| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Ambtenarenwet (AW)
BESLUIT
BOVENWETTELIJKE UITKERINGEN BIJ WERKLOOSHEID
VOOR DE SECTOR DEFENSIE
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 8 juni 1999, houdende vaststelling van de regeling inzake
de aanvullende voorzieningen bij werkloosheid van defensiepersoneel (Besluit
bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 12 januari
1999, nr. P/98008731;
Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet en artikel 12
van de Militaire Ambtenarenwet 1931;
De Raad van State gehoord (advies van 4 maart 1999,
nr. W07.99.0019/II);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 2
juni 1999, nr. P/99002950;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie;
b. betrokkene:
1e. de ambtenaar die op basis van het Burgerlijk
ambtenarenreglement defensie in vaste of in tijdelijke dienst
werkzaam is geweest en is ontslagen op grond van genoemd
reglement, met uitzondering van een ontslag op eigen aanvraag,
een disciplinair strafontslag, een ontslag wegens flexibel
pensioen en uittreden, dan wel een functioneel
leeftijdsontslag;
2e. de militair die op basis van het Algemeen militair
ambtenarenreglement voor onbepaalde tijd in militaire dienst
werkzaam is geweest en is ontslagen op grond van genoemd
reglement, met uitzondering van een ontslag op eigen aanvraag,
een leeftijdsontslag, dan wel een ontslag ingevolge artikel
39, tweede lid, onderdelen k, l, m of n, van genoemd
reglement;
c. de WW: de Werkloosheidswet;
d. dagloon: het dagloon, bedoeld in de artikelen 44 tot en met
46 van de WW zonder toepassing van het bedrag, bedoeld in artikel
17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen met
betrekking tot een loontijdvak van een dag;
e. WW-uitkering: de uitkering bij werkloosheid, bedoeld in
Hoofdstuk II van de WW;
f. bovenwettelijke uitkering: de aansluitende en de aanvullende
uitkering, bedoeld in hoofdstuk 2 van dit besluit;
g. diensttijd: de tijd welke betrokkene in dienst dan wel
aangesteld is geweest bij het Ministerie van Defensie en in
voorkomend geval vermeerderd met de tijd welke betrokkene voordien
in dienst is geweest bij de rijksoverheid dan wel bij een sector
van de rijksoverheid;
h. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen toegekende uitkering.
Hoofdstuk 2. Bovenwettelijke uitkeringen
Artikel 2. Aansluitende uitkering
1.Betrokkene die recht heeft op een WW-uitkering en die op de dag
voor het intreden van zijn werkloosheid een aangesloten dienstijd
heeft van tenminste 6 jaar en 40 jaar of ouder is, heeft na het
einde van de uitkeringsduur van de WW-uitkering recht op een
aansluitende uitkering. De duur van de aansluitende uitkering is het
verschil in uitkeringsduur tussen de WW en de uitkeringsduur van de
WW zoals deze gold voor 1 oktober 2006.
2.Betrokkene die recht heeft op een WW-uitkering en die op de dag
voor het intreden van zijn werkloosheid een aaneengesloten
diensttijd heeft van tenminste 10 jaar en 50 jaar of ouder is, heeft
na het einde van de uitkeringsduur van de WW-uitkering recht op een
aansluitende uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand waarin
hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.
3.Onze Minister kan voor de berekening van de diensttijd, bedoeld
in het eerste, derde en vierde lid, onverminderd artikel 1, onder j,
de tijd meetellen, die betrokkene bij een andere sector van de
overheid heeft doorgebracht, indien die betrokkene in het kader van
een reorganisatie bij die andere sector van de overheid bij het
Ministerie van Defensie te werk is gesteld.
4.Het recht op een aansluitende uitkering eindigt na ommekomst
van de duur daarvan, maar uiterlijk op de eerste dag van de
kalendermaand volgend op die waarin betrokkene de leeftijd van 65
jaar heeft bereikt.
Artikel 3. Aanvullende uitkering
Betrokkene, die recht heeft op een WW-uitkering, dan wel een
aansluitende uitkering ingevolge artikel 2, heeft recht op een
aanvullende uitkering.
Artikel 4. Hoogte aanvullende uitkering
1.De WW-uitkering wordt gedurende de eerste zes maanden aangevuld
tot 80%, gedurende de daarop volgende zes maanden tot 75% en
gedurende de resterende periode tot 70% van het voor betrokkene
geldende dagloon.
