
in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;
– Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
– UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet SUWI;
– WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
– WIA-uitkering: een uitkering op grond van de WIA;
– WW-uitkering: een uitkering op grond van de Werkloosheidswet;
– ZW: Ziektewet;
– ZW-uitkering: ziekengeld als bedoeld in artikel 19 van de ZW;
– arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19 van de
ZW.
Artikel 35a. Bevoegdheden
Indien de bepalingen in dit hoofdstuk worden toegepast op de Algemene
Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de
Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de Raad van
State en het secretariaat van de commissie van toezicht op de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten, dient voor Onze Minister telkens
respectievelijk te worden gelezen het college van de Algemene
Rekenkamer, de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van
het Kabinet der Koningin, de kanselier der Nederlandse Orden, de
Nationale ombudsman, de vice-president van de Raad van State of de
voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten.
§ 2. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en het medisch advies
Arbeidsgezondheidskundige begeleiding
Artikel 36. Verzuimbegeleiding en arbeidsgezondheidskundige begeleiding
van de ambtenaar
1.Onze Minister verricht zijn taak met betrekking tot begeleiding van
verzuim en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding op grond van de
Arbeidsomstandighedenwet en de bepalingen in dit hoofdstuk.
2.Onze Minister kan regels vaststellen met betrekking tot de wijze
waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van verzuim, de
arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen
procedures.
3.De ambtenaar is in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van
zijn arbeid wegens ziekte verplicht dit zo spoedig mogelijk, doch in elk
geval niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid, te melden.
4.Onze Minister kan ten aanzien van de ambtenaar die korter dan een jaar
volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten bepalen dat hij
zijn arbeid slechts mag hervatten, nadat Onze Minister hiervoor
toestemming heeft verleend;
5.De ambtenaar die wegens ziekte gedurende een jaar of langer volledig
ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten mag zijn arbeid slechts
hervatten, nadat Onze Minister hiervoor toestemming heeft verleend.
6.Onze Minister verleent de toestemming, bedoeld in het vierde en vijfde
lid, eerst nadat er een medisch advies is van de deskundige persoon of
de arbodienst.
Artikel 36a
1.De ambtenaar kan worden verplicht om een arbeidsgezondheidskundig
onderzoek te ondergaan:
a) voor zover dit noodzakelijk is om te beoordelen of de ambtenaar van
55 jaar en ouder in staat is nachtarbeid te verrichten;
b) indien Onze Minister gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de
goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;
c) indien de ambtenaar niet meer volledig geschikt is gebleken voor het
verrichten van zijn arbeid;
d) ter beantwoording van de vraag of de ambtenaar tijdens het tijdvak
waarin hij wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, in
het belang van zijn genezing arbeid mag verrichten en om vast te stellen
welke arbeid wenselijk wordt geacht;
e) indien de ambtenaar in contact staat of kort geleden heeft gestaan
met een persoon die een ziekte heeft waarvoor ingevolge de Wet publieke
gezondheid, een nominatieve aangifteplicht geldt;
f) om te beoordelen of de ambtenaar, die een functie vervult als bedoeld
in artikel 97, eerste lid, lichamelijk en psychisch in staat kan worden
geacht zijn functie te blijven waarnemen, nadat hij de voor zijn functie
vastgestelde leeftijdsgrens heeft bereikt;
g) om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in
artikel 98, derde lid, aanhef en onderdelen a en b;
h) om te beoordelen of de ambtenaar die wegens ziekte volledig
ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten zijn arbeid mag
hervatten;
i) voorzover dit voortvloeit uit enige wettelijke verplichting;
j) indien hij in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan
bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat of hij is benoemd in
een functie waarvoor bij aanstelling een geneeskundig onderzoek is
vereist als bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel b.
2.Onze Minister stelt de ambtenaar buiten dienst indien na een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid, blijkt
dat sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand dat
de belangen van de ambtenaar, van de dienst of van bij het verrichten
van de arbeid betrokken derden zich er tegen verzetten dat de ambtenaar
zijn arbeid blijft verrichten. De ambtenaar wordt niet buiten dienst
gesteld indien hem andere passende werkzaamheden kunnen worden
opgedragen. Indien de ambtenaar buiten dienst wordt gesteld, wordt hij
geacht wegens ziekte ongeschikt te zijn tot het verrichten van zijn
arbeid, in welk geval de overige bepalingen van dit hoofdstuk van
toepassing zijn.
Medisch advies
Artikel 36b
1.In geval van een geschil over het wel of niet bestaan van
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte voorziet artikel 32, eerste lid,
van de Wet SUWI in het instellen van een onderzoek en het geven van een
oordeel.
2.Het medisch advies dat door de deskundige persoon of de arbodienst
wordt uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig
onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet en
artikel 36a, wordt zo spoedig mogelijk aan de ambtenaar en Onze Minister
medegedeeld.
3.De ambtenaar of de gewezen ambtenaar kan de deskundige persoon of de
arbodienst binnen drie dagen na ontvangst van het medisch advies,
schriftelijk een hernieuwd onderzoek vragen indien hij het niet eens is
met het medisch advies. De deskundige persoon of de arbodienst stelt
Onze Minister in kennis van een ingediend verzoek om een hernieuwd
onderzoek.
4.Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het schriftelijk verzoek om een
hernieuwd onderzoek, doch uiterlijk binnen vier weken, vindt het
hernieuwd onderzoek door een commissie van drie geneeskundigen plaats.
5.Op verzoek van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar wordt zijn
behandelend arts in de gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk
zijn mening aan de commissie van drie geneeskundigen kenbaar te maken.
Artikel 36c
1.De leden van de commissie bedoeld in artikel 36b, vierde en vijfde
lid, worden per verzoek om een hernieuwd onderzoek aangewezen door Onze
Minister. De geneeskundige die het medisch advies heeft uitgebracht
waarvan herziening wordt gevraagd, heeft in de commissie geen zitting.
2.De commissie deelt haar oordeel schriftelijk mee aan:
a) de ambtenaar of de gewezen ambtenaar;
b) Onze Minister;
c) de behandelend arts, bedoeld in artikel 36b, vijfde lid.
Artikel 36d
De kosten, verbonden aan het onderzoek, bedoeld in artikel 36b, eerste
lid, respectievelijk, het hernieuwd onderzoek bedoeld in het artikel
36b, derde lid, komen voor rekening van Onze Minister. Eventuele reis-
en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de
geldende regels ter zake van dienstreizen.
§ 3. Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid
Aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging of een aanvullende
uitkering
Artikel 37
1. De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op
doorbetaling van zijn bezoldiging. Bij voortdurende ongeschiktheid heeft
hij vervolgens recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging.
2. Het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, vangt aan op de
eerste dag waarop wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is of zou
zijn gewerkt, of het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is of
zou zijn gestaakt. Indien de ambtenaar buitengewoon verlof zonder behoud
van bezoldiging geniet, vangt het tijdvak aan op de dag volgend op die
waarop het buitengewoon verlof is beëindigd.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van
ongeschiktheid samengeteld indien:
a. zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel
3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de
ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak, of
b. zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
4. In afwijking van het eerste lid, heeft de ambtenaar ook na afloop van
het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, recht op
doorbetaling van zijn bezoldiging indien de ongeschiktheid om zijn
arbeid te verrichten wordt veroorzaakt door een beroepsincident.
5. In afwijking van het eerste lid, heeft de ambtenaar ook na afloop van
het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, recht op
doorbetaling van zijn bezoldiging over het aantal uren dat hij passende
arbeid heeft verricht of zou hebben verricht indien die arbeid hem zou
zijn aangeboden.
6. De doorbetaling van de bezoldiging eindigt:
a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar op grond van artikel 37a,
eerste lid, is herplaatst;
b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend; of
c. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is
overleden.
Artikel 37a
1. De ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte is verplicht een andere functie te aanvaarden indien
sprake is van passende arbeid.
2. De ambtenaar die door het UWV in het kader van de WIA minder dan 35%
arbeidsongeschikt is verklaard, wordt herplaatst in een functie die
passende arbeid omvat, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich
daartegen verzet.
3. De ambtenaar die op grond van het eerste lid is herplaatst voordat de
termijn van twee jaar, bedoeld in artikel 98, derde lid, onderdeel a, is
verstreken, heeft tot het eind van genoemde termijn rechtop een
aanvullende uitkering ter grootte van het verschil tussen:
a. het bedrag waarop de ambtenaar op grond vanartikel 37 recht zou
hebben gehad indien hem geen andere functie zou zijn opgedragen,
vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering; en
b. zijn bezoldiging na herplaatsing, vermeerderd met de
vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.
4. Indien de ziekte uit hoofde waarvan de ambtenaar ongeschikt is zijn
arbeid te verrichten, wordt veroorzaakt door een beroepsincident, heeft
de ambtenaar, bedoeld in het derde lid, van wie de arbeidsongeschiktheid
ten minste 35% bedraagt, nadat de termijn van twee jaar is verstreken
tevens recht op een aanvullende uitkering ter grootte van het verschil
tussen:
a. een percentage van zijn bezoldiging vermeerderd met de
vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, zoals die zou zijn op de
dag voor zijn herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet
ongeschikt zou zijn geweest tot werken, en
b. zijn bezoldiging na herplaatsing vermeerderd met de
vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en een uit de oorspronkelijke
functie voortvloeiend recht op een WIA-uitkering en een AAOP-uitkering.
5. Het percentage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, is
afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een
arbeidsongeschiktheid van:
|
80% of meer:
|
90,02%;
|
|
65 tot 80%:
|
65,26%;
|
|
55 tot 65%:
|
54,01%;
|
|
45 tot 55%:
|
45,01%;
|
|
35 tot 45%:
|
36,01%;
|
6. De aanvullende uitkeringen, bedoeld in het derde en vierde lid,
eindigen in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend; of
b. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is
overleden.
7. In zoverre in afwijking van het derde lid, bedraagt voor de ambtenaar
die na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar wegens ziekte ongeschikt
is tot het verrichten van zijn arbeid, de aanvullende uitkering na de
eerste 52 het verschil tussen:
a. het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 76a van de
Ziektewet recht zou hebben gehad indien hem geen andere functie zou zijn
opgedragen, vermeerderd met de vakantie-uitkering en
eindejaarsuitkering; en
b. zijn bezoldiging na herplaatsing, vermeerderd met de
vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.
Artikel 37b
1. De ambtenaar, bedoeld in artikel 37a, tweede lid, die voor 1 januari
2012 is herplaatst, ontvangt bij voortdurende arbeidsongeschiktheid
gedurende hoogstens vijf jaar een uitkering van 70% van het verschil
tussen:
a. zijn bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering zoals die zou zijn geweest op de dag voor zijn
herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou zijn
geweest tot werken, en
b. zijn bezoldiging na herplaatsing verminderd met eventuele daarna
volgende verhogingen op grond van artikel 7 van het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, en vermeerderd met de
vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.
2. In afwijking van het eerste lid heeft de ambtenaar die
arbeidsongeschikt is geworden ten gevolge van een beroepsincident, ook
nadat de termijn van vijf jaar is verstreken recht op een uitkering.
3. De uitkering eindigt in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend;
b. met ingang van de dag volgend op die waarop de ambtenaar is
overleden.
4. Bij eventuele samenloop van een recht op uitkering op grond van dit
artikel en een recht op uitkering op grond van artikel 37a, derde of
vierde lid, vervalt het laatstbedoelde recht.
Artikel 38
1. De gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip
van ingang van zijn ontslag, na zijn ontslag anders dan op grond van
artikel 98, eerste lid, onderdeel f, nog ongeschikt is een naar aard en
omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft:
a. zolang hij ongeschikt tot werken is wegens ziekte, maar niet langer
dan een tijdvak van 52 weken, recht op doorbetaling van zijn laatstelijk
genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering;
b. zolang hij na afloop van het tijdvak, bedoeld in onderdeel a, nog
ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, gedurende
maximaal 26 weken recht op doorbetaling van 70% van zijn laatstelijk
genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering.
2. De gewezen ambtenaar die binnen een maand na het tijdstip van zijn
ontslag wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en omvang
soortgelijke functie te vervullen, heeft, zolang hij ongeschikt is tot
werken wegens ziekte, gedurende maximaal 52 weken recht op doorbetaling
van zijn laatstelijk genoten bezoldiging indien hij gedurende ten minste
twee maanden onmiddellijk aan het ontslag voorafgaande in dienst is
geweest.
3. De gewezen ambtenaren, bedoeld in het eerste en tweede lid, hebben
gedurende een tijdvak van 104 weken als bedoeld in artikel 23 van de
WIA, recht op doorbetaling van hun laatstelijk genoten bezoldiging
vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering indien
hun arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een beroepsincident.
4. Het tijdvak gedurende welke de gewezen ambtenaar recht heeft op
doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging vangt aan op de
eerste dag waarop wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is of zou
zijn gewerkt of het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is of
zou zijn gestaakt. Indien de gewezen ambtenaar onmiddellijk voorafgaand
aan het ontslag buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging
genoot, vangt het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aan
op de dag waarop het ontslag is ingegaan.
5. Voor het bepalen van het einde van het tijdvak van 52 weken, bedoeld
in het eerste en tweede lid, worden perioden van ongeschiktheid tot
werken wegens ziekte samengeteld indien:
a. zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
zwangerschap- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel
3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, of een uitkering op
grond van artikel 3:8 of 3:10, eerste lid, van die wet, tenzij de
ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak, of
b. zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
6. De doorbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in
het eerste, tweede en derde lid, eindigt in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65
jaar heeft bereikt; of
b. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is
overleden.
7. De gewezen ambtenaar die recht heeft op een WIA-uitkering ter zake
van de dienstbetrekking die hij voor zijn ontslag vervulde, heeft recht
op een aanvullende uitkering indien de arbeidsongeschiktheid is
veroorzaakt door een beroepsincident.
8. De aanvullende uitkering, bedoeld in het zevende lid, is gelijk aan
het verschil tussen:
a. een percentage van de laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met
de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, in het jaar
voorafgaande aan zijn ontslag; en
b. de aan de ambtenaar toegekende WIA-uitkering, in voorkomend geval
vermeerderd met een hem toegekende AAOP-uitkering.
