|
BESLUIT van 22 februari 1979 tot vaststelling van het
Ambtenarenreglement Staten-Generaal
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken van 6 november 1978, nr. AB78/1727,
Directoraat-Generaal voor Overheidspersoneelsbeleid, Directie
Overheidspersoneelszaken, Afdeling Algemene en Juridische Zaken,
daarmede handelende in overeenstemming met het verzoek van de
Voorzitters van de beide kamers der Staten-Generaal bij brief van 12 mei
1977;
Gelet op artikel 125, eerste lid, van de
Ambtenarenwet 1929;
De Raad van State gehoord (advies van 6
december 1978, nr. 8);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken van 19 februari 1979, nr. AB78/2288;
Directoraat-Generaal voor Overheidspersoneelsbeleid, Directie
Overheidspersoneelszaken, Afdeling Algemene en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
vast te stellen de navolgende bepalingen.
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1. Definities
1.In dit besluit wordt verstaan onder:
"Ambtenaar", degene, die krachtens het bepaalde in artikel
61 van de Grondwet, in het Reglement van Orde van de Eerste Kamer der
Staten-Generaal, in het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal, in het Reglement voor de openbaarmaking van het
verslag van het verhandelde in de vergaderingen der Staten-Generaal,
dan wel in het Reglement voor de Griffie voor de interparlementaire
betrekkingen der Staten-Generaal is aangesteld om in burgerlijke
openbare dienst werkzaam te zijn;
"de Kamer", "het College
van Senioren", "de Huishoudelijke Commissie", "het
Presidium" en "de Griffier": de desbetreffende Kamer
der Staten-Generaal, onderscheidenlijk het College van Senioren en de
Huishoudelijke Commissie van de Eerste Kamer, het Presidium van de
Tweede Kamer en de griffier van de desbetreffende Kamer;
"de Gemengde Commissie" en
"de Directeur": de Commissie, onderscheidenlijk de
directeur, bedoeld in het Reglement voor de openbaarmaking van het
verslag van het verhandelde in de vergaderingen der Staten-Generaal;
"de Gemengde Commissie van toezicht" en "de Griffier
voor de interparlementaire betrekkingen der Staten-Generaal": de
commissie, onderscheidenlijk de griffier bedoeld in het Reglement voor
de Griffie voor de interparlementaire betrekkingen der
Staten-Generaal;
"arbeidsduurfactor": een
breuk, waarvan de teller bestaat uit de voor de ambtenaar vastgestelde
arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal 36.
2.Tenzij anders is bepaald wordt voor
de toepassing van dit besluit verstaan onder salaris onderscheidenlijk
bezoldiging, vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering, hetgeen
daaronder wordt verstaan in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984.
3.Ingeval de bezoldiging van de
ambtenaar is geregeld krachtens een andere bezoldigingsregeling dan
die bedoeld in het tweede lid, wordt voor de toepassing van dit
besluit onder salaris, onderscheidenlijk bezoldiging verstaan, het
bedrag dat op overeenkomstige wijze is vastgesteld als in het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
4.In dit besluit wordt onder echtgenoot
of echtgenote mede verstaan de levenspartner met wie de niet gehuwde
ambtenaar samenwoont en – met het oogmerk duurzaam samen te leven
– een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een
notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse
rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en
gemeenschappelijke huishouding alsmede de geregistreerde partner.
Onder weduwe of weduwnaar wordt mede verstaan de achtergebleven
levenspartner of de achtergebleven geregistreerde partner.
Tegelijkertijd kan slechts een persoon als echtgenoot of echtgenote
dan wel weduwe of weduwnaar worden aangemerkt. Tot gezinslid wordt in
voorkomend geval mede gerekend de geregistreerde partner of de
levenspartner.
Het tot aanstelling bevoegd gezag kan
verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt
overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract is gesloten.
Artikel 2. Uitoefening van bevoegdheden
1.De in dit besluit bedoelde
bevoegdheden van de Kamer, kunnen uitsluitend worden uitgeoefend ten
aanzien van de ambtenaren, in dienst van de desbetreffende Kamer.
2.De in dit besluit bedoelde
bevoegdheden van de Gemengde Commissie kunnen uitsluitend worden
uitgeoefend ten aanzien van de ambtenaren bedoeld in het Reglement
voor de openbaarmaking van het verslag van het verhandelde in de
vergaderingen der Staten-Generaal.
3.De in dit besluit bedoelde
bevoegdheden van de Gemengde Commissie van toezicht kunnen uitsluitend
betrekking hebben op de ambtenaren bedoeld in het Reglement voor de
Griffie voor de interparlementaire betrekkingen der Staten-Generaal.
Artikel 3. Het tot aanstelling bevoegd
gezag en de overdracht van bevoegdheden
De Kamer, de Gemengde Commissie
onderscheidenlijk de Gemengde Commissie van toezicht is het tot
aanstelling bevoegd gezag.
Artikel 4. Toepasselijkheid van dit
besluit
1.De bepalingen van dit besluit vinden
slechts toepassing, voor zover niet anders is of wordt bepaald hetzij
bij of krachtens een wet, hetzij in het Reglement van Orde van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal, in het Reglement van Orde van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal, in het Reglement voor de
openbaarmaking van het verslag van het verhandelde in de vergaderingen
der Staten-Generaal, dan wel in het Reglement voor de griffie voor de
interparlementaire betrekkingen der Staten-Generaal.
2.Op de ambtenaar die is aangesteld
voor het verrichten van enkele diensten niet vallende binnen de taak
van het betrokken dienstvak, waarbij per dienst een afzonderlijke
beloning wordt vastgesteld, zijn niet van toepassing:
a. hoofdstuk II, paragraaf 4;
b. de artikelen 20 en 24 tot en met
32;
c. de hoofdstukken IV en V;
d. hoofdstuk VI, paragrafen 2 en 3;
e. de artikelen 78, 80, 82 en 84.
Hoofdstuk II. Aanstelling en
loopbaanvorming
§ 1. De aanstelling
Artikel 5. Aanstelling
1.De aanstelling geschiedt in vaste of
tijdelijke dienst.
2.De aanstelling geschiedt in vaste
dienst, tenzij er grond is een tijdelijke aanstelling voor bepaalde
tijd te verlenen.
3.De niet-Nederlander kan uitsluitend
worden aangesteld indien hij in Nederland rechtmatig verblijf heeft
als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 en het tot
aanstelling bevoegd gezag voor hem beschikt over een
tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid vreemdelingen,
tenzij die tewerkstellingsvergunning krachtens laatstgenoemde wet niet
is vereist.
Artikel 6. Aanstelling in tijdelijke
dienst
1.Een aanstelling in tijdelijke dienst
wordt verleend voor:
a. een kalenderperiode, of
b. een andere objectief bepaalbare
periode.
2.Een aanstelling in tijdelijke dienst
kan plaatsvinden:
a. voor een proeftijd van ten
hoogste twee jaar, zonodig ambtshalve te verlengen met de tijd
gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke
dienst heeft doorgebracht;
b. voor een tijd van ten hoogste
drie maanden, indien de betrokkene de verlangde verklaring omtrent
het gedrag, bedoeld in artikel 7, zesde lid, nog niet in zijn
bezit heeft;
c. voor het verrichten van
werkzaamheden, waarvoor slechts tijdelijk een beroep op de
arbeidsmarkt kan worden gedaan;
d. voor een opleiding tot een
beroep of verdere theoretische of praktische vorming;
e. voor oproepkrachten;
f. voor een andere reden.
3.In het geval een aanstelling in
tijdelijke dienst voor een proeftijd is voorafgegaan door een andere
aanstelling in tijdelijke dienst krachtens het tweede lid, onder b tot
en met f, wordt de maximale duur van de proeftijd verminderd met de
duur van die andere aanstelling, indien:
a. beide aanstellingen in
tijdelijke dienst zijn verleend door het tot aanstelling bevoegd
gezag;
b. de andere aanstelling in
tijdelijke dienst is beëindigd binnen een periode van drie
maanden direct voorafgaande aan de aanstelling in tijdelijke
dienst voor een proeftijd; en
c. het in deze beide aanstellingen
in tijdelijke dienst dezelfde werkzaamheden betreft.
4.Vanaf de dag waarop na het
verstrijken van de door het tot aanstelling bevoegd gezag vastgestelde
proeftijd de aanstelling in tijdelijke dienst stilzwijgend wordt
voortgezet, geldt dat er een aanstelling in vaste dienst is verleend.
5.De aanstelling in tijdelijke dienst,
bedoeld in het tweede lid, onder b tot en met f, wordt geacht opnieuw
voor dezelfde tijd, maar telkens ten hoogste voor een jaar op dezelfde
voorwaarden te zijn verleend in geval van stilzwijgende voortzetting
na het verstrijken van de tijd, voor welke zij is verleend.
6.De aanstelling in tijdelijke dienst
geldt als een aanstelling in vaste dienst vanaf de dag waarop:
a. door het tot aanstelling bevoegd
gezag verleende aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met
tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een
periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben
overschreden;
b. meer dan drie door het tot
aanstelling bevoegd gezag verleende aanstellingen in tijdelijke
dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan
drie maanden.
7.Het zesde lid is van overeenkomstige
toepassing, indien de ambtenaar voorafgaande aan zijn aanstelling in
tijdelijke dienst dan wel tussen twee aanstellingen in tijdelijke
dienst binnen het gezagsbereik van het tot aanstellen bevoegd gezag op
een andere titel dan een aanstelling dezelfde werkzaamheden heeft
verricht.
8.Het zesde lid, aanhef en onder a, is
niet van toepassing op een aanstelling, aangegaan voor niet meer dan
drie maanden, die onmiddellijk volgt op een aanstelling van 36 maanden
of langer.
Artikel 6a
1.In zeer bijzondere gevallen kan op
verzoek van betrokkene een aanstelling in tijdelijke dienst worden
verleend waarin ten aanzien van hem dit besluit gedeeltelijk of andere
algemene maatregelen van bestuur als bedoeld in artikel 125, eerste
lid, van de Ambtenarenwet die specifiek betrekking hebben op
ambtenaren in de zin van dit besluit, geheel of gedeeltelijk buiten
toepassing worden verklaard.
2.Bij regeling van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent het eerste lid.
Artikel 6b
1.De aanstelling geschiedt voor een
vast aantal uren of voor een variabel aantal uren.
2.Indien de aanstelling geschiedt voor
een variabel aantal uren wordt daarbij een aantal garantie-uren
bepaald.
3.Indien het dienstbelang zich in
bijzondere gevallen verzet tegen het bepalen van een aantal
garantie-uren kan het tot aanstelling bevoegd gezag regels stellen
waarbij wordt afgeweken van het tweede lid.
§ 2. Voorwaarden voor aanstelling
Artikel 7
1.Een aanstelling voor de tijd van
langer dan drie maanden kan slechts plaatsvinden, indien het tot
aanstelling bevoegd gezag op grond van de gegevens waarover het
beschikt van oordeel is dat de betrokkene in voldoende mate geschikt
en bekwaam is voor de desbetreffende functie.
2.Het tot aanstelling bevoegd gezag kan
voor een bepaalde functie of voor een groep van functies eisen van
geschiktheid en bekwaamheid vaststellen waaraan de betrokkene moet
voldoen om voor een aanstelling in aanmerking te komen.
3.Teneinde vast te stellen of de
betrokkene in voldoende mate geschikt en bekwaam is, wordt deze aan
een onderzoek onderworpen waaronder begrepen het verifiëren en zo
nodig aanvullen van de gegevens die door de betrokkene desgevraagd
zijn verstrekt.
4.Het onderzoek, bedoeld in het derde
lid, omvat tevens:
a. een psychologisch onderzoek,
indien daaraan naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegd
gezag behoefte bestaat;
b. een geneeskundig onderzoek,
indien dit op grond van een wettelijk voorschrift verplicht is
gesteld dan wel indien op grond van functie-eisen een onderzoek
naar de medische geschiktheid van de betrokkene noodzakelijk is.
5.Het tot aanstellen bevoegd gezag
stelt vast voor welke functies bij aanstelling een onderzoek naar de
medische geschiktheid van de betrokkene noodzakelijk is.
6.Het bevoegd gezag kan, met
uitzondering van de gevallen, bedoeld in het zevende en het achtste
lid, van de betrokkene vergen dat deze een verklaring omtrent het
gedrag als bedoeld in de Wet justitiële gegevens overlegt.
7.Indien een functie niet zijnde een
vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van
de Wet veiligheidsonderzoeken, bijzondere eisen stelt aan de
integriteit of de verantwoordelijkheid van degene die deze functie
vervult en indien een zwaarwegend algemeen belang dit vordert, kunnen
aan het bevoegd gezag justitiële gegevens worden verstrekt voor het
verrichten van een onderzoek naar de betrouwbaarheid en de
geschiktheid van een kandidaat voor die functie. Aanstelling in een
zodanige functie is slechts mogelijk, indien op grond van het
onderzoek tegen de vervulling door betrokkene van de desbetreffende
functie geen bezwaar blijkt te bestaan.
8.Aanstelling in een vertrouwensfunctie
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet
veiligheidsonderzoeken is slechts mogelijk, indien ten aanzien van de
betrokkene een verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
b, van die wet is afgegeven.
9.Het tot aanstelling bevoegd gezag
stelt nadere regels vast ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld in
het zevende lid. Deze nadere regels dienen in ieder geval waarborgen
te bevatten omtrent een voldoende bescherming van de persoonlijke
levenssfeer van betrokkene.
10.Het geneeskundig onderzoek, bedoeld
in het vierde lid, onderdeel b, mag pas plaatsvinden, indien de
betrokkene naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegd gezag op
grond van het onderzoek, bedoeld in het derde lid, en eventueel na het
psychologisch onderzoek, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a,
overigens voldoende bekwaam en geschikt is voor de desbetreffende
functie. Ook een verklaring omtrent het gedrag mag dan pas worden
gevraagd.
11.Een onderzoek als bedoeld in het
zevende lid of een veiligheidsonderzoek wordt pas ingesteld als naar
het oordeel van het tot aanstelling bevoegd gezag de betrokkene
bekwaam en geschikt is voor de desbetreffende functie.
12.het tot aanstelling bevoegde gezag
kan omtrent het onderzoek, bedoeld in het derde lid, nadere regels
vaststellen.
Artikel 8
Bij wijziging van een tijdelijk in een
vast dienstverband dan wel in geval van wijziging van tewerkstelling in
een andere niet-vertrouwensfunctie wordt geen verklaring omtrent het
gedrag verlangd of, indien het een functie betreft die bijzondere eisen
stelt aan de integriteit of verantwoordelijkheid van de betrokkene,
wordt niet verzocht om justitiële gegevens, tenzij naar het oordeel van
het bevoegd gezag door gewijzigde omstandigheden betreffende de functie
of de tewerkstelling een verklaring omtrent het gedrag dan wel een
onderzoek, bedoeld in artikel 7, zevende lid, nodig is.
Artikel 9 [Vervallen per 22-08-1997]
Artikel 9a [Vervallen per 22-08-1997]
Artikel 10
1.De kosten van het geneeskundig
onderzoek en het hernieuwd geneeskundig onderzoek komen voor rekening
van het Rijk. De betrokkene ontvangt een vergoeding van reis- en
verblijfkosten op de voet van de bepalingen van het Reisbesluit
binnenland.
2.De uitslag van het geneeskundig
onderzoek wordt uiterlijk binnen twee weken na vaststelling aan de
betrokkene medegedeeld.
3.De betrokkene kan binnen twee weken
nadat hem de uitslag van het geneeskundig onderzoek is meegedeeld, een
hernieuwd geneeskundig onderzoek aanvragen.
4.Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties stelt omtrent het hernieuwd geneeskundig
onderzoek nadere regels vast. Dit hernieuwd geneeskundig onderzoek mag
niet worden verricht door de arts die het geneeskundig onderzoek heeft
verricht.
5.Bij wijziging van een tijdelijk in
een vast dienstverband vindt niet opnieuw een geneeskundig onderzoek
plaats, tenzij ten aanzien van de geschiktheid van de betrokkene
ernstige twijfel is gerezen.
6.De betrokkene die op grond van
artikel 7, vierde lid, onderdeel b, is onderworpen aan een
geneeskundig onderzoek, wordt bij aanstelling in een andere functie
opnieuw aan een onderzoek naar de medische geschiktheid onderworpen
indien betrokkene voor het vervullen van die functie aan andere
medische eisen dient te voldoen dan voor de tot dusverre vervulde
functie.
Artikel 11
1.Aan de betrokkene die is onderworpen
aan een psychologisch onderzoek als bedoeld in artikel 7, vierde lid,
onderdeel a, wordt op zijn verzoek binnen twee weken na de
vaststelling van de uitslag van het onderzoek inzage verleend in die
uitslag. Dit vindt plaats in het kader van een nagesprek met de
psycholoog die het onderzoek heeft verricht.
2.Mededeling van de uitslag van het
onderzoek aan het tot aanstelling bevoegd gezag blijft achterwege,
indien de betrokkene uiterlijk een week nadat hij van de uitslag van
het onderzoek heeft kennis genomen zijn wens daartoe schriftelijk
heeft meegedeeld aan degene die met het onderzoek is belast.
3.De uitslag van het onderzoek wordt
niet eerder dan twee weken nadat betrokkene van de uitslag van het
onderzoek heeft kennis genomen, medegedeeld aan het tot aanstelling
bevoegd gezag, tenzij die mededeling op een eerder tijdstip is geboden
en de betrokkene met die eerdere mededeling schriftelijk heeft
ingestemd.
4.Voor zover dit niet heeft
plaatsgevonden overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid heeft de
betrokkene recht op een nagesprek met de psycholoog die het onderzoek
heeft verricht.
5.De betrokkene kan na afloop van het
in het eerste en vierde lid bedoelde nagesprek afschrift nemen van de
uitslag of daarvan een fotocopie krijgen overeenkomstig het bij en
krachtens artikel 12 van de Wet openbaarheid van bestuur bepaalde.
6.De kosten van het onderzoek en van
het nagesprek komen voor rekening van het Rijk. De betrokkene ontvangt
voor ten behoeve van het onderzoek gemaakte reis- en verblijfkosten
een vergoeding op de voet van de bepalingen van het Reisbesluit
binnenland.
7.Het eerste, tweede en derde lid zijn
niet van toepassing op vergelijkende vooronderzoeken in de door Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te bepalen
gevallen.
§ 3. De akte van aanstelling en andere
bescheiden
Artikel 12. Akte van aanstelling
1.Aan de ambtenaar wordt, zo mogelijk
vóór de aanvaarding van zijn ambt, een akte van aanstelling
uitgereikt, waarin in ieder geval worden vermeld:
a. de naam, de voornamen en de
geboortedatum van de ambtenaar;
b. de naam van de instelling of de
dienst waarbij hij te werk wordt gesteld;
c. de datum, met ingang waarvan hij
wordt aangesteld;
d. of de aanstelling geschiedt in
vaste of tijdelijke dienst.
2.Indien de aanstelling geschiedt in
tijdelijke dienst, wordt bovendien in de akte van aanstelling vermeld:
a. de duur van de aanstelling in
tijdelijke dienst;
b. de toepasselijke, in artikel 6,
tweede lid, omschreven grond(en) voor de aanstelling in tijdelijke
dienst;
c. de specifieke reden, indien
sprake is van een aanstelling op grond van artikel 6, tweede lid,
onder f.
3.Indien de aanstelling geschiedt in
tijdelijke dienst met toepassing van artikel 6a, eerste lid, wordt
bovendien in de akte van aanstelling vermeld welke van de in dat
artikellid bedoelde regelingen geheel of gedeeltelijk buiten
toepassing zijn verklaard.
4.Indien de aanstelling geschiedt voor
een variabel aantal uren wordt in de akte van aanstelling in
voorkomende gevallen bovendien het op grond van artikel 6b, tweede
lid, voor de ambtenaar geldende aantal garantie-uren vermeld.
Artikel 13. Nadere schriftelijke
mededelingen
Voor zover deze gegevens op hem
betrekking hebben en niet reeds in de acte van aanstelling zijn vermeld,
worden aan de ambtenaar zo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld:
a. de afdeling of het dienstvak
waarbij en de betrekking waarin hij is tewerkgesteld, zomede de hem
dienovereenkomstig aangewezen standplaats;
b. de salarisschaal en de voor de
bepaling van die schaal in acht genomen regels;
c. het salaris dat hem is toegekend,
zomede het salarisnummer en het tijdstip waarop het salaris voor de
eerste maal periodiek zal worden verhoogd;
d. andere hem mogelijk toegekende
voordelen, onder verwijzing naar de desbetreffende kortingsregeling.
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 15. Uitreiking reglement bij
aanstelling
1.De ambtenaar wordt bij zijn
aanstelling schriftelijk op de hoogte gesteld van de hoofdlijnen van
zijn rechtspositie.
2.Regelingen waarin zijn rechtspositie
is neergelegd worden op een voor de ambtenaar gemakkelijke
toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Van deze regelingen kan hij
kosteloos afschriften maken voor zover dat redelijkerwijs nodig is.
3.De schriftelijk vastgestelde en voor
hem geldende regelingen en instructies, welke hij bij de vervulling
van zijn dienst heeft na te leven, worden eveneens op een voor de
ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. In het
geval vermelde regelingen en instructies niet schriftelijk zijn
vastgelegd, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht.
Artikel 15a [Vervallen per 01-01-1994]
§ 4. Loopbaanvorming
Artikel 16
Het tot aanstelling bevoegd gezag kan
regels vaststellen omtrent loopbaanvorming in het algemeen en omtrent
daarmede verband houdende bijzondere regelingen ter bepaling van de voor
de ambtenaar geldende salarisschaal.
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-1984]
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-1984]
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-1984]
Hoofdstuk III. Bezoldiging
Artikel 20. Bezoldiging
De ambtenaar ontvangt over de tijd,
gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat
zijn dienst te verrichten, geen bezoldiging.
Artikel 21. Beloning bij aanstelling voor
enkele diensten
De beloning van de ambtenaar, die is
aangesteld voor enkele diensten, niet vallende binnen de taak van het
betrokken dienstvak, wordt bepaald op een voor elk geval of voor elke te
verrichten dienst, afzonderlijk vast te stellen bedrag.