2.Gedurende de duur van de aansluitende uitkering, bedoeld in
artikel 2, bedraagt de uitkering 70% van het voor betrokkene
geldende dagloon.
Artikel 5. Aanvullende uitkering bij ziekte
1.Indien betrokkene gedurende de periode dat hij recht heeft op
een loongerelateerde WW-uitkering of op een aansluitende uitkering,
wegens ziekte verhinderd wordt arbeid te verrichten en daarom een
uitkering krachtens de Ziektewet ontvangt, wordt de uitkering
krachtens de Ziektewet aangevuld tot de percentages van het dagloon
bedoeld in artikel 4.
2.De uitkering krachtens de Ziektewet wordt aangevuld tot het
percentage van het voor betrokkene geldende dagloon, bedoeld in
artikel 4, dat van toepassing zou zijn indien betrokkene niet ziek
zou zijn.
3.In afwijking van het tweede lid wordt indien de vrouwelijke
betrokkene gedurende de periode dat zij recht heeft op een
loongerelateerde WW-uitkering of op een aansluitende uitkering recht
krijgt op een uitkering krachtens artikel 29a van de Ziektewet, die
uitkering aangevuld tot 100% van het voor betrokkene geldende
dagloon.
Artikel 5a. Aanvullende uitkering in verband met adoptieverlof
1.De uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg die betrokkene
heeft in verband met adoptieverlof wordt gedurende ten hoogste vier
aaneengesloten weken vanaf twee weken vóór de eerste dag dat de
feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal
nemen, aangevuld tot 100% van het voor betrokkene geldende dagloon.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens
de Wet arbeid en zorg steeds aangemerkt als onverminderd door
betrokkene te zijn genoten.
Artikel 6. Aanvullende overlijdensuitkering
1.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt de
uitkering bedoeld in artikel 35, dan wel 36 van de Ziektewet
aangevuld tot 100% van het voor betrokkene geldende dagloon over een
tijdvak van 3 maanden.
2.Indien betrokkene overlijdt tijdens de duur van de uitkering op
grond van dit besluit en er geen recht bestaat op een
overlijdensuitkering op grond van artikel 35 en 36 van de Ziektewet,
uitsluitend omdat betrokkene niet meer verzekerd is op grond van de
Ziektewet, wordt een overlijdensuitkering betaald onder
overeenkomstige toepassing van artikel 35 en 36 van de Ziektewet.
Deze uitkering wordt aangevuld overeenkomstig het eerste lid.
Artikel 7. Voorwaarden aanvullende uitkering
1.Tijdens de duur van de aanvullende en aansluitende uitkeringen
zijn de regels betreffende het recht op een WW-uitkering welke bij
of krachtens de WW zijn vastgesteld van overeenkomstige toepassing.
2.Tijdens de duur van de aanvullende uitkering bij ziekte zijn de
regels betreffende het recht op een Ziektewet-uitkering welke bij of
krachtens de Ziektewet zijn vastgesteld van overeenkomstige
toepassing.
3.In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid kan
Onze Minister nadere regels stellen.
Artikel 8. Aanvraag uitkering
Onze Minister beslist over de toekenning van de bovenwettelijke
uitkering op aanvraag van betrokkene.
Hoofdstuk 3. Loonaanvulling, aanspraken bij werkloosheid na
werkhervatting en privatiseringsontslag
Artikel 9. Loonaanvulling
1.Betrokkene, die aansluitend aan zijn ontslag een nieuwe
betrekking aanvaardt, ontvangt op zijn aanvraag een loonaanvulling,
indien het dagloon in de nieuwe betrekking minder bedraagt dan het
dagloon dat voor hem zou gelden als hij werkloos zou zijn geworden.
2.Betrokkene, wiens recht op uitkering geheel of gedeeltelijk
wordt beëindigd wegens het aanvaarden van een nieuwe betrekking
ontvangt op zijn aanvraag een loonaanvulling, indien het dagloon in
de nieuwe betrekking minder bedraagt dan het voor hem geldende
dagloon.
3.De hoogte van de loonaanvulling is gelijk aan het verschil
tussen het dagloon in de nieuwe betrekking en het voor hem geldende
dagloon.