9. Het percentage, bedoeld in het achtste lid, onderdeel a, is
afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een
arbeidsongeschiktheid van:
|
80% of meer:
|
90,02%;
|
|
65 tot 80%:
|
65,26%;
|
|
55 tot 65%:
|
54,01%;
|
|
45 tot 55%:
|
45,01%;
|
|
35 tot 45%:
|
36,01%;
|
10. De aanvullende uitkering, bedoeld in het zevende lid, eindigt:
a. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65
jaar heeft bereikt; of
b. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is
overleden.
11. De gewezen ambtenaar aan wie eervol ontslag is verleend op grond
vanartikel 94a, heeft slechts recht op doorbetaling van zijn laatstelijk
genoten bezoldiging of aanvullende uitkering voorzover deze tezamen met
de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 4 van het FPU-reglement
basis- en aanvullende uitkering, de laatstgenoten bezoldiging niet
overschrijdt.
Artikel 38a
1.De ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een
dienstongeval of een beroepsziekte doch niet door een beroepsincident,
wordt op zijn aanvraag voor de toepassing van dit hoofdstuk
gelijkgesteld met de ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te
verrichten wegens een beroepsincident.
2.De gewezen ambtenaar van wie de arbeidsongeschiktheid wordt
veroorzaakt door een dienstongeval of een beroepsziekte doch niet door
een beroepsincident, wordt op zijn aanvraag voor de toepassing van dit
hoofdstuk gelijkgesteld met de gewezen ambtenaar van wie de
arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een beroepsincident.
Artikel 39
Deartikelen 37, vierde lid, 37a, tweede tot en met vijfde lid, 38, 38a
en69, tweede lid, zijn niet van toepassing op de ambtenaar en de gewezen
ambtenaar die geen deelnemer zijn in de zin van het Pensioenreglement.
Artikel 39a [Vervallen per 14-01-1998]
Artikel 40. Geen aanspraak
1. De ambtenaar en de gewezen ambtenaar hebben geen aanspraak op
doorbetaling van de bezoldiging:
a) indien de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven wordt
voorgesteld, dat ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens
ziekte niet kan worden aangenomen;
b) indien de ambtenaar de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan
op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt;
c) indien de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte zich voordoet binnen een half jaar na het geneeskundig onderzoek,
bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel b en blijkt dat de ambtenaar
onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of
gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring van
geschiktheid, de aan de desbetreffende functie verbonden werkzaamheden
te verrichten, ten onrechte heeft plaatsgevonden, tenzij de ambtenaar
aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
2. De gewezen ambtenaar heeft geen aanspraak op doorbetaling van zijn
laatstelijk genoten bezoldiging, indien hij op grond van een aanvaarde
andere betrekking aanspraak kan maken op betaling van loon of
bezoldiging, dan wel aanspraak kan maken op een ZW-uitkering.
Artikel 40a
1. De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van
dit hoofdstuk vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:
a) niet binnen redelijke termijn gezondheidskundige hulp inroept;
b) zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder
gezondheidskundige behandeling blijft stellen;
c) de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;
d) zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt
belemmerd;
e) verzuimt de deskundige persoon of de arbodienst op eerste aanvraag
mee te delen om welke reden hij ongeschikt is tot werken;
f) zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek van
de deskundige persoon of de arbodienst om te verschijnen;
g) er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door
een door de deskundige persoon of de arbodienst aangewezen arts niet kan
plaatshebben;
h) niet binnen twee dagen na de aanvang van de ongeschiktheid tot werken
wegens ziekte dit heeft gemeld bij zijn werkgever;
i) weigert aangeboden passende arbeid, waartoe de deskundige persoon of
de arbodienst hem in staat acht, te verrichten;
j) zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met
betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de
daarbij in acht te nemen procedure;
k) zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt;
l) weigert inzage te geven in een op hem betrekking hebbend document als
bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een geldig
rijbewijs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet,
voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wetten;
m) tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de
deskundige persoon of de arbodienst in het belang van zijn genezing
wenselijk wordt geacht;
n) vóór de betaling van de bezoldiging weigert mededeling te doen van
inkomsten uit arbeid die hij heeft in verband met het verrichten van
door de deskundige persoon of de arbodienst in het belang van zijn
genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden;
o) niet onverwijld op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en
omstandigheden meedeelt, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn
dat zij van invloed kunnen zijn op het recht of op de hoogte van een aan
hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering;
p) zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de deskundige persoon
of de arbodienst bepaalde tijdstip en in de door deze persoon of dienst
bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een
door de deskundige persoon of de arbodienst als geldig erkende reden
heeft opgegeven;
q) zonder deugdelijke grond weigert gevolg te geven aan door het bevoegd
gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven
redelijke voorschriften of mee te werken aan getroffen maatregelen die
erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen passende arbeid
te verrichten;
r) zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen,
evalueren of bijstellen van een plan van aanpak, bedoeld in artikel 25,
tweede lid, van de WIA;
s) geen aanspraak heeft op een WIA-uitkering omdat geen aanvraag is
ingediend of in verband met de toepassing van artikel 88 van de WIA;
t) zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de
bepalingen van dit hoofdstuk.
2. De aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging, kan geheel of
gedeeltelijk vervallen worden verklaard in het geval de ambtenaar of de
gewezen ambtenaar de regels heeft overtreden die ter zake van
afwezigheid wegens ziekte zijn vastgesteld.
3. De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraken herleven met ingang
van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar alsnog
gevolg geeft aan de betreffende verplichting op grond van dat lid.
4. Onze Minister kan op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat
de aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging, niet vervalt maar
geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar of de gewezen
ambtenaar zal worden uitbetaald.
5. Voor zover Onze Minister van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde
lid, geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging,
alsnog aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitbetaald, indien het
in artikel 32, eerste lid, van de Wet SUWI, bedoelde oordeel ten gunste
van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitvalt.
Artikel 40b
1. Het bevoegd gezag is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige
maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs
nodig is, opdat de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten
gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat
wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten.
2. De maatregelen en voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn
gericht op duurzame reïntegratie in de eigen arbeid of in andere
passende arbeid in de sector Rijk waarvan de voor die arbeid geldende
salarisschaal niet meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal
die voor de ambtenaar geldt en waarbij de resterende mogelijkheden van
de ambtenaar volledig worden benut. Indien na overleg tussen het bevoegd
gezag en de ambtenaar vaststaat dat dergelijke arbeid niet voorhanden
is, zullen de maatregelen en voorschriften zich richten op duurzame
reïntegratie in andere passende arbeid, zo mogelijk binnen een van de
overheidssectoren.
3. Zolang duurzame reïntegratie als bedoeld in het tweede lid niet
mogelijk is, stelt het bevoegd gezag de ambtenaar in de gelegenheid
andere passende arbeid te verrichten.
4. Uit hoofde van zijn verplichting, bedoeld in het eerste lid, stelt
het bevoegd gezag in overeenstemming met de ambtenaar een plan van
aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan
van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig
geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.
5. De ambtenaar die van mening is dat het bevoegd gezag de in het eerste
lid bedoelde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, legt bij zijn
verzoek tot nakoming aan het bevoegd gezag een oordeel van het UWV als
bedoeld in artikel 32, derde lid, onderdeel b, van de Wet SUWI over. Het
bevoegd gezag beslist binnen zes weken op het verzoek en deelt daarbij
mee tot welke aanpassingen in de reïntegratie-inspanningen het verzoek
hem aanleiding geeft.
Begin en einde van de tijdvakken van 52 en 26 weken
Artikel 41 [Vervallen per 01-12-2005]
Artikel 41a [Vervallen per 14-01-1998]
Einde van de doorbetaling bezoldiging/arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 42 [Vervallen per 01-12-2005]
§ 4. Verplichtingen en sancties
Artikel 43 [Vervallen per 29-12-2004]
Artikel 44 [Vervallen per 29-12-2004]
§ 5. Bijzondere situaties
Samenloop met andere inkomsten
Artikel 45
1. Bij samenloop van een recht krachtens dit hoofdstuk met een
ZW-uitkering, WIA-uitkering, AAOP-uitkering, WW-uitkering of
bovenwettelijke WW-uitkering, dan wel een daarmee vergelijkbare
uitkering, op grond van dezelfde dienstbetrekking, wordt deze uitkering
in mindering gebracht op dit recht, tenzij het een recht op grond van de
artikelen 47 of 48 betreft.
2. Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de ZW-uitkering, de WIA-uitkering,
de AAOP-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering
een vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of
gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de ZW-uitkering, de WIA-uitkering,
de AAOP-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering
voor het vaststellen van de vermindering, bedoeld in het eerste lid,
steeds geacht onverminderd te zijn genoten.
3. Indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar recht heeft op een
ZW-uitkering of een WIA-uitkering, is het verplichtingen-en
sanctieregime van de ZW of de WIA van overeenkomstige toepassing op zijn
recht krachtens dit hoofdstuk op grond van dezelfde dienstbetrekking.
4. De inkomsten die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet in
verband met het verrichten van in het belang van zijn genezing door de
deskundige persoon of de arbodienst wenselijk geachte arbeid, worden op
de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging vermeerderd met de
vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering in mindering gebracht, voor
zover deze inkomsten tezamen met de aanspraak op de doorbetaling van de
bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering of de WIA-uitkering, vermeerderd met de
AAOP-uitkering, de bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en
de eindejaarsuitkering te boven gaan.
5. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf worden op het
bedrag, waarop de gewezen ambtenaar ingevolge dit hoofdstuk recht heeft,
in mindering gebracht, tenzij:
a) de gewezen ambtenaar deze inkomsten reeds vóór het intreden van de
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte genoot;
en
b) de omvang van die arbeid niet is toegenomen.
Bevalling
Artikel 46
1.Voor zolang de gewezen ambtenaar na beëindiging van de haar
ingevolgeartikel 33fc, het eerste, tweede of het vierde lid, toekomende
uitkering:
a) wegens ziekte ongeschikt is tot werken, dan wel
b) binnen een maand na deze beëindiging ongeschikt wordt tot werken,
heeft zij gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling
van de bezoldiging overeenkomstig artikel 38. De termijn van 52 weken
wordt geacht aan te vangen na beëindiging van voornoemde periode
respectievelijk met ingang van de eerste dag waarop zij ongeschikt is
een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen.
2.Ongeschikt tot werken, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het
eerste lid is de vrouwelijke gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en
objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel
of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke
betrekking als zij vervulde, te vervullen.
Tegemoetkomingen in bijzondere gevallen
Artikel 47. Tegemoetkoming in noodzakelijk gemaakte ziektekosten
1.In bijzondere gevallen kan aan de ambtenaar een tegemoetkoming worden
toegekend in noodzakelijk gemaakte kosten die verband houden met ziekte,
welke de ambtenaar voor zichzelf en voor zijn medebelanghebbenden heeft
gemaakt:
a) indien hierin niet ingevolge een andere regeling kan worden voorzien;
en
b) deze kosten redelijkerwijs niet voor zijn rekening kunnen blijven.
2.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere regels vaststellen.
Artikel 48. Vergoeding van ziektekosten bij dienstongeval en
beroepsziekte
1.Indien de ziekte, uit hoofde waarvan de ambtenaar of de gewezen
ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, voortvloeit uit een
dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen
beroepsziekte, worden hem vergoed de naar het oordeel van Onze Minister
noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging
die voor rekening van de ambtenaar blijven.
2.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere regels vaststellen.
§ 6. Overige bepalingen
Artikel 48a. Aanpassing bedrag / begrip bezoldiging
1.Het bedrag van de bezoldiging of de laatstgenoten bezoldiging, bedoeld
in de artikelen 37, 37a, derde lid, en 38, en het bedrag van de
eindejaarsuitkering, bedoeld in de genoemde artikelen, worden in
voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene wijziging van
het salaris respectievelijk de eindejaarsuitkering.
2.Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in
artikel 17, 17a, 18 of 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984, worden die toelagen voor de vaststelling van het
in het eerste lid bedoelde bedrag, vastgesteld op het bedrag dat hem
ingevolge de voor hem geldende werktijdregeling zou zijn toegekend
indien hij niet ongeschikt was geworden tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte. Indien de vaststelling van het bedrag op deze
wijze niet mogelijk is, dan wordt dit bedrag vastgesteld op het
gemiddelde van het bedrag dat de ambtenaar per maand aan die toelagen
heeft genoten over de drie kalendermaanden voorafgaande aan:
a) de kalendermaand waarin de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte; of
b) de kalendermaand waarin de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt
is geworden een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te
vervullen.
3.Indien ook voor het overige de bezoldiging niet in een vast bedrag per
maand kan worden uitgedrukt, wordt gerekend met het bedrag dat gemiddeld
per maand is toegekend in de drie kalendermaanden voorafgaande aan de
maand waarin:
a) de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte;
b) de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar
aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen.
4.Voor zover de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geen drie
kalendermaanden in dienst is geweest, wordt voor de toepassing van het
tweede en derde lid gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld aan
bezoldiging per maand is toegekend over het tijdvak waarin hij in dienst
is geweest vóór het ontstaan van de ongeschiktheid tot het verrichten
van zijn arbeid respectievelijk tot het vervullen van een naar aard en
omvang soortgelijke betrekking.
Artikel 48b [Vervallen per 13-01-2010]
Artikel 49 [Vervallen per 13-01-2010]
Hoofdstuk VII. Rechten en verplichtingen bij reorganisaties
Procedure rond reorganisaties
Artikel 49a
1.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan regels
vaststellen omtrent de te volgen procedure bij reorganisaties en het
herplaatsen van ambtenaren.
2.Onze Minister kan nadere procedures en regels vaststellen omtrent
reorganisaties en het herplaatsen van ambtenaren.
Werkingssfeer
Artikel 49b
1.Bij een reorganisatie zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van
toepassing.
2.Onder reorganisatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:
a. iedere wijziging van de organisatiestructuur, de omvang of de
taakinhoud van een ministerie of een onderdeel daarvan, waaraan
personele consequenties zijn verbonden.
b. iedere wijziging van de organisatiestructuur, de omvang of de
taakinhoud van de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het
Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale
ombudsman, het secretariaat van de commissie van toezicht op de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de Raad van State of een onderdeel
daarvan, waaraan personele consequenties zijn verbonden.
3.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing op
de overgang van de ambtenaar naar een private onderneming of zelfstandig
bestuursorgaan in verband met de privatisering of verzelfstandiging van
het dienstonderdeel van het ministerie waarbij de ambtenaar werkzaam is,
tenzij bij algemeen verbindend voorschrift anders is bepaald.