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-1984]
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-1984]
Artikel 24. Non-activiteitswedde
1. Aan de ambtenaar die in verband met
de werkzaamheden die voortvloeien uit een functie in een
publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of verkozen,
tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt wordt gedurende
zijn ontheffing een non-activiteitswedde toegekend. De
non-activiteitswedde is het bedrag waarmee de laatstelijk door hem in
zijn ambt genoten bezoldiging het bedrag van de inkomsten die de
ambtenaar in verband met zijn werkzaamheden in dat publiekrechtelijk
college geniet, overschrijdt.
2. Voor de toepassing van het eerste
lid geldt voorts dat:
a. toekenning van de
non-activiteitswedde plaatsvindt op de voet van het bepaalde in de
artikelen 4, tweede, derde, vierde en vijfde lid, en 5 van de Wet
Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement;
b. onder inkomsten die in verband
met zijn werkzaamheden in dat publiekrechtelijk college worden
genoten wordt verstaan: alle inkomsten die aan die werkzaamheden
zijn verbonden.
3. Voor de toepassing van dit artikel
wordt de functie van substituut-ombudsman met de in het eerste lid
bedoelde functie gelijkgesteld.
4. Dit artikel is niet van toepassing
op degenen die een non-acitiviteitswedde geniet uit hoofde van artikel
4, eerste lid, van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en
Europees Parlement.
Artikel 25. Gelijktijdig genot van
burgerlijke bezoldiging en militaire beloning
1.De ambtenaar, die als militair in
werkelijke dienst is, wordt geacht in zijn burgerlijke betrekking met
verlof te zijn.
2.Hij behoudt over de tijd van deze
dienst het genot van de aan zijn ambt verbonden bezoldiging, slechts
voor zover hem bij of krachtens de artikelen 26 tot en met 28 daarop
aanspraak is verleend. Voor zover die werkelijke dienst wordt vervuld
in aan hem verleend vakantieverlof, behoudt hij in ieder geval het
genot van de volle aan zijn ambt verbonden bezoldiging.
3.Voor de toepassing van het vorige lid
en de artikelen 26 tot en met 28 en 32 wordt - ingeval de ambtenaar in
het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17 van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 - dit
bezoldigingsdeel vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge de voor
hem geldende werktijdregeling zou zijn toegekend, indien hij niet aan
zijn burgerlijke betrekking zou zijn onttrokken. Is de vaststelling
van het bedrag op deze wijze niet mogelijk, dan wordt dit, met
inachtneming van de percentages en het berekeningsmaximum zoals
genoemd in artikel 17 van vorengenoemd besluit, berekend over het voor
de ambtenaar geldende salaris, zulks naar de aantallen uren als
bedoeld in dat artikel waarop door hem gedurende de drie
kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan hij
aan zijn burgerlijke betrekking werd onttrokken, ingevolge de voor hem
geldende werktijdregeling gemiddeld per maand is gewerkt.
4.Voor de toepassing van het tweede lid
en de artikelen 26 tot en met 28 en 32 wordt - ingeval de ambtenaar in
het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 18a van het
Bezoldigings Besluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 - dit
bezoldigingsdeel vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge het voor
hem geldende consignatierooster zou zijn toegekend, indien hij niet
aan zijn burgerlijke betrekking zou zijn onttrokken. Is de
vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk, dan wordt dit
bedrag berekend naar de berekeningsgrondslag en de percentages zoals
genoemd in artikel 18a van vorengenoemd besluit, zulks naar de
aantallen uren als bedoeld in dat artikel waarop door hem gedurende de
drie kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan
hij aan zijn burgerlijke betrekking werd onttrokken, gemiddeld per
maand consignatiediensten zijn verricht.
5.Voor zover de ambtenaar ingevolge de
voor hem geldende bezoldigingsregeling aanspraak heeft op een
vakantie-uitkering geniet hij deze uitkering slechts voor zoveel die
uitgaat boven de vakantie-uitkering waarop hij als militair aanspraak
heeft.
Artikel 26. Bezoldiging bij andere
verplicht militaire dienst dan herhalingsoefeningen
1.De ambtenaar, die ingevolge
wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefening als
militair in werkelijke dienst is, geniet onverminderd het bepaalde in
artikel 122 de aan zijn ambt verbonden bezoldiging voor zoveel deze
meer bedraagt dan zijn militaire beloning, met dien verstande, dat
indien de ambtenaar ongehuwd is, hij slechts de aan zijn ambt
verbonden bezoldiging geniet, voor zoveel 70 ten honderd daarvan meer
bedraagt dan zijn militaire beloning.
2.Zo nodig in afwijking van het
bepaalde in het eerste lid blijft de ambtenaar als daar bedoeld in
ieder geval de aan zijn ambt verbonden bezoldiging genieten tot een
bedrag, dat gelijk is aan het bedrag van het op hem te verhalen
gedeelte van de pensioenbijdrage en van de premie voor de Regeling
flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale
vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van
het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.
3.Ongehuwde enige kostwinners worden
voor de toepassing van het eerste lid gelijk gesteld met gehuwden. Het
tot aanstelling bevoegd gezag beslist of een ongehuwde als enig
kostwinner wordt beschouwd.
4.Voor de toepassing van het eerste lid
wordt de militaire beloning verminderd met een eventuele aftrek wegens
genot van voeding en huisvesting.
5.Onze Ministers van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties en van Financiën stellen bij
gemeenschappelijke ministeriële regeling vast hetgeen voor de
toepassing van dit artikel onder militaire beloning wordt verstaan.
Artikel 27. Voorwaarden voor de
aanspraken op bezoldiging in de gevallen als bedoeld in artikel 26
1.Het bepaalde in artikel 26 is eerst
van toepassing, nadat de ambtenaar als militair de opleiding en
oefening heeft volbracht.
2.De ambtenaar, die ingevolge een
wettelijke verplichting voor opleiding en oefening als militair in
werkelijke dienst is, geniet gedurende deze opleiding en oefening de
aan zijn ambt verbonden bezoldiging tot een bedrag, hetwelk gelijk is
aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de
premie voor de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in
artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en
onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de
Stichting Pensioenfonds ABP.
3.Het eerste en tweede lid zijn niet
van toepassing ten aanzien van ambtenaren op wie bij koninklijk
besluit de artikelen 25 en 26 van overeenkomstige toepassing zijn
verklaard.
4.Indien de ambtenaar bij opkomst in
militaire dienst voldoet aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid,
dan wel indien ingevolge het derde lid bij opkomst in militaire dienst
deze voorwaarde niet voor hem geldt, geniet hij in afwijking van het
bepaalde in artikel 26 gedurende twee weken na zijn opkomst de volle
aan zijn ambt verbonden bezoldiging.
Artikel 28. Bezoldiging bij
herhalingsoefeningen
1.De ambtenaar die voor een
herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is, geniet de aan
zijn ambt verbonden bezoldiging voor zoveel deze meer bedraagt dan
zijn militaire beloning. Artikel 26, tweede, vierde en vijfde lid, is
van toepassing.
2.Voor zoveel nodig bepaalt Onze
Minister van Defensie welke dienst als herhalingsoefening wordt
beschouwd.
3.Met herhalingsoefening gelijkgestelde
dienst
Voor de toepassing of voortgezette
toepassing van het eerste lid worden met inachtneming van hetgeen
daaromtrent is bepaald in de Kaderwet dienstplicht of in de Wet voor
het reservepersoneel der krijgsmacht en onverminderd het bepaalde in
artikel 122 van dit reglement met herhalingsoefeningen gelijkgesteld:
a. het in dienst komen dan wel het
in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven
voor een onderzoek omtrent een strafbaar feit of een
krijgstuchtelijk vergrijp, waarvan de militair verdacht of
beklaagd wordt;
b. het in dienst komen dan wel het
in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven
ten einde rekening en verantwoording af te leggen van gevoerd
beheer;
c. het in aansluiting aan een
herhalingsoefening langer in dienst blijven wegens:
1. ziekte;
2. het niet tijdig bereiken van
de vereiste graad van geoefendheid als gevolg van ziekte;
3. het heersen of geheerst
hebben van een besmettelijke ziekte;
d. het in dienst komen om gehoord
te worden omtrent een bij Ons of bij Onze Minister van Defensie
ingediend beroepschrift onderscheidenlijk bezwaarschrift.
Artikel 29. Uitkering smartegeld bij
overlijden tijdens militaire dienst
Indien de ambtenaar, als militair in
werkelijke dienst zijnde overlijdt, wordt de uitkering, bedoeld in
artikel 134, verminderd met het bedrag van de overeenkomstige uitkering,
welke uit hoofde van de militaire dienst ter zake van dit overlijden
wordt gedaan.
Artikel 30. Uitbreiding toepasselijkheid
artikelen 25 t/m 29
1.Het bepaalde in de artikelen 25 tot
en met 29 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van:
a. De ambtenaar, die is te werk
gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren
militaire dienst;
b. de ambtenaar, die in werkelijke
dienst is op grond van een verbintenis bij het Korps Nationale
Reserve;
c. de ambtenaar, die als militair
in werkelijke dienst is op grond van een verbintenis bij het
reservepersoneel der krijgsmacht;
d. de ambtenaar, die op grond van
een andere bijzondere verbintenis in werkelijke militaire of
daarmede gelijk te stellen dienst is, ter zake waarvan Wij zulks
hebben bepaald.
2.Wij behouden Ons voor met betrekking
tot de uitvoering van het eerste lid nader regels te stellen.
Artikel 31. Ontslag ambtenaar in
tijdelijke dienst tijdens militaire dienst
Op de ambtenaar, die in tijdelijke dienst
is aangesteld, zijn de bepalingen, vervat in de artikelen 25 tot en met
30, slechts van toepassing tot en met de dag, waarop de burgerlijke
betrekking zou zijn beëindigd, indien hij daaraan niet door de
militaire dienst zou zijn onttrokken.
Artikel 32
1.De ambtenaar, die op grond van een
verbintenis als vrijwilliger in de zin van artikel 2, eerste lid onder
a of b, van de Rechtstoestandsregeling reservepolitie of van een
overeenkomstige verbintenis, als bedoeld in de artikelen 53 en 54 van
die regeling in werkelijke dienst is, wordt geacht met verlof te zijn.
2.De in het eerste lid bedoelde
ambtenaar blijft gedurende het aldaar bedoelde verlof, onverminderd
het bepaalde in artikel 122, in het genot van de aan zijn ambt
verbonden bezoldiging, met dien verstande, dat deze bezoldiging indien
het verlof langer dan twee weken duurt, voor de verdere duur van het
verlof wordt verminderd met de beloning, waarop de ambtenaar als
vrijwilliger aanspraak heeft.
3.De in het tweede lid bedoelde
vermindering wordt slechts toegepast tot een zodanig bedrag, dat de
ambtenaar in het genot blijft van een bedrag gelijk aan het op hem te
verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de premie voor de
Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de
Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel
1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.
4.Het bepaalde in het eerste, tweede en
derde lid is niet van toepassing indien de ambtenaar de werkelijke
dienst als vrijwilliger vervult tijdens een aan hem verleend
vakantieverlof.
5.Het bepaalde in artikel 31 is voor
zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
Artikel 33 [Vervallen per 01-01-1980]
Hoofdstuk IV. Dienst- en Werktijden
Artikel 34. Werktijdregeling
1. Met inachtneming van het bepaalde in
dit hoofdstuk en van het bepaalde in of krachtens wetten, houdende
regels tot beperking van de werktijd, stelt het bevoegd gezag voor de
ambtenaren werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt
verstaan een van tevoren bekend gemaakt schema van aanvang en einde
van de dagelijkse werktijden gedurende een bepaalde periode. Het in de
werktijdregeling opgenomen aantal te werken uren op jaarbasis kan niet
hoger zijn dan gemiddeld 40 uur per week.
2. De arbeidsduur bedraagt gemiddeld
ten hoogste 36 uur per week. De werktijd wordt behoorlijk door
rusttijd onderbroken. De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een
aanvraag indienen om de arbeidsduur in hele uren vast te stellen op
meer dan gemiddeld 36 uur per week, waarbij een maximum geldt van
gemiddeld 40 uur per week. Deze aanvraag wordt toegewezen tenzij het
dienstbelang zich daartegen verzet.
Een aanvraag tot het vaststellen van de
arbeidsduur op meer dan gemiddeld 36 uur per week wordt niet toegekend
voor:
a. de ambtenaar wiens gemiddelde
wekelijkse werktijd op basis van artikel 34a is teruggebracht;
b. de ambtenaar die op basis van
artikel 62a betaald ouderschapsverlof geniet;
c. de ambtenaar die op basis van
artikel 63 buitengewoon verlof van lange duur geniet;
d. de ambtenaar aan wie op basis
van artikel 124a, derde lid, gedeeltelijk ontslag is verleend;
e. de arbeidsgehandicapte in de zin
van artikel 2 van de Wet op de (re)ïntegratie
arbeidsgehandicapten, waarbij een verminderde arbeidsprestatie is
vastgesteld.
3. Het aantal te werken uren per jaar
bedraagt: het aantal kalenderdagen per jaar verminderd met het aantal
zaterdagen en zondagen en niet op zaterdag of zondag vallende
feestdagen, genoemd in het zevende lid, onder a, in dat jaar,
vermenigvuldigd met 7,2 en vervolgens vermenigvuldigd met de voor de
ambtenaar geldende arbeidsduurfactor.
4. Het aantal te werken uren, bedoeld
in het derde lid, wordt rekenkundig afgerond.
5. Aan de ambtenaar van 55 jaar en
ouder wordt niet opgedragen dienst te verrichten tussen 22.00 uur en
06.00 uur tenzij het een gedeelte van een dienst betreft die doorloopt
na 22.00 uur en ten laatste eindigt om 24.00 uur.
6. Van het bepaalde in het vorige lid
kan voor de duur van telkens ten hoogste één jaar worden afgeweken
indien de ambtenaar dit heeft aangevraagd danwel zeer gewichtige
redenen van dienstbelang hiertoe noodzaken, mits de deskundige persoon
of de arbodienst als bedoeld in hoofdstuk VI, daaromtrent een positief
medisch advies heeft uitgebracht.
7.
a. Geen dienst wordt geëist op
zondagen, alsmede op de Nieuwjaarsdag, de Tweede Paasdag, de
Hemelvaartsdag, de Tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de
dag, waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd en op 5
mei.
b. Van onderdeel a van dit
artikellid kan slechts worden afgeweken indien het dienstbelang
dit onvermijdelijk maakt en met inachtneming van het navolgende:
1. geen dienst wordt geëist op
ten minste dertien zondagen per periode van zes maanden;
2. de ambtenaar wordt zo weinig
mogelijk in zijn zondagsrust beperkt en hem wordt zoveel
mogelijk de gelegenheid geboden op zondag en op de voor hem
geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk te bezoeken.
c. De onderdelen a en b vinden ten
aanzien van de zondag voor de ambtenaar die aan het hoofd van
dienst heeft medegedeeld dat hij, in verband met zijn
godsdienstige opvattingen, de wekelijkse rustdag op een andere dag
dan de zondag viert, overeenkomstige toepassing voor die dag in
plaats van ten aanzien van de zondag.
d. Op zaterdag kan dienst worden
geëist, mits de belangen van de dienst daartoe aanleiding geven.
8.
a. De ambtenaar van 18 jaar of
ouder heeft een onafgebroken rusttijd van hetzij ten minste 36
uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, tenzij
ten minste 60 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 9 maal 24
uren welke rusttijd éénmaal in elke periode van 5
achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 32 uren.
b. De ambtenaar van 16 of 17 jaar
heeft een onafgebroken rusttijd van ten minste 36 uren in elke
aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren.
9. Afwijkingen
Van de voor de ambtenaar vastgestelde
werktijdregeling kan slechts worden afgeweken indien het dienstbelang
dit onvermijdelijk maakt en - behoudens in geval van oorlog,
oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden - mits ervoor
wordt gezorgd, dat de ambtenaar in of over het desbetreffende tijdvak
van zeven dagen een ononderbroken rusttijd van ten minste 36 uren
geniet.
10. In bijzondere gevallen kan van de
vaststelling van een werktijdregeling als bedoeld in het eerste lid
worden afgezien. In die gevallen vindt in het tweede tot en met
zevende lid overeenkomstige toepassing.
11. In overeenstemming met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan in
uitzonderlijke gevallen van het bepaalde in het tweede tot en met
negende lid, alsmede van het bepaalde in de tweede volzin van het
tiende lid, worden afgeweken voorzover dat niet in strijd is met het
bepaalde bij of krachtens de Arbeidstijdenwet.
12. Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd ter zake van de uitvoering van
het bepaalde in dit artikel nadere regels vast te stellen.
Artikel 34a
1.De gemiddelde wekelijkse werktijd van
een ambtenaar van 57 jaar en ouder die daartoe een aanvraag heeft
ingediend, wordt, met behoud van zijn arbeidsduur, teruggebracht met
15,8%, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. De ambtenaar
voor wie de arbeidsduur op meer dan gemiddeld 36 uur is vastgesteld,
kan een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin eerst indienen nadat
op zijn aanvraag door het bevoegd gezag zijn arbeidsduur is
vastgesteld op ten hoogste gemiddeld 36 uur.
2.De in het eerste lid bedoelde
ambtenaar dient op het moment van de vermindering van de werktijd
tenminste 5 aaneengesloten jaren in dienst te zijn van het rijk.
3.Voor de uren die het wekelijkse
verschil vormen tussen de in het eerste lid bedoelde arbeidsduur en de
teruggebrachte werktijd wordt de ambtenaar geacht met verlof te zijn.
4.Op het salaris van de in het eerste
lid bedoelde ambtenaar wordt een inhouding toegepast. De hoogte van
deze inhouding is afhankelijk van de leeftijd op de datum dat de
werktijdvermindering op grond van dit artikel ingaat en bedraagt een
percentage volgens onderstaande tabel van het salaris dat voor hem zou
gelden zonder werktijdvermindering op grond van dit artikel,
verminderd met een eventuele inhouding als bedoeld in artikel 92b:
|
Leeftijd |
Inhouding in
procenten |
|
57 |
5 |
|
58 |
5 |
|
59 |
3,5 |
|
60 |
3,5 |
|
61 |
2 |
|
62 |
2 |
|
63 |
1 |
|
64 |
1 |
5.De inhouding, bedoeld in het vierde
lid, wordt teruggebracht tot 70% voor zover op grond van artikel 72,
eerste lid, niet meer dan 70% van de bezoldiging wordt doorbetaald.
6.Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties stelt omtrent de verrekening van extra
inkomsten uit arbeid of bedrijf met het salaris van de in het eerste
lid bedoelde ambtenaar regels vast.
Artikel 34b
De ambtenaar heeft het recht om, op zijn
verzoek, in deeltijd te gaan werken, tenzij hieruit bezwaren voor de
dienst voortvloeien.
Artikel 34c
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van individuele
keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket.
Artikel 34d [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 34e [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 34f [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 34g [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 34h [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 34i [Vervallen per 01-01-2004]
Hoofdstuk V. Vakantie en verlof
§ 1. Vakantie
Artikel 35. De aanspraak op vakantie
1.De ambtenaar heeft jaarlijks
aanspraak op vakantie met behoud van zijn volle bezoldiging.
2.De aanspraak op vakantie wordt
uitgedrukt in hele uren.
3.De omvang van de aanspraak op
vakantie is afhankelijk van:
a. de leeftijd van de ambtenaar;
b. de werktijd van de ambtenaar.
4.Voor de ambtenaar met volledige
werktijd bedraagt de aanspraak op vakantie 165,6 uren per
kalenderjaar. Onder volledige werktijd wordt verstaan een werktijd
welke gemiddeld 36 werkuren per week omvat.
5.De op grond van het vierde lid
geldende aanspraak op vakantie wordt verhoogd volgens onderstaande
tabel, afhankelijk van de leeftijd die de ambtenaar in het
desbetreffende kalenderjaar bereikt:
|
leeftijd |
verhoging |
|
van 45 tot en met 49 jaar |
7,2 uren |
|
van 50 tot en met 54 jaar |
14,4 uren |
|
van 55 tot en met 59 jaar |
21,6 uren |
|
vanaf 60 jaar |
28,8 uren. |
6.De ingevolge het vierde en vijfde
lid geldende aanspraak op vakantie wordt vermenigvuldigd met de voor
de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding
naar boven op hele uren plaats.
7.Bij beëindiging of aanvang van het
dienstverband in de loop van een kalenderjaar, wordt de aanspraak op
vakantie vastgesteld naar evenredigheid van de dienst, die hij in
dat jaar verricht heeft of zal verrichten.
8.Indien de werktijd van de ambtenaar
wordt gewijzigd, wordt de aanspraak op vakantie over een eventueel
resterend gedeelte van het desbetreffende kalenderjaar opnieuw
vastgesteld, rekening houdend met de nieuwe werktijd. De tot aan de
datum van ingang van de wijziging van de werktijd verworven
aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd gehandhaafd.
9.Over kalendermaanden gedurende
welke de ambtenaar in afwijking van de voor hem geldende
werktijdregeling in het geheel geen dienst verricht, heeft hij geen
aanspraak op vakantie.
Over kalendermaanden gedurende welke
de ambtenaar in afwijking van de voor hem geldende werktijdregeling
gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij aanspraak op vakantie naar
evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop hij volgens de
werktijdregeling dienst verricht.
10.Lid 9 is niet van toepassing,
indien geheel of gedeeltelijk geen dienst wordt verricht wegens:
a. genoten vakantie;
b. ziekte, voor zover de
verhindering tot dienstverrichting korter duurt dan 26 weken,
waarbij een hervatting van de dienstverrichting gedurende vier
weken of minder geen nieuwe periode van 26 weken inluidt.
c. zwangerschaps- en
bevallingsverlof als bedoeld in artikel 62c, derde en vierde
lid;
d. verblijf in militaire dienst
wegens herhalingsoefeningen;
e. verlof verleend op basis van
artikel 54, 56, 58, 60, 62aa of 62ab van dit besluit;
f. het minder uren werken op
basis van de in artikel 34c van dit besluit bedoelde regels.
11.In afwijking van het tiende lid,
onder b, heeft de ambtenaar gedurende de periode datartikel 75a,
eerste lid, onderdeel i, q of r, toepassing vindt, geen aanspraak op
vakantie.
12.Met ingang van de dag dat de
ambtenaar op grond van artikel 34a gedeeltelijk geen dienst verricht
vervalt de in het vijfde lid bedoelde verhoging van de
vakantieaanspraak.