4.De loonaanvulling wordt proportioneel toegekend, indien de
omvang van de nieuwe betrekking minder bedraagt dan de betrekking
waaruit de betrokkene is ontslagen. Indien de omvang van de nieuwe
betrekking groter is dan de omvang van de betrekking waaruit de
betrokkene is ontslagen, bedraagt de hoogte van de loonaanvulling
het feitelijk verschil in dagloon tussen het voor hem geldende
dagloon en het dagloon uit de nieuwe betrekking.
5.De duur van de loonaanvulling is gelijk aan de duur waarop
recht op een WW, dan wel aansluitende uitkering bestaat of zou
hebben bestaan indien betrokkene werkloos zou zijn gebleven of zou
zijn geworden.
6.Indien betrokkene wegens ziekte, zwangerschap of bevalling, of
wegens een omstandigheid die in redelijkheid voor rekening van de
werkgever behoort te komen, verhinderd is zijn arbeid te verrichten,
of zijn arbeid niet verricht wegens verlof, blijft het recht op
loonaanvulling bestaan voor zolang hij recht heeft op loon, maar ten
hoogste gedurende de periode bedoeld in het vijfde lid.
7.De loonaanvulling vervalt met ingang van de dag, waarop
betrokkene opnieuw werkloos wordt of niet meer voldoet aan de
voorwaarde, bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, of de duur van
de uitkering is verstreken.
Artikel 10. Aanspraken bij werkloosheid na werkhervatting
1.Het recht op de bovenwettelijke uitkering herleeft op aanvraag
van betrokkene indien hij na aanvaarding van arbeid wederom werkloos
is geworden en recht heeft op een uitkering krachtens de WW.
2.De duur en de hoogte van de bovenwettelijke uitkering zijn
gelijk aan de duur en hoogte van de bovenwettelijk uitkering waarop
betrokkene nog recht gehad zou hebben indien hij onafgebroken
werkloos zou zijn geweest.
3.Betrokkene, die nadat hij aansluitend aan zijn ontslag een
nieuwe betrekking heeft aanvaard, werkloos wordt en dientengevolge
recht heeft op een uitkering krachtens de WW, heeft op aanvraag
recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit.
4.De duur en hoogte van de bovenwettelijke uitkering zijn gelijk
aan de duur en hoogte van de bovenwettelijke uitkering waarop
betrokkene nog recht zou hebben indien hij vanaf het tijdstip waarop
het ontslag is ingegaan onafgebroken werkloos zou zijn geweest.
Artikel 11. Privatiseringsontslag
1.Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. betrokkene: de betrokkene in de zin van artikel 1, onder
b, aan wie een privatiseringsontslag is verleend en die
onmiddellijk aansluitend aan dat ontslag in dienst is getreden
van de privaatrechtelijke organisatie;
b. privatiseringsoperatie: een operatie die ten doel heeft
werkzaamheden van het Ministerie van Defensie uit te besteden of
over te dragen aan een bestaande of voor dat doel opgerichte
privaatrechtelijke organisatie;
c. privaatrechtelijke organisatie: de privaatrechtelijke
organisatie die de werkzaamheden uitvoert die in het kader van
een privatiseringsoperatie door het Ministerie van Defensie zijn
uitbesteed of overgedragen;
d. privatiseringsontslag: het ontslag uit een
overheidsbetrekking in het kader van een privatiseringsoperatie;
e. ontslag als werknemer: het ontslag uit de betrekking bij
de privaatrechtelijke organisatie.
2.Indien binnen twee jaar na het privatiseringsontslag blijkt dat
de betrekking die betrokkene bij de privaatrechtelijke organisatie
vervult niet passend is en hij in verband daarmee al dan niet op
eigen verzoek is ontslagen, heeft hij recht op de bovenwettelijke
uitkering uit hoofde van zijn ontslag als werknemer met ingang van
de dag op welke hij aanspraak krijgt op een uitkering krachtens de
WW.
3.Indien betrokkene binnen twee jaar na het privatiseringsontslag
als werknemer is ontslagen ten gevolge van opheffing van zijn
betrekking bij de privaatrechtelijke organisatie of overtolligheid
van personeel door verandering of inkrimping van die organisatie
heeft hij recht op de bovenwettelijke uitkering uit hoofde van zijn
ontslag als werknemer met ingang van de dag op welke hij aanspraak
krijgt op een uitkering krachtens de WW.