Bevoegdheden
Artikel 49c
Indien de bepalingen in dit hoofdstuk worden toegepast op de Algemene
Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de
Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, het
secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten en de Raad van State, dient voor Onze Minister
telkens te worden gelezen het college van de Algemene Rekenkamer, de
Voorziter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der
Koningin, de Kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de
voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten of de vice-president van de Raad van State.
Artikel 49ca
1.Door of namens Onze Minister worden de centrales van verenigingen van
ambtenaren tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een
reorganisatie.
2.Door of namens Onze Minister worden de betrokken ondernemingsraden
tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een reorganisatie.
Het aanwijzen van herplaatsingskandidaten
Artikel 49d
De ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd
en de ambtenaar aangesteld in vaste dienst, wier functie in verband met
een reorganisatie is opgeheven, worden aangewezen als te herplaatsen
ambtenaar, hierna te noemen: herplaatsingskandidaat.
Artikel 49e
1.Van overtolligheid is sprake indien binnen het te reorganiseren
ministerie, het Kabinet der Koningin, de Algemene Rekenkamer, de Hoge
Raad van Adel, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale
ombudsman, het secretariaat van de commissie van toezicht op de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de Raad van State, of een
onderdeel daarvan, meer ambtenaren een vergelijkbare of uitwisselbare
functie vervullen en het totale aantal van die functies zodanig wordt
verminderd dat onvoldoende van die functies voor de betrokken ambtenaren
resteren.
2.De ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd
en de ambtenaar aangesteld in vaste dienst, die in verband met een
reorganisatie overtollig zijn, worden aangewezen als
herplaatsingskandidaat, waarbij de ambtenaar die het geringste aantal
jaren in overheidsdienst heeft doorgebracht het eerst als
herplaatsingskandidaat wordt aangewezen.
3.Voor de berekening van het aantal in overheidsdienst doorgebrachte
jaren wordt mede in aanmerking genomen tijd gewijd aan de verzorging van
tot het huishouden van de ambtenaar behorende 0–4 jarige eigen, stief-
of pleegkinderen, tot een maximum van in totaal zes jaren.
4.Onze Minister kan van de volgorde in het tweede lid afwijken indien
zulks naar zijn oordeel noodzakelijk is.
Artikel 49f
De ambtenaar wordt omtrent zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat zo
spoedig mogelijk geïnformeerd.
Wederzijdse rechten en verplichtingen
- de verplichting om de ambtenaar een passende functie aan te bieden
Artikel 49g
1. Onverminderd het gestelde in artikel 96, eerste lid is Onze Minister
verplicht om de ambtenaar binnen een periode van 18 maanden, te rekenen
vanaf het moment dat de ambtenaar is aangewezen als
herplaatsingskandidaat, ten minste één passende functie aan te bieden.
2. Onze Minister kan de termijn als bedoeld in het eerste lid verkorten
indien:
a. de herplaatsingskandidaat heeft geweigerd te voldoen aan een hem op
grond van dit hoofdstuk opgelegde verplichting, of;
b. reeds eerder in overleg met de ambtenaar binnen de termijn kan worden
vastgesteld dat er geen mogelijkheden zijn om de herplaatsingskandidaat
te herplaatsen.
3. Onze Minister kan de termijn verlengen of opschorten, indien de
omstandigheden naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
4. De ambtenaar wordt gelijktijdig met zijn aanwijzing als
herplaatsingskandidaat geïnformeerd over de aanvang en het einde van de
termijn als bedoeld in het eerste lid.
5. Door Onze Minister wordt de herplaatsingskandidaat geïnformeerd over
het verkorten, verlengen of opschorten van de termijn als bedoeld in het
tweede en het derde lid.
6. Op verzoek van de herplaatsingskandidaat wordt de termijn, bedoeld in
het eerste lid, met maximaal een jaar verlengd ingeval de
herplaatsingskandidaat bij het einde van de termijn, bedoeld in het
eerste lid, in combinatie met de duur van de bovenwettelijke uitkering,
de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en door deze
verlenging recht ontstaat op een bovenwettelijke uitkering op grond van
artikel 2, tweede lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen
werkloosheid voor de sector Rijk.
- passende functie
Artikel 49h
1. Van een passende functie als bedoeld in artikel 49g is sprake indien
de herplaatsingskandidaat naar het oordeel van Onze Minister beschikt
over de kennis en kunde die noodzakelijk worden geacht om de functie
naar behoren te kunnen uitoefenen danwel indien de
herplaatsingskandidaat naar het oordeel van Onze Minister binnen
redelijke termijn om-, her- of bijgeschoold kan worden, en deze functie
hem in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor
hem bestaande vooruitzichten, redelijkerwijs kan worden opgedragen.
2. Bij het eerste lid geldt de beperking dat uitsluitend sprake kan zijn
van een passende functie indien de voor de functie geldende
salarisschaal niet meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal
die geldt voor de herplaatsingskandidaat.
3. Onze Minister kan de herplaatsingskandidaat plaatsen op een functie
waarvan de geldende salarisschaal meer dan twee schalen lager is dan de
salarisschaal die geldt voor de herplaatsingskandidaat indien er
bijzondere omstandigheden zijn die zulks rechtvaardigen en indien de
herplaatsingskandidaat daarmee instemt.
4. Bij een herplaatsing met toepassing van het derde lid is artikel 49n
van overeenkomstige toepassing.
- plaatsing in een functie
Artikel 49i
Onze Minister kan de naar zijn oordeel meest geschikte
herplaatsingskandidaat, voor wie de functie als passend wordt
aangemerkt, herplaatsen in die functie.
- de verplichting van de herplaatsingskandidaat om mee te zoeken naar
een passende functie en een passende functie te aanvaarden
Artikel 49j
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 49g, eerste lid, is de
herplaatsingskandiaat verplicht al het mogelijke te doen om een passende
functie te vinden.
2.De herplaatsingskandidaat is verplicht een passende functie te
aanvaarden.
- Om-, her- en bijscholing
Artikel 49k [Vervallen per 25-06-2010]
- Sanctie
Artikel 49l
1.De herplaatsingskandidaat die heeft geweigerd te voldoen aan een hem
op grond van dit hoofdstuk opgelegde verplichting, kan in verband
daarmee ontslag worden verleend.
2.Bij een ontslagverlening op grond van het eerste lid wordt een
opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen.
- Voorzieningen bij verplaatsing over grote afstand
Artikel 49m. Reistijd-werktijd
1. Indien de reistijd voor woon-werkverkeer door een wijziging van de
plaats van tewerkstelling van de ambtenaar als gevolg van een
reorganisatie met meer dan 15 minuten per enkele reis toeneemt, wordt
deze extra reistijd, voor zover deze meer is dan 15 minuten, gedurende
een jaar als werktijd aangemerkt.
2. Gedurende het tweede, derde en vierde jaar wordt respectievelijk 75%,
50% en 25% van de in het eerste lid bedoelde extra reistijd als werktijd
aangemerkt.
3. Voor de ambtenaar die de in het eerste lid bedoelde aanspraak heeft,
en voor wie binnen twee jaar als gevolg van reorganisatie opnieuw de
plaats van tewerkstelling wijzigt, wordt bij de berekening van de extra
reistijd uitgegaan van de totale toename ten opzichte van de reistijd
zoals die was voor de eerste wijziging.
4. Indien de tweede toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt
ten opzichte van de reistijd zoals die was na de eerste wijziging, wordt
de in het eerste en tweede lid genoemde termijn, gedurende welke de
aanspraak bestaat, opnieuw gestart.
5. De ambtenaar voor wie binnen twee jaar voor de tweede maal de plaats
van tewerkstelling als gevolg van een reorganisatie wijzigt en voor wie
pas na de tweede wijziging de toename van de reistijd meer dan 15
minuten bedraagt, heeft aanspraak op de voorziening, bedoeld in het
eerste en tweede lid vanaf de tweede wijziging.
6. Voor de bepaling van de reistijd wordt uitgegaan van de route met de
minste reistijd, berekend met de ANWB-routeplanner.
Financiële voorziening bij herplaatsing over grote afstand
Artikel 49n
1.De ambtenaar die in verband met zijn herplaatsing of plaatsing in een
passende functie in opdracht van Onze Minister is verhuisd, wordt
eenmalig een bedrag toegekend van € 10 890,73 bruto ter tegemoetkoming
in de daarmee verband houdende kosten.
2.In de gevallen waarin de ambtenaar en zijn echtgenoot beiden in
aanmerking komen voor het bedrag bedoeld in het eerste lid ontvangt elk
de helft daarvan.
3.Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt niet toegekend, indien de
verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren nadat de opdracht
om te verhuizen is gegeven.
Stimuleringspremie
Artikel 49o
Onze Minister kan de herplaatsingskandidaat een premie in het
vooruitzicht stellen ter grootte van maximaal drie maandsalarissen
indien aan hem binnen 18 maanden nadat hij is aangewezen als
herplaatsingskandidaat op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend.
Salarissuppletie
Artikel 49p
1.De herplaatsingskandidaat aan wie eervol ontslag op zijn aanvraag is
verleend wegens de aanvaarding van een functie kan, onverminderd het
bepaalde in artikel 49o, een salarissuppletie worden toegekend indien
het in de nieuwe functie genoten salaris lager is dan het salaris in de
oorspronkelijke functie.
2.De suppletie als bedoeld in het eerste lid wordt toegekend gedurende
maximaal 5 jaar en is ten hoogste gelijk aan het verschil tussen het in
de oorspronkelijke functie genoten salaris en het salaris in de nieuwe
functie.
3.Onder door Onze Minister te stellen voorwaarden kan het recht op
suppletie op aanvraag van de herplaatsingskandidaat worden afgekocht.
Anticiperen op een reorganisatie
Artikel 49q
Onze Minister kan de artikelen 49j, tweede lid, 49k, 49n en 49p
toepassen op de ambtenaar wiens functie binnen afzienbare tijd wordt
opgeheven of die als overtollig zal worden aangemerkt.
Hoofdstuk VIIa. Overige rechten en verplichtingen van den ambtenaar
Artikel 50
1.De ambtenaar is gehouden de plichten uit zijn functie voortvloeiende
nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed
ambtenaar betaamt.
2.Het is de ambtenaar verboden in dienst uniformkledingstukken te
dragen, tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven.
3.Het is de ambtenaar verboden bij gekleed gaan in uniform insignes of
andere onderscheidingstekens te dragen, tenzij deze van regeringswege
zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen daarvan door Onze
Minister-President vergunning is verleend.
Artikel 51
1.De ambtenaar is verplicht een eed of een belofte af te leggen.
2.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het afleggen
door de ambtenaar van de eed of de belofte.
3.Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties wordt het formulier vastgesteld dat wordt gebruikt
voor het afleggen door de ambtenaar van de eed of de belofte.
Artikel 52
Ter zake van niet-naleving van bepalingen, welke redelijkerwijs niet
kunnen worden geacht den ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen
voordeelen onthouden of nadeelen toegebracht.
Artikel 53 [Vervallen per 23-10-1998]
Artikel 54
Indien de ambtenaar verhinderd is zijn dienst te verrichten, is hij
verplicht daarvan, onder opgave van redenen, zoo tijdig mogelijk
mededeeling te doen, ten einde vertraging of hinder in den dienst
zooveel doenlijk te voorkomen.
Artikel 55
1.De ambtenaar kan worden verplicht te gaan wonen of te blijven wonen in
of nabij de gemeente die hem als standplaats is aangewezen of waartoe
zijn standplaats behoort, indien dit naar het oordeel van het bevoegd
gezag noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van zijn
functie.
2.De ambtenaar aan wie de verplichting is opgelegd in of nabij de in het
eerste lid bedoelde gemeente te gaan wonen, is gehouden zo spoedig
mogelijk, maar uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd,
daaraan gevolg te geven.
Artikel 56
1.De ambtenaar is verplicht, indien hem eene ambts- of dienstwoning ter
bewoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de
bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften, die
daaromtrent zijn gesteld.
2.Hij draagt de onderhoudskosten, welke volgens de wet en het
plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van den huurder zijn,
tenzij door het bevoegd gezag ter zake eene afwijkende regeling is
vastgesteld.
Artikel 57
1.De ambtenaar kan op zijn aanvraag een andere functie worden
opgedragen.
2.Wanneer het belang van de dienst zulks vordert, is de ambtenaar
verplicht, een andere passende functie te aanvaarden:
a. overeenkomstig het bepaalde in artikel 49h indien het gaat om een
verplaatsing in het kader van een reorganisatie, en;
b. overeenkomstig het bepaalde in artikel 49h, eerste lid in de overige
gevallen.
3.Het opdragen van een andere functie aan de ambtenaar, bedoeld in
artikel 4, vijfde lid, onder a, vindt plaats door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze
Minister.
4.Het opdragen van een andere functie aan de ambtenaar, bedoeld in
artikel 4, vijfde lid, onder b of c, vindt plaats door Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
Artikel 57a [Vervallen per 01-12-2005]
Artikel 57b
1. Indien de ambtenaar van 57 jaar of ouder op diens aanvraag een
functie wordt opgedragen waaraan een salarisschaal is verbonden met een
lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende
salarisschaal, wordt op zijn salaris een inhouding toegepast.
2. De inhouding is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de
ambtenaar geniet en het salaris dat de ambtenaar zou genieten bij
inpassing in de bij de nieuwe functie behorende salarisschaal op
hetzelfde salarisnummer. Indien dit salarisnummer in laatstbedoelde
salarisschaal niet voorkomt, geschiedt de inpassing op het naastlagere
salarisnummer.
3. Indien na 52 weken ziekte de doorbetaling van de bezoldiging op grond
van artikel 37, eerste lid, wordt teruggebracht tot 70%, wordt de
inhouding over die uren opgeschort voor de duur van de ziekte.
4. In bijzondere gevallen kan Onze Minister geheel of gedeeltelijk van
de inhouding afzien.
Artikel 58
1.De ambtenaar kan worden verplicht tijdelijk andere ambtelijke
werkzaamheden te verrichten dan die, welke hij gewoonlijk verricht, mits
die werkzaamheden hem redelijkerwijs kunnen worden opgedragen. Hij kan
echter niet worden verplicht werkzaamheden te verrichten in de plaats
van stakers of uitgeslotenen in particuliere dienst, tenzij de
opgedragen werkzaamheden worden verricht in dienst van het lichaam,
waarbij hij werkzaam is, en voor de openbare dienst tijdens de staking
of uitsluiting, dan wel als onmiddellijk gevolg daarvan redelijkerwijze
dadelijk noodzakelijk zijn te achten.