13.Indien het belang van de dienst
zich daartegen niet verzet, kan het tot aanstelling bevoegd gezag op
aanvraag van de ambtenaar eenmaal per kalenderjaar zijn aanspraak op
vakantie verlagen. Het aantal uren vakantie waarmee de aanspraak kan
worden verlaagd bedraagt ten hoogste het aantal uren vakantie waarop
de ambtenaar over het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft,
verminderd met: 144 uur vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar
geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op
hele uren plaats.
14.Het tot aanstelling bevoegd gezag
stelt vast voor welke datum aanvragen als bedoeld in het dertiende
lid kunnen worden ingediend en geeft op of na die datum gelijktijdig
beschikkingen op de voor die datum ingediende aanvragen.
15.De ambtenaar wordt voor elk uur
vakantie waarmee zijn aanspraak op vakantie overeenkomstig het
dertiende en zeventiende lid wordt verlaagd, een vergoeding
toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat hij geniet op de
door het tot aanstelling bevoegd gezag krachtens het veertiende lid
vastgestelde datum.
16.Indien de ambtenaar de vergoeding,
genoemd in het vijftiende lid, volledig inzet ten behoeve van
levensloopverlof, bedoeld in artikel 69a, bedraagt, in afwijking van
het dertiende lid, het aantal uren waarmee de aanspraak op vakantie
kan worden verlaagd ten hoogste het aantal uren waarop de ambtenaar
over het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft, verminderd
met: 108 uur vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende
arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op hele uren
plaats.
17.Met inachtneming van de
beperkingen die krachtens artikel 69a zijn gesteld aan het sparen
voor levensloopverlof, verlaagt het bevoegd gezag op aanvraag van de
ambtenaar het aantal vakantie-uren dat met toepassing van artikel
36, zevende en achtste lid, is overgeboekt, indien de vergoeding
voor de uren waarmee de aanspraak op vakantie wordt verlaagd
volledig wordt ingezet ten behoeve van levensloopverlof als bedoeld
in artikel 69a. De ambtenaar doet de aanvraag gelijktijdig met de
aanvraag om te sparen voor levensloopverlof.
Artikel 36. Het opnemen van vakantie
1.De ambtenaar is vrij te bepalen
wanneer hij vakantie opneemt, voor zoveel de belangen van de dienst
zich daartegen niet verzetten.
2.De ambtenaar dient in elk
kalenderjaar ten minste 108 uur vakantie op te nemen waarvan ten
minste 72 uur over een aaneengesloten periode indien voor hem een
volledige werktijd geldt en tot in evenredigheid lagere getallen
indien voor hem een onvolledige werktijd geldt.
3.Het bevoegde gezag kan toestaan, dat
een ambtenaar in enig kalenderjaar meer uren vakantie opneemt dan zijn
aanspraak tot en met het lopende jaar bedraagt, met dien verstande,
dat de opgenomen vakantie de aanspraak tot en met het lopende jaar
nimmer met meer dan 57,6 uren mag overschrijden. Voor de ambtenaar met
onvolledige werktijd wordt het in de vorige volzin bedoelde aantal
uren van de maximaal toegestane overschrijding verminderd naar
evenredigheid van de werktijd. De in een kalenderjaar teveel genoten
vakantie wordt in mindering gebracht op de aanspraak op vakantie over
het eerstvolgende jaar.
4.De ambtenaar meldt het voornemen
vakantie op te nemen ruimschoots van tevoren.
5.Tenzij gewichtige redenen van
dienstbelang zich hiertegen verzetten, is het de ambtenaar toegestaan
op het voornemen vakantie op te nemen, terug te komen, dan wel het
opnemen niet voort te zetten. De vorige volzin geldt in geval van
ziekte of ongeval alleen indien de ambtenaar ten genoege van het
bevoegd gezag die ziekte of dat ongeval aantoont.
6.Wanneer dringende redenen van
dienstbelang dat noodzakelijk maken, kan het bevoegde gezag aan de
ambtenaar verleende toestemming vakantie op te nemen intrekken, zowel
vóór als tijdens de vakantie. Indien de ambtenaar ten gevolge van
het intrekken van de toestemming vakantie op te nemen geldelijke
schade lijdt, wordt deze hem vergoed.
7.Niet-opgenomen vakantie, waaronder
eventuele van vorige jaren overgeboekte vakantie, wordt naar het
volgende kalenderjaar overgeboekt tot een maximum van de aanspraak van
de ambtenaar over een vol kalenderjaar berekend volgens artikel 35,
eerste tot en met twaalfde lid, verminderd met de in het tweede lid
van dit artikel bedoelde vakantie.
8.Het bevoegd gezag kan toestaan dat in
individuele gevallen in een bepaald jaar wordt afgeweken van de
overeenkomstig het zevende lid maximaal naar een volgend kalenderjaar
over te boeken vakantie-aanspraken.
Artikel 37. Ontslag en vakantie
1.Indien de ambtenaar op de datum van
zijn ontslag nog aanspraak heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur
vakantie dat hij niet heeft opgenomen een vergoeding toegekend ten
bedrage van het salaris per uur dat de ambtenaar direct voorafgaand
aan zijn ontslag genoot. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste
twee maal de aanspraak op vakantie over een vol kalenderjaar,
uitgaande van het salaris en de werktijd zoals die direct voorafgaand
aan het ontslag voor de ambtenaar golden en de leeftijd welke hij
bereikt in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking wordt
beëindigd.
2.Indien op de dag van zijn ontslag
blijkt, dat de ambtenaar teveel vakantie heeft genoten, is hij voor
ieder uur teveel genoten vakantie een bedrag verschuldigd ten bedrage
van de salaris per uur.
3.In geval van overgang zonder
onderbreking naar een andere functie binnen de rijksdienst in de loop
van een kalenderjaar kan de ambtenaar er - in zoverre in afwijking van
lid 1 - voor kiezen de vakantieaanspraken van het lopende kalenderjaar
die niet zijn genoten, te behouden. Daarbij wordt vakantie die in het
lopende kalenderjaar is genoten in mindering gebracht op de aanspraken
in dat jaar.
Artikel 38. Overige bepalingen
Ingeval de ambtenaar in het genot is van
een toelage als bedoeld in artikel 17 dan wel artikel 18a van het BBRA
1984 is - met betrekking tot de vaststelling van dat bezoldigingsdeel
tijdens vakantie - artikel 25 lid 3, respectievelijk lid 4, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 38a [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 39
Het tot aanstelling bevoegd gezag is
bevoegd nadere en zonodig afwijkende regels vast te stellen.
Artikel 40 [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 41 [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 42 [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 43 [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 44 [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 45 [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 46 [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 47 [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 47a [Vervallen per 11-07-1991]
Artikel 48 [Vervallen per 01-01-1984]
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-1984]
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-1984]
Artikel 51 [Vervallen per 01-01-1984]
Artikel 52 [Vervallen per 01-01-1984]
§ 2. Verlof
Artikel 53. Verlof bij militaire dienst
enz. alsmede in geval van ziekte
Onverminderd het bepaalde in de
hoofdstukken III. en IV. geniet verlof:
a. de ambtenaar, die als militair dan
wel op grond van een verbintenis als vrijwilliger in de zin van
artikel 2, eerste lid, onder a. of b. van de Rechtstoestandregeling
reservepolitie of van een overeenkomstige verbintenis, als bedoeld
in de artikelen 53 en 54 van die regeling in werkelijke dienst is;
b. de ambtenaar, die zich bevindt in
een der omstandigheden, genoemd in artikel 30;
c. de ambtenaar die uit hoofde van
ziekte of ongeval verhinderd is dienst te verrichten.
Artikel 54. Verlof bij sluiting
rijksdienst op daartoe aangewezen dagen
1.Indien de rijksdienst op een daartoe
aangewezen kerkelijke of nationale, landelijk, regionaal of
plaatselijk erkende feest- of gedenkdag is gesloten, geniet de
desbetreffende ambtenaar verlof voor zoveel het dienstbelang niet
anders vereist.
2.Het vorige lid vindt geen toepassing,
indien de sluiting van de rijksdienst regionaal of plaatselijk
plaatsvindt en de ambtenaar elders werkzaam is.
Artikel 55
1.Aan de ambtenaar wordt in de gevallen
en onder de voorwaarden genoemd in de volgende artikelen van deze
paragraaf buitengewoon verlof verleend.
2.Onder zeer bijzondere persoonlijke
omstandigheden als bedoeld in artikel 4:1 van de Wet arbeid en zorg
worden in ieder geval begrepen de omstandigheden genoemd in de
artikelen 60 en 62b.
Artikel 56. Buitengewoon verlof van korte
duur - voor voldoen aan wettelijke verplichting
Tenzij de belangen van de dienst zich
daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle
bezoldiging verleend:
a. voor de uitoefening van kiesrecht;
b. voor het voldoen aan een
wettelijke verplichting, een en ander voor zover dit niet in vrije
tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is.
Artikel 57. Buitengewoon verlof van korte
duur - voor vergaderingen van en werkzaamheden voor publiekrechtelijke
colleges
1.Indien de ambtenaar een vaste
vergoeding ontvangt uit de functie waarvoor hem het in artikel 125c,
tweede lid, van de Ambtenarenwet bedoelde verlof wordt verleend, wordt
op zijn bezoldiging een inhouding toegepast over de tijd dat hij het
verlof geniet. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te
ontvangen als vaste vergoeding voor de met het verlof overeenkomende
tijd in de bedoelde functie niet te boven.
2.Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties kan nadere regels ter uitvoering van het eerste
lid vaststellen.
Artikel 58. Vergaderingen van statutaire
organen van ambtenarenorganisaties, kaderactiviteiten en georganiseerd
overleg in ambtenarenzaken
1.Tenzij de belangen van de dienst zich
daartegen verzetten wordt jaarlijks ten hoogste 120 uren buitengewoon
verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van
vergaderingen van statutaire organen van verenigingen van ambtenaren,
van centrale organisaties, waarbij deze verenigingen zijn aangesloten
of van internationale ambtenarenorganisaties, mits de ambtenaar
hieraan deelneemt:
a. voor zover betreft vergaderingen
van verenigingen van ambtenaren als bestuurslid van die vereniging
dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een onderdeel
daarvan;
b. voor zover betreft vergaderingen
van centrale organisaties, waarbij verenigingen van ambtenaren
zijn aangesloten, als bestuurslid van die centrale organisatie dan
wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie
aangesloten vereniging van ambtenaren;
c. voor zover betreft vergaderingen
van een internationale ambtenarenorganisatie als bestuurslid van
deze organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een
bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren.
2.Tenzij de belangen van de dienst zich
daartegen verzetten, wordt tot ten hoogste 208 uren per jaar
buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend aan de
ambtenaar, die door een centrale als bedoeld in artikel 140 of door
een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen om bestuurlijke en/of
vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of
een daarbij aangesloten vereniging c.q. binnen de organisatie van de
werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van
overheidspersoneel en de daarbij aangesloten verenigingen te
ondersteunen.
3.Tenzij de belangen van de dienst zich
daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle
bezoldiging verleend aan de ambtenaar voor het - op uitnodiging van
een organisatie van ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus,
met dien verstande dat dit verlof ten hoogste 48 uren per twee jaren
bedraagt.
4.Het aantal uren dat op grond van het
eerste, tweede en derde lid aan een ambtenaar mag worden verleend,
bedraagt te zamen ten hoogste 240 uren per jaar, met dien verstande
dat ten hoogste 320 uren worden verleend:
a. aan leden van de hoofdbesturen
van de Algemene Centrale van Overheidspersoneel, en de
Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijspersoneel en van
organisaties, die rechtstreeks bij die centrale organisaties zijn
aangesloten;
b. aan leden van het hoofdbestuur
van het Ambtenarencentrum en aan leden van het dagelijks bestuur
van de bij die centrale aangesloten organisaties;
c. aan leden van het hoofdbestuur
van de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij
Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen, alsmede aan de
bestuursleden van de sectoren en secties van die organisatie.
5.Het verlof bedoeld in de vorige
leden, wordt slechts verleend aan ambtenaren, die lid zijn van
verenigingen van ambtenaren, welke zijn aangesloten bij centrales van
verenigingen van ambtenaren, die deel uitmaken van de Sectorcommissie
overleg rijkspersoneel.
6.Tenzij andere belangen van de dienst
zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van
volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van
georganiseerd overleg in ambtenarenzaken. Dit geldt eveneens voor
één voorvergadering per in de vorige volzin bedoelde vergadering.
Artikel 59 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 60. Buitengewoon verlof van korte
duur - wegens familieomstandigheden
1.Tenzij de belangen van de dienst zich
daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar buitengewoon verlof met
behoud van volle bezoldiging verleend:
a. bij zijn huwelijk: twee dagen;
b. tot het bijwonen van een
huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste en tweede graad:
één dag;
c. bij overlijden van:
1e. in artikel 62ab, tweede
lid, genoemde personen: vier dagen;
2e. bloed- of aanverwanten in
de tweede graad: twee dagen, of, indien de ambtenaar is belast
met de regeling van de lijkbezorging of van de nalatenschap
dan wel van beide, ten hoogste vier dagen;
indien de ambtenaar is belast met
de regeling van de lijkbezorging of van de nalatenschap dan wel
van beide: ten hoogste vier dagen;
d. bij bevalling van zijn
echtgenote: ten hoogste twee dagen.
2.Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder huwelijk mede begrepen het sluiten van een
samenlevingscontract als bedoeld in artikel 1, vierde lid, of het
aangaan van een geregistreerd partnerschap.
3.Buitengewoon verlof dat aan de
ambtenaar op grond van het eerste lid wordt verleend in verband met
aanverwantschap die door zijn huwelijk is ontstaan met bloedverwanten
van zijn echtgenote wordt op gelijke wijze verleend aan de ambtenaar
die ongehuwd samenwoont als bedoeld in artikel 1, vierde lid, of aan
de ambtenaar die een geregistreerd partnerschap is aangegaan met
betrekking tot dezelfde bloedverwanten van zijn levenspartner of van
zijn geregistreerde partner.
4.Het tot aanstellen bevoegd gezag kan
regels vaststellen in aanvulling op of in afwijking van de vorige
leden.
Artikel 61. Aanvullende bevoegdheid tot
het verlenen van buitengewoon verlof
1.Buitengewoon verlof van korte duur,
al dan niet met behoud van volle bezoldiging, kan bovendien worden
verleend in de gevallen, waarin hij, die tot verlenen van dat verlof
bevoegd is verklaard, oordeelt, dat daartoe aanleiding bestaat.
2.Het tot aanstellen bevoegd gezag kan
ter uitvoering van het eerste lid nadere regels stellen.
Artikel 62. Aanvragen van buitengewoon
verlof
1.Behoudens in dringende gevallen moet
buitengewoon verlof van korte duur tenminste 24 uren tevoren
schriftelijk of mondeling worden aangevraagd.
2.Indien de ambtenaar, die niet vooraf
een aanvraag voor buitengewoon verlof van korte duur heeft ingediend,
ten genoegen van de in het eerste lid bedoelde autoriteit aantoont,
dat hij daartoe geen gelegenheid heeft gehad, terwijl er voor zijn
afwezigheid gegronde redenen bestonden, wordt deze afwezigheid
beschouwd als buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging.
3.Een gegronde reden als bedoeld in het
tweede lid is slechts aanwezig:
a. indien een der in de voorgaande
artikelen genoemde omstandigheden aanwezig is geweest, op grond
waarvan aan de ambtenaar op zijn aanvraag buitengewoon verlof
wordt verleend, zulks met inachtneming van de daarbij vermelde
voorwaarden en termijnen;
b. in alle andere gevallen, indien
de ambtenaar, alle omstandigheden in aanmerking genomen,
redelijker wijze de dienst mocht verzuimen.
Artikel 62a. Buitengewoon verlof in
verband met ouderschap
1. De ambtenaar die als ouder in
familierechtelijke betrekking staat tot een kind, heeft aanspraak op
verlof. Indien de ambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer
dan één kind in familierechtelijke betrekking komt te staan, bestaat
er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op verlof.
2. De ambtenaar die blijkens
verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde
adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en de opvoeding van
dat kind als eigen kind op zich heeft genomen, heeft aanspraak op
verlof. Indien de ambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip de
verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen,
bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op verlof.
3. Geen aanspraak op verlof bestaat
over de periode gelegen na de datum waarop het kind de leeftijd van
acht jaren heeft bereikt.
4. Het verlof wordt uitsluitend
verleend aan de ambtenaar wiens dienstbetrekking ten minste een jaar
heeft geduurd. Indien de dienstbetrekking buiten Nederland wordt
vervuld bestaat aanspraak op verlof tenzij gewichtige redenen van
dienstbelang zich hiertegen verzetten.
5. Het aantal uren verlof waarop de
ambtenaar per keer ten hoogste aanspraak heeft, bedraagt zesentwintig
maal de arbeidsduur per week uitgaande van zijn arbeidsduur op het
tijdstip waarop het verlof aanvangt. Indien de arbeidsduur van de
ambtenaar gedurende het verlof wijzigt, wordt de aanspraak op het
verlof opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de mate waarin de
arbeidsduur is gewijzigd en de mate waarin de periode gedurende welke
het verlof wordt genoten is verstreken.
6. Het verlof wordt opgenomen gedurende
een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf maanden en
gelijkmatig over deze periode verdeeld. In afwijking van de eerste
volzin kan de ambtenaar het bevoegd gezag verzoeken om het verlof op
een andere wijze aaneengesloten te genieten of het verlof op te delen
in ten hoogste drie perioden, waarbij iedere periode ten minste een
maand bedraagt. Het bevoegd gezag stemt in met het verzoek tenzij een
zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.
7. Bij een keuze voor het maximale
aantal uren verlof als bedoeld in het vijfde lid, heeft de ambtenaar
over de verlofuren aanspraak op 27,5% van zijn bezoldiging. Bij een
aanvraag voor een geringer aantal uren verlof wordt het percentage
evenredig verhoogd tot ten hoogste 55. Zo nodig wordt het percentage
rekenkundig afgerond op één decimaal achter de komma.
8. De ambtenaar is verplicht tot
terugbetaling van hetgeen hem over de genoten uren ouderschapsverlof
is toegekend over de genoten verlofuren wanneer hem binnen een jaar na
afloop van het verlof ontslag wordt verleend op aanvraag dan wel niet
op aanvraag op grond van aan de ambtenaar te wijten feiten of
omstandigheden. Ontslag op aanvraag gevolgd door een overgang binnen
een maand naar een andere functie binnen de rijksdienst wordt niet als
ontslag beschouwd. Het tot aanstelling bevoegd gezag kan de ambtenaar
ontheffen van de in de eerste volzin bedoelde verplichting indien er
bijzondere omstandigheden zijn die dat naar het oordeel van het tot
aanstelling bevoegd gezag rechtvaardigen.
9. De ambtenaar meldt het voornemen
verlof op te nemen ten minste twee maanden voor het door hem gewenste
tijdstip van ingang van het verlof schriftelijk aan het tot verlening
van het verlof bevoegde gezag.
Daarbij geeft de ambtenaar op:
a. het tijdvak waarin het verlof
zal worden genoten;
b. het aantal uren verlof per week;
en
c. de spreiding van de verlofuren
over de week.
Bij de eerste melding ten aanzien van
het desbetreffende kind dient tevens opgave te worden gedaan van het
totaal aantal uren dat de ambtenaar wenst op te nemen en de eventuele
opdeling daarvan in perioden op grond van het zesde lid. Indien de
ambtenaar het verlof heeft opgedeeld in meerdere perioden geldt de
opgave, bedoeld in de onderdelen a tot en met c, slechts voor één
verlofdeel tegelijk. De tijdstippen van ingang en einde van het verlof
kunnen afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling, van
het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging
van het kind.
10. Het bevoegd gezag is verplicht in
te stemmen met een aanvraag van de ambtenaar het verlof niet op te
nemen of niet voort te zetten op grond van het opnemen van
zwangerschaps-, bevallings- of adoptieverlof als bedoeld in de
artikelen 62c, onderscheidenlijk62aa.
Het bevoegd gezag is tevens verplicht
in te stemmen met een aanvraag van de ambtenaar het verlof niet op te
nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden,
tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten.
11. Het bevoegd gezag behoeft aan een
aanvraag als bedoeld in het tiende lid niet met ingang van een vroeger
tijdstip dan vier weken na de aanvraag gevolg te geven. In het geval
het verlof met toepassing van het tiende lid, eerste volzin, na het
tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, wordt de aanspraak
op het overige deel van het verlof opgeschort. In het geval het verlof
met toepassing van het tiende lid, tweede volzin, na het tijdstip van
ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt de aanspraak op het
overige deel van dat verlof.
12. Indien op grond van het zesde lid
het verlof is opgedeeld, zijn het tiende en elfde lid op iedere
periode van toepassing.
13. Het bevoegd gezag kan, na overleg
met de ambtenaar, de spreiding van de uren over de week op grond van
gewichtige redenen van dienstbelang wijzigen tot vier weken voor het
tijdstip van ingang van het verlof.
14. Indien het verlof op grond van het
zesde lid is opgedeeld en de aanstelling eindigt voordat het verlof
volledig is genoten, heeft de ambtenaar, indien hij een nieuwe
aanstelling krijgt bij een ander bevoegd gezag, aanspraak op de
eventueel resterende deelperioden van het verlof met inachtneming van
het bepaalde in dit artikel.
15. Op de ambtenaar die voor een kind
het verlof geheel of gedeeltelijk heeft opgenomen voor 1 januari 2011,
blijven het vijfde en zevende lid, van toepassing zoals die luidden op
31 december 2010 voor wat betreft zijn recht op bezoldiging tijdens de
uren waarop hem ouderschapsverlof is verleend, met dien verstande dat
aanvullend dertien maal de arbeidsduur per week kan worden opgenomen
zonder behoud van bezoldiging.
Artikel 62aa
1.De ambtenaar heeft in verband met de
adoptie van een kind aanspraak op verlof met behoud van bezoldiging.
2.De aanspraak op verlof in verband met
adoptie van een kind bedraagt ten hoogste vier aaneengesloten weken.
De aanspraak bestaat gedurende een tijdvak van achttien weken te
rekenen vanaf twee weken vóór de eerste dag dat de feitelijke
opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen zoals die
dag is aangeduid in een door de ambtenaar aan het bevoegd gezag
overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal
worden opgenomen.