4.Betrokkene die als werknemer is ontslagen en op wie het tweede
of derde lid niet van toepassing is, heeft uit hoofde van zijn
ontslag als werknemer recht op de bovenwettelijke uitkering met
ingang van de dag op welke hij aanspraak krijgt op een uitkering
krachtens de WW, met dien verstande dat de duur en de hoogte van de
bovenwettelijke uitkering ingaat op de dag van het
privatiseringsontslag.
Hoofdstuk 4. Samenloop
Artikel 12
1.Betrokkene die ter zake van eenzelfde ontslag recht heeft op
een suppletie als bedoeld in de Suppletieregeling gedeeltelijk
arbeidsongeschikten sector defensie heeft gedurende de termijn dat
hij recht heeft op die suppletie geen recht op een bovenwettelijke
uitkering krachtens dit besluit.
2.Betrokkene als bedoeld in het eerste lid, heeft met ingang van
de eerste dag volgende op die waarop de duur van de suppletie is
geëindigd, recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit
besluit, indien de duur van de uitkering, waarop betrokkene
krachtens dit besluit recht zou hebben gehad indien hij geen recht
op suppletie zou hebben gehad, langer is dan de duur van de
suppletie.
3.Op de hoogte van de uitkering is artikel 4 van toepassing in
die zin dat gerekend wordt vanaf het tijdstip waarop het ontslag is
ingegaan.
4.Het recht op een uitkering krachtens dit besluit eindigt met
ingang van de dag waarop betrokkene recht verkrijgt op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
Artikel 13
Indien betrokkene aansluitend aan het ontslag recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, en nadien als gevolg van een
vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 80%
recht krijgt op een bovenwettelijke uitkering op grond van dit
besluit, worden duur en hoogte van de bovenwettelijke uitkering
vastgesteld alsof de bovenwettelijke uitkering zou zijn ingegaan op de
ingangsdatum van het ontslag.
Hoofdstuk 5. Overige bepalingen
Artikel 14. Tegemoetkoming verhuiskosten
Aan betrokkene, die elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen,
kan ter zake van de kosten, die voor hem aan een daartoe nodige
verhuizing zijn verbonden, op zijn aanvraag door Onze Minister een
tegemoetkoming worden toegekend tot ten hoogste het bedrag van een
vergoeding volgens de normen van het Verplaatsingskostenbesluit
burgerlijke ambtenaren defensie, onder verrekening van een
tegemoetkoming in verhuiskosten uit andere hoofde.
Artikel 15. Afkoop
Op aanvraag van betrokkene kan het recht op de bovenwettelijke
uitkering, al of niet direct aansluitend aan zijn ontslag, geheel of
ten dele worden afgekocht.
Artikel 16
Indien het niveau van de uitkering van de WW een algemene
neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging,
behoudens indien in het sector overleg Defensie sociale partners
anders overeenkomen binnen 6 maanden na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige
wijze ten aanzien van de bovenwettelijke uitkeringen doorgevoerd vanaf
de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde
maatregel, doch niet eerder dan 6 maanden na de datum van uitgifte van
het Staatsblad.
Artikel 17
Onze Minister kan ter uitvoering van de artikelen 2, vijfde lid, 9,
10, 14 en 15 nadere regels van administratieve aard stellen.
Artikel 17a. Loonaanvulling bij ontslag op aanvraag
1. De militair die:
a. een functie vervult in fase 2 of 3, als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel m respectievelijk n, van het Algemeen
militair ambtenarenreglement; en
b. ontslag op aanvraag wordt verleend; en
c. aansluitend aan zijn ontslag een nieuwe betrekking
aanvaardt; en
d. uit de nieuwe betrekking inkomsten heeft die ten minste
80% bedragen van de berekeningsgrondslag voor de pensioenen
bedoeld in artikel 23a van het Inkomstenbesluit militairen; en
e. voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen
voorwaarden;
komt in aanmerking voor een loonaanvulling.
2. De loonaanvulling bedraagt 50% van het verschil tussen het
inkomen uit de nieuwe betrekking en de berekeningsgrondslag voor de
pensioenen bedoeld in artikel 23a van het Inkomstenbesluit
militairen en heeft een duur van ten hoogste drie jaar.