2.Voorts kan aan de ambtenaar door Onze Minister de verplichting worden
opgelegd in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone
omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan die, welke hij
gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden strekken ter uitvoering van
de taak, welke het ministerie waarbij hij werkzaam is of waaronder de
dienst of instelling, waarbij hij werkzaam is, ressorteert, in die
tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed en
ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren.
3.De ambtenaar aan wie de in het vorige lid bedoelde verplichting is
opgelegd, is tevens te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te
nemen aan oefeningen, die verband houden met de in dat lid bedoelde
werkzaamheden.
4.Bij de toepassing van het bepaalde in de vorige leden wordt voor
zoveel mogelijk rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van
de ambtenaar.
Artikel 58a
1.De ambtenaar die door het bevoegd gezag is aangewezen als
bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de
Arbeidsomstandighedenwet en die naast zijn normale werkzaamheden de
bedrijfshulpverleningstaken naar behoren heeft uitgevoerd, ontvangt een
toelage.
2.De toelage wordt bepaald volgens door Onze Minister vast te stellen
regels en bedraagt tenminste € 195,35 per jaar.
3.De vast te stellen regels bevatten in ieder geval de criteria die
gehanteerd worden bij de toekenning van een
bedrijfshulpverleningstoelage.
4.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan het in
het tweede lid genoemde bedrag aanpassen overeenkomstig de algemene
salarisontwikkeling van het rijkspersoneel.
Artikel 58b
1.Het bevoegd gezag breidt de formatie van de organisatorische eenheid
waar de ambtenaar die lid is van de ondernemingsraad werkzaam is, uit
met de tijd die met toepassing van de artikelen 17 en 18 van de Wet op
de ondernemingsraden voor die ambtenaar is vastgesteld, voor zover dit
noodzakelijk is om gedurende de periode van het lidmaatschap de door de
organisatorische eenheid te verrichten werkzaamheden te realiseren.
2.De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, heeft op zijn aanvraag voor
de resterende duur van zijn lidmaatschap van de ondernemingsraad recht
op uitbreiding van zijn arbeidsduur met het aantal uren waarmee het
bevoegd gezag vanwege dat lidmaatschap op grond van het eerste lid de
formatie heeft uitgebreid.Artikel 21, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing. Een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin wordt niet
toegewezen zolang de ambtenaar geheel of gedeeltelijk ongeschikt is tot
het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
Artikel 59
1. De ambtenaar kan in het belang van de rijksdienst worden verplicht om
scholing te volgen, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden
verlangd. Bij het opleggen van de verplichting tot het volgen van
scholing worden studiefaciliteiten toegekend.
2. De ambtenaar die is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld
in de artikelen 49d en 49e, en die een studie volgt of gaat volgen die
aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde
loopbaanafspraken dan wel het kunnen plaatsen in een andere functie
worden studiefaciliteiten toegekend.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde faciliteiten zijn:
a. een volledige vergoeding van de met de studie gemoeide
scholingskosten;
b. 100% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid
met het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel
uitmaken van de opleiding, en het afleggen van examens.
4. Aan de ambtenaar, niet zijnde de ambtenaar, bedoeld in het eerste of
tweede lid, die een studie volgt of gaat volgen die naar het oordeel van
het bevoegd gezag aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van
vastgelegde loopbaanafspraken worden de volgende studiefaciliteiten
toegekend:
a. een volledige vergoeding van de met de studie gemoeide
scholingskosten;
b. 50% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met
het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken
van de opleiding, en het afleggen van examens.
5. Aan de niet in het eerste tot en met vierde lid bedoelde ambtenaar
die een studie volgt of gaat volgen, kan het bevoegd gezag de volgende
studiefaciliteiten toekennen:
a. een vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten tot ten
hoogste 50% van deze scholingskosten;
b. ten hoogste 25% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is
gemoeid met het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk
onderdeel uitmaken van de opleiding, en het afleggen van examens.
6. De ambtenaar kan worden verplicht tot terugbetaling van de aan hem
toegekende vergoeding van de scholingskosten:
a. bij onvoldoende resultaat in de scholing en bij tussentijds afbreken
van de scholing, indien dit aan eigen schuld of toedoen van de ambtenaar
is te wijten;
b. bij ontslag tijdens het volgen van de scholing en in bijzondere
gevallen bij ontslag binnen een termijn van ten hoogste drie jaren na
het met voldoende resultaat afronden van de scholing, tenzij de
ambtenaar binnen een maand na zijn ontslag elders in dienst treedt
binnen de rijksdienst of aansluitend aan zijn ontslag recht heeft op een
uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of
ouderdomspensioen.
7. De verplichting tot terugbetaling wordt niet opgelegd aan de
ambtenaar die binnen de in artikel 49g bedoelde termijn nadat hij is
aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 49d en
49e, op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend wegens de
aanvaarding van een functie buiten de rijksdienst.
8. Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van het bepaalde in dit
artikel nadere regels worden gesteld.
Artikel 60
Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties kunnen nadere regels worden gesteld om ambtenaren
die werkzaam zijn in een substantieel bezwarende functie als bedoeld in
artikel 97, eerste lid, te stimuleren na verloop van tijd de overstap te
maken naar een niet substantieel bezwarende functie.
Artikel 61
1.De ambtenaar is verplicht aan Onze Minister, op een door Onze Minister
te bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij
verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de
dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling,
kunnen raken.
2.Onze Minister voert een registratie op basis van de op grond van het
eerste lid gedane opgaven.
3.De door de leden van de topmanagementgroep, bedoeld in artikel 4,
vijfde lid, onder a, juncto artikel 7, vierde lid, en door de
directeur-generaal Algemene Bestuursdienst gemelde nevenwerkzaamheden
worden openbaar gemaakt met vermelding van eventueel door Onze Minister
aan het verrichten van de nevenwerkzaamheden gestelde beperkingen.
4.Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor
de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de
openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn
functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Bij
ministeriële regeling kunnen nadere regels omtrent dit verbod worden
gesteld.
Artikel 61a
1.Onze Minister wijst de ambtenaren aan die werkzaamheden verrichten
waaraan in het bijzonder het risico van financiële
belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
koersgevoelige informatie verbonden is. De aangewezen ambtenaar meldt
financiële belangen, alsmede het bezit van en transacties met effecten
die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn
functievervulling kunnen raken, aan een daartoe aangewezen functionaris.
2.Onze Minister voert een registratie van de op grond van het eerste lid
gedane meldingen.
3.De ambtenaar verstrekt nadere informatie of bescheiden met betrekking
tot de financiële belangen of het bezit van of de transacties met
effecten, indien daarvoor naar het oordeel van Onze Minister of de
aangewezen functionaris, bedoeld in het eerste lid, aanleiding bestaat
op grond van de melding of na de melding gebleken feiten of
omstandigheden.
4.Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten
te bezitten of effectentransacties te verrichten waardoor de goede
vervulling van zijn functie of het goed functioneren van de openbare
dienst, voorzover dit in verband staat met zijn functievervulling, niet
in redelijkheid zou zijn verzekerd.
5.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent
de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld in het
tweede lid, en het verbod, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 62
1.Het is den ambtenaar verboden, middellijk of onmiddellijk deel te
nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van openbare diensten,
tenzij daarvoor toestemming is verleend.
2.Hij is verplicht zich te gedragen naar hetgeen voor hem is bepaald ten
aanzien van het deelnemen, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen
en leveringen ten behoeve van anderen.
Artikel 63 [Vervallen per 19-12-1997]
Artikel 63a
1.De ambtenaar, die een besturende, beherende dan wel toezichthoudende
functie vervult in een naamloze vennootschap of ander
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, en voor de in die functie
verrichte of te verrichten werkzaamheden, anders dan uit ’s Rijks kas,
een vergoeding ontvangt, is verplicht die vergoeding in genoemde kas te
storten, indien de benoeming in die functie
a. heeft plaats gehad door dan wel in overeenstemming met Onze Minister;
b. is voortgevloeid uit een wettelijk voorschrift dan wel uit een
overeenkomst, welke met instemming van Onze Minister of de Raad van
Ministers is tot stand gekomen.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
ambtenaar die werkzaamheden vervult die verband houden met het door hem
beklede ambt en hem zijn opgedragen door Onze Minister, en die voor die
werkzaamheden, anders dan uit ’s Rijks kas, een vergoeding ontvangt.
3.De vorige leden vinden geen toepassing in de gevallen, waarin dit door
Onze Minister-President is bepaald.
Artikel 64
1.Het is den ambtenaar in zijn ambt verboden, anders dan met goedvinden
van het bevoegd gezag, vergoedingen, belooningen, giften of beloften van
derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen.
2.Het aannemen van steekpenningen is onvoorwaardelijk en ten strengste
verboden.
Artikel 65
De ambtenaar is verplicht de dienstkleding en de onderscheidingstekenen
te dragen, voor zover dit door Onze Minister voorgeschreven is.
Artikel 66
1.De ambtenaar kan worden verplicht tot geheele of gedeeltelijke
vergoeding van de door den dienst geleden schade, voor zoover deze aan
hem is te wijten.
2.Het bedrag van de schadevergoeding wordt niet vastgesteld, dan nadat
de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling
te verantwoorden.
Artikel 66a [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 67
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan regels
stellen ten aanzien van telewerken. Deze regels hebben in ieder geval
betrekking op:
a. de inrichting van de telewerkplek;
b. de beschikbaarstelling door het bevoegd gezag van apparatuur;
c. de wijze waarop de werkcontacten tussen de ambtenaar en zijn
dienstonderdeel zullen plaatsvinden;
d. de wijze waarop wordt voorzien in een vergoeding van de door de
ambtenaar gemaakte kosten;
e. de wijze waarop het overleg met de vertegenwoordigers van het
personeel wordt gevoerd.
Artikel 68
1.De ambtenaar heeft recht op vergoeding wegens reis- en verblijfkosten
ter zake van dienstreizen.
2.Deze vergoeding wordt vastgesteld overeenkomstig de daarvoor gestelde
regels.
Artikel 69
1.Onze Minister kan naar billijkheid de ambtenaar schadeloos stellen,
kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen.
2.De ambtenaar en de gewezen ambtenaar die een beroepsincident als
bedoeld in artikel 35, onderdeel f, hebben gehad, hebben recht op
volledige vergoeding van de schade die zij ten gevolge van dat
beroepsincident lijden. In overeenstemming met de ambtenaar kan deze
vergoeding mede strekken ter vervanging van de uitkering, bedoeld in
artikel 38, zevende lid.
3.Onze Minister is bevoegd omtrent schadeloosstelling,
kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen aan groepen
van ambtenaren in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties regels te geven.
4.Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties regels stellen omtrent de schadeloosstelling,
kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen aan groepen
van ambtenaren.
Artikel 70
1.De ambtenaar, die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met
een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de
Wet publieke gezondheid bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt,
mag zijn dienst niet verrichten en heeft geen toegang tot
dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen dan met toestemming van het
bevoegd gezag, dat deze toestemming slechts kan verlenen na positief
medisch advies van de deskundige persoon of de arbodienst, bedoeld in
hoofdstuk VI.
2.De ambtenaar, die verkeert in de in het vorige lid omschreven
situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de
deskundige persoon of de arbodienst, bedoeld in hoofdstuk VI. Hij is
gehouden zich te gedragen naar de vanwege de deskundige persoon of de
arbodienst, bedoeld in hoofdstuk VI gegeven aanwijzingen, waaronder die
met betrekking tot het ondergaan van een arbeidsgezondheidskundig
onderzoek.
3.Gedurende de periode dat de ambtenaar ingevolge het bepaalde in dit
artikel zijn dienst niet verricht, geniet hij zijn volle bezoldiging.
Artikel 71
1.Met de ambtenaar wordt minimaal een keer per jaar door een
functionaris, aangewezen door het bevoegd gezag, gesproken over:
a. de wijze waarop de ambtenaar de opgedragen werkzaamheden heeft
uitgevoerd en de resultaten die daarbij zijn gehaald;
b. de omstandigheden waaronder de opgedragen werkzaamheden zijn
uitgevoerd;
c. welke werkzaamheden de ambtenaar zullen worden opgedragen en welke
resultaten daarbij behaald moeten worden;
d. de omstandigheden waaronder die op te dragen werkzaamheden zullen
worden uitgevoerd;
e. de wijze waarop de persoonlijke ontwikkeling van de ambtenaar
bevorderd kan worden.
2.Indien de ambtenaar gedurende vijf aaneengesloten jaren dezelfde
functie heeft vervuld, wordt in het gesprek als bedoeld in het eerste
lid specifieke aandacht besteed aan de continuering van de loopbaan.
3.Van het met de ambtenaar besprokene wordt een schriftelijk verslag
gemaakt.
4.Over de in het eerste lid, onder c, d en e, genoemde onderwerpen
worden met de ambtenaar afspraken gemaakt.
5.Onze Minister stelt vast aan welke eisen een gesprek als bedoeld in
het eerste lid alsmede een verslag daarvan moet voldoen.
Artikel 71a
1.Indien het bevoegd gezag dit wenselijk vindt of de ambtenaar dit
aanvraagt, wordt een beoordeling opgemaakt.
2.Een beoordeling wordt eerst vastgesteld nadat deze met de ambtenaar is
besproken en hij zijn zienswijze kenbaar heeft kunnen maken.
3.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt
nadere regels omtrent het opmaken en vaststellen van beoordelingen.
Artikel 71b
1.De ambtenaar die ten minste drie jaar een functie dan wel
vergelijkbare of uitwisselbare functies vervult, heeft de mogelijkheid
om, op kosten van het bevoegd gezag, eenmaal per vijf jaar een
vertrouwelijke loopbaanscan te doen, met behulp van een professionele
loopbaandeskundige.
2.De ambtenaar kan de uitkomsten van de loopbaanscan inbrengen in het
gesprek, bedoeld in artikel 71, ter ondersteuning van het maken van
afspraken over de verdere loopbaan.
Artikel 72
Verplichting tot zekerheidsstelling wordt den ambtenaar niet opgelegd.