3.Indien als gevolg van een
adoptieverzoek tegelijkertijd twee of meer kinderen feitelijk ter
adoptie worden opgenomen, bestaat de aanspraak op verlof slechts ten
aanzien van één van die kinderen.
4.De ambtenaar meldt aan het bevoegd
gezag het verlof in verband met adoptie uiterlijk drie weken voor de
dag van ingang van het verlof. Bij de melding worden documenten
gevoegd waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden
opgenomen.
5.Indien de ambtenaar aan wie verlof is
verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van
dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op
basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin
sprake is van samenloop een inhouding op de doorbetaling van
bezoldiging als bedoeld in het eerste lid toegepast welke overeenkomt
met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming.
6.Indien aan gestelde voorwaarden voor
het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het
vijfde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is
toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het
bevoegd gezag het vijfde lid op overeenkomstige wijze toe. In dat
geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die
aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou
hebben ingediend.
7.De bepalingen in dit artikel zijn van
overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die een pleegkind opneemt
als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d, van de Wet arbeid
en zorg.
Artikel 62ab
1.Tenzij een zwaarwegend dienstbelang
zich daartegen verzet wordt aan de ambtenaar verlof met behoud van
bezoldiging verleend voor de noodzakelijke verzorging in verband met
ziekte van:
a. zijn echtgenote of echtgenoot;
b. een inwonend kind tot wie de
ambtenaar als ouder in een familierechtelijke betrekking staat;
c. een inwonend kind van zijn
echtgenote of echtgenoot;
d. een pleegkind dat blijkens
verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde
adres woont als de ambtenaar en door hem duurzaam wordt verzorgd
en opgevoed op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel
22, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg.
2.Tenzij een zwaarwegend dienstbelang
zich daartegen verzet wordt aan de ambtenaar verlof met behoud van
bezoldiging voor de noodzakelijke verzorging in verband met ernstige
ziekte van echtgenote, echtgenoot, ouders, stiefouders, pleegouders,
schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde
kinderen.
3.Het verlof, bedoeld in het eerste en
tweede lid, bedraagt in elk kalenderjaar ten hoogste tweemaal de
arbeidsduur per week.
4.De ambtenaar meldt vooraf aan het
bevoegd gezag dat hij het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid,
opneemt onder opgave van de reden. Indien dit niet mogelijk is, meldt
de ambtenaar het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk aan het
bevoegd gezag onder opgave van de reden. Bij die melding geeft de
ambtenaar ook de omvang, de wijze van opneming en de vermoedelijke
duur van het verlof aan.
5.Het bevoegd gezag kan achteraf van de
ambtenaar verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet
heeft verricht in verband met de noodzakelijke verzorging als bedoeld
in het eerste en tweede lid.
Artikel 62b
1.De ambtenaar die zorg draagt voor een
of meer personen als bedoeld in het vierde lid heeft aanspraak op
zorgverlof bij calamiteiten onder behoud van zijn volle bezoldiging.
2.Onder calamiteit wordt verstaan
ziekte of een andere onverwachte gebeurtenis waardoor een noodsituatie
onstaat in de verzorging van een of meer van de in het vierde lid
bedoelde personen.
3.Het verlof is bedoeld als eerste
opvang en voor het treffen van verdere voorzieningen en bedraagt
maximaal 1 dag per calamiteit.
4.De personen voor wier verzorging het
verlof kan worden verleend zijn: de echtgenote, ouders, stiefouders,
pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of
aanbehuwdkinderen van de ambtenaar.
5.De ambtenaar informeert het bevoegd
gezag vooraf over het opnemen van het verlof onder vermelding van de
reden.
6.Het bevoegd gezag kan eisen dat de
ambtenaar achteraf aannemelijk maakt dat daadwerkelijk sprake was van
een noodsituatie. Indien de ambtenaar daar naar het oordeel van het
bevoegd gezag niet in slaagt kunnen de opgenomen uren in mindering
worden gebracht op het vakantieverlof.
7.Voor de toepassing van dit artikel is
het derde lid van artikel 60 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 62c. Zwangerschaps- en
bevallingsverlof
1.De vrouwelijke ambtenaar heeft in
verband met haar bevalling aanspraak op zwangerschaps- en
bevallingsverlof.
2.Gedurende het zwangerschaps- en
bevallingsverlof behoudt de vrouwelijke ambtenaar haar aanspraak op
bezoldiging.
3.De vrouwelijke ambtenaar heeft recht
op een zwangerschapsverlof vanaf de dag waarop de bevalling blijkens
een verklaring van een arts of van een verloskundige aangevende de
vermoedelijke datum van de bevalling, binnen zes weken is te
verwachten. Het verlof vangt uiterlijk aan vier weken voorafgaand aan
de vermoedelijke datum van de bevalling.
4.De vrouwelijke ambtenaar heeft recht
op een bevallingsverlof van tien weken vanaf de dag volgend op die van
de bevalling. Dit verlof wordt verlengd tot ten hoogste zestien weken,
voor zover het zwangerschapsverlof voorafgaand aan de vermoedelijke
datum van bevalling, om andere redenen dan wegens ziekte minder dan
zes weken heeft bedragen.
5.Indien de vrouwelijke ambtenaar aan
wie verlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde
periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële
tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de
periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de
doorbetaling van bezoldiging als bedoeld in het tweede lid toegepast
welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële
tegemoetkoming.
6.Indien aan de gestelde voorwaarden
voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in
het vijfde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is
toegekend omdat de vrouwelijke ambtenaar geen aanvraag heeft
ingediend, past het bevoegd gezag het vijfde lid op overeenkomstige
wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële
tegemoetkoming die aan de vrouwelijke ambtenaar zou zijn toegekend
indien zij wel een aanvraag zou hebben ingediend.
Artikel 62d. Bevalling en ontslag
1.De gewezen vrouwelijke ambtenaar,
wier tijdstip van ingang van haar ontslag is gelegen in de periode,
bedoeld in artikel 62c, eerste lid, behoudt haar aanspraak op
bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering. De aanspraak eindigt na 16 weken, te rekenen
vanaf de eerste dag waarop haar zwangerschapsverlof als bedoeld in
artikel 62c, derde lid, een aanvang heeft genomen.
2.De gewezen ambtenaar, wier bevalling
waarschijnlijk is binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van
haar ontslag, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging
vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering
gedurende de periode die:
a. aanvangt op de 41e dag
voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling; en
b. eindigt op de 70e dag na de
datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
3.De periode, bedoeld in het tweede
lid, wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een
voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.
4.De gewezen ambtenaar wier bevalling
niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van
haar ontslag, maar die niettemin binnen die termijn bevalt, ontvangt
haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de
vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering gedurende de periode die:
a. aanvangt op de datum van
bevalling; en
b. eindigt op de 70e dag na de
datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
5.Deartikelen 62c, vijfde en zesde lid,
75, tweede lid, en 83a, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 63. Buitengewoon verlof van lange
duur
1. Buitengewoon verlof van lange duur
kan aan de ambtenaar op zijn aanvraag worden verleend, al dan niet met
behoud van bezoldiging en al dan niet onder bepaalde voorwaarden.
2. Het verlof, bedoeld in het eerste
lid, gaat niet in dan nadat de ambtenaar schriftelijk heeft verklaard
dat hij de daaraan verbonden voorwaarden aanvaardt.
3. Indien het verlof, bedoeld in het
eerste lid, naar het oordeel van het bevoegd gezag uitsluitend strekt
in het persoonlijk belang van de ambtenaar, wordt hem dit niet
verleend dan zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste een
jaar.
4. Indien het verlof, bedoeld in het
eerste lid, verband houdt met een benoeming van de ambtenaar tot
bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren, van een
centrale of van een internationale organisatie van zodanige
verenigingen, wordt hem dit niet verleend dan zonder behoud van
bezoldiging en voor ten hoogste twee jaren. Artikel 58, vijfde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
5. Het tot aanstelling bevoegd gezag
biedt de ambtenaar aan wie buitengewoon verlof is verleend op grond
van het eerste lid in verband met het vervullen van een functie bij
een internationale volkenrechtelijke organisatie, dan wel van een
functie als bedoeld in het vierde of vijfde lid, na afloop van het
verlof een passende functie aan.
6. Een passende functie als bedoeld in
het zesde lid, dient zo mogelijk ten minste gelijkwaardig te zijn aan
de functie waarop het buitengewoon verlof betrekking had.
Artikel 64 [Vervallen per 01-10-1997]
Artikel 65 [Vervallen per 01-10-1997]
Artikel 66 [Vervallen per 01-10-1997]
Artikel 67 [Vervallen per 01-10-1997]
Artikel 68. Ontslag bij niet hervatten
van de werkzaamheden na afloop van buitengewoon verlof van lange duur
1.De ambtenaar, die na afloop van hem
verleend buitengewoon verlof van lange duur en zonder dat dit is
verlengd, zijn dienst niet tijdig hervat, wordt voor de toepassing van
dit reglement geacht een aanvraag tot ontslag te hebben ingediend.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing, indien de ambtenaar binnen een redelijke termijn ten
genoegen van het tot aanstelling bevoegd gezag aannemelijk maakt, dat
hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten, in welk geval
het verlof geacht wordt te zijn verlengd tot het tijdstip, waarop
bedoelde geldige redenen hebben opgehouden te bestaan.
Artikel 69
Voor de toepassing van deze paragraaf is
- ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in
artikel 17, dan wel artikel 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984 - met betrekking tot de vaststelling van dit
bezoldigingsdeel, het derde, respectievelijk vierde lid van artikel 25
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 69a
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van levensloopverlof.
Hoofdstuk VI. Bedrijfsgeneeskundige
begeleiding, rechten en verplichtingen bij ziekte en
arbeidsongeschiktheid
§ 1. Definities en bevoegdheden
Artikel 70. Definities
In dit hoofdstuk en in hoofdstuk IX wordt
verstaan onder:
– AAOP-uitkering: ABP
ArbeidsongeschiktheidsPensioen als bedoeld in hoofdstuk 11 van het
pensioenreglement;
– arbeidsongeschiktheid: volledige
en duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 4, eerste
lid, van de WIA of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid als bedoeld in
artikel 5 van de WIA;
– arbodienst: een arbodienst als
bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;
– beroepsincident: een
dienstongeval of beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaarzettende
situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn
taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn specifieke functie niet
kan onttrekken;
– beroepsziekte: een ziekte, die in
overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de
ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere
omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan
zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
– bovenwettelijke WW-uitkering: de
uitkering, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van het
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector
Rijk;
– deskundige persoon: een
deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de taken, bedoeld in
artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet;
– dienstongeval: een ongeval, dat
in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de
ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere
omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan
zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
– gewezen ambtenaar: een ambtenaar
aan wie ontslag is verleend, met ingang van de dag waarop het
ontslag is ingetreden;
– passende arbeid: alle arbeid die
voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend,
tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of
sociale aard niet van hem kan worden gevergd;
– Pensioenreglement: het
Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
– Stichting Pensioenfonds ABP: de
Stichting Pensioenfonds ABP, genoemd in artikel 6 van de Wet
privatisering ABP;
– Wet SUWI: Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
– UWV: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet SUWI;
– WIA: Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen;
– WIA-uitkering: een uitkering op
grond van de WIA;
– WW-uitkering: een uitkering op
grond van de Werkloosheidswet;
– ZW: Ziektewet;
– ZW-uitkering: ziekengeld als
bedoeld in artikel 19 van de ZW;
– arbeid: hetgeen daaronder wordt
verstaan ingevolge artikel 19 van de ZW.
§ 2. Arbeidsgezondheidskundige
begeleiding en het medisch advies
Arbeidsgezondheidskundige begeleiding
Artikel 71. Verzuimbegeleiding en
arbeidsgezondheidskundige begeleiding van de ambtenaar
1.Het tot aanstelling bevoegd gezag
verricht zijn taak met betrekking tot begeleiding van verzuim en de
arbeidsgezondheidskundige begeleiding op grond van de
Arbeidsomstandighedenwet en de bepalingen in dit hoofdstuk.
2.Het tot aanstelling bevoegd gezag kan
regels vaststellen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt
gegeven aan de begeleiding van verzuim, de arbeidsgezondheidskundige
begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.
3.De ambtenaar is in geval van
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte
verplicht dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op
de tweede dag van die ongeschiktheid, te melden.
4.Het tot aanstelling bevoegd gezag kan
ten aanzien van de ambtenaar die korter dan een jaar volledig
ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten bepalen dat hij zijn
arbeid slechts mag hervatten, nadat het tot aanstelling bevoegd gezag
hiervoor toestemming heeft verleend.
5.De ambtenaar die wegens ziekte
gedurende een jaar of langer volledig ongeschikt is geweest zijn
arbeid te verrichten mag zijn arbeid slechts hervatten, nadat het tot
aanstelling bevoegd gezag hiervoor toestemming heeft verleend.
6.Het tot aanstelling bevoegd gezag
verleent de toestemming, bedoeld in het vierde en vijfde lid, eerst
nadat er een medisch advies is van de deskundige persoon of de
arbodienst.
Artikel 71a
1.De ambtenaar kan worden verplicht om
een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan:
a) voor zover dit noodzakelijk is
om te beoordelen of de ambtenaar van 55 jaar en ouder in staat is
nachtarbeid te verrichten;
b) indien het tot aanstelling
bevoegd gezag gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de goede
gezondheidstoestand van de ambtenaar;
c) indien de ambtenaar niet meer
volledig geschikt is gebleken voor het verrichten van zijn arbeid;
d) ter beantwoording van de vraag
of de ambtenaar tijdens het tijdvak waarin hij wegens ziekte
ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, in het belang van zijn
genezing arbeid mag verrichten en om vast te stellen welke arbeid
wenselijk wordt geacht;
e) indien de ambtenaar in contact
staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon die een ziekte
heeft waarvoor ingevolge de Wet publieke gezondheid, een
nominatieve aangifteplicht geldt;
f) om te beoordelen of er sprake is
van een situatie als bedoeld in artikel 129, zesde lid;
g) om te beoordelen of de ambtenaar
die wegens ziekte volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te
verrichten zijn arbeid mag hervatten;
h) voorzover dit voortvloeit uit
enige wettelijke verplichting;
i) indien hij in verband met de
uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn
gezondheid blootstaat of hij is benoemd in een functie waarvoor
bij aanstelling een geneeskundig onderzoek is vereist als bedoeld
in artikel 7, vierde lid, onderdeel b.
2.Het tot aanstelling bevoegd gezag
stelt de ambtenaar buiten dienst indien na een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid,
blijkt dat sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke
toestand dat de belangen van de ambtenaar, van de dienst of van bij
het verrichten van de arbeid betrokken derden zich er tegen verzetten
dat de ambtenaar zijn arbeid blijft verrichten. De ambtenaar wordt
niet buiten dienst gesteld indien hem andere passende werkzaamheden
kunnen worden opgedragen. Indien de ambtenaar buiten dienst wordt
gesteld, wordt hij geacht wegens ziekte ongeschikt te zijn tot het
verrichten van zijn arbeid, in welk geval de overige bepalingen van
dit hoofdstuk van toepassing zijn.
Medisch advies
Artikel 71b
1.In geval van een geschil over het wel
of niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte voorziet
artikel 32, eerste lid, van de Wet SUWI in het instellen van een
onderzoek en het geven van een oordeel.
2.Het medisch advies dat door de
deskundige persoon of de arbodienst wordt uitgebracht naar aanleiding
van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18
van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 71a, wordt zo spoedig
mogelijk aan de ambtenaar en het tot aanstelling bevoegde gezag
medegedeeld.
3.De ambtenaar of de gewezen ambtenaar
kan de deskundige persoon of de arbodienst binnen drie dagen na
ontvangst van het medisch advies, schriftelijk een hernieuwd onderzoek
vragen indien hij het niet eens is met het medisch advies. De
deskundige persoon of de arbodienst stelt het tot aanstelling bevoegde
gezag in kennis van een ingediend verzoek om een hernieuwd onderzoek.
4.Zo spoedig mogelijk na ontvangst van
het schriftelijk verzoek om een hernieuwd onderzoek, doch uiterlijk
binnen vier weken, vindt het hernieuwd onderzoek door een commissie
van drie geneeskundigen plaats.
5.Op verzoek van de ambtenaar of de
gewezen ambtenaar wordt zijn behandelend arts in de gelegenheid
gesteld mondeling of schriftelijk zijn mening aan de commissie van
drie geneeskundigen kenbaar te maken.
Artikel 71c
1.De leden van de commissie bedoeld in
artikel 71b, vierde en vijfde lid, worden per verzoek om een hernieuwd
onderzoek aangewezen door het tot aanstelling bevoegde gezag. De
geneeskundige die het medisch advies heeft uitgebracht waarvan
herziening wordt gevraagd, heeft in de commissie geen zitting.
2.De commissie deelt haar oordeel
schriftelijk mee aan:
a) de ambtenaar of de gewezen
ambtenaar;
b) het tot aanstelling bevoegde
gezag;
c) de behandelend arts, bedoeld in
artikel 71b, vijfde lid.
Artikel 71d
De kosten, verbonden aan het onderzoek,
bedoeld in artikel 71b, eerste lid, respectievelijk het hernieuwd
onderzoek, bedoeld in het artikel 71b, derde lid, komen voor rekening
van het tot aanstelling bevoegde gezag. Eventuele reis- en
verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de geldende
regels ter zake van dienstreizen.
§ 3. Aanspraken tijdens ziekte en
arbeidsongeschiktheid
Aanspraak op doorbetaling van de
bezoldiging of een aanvullende uitkering
Artikel 72
1. De ambtenaar heeft bij
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte
gedurende een tijdvak van 52 weken recht op doorbetaling van zijn
bezoldiging. Bij voortdurende ongeschiktheid heeft hij vervolgens
recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging.
2. Het tijdvak van 52 weken, bedoeld in
het eerste lid, vangt aan op de eerste dag waarop wegens ziekte geheel
of gedeeltelijk niet is of zou zijn gewerkt, of het werken wegens
ziekte geheel of gedeeltelijk is of zou zijn gestaakt. Indien de
ambtenaar buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging geniet,
vangt het tijdvak aan op de dag volgend op die waarop het buitengewoon
verlof is beëindigd.
3. Voor de toepassing van het eerste
lid worden perioden van ongeschiktheid samengeteld, indien:
a. zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede
en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid
redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
dezelfde oorzaak, of
b. zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen.
4. In afwijking van het eerste lid,
heeft de ambtenaar ook na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld
in het eerste lid, recht op doorbetaling van zijn bezoldiging indien
de ongeschiktheid om zijn arbeid te verrichten wordt veroorzaakt door
een beroepsincident.
5. In afwijking van het eerste lid,
heeft de ambtenaar ook na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld
in het eerste lid, recht op doorbetaling van zijn bezoldiging over het
aantal uren dat hij passende arbeid heeft verricht of zou hebben
verricht indien die arbeid hem zou zijn aangeboden.
6. De doorbetaling van de bezoldiging
eindigt:
a. met ingang van de dag waarop de
ambtenaar op grond van artikel 72a, eerste lid, is herplaatst;
b. met ingang van de dag waarop de
ambtenaar ontslag is verleend; of
c. met ingang van de dag volgende
op die waarop de ambtenaar is overleden.
Artikel 72a
1. De ambtenaar die ongeschikt is tot
het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is verplicht een andere
functie te aanvaarden indien sprake is van passende arbeid.
2. De ambtenaar die door het UWV in het
kader van de WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard, wordt
herplaatst in een functie die passende arbeid omvat, tenzij een
zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.
3. De ambtenaar die op grond van het
eerste lid is herplaatst voordat de termijn van twee jaar, bedoeld in
artikel 129, derde lid, onderdeel a, is verstreken, heeft tot het eind
van genoemde termijn rechtop een aanvullende uitkering ter grootte van
het verschil tussen:
a. het bedrag waarop de ambtenaar
op grond vanartikel 72 recht zou hebben gehad indien hem geen
andere betrekking zou zijn opgedragen, vermeerderd met de
vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering; en
b. zijn bezoldiging na
herplaatsing, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering.
4. Indien de ziekte uit hoofde waarvan
de ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, wordt
veroorzaakt door een beroepsincident, heeft de ambtenaar, bedoeld in
het derde lid, van wie de arbeidsongeschiktheid ten minste 35%
bedraagt, nadat de termijn van twee jaar is verstreken tevens recht op
een aanvullende uitkering ter grootte van het verschil tussen:
a. een percentage van zijn
bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering, zoals die zou zijn op de dag voor zijn
herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou
zijn geweest tot werken; en
b. zijn bezoldiging na herplaatsing
vermeerderd met de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en
een uit de oorspronkelijke functie voortvloeiend recht op een
WIA-uitkering en een AAOP-uitkering.
5. Het percentage, bedoeld in het
vierde lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van
arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
|
80% of meer: |
90,02%; |
|
65 tot 80%: |
65,26%; |
|
55 tot 65%: |
54,01%; |
|
45 tot 55%: |
45,01%; |
|
35 tot 45%: |
36,01%; |
6. De aanvullende uitkeringen,
bedoeld in het derde en vierde lid, eindigen in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop
de ambtenaar ontslag is verleend; of
b. met ingang van de dag volgende
op die waarop de ambtenaar is overleden.
7. In zoverre in afwijking van het
derde lid, bedraagt voor de ambtenaar die na het bereiken van de
leeftijd van 65 jaar wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten
van zijn arbeid, de aanvullende uitkering na de eerste 52 het
verschil tussen:
a. het bedrag waarop de ambtenaar
op grond van artikel 76a van de Ziektewet recht zou hebben gehad
indien hem geen andere functie zou zijn opgedragen, vermeerderd
met de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering; en
b. zijn bezoldiging na
herplaatsing, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering.
Artikel 72b
1. De ambtenaar, bedoeld in artikel
37a, tweede lid, die voor 1 januari 2012 is herplaatst, ontvangt bij
voortdurende arbeidsongeschiktheid gedurende hoogstens vijf jaar een
uitkering van 70% van het verschil tussen:
a. zijn bezoldiging, vermeerderd
met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering zoals die zou
zijn geweest op de dag voor zijn herplaatsing indien de ambtenaar
op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot werken, en
b. zijn bezoldiging na herplaatsing
verminderd met eventuele daarna volgende verhogingen op grond van
artikel 7 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren
1984, en vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering.