Hoofdstuk 6. Overgangsrecht en slotbepalingen
Artikel 18
1. Het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd en
het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel worden ingetrokken op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
2. Betrokkene die op 31 december 2002 recht heeft op een
uitkering ingevolge een in het eerste lid genoemd besluit of die
verkeert in een omstandigheid als bedoeld in artikel 30, eerste lid,
onder c, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen, heeft, indien het recht op die uitkering na
vorenbedoelde dag zou voortduren of herleven, recht op een uitkering
krachtens dit besluit. Voor de duur en de hoogte van de uitkering
krachtens dit besluit wordt uitgegaan van het tijdstip van het
ontstaan van de in de eerste volzin bedoelde voorafgaande uitkering
en van de normen van het besluit dat daaraan ten grondslag heeft
gelegen. Voor de ingevolge dit artikellid toe te kennen uitkering
wordt betrokkene aangemerkt als rechthebbende op een WW-uitkering
die daarop niet in mindering strekt.
3. Indien de uitkering krachtens de WW en de uitkering krachtens
dit besluit waar betrokkene bedoeld in het tweede lid recht op
heeft, lager is dan de uitkering ingevolge het Werkloosheidsbesluit
defensiepersoneel waarop betrokkene recht had op de dag voorafgaande
aan de datum, bedoeld in het eerste lid, of op de dag waarop zijn
uitkering is geëindigd als gevolg van een omstandigheid als bedoeld
in artikel 30, eerste lid, onder c, van de Wet overheidspersoneel
onder de werknemersverzekeringen, heeft betrokkene recht op een
garantie-uitkering krachtens dit besluit. De garantie-uitkering
bedraagt het verschil tussen de uitkering ingevolge het
Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel waarop de betrokkene recht
zou hebben gehad als dat besluit op grond van het eerste lid niet
zou zijn ingetrokken en de uitkering krachtens de WW aangevuld met
de uitkering krachtens dit besluit. Indien de uitkering op grond van
het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel, de WW of dit besluit op
grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is
geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald, wordt deze
uitkering voor de vastelling van de garantie-uitkering geacht
onverminderd te zijn genoten. Op de garantie-uitkering is artikel 7
van overeenkomstige toepassing.
4. Indien de uitkering krachtens de WW lager is dan de uitkering
ingevolge het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd
waarop betrokkene recht had op de dag voorafgaande aan de datum,
bedoeld in het eerste lid, of op de dag waarop zijn uitkering is
geëindigd als gevolg van een omstandigheid als bedoeld in artikel
30, eerste lid, onder c, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen, heeft betrokkene recht op een
garantie-uitkering krachtens dit besluit. De garantie-uitkering
bedraagt het verschil tussen de uitkering ingevolge het
Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd waarop de
betrokkene recht zou hebben gehad als dat besluit op grond van het
eerste lid niet zou zijn ingetrokken en de uitkering krachtens de
WW. Indien de uitkering op grond van het Werkloosheidsbesluit
beroepsmilitairen bepaalde tijd of de WW op grond van enige
wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel
niet of niet geheel is betaald, wordt deze uitkering voor de
vaststelling van de garantie-uitkering geacht onverminderd te zijn
genoten. Op de garantie-uitkering is artikel 7 van overeenkomstige
toepassing.
5. Het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie, het
Uitkeringsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie, het Wachtgeld- en
uitkeringsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie bij privatisering
en de Militaire wachtgeldregeling 1961 worden ingetrokken.
6. De in het vijfde lid genoemde besluiten blijven van kracht ten
aanzien van degenen van wie de ontslagdatum is gelegen voor 1 juli
1996 en ten aanzien van degenen die zijn of worden ontslagen in het
kader van het Sociaal Beleidskader Defensie en wegens diezelfde
onvrijwillige werkloosheid geen aanspraak maken op een uitkering
krachtens de WW.
7. bij de toepassing van het zesde lid wordt in geval van van een
deeltijddienstverhouding voor de berekening van het wachtgeld de
laatstgenoten bezoldiging vermenigvuldigd met een breuk, waarvan:
a. de teller wordt gevormd door het geheel van voor de
pensioengrondslag in beschouwing te nemen inkomsten en baten,
voor zover deze feitelijk zijn genoten, en
b. de noemer gelijk is aan de laatstgenoten bezoldiging.
Artikel 19
Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 20
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bovenwettelijke
uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 8 juni 1999
BEATRIX
De Staatssecretaris van Defensie,
H.A.L. van Hoof
Uitgegeven de dertiende juli 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|