Artikel 73
1.De ambtenaar die namens een minister is belast met de in artikel 24,
tweede en derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 vermelde taken, is
verplicht een tekort geheel of gedeeltelijk aan te zuiveren, wanneer hem
ter zake van dat tekort een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
2.De ambtenaar die namens een minister is belast met het in artikel 25,
tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 bedoelde beheer, is verplicht
schade te vergoeden, wanneer hem ter zake van die schade een ernstig
verwijt kan worden gemaakt.
Artikel 74 [Vervallen per 10-07-1992]
Artikel 75 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 76
Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft en hiervan aan het
hoofd van dienst heeft kennis gegeven, behoort gelegenheid te worden
gegeven haar kind te zoogen.
Artikel 77
1.Aan den ambtenaar kan door het bevoegd gezag de toegang tot de
dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar,
worden ontzegd.
2.Hij is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde, die
ten aanzien van het verblijf aldaar zijn vastgesteld.
Artikel 78
Het is den ambtenaar verboden gedurende den werktijd alcoholhoudende
dranken te gebruiken, bij zich te hebben of in de dienstlokalen te
bewaren.
Artikel 79
1.De ambtenaar heeft aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum
volgens door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
te stellen regels.
2.De ambtenaar die een diensttijd heeft van tien jaar of meer en aan wie
ontslag is verleend op grond van artikel 96 of 98, eerste lid, onder f,
wordt een diensttijdgratificatie toegekend, indien binnen een termijn
van vijf jaar na de datum van ingang van het ontslag aanspraak op een
gratificatie bij ambtsjubileum zou hebben bestaan. De
diensttijdgratificatie bedraagt een in verhouding tot de doorgebrachte
diensttijd evenredig gedeelte van een gratificatie bij ambtsjubileum als
bedoeld in het eerste lid. De berekeningsgrondslag van de gratificatie
wordt bij een ontslag op grond van artikel 98, eerste lid, onder f,
vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller overeenkomt met het
aantal uren waarvoor de ambtenaar ontslag is verleend en de noemer met
het aantal uren waarvoor hij voorafgaand aan het ontslag was aangesteld.
Hoofdstuk VIIb [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 79a [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 79b [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 79c [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 79d [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 79e [Vervallen per 01-01-2010]
Hoofdstuk VIII. Disciplinaire straffen
Artikel 80
1.De ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich
overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan deswege disciplinair
worden gestrafd.
2.Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het
doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke
omstandigheden behoort na te laten of te doen.
3.Tenzij door Ons of met Onze machtiging door Onze Minister anders is
bepaald, wordt de straf opgelegd door het gezag, dat bevoegd is tot
aanstelling in het door de ambtenaar beklede ambt. Indien deze
bevoegdheid bij Ons berust, geschiedt de bestraffing, behalve voor zover
betreft de straffen genoemd in artikel 81, eerste lid, onder i en l,
door Onze Minister.
Artikel 81
1.De disciplinaire straffen, welke kunnen worden opgelegd, zijn:
a. schriftelijke berisping;
b. buitengewone dienst op andere dagen dan zondag en de voor de
ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen, zonder beloning of tegen een
lagere dan de normale beloning en wel voor ten hoogste 6 uren met een
maximum van 3 uren per dag;
c. vermindering van het recht op jaarlijkse vakantie met ten hoogste 1/3
van het aantal uren, waarop in het desbetreffende kalenderjaar aanspraak
bestaat;
d. geldboete van ten hoogste € 22;
e. gehele of gedeeltelijke inhouding van salaris tot een bedrag van ten
hoogste het salaris over een halve maand;
f. vaststelling van het salaris op een bedrag in de voor de ambtenaar
geldende salarisschaal dat maximaal twee jaarlijkse periodieke
salarisverhogingen minder bedraagt dan ingevolge de op hem van
toepassing zijnde bezoldigingsregeling behoort te gelden, of indien voor
het door de ambtenaar beklede ambt geen salarisschaal geldt,
vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de
tijd van niet langer dan twee jaren;
g. het niet toekennen van periodieke salarisverhogingen gedurende ten
hoogste vier jaren;
h. uitsluiting voor de tijd van ten hoogste vier jaren van indeling in
een salarisschaal waarvoor een hoger maximumsalaris geldt, indien
zodanige indeling anders volgens de daarvoor geldende regeling zou
hebben plaatsgevonden;
i. indeling in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt
dan dat verbonden aan de salarisschaal welke ingevolge de van toepassing
zijnde bezoldigingsregeling behoort te gelden, een en ander al dan niet
voor een bepaalde tijd en met of zonder vermindering van bezoldiging;
j. verplaatsing, al dan niet met verlening van een tegemoetkoming in
mogelijke verplaatsingskosten tot ten hoogste het bedrag, dat in geval
van verplaatsing in het belang van de dienst zou kunnen worden verleend
krachtens het Verplaatsingskostenbesluit 1989;
k. schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke
inhouding van bezoldiging;
l. ontslag.
2.Indien een straf, als bedoeld in het eerste lid onder g, h of i is
opgelegd, kan - zo het verdere gedrag van de ambtenaar naar het oordeel
van het tot oplegging van de straf bevoegd gezag daartoe aanleiding
heeft gegeven - zijn positie met ingang van een bepaald tijdstip geheel
of ten dele in overeenstemming worden gebracht met de positie, zoals
deze zonder de strafoplegging zou zijn geweest.
3.Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten
uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een
vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim,
als waarvoor de bestraffing plaats vindt, noch aan enig ander ernstig
plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel
gestelde bijzondere voorwaarden.
Artikel 82
1.Indien de ambtenaar verantwoording aflegt doet hij dit ten overstaan
van het gezag dat tot de voorgenomen strafoplegging bevoegd is, of van
een door dit gezag aangewezen autoriteit, tenzij bij koninklijk besluit
anders wordt bepaald. Indien deze bevoegdheid bij Ons berust, geschiedt
de verantwoording ten overstaan van Onze Minister of van een door deze
aangewezen autoriteit. Het gezag, ten overstaan waarvan de
verantwoording zal plaats vinden, bepaalt of deze mondeling of
schriftelijk zal geschieden, met dien verstande dat bij schriftelijke
verantwoording de ambtenaar op zijn verzoek gelegenheid wordt gegeven
tot nadere mondelinge toelichting.
2.Van de mondelinge verantwoording en van een eventuele nadere
mondelinge toelichting wordt aanstonds proces-verbaal opgemaakt, dat na
voorlezing wordt getekend door hem, te wiens overstaan de verantwoording
heeft plaats gevonden, en door de ambtenaar. Weigert de ambtenaar de
ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met
vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het
proces-verbaal wordt aan de ambtenaar uitgereikt.
Artikel 82a
De ambtenaar kan niet gestraft worden wegens overtreding van artikel
125a, eerste lid, van de Ambtenarenwet, dan nadat daarover advies is
ingewonnen van de Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening
ambtenaren.
Artikel 83
De ambtenaar dient van de ontvangst van een besluit inzake
strafoplegging te doen blijken door onverwijlde terugzending van een
door hem ondertekend en gedateerd ontvangstbewijs.
Artikel 84
De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten
uitvoer gelegd, zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij
de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.
Hoofdstuk IX. De instelling en werkwijze van commissies waaraan de
beslissing met uitsluiting van administratieve organen is opgedragen
Artikel 85 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 86 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 87 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 88 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 89 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk X. Schorsing en ontslag
Artikel 90
De ambtenaar is van rechtswege in zijn ambt geschorst, wanneer hij
krachtens wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd, tenzij de
vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond
van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, genomen
in het belang van de volksgezondheid.
Artikel 91
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 81, eerste lid onder k, kan de
ambtenaar in zijn ambt worden geschorst:
a. Indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen
hem is ingesteld;
b. wanneer hem door het daartoe bevoegde gezag het voornemen tot
bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven, dan wel
hem die straf is opgelegd;
c. wanneer, naar het oordeel van het bevoegde gezag, het belang van de
dienst zulks vordert.
2.Schorsing geschiedt door het gezag, dat bevoegd is tot aanstelling in
het ambt, waarin geschorst wordt. Berust die bevoegdheid bij Ons, dan
geschiedt de schorsing door Onze minister.
Artikel 92
1.Tijdens de schorsing kan de bezoldiging voor één derde gedeelte
worden ingehouden; na verloop van zes weken kan een verdere inhouding,
ook van het volle bedrag der bezoldiging, plaatsvinden.
Geen inhouding vindt plaats in geval van schorsing in het belang van de
dienst, bedoeld in het eerste lid onder c van het vorige artikel, van
plaatsing in een krankzinnigengesticht of daarmede gelijk te stellen
inrichting dan wel van politiebewaring of inverzekeringstelling als
bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering, mits niet
gevolgd door inbewaringstelling.
2.De ingehouden bezoldiging kan alsnog geheel of gedeeltelijk aan de
ambtenaar worden uitbetaald, indien de schorsing niet wordt gevolgd door
een onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van straf of ontslag op grond van
artikel 98, eerste lid onder e. Op de aldus uit te keren bezoldiging
worden in mindering gebracht de inkomsten, welke de ambtenaar sedert de
schorsing heeft genoten uit arbeid, die hij als gevolg van de schorsing
heeft kunnen verrichten, tenzij zulks, naar het oordeel van het bevoegde
gezag, onredelijk of onbillijk is.
3.Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging van de geschorste
ambtenaar kan aan anderen worden uitbetaald.
4.In geval van schorsing tijdens ziekte van de ambtenaar wordt onder
bezoldiging verstaan, hetgeen daaronder voor de toepassing van hoofdstuk
VI wordt verstaan.
Artikel 93
Ontslag wordt gegeven door het gezag dat bevoegd is tot aanstelling in
het desbetreffende ambt. De voordracht voor het ontslag van de
ambtenaar, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, geschiedt door
Onze minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het ontslag
van de ambtenaar, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder b of c, vindt
plaats in overeenstemming met Onze minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
Artikel 94
1.De ambtenaar wordt op zijn aanvraag ontslag verleend.
2.Behoudens in het geval, bedoeld in artikel 34e, eerste lid, wordt dit
ontslag verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand of
later dan drie maanden na de dag, waarop de aanvraag om ontslag is
ingekomen.
3.Van het bepaalde in het eerste lid kan worden afgeweken, indien een
strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen de ambtenaar is
ingesteld of indien wordt overwogen de disciplinaire straf van ontslag
op te leggen.
4.Van het bepaalde in het tweede lid kan worden afgeweken:
a. indien wordt overwogen de ambtenaar een disciplinaire straf op te
leggen;
b. indien het belang van de dienst zulks vordert, met dien verstande,
dat de termijn van drie maanden, vermeld in het tweede lid, tot ten
hoogste zes maanden kan worden verlengd en dat bij de verlenging in
redelijkheid met het belang van de ambtenaar rekening wordt gehouden;
c. ingevolge een aanvraag van de ambtenaar.
5.Het ontslag op aanvraag van de ambtenaar wordt eervol verleend.
Artikel 94a
1. Onder de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel,
als bedoeld in dit artikel, wordt verstaan de overeenkomst die is
aangegaan op grond van artikel 2 van de Wet kaderregeling vut
overheidspersoneel.
2. Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op
grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel
3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en
artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds Abp
wordt ontslag verleend, indien het bestuur van de Stichting fonds
vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur
van de Stichting Pensioenfonds Abp op grond van een desbetreffende
aanvraag hebben vastgesteld dat na dat te verlenen ontslag recht bestaat
op een uitkering op grond van die regeling. Het ontslag gaat niet eerder
in dan met ingang van de dag waarop het recht op de in de vorige volzin
bedoelde uitkering ontstaat.
3. Op aanvraag van de ambtenaar kan het in het tweede lid bedoelde
ontslag ook voor een gedeelte van de voor hem geldende arbeidsduur
worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen
verzetten. Het gedeelte van dit ontslag bedraagt ten minste 10% van de
omvang van de dienstverhouding. Ontslag voor een gedeelte van de
arbeidsduur waaruit reeds eerder gedeeltelijk ontslag met het oog op de
in het tweede lid bedoelde uitkering heeft plaatsgevonden bedraagt ten
minste 10% van de oorspronkelijke arbeidsduur.
4. Artikel 94 , tweede tot en met vijfde lid, is zoveel mogelijk van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 95
1.Aan de ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst wordt geacht
eervol ontslag te zijn verleend zodra de duur van de aanstelling in
tijdelijke dienst is verstreken, tenzij sprake is van een stilzwijgende
voortzetting als bedoeld in artikel 6, vierde of vijfde lid.
2.Aan de ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst kan ontslag
worden verleend, mits een opzegtermijn in acht wordt genomen van:
a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging
laatstelijke tenminste twaalf maanden onafgebroken in dienst is geweest;
b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging
laatstelijke tenminste zes maanden doch korter dan twaalf maanden
onafgebroken in dienst is geweest;
c. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging
laatstelijk korter dan zes maanden onafgebroken in dienst is geweest.
3.Opzegging als in het vorige lid bedoeld kan niet geschieden gedurende
de zwangerschap van de vrouwelijke ambtenaar, noch gedurende het verlof
bedoeld in artikel 33fb, vierde lid, noch – indien zij haar dienst
heeft vervat – gedurende een periode van zes weken volgend op dat
verlof. Het bevoegd gezag kan ter staving van de zwangerschap een
verklaring van een arts of van een verloskundige verlangen.
4.Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens het
aanvragen of het opnemen van ouderschapsverlof.
5.Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens de
omstandigheid dat de ambtenaar in of buiten rechte een beroep heeft
gedaan op het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
6.Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet plaatsvinden wegens
het feit dat de ambtenaar door een centrale als bedoeld in artikel 105
of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen om bestuurlijke
of vertegenwoordigende aktiviteiten te ontplooien binnen zijn centrale
of een daarbij aangesloten vereniging dan wel binnen de organisatie van
de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale
van overheidspersoneel en daarbij aangesloten verenigingen te
ondersteunen.
7.Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens de
omstandigheid dat de ambtenaar is geplaatst op een kandidatenlijst als
bedoeld in artikel 9 van de Wet op de ondernemingsraden, noch wegens het
lidmaatschap of het korter dan twee jaar geleden beëindigde
lidmaatschap van de ambtenaar van de ondernemingsraad of van een
commissie van die raad.
8.Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan voor
de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op de aanvraag van
de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd, welke aan de
opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de
laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering.
Reorganisatie-ontslag
Artikel 96
1.De ambtenaar kan in het kader van een reorganisatie eervol ontslag
worden verleend indien het niet mogelijk is gebleken om hem te
herplaatsen in een passende functie.