2. In afwijking van het eerste lid
heeft de ambtenaar die arbeidsongeschikt is geworden ten gevolge van
een beroepsincident, ook nadat de termijn van vijf jaar is verstreken
recht op een uitkering.
3. De uitkering eindigt in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de
ambtenaar ontslag is verleend;
b. met ingang van de dag volgend op
die waarop de ambtenaar is overleden.
4. Bij eventuele samenloop van een
recht op uitkering op grond van dit artikel en een recht op uitkering
op grond van artikel 37a, derde of vierde lid, vervalt het
laatstbedoelde recht.
Artikel 73
1. De gewezen ambtenaar die wegens
ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, na
zijn ontslag anders dan op grond van artikel 129, eerste lid,
onderdeel f, nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke
functie te vervullen, heeft:
a. zolang hij ongeschikt tot werken
is wegens ziekte, maar niet langer dan een tijdvak van 52 weken,
recht op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging
vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering;
b. zolang hij na afloop van het
tijdvak, bedoeld in onderdeel a, nog ongeschikt is tot het
verrichten van arbeid wegens ziekte, gedurende maximaal 26 weken
recht op doorbetaling van 70% van zijn laatstelijk genoten
bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering.
2. De gewezen ambtenaar die binnen een
maand na het tijdstip van zijn ontslag wegens ziekte ongeschikt wordt
een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft,
zolang hij ongeschikt is tot werken wegens ziekte, gedurende maximaal
52 weken recht op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten
bezoldiging indien hij gedurende ten minste twee maanden onmiddellijk
aan het ontslag voorafgaande in dienst is geweest.
3. De gewezen ambtenaren, bedoeld het
eerste en tweede lid, hebben gedurende een tijdvak van 104 weken als
bedoeld in artikel 23 van de WIA, recht op doorbetaling van hun
laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering
en de eindejaarsuitkering, indien hun arbeidsongeschiktheid wordt
veroorzaakt door een beroepsincident.
4. Het tijdvak gedurende welke de
gewezen ambtenaar recht heeft op doorbetaling van zijn laatstelijk
genoten bezoldiging vangt aan op de eerste dag waarop wegens ziekte
geheel of gedeeltelijk niet is of zou zijn gewerkt of het werken
wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is of zou zijn gestaakt. Indien
de gewezen ambtenaar onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag
buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging genoot, vangt het
tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aan op de dag waarop
het ontslag is ingegaan.
5. Voor het bepalen van het einde van
het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden
perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte samengeteld,
indien:
a. zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin zwangerschap- of bevallingsverlof
wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van
de Wet arbeid en zorg, of een uitkering op grond van artikel 3:8
of 3:10, eerste lid, van die wet, tenzij de ongeschiktheid
redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
dezelfde oorzaak, of
b. zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen.
6. De doorbetaling van de laatstelijk
genoten bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid,
eindigt in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de
gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; of
b. met ingang van de dag volgende
op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden.
7. De gewezen ambtenaar die recht heeft
op een WIA-uitkering ter zake van de dienstbetrekking die hij voor
zijn ontslag vervulde, heeft recht op een aanvullende uitkering indien
de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door een beroepsincident.
8. De aanvullende uitkering, bedoeld in
het zevende lid, is gelijk aan het verschil tussen:
a. een percentage van de
laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de
vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, in het jaar
voorafgaande aan zijn ontslag; en
b. de aan de ambtenaar toegekende
WIA-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een hem
toegekende AAOP-uitkering.
9. Het percentage, bedoeld in het
achtste lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van
arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
|
80% of meer: |
90,02%; |
|
65 tot 80%: |
65,26%; |
|
55 tot 65%: |
54,01%; |
|
45 tot 55%: |
45,01%; |
|
35 tot 45%: |
36,01%; |
10. De aanvullende uitkering, bedoeld
in het zevende lid, eindigt:
a. met ingang van de dag waarop
de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; of
b. met ingang van de dag volgende
op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden.
11. De gewezen ambtenaar aan wie
eervol ontslag is verleend op grond vanartikel 124a, heeft slechts
recht op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging of
aanvullende uitkering voorzover deze tezamen met de aanvullende
uitkering, bedoeld in artikel 4 van het FPU-reglement basis- en
aanvullende uitkering, de laatstgenoten bezoldiging niet
overschrijdt.
Artikel 73a
1.De ambtenaar die ongeschikt is zijn
arbeid te verrichten wegens een dienstongeval of een beroepsziekte
doch niet door een beroepsincident, wordt op zijn aanvraag voor de
toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met de ambtenaar die
ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een beroepsincident.
2.De gewezen ambtenaar van wie de
arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een
beroepsziekte doch niet door een beroepsincident, wordt op zijn
aanvraag voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met de
gewezen ambtenaar van wie de arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt
door een beroepsincident.
Artikel 74
Deartikelen 72, vierde lid, 72a, tweede
tot en met vijfde lid, 73, 73a en104, tweede lid, zijn niet van
toepassing op de ambtenaar en de gewezen ambtenaar die geen deelnemer
zijn in de zin van het Pensioenreglement.
Artikel 74a [Vervallen per 14-01-1998]
Artikel 75. Geen aanspraak
1. De ambtenaar en de gewezen ambtenaar
hebben geen aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging:
a) indien de ziekte is voorgewend,
althans zodanig overdreven wordt voorgesteld, dat ongeschiktheid
tot het verrichten van arbeid wegens ziekte niet kan worden
aangenomen;
b) indien de ambtenaar de
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte
opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van
zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt;
c) indien de ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte zich voordoet binnen een
half jaar na het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7,
vierde lid, onderdeel b en blijkt dat de ambtenaar onjuiste
informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of
gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring van
geschiktheid, de aan de desbetreffende functie verbonden
werkzaamheden te verrichten, ten onrechte heeft plaatsgevonden,
tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw
heeft gehandeld.
2. De gewezen ambtenaar heeft geen
aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging,
indien hij op grond van een aanvaarde andere betrekking aanspraak kan
maken op betaling van loon of bezoldiging, dan wel aanspraak kan maken
op een ZW-uitkering.
Artikel 75a
1. De aanspraken van de ambtenaar en de
gewezen ambtenaar op grond van dit hoofdstuk vervallen indien de
ambtenaar of de gewezen ambtenaar:
a) niet binnen redelijke termijn
gezondheidskundige hulp inroept;
b) zich niet gedurende het gehele
verloop van de ziekte onder gezondheidskundige behandeling blijft
stellen;
c) de voorschriften van de
behandelende arts niet opvolgt;
d) zich schuldig maakt aan
gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;
e) verzuimt de deskundige persoon
of de arbodienst op eerste aanvraag mee te delen om welke reden
hij ongeschikt is tot werken;
f) zonder deugdelijke grond nalaat
gevolg te geven aan een verzoek van de deskundige persoon of de
arbodienst om te verschijnen;
g) er de oorzaak van is dat het
arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de deskundige
persoon of de arbodienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;
h) niet binnen twee dagen na de
aanvang van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte dit heeft
gemeld bij zijn werkgever;
i) weigert aangeboden passende
arbeid, waartoe de deskundige persoon of de arbodienst hem in
staat acht, te verrichten;
j) zich niet houdt aan de ten
aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop
invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de
arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te
nemen procedure;
k) zijn ongeschiktheid tot werken
opzettelijk heeft veroorzaakt;
l) weigert inzage te geven in een
op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de
Wet op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld
in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, voor zover dit
redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wetten;
m) tijdens de ongeschiktheid tot
het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf
of voor derden verricht, tenzij dit door de deskundige persoon of
de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt
geacht;
n) vóór de betaling van de
bezoldiging weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid
die hij heeft in verband met het verrichten van door de deskundige
persoon of de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk
geachte arbeid voor zichzelf of voor derden;
o) niet onverwijld op verzoek of
uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden meedeelt, waarvan
hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen
zijn op het recht of op de hoogte van een aan hem toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
p) zijn arbeid verzuimt te
hervatten op het door de deskundige persoon of de arbodienst
bepaalde tijdstip en in de door deze persoon of dienst bepaalde
mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door
de deskundige persoon of de arbodienst als geldig erkende reden
heeft opgegeven;
q) zonder deugdelijke grond weigert
gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd
gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee
te werken aan getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de
betrokkene in staat te stellen passende arbeid te verrichten;
r) zonder deugdelijke grond weigert
mee te werken aan het opstellen, evalueren of bijstellen van een
plan van aanpak, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA;
s) geen aanspraak heeft op een
WIA-uitkering omdat geen aanvraag is ingediend of in verband met
de toepassing van artikel 88 van de WIA;
t) zijn medewerking weigert bij de
doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.
2. De aanspraak op de doorbetaling van
bezoldiging, kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard in
het geval de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de regels heeft
overtreden die ter zake van afwezigheid wegens ziekte zijn
vastgesteld.
3. De ingevolge het eerste lid
vervallen aanspraken herleven met ingang van het tijdstip waarop de
ambtenaar of de gewezen ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de
betreffende verplichting op grond van dat lid.
4. Het tot aanstelling bevoegd gezag
kan op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat de aanspraak
op de doorbetaling van bezoldiging, niet vervalt maar geheel of ten
dele aan anderen dan aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar zal
worden uitbetaald.
5. Voor zover het tot aanstelling
bevoegd gezag van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, geen
gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging, alsnog
aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitbetaald, indien het in
artikel 32, eerste lid, van de Wet SUWI, bedoelde oordeel ten gunste
van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitvalt.
Artikel 75b
1. Het tot aanstelling bevoegde gezag
is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en
voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar
die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is
zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere
passende arbeid te verrichten.
2. De maatregelen en voorschriften,
bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op duurzame reïntegratie in
de eigen arbeid of in andere passende arbeid in de sector Rijk waarvan
de voor die arbeid geldende salarisschaal niet meer dan twee schalen
lager is dan de salarisschaal die voor de ambtenaar geldt en waarbij
de resterende mogelijkheden van de ambtenaar volledig worden benut.
Indien na overleg tussen het tot aanstelling bevoegde gezag en de
ambtenaar vaststaat dat dergelijke arbeid niet voorhanden is, zullen
de maatregelen en voorschriften zich richten op duurzame reïntegratie
in andere passende arbeid, zo mogelijk binnen een van de
overheidssectoren.
3. Zolang duurzame reïntegratie als
bedoeld in het tweede lid niet mogelijk is, stelt het tot aanstelling
bevoegde gezag de ambtenaar in de gelegenheid andere passende arbeid
te verrichten.
4. Uit hoofde van zijn verplichting,
bedoeld in het eerste lid, stelt het tot aanstelling bevoegde gezag in
overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in
artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met
medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig
bijgesteld.
5. De ambtenaar die van mening is dat
het tot aanstelling bevoegde gezag de in het eerste lid bedoelde
verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, legt bij zijn verzoek tot
nakoming aan het tot aanstelling bevoegde gezag een oordeel van het
UWV als bedoeld in artikel 32, derde lid, onderdeel b, van de Wet SUWI
over. Het tot aanstelling bevoegde gezag beslist binnen zes weken op
het verzoek en deelt daarbij mee tot welke aanpassingen in de
reïntegratie-inspanningen het verzoek hem aanleiding geeft.
Begin en einde van de tijdvakken van 52
en 26 weken
Artikel 76 [Vervallen per 01-12-2005]
Artikel 76a [Vervallen per 14-01-1998]
Einde van de doorbetaling bezoldiging /
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 77 [Vervallen per 01-12-2005]
§ 4. Verplichtingen en sancties
Artikel 78 [Vervallen per 29-12-2004]
Artikel 79 [Vervallen per 29-12-2004]
§ 5. Bijzondere situaties
Samenloop met andere inkomsten
Artikel 80
1. Bij samenloop van een recht
krachtens dit hoofdstuk met een ZW-uitkering, WIA-uitkering,
AAOP-uitkering, WW-uitkering of bovenwettelijke WW-uitkering, dan wel
een daarmee vergelijkbare uitkering, op grond van dezelfde
dienstbetrekking, wordt deze uitkering in mindering gebracht op dit
recht, tenzij het een recht op grond van de artikelen 82 of 83
betreft.
2. Indien als gevolg van handelingen of
het nalaten van handelingen door de ambtenaar of de gewezen ambtenaar
de ZW-uitkering, de WIA-uitkering, de AAOP-uitkering, de WW-uitkering
of de bovenwettelijke WW-uitkering een vermindering ondergaat, dan wel
de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de
ZW-uitkering, de WIA-uitkering, de AAOP-uitkering, de WW-uitkering of
de bovenwettelijke WW-uitkering voor het vaststellen van de
vermindering, bedoeld in het eerste lid, steeds geacht onverminderd te
zijn genoten.
3. Indien de ambtenaar of de gewezen
ambtenaar recht heeft op een ZW-uitkering of een WIA-uitkering, is het
verplichtingen-en sanctieregime van de ZW of de WIA van
overeenkomstige toepassing op zijn recht krachtens dit hoofdstuk op
grond van dezelfde dienstbetrekking.
4. De inkomsten die de ambtenaar of de
gewezen ambtenaar geniet in verband met het verrichten van in het
belang van zijn genezing door de deskundige persoon of de arbodienst
wenselijk geachte arbeid, worden op de aanspraak op de doorbetaling
van de bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering in mindering gebracht, voor zover deze inkomsten
tezamen met de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging
vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering of de
WIA-uitkering, vermeerderd met de AAOP-uitkering, de bezoldiging
vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering te
boven gaan.
5. Inkomsten uit of in verband met
arbeid of bedrijf, worden op het bedrag waarop de gewezen ambtenaar
ingevolge dit hoofdstuk recht heeft, in mindering gebracht, tenzij:
a) de gewezen ambtenaar deze
inkomsten reeds vóór het intreden van de ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte genoot; en
b) de omvang van die arbeid niet is
toegenomen.
Bevalling
Artikel 81
1.Voor zolang de gewezen ambtenaar na
beëindiging van de haar ingevolgeartikel 62d, het eerste, tweede of
het vierde lid, toekomende uitkering:
a) wegens ziekte ongeschikt is tot
werken, dan wel
b) binnen een maand na deze
beëindiging ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende een
tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van de bezoldiging
overeenkomstig artikel 73. De termijn van 52 weken wordt geacht
aan te vangen na beëindiging van voornoemde periode
respectievelijk met ingang van de eerste dag waarop zij ongeschikt
is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen.
2.Ongeschikt tot werken, geheel of
gedeeltelijk, in de zin van het eerste lid is de vrouwelijke gewezen
ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is
om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking als zij vervulde,
te vervullen.
Tegemoetkomingen in bijzondere gevallen
Artikel 82. Tegemoetkoming in
noodzakelijk gemaakte ziektekosten
1.In bijzondere gevallen kan aan de
ambtenaar een tegemoetkoming worden toegekend in noodzakelijk gemaakte
kosten die verband houden met ziekte, welke de ambtenaar voor zichzelf
en voor zijn medebelanghebbenden heeft gemaakt:
a) indien hierin niet ingevolge een
andere regeling kan worden voorzien; en
b) deze kosten redelijkerwijs niet
voor zijn rekening kunnen blijven.
2.Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties kan omtrent het bepaalde in het eerste lid
nadere regels vaststellen.
Artikel 83. Vergoeding van ziektekosten
bij dienstongeval en beroepsziekte
1.Indien de ziekte, uit hoofde waarvan
de ambtenaar of de gewezen ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te
verrichten, voortvloeit uit een dienstongeval of een door het
verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, worden hem vergoed
de naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegd gezag noodzakelijk
gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging die ten
laste van de ambtenaar blijven.
2.Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties kan omtrent het bepaalde in het eerste lid
nadere regels vaststellen.
§ 6. Overige bepalingen
Artikel 83a. Aanpassing bedrag / begrip
bezoldiging
1.Het bedrag van de bezoldiging of de
laatstgenoten bezoldiging, bedoeld in de artikelen 72, 72a, derde lid,
en 73, en het bedrag van de eindejaarsuitkering, bedoeld in de
genoemde artikelen, worden in voorkomende gevallen gewijzigd
overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris respectievelijk
de eindejaarsuitkering.
2.Indien de ambtenaar in het genot is
van een toelage als bedoeld in artikel 17, 17a, 18 of 18a van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, worden die
toelagen voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde
bedrag, vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge de voor hem
geldende werktijdregeling zou zijn toegekend indien hij niet
ongeschikt was geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte. Indien de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet
mogelijk is, dan wordt dit bedrag vastgesteld op het gemiddelde van
het bedrag dat de ambtenaar per maand aan die toelagen heeft genoten
over de drie kalendermaanden voorafgaande aan:
a) de kalendermaand waarin de
ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte; of
b) de kalendermaand waarin de
gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar
aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen.
3.Indien ook voor het overige de
bezoldiging niet in een vast bedrag per maand kan worden uitgedrukt,
wordt gerekend met het bedrag dat gemiddeld per maand is toegekend in
de drie kalendermaanden voorafgaande aan de maand waarin:
a) de ambtenaar ongeschikt is
geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
b) de gewezen ambtenaar wegens
ziekte ongeschikt is geworden een naar aard en omvang soortgelijke
betrekking te vervullen.
4.Voor zover de ambtenaar of de gewezen
ambtenaar geen drie kalendermaanden in dienst is geweest, wordt voor
de toepassing van het tweede en derde lid gerekend met het bedrag dat
hem gemiddeld aan bezoldiging per maand is toegekend over het tijdvak
waarin hij in dienst is geweest vóór het ontstaan van de
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid respectievelijk tot
het vervullen van een naar aard en omvang soortgelijke betrekking.
Artikel 83b [Vervallen per 13-01-2010]
Artikel 84 [Vervallen per 13-01-2010]
Hoofdstuk VII. Rechten en verplichtingen
bij reorganisaties
Procedure rond reorganisaties
Artikel 84a
1.Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties kan regels vaststellen omtrent de te volgen
procedure bij reorganisaties en het herplaatsen van ambtenaren.
2.Het tot aanstelling bevoegd gezag kan
nadere procedures en regels vaststellen omtrent reorganisaties en het
herplaatsen van ambtenaren.
Werkingssfeer
Artikel 84b
1.Bij een reorganisatie zijn de
bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing.
2.Onder reorganisatie als bedoeld in
het eerste lid wordt verstaan: iedere wijziging van de
organisatiestructuur, de omvang of de taakinhoud van de Kamer, de
Stenografische Dienst of de Griffie voor de interparlementaire
betrekkingen, of een onderdeel daarvan, waaraan personele
consequenties zijn verbonden.
3.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn
van overeenkomstige toepassing op de overgang van de ambtenaar naar
een private onderneming of zelfstandig bestuursorgaan in verband met
de privatisering of verzelfstandiging van het dienstonderdeel van de
Kamer, de Stenografische Dienst of de Griffie voor de
interparlementaire betrekkingen, waarbij de ambtenaar werkzaam is,
tenzij bij algemeen verbindend voorschrift anders is bepaald.
Artikel 84ba
1.Door of namens het tot aanstelling
bevoegd gezag worden de centrales van verenigingen van ambtenaren
tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een
reorganisatie.
2.Door of namens het tot aanstelling
bevoegd gezag worden de betrokken ondernemingsraden tijdig
geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot reorganisatie.
Artikel 84c [Vervallen per 23-10-1998]
Het aanwijzen van herplaatsingskandidaten
Artikel 84d
De ambtenaar die is aangesteld in
tijdelijke dienst voor een proeftijd en de ambtenaar aangesteld in vaste
dienst, wier functie in verband met een reorganisatie is opgeheven,
wordt aangewezen als te herplaatsen ambtenaar, hierna te noemen:
herplaatsingskandidaat.
Artikel 84e
1.Van overtolligheid is sprake indien
binnen de te reorganiseren Kamer, de Stenografische Dienst, de Griffie
voor de interparlementaire betrekkingen van de Staten-Generaal of een
onderdeel daarvan, meer ambtenaren een vergelijkbare of uitwisselbare
functie vervullen en het totale aantal van die functies zodanig wordt
verminderd dat onvoldoende van de functies voor de betrokken
ambtenaren resteren.
2.De ambtenaar die is aangesteld in
tijdelijke dienst voor een proeftijd en de ambtenaar aangesteld in
vaste dienst, die in verband met een reorganisatie overtollig zijn,
worden aangewezen als herplaatsingskandidaat, waarbij de ambtenaar die
het geringste aantal jaren in overheidsdienst heeft doorgebracht het
eerst als herplaatsingskandidaat wordt aangewezen.
3.Voor de berekening van het aantal in
overheidsdienst doorgebrachte jaren wordt mede in aanmerking genomen
tijd gewijd aan de verzorging van tot het huishouden van de ambtenaar
behorende 0–4 jarige eigen, stief- of pleegkinderen, tot een maximum
van in totaal zes jaren.
4.Het tot aanstellen bevoegd gezag kan
van de volgorde in het tweede lid afwijken indien zulks naar zijn
oordeel noodzakelijk is.
Artikel 84f
De ambtenaar wordt omtrent zijn
aanwijzing als herplaatsingskandidaat zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Wederzijdse rechten en verplichtingen
- de verplichting om de ambtenaar een
passende functie aan te bieden
Artikel 84g
1. Onverminderd het gestelde in artikel
126, eerste lid is het tot aanstelling bevoegd gezag verplicht om de
ambtenaar binnen een periode van 18 maanden, te rekenen vanaf het
moment dat de ambtenaar is aangewezen als herplaatsingskandidaat, ten
minste één passende functie aan te bieden.
2. Het tot aanstelling bevoegd gezag
kan de termijn als bedoeld in het eerste lid verkorten indien:
a. de herplaatsingskandidaat heeft
geweigerd te voldoen aan een hem op grond van dit hoofdstuk
opgelegde verplichting, of;
b. reeds eerder in overleg met de
ambtenaar binnen de termijn kan worden vastgesteld dat er geen
mogelijkheden zijn om de herplaatsingskandidaat te herplaatsen.
3. Het tot aanstelling bevoegd gezag
kan de termijn verlengen of opschorten, indien de omstandigheden naar
zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
4. De ambtenaar wordt gelijktijdig met
zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat geïnformeerd over de
aanvang en het einde van de termijn als bedoeld in het eerste lid.
5. Door het tot aanstelling bevoegd
gezag wordt de herplaatsingskandidaat geïnformeerd over het
verkorten, verlengen of opschorten van de termijn als bedoeld in het
tweede en het derde lid.