2.Aan de ambtenaar die in het kader van een reorganisatie is herplaatst
kan alsnog het ontslag, bedoeld in het eerste lid worden verleend indien
binnen een periode van uiterlijk één jaar te rekenen vanaf de datum
waarop de functie is opgedragen, blijkt dat de betreffende functie niet
passend is voor die ambtenaar en het niet mogelijk is om de ambtenaar
binnen een redelijke termijn op een passende functie te plaatsen.
3.Bij een ontslagverlening op grond van het eerste lid van dit artikel
wordt een opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen. Bij een
ontslagverlening op grond van het tweede lid van dit artikel geldt geen
opzeggingstermijn.
Artikel 96a
1.Aan de ambtenaar kan eervol ontslag worden verleend indien van hem in
redelijkheid niet kan worden verlangd, dat hij zich zal voegen in zijn
verplaatsing over een aanmerkelijke afstand tengevolge van een
verplaatsing van zijn functie.
2.Aan de ambtenaar kan binnen een periode van uiterlijk één jaar nadat
hij is verplaatst over een aanmerkelijke afstand, alsnog het ontslag,
bedoeld in het eerste lid worden verleend indien van hem in redelijkheid
niet kan worden verlangd dat hij zich zal blijven voegen in zijn
verplaatsing over een aanmerkelijke afstand tengevolge van een
verplaatsing van zijn functie.
3.De artikelen 49h tot en met 49l, 49o en 49p zijn op de ambtenaar van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 96b
1.Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in
een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of verkozen,
tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij
ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het
bevoegd gezag niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag
verleend.
2.Tenzij artikel 34e, eerste lid, van toepassing is, wordt eervol
ontslag eveneens verleend aan de ambtenaar, die na afloop van het
verlof, verleend met toepassing van artikel 34, uitgezonderd het vierde
en vijfde lid en in verband met het vervullen van een functie bij een
internationale volkenrechtelijke organisatie, naar het oordeel van het
bevoegd gezag niet in actieve dienst kan worden hersteld.
3.Het eerste lid vindt eveneens toepassing voor de ambtenaar die ophoudt
de functie te bekleden, bedoeld in artikel 16, derde lid.
Artikel 96c
Aan de ambtenaar die een benoeming tot minister of staatssecretaris
aanvaardt wordt, met ingang van de dag van het aanvaarden van deze
betrekking, eervol ontslag verleend.
Artikel 97
1. Bij besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties wordt een in categorie A en B onderverdeelde lijst
met functies vastgesteld, die uit hoofde van de aard van de aan die
functies verbonden werkzaamheden als substantieel bezwarend worden
aangemerkt.
2. De ambtenaar, belast met een functie die is ingedeeld in categorie A
van de in het eerste lid bedoelde lijst, wordt eervol ontslag verleend
op de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van
60 jaar en 8 maanden heeft bereikt.
3. De ambtenaar, belast met een functie die is ingedeeld in categorie B
van de in het eerste lid bedoelde lijst, wordt eervol ontslag verleend
op de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van
55 jaar heeft bereikt.
4. Het bevoegd gezag kan van het verlenen van het ontslag, bedoeld in
het tweede en het derde lid, voor de duur van telkens ten hoogste één
jaar afzien, indien het dienstbelang zich daartegen niet verzet, de
ambtenaar zulks heeft aangevraagd of daarmee instemt en hij blijkens de
uitslag van een door de deskundige persoon of de arbodienst ingesteld
arbeidsgezondheidskundig onderzoek, als bedoeld in artikel 36a, eerste
lid, onder f, lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht zijn
functie te blijven vervullen.
5. Indien niet meer wordt voldaan aan een of meer van de in het vierde
lid genoemde voorwaarden, vindt eervol ontslag plaats.
6. Het ontslag, bedoeld in het vijfde lid, wordt verleend met ingang van
een dag niet vroeger dan een maand of niet later dan drie maanden na de
dag, waarop niet langer aan een of meer van de in het vierde lid
gestelde voorwaarden wordt voldaan.
7. De ambtenaar, aan wie op grond van het tweede, derde of vijfde lid
ontslag is verleend, heeft recht op een uitkering overeenkomstig door
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te stellen
regels.
8. Het ontslag op grond van het tweede, derde of vijfde lid wordt geacht
een ontslag te zijn als bedoeld in artikel 94a, tweede lid, indien ten
aanzien van dat ontslag wordt voldaan aan de in dat artikel genoemde
voorwaarden.
Artikel 97a [Vervallen per 01-01-1958]
Artikel 97b
1.Voor de ontslagverlening als bedoeld in artikel 125e, tweede lid, van
de Ambtenarenwet, is overeenstemming vereist met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze is gehouden het advies
in te winnen van de Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening
ambtenaren.
2.Indien het voornemen tot ontslagverlening afkomstig is van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is
overeenstemming vereist met Onze Minister-President.
Artikel 98
1. Anders dan op aanvraag van de ambtenaar, bij wijze van straf of
ingevolge het bepaalde bij artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten
Staten-Generaal en Europees Parlement, de artikelen 95, 96, 96a, 96b,
96c en 97 van dit besluit en bij artikel 125e, tweede lid, van de
Ambtenarenwet, kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van:
a. het verlies van een vereiste voor de benoembaarheid, door het
bevoegde gezag gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan,
tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt;
b. het aangaan van een graad van zwagerschap, die de benoembaarheid tot
het ambt zou uitsluiten;
c. onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak, waarbij de ambtenaar
onder curatele is gesteld;
d. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk
geworden rechterlijke uitspraak;
e. onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
misdrijf;
f. ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
g. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt,
anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;
h. het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;
i. het bij of in verband met indiensttreding en/of keuring verstrekken
van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet
tot indienstneming of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de
ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
2. Een ontslag op grond van het bepaalde in het eerste lid onder a, b,
f, g en h wordt steeds eervol verleend.
3. Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, kan slechts
plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de
in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en
c. het bevoegd gezag van oordeel is dat duurzame reïntegratie in arbeid
die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van de ambtenaar, niet
binnen een redelijke termijn te verwachten is.
4. De termijn van twee jaar, bedoeld in het derde lid, onderdeel a,
wordt verlengd:
a. met de duur van de vertraging indien het bevoegd gezag de aangifte,
bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet later doet dan op
grond van dat artikel van de Ziektewet is voorgeschreven;
b. met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel
23, eerste lid, van de WIA, indien de wachttijd op grond van artikel 24,
eerste lid, van de WIA wordt verlengd;
c. met de duur van het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25,
negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.
5. Voor de berekening van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het
derde lid, onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het
verrichten van arbeid wegens ziekte tengevolge van zwangerschap
voorafgaand aan het zwangerschapsverlof en perioden van ongeschiktheid
tijdens het zwangerschaps- of bevallingsverlof, bedoeld in artikel 3:1,
tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, niet in aanmerking
genomen.
6. Perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid,
anders dan bedoeld in het vijfde lid, worden samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of
indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel
3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de
ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak.
7. Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in
het derde lid, betrekt het bevoegd gezag de uitslag van de beoordeling
door het UWV van de claim in het kader van de WIA. Indien deze
beoordeling niet of langer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden,
vraagt het bevoegd gezag aan het UWV een oordeel als bedoeld in artikel
32, eerste lid, van de Wet SUWI en betrekt dit bij zijn beoordeling.
8. Indien herplaatsing als bedoeld in artikel 37a plaatsvindt in een
betrekking voor minder uren dan het aantal waarvoor de ambtenaar was
aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het meerdere
aantal uren.
Artikel 98a
Indien aan de ambtenaar gedurende de tijd, dat hij recht heeft op
wachtgeld, daaronder mede begrepen herplaatsingswachtgeld, een uitkering
krachtens de Uitkeringsregeling 1966 of een suppletie op grond van de
Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk , een
voor hem passend geachte betrekking is aangeboden en die betrekking
binnen een periode van uiterlijk één jaar, nadat hij haar is gaan
vervullen, niet passend voor hem blijkt te zijn, kan hem binnen die
periode op zijn aanvraag eervol ontslag uit die betrekking worden
verleend, welk ontslag ten aanzien van zijn aanspraken op een wachtgeld
of uitkering als evenbedoeld, wordt geacht niet door eigen toedoen te
zijn verleend.
Artikel 98b
1. Aan de ambtenaar die ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid
te verrichten kan ontslag worden verleend, indien hij zonder deugdelijke
grond weigert:
a. gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd
gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te
werken aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag
aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen
de eigen of passende andere arbeid te verrichten, of
b. passende arbeid te verrichten waartoe het bevoegd gezag hem in de
gelegenheid stelt, of
c. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren of
bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede
lid, van de WIA, of
d. een WIA-uitkering aan te vragen.
2. Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in
het eerste lid, kan het bevoegd gezag de uitslag van beoordeling door
het UWV van de claim in het kader van de WIA betrekken indien deze
minder dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden.
Artikel 99
1.Aan de ambtenaar in vaste dienst kan ook op andere gronden dan die in
artikel 98 zijn geregeld of waarnaar in dat artikel wordt verwezen,
ontslag worden gegeven. Dat ontslag wordt eervol verleend.
2.In geval van ontslag ingevolge het eerste lid wordt door het tot
ontslagverlening bevoegde gezag een voorziening getroffen waarbij de
ambtenaar een uitkering verleend wordt, die, naar het oordeel van dat
bevoegde gezag, met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten.
Deze uitkering zal ten minste gelijk zijn aan het voor de ambtenaar
geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de
Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij
werkloosheid voor de sector Rijk, als ware als gevolg van het ontslag
geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van
de Werkloosheidswet. Voor zover door het bevoegde gezag ten gunste van
de ambtenaar niet anders is beslist, zijn op de uitkering voor het
overige de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen
bij werkloosheid voor de sector Rijk van overeenkomstige toepassing.
3.Indien de ambtenaar terzake van zijn ontslag ingevolge het eerste lid
recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector
Rijk, wordt de in het tweede lid bedoelde uitkering met die uitkering
verminderd.
Artikel 100 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 100a
1.De ambtenaar aan wie op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend in
verband met de aanvaarding van een functie buiten de overheid, heeft op
grond van zijn ontslag als ambtenaar aanspraak op een uitkering
overeenkomstig het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid
voor de sector Rijk.
2.Het bepaalde in het eerste lid geldt slechts indien de ambtenaar is
aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 49d en
49e en hij binnen twee jaar na zijn indiensttreding buiten de overheid
buiten zijn schuld of toedoen wordt ontslagen.
3.Indien de ambtenaar terzake van zijn ontslag ingevolge het tweede lid
recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet wordt de in
het eerste lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.
Artikel 101 [Vervallen per 01-01-1999]
Artikel 102
1. De bezoldiging van de ambtenaar wordt uitbetaald tot en met de dag
van overlijden.
2. Indien de ambtenaar bij zijn overlijden een positief of negatief
vakantiesaldo heeft, vinden artikel 24, eerste en tweede lid,
overeenkomstige toepassing. Het aldus openstaande bedrag en de reeds
voor zijn overlijden aan de ambtenaar uitbetaalde bezoldiging over een
na zijn overlijden gelegen tijdvak worden verrekend met het eventueel
aan de nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgenden van de ambtenaar
verschuldigde bedrag wegens nog niet vergolden aanspraken van de
ambtenaar, en bij gebreke hiervan of indien dit bedrag daarvoor niet
toereikend is, op de uitkering, bedoeld in het derde lid.
3. Aan de nabestaande, van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam
gescheiden leefde, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging
over drie maanden vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering hierover. Indien de ambtenaar op de dag direct
voorafgaand aan zijn overlijden aanspraak maakte op een uitkering op
grond van de Ziektewet, Werkloosheidswet of de WIA, wordt als maatstaf
voor de bezoldiging uitgegaan van de bezoldiging die hij zou hebben
genoten als hij op die dag arbeidsgeschikt zou zijn geweest.
4. Indien de ambtenaar in het genot was van een toelage als bedoeld in
artikel 17 of 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984, wordt de in het derde lid bedoelde bezoldiging in
zoverre gesteld op het gemiddelde van het bedrag dat de overleden
ambtenaar is toegekend of zou zijn toegekend in de drie kalendermaanden
voorafgaande aan de dag van overlijden, of het intreden van de
arbeidsongeschiktheid.
5. Op het bedrag, bedoeld in het derde lid, wordt in mindering gebracht
een uitkering op grond van artikel 35 van de ZW, artikel 74 van de WIA,
artikel 11.17 van het pensioenreglement of andere naar aard en strekking
hiermee overeenkomende uitkeringen die voortvloeien uit dezelfde
dienstbetrekking.
6. Bij ontstentenis van een nabestaande, van wie de overledene niet
duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering, bedoeld in het derde
lid, ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen in de zin
van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen en kinderen
waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder
pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de
opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van
enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding
daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan
degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de bezoldiging
van de ambtenaar.
7. Indien de ambtenaar geen betrekkingen als bedoeld in het derde en
zesde lid nalaat, kan de daar bedoelde uitkering door het bevoegd gezag
geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van
de laatste ziekte en van de lijkbezorging indien de nalatenschap van de
overledene hiertoe ontoereikend is.
Artikel 102a
Na het overlijden van de gewezen ambtenaar, die op de dag van zijn
overlijden op grond van de artikelen 38 en 46 in het genot was van
doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, wordt aan de in
artikel 102 bedoelde personen en met overeenkomstige toepassing van dat
artikel een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging welke de
gewezen ambtenaar op de dag van zijn overlijden genoot, berekend over
een tijdvak van drie maanden. Op deze uitkering wordt in mindering
gebracht het bedrag van de uitkering op grond van de artikelen 35 en 36
van de ZW, artikel 74 van de WIA, de artikelen 6 en 11 van het Besluit
bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk of naar
aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen die voortvloeien
uit dezelfde dienstbetrekking. Alleen uitkeringen die voortvloeien uit
de dienstbetrekking bij Onze Minister worden in mindering gebracht.
Artikel 102b
1.Indien het overlijden van de ambtenaar is veroorzaakt door een
dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen
beroepsziekte, wordt aan degene die in verband met dit overlijden
krachtens het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, een
nabestaandenpensioen geniet, een uitkering toegekend ten bedrage van 18
procent van het resultaat van de vermenigvuldiging van:
a) indien het gaat om de partner, bedoeld in artikel 7.1 van het
Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, vijf zevende deel
van 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van
het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP en de
pensioengeldige diensttijd, bedoeld in hoofdstuk 5 van het
Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
b) indien het gaat om de wees, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid,
aanhef, onderdeel a, van het Pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP, een zevende deel van 1,75 procent van de
berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het Pensioenreglement
van de Stichting Pensioenfonds ABP, en de pensioengeldige diensttijd,
bedoeld in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP;
c) indien het gaat om de wees, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid,
aanhef, onderdeel b, van het Pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP, twee zevende deel van 1,75 procent van de
berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het Pensioenreglement
van de Stichting Pensioenfonds ABP, en de pensioengeldige diensttijd,
bedoeld in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP.
Indien de weduwe of weduwnaar een samenlevingscontract sluit dan wel een
geregistreerd partnerschap aangaat, eindigt de uitkering met ingang van
de maand volgend op de datum van het sluiten van het
samenlevingscontract dan wel het aangaan van het geregistreerd
partnerschap.
2.De uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de overledene de
leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt, dan wel, indien de partner,
bedoeld in artikel 7.1 van het Pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP, aan wie een pensioen werd toegekend, hertrouwt, met
ingang van de maand volgende op de datum van het hertrouwen. Indien de
weduwe of weduwnaar een samenlevingscontract sluit dan wel een
geregistreerd partnerschap aangaat, eindigt de uitkering met ingang van
de maand volgende op de datum van het sluiten van het
samenlevingscontract dan wel van het aangaan van het geregistreerd
partnerschap.
3.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de gewezen
ambtenaar ten aanzien van wie artikel 38, derde lid, toepassing heeft
gevonden, indien zijn overlijden het rechtstreeks gevolg is van de
arbeidsongeschiktheid, bedoeld in dat artikel.
Artikel 103
1.Gedurende de maand van het overlijden en de volgende drie maanden
behouden de achterblijvende gezinsleden het gebruik der ambts- of
dienstwoning, waarin zij met de ambtenaar woonden. Daarvan kan echter
worden afgeweken als Onze Minister dat in het belang van de dienst
noodzakelijk acht. Alsdan wordt door Onze Minister naar billijkheid een
schadevergoeding gegeven.
2.Bij vrijwillig verlaten van de ambts- of dienstwoning binnen de
termijn, gedurende welke de woning nog mag worden gebruikt, kan Onze
Minister te zijner beoordeling een vergoeding geven.
Artikel 104
Indien door de ambtenaar voor het gebruik der ambts- of dienstwoning een
vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden deze
over de tijd, gedurende welke zij het gebruik dier woning behouden.
Artikel 104a
1.Bij vermissing van de ambtenaar vinden, behoudens het bepaalde in het
tweede lid, de bepalingen van de artikelen 102 tot en met 104
overeenkomstige toepassing. De ambtenaar wordt daarbij geacht te zijn
overleden op een door Onze Minister te bepalen dag.
2.Het bepaalde in het tweede lid van artikel 102 vindt geen toepassing
indien gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het gevolg is van
ongeoorloofde afwezigheid.
3.Indien blijkt, dat de als vermist beschouwde ambtenaar in leven is,
kan ter beoordeling van het bevoegde gezag de bezoldiging alsnog worden
uitbetaald, tenzij gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het
gevolg was van ongeoorloofde afwezigheid.
4.Indien uit hoofde van de vermissing van de ambtenaar pensioen of enige
andere uitkering, voortvloeiende uit zijn ambtelijke
rechtspositieregeling, is toegekend over het tijdvak, waarover naar het
oordeel van het bevoegde gezag aanspraak bestaat op bezoldiging, wordt
die bezoldiging verminderd met de over dat tijdvak aldus uitbetaalde
bedragen.
5.De bezoldiging, waarop de ambtenaar ingevolge het derde en het vierde
lid aanspraak heeft, kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitbetaald.
Hoofdstuk XI. Het overleg met de centrales van verenigingen van
ambtenaren
§ 1. Het overleg met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel
Artikel 105
1.Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de
ambtenaren in de zin van dit besluit met inbegrip van de algemene regels
volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, wordt niet
beslist dan nadat daarover door of namens Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties overleg is gepleegd met de Sectorcommissie
overleg rijkspersoneel.
2.De Sectorcommissie bestaat uit vertegenwoordigers van:
a. de Algemene Centrale van Overheidspersoneel;
b. de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijspersoneel;
c. het Ambtenarencentrum;
d. de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid en
Onderwijs, Bedrijven en Instellingen;
e. andere door Ons tot het overleg toegelaten centrales van verenigingen
van ambtenaren, welke onder meer gelet op het aantal ambtenaren, dat zij
vertegenwoordigen, eveneens als representatief kunnen worden aangemerkt
en tegen wier toelating het algemeen belang zich niet verzet.
3.Indien een voorstel, waarover overleg dient plaats te vinden, strekt
tot invoering of wijziging van een regeling met rechten of
verplichtingen van individuele ambtenaren wordt dit voorstel slechts ten
uitvoer gebracht, indien daarover overeenstemming bestaat met de
Sectorcommissie. Het standpunt van de Sectorcommissie wordt bepaald bij
meerderheid van stemmen. Elke centrale brengt één stem uit. Indien de
stemmen binnen de Sectorcommissie staken, beslist Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of het voorstel ten uitvoer
wordt gebracht.
4.In de Sectorcommissie wordt geen overleg gevoerd over voorstellen die
betrekking hebben op het gehele overheidspersoneel.
5.Indien een voorstel als bedoeld in het vierde lid, ziet op het van
toepassing verklaren op overheidspersoneel van een wettelijke regeling
die betrekking heeft op werknemers, die krachtens arbeidsovereenkomst
als bedoeld in artikel 1637a van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn,
vindt in de Sectorcommissie overleg plaats over de gevolgen van een
desbetreffend voorstel voor ambtenaren en de eventueel daarmee
samenhangende wijzigingen in de voor hen geldende regelingen. Het
overeenstemmingsvereiste, bedoeld in het derde lid, is daarbij niet van
toepassing, mits het totaal van rechten en verplichtingen van ambtenaren
over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt.
6.Indien bij het overleg, bedoeld in het vijfde lid, een geschil
ontstaat over de vraag of wordt voldaan aan de voorwaarde dat het totaal
van rechten en verplichtingen van de ambtenaren over het geheel
beoordeeld niet ongunstiger wordt, wordt dat geschil onderworpen aan
arbitrage door de Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in artikel
110g.
Artikel 106
1.Elke centrale is bevoegd tot aanwijzing van twee leden en twee
plaatsvervangende leden van de Sectorcommissie.
2.Wij behouden Ons voor een toelating tot het overleg krachtens artikel
105 te schorsen en een toelating tot het overleg krachtens het tweede
lid van dat artikel, onder e, in te trekken, indien de centrale van
verenigingen van ambtenaren naar Ons oordeel niet meer representatief is
dan wel het algemeen belang zich tegen haar verdere toelating verzet.
3.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd
een lid of plaatsvervangend lid van de Sectorcommissie van deelneming
aan het overleg uit te sluiten indien naar het oordeel van Onze genoemde
Minister het dienstbelang dit in verband met zijn werkzaamheden als
Rijksambtenaar vordert. De uitsluiting geschiedt niet dan nadat het
bestuur van de daarbij betrokken zijnde centrale van verenigingen van
ambtenaren over het voornemen daartoe is gehoord, en het advies van de
overige leden van de Sectorcommissie daarover is ingewonnen.
In afwachting van de beslissing van Onze Minister neemt het betrokken
lid of plaatsvervangend lid niet of niet meer deel aan het overleg.
Na de uitsluiting wijst de desbetreffende centrale een andere
vertegenwoordiger aan als lid of plaatsvervangend lid van de
Sectorcommissie in de plaats van de uitgeslotene.
Artikel 107
1. Het overleg staat onder leiding van Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties. Hij is bevoegd de leiding van het overleg
op te dragen aan een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties aan te wijzen ambtenaar die is aangesteld als lid
van de topmanagementgroep, indien de aard van de te bespreken
aangelegenheden dit toelaat.
2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst
functionarissen aan die hem, dan wel de functionaris die namens hem het
overleg voert, bij het overleg terzijde staan.
3. Het secretariaat van het overleg wordt gevoerd door een door Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties benoemde of
aangewezen secretaris, die ten dienste staat van zowel de voorzitter en
de in het tweede lid bedoeld ambtenaren als van de Sectorcommissie. De
benoeming of aanwijzing van de secretaris geschiedt in overeenstemming
met de Sectorcommissie.
4. Bij de behandeling van bepaalde aangelegenheden kan op uitnodiging of
met toestemming van de voorzitter ook door anderen dan degenen, die
daartoe ingevolge de vorige bepalingen van dit hoofdstuk bevoegd zijn,
aan het overleg worden deelgenomen.
5. De leden van de Sectorcommissie kunnen zich na overleg met de
voorzitter ter vergadering voor de behandeling van een bepaald onderwerp
door een deskundige doen bijstaan.
Artikel 107a
De centrales van verenigingen van ambtenaren, die van de in artikel 106,
eerste lid, vermelde bevoegdheid hebben gebruik gemaakt, doen aan Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties mededeling van
haar statuten en huishoudelijke reglementen en van de daarin
aangebrachte wijzigingen, zomede van de statuten en van de daarin
aangebrachte wijzigingen van de bij haar aangesloten verenigingen van
ambtenaren.
Zij stellen Onze genoemde Minister voorts jaarlijks in kennis van het
totale ledental van de bij elk der centrales aangesloten verenigingen.
Artikel 108
1.De in artikel 105 bedoelde aangelegenheden worden door Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Sectorcommissie
voorgelegd.
2.Ieder der tot het overleg toegelaten centrales van verenigingen van
ambtenaren is bevoegd aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties bepaalde onderwerpen, behorende tot de in artikel
105 bedoelde, ter plaatsing op de agenda op te geven.
Artikel 108a
Een wijziging van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren
1984, betrekking hebbende op een ambt dat is vermeld in bijlage A van
dat besluit, behoort niet tot de in artikel 105 bedoelde
aangelegenheden.
Artikel 108b
1.Het overleg wordt gevoerd op plaats, dag en uur door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te bepalen.
2.De vergaderingen worden in de regel te 's-Gravenhage gehouden.
3.Indien de vertegenwoordigers van tenminste twee tot het overleg
toegelaten centrales van verenigingen van ambtenaren Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, onder vermelding van hetgeen
zij behandeld wensen te zien, verzoeken daartoe een vergadering uit te
schrijven, vindt deze binnen 14 dagen plaats.
Artikel 109
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verleent
zijn bemiddeling om aan de Sectorcommissie een lokaliteit in een
Rijksgebouw ter beschikking te stellen, indien deze Sectorcommissie
daartoe een verzoek doet ten behoeve van een door haar te houden
vergadering.
Artikel 110
1.Indien het wenselijk blijkt over de in artikel 105 bedoelde
aangelegenheden voorbereidende besprekingen te voeren of in het overleg
genomen besluiten uit te werken, geschiedt deze voorbereiding of
uitwerking door werkgroepen bestaande uit vertegenwoordigers van de
Sectorcommissie en door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties daartoe aangewezen functionarissen.
2.Het bepaalde in het vierde en vijfde lid van artikel 107 is daarbij
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 110a
1.Het standpunt van de Sectorcommissie wordt bepaald bij eenvoudige
meerderheid van stemmen.
2.Elke centrale brengt één stem uit.
Artikel 110b
Voor de toepassing van het bepaalde in de artikelen 110d en volgende
wordt verstaan onder:
a. "deelnemers aan het overleg": de voorzitter en de tot het
overleg toegelaten centrales van verenigingen van ambtenaren;
b. "Advies- en Arbitragecommissie": de Advies- en
Arbitragecommissie genoemd in artikel 110g.
Artikel 110c
De artikelen 110d tot en met 110h zijn slechts van toepassing op
geschillen inzake aangelegenheden als bedoeld in artikel 105 voorzover
die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van ambtenaren met
inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal
worden gevoerd, betreffen.
Artikel 110d
Indien de voorzitter dan wel een of meer van de centrales, in het
overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet tot een uitkomst zal
leiden die de instemming van alle deelnemers aan dat overleg zal hebben,
brengen zij dat oordeel binnen 3 dagen nadat zij daarvan in het overleg
blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers
aan het overleg.
Artikel 110e
1.Binnen vijf dagen na de kennisgeving bedoeld in het vorige artikel,
schrijft de voorzitter een overlegvergadering uit. De vergadering moet
worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.
2.Tenzij door de voorzitter en de Sectorcommissie wordt besloten het
overleg voort te zetten dan wel te beëindigen wordt in de vergadering
nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en
de inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal
worden gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het
advies is ingewonnen van de Advies- en Arbitragecommissie, dan wel door
middel van onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van
de Advies- en Arbitragecommissie.
3.Tot het inwinnen van advies is zowel de voorzitter als de
Sectorcommissie bevoegd.
4.Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming
vereist tussen alle deelnemers aan het overleg.
Artikel 110f
1.Binnen drie dagen na de vergadering bedoeld in het vorige artikel,
wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de
Advies- en Arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de
deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning van advies hebben
uitgesproken en bevat tenminste het onderwerp en de inhoud van het
geschil. Indien in de vergadering bedoeld in het vorige artikel geen
overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg over
de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is, brengen de
overige deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en de
inhoud van het geschil eveneens binnen drie dagen na eerdergenoemde
vergadering ter kennis van de voorzitter van de Advies- en
Arbitragecommissie.
2.Het bepaalde in de eerste volzin van het vorige lid is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van het onderwerpen van het
geschil aan een arbitrale uitspraak. Het verzoek daartoe wordt
ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient tenminste te
bevatten:
a. het onderwerp en de inhoud van het geschil;
b. de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp
en inhoud van het geschil.
Artikel 110g
1. Er is een Advies- en Arbitragecommissie, die tot taak heeft te
adviseren dan wel een bindende uitspraak te doen in de geschillen die
haar ingevolge de voorgaande artikelen worden voorgelegd.
2. De Advies- en Arbitragecommissie is gevestigd te ’s-Gravenhage. Zij
bestaat uit vijf leden, onder wie de voorzitter, en vijf
plaatsvervangende leden. Zij worden door Ons benoemd voor een tijdvak
van ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan twee maal en telkens voor
ten hoogste vier jaar plaatsvinden.