6. Op verzoek van de
herplaatsingskandidaat wordt de termijn, bedoeld in het eerste lid,
met maximaal een jaar verlengd ingeval de herplaatsingskandidaat bij
het einde van de termijn, bedoeld in het eerste lid, in combinatie met
de duur van de bovenwettelijke uitkering, de pensioengerechtigde
leeftijd nog niet heeft bereikt en door deze verlenging recht ontstaat
op een bovenwettelijke uitkering op grond van artikel 2, tweede lid,
van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen werkloosheid voor de
sector Rijk.
- passende functie
Artikel 84h
1. Van een passende functie als bedoeld
in artikel 84g is sprake indien de herplaatsingskandidaat naar het
oordeel van het tot aanstelling bevoegd gezag beschikt over de kennis
en kunde die noodzakelijk worden geacht om de functie naar behoren te
kunnen uitoefenen danwel indien de herplaatsingskandidaat naar het
oordeel van het tot aanstelling bevoegd gezag binnen redelijke termijn
om-, her- of bijgeschoold kan worden, en deze functie hem in verband
met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande
vooruitzichten, redelijkerwijs kan worden opgedragen.
2. Bij het eerste lid geldt de
beperking dat uitsluitend sprake kan zijn van een passende functie
indien de voor de functie geldende salarisschaal niet meer dan twee
schalen lager is dan de salarisschaal die geldt voor de
herplaatsingskandidaat.
3. Het tot aanstelling bevoegd gezag
kan de herplaatsingskandidaat plaatsen op een functie waarvan de
geldende salarisschaal meer dan twee schalen lager is dan de
salarisschaal die geldt voor de herplaatsingskandidaat indien er
bijzondere omstandigheden zijn die zulks rechtvaardigen en indien de
herplaatsingskandidaat daarmee instemt.
4. Bij een herplaatsing met toepassing
van het derde lid is artikel 84n van overeenkomstige toepassing.
- plaatsing in een functie
Artikel 84i
Het tot aanstelling bevoegd gezag kan de
naar zijn oordeel meest geschikte herplaatsingskandidaat, voor wie de
functie als passend wordt aangemerkt, herplaatsen in die functie.
- de verplichting van de
herplaatsingskandidaat om mee te zoeken naar een passende functie en een
passende functie te aanvaarden
Artikel 84j
1.Onverminderd het bepaalde in artikel
84g, eerste lid, is de herplaatsingskandidaat verplicht al het
mogelijke te doen om een passende fucntie te vinden.
2.De herplaatsingskandidaat is
verplicht een passende functie te aanvaarden.
- Om-, her- en bijscholing
Artikel 84k [Vervallen per 25-06-2010]
- Sanctie
Artikel 84l
1.De herplaatsingskandidaat die heeft
geweigerd te voldoen aan een hem op grond van dit hoofdstuk opgelegde
verplichting, kan in verband daarmee ontslag worden verleend.
2.Bij een ontslagverlening op grond van
het eerste lid wordt een opzeggingstermijn van drie maanden in acht
genomen.
- Voorzieningen bij verplaatsing over
grote afstand
Artikel 84m. Reistijd-werktijd
1. Indien de toename van de reistijd
voor woon-werkverkeer ten gevolge van een wijziging van de plaats van
tewerkstelling in verband met plaatsing of herplaatsing in een
passende functie anders dan op eigen verzoek meer bedraagt dan 15
minuten per enkele reis, wordt de extra reistijd van de ambtenaar,
voor zover deze meer is dan 15 minuten, gedurende een jaar als
werktijd aangemerkt.
2. Gedurende het tweede, derde en
vierde jaar wordt respectievelijk 75%, 50% en 25% van de in het eerste
lid bedoelde extra reistijd als werktijd aangemerkt.
3. Voor de ambtenaar die de in het
eerste lid bedoelde aanspraak heeft, en voor wie binnen twee jaar
opnieuw de plaats van tewerkstelling wijzigt, wordt bij de berekening
van de extra reistijd uitgegaan van de totale toename van de reistijd
zoals die was voor de eerste wijziging.
4. Indien de tweede toename van de
reistijd meer dan 15 minuten bedraagt ten opzichte van de reistijd
zoals die was na de eerste wijziging, wordt de in het eerste en tweede
lid genoemde termijn, gedurende welke de aanspraak bestaat, opnieuw
gestart.
5. De ambtenaar voor wie binnen twee
jaar voor de tweede maal de plaats van tewerkstelling anders dan op
eigen verzoek wijzigt en voor wie pas na de tweede wijziging de
toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt, heeft aanspraak
op de voorziening, bedoeld in het eerste en tweede lid vanaf de tweede
wijziging.
6. Voor de bepaling van de reistijd
wordt uitgegaan van de route met de minste reistijd, berekend met de
ANWB-routeplanner.
Financiële voorziening bij herplaatsing
over grote afstand
Artikel 84n
1.De ambtenaar die in verband met zijn
herplaatsing of plaatsing in een passende functie in opdracht van het
tot aanstelling bevoegd gezag is verhuisd, wordt eenmalig een bedrag
toegekend van € 10 890,73 bruto ter tegemoetkoming in de daarmee
verband houdende kosten.
2.In de gevallen waarin de ambtenaar en
zijn echtgenoot beiden in aanmerking komen voor het bedrag bedoeld in
het eerste lid ontvangt elk de helft daarvan.
3.Het bedrag bedoeld in het eerste lid
wordt niet toegekend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden
binnen twee jaren nadat de opdracht om te verhuizen is gegeven.
Stimuleringspremie
Artikel 84o
Het tot aanstellen bevoegd gezag kan de
herplaatsingskandidaat een premie in het vooruitzicht stellen ter
grootte van maximaal drie maandsalarissen indien hem binnen 18 maanden
nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat op zijn aanvraag
eervol ontslag wordt verleend.
Salarissuppletie
Artikel 84p
1.De herplaatsingskandidaat aan wie
eervol ontslag op zijn aanvraag is verleend wegens de aanvaarding van
een functie kan, onverminderd het bepaalde in artikel 84o, een
salarissuppletie worden toegekend indien het in de nieuwe functie
genoten salaris lager is dan het salaris in de oorspronkelijke
functie.
2.De suppletie als bedoeld in het
eerste lid wordt toegekend gedurende maximaal 5 jaar en is ten hoogste
gelijk aan het verschil tussen het in de oorspronkelijke functie
genoten salaris en het salaris in de nieuwe functie.
3.Onder door het tot aanstelling
bevoegd gezag te stellen voorwaarden kan het recht op suppletie op
aanvraag van de herplaatsingskandidaat worden afgekocht.
Anticiperen op een reorganisatie
Artikel 84q
Het tot aanstellen bevoegd gezag kan de
artikelen 84j, tweede lid, 84k, 84n en 84p toepassen op de ambtenaar
wiens functie binnen afzienbare tijd wordt opgeheven of die als
overtollig zal worden aangemerkt.
Hoofdstuk VIIa. Overige rechten en
verplichtingen van de ambtenaar
Algemene verplichtingen
Artikel 85. Verbod dragen van insignes en
uniformkleding
1.De ambtenaar is gehouden de plichten
uit zijn functie voortvloeiende, nauwgezet en ijverig te vervullen en
zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt.
2.Het is de ambtenaar verboden in
dienst uniformkledingstukken te dragen, tenzij deze door de Kamer zijn
verstrekt of voorgeschreven.
3.Het is de ambtenaar verboden bij
gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens te
dragen, tenzij deze zijn verstrekt of voorgeschreven door de Kamer.
Artikel 86
1.De ambtenaar is verplicht een eed of
een belofte af te leggen.
2.Het tot aanstelling bevoegd gezag
stelt regels inzake het afleggen door de ambtenaar van de eed of de
belofte.
3.Bij regeling van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt het formulier
vastgesteld dat wordt gebruikt voor het afleggen door de ambtenaar van
de eed of de belofte.
Artikel 87
Ter zake van niet-naleving van
bepalingen, welke redelijkerwijs niet kunnen worden geacht de ambtenaar
bekend te zijn, worden hem geen voordelen onthouden of nadelen
toegebracht.
Artikel 88 [Vervallen per 23-10-1998]
Artikel 89. Verplichte mededeling van
verhindering
Indien de ambtenaar verhinderd is zijn
dienst te verrichten, is hij verplicht daarvan, onder opgave van
redenen, zo tijdig mogelijk mededeling te doen, ten einde vertraging of
hinder in de dienst zoveel doenlijk te voorkomen.
Artikel 90. Woonplaats
1.De ambtenaar kan worden verplicht te
gaan wonen of te blijven wonen in of nabij de gemeente die hem als
standplaats is aangewezen of waartoe zijn standplaats behoort, indien
dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is in verband
met de goede vervulling van zijn functie.
2.De ambtenaar aan wie de verplichting
is opgelegd in of nabij de in het eerste lid bedoelde gemeente te gaan
wonen, is gehouden zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee jaar nadat
die verplichting is opgelegd, daaraan gevolg te geven.
Artikel 91. Ambts- of dienstwoning
1.De ambtenaar is verplicht indien hem
een ambts- of dienstwoning ter bewoning is aangewezen, deze te
betrekken en zich ter zake van de bewoning en het gebruik te gedragen
naar de voorschriften, die daaromtrent zijn gesteld.
2.Hij draagt de onderhoudskosten, welke
volgens de wet en het plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van
de huurder zijn, tenzij door het bevoegd gezag ter zake een afwijkende
regeling is vastgesteld.
Artikel 92
1.De ambtenaar kan op zijn aanvraag een
andere functie worden opgedragen.
2.Wanneer het belang van de dienst
zulks vordert, is de ambtenaar verplicht, een andere passende functie
te aanvaarden:
a. overeenkomstig het bepaalde in
artikel 84h indien het gaat om een verplaatsing in het kader van
een reorganisatie, en;
b. overeenkomstig het bepaalde in
artikel 84h, eerste lid in de overige gevallen.
Artikel 92a [Vervallen per 01-12-2005]
Artikel 92b
1. Indien de ambtenaar van 57 jaar of
ouder op diens aanvraag een functie wordt opgedragen waaraan een
salarisschaal is verbonden met een lager maximumsalaris dan dat van de
reeds voor hem geldende salarisschaal, wordt op zijn salaris een
inhouding toegepast.
2. De inhouding is gelijk aan het
verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat
de ambtenaar zou genieten bij inpassing in de bij de nieuwe functie
behorende salarisschaal op hetzelfde salarisnummer. Indien dit
salarisnummer in laatstbedoelde salarisschaal niet voorkomt, geschiedt
de inpassing op het naastlagere salarisnummer.
3. Indien na 52 weken ziekte de
doorbetaling van de bezoldiging op grond van artikel 72, eerste lid,
wordt teruggebracht tot 70%, wordt de inhouding over die uren
opgeschort voor de duur van de ziekte.
4. In bijzondere gevallen kan het tot
aanstellen bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk van de inhouding
afzien.
Artikel 93. Verrichten van andere
ambtelijke werkzaamheden
1.De ambtenaar kan worden verplicht
tijdelijk andere ambtelijke werkzaamheden te verrichten dan die, welke
hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden hem redelijkerwijs
kunnen worden opgedragen. Hij kan echter niet worden verplicht
werkzaamheden te verrichten in de plaats van stakers of uitgeslotenen
in particuliere dienst, tenzij de opgedragen werkzaamheden worden
verricht in dienst van het lichaam, waarbij hij werkzaam is, en voor
de openbare dienst tijdens de staking of uitsluiting, dan wel als
onmiddellijk gevolg daarvan redelijkerwijze dadelijk noodzakelijk zijn
te achten. Die werkzaamheden worden de ambtenaar niet opgedragen dan
nadat hij is gehoord.
2.Bij de toepassing van het bepaalde in
het vorige lid wordt voor zoveel mogelijk rekening gehouden met de
persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar.
Artikel 93a
1.De ambtenaar die door het tot
aanstellen bevoegd gezag is aangewezen als bedrijfshulpverlener als
bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet en die naast
zijn normale werkzaamheden de bedrijfshulpverleningstaken naar behoren
heeft uitgevoerd, ontvangt een toelage.
2.De toelage wordt bepaald volgens door
het tot aanstellen bevoegd gezag vast te stellen regels en bedraagt
tenminste € 195,35 per jaar.
3.De vast te stellen regels bevatten in
ieder geval de criteria die gehanteerd worden bij de toekenning van
een bedrijfshulpverleningstoelage.
4.Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties kan het in het tweede lid genoemde bedrag
aanpassen overeenkomstig de algemene salarisontwikkeling van het
rijkspersoneel.
Artikel 93b
1.Het bevoegd gezag breidt de formatie
van de organisatorische eenheid waar de ambtenaar die lid is van de
ondernemingsraad werkzaam is, uit met de tijd die met toepassing van
de artikelen 17 en 18 van de Wet op de ondernemingsraden voor die
ambtenaar is vastgesteld, voor zover dit noodzakelijk is om gedurende
de periode van het lidmaatschap de door de organisatorische eenheid te
verrichten werkzaamheden te realiseren.
2.De ambtenaar, bedoeld in het eerste
lid, heeft op zijn aanvraag voor de resterende duur van zijn
lidmaatschap van de ondernemingsraad recht op uitbreiding van zijn
arbeidsduur met het aantal uren waarmee het bevoegd gezag vanwege dat
lidmaatschap op grond van het eerste lid de formatie heeft
uitgebreid.Artikel 34, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin wordt niet toegewezen
zolang de ambtenaar geheel of gedeeltelijk ongeschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
Artikel 94
1. De ambtenaar kan in het belang van
de rijksdienst worden verplicht om scholing te volgen, voor zover dat
redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. Bij het opleggen van de
verplichting tot het volgen van scholing worden studiefaciliteiten
toegekend.
2. De ambtenaar die is aangewezen als
herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 84d en 84e, en die
een studie volgt of gaat volgen die aantoonbaar bijdraagt aan het
realiseren van vastgelegde loopbaanafspraken dan wel het kunnen
plaatsen in een andere functie worden studiefaciliteiten toegekend.
3. De in het eerste en tweede lid
bedoelde faciliteiten zijn:
a. een volledige vergoeding van de
met de studie gemoeide scholingskosten;
b. 100% verlof met behoud van
bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met het volgen van lessen
en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de
opleiding, en het afleggen van examens.
4. Aan de ambtenaar, niet zijnde de
ambtenaar, bedoeld in het eerste of tweede lid, die een studie volgt
of gaat volgen die naar het oordeel van het bevoegd gezag aantoonbaar
bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde loopbaanafspraken worden
de volgende studiefaciliteiten toegekend:
a. een volledige vergoeding van de
met de studie gemoeide scholingskosten;
b. 50% verlof met behoud van
bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met het volgen van lessen
en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de
opleiding, en het afleggen van examens.
5. Aan de niet in het eerste tot en met
vierde lid bedoelde ambtenaar die een studie volgt of gaat volgen, kan
het bevoegd gezag de volgende studiefaciliteiten toekennen:
a. een vergoeding van de met de
studie gemoeide scholingskosten tot ten hoogste 50% van deze
scholingskosten;
b. ten hoogste 25% verlof met
behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met het volgen
van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van
de opleiding, en het afleggen van examens.
6. De ambtenaar kan worden verplicht
tot terugbetaling van de aan hem toegekende vergoeding van de
scholingskosten:
a. bij onvoldoende resultaat in de
scholing en bij tussentijds afbreken van de scholing, indien dit
aan eigen schuld of toedoen van de ambtenaar is te wijten;
b. bij ontslag tijdens het volgen
van de scholing en in bijzondere gevallen bij ontslag binnen een
termijn van ten hoogste drie jaren na het met voldoende resultaat
afronden van de scholing, tenzij de ambtenaar binnen een maand na
zijn ontslag elders in dienst treedt binnen de rijksdienst of
aansluitend aan zijn ontslag recht heeft op een uitkering op grond
van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of ouderdomspensioen.
7. De verplichting tot terugbetaling
wordt niet opgelegd aan de ambtenaar die binnen de in artikel 84g
bedoelde termijn nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat
als bedoeld in de artikelen 84d en 84e, op zijn aanvraag eervol
ontslag wordt verleend wegens de aanvaarding van een functie buiten de
rijksdienst.
8. Bij ministeriële regeling kunnen
ten aanzien van het bepaalde in dit artikel nadere regels worden
gesteld.
Artikel 95 [Vervallen per 25-06-2010]
Artikel 96. Nevenbetrekkingen en
nevenwerkzaamheden
1.De ambtenaar is verplicht aan het tot
aanstelling bevoegd gezag, op een door dit gezag te bepalen wijze,
opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of
voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst voor
zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.
2.Het tot aanstelling bevoegd gezag
voert een registratie op basis van de op grond van het eerste lid
gedane opgaven.
3.Het is de ambtenaar verboden
nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn
functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover
deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid
zou zijn verzekerd. Door het tot aanstelling bevoegd gezag kunnen
nadere regels omtrent dit verbod worden gesteld.
Artikel 96a
1.Het tot aanstelling bevoegd gezag
wijst de ambtenaren aan die werkzaamheden verrichten waaraan in het
bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het
risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden
is. De aangewezen ambtenaar meldt financiële belangen, alsmede het
bezit van en transacties met effecten die de belangen van de dienst
voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling kunnen
raken, aan een daartoe aangewezen functionaris.
2.Het tot aanstelling bevoegd gezag
voert een registratie van de op grond van het eerste lid gedane
meldingen.
3.De ambtenaar verstrekt nadere
informatie of bescheiden met betrekking tot de financiële belangen of
het bezit van of de transacties met effecten, indien daarvoor naar het
oordeel van het tot aanstelling bevoegd gezag of de door dit gezag
aangewezen functionaris, bedoeld in het eerste lid, aanleiding bestaat
op grond van de melding of na de melding gebleken feiten of
omstandigheden.
4.De ambtenaar heeft geen financiële
belangen, bezit geen effecten of verricht geen effectentransacties
waardoor de goede vervulling van zijn functie of het goed functioneren
van de openbare dienst, voorzover dit in verband staat met zijn
functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
5.Door het tot aanstelling bevoegd
gezag kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de melding, bedoeld
in het eerste lid, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en het
verbod, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 97. Deelneming aan aannemingen en
leveringen
1.Het is de ambtenaar verboden,
middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan aannemingen en leveringen
ten behoeve van openbare diensten, tenzij daarvoor toestemming is
verleend.
2.Hij is verplicht zich te gedragen
naar hetgeen voor hem is bepaald ten aanzien van het deelnemen,
middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen ten behoeve
van anderen.
Artikel 98. Geen vergoedingen,
beloningen, steekpenningen
1.Het is de ambtenaar verboden, anders
dan met goedvinden van het tot aanstelling bevoegd gezag,
vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen,
te verzoeken of aan te nemen.
2.Het aannemen van steekpenningen is
onvoorwaardelijk en ten strengste verboden.
Artikel 99. Dienstkleding en
onderscheidingstekenen
1.De ambtenaar is verplicht de
dienstkleding en de onderscheidingstekenen te dragen, indien en voor
zover dit voor hem voorgeschreven is.
2.De Kamer verstrekt de voorgeschreven
dienstkleding. De aanschaf en het onderhoud van de dienstkleding
geschieden voor haar rekening.
Artikel 100. Schadevergoeding
1.De ambtenaar kan worden verplicht tot
gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door de dienst geleden
schade, voor zover deze aan hem is te wijten.
2.Het bedrag van de schadevergoeding
wordt niet vastgesteld, dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is
gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden.
Artikel 101
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties kan regels stellen ten aanzien van telewerken. Deze
regels hebben in ieder geval betrekking op:
a. de inrichting van de telewerkplek;
b. de beschikbaarstelling door het
bevoegd gezag van apparatuur;
c. de wijze waarop de werkcontacten
tussen de ambtenaar en zijn dienstonderdeel zullen plaatsvinden;
d. de wijze waarop wordt voorzien in
een vergoeding van de door de ambtenaar gemaakte kosten;
e. de wijze waarop het overleg met de
vertegenwoordigers van het personeel wordt gevoerd.
Artikel 102 [Vervallen per 01-11-1989]
Artikel 103. Reis- en verblijfkosten
1.De ambtenaar heeft recht op
vergoeding wegens reis- en verblijfkosten ter zake van dienstreizen.
2.Deze vergoeding wordt vastgesteld
overeenkomstig de daarvoor gestelde regels.
Artikel 104
1.Het tot aanstelling bevoegd gezag kan
naar billijkheid de ambtenaar schadeloos stellen, kosten vergoeden of
overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen.
2.De ambtenaar en de gewezen ambtenaar
die een beroepsincident als bedoeld in artikel 70, onderdeel f, hebben
gehad, hebben recht op volledige vergoeding van de schade die zij ten
gevolge van dat beroepsincident lijden. In overeenstemming met de
ambtenaar kan deze vergoeding mede strekken ter vervanging van de
uitkering, bedoeld in artikel 73, zevende lid.
3.Het tot aanstelling bevoegd gezag is
bevoegd omtrent schadeloosstelling, kostenvergoedingen en overige
geldelijke tegemoetkomingen aan groepen van ambtenaren in
overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties nadere regels te geven.
4.Bij ministeriële regeling kan Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties regels stellen
omtrent de schadeloosstelling, kostenvergoedingen en overige
geldelijke tegemoetkomingen aan groepen van ambtenaren.
Artikel 105. Infectieziekten
1.De ambtenaar die in contact staat of
kort geleden gestaan heeft met een persoon, die een ziekte heeft,
waarvoor ingevolge het krachtens de Wet publieke gezondheid bepaalde
een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn dienst niet verrichten
en heeft geen toegang tot dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen dan
met toestemming van het bevoegd gezag, dat deze toestemming slechts
kan verlenen na positief medisch advies van de deskundige persoon of
de arbodienst, bedoeld in hoofdstuk VI.
2.De ambtenaar, die verkeert in de in
het vorige lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten
spoedigste kennis te geven aan de deskundige persoon of de arbodienst,
bedoeld in hoofdstuk VI. Hij is gehouden zich te gedragen naar de
vanwege de deskundige persoon of de arbodienst, bedoeld in hoofdstuk
VI gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het
ondergaan van een geneeskundig onderzoek.
3.Gedurende de periode dat de ambtenaar
ingevolge het bepaalde in dit artikel zijn dienst niet verricht,
geniet hij zijn volle bezoldiging.
Artikel 106. Periodieke beoordeling
1.Met de ambtenaar wordt minimaal een
keer per jaar door een functionaris, aangewezen door het bevoegd
gezag, gesproken over:
a. de wijze waarop de ambtenaar de
opgedragen werkzaamheden heeft uitgevoerd en de resultaten die
daarbij zijn gehaald;
b. de omstandigheden waaronder de
opgedragen werkzaamheden zijn uitgevoerd;
c. welke werkzaamheden de ambtenaar
zullen worden opgedragen en welke resultaten daarbij behaald
moeten worden;
d. de omstandigheden waaronder die
op te dragen werkzaamheden zullen worden uitgevoerd;
e. de wijze waarop de persoonlijke
ontwikkeling van de ambtenaar bevorderd kan worden.
2.Indien de ambtenaar gedurende vijf
aaneengesloten jaren dezelfde functie heeft vervuld, wordt in het
gesprek als bedoeld in het eerste lid specifieke aandacht besteed aan
de continuering van de loopbaan.
3.Van het met de ambtenaar besprokene
wordt een schriftelijk verslag gemaakt.
4.Over de in het eerste lid, onder c, d
en e, genoemde onderwerpen worden met de ambtenaar afspraken gemaakt.
5.Het tot aanstelling bevoegd gezag
stelt vast aan welke eisen een gesprek als bedoeld in het eerste lid
alsmede een verslag daarvan moet voldoen.
Artikel 107
1.Indien het bevoegd gezag dit
wenselijk vindt of de ambtenaar dit aanvraagt, wordt een beoordeling
opgemaakt.
2.Een beoordeling wordt eerst
vastgesteld nadat deze met de ambtenaar is besproken en hij zijn
zienswijze kenbaar heeft kunnen maken.
3.Het tot aanstelling bevoegd gezag
stelt nadere regels omtrent het opmaken en vaststellen van
beoordelingen.
Artikel 107a
1.De ambtenaar die ten minste drie jaar
een functie dan wel vergelijkbare of uitwisselbare functies vervult,
heeft de mogelijkheid om, op kosten van het bevoegd gezag, eenmaal per
vijf jaar een vertrouwelijke loopbaanscan te doen, met behulp van een
professionele loopbaandeskundige.
2.De ambtenaar kan de uitkomsten van de
loopbaanscan inbrengen in het jaarlijks gesprek, bedoeld in artikel
106, ter ondersteuning van het maken van afspraken over de verdere
loopbaan.
Artikel 108. Zekerheidstelling
Verplichting tot zekerheidstelling wordt
de ambtenaar niet opgelegd.
Artikel 109. Aanzuivering van een tekort
1.De ambtenaar die namens de Eerste of
de Tweede Kamer der Staten-Generaal is belast met de in artikel 24,
tweede en derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 vermelde taken, is
verplicht een tekort geheel of gedeeltelijk aan te zuiveren, wanneer
hem ter zake van dat tekort een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
2.De ambtenaar die namens de Eerste of
de Tweede Kamer der Staten-Generaal is belast met het in artikel 25,
tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 bedoelde beheer, is
verplicht schade te vergoeden, wanneer hem ter zake van die schade een
ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Artikel 110 [Vervallen per 10-07-1992]
Artikel 111 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 112. Maatregelen van orde
1.Aan de ambtenaar kan door het bevoegd
gezag de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan
wel het verblijf daar, worden ontzegd.
2.Hij is verplicht zich te gedragen
naar de maatregelen van orde die ten aanzien van het verblijf aldaar
zijn vastgesteld.
Artikel 113. Verbod van alcoholgebruik
Het is de ambtenaar verboden gedurende de
werktijd alcoholhoudende dranken te gebruiken, bij zich te hebben of in
de dienstlokalen te bewaren.
Artikel 114. Beloningen
1.De ambtenaar heeft aanspraak op een
gratificatie bij ambtsjubileum volgens door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te stellen regels.
2.De ambtenaar die een diensttijd heeft
van tien jaar of meer en aan wie ontslag is verleend op grond van
artikel 126 of 129, eerste lid, onder f, wordt een
diensttijdgratificatie toegekend, indien binnen een termijn van vijf
jaar na de datum van ingang van het ontslag aanspraak op een
gratificatie bij ambtsjubileum zou hebben bestaan. De
diensttijdgratificatie bedraagt een in verhouding tot de doorgebrachte
diensttijd evenredig gedeelte van een gratificatie bij ambtsjubileum
als bedoeld in het eerste lid. De berekeningsgrondslag van de
gratificatie wordt bij een ontslag op grond van artikel 129, eerste
lid, onder f, vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller
overeenkomt met het aantal uren waarvoor de ambtenaar ontslag is
verleend en de noemer met het aantal uren waarvoor hij voorafgaand aan
het ontslag was aangesteld.
Hoofdstuk VIIb [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 114a [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 114b [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 114c [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 114d [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 114e [Vervallen per 01-01-2010]
Hoofdstuk VIII. Disciplinaire straffen
Artikel 115. Plichtsverzuim
1.De ambtenaar, die de hem opgelegde
verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim
schuldig maakt, kan deswege disciplinair worden gestraft.
2.Plichtsverzuim omvat zowel het
overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, welk
een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te
doen.
3.Tenzij door Ons of door het tot
aanstelling bevoegd gezag anders is bepaald, wordt de straf opgelegd
door het gezag, dat bevoegd is tot aanstelling in het door de
ambtenaar beklede ambt.
Artikel 116. Soorten van straffen
1.De disciplinaire straffen, welke
kunnen worden opgelegd, zijn:
a. schriftelijke berisping;
b. buitengewone dienst op andere
dagen dan zondag en voor de ambtenaar geldende kerkelijke
feestdagen, zonder beloning of tegen een lagere dan de normale
beloning en wel voor ten hoogste 6 uren met een maximum van 3 uren
per dag;
c. vermindering van het recht op
jaarlijkse vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren,
waarop in het desbetreffende kalenderjaar aanspraak bestaat;
d. geldboete van ten hoogste €
22;
e. gehele of gedeeltelijke
inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris
over een halve maand;
f. vaststelling van het salaris op
een bedrag in de voor de ambtenaar geldende salarisschaal dat
maximaal twee jaarlijkse periodieke salarisverhogingen minder
bedraagt dan ingevolge de op hem van toepassing zijnde
bezoldigingsregeling behoort te gelden, of indien voor het door de
ambtenaar beklede ambt geen salarisschaal geldt, vermindering van
het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet
langer dan twee jaren;
g. het niet toekennen van
periodieke salarisverhogingen gedurende ten hoogste vier jaren;
h. uitsluiting voor de tijd van ten
hoogste vier jaren van indeling in een salarisschaal waarvoor een
hoger maximumsalaris geldt, indien zodanige indeling anders
volgens de daarvoor geldende regeling zou hebben plaatsgevonden;
i. indeling in een salarisschaal
waarvoor een lager maximumsalaris geldt dan dat verbonden aan de
salarisschaal welke ingevolge de van toepassing zijnde
bezoldigingsregeling behoort te gelden, een en ander al dan niet
voor een bepaalde tijd en met of zonder vermindering van
bezoldiging.
j. verplaatsing, al dan niet met
verlening van een tegemoetkoming in mogelijke verplaatsingskosten
tot ten hoogste het bedrag, dat in geval van verplaatsing in het
belang van de dienst zou kunnen worden verleend krachtens het
Verplaatsingskostenbesluit 1989;
k. schorsing voor een bepaalde tijd
met gehele of gedeeltelijke inhouding van bezoldiging;
l. ontslag.
2.Indien een straf, als bedoeld in het
eerste lid onder g., h. of i. is opgelegd, kan - zo het verdere gedrag
van de ambtenaar naar het oordeel van het tot oplegging van de straf
bevoegd gezag daartoe aanleiding heeft gegeven - zijn positie met
ingang van een bepaald tijdstip geheel of gedeeltelijk in
overeenstemming worden gebracht met de positie, zoals deze zonder
strafoplegging zou zijn geweest.
3.Bij het opleggen van een straf kan
worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de
ambtenaar zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt
aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing
plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt
aan bij het opleggen van de straf eventueel gestelde bijzondere
voorwaarden.
Artikel 117. Gelegenheid tot
verantwoording
1.Indien de ambtenaar verantwoording
aflegt doet hij dit ten overstaan van het gezag dat tot de voorgenomen
strafoplegging bevoegd is, of van een door dit gezag aangewezen
autoriteit, tenzij bij koninklijk besluit anders wordt bepaald. Het
gezag, ten overstaan waarvan de verantwoording zal plaatsvinden,
bepaalt of deze mondeling of schriftelijk zal geschieden, met dien
verstande dat bij schriftelijke verantwoording de ambtenaar op zijn
verzoek gelegenheid wordt gegeven tot nadere mondelinge toelichting.
2.Van de mondelinge verantwoording en
van een eventuele nadere mondelinge toelichting wordt aanstonds
proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem,
te wiens overstaan de verantwoording heeft plaatsgevonden, en door de
ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in
het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding
gemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt aan de ambtenaar
uitgereikt.
Artikel 117a
De ambtenaar kan niet gestraft worden
wegens overtreding van artikel 125a, eerste lid, van de Ambtenarenwet,
dan nadat daarover advies is ingewonnen van de Adviescommissie
grondrechten en functie-uitoefening ambtenaren.
Artikel 118. Schriftelijke strafoplegging
De ambtenaar dient van ontvangst van een
besluit inzake strafoplegging te doen blijken door onverwijlde
terugzending van een door hem ondertekend en gedateerd ontvangstbewijs.
Artikel 119. Tenuitvoerlegging
De straf, behalve die van schriftelijke
berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd, zolang zij niet onherroepelijk
is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke
tenuitvoerlegging is bevolen.
Hoofdstuk IX. Schorsing en ontslag
Artikel 120
De ambtenaar is van rechtswege in zijn
ambt geschorst, wanneer hij krachtens wettelijke maatregel van zijn
vrijheid is beroofd, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een
maatregel, anders dan op grond van de Wet bijzondere opnemingen in
psychiatrische ziekenhuizen, genomen in het belang van de
volksgezondheid.
Artikel 121
1.Onverminderd het bepaalde in artikel
116, eerste lid onder k., kan de ambtenaar in zijn ambt worden
geschorst
a. indien een strafrechtelijke
vervolging ter zake van misdrijf tegen hem is ingesteld;
b. wanneer hem door het daartoe
bevoegde gezag het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk
ontslag is te kennen gegeven, dan wel hem die straf is opgelegd;
c. wanneer naar het oordeel van het
tot aanstelling bevoegd gezag, het belang van de dienst zulks
vordert.
2.Schorsing geschiedt door het gezag,
dat bevoegd is tot aanstelling in het ambt, waarin geschorst wordt.
Artikel 122
1.Tijdens de schorsing kan de
bezoldiging voor een/derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van
zes weken kan een verdere inhouding, ook van het volle bedrag der
bezoldiging, plaatsvinden.
Geen inhouding vindt plaats in geval
van schorsing in het belang van de dienst, bedoeld in het eerste lid
onder c. van het vorige artikel, van plaatsing in een
krankzinnigengesticht of daarmede gelijk te stellen inrichting dan wel
van politiebewaring of inverzekeringstelling als bedoeld in artikel 57
van het Wetboek van Strafvordering, mits niet gevolgd door
inbewaringstelling.
2.De ingehouden bezoldiging kan alsnog
geheel of gedeeltelijk aan de ambtenaar worden uitbetaald, indien de
schorsing niet wordt gevolgd door een onvoorwaardelijk ontslag bij
wijze van straf of ontslag op grond van artikel 129 eerste lid onder
e. Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht
de inkomsten, welke de ambtenaar sedert de schorsing heeft genoten uit
arbeid, die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten,
tenzij zulks naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegd gezag
onredelijk of onbillijk is.
3.Het niet ingehouden gedeelte van de
bezoldiging van de geschorste ambtenaar kan aan anderen worden
uitbetaald.
4.In geval van schorsing tijdens ziekte
van de ambtenaar wordt onder bezoldiging verstaan, hetgeen daaronder
voor de toepassing van Hoofdstuk VI wordt verstaan.
Artikel 123
Ontslag wordt gegeven door het gezag, dat
bevoegd is tot aanstelling in het desbetreffende ambt.
Artikel 124
1.De ambtenaar wordt op zijn aanvraag
ontslag verleend.
2.Behoudens in het geval, bedoeld in
artikel 68, eerste lid, wordt dat ontslag verleend met ingang van een
dag niet vroeger dan een maand of later dan drie maanden na de dag,
waarop de aanvraag om ontslag is ingekomen.
3.Van het bepaalde in het eerste lid
kan worden afgeweken, indien een strafrechtelijke vervolging ter zake
van misdrijf tegen de ambtenaar is ingesteld of indien wordt overwogen
de disciplinaire straf van ontslag op te leggen.
4.Van het bepaalde in het tweede lid
kan worden afgeweken:
a. indien wordt overwogen de
ambtenaar een disciplinaire straf op te leggen;
b. indien het belang van de dienst
zulks vordert met dien verstande, dat de termijn van drie maanden,
vermeld in het tweede lid, tot ten hoogste zes maanden kan worden
verlengd en dat bij de verlenging in redelijkheid met het belang
van de ambtenaar rekening wordt gehouden;
c. ingevolge een aanvraag van de
ambtenaar.
5.Het ontslag op aanvraag van de
ambtenaar wordt eervol verleend.
Artikel 124a
1. Onder de Centrale vut-overeenkomst
overheids- en onderwijspersoneel, als bedoeld in dit artikel, wordt
verstaan de overeenkomst die is aangegaan op grond van artikel 2 van
de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel.
2. Aan de ambtenaar die ontslag vraagt
met het oog op een uitkering op grond van de Regeling flexibel
pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale
vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van
het Pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds Abp wordt ontslag
verleend, indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig
vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de
Stichting Pensioenfonds Abp op grond van een desbetreffende aanvraag
hebben vastgesteld dat na dat te verlenen ontslag recht bestaat op een
uitkering op grond van die regeling. Het ontslag gaat niet eerder in
dan met ingang van de dag waarop het recht op de in de vorige volzin
bedoelde uitkering ontstaat.
3. Op aanvraag van de ambtenaar kan het
in het tweede lid genoemde ontslag ook voor een gedeelte van de voor
hem geldende arbeidsduur worden verleend, tenzij de belangen van de
dienst zich hiertegen verzetten. Het gedeelte van dit ontslag bedraagt
ten minste 10% van de omvang van de dienstverhouding. Ontslag voor een
gedeelte van de arbeidsduur waaruit reeds eerder gedeeltelijk ontslag
met het oog op de in het tweede lid bedoelde uitkering heeft
plaatsgevonden bedraagt ten minste 10% van de oorspronkelijke
arbeidsduur.
4. Artikel 124, tweede tot en met
vijfde lid, is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
Artikel 125. Ontslag ambtenaar in
tijdelijke dienst
1.Aan de ambtenaar die is aangesteld in
tijdelijke dienst wordt geacht eervol ontslag te zijn verleend zodra
de duur van de aanstelling in tijdelijke dienst is verstreken, tenzij
sprake is van een stilzwijgende voortzetting als bedoeld in artikel 6,
vierde of vijfde lid.
2.Aan de ambtenaar die is aangesteld in
tijdelijke dienst kan ontslag worden verleend, mits een opzegtermijn
in acht wordt genomen van:
a. drie maanden, indien de
ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijke tenminste twaalf
maanden onafgebroken in dienst is geweest;
b. twee maanden, indien de
ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijke tenminste zes
maanden doch korter dan twaalf maanden onafgebroken in dienst is
geweest;
c. één maand, indien de ambtenaar
ten tijde van de opzegging laatstelijk korter dan zes maanden
onafgebroken in dienst is geweest.
3.Opzegging als in het vorige lid
bedoeld kan niet geschieden gedurende de zwangerschap van de
vrouwelijke ambtenaar, noch gedurende het verlof bedoeld in artikel
62c, vierde lid, noch – indien zij haar dienst heeft vervat –
gedurende een periode van zes weken volgend op dat verlof. Het bevoegd
gezag kan ter staving van de zwangerschap een verklaring van een arts
of van een verloskundige verlangen.
4.Opzegging als bedoeld in het tweede
lid kan niet geschieden wegens het aanvragen of het opnemen van
ouderschapsverlof.
5.Opzegging als bedoeld in het tweede
lid kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar in of
buiten rechte een beroep heeft gedaan op het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.
6.Opzegging als bedoeld in het tweede
lid kan niet plaatsvinden wegens het feit dat de ambtenaar door een
centrale als bedoeld in artikel 138 of door een daarbij aangesloten
vereniging is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende
aktiviteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij
aangesloten vereniging dan wel binnen de organisatie van de werkgever,
die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van
overheidspersoneel en daarbij aangesloten verenigingen te
ondersteunen.
7.Opzegging als bedoeld in het tweede
lid kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar is
geplaatst op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de Wet
op de ondernemingsraden, noch wegens het lidmaatschap of het korter
dan twee jaar geleden beëindigde lidmaatschap van de ambtenaar van de
ondernemingsraad of van een commissie van die raad.
8.Het ontslag kan, al dan niet op
aanvraag van de ambtenaar, ingaan voor de afloop van de
opzeggingstermijn. Indien dit niet op de aanvraag van de ambtenaar
geschiedt, wordt hem over de tijd, welke aan de opzeggingstermijn
ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de laatstgenoten
bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering.
Artikel 126. Reorganisatie-ontslag
1.De ambtenaar kan in het kader van een
reorganisatie eervol ontslag worden verleend indien het niet mogelijk
is gebleken om hem te herplaatsen in een passende functie.
2.Aan de ambtenaar die in het kader van
een reorganisatie is herplaatst kan alsnog het ontslag, bedoeld in het
eerste lid worden verleend indien binnen een periode van uiterlijk
één jaar te rekenen vanaf de datum waarop de functie is opgedragen,
blijkt dat de betreffende functie niet passend is voor die ambtenaar
en het niet mogelijk is om de ambtenaar binnen een redelijke termijn
op een passende functie te plaatsen.
3.Bij een ontslagverlening op grond van
het eerste lid van dit artikel wordt een opzeggingstermijn van drie
maanden in acht genomen. Bij een ontslagverlening op grond van het
tweede lid van dit artikel geldt geen opzeggingstermijn.
Artikel 127. Ontslag ambtenaren, die lid
van gedeputeerde staten of wethouder, enz. zijn geweest
1.Aan de ambtenaar die in verband met
de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk college,
waarin hij is benoemd of verkozen, tijdelijk is ontheven van de
waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie
te bekleden en hij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegd
gezag niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag
verleend.
2.Tenzij artikel 68, eerste lid, van
toepassing is, wordt eervol ontslag eveneens verleend aan de
ambtenaar, die na afloop van het verlof, verleend met toepassing van
artikel 63, uitgezonderd het vierde en vijfde lid en in verband met
het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke
organisatie, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in actieve
dienst kan worden hersteld.
3.Het eerste lid vindt eveneens
toepassing voor de ambtenaar die ophoudt de functie te bekleden,
bedoeld in artikel 24, derde lid.
Artikel 127a
Aan de ambtenaar die een benoeming tot
minister of staatssecretaris aanvaardt, wordt met ingang van de dag van
het aanvaarden van deze betrekking, eervol ontslag verleend.
Artikel 128. Ontslag wegens
revolutionaire gezindheid
Een ontslag als bedoeld in artikel 125e,
tweede lid, van de Ambtenarenwet, wordt verleend door het tot
aanstelling bevoegd gezag. Dit is gehouden het advies in te winnen van
de Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening ambtenaren.
Artikel 129. Gronden van ontslag
1. Anders dan op aanvraag, bij wijze
van straf of ingevolge het bepaalde bij artikel 7 van de Wet
Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement, de
artikelen 125, 126, 127 en 127a van dit besluit en bij artikel 125e,
tweede lid, van de Ambtenarenwet, kan de ambtenaar worden ontslagen op
grond van:
a. het verlies van een vereiste
voor de benoembaarheid, door het tot aanstelling bevoegd gezag
gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het
vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt;
b. het aangaan van een graad van
zwagerschap, die de benoembaarheid tot het ambt zou uitsluiten;
c. onherroepelijk geworden
rechterlijke uitspraak waarbij de ambtenaar onder curatele is
gesteld;
d. het ondergaan van lijfsdwang
wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak;
e. onherroepelijk geworden
veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;
f. ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
g. onbekwaamheid of ongeschiktheid
voor het door hem beklede ambt anders dan op grond van ziels- of
lichaamsgebreken;
h. het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd;
i. het bij of in verband met
indiensttreding en/of keuring verstrekken van onjuiste of
onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot
indienstneming of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de
ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft
gehandeld.
2. Een ontslag op grond van het
bepaalde in het eerste lid onder a., b., f., g. en h. wordt steeds
eervol verleend.
3. Een ontslag als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel f, kan slechts plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid
tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een
ononderbroken periode van twee jaar,
b. herstel van zijn ziekte niet
binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde
termijn van twee jaar te verwachten is, en
c. het bevoegd gezag van oordeel is
dat duurzame reïntegratie in arbeid die aansluit bij de benutbare
mogelijkheden van de ambtenaar, niet binnen een redelijke termijn
te verwachten is.
4. De termijn van twee jaar, bedoeld in
het derde lid, onderdeel a, wordt verlengd:
a. met de duur van de vertraging
indien het tot aanstelling bevoegde gezag de aangifte, bedoeld in
artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet later doet dan op grond
van dat artikel van de Ziektewet is voorgeschreven;
b. met de duur van de verlenging
van de wachttijd, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WIA,
indien de wachttijd op grond van artikel 24, eerste lid, van de
WIA wordt verlengd;
c. met de duur van het tijdvak dat
het UWV op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft
vastgesteld.
5. Voor de berekening van het tijdvak
van twee jaar, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, worden perioden
van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte
tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschapsverlof en
perioden van ongeschiktheid tijdens het zwangerschaps- of
bevallingsverlof, bedoeld in artikel 3:1, tweede en derde lid, van de
Wet arbeid en zorg, niet in aanmerking genomen.