3. Wij benoemen de voorzitter en diens plaatsvervanger op gezamenlijke
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en de Sectorcommissie. Van de andere vier leden en
hun plaatsvervangers benoemen wij:
a. twee leden en hun plaatsvervangers op voordracht van Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; alsmede
b. twee leden en hun plaatsvervangers op voordracht van de
Sectorcommissie.
4. Uitgesloten van het lidmaatschap en plaatsvervangend lidmaatschap
zijn:
a. personen die lid dan wel plaatsvervangend lid zijn van de
Sectorcommissie;
b. personen die bestuurslid zijn van, dan wel werkzaam zijn bij een
centrale van verenigingen van ambtenaren als bedoeld in artikel 105 of
een daarbij aangesloten vereniging;
c. personen die werkzaam zijn bij de departementen van algemeen bestuur
en de daaronder ressorterende instellingen, diensten en bedrijven, wier
onafhankelijkheid en onpartijdigheid op grond van hun dienstverband door
de deelnemers aan het overleg onvoldoende wordt geacht.
Deze personen zijn eveneens uitgesloten van het lidmaatschap of
plaatsvervangend lidmaatschap gedurende de periode van twee jaar na
beëindiging van het lidmaatschap, plaatsvervangend lidmaatschap of
bestuurslidmaatschap onder a en b bedoeld, alsmede na beëindiging van
de werkzaamheden bedoeld onder b en c.
5. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst in
overeenstemming met de Sectorcommissie en met de voorzitter van de
Advies- en Arbitragecommissie een secretaris aan, die de Advies- en
Arbitragecommissie bijstaat.
6. Aan de leden en plaatsvervangende leden worden uit ’s Rijks kas
vergoedingen voor reis- en verblijfkosten verleend volgens de regels
welke voor de vergoeding voor reis- en verblijfkosten wegens reizen voor
’s Rijks dienst gelden.
Artikel 110h
1.De Advies- en Arbitragecommissie treedt in geval van advies op in een
samenstelling van drie leden, onder wie de voorzitter, een van de twee
leden bedoeld in het derde lid onder a van het vorige artikel en een van
de twee leden bedoeld in het derde lid onder b van dat artikel. De
overige twee leden treden te zamen met de voorzitter op in geval van
arbitrage. Bij verhindering van een der leden treedt diens
plaatsvervanger op.
2.Indien het verzoek om arbitrage naar het oordeel van de voorzitter een
zelfde geschil betreft als waarover door de Advies- en
Arbitragecommissie reeds advies is uitgebracht, treedt voor een lid die
bij het uitbrengen van dat advies betrokken was, diens plaatsvervanger
op.
3.De voorzitter draagt er zorg voor dat het advies of de uitspraak
binnen vier weken, nadat de kennisgeving bedoeld in artikel 110f, is
ontvangen, aan de deelnemers aan het overleg ter kennis wordt gebracht.
4.De Advies- en Arbitragecommissie stelt nadere regels vast met
betrekking tot haar werkwijze.
Artikel 110i
1.De Advies- en Arbitragecommissie besluit bij meerderheid van stemmen.
2.Het advies of de uitspraak moet inhouden:
a. de namen van de deelnemers die het advies of de arbitrale uitspraak
hebben aangevraagd;
b. een overzicht van de standpunten van alle deelnemers over het
onderwerp en over de inhoud van het geschil;
c. het advies dan wel de beslissing en de redenen die daaraan ten
grondslag liggen.
3.Het advies of de uitspraak wordt gedagtekend en door ieder der
optredende leden van de Advies- en Arbitragecommissie ondertekend.
Artikel 110j
Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het
geschil voortgezet.
Artikel 110k
De uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie heeft bindende kracht.
Artikel 110l
1.Het standpunt van de Sectorcommissie over de haar voorgelegde dan wel
op verzoek van haar zijde in het overleg besproken aangelegenheden wordt
schriftelijk aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties bevestigd, waarbij desverlangd een samenvatting van
de aan dit standpunt ten grondslag liggende argumenten wordt gegeven.
2.Indien in de Sectorcommissie een minderheidsstandpunt blijkt te
bestaan, wordt daarvan desverlangd in het geschrift bedoeld in het
vorige lid, melding gemaakt.
Artikel 111
Indien over een aangelegenheid in afwijking van het standpunt van de
Sectorcommissie wordt beslist, brengt Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties de redenen dier afwijking zo spoedig
mogelijk ter kennis van de Sectorcommissie.
Artikel 112
Van het in de vergaderingen van het overleg en de werkgroepen behandelde
maakt de secretaris notulen. Bovendien wordt een verslag opgemaakt,
bevattende een beknopte samenvatting van het verhandelde, voor zover dat
voor openbaarmaking geschikt kan worden geacht.
Na overleg met de Sectorcommissie onderscheidenlijk de door deze in de
betrokken werkgroep aangewezen leden, kan de voorzitter ten aanzien van
het in vorenbedoelde vergaderingen verhandelde, geheimhouding opleggen.
De plicht tot geheimhouding geldt niet, indien en voor zover de leden
van de Sectorcommissie dan wel de door haar in de betrokken werkgroep
aangewezen leden in bespreking treden met de door hen vertegenwoordigde
centrales of de daarbij aangesloten verenigingen.
§ 2. Het departementaal overleg met de centrales van verenigingen van
ambtenaren
Artikel 113
1.Voor zover Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
in overeenstemming met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel niet
anders heeft bepaald, wordt over voorgenomen besluiten tot invoering of
wijziging van regels met rechten of verplichtingen van individuele
ambtenaren en over voorgenomen besluiten tot een belangrijke
reorganisatie, niet door Onze Minister beslist dan nadat door hem
overleg is gevoerd met de centrales van verenigingen van ambtenaren.
2.Het overleg heeft geen betrekking op aangelegenheden waarover overleg
dient te worden gevoerd met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.
3.Een voorgenomen besluit tot invoering of wijziging van regels met
rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren waarover overleg
met de centrales moet worden gevoerd, wordt slechts ten uitvoer gebracht
indien daarover overeenstemming bestaat met ten minste de helft van de
tot het overleg toegelaten centrales.
4.Het overleg over voorgenomen besluiten tot een belangrijke
reorganisatie heeft slechts betrekking op de bijzondere
rechtspositionele en sociale gevolgen van het voorgenomen besluit voor
de betrokken ambtenaren.
Artikel 114
1.Onze Minister laat tot het overleg toe de tot de Sectorcommissie
overleg rijkspersoneel toegelaten centrales.
2.Schorsing dan wel intrekking van een toelating van een centrale tot de
Sectorcommissie overleg rijkspersoneel, heeft tot gevolg schorsing
respectievelijk intrekking van de toelating tot het overleg.
3.Onze Minister kan een vertegenwoordiger van een centrale uitsluiten
van deelneming aan het overleg indien naar het oordeel van Onze Minister
het dienstbelang dit in verband met de werkzaamheden van betrokkene als
Rijksambtenaar vordert. Voordat tot uitsluiting wordt besloten wordt het
bestuur van de desbetreffende centrale in de gelegenheid gesteld zijn
zienswijze naar voren te brengen. In afwachting van de beslissing van
Onze Minister neemt betrokkene niet of niet meer deel aan het overleg.
Artikel 114a [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 115
In geval van een geschil omtrent een voorgenomen besluit tot invoering
of wijziging van regels met rechten of verplichtingen van individuele
ambtenaren waarover overleg met de centrales moet worden gevoerd, zijn
de artikelen 110b en 110d tot en met 110k van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de Advies- en Arbitragecommissie,
genoemd in artikel 110g, voor de behandeling van het geschil wordt
uitgebreid met twee bijzondere leden die worden benoemd door Onze
Minister. Van deze leden wordt één lid benoemd op voordracht van de
tot het overleg toegelaten centrales. Niet benoembaar tot bijzonder lid
zijn:
a. personen die ingevolge artikel 110g, vierde lid, zijn uitgesloten van
het lidmaatschap en het plaatsvervangend lidmaatschap;
b. personen die namens de centrales aan het overleg deelnemen, dan wel
wier deelname aan het overleg nog niet langer dan twee jaar is
beëindigd.
Artikel 116
Onze Minister kan geheimhouding opleggen ten aanzien van hetgeen in het
overleg is behandeld. De plicht tot geheimhouding geldt niet voor zover
degenen die namens de centrales aan het overleg deelnemen in bespreking
treden met de door hen vertegenwoordigde centrales of de daarbij
aangesloten verenigingen.
Artikel 117
Onze Minister draagt er zorg voor dat de ambtenaar, die in het overleg
optreedt of heeft opgetreden namens een centrale, en de ambtenaar, die
lid is geweest van een bijzondere commissie, niet uit dien hoofde worden
benadeeld in hun positie als ambtenaar.
Artikel 118
De artikelen 113 tot en met 117 zijn van overeenkomstige toepassing op
de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman en het
secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten, met dien verstande dat voor Onze Minister telkens
wordt gelezen respectievelijk de vice-president van de Raad van State,
het college van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman en de
voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten.
Artikel 118a [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 119 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 119a [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 119b [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 119c [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 120 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 121 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 122 [Vervallen per 03-12-1999]
Hoofdstuk XIA
§ 1
Artikel 123 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 124 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 124a [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 124b [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 124c [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 124d [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 124e [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 124f [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 125 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 126 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 126a [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 126b [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 126c [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 126d [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 126e [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 126f [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 127 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 127a [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 127b [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 127c [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 127d [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 127e [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 127f [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 127g [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 127h [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 128 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 128a [Vervallen per 03-12-1999]
Hoofdstuk XII. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 129
Met uitzondering van de ambtenaar die is aangesteld als lid van de
topmanagementgroep als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, wordt
de ambtenaar die voorafgaand aan 1 maart 2007 op grond van dit besluit
bij Koninklijk Besluit is aangesteld, aangemerkt als te zijn aangesteld
op grond van artikel 7, eerste lid.
Artikel 130
1. Ten aanzien van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar van wie de
eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte is gelegen voor 1 januari 2004, blijven deartikelen 21a, 57a,
57b, 98, 98b, 102, 102a en hoofdstuk VI van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement van toepassing zoals deze luidden op 30
november 2005, met dien verstande dat voor artikel 40b in genoemd
hoofdstuk VI in de plaats treedt artikel 40b zoals dat thans luidt.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van
ongeschiktheid tot werken geacht eenzelfde, niet onderbroken periode van
ongeschiktheid te vormen, indien zij elkaar met een onderbreking van
minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof
wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de
Wet arbeid en zorg of een uitkering op grond van artikel 3:8, of 3:10,
eerste lid, van die wet, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet
geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
Artikel 130a
De ambtenaar en de gewezen ambtenaar worden geacht een aanvraag te
hebben ingediend als bedoeld in artikel 38a indien de eerste dag van
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens een
dienstongeval of een beroepsziekte is gelegen in de periode van 1
januari 2004 tot en met 30 november 2005.
Artikel 130b
Artikel 69, tweede lid, is niet van toepassing op beroepsincidenten die
zich hebben voorgedaan vóór 1 december 2005.
Artikel 130c
In afwijking van artikel 97, tweede lid, wordt aan de ambtenaar die is
geboren voor 1950 eervol ontslag verleend op de eerste dag van de maand
volgende op die waarin hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.
Artikel 130d
1. In afwijking van artikel 97, tweede lid, geldt voor ambtenaren die
zijn geboren in de jaren 1950 tot en met 1964 als ontslagleeftijd de dag
waarop hun uitkering op grond van de krachtens het zevende lid van
artikel 97 vastgestelde regeling eindigt.
2. Gedurende de periode waarin de ambtenaar aanspraak kan maken op de in
het eerste lid bedoelde uitkering, verleent het bevoegd gezag de
ambtenaar buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging. Artikel 97,
vierde tot en met zesde lid, is hierbij van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat voor «ontslag» wordt gelezen: verlof.
3. Indien de ambtenaar op de dag van ingang van zijn verlof nog
aanspraak heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij
niet heeft opgenomen een vergoeding toegekend ten bedrage van het
salaris per uur dat de ambtenaar direct voorafgaand aan zijn verlof
genoot. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de
aanspraak op vakantie over een vol kalenderjaar, uitgaande van het
salaris en de werktijd zoals die direct voorafgaand aan het verlof voor
de ambtenaar golden en de leeftijd welke hij bereikt in het kalenderjaar
waarin het verlof ingaat.
4. Indien op de dag van ingang van zijn verlof blijkt, dat de ambtenaar
teveel vakantie heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten
vakantie een bedrag schuldig ten bedrage van het salaris per uur dat de
ambtenaar direct voorafgaand aan zijn verlof genoot.
Artikel 131
Op personen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit in
het genot zijn van een wachtgeld, toegekend krachtens het Koninklijk
besluit van 24 Juli 1869 (Staatsblad n°. 142), zooals dat besluit
laatstelijk is gewijzigd, blijven de bepalingen van dat besluit van
toepassing.
Artikel 132
Voor zover voor ambtenaren bij een dienstvak nadere regels ter
uitwerking of aanvulling van de bepalingen van dit besluit worden
vereist, worden die regels door Ons, of in overeenstemming met Ons door
Onze Minister, vastgesteld.
Artikel 132a
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen in dit
besluit gesteld met uitzondering van die, genoemd in de artikelen 10,
tweede en derde lid, artikel 36b, derde en vierde lid, alsmede in
hoofdstuk XI.
Artikel 132b
Van de bevoegdheid tot het stellen van regels met een sterk technisch
karakter krachtens dit besluit, anders dan krachtens de artikelen 4a, 9
en 10, kunnen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Financiën en Onze Minister
mandaat verlenen.
Artikel 133
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 September 1931.
Artikel 134
Dit besluit kan worden aangehaald als:
Algemeen Rijksambtenarenreglement.
Onze
Ministers, hoofden van departementen van algemeen bestuur, zijn,
ieder voor zooveel hem betreft, belast met de uitvoering van dit
besluit, hetwelk, met de inhoudsopgave, in het Staatsblad
geplaatst zal worden en waarvan afschrift zal worden gezonden aan
den Raad van State en de Algemeene Rekenkamer.
Het Loo, den 12den Juni 1931
WILHELMINA
De Minister van Justitie,
J. Donner
Uitgegeven den negen en
twintigsten Juni 1931
De Minister van Justitie,
J. Donner
|