6. Perioden van ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid, anders dan bedoeld in het vijfde lid,
worden samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof
wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de
Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet
geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
7. Bij de beoordeling of er sprake is
van een situatie als bedoeld in het derde lid, betrekt het bevoegd
gezag de uitslag van de beoordeling door het UWV van de claim in het
kader van de WIA. Indien deze beoordeling niet of langer dan een jaar
geleden heeft plaatsgevonden, vraagt het bevoegd gezag aan het UWV een
oordeel als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet SUWI en
betrekt dit bij zijn beoordeling.
8. Indien herplaatsing als bedoeld in
artikel 72a plaatsvindt in een betrekking voor minder uren dan het
aantal waarvoor de ambtenaar was aangesteld, heeft het ontslag
uitsluitend betrekking op het meerdere aantal uren.
Artikel 130. Ontslag wegens niet passende
arbeid
Indien aan de ambtenaar gedurende de
tijd, dat hij recht heeft op wachtgeld, daaronder mede begrepen
herplaatsingswachtgeld, een uitkering krachtens de Uitkeringsregeling
1966 of een suppletie op grond van de Suppletieregeling gedeeltelijk
arbeidsongeschikten sector Rijk, een voor hem passend geachte betrekking
is aangeboden en die betrekking binnen een periode van uiterlijk één
jaar, nadat hij haar is gaan vervullen, niet passend voor hem blijkt te
zijn, kan hem binnen die periode op zijn aanvraag eervol ontslag uit die
betrekking worden verleend, welk ontslag ten aanzien van zijn aanspraken
op een wachtgeld of uitkering als evenbedoeld, wordt geacht niet door
eigen toedoen te zijn verleend.
Artikel 130a
1. Aan de ambtenaar die ten gevolge van
ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten kan ontslag worden
verleend, indien hij zonder deugdelijke grond weigert:
a. gevolg te geven aan door het
bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige
gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan door het
bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige
getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of
passende andere arbeid te verrichten, of
b. passende arbeid te verrichten
waartoe het bevoegd gezag hem in de gelegenheid stelt, of
c. zijn medewerking te verlenen aan
het opstellen, evalueren of bijstellen van een plan van aanpak als
bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA, of
d. een WIA- uitkering aan te
vragen.
2. Bij de beoordeling of er sprake is
van een situatie als bedoeld in het eerste lid, kan het bevoegd gezag
de uitslag van de beoordeling door het UWV van de claim in het kader
van de WIA betrekken indien deze minder dan een jaar geleden heeft
plaatsgevonden.
Artikel 131. Ontslag op andere gronden
dan die van artikel 129
1.Door de Kamer, door de Gemengde
Commissie, dan wel door de Gemengde Commissie van toezicht kan aan een
ambtenaar in vaste dienst ook op andere gronden dan die in artikel 129
zijn geregeld of waarnaar in dat artikel is verwezen, ontslag worden
gegeven. Dat ontslag wordt dan eervol verleend.
2.In geval van ontslag ingevolge het
eerste lid wordt door het tot ontslagverlening bevoegde gezag een
voorziening getroffen waarbij de ambtenaar een uitkering verleend
wordt, die, naar het oordeel van dat bevoegde gezag, met het oog op de
omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering zal ten minste
gelijk zijn aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen
berekend op basis van de Werkloosheidswet en het Besluit
bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, als
ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare
werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de Werkloosheidswet. Voor
zover door het bevoegde gezag ten gunste van de ambtenaar niet anders
is beslist, zijn op de uitkering voor het overige de Werkloosheidswet
en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de
sector Rijk van overeenkomstige toepassing.
3.Indien de ambtenaar terzake van zijn
ontslag ingevolge het eerste lid recht heeft op een uitkering
krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke
uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, wordt de in het
tweede lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.
Artikel 132 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 132a
1.De ambtenaar aan wie op zijn aanvraag
eervol ontslag wordt verleend in verband met de aanvaarding van een
functie buiten de overheid, heeft op grond van zijn ontslag als
ambtenaar aanspraak op een uitkering overeenkomstig het Besluit
bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.
2.Het bepaalde in het eerste lid geldt
slechts indien de ambtenaar is aangewezen als herplaatsingskandidaat
als bedoeld in de artikelen 84d en 84e en hij binnen twee jaar na zijn
indiensttreding buiten de overheid buiten zijn schuld of toedoen wordt
ontslagen.
3.Indien de ambtenaar terzake van zijn
ontslag ingevolge het tweede lid recht heeft op een uitkering
krachtens de Werkloosheidswet wordt de in het eerste lid bedoelde
uitkering met die uitkering verminderd.
Artikel 133 [Vervallen per 01-01-1999]
Artikel 134
1. De bezoldiging van de ambtenaar
wordt uitbetaald tot en met de dag van overlijden.
2. Indien de ambtenaar bij zijn
overlijden een positief of negatief vakantiesaldo heeft, vinden
artikel 37, eerste en tweede lid, overeenkomstige toepassing. Het
aldus openstaande bedrag en de reeds voor zijn overlijden aan de
ambtenaar uitbetaalde bezoldiging over een na zijn overlijden gelegen
tijdvak worden verrekend met het eventueel aan de nagelaten
betrekkingen of rechtverkrijgenden van de ambtenaar verschuldigde
bedrag wegens nog niet vergolden aanspraken van de ambtenaar, en bij
gebreke hiervan of indien dit bedrag daarvoor niet toereikend is, op
de uitkering, bedoeld in het derde lid.
3. Aan de nabestaande, van wie de
overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, wordt een bedrag
uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over drie maanden vermeerderd met
de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering hierover. Indien de
ambtenaar op de dag direct voorafgaand aan zijn overlijden aanspraak
maakte op een uitkering op grond van de Ziektewet, Werkloosheidswet of
de WIA, wordt als maatstaf voor de bezoldiging uitgegaan van de
bezoldiging die hij zou hebben genoten als hij op die dag
arbeidsgeschikt zou zijn geweest.
4. Indien de ambtenaar in het genot was
van een toelage als bedoeld in artikel 17 of 18a van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, wordt de in het
derde lid bedoelde bezoldiging in zoverre gesteld op het gemiddelde
van het bedrag dat de overleden ambtenaar is toegekend of zou zijn
toegekend in de drie kalendermaanden voorafgaande aan de dag van
overlijden, of het intreden van de arbeidsongeschiktheid.
5. Op het bedrag, bedoeld in het derde
lid, wordt in mindering gebracht een uitkering op grond van artikel 35
van de ZW, artikel 74 van de WIA, artikel 11.17 van het
pensioenreglement of andere naar aard en strekking hiermee
overeenkomende uitkeringen die voortvloeien uit dezelfde
dienstbetrekking.
6. Bij ontstentenis van een
nabestaande, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde,
geschiedt de uitkering, bedoeld in het derde lid, ten behoeve van de
minderjarige kinderen. Onder kinderen in de zin van dit artikel worden
mede verstaan natuurlijke kinderen en kinderen waarover de overledene
de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt
verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als
was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe
of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook
zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of
grotendeels afhankelijk waren van de bezoldiging van de ambtenaar.
7. Indien de ambtenaar geen
betrekkingen als bedoeld in het derde en zesde lid, nalaat, kan de
daar bedoelde uitkering door het bevoegd gezag geheel of ten dele
worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte
en van de lijkbezorging indien de nalatenschap van de overledene
hiertoe ontoereikend is.
Artikel 134a
Na het overlijden van de gewezen
ambtenaar, die op de dag van zijn overlijden op grond van de artikelen
73 en 81in het genot was van doorbetaling van zijn laatstelijk genoten
bezoldiging, wordt aan de in artikel 134 bedoelde personen en met
overeenkomstige toepassing van dat artikel een bedrag uitgekeerd, gelijk
aan de bezoldiging welke de gewezen ambtenaar op de dag van zijn
overlijden genoot, berekend over een tijdvak van drie maanden. Op deze
uitkering wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering op
grond van de artikelen 35 en 36 van de ZW, artikel 74 van de WIA, de
artikelen 6 en 11 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij
werkloosheid voor de sector Rijk of naar aard en strekking daarmee
overeenkomende uitkeringen die voortvloeien uit dezelfde
dienstbetrekking. Alleen uitkeringen die voortvloeien uit de
dienstbetrekking bij Onze Minister worden in mindering gebracht.
Artikel 134b
1.Indien het overlijden van de
ambtenaar is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het
verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, wordt aan degene
die in verband met dit overlijden krachtens het Pensioenreglement van
de Stichting Pensioenfonds ABP, een nabestaandenpensioen geniet, een
uitkering toegekend ten bedrage van 18 procent van het resultaat van
de vermenigvuldiging van:
a) indien het gaat om de partner,
bedoeld in artikel 7.1 van het Pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP, vijf zevende deel van 1,75 procent van de
berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP en de
pensioengeldige diensttijd, bedoeld in hoofdstuk 5 van het
Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
b) indien het gaat om de wees,
bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, aanhef, onderdeel a, van het
Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, een zevende
deel van 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in
artikel 6.2 van het Pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP, en de pensioengeldige diensttijd, bedoeld in
hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP;
c) indien het gaat om de wees,
bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, aanhef, onderdeel b, van het
Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, twee zevende
deel van 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in
artikel 6.2 van het Pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP, en de pensioengeldige diensttijd, bedoeld in
hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP.
Indien de weduwe of weduwnaar een
samenlevingscontract sluit dan wel een geregistreerd partnerschap
aangaat, eindigt de uitkering met ingang van de maand volgend op de
datum van het sluiten van het samenlevingscontract dan wel het aangaan
van het geregistreerd partnerschap.
2.De uitkering eindigt met ingang van
de dag waarop de overledene de leeftijd van 65 jaar zou hebben
bereikt, dan wel, indien de partner, bedoeld in artikel 7.1 van het
Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan wie een
pensioen werd toegekend, hertrouwt, met ingang van de maand volgende
op de datum van het hertrouwen.
3.Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing op de gewezen ambtenaar ten aanzien van wie artikel 73,
derde lid, toepassing heeft gevonden, indien zijn overlijden het
rechtstreeks gevolg is van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in dat
artikel.
Artikel 135. Gebruik ambts- of
dienstwoning door achterblijvende gezinsleden
1.Gedurende de maand van het overlijden
en de volgende drie maanden behouden de achterblijvende gezinsleden
het gebruik der ambts- of dienstwoning, waarin zij met de ambtenaar
woonden. Daarvan kan echter worden afgeweken als het tot aanstelling
bevoegd gezag dat in het belang van de dienst noodzakelijk acht.
Alsdan wordt door bedoeld gezag naar billijkheid een schadevergoeding
gegeven.
2.Bij vrijwillig verlaten van de ambts-
of dienstwoning binnen de termijn gedurende welke de woning nog mag
worden gebruikt, kan het tot aanstelling bevoegd gezag te zijner
beoordeling een vergoeding geven.
Artikel 136
Indien door de ambtenaar voor het gebruik
der ambts- of dienstwoning een vergoeding verschuldigd was, voldoen de
achtergebleven gezinsleden deze over de tijd, gedurende welke zij het
gebruik dier woning behouden.
Artikel 137. Vermissing van de ambtenaar
1.Bij vermissing van de ambtenaar
vinden, behoudens het bepaalde in het tweede lid, de bepalingen van de
artikelen 134 tot en met 136 overeenkomstige toepassing. De ambtenaar
wordt daarbij geacht te zijn overleden op een door het tot aanstelling
bevoegd gezag te bepalen dag.
2.Het bepaalde in het tweede lid van
artikel 134 vindt geen toepassing indien gegronde vermoedens bestaan,
dat de vermissing het gevolg is van ongeoorloofde afwezigheid.
3.Indien blijkt, dat de als vermist
beschouwde ambtenaar in leven is, kan ter beoordeling van het tot
aanstelling bevoegd gezag de bezoldiging alsnog worden uitbetaald,
tenzij gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het gevolg was
van ongeoorloofde afwezigheid.
4.Indien uit hoofde van de vermissing
van de ambtenaar pensioen of enige andere uitkering, voortvloeiende
uit zijn ambtelijke rechtspositieregeling, is toegekend over het
tijdvak, waarover naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegd
gezag aanspraak bestaat op bezoldiging, wordt die bezoldiging
verminderd met de over dat tijdvak aldus uitbetaalde bedragen.
5.De bezoldiging, waarop de ambtenaar
ingevolge het derde en het vierde lid aanspraak heeft, kan aan anderen
dan de ambtenaar worden uitbetaald.
Hoofdstuk X. Het overleg met de centrales
van verenigingen van ambtenaren
§ 1. Het overleg met de centrale
commissie
Artikel 138
Over aangelegenheden van algemeen belang
voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene
regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, wordt niet
beslist dan nadat daarover door of namens Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties overleg is gepleegd met de Sectorcommissie
overleg rijkspersoneel.
§ 2. Het overleg bij de Staten-Generaal
met de centrales van verenigingen van ambtenaren
Artikel 139
1.Voor zover Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met de
Sectorcommissie overleg rijkspersoneel niet anders heeft bepaald,
wordt over voorgenomen besluiten tot invoering of wijziging van regels
met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren en over
voorgenomen besluiten tot een belangrijke reorganisatie, niet door het
tot aanstelling bevoegd gezag beslist dan nadat door hem overleg is
gevoerd met de centrales van verenigingen van ambtenaren.
2.Het overleg heeft geen betrekking op
aangelegenheden waarover overleg dient te worden gevoerd met de
Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.
3.Een voorgenomen besluit tot invoering
of wijziging van regels met rechten of verplichtingen van individuele
ambtenaren waarover overleg met de centrales moet worden gevoerd,
wordt slechts ten uitvoer gebracht indien daarover overeenstemming
bestaat met ten minste de helft van de tot het overleg toegelaten
centrales.
4.Het overleg over voorgenomen
besluiten tot een belangrijke reorganisatie heeft slechts betrekking
op de bijzondere rechtspositionele en sociale gevolgen van het
voorgenomen besluit voor de betrokken ambtenaren.
Artikel 140
1.Het tot aanstelling bevoegd gezag
laat tot het overleg toe de tot de Sectorcommissie overleg
rijkspersoneel toegelaten centrales.
2.Schorsing dan wel intrekking van een
toelating van een centrale tot de Sectorcommissie overleg
rijkspersoneel, heeft tot gevolg schorsing respectievelijk intrekking
van de toelating tot het overleg.
3.Het tot aanstelling bevoegd gezag kan
een vertegenwoordiger van een centrale uitsluiten van deelneming aan
het overleg indien naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegd
gezag het dienstbelang dit in verband met de werkzaamheden van
betrokkene als ambtenaar vordert. Voordat tot uitsluiting wordt
besloten wordt het bestuur van de desbetreffende centrale in de
gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. In
afwachting van de beslissing van het tot aanstelling bevoegd gezag
neemt betrokkene niet of niet meer deel aan het overleg.
Artikel 140a [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 141
Het overleg staat onder leiding van een
persoon door het tot aanstelling bevoegd gezag uit zijn midden
aangewezen. Het tot aanstelling bevoegd gezag wijst tevens een
plaatsvervangend voorzitter aan.
Artikel 142
Het tot aanstelling bevoegd gezag kan
geheimhouding opleggen ten aanzien van hetgeen in het overleg is
behandeld. De plicht tot geheimhouding geldt niet voor zover degenen die
namens de centrales aan het overleg deelnemen in bespreking treden met
de door hen vertegenwoordigde centrales of de daarbij aangesloten
verenigingen.
Artikel 143
Het tot aanstelling bevoegd gezag draagt
er zorg voor dat de ambtenaar, die in het overleg optreedt of heeft
opgetreden namens een centrale, en de ambtenaar, die lid is geweest van
de bijzondere commissie, niet uit dien hoofde worden benadeeld in hun
positie als ambtenaar.
Artikel 143a [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 144 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 145 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 146 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 147 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 148 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 149 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 149a
Voor de toepassing van de artikelen 149b
tot en met 149g wordt verstaan onder:
a. deelnemers aan het overleg: de
voorzitter en de tot het overleg toegelaten centrales van
verenigingen van ambtenaren;
b. Advies- en Arbitragecommissie: de
Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in artikel 110g van het
Algemeen Rijksambtenarenreglement.
Artikel 149b
Indien de voorzitter dan wel een of meer
van de centrales, in het overleg tot het oordeel komen dat dit overleg
niet tot een uitkomst zal leiden die de instemming van alle deelnemers
aan dat overleg zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen 3 dagen nadat
zij daarvan in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis
van de overige deelnemers aan het overleg.
Artikel 149c
1.Binnen vijf dagen na de kennisgeving,
bedoeld in het vorige artikel, schrijft de voorzitter een
overlegvergadering uit. De vergadering moet worden gehouden binnen
zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.
2.Tenzij door de voorzitter en de
centrales wordt besloten het overleg voort te zetten dat wel te
beëindigen, wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming
bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil
is en of een oplossing van dat geschil zal worden gezocht door middel
van voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van de
Advies- en Arbitragecommissie, dan wel door middel van onderwerping
van het geschil aan een arbitrale uitspraak van de Advies- en
Arbitragecommissie.
3.Tot het inwinnen van advies zijn
zowel de voorzitter als de centrales bevoegd.
4.Voor onderwerping van het geschil aan
arbitrage is overeenstemming vereist tussen alle deelnemers aan het
overleg.
Artikel 149d
1.Binnen drie dagen na de vergadering,
bedoeld in het vorige artikel, wordt het verzoek om advies ter kennis
gebracht aan de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie. Het
verzoek wordt ondertekend door de deelnemers aan het overleg die zich
voor inwinning van advies hebben uitgesproken en bevat ten minste het
onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in de vergadering
bedoeld in het vorige artikel geen overeenstemming is bereikt tussen
alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat het onderwerp en de
inhoud van het geschil is, brengen de overige deelnemers aan het
overleg hun visie op het onderwerp en de inhoud van het geschil
eveneens binnen drie dagen na eerdergenoemde vergadering ter kennis
van de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie.
2.De eerste volzin van het eerste lid
is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het onderwerpen van
het geschil aan een arbitrale uitspraak. Het verzoek daartoe wordt
ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient tenminste te
bevatten:
a. het onderwerp en de inhoud van
het geschil;
b. de standpunten van alle
deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp en inhoud van het
geschil.
Artikel 149e
De Advies- en Arbitragecommissie wordt
voor de behandeling van het desbetreffende geschil uitgebreid met twee
bijzondere leden die worden benoemd door het tot aanstelling bevoegde
gezag. Van deze leden wordt een lid benoemd op voordracht van de
voorzitter van het overleg met de centrales en een lid op voordracht van
de tot dat overleg toegelaten centrales. Niet benoembaar tot bijzonder
lid zijn:
a. personen die ingevolge het vierde
lid van artikel 110g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn
uitgesloten van het lidmaatschap en het plaatsvervangend
lidmaatschap;
b. personen die namens de centrales
aan het overleg deelnemen, dan wel wier deelname aan het overleg nog
niet langer dan twee jaar is beëindigd.
Artikel 149f
Binnen twee weken na ontvangst van het
advies wordt het overleg over het geschil voortgezet.
Artikel 149g
De uitspraak van de Advies- en
Arbitragecommissie heeft bindende kracht.
Artikel 149h [Vervallen per 03-12-1999]
Hoofdstuk X A
Artikel 150 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 151 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 152 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 153 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 154 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 155 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 156 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 157 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 158 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 159 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 160 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 161 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 162 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 163 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 164 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 165 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 166 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 167 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 168 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 169 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 170 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 171 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 172 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 173 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 174 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 175 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 176 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 177 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 178 [Vervallen per 03-12-1999]
Artikel 179 [Vervallen per 03-12-1999]
Hoofdstuk XI. Slotbepalingen
Artikel 180. Wijziging
1.Voorstellen tot wijziging van dit
besluit worden behandeld in de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.
2.Vanwege de Staten-Generaal worden
geen voorstellen tot wijziging van dit besluit gedaan dan nadat
daarover bij de Staten-Generaal met de centrales van verenigingen van
ambtenaren overleg is gepleegd.
Artikel 181. Nadere algemene
voorschriften
Voor zover voor ambtenaren nadere regels
ter uitwerking van de bepalingen van dit besluit worden vereist, worden
die regels vastgesteld door de Kamer, de Gemengde Commissie of de
Gemengde Commissie van toezicht.
Artikel 181a
Van de bevoegdheid tot het stellen van
regels met een sterk technisch karakter krachtens dit besluit, anders
dan krachtens de artikelen 7 en 10, kunnen Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van
Financiën mandaat verlenen.
Artikel 182
De Algemene Termijnenwet is niet van
toepassing op de termijnen in dit besluit gesteld met uitzondering van
die, genoemd in de artikelen 10, tweede en derde lid, 71b, tweede en
derde lid, alsmede in de hoofdstukken XI en XIA.
Artikel 182a
1. Ten aanzien van de ambtenaar en de
gewezen ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen voor 1 januari
2004, blijven deartikelen 34a, 92a, 92b, 129, 130a, 134,134a en
hoofdstuk VI van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal van
toepassing zoals deze luidden op 30 november 2005, met dien verstande
dat voor artikel 75b in genoemd hoofdstuk VI in de plaats treedt
artikel 75b zoals dat thans luidt.
2. Voor de toepassing van het eerste
lid worden perioden van ongeschiktheid tot werken geacht eenzelfde,
niet onderbroken periode van ongeschiktheid te vormen, indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of
indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig
artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg of een
uitkering op grond van artikel 3:8, of 3:10, eerste lid, van die wet,
tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort
te vloeien uit dezelfde oorzaak.
Artikel 182b
De ambtenaar en de gewezen ambtenaar
worden geacht een aanvraag te hebben ingediend als bedoeld in artikel
73a indien de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid wegens een dienstongeval of een beroepsziekte is gelegen in de
periode van 1 januari 2004 tot en met 30 november 2005.
Artikel 182c
Artikel 104, tweede lid, is niet van
toepassing op beroepsincidenten die zich hebben voorgedaan vóór 1
december 2005.
Artikel 183. Inwerkingtreding
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van
de dagtekening van het Staatsblad waarin het is geplaatst.
2. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit vervalt
het Koninklijk besluit van 19 januari 1934, Staatsblad 12.
Artikel 184
Dit besluit kan worden aangehaald als: Ambtenarenreglement
Staten-Generaal.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat afschrift daarvan zal worden gezonden aan de Raad
van State en de Algemene Rekenkamer.
Soestdijk, 22 februari 1979
JULIANA
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
H.
Wiegel
Uitgegeven de negenentwintigste
maart 1979
De Minister van Justitie,
J. de
Ruiter
|