| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Ambtenarenwet (AW)
BESLUIT
BOVENWETTELIJKE UITKERINGEN BIJ WERKLOOSHEID
VOOR DE SECTOR RIJK
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 19 juni 1996, houdende vaststelling van de regeling
inzake de aanvullende voorzieningen bij werkloosheid van rijksambtenaren
(Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector
Rijk)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 31 juli
1995, nr. AD95/U734, directoraat-generaal Management en
Personeelsbeleid, directie Personeelsmanagement Rijksdienst, afdeling
Arbeidsvoorwaarden en Sociaal Beleid;
Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 14 november 1995, nr.
W0.95.0423);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van
12 juni 1996, nr. AD95/1165, directoraat-generaal Management en
Personeelsbeleid, directie Personeelsmanagement Rijksdienst, afdeling
Arbeidsvoorwaarden en Sociaal Beleid;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
b. betrokkene:
1e. de ambtenaar in vaste dienst, die op basis van het
Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Ambtenarenreglement
Staten-Generaal of het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken in
burgerlijke rijksdienst werkzaam is of is geweest en die ten
gevolge van een ontslag, met uitzondering van een ontslag op
grond van de artikelen 81, eerste lid, onder l, 94a, eerste
lid, en 97, tweede en derde lid, 130c en 130d, eerste lid, van
het Algemeen Rijksambtenarenreglement, de artikelen 116,
eerste lid, onderdeel l, en 124a, eerste lid, van het
Ambtenarenreglement Staten-Generaal, of artikel 87, eerste
lid, onder l, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken,
werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet;
2e. de ambtenaar in vaste dienst die is aangesteld op basis
van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het
Ambtenarenreglement Staten-Generaal of het Reglement Dienst
Buitenlandse Zaken en die tengevolge van ongeschiktheid tot
het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte werkloos is
geworden in de zin van de Werkloosheidswet;
c. aanvullende uitkering: de aanvullende uitkering bedoeld in
Hoofdstuk 2 van dit besluit;
d. aansluitende uitkering: de aansluitende uitkering bedoeld in
Hoofdstuk 3 van dit besluit;
e. bovenwettelijke uitkering: aanvullende en aansluitende
uitkering;
f. dagloon: het dagloon in de zin van artikel 45 van de
Werkloosheidswet, evenwel zonder toepassing van het bedrag,
bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een dag;
g. diensttijd:
voorzover gelegen voor 1 januari 1996:
de tijd zoals die voor betrokkene per 31 december 1995 meetelt
voor de pensioenberekening, bedoeld in de Algemene burgerlijke
pensioenwet;
voorzover gelegen op of na 1 januari 1996:
de tijd gedurende welke de betrokkene overheidswerknemer is in
de zin van de Wet privatisering ABP;
in beide gevallen met uitzondering van de tijd:
a. die voorafgaat aan een ontslag uit een betrekking
waaraan een functioneel leeftijdsontslag is verbonden, mits
uit hoofde van dat ontslag een uitkering is toegekend;
b. die in aanmerking is genomen bij de berekening van de
duur van een wachtgeld of van een uitkering terzake van
onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid;
c. die voorafgaat aan een onderbreking in de diensttijd
door ontslag van langer dan een jaar;
d. bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement;
e. in een aangehouden betrekking.
Bij de bepaling van diensttijd wordt in voorkomend geval de
diensttijd, bedoeld in artikel D1, tweede lid, van de Algemene
burgerlijke pensioenwet zoals deze luidde op 31 december 1995 mede
in aanmerking genomen. Het verzoek als bedoeld in artikel D2 van
genoemde wet wordt daarbij geacht te zijn gedaan.
Indien en voor zover diensttijd bij de berekening van de
bovenwettelijke uitkering in aanmerking is genomen, met een
overheidspensioen, anders dan ten laste van de Stichting
Pensioenfonds ABP, wordt vergolden, worden de duur en het bedrag
van de bovenwettelijke uitkering met ingang van de dag waarop dit
pensioen is ingegaan herberekend, waarbij die diensttijd buiten
beschouwing wordt gelaten;
h. minimumloon: het minimumloon bedoeld in de Wet minimumloon
en minimumvakantiebijslag;
i. pensioenreglement: pensioenreglement Stichting Pensioenfonds
ABP;
j. pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement;
k. privatiseringsoperatie: een operatie die ten doel heeft
werkzaamheden van de overheid uit te besteden of over te dragen
aan een bestaande of voor dat doel opgerichte privaatrechtelijke
organisatie;
l. privaatrechtelijke organisatie: de privaatrechtelijke
organisatie die de werkzaamheden uitvoert die in het kader van een
privatiseringsoperatie door de overheid zijn uitbesteed of
overgedragen;
m. privatiseringsontslag: het ontslag uit een
overheidsbetrekking in het kader van een privatiseringsoperatie;
n. ontslag als werknemer: het ontslag uit de betrekking bij de
privaatrechtelijke organisatie;
o. suppletie: een suppletie krachtens de Suppletieregeling
gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk;
p. werkloosheidsuitkering: een uitkering in de zin van de
Werkloosheidswet.
2. Indien op het salaris van de betrokkene op de dag voorafgaande
aan het ontslag een inhouding werd toegepast op grond van artikel 21a,
vijfde lid, dan wel artikel 57b, eerste lid, van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement, wordt voor het dagloon bedoeld in het eerste
lid, onderdeel f, uitgegaan van het dagloon zoals dat zou zijn
vastgesteld indien geen sprake was geweest van bedoelde inhouding.
Artikel 2
1. De uitkeringsduur van de bovenwettelijke uitkering bedraagt drie
maal de uitkeringsduur zoals vastgesteld op grond van hoofdstuk 2,
paragraaf 4, van de Werkloosheidswet.
2. De duur van de uitkering van betrokkene die ten tijde van het
ontslag 57 jaar of ouder is en een diensttijd, voor zover geldig voor
pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt na afloop
van de termijn, voor welke die uitkering op basis van het eerste lid
is toegekend, verlengd tot de eerste dag van de kalendermaand waarin
hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.
Hoofdstuk 2. De aanvullende uitkering bij werkloosheid
Artikel 3. Recht op aanvullende uitkering
1. De betrokkene heeft gedurende de periode dat recht bestaat op
een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, recht op een aanvullende
uitkering, met dien verstande dat het recht op een aanvullende
uitkering niet eerder ingaat dan de dag waarop het ontslag in werking
treedt.
2. Op de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, zijn
hoofdstuk II, paragrafen 1 tot en met 3, alsmede de artikelen 47,
tweede en derde lid, 75, 76, 76a, 77a en 78 van de Werkloosheidswet
van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het tweede lid is artikel 41 van de
Werkloosheidswet niet van overeenkomstige toepassing op de aanvullende
uitkering, bedoeld in het eerste lid en zijn de artikelen 34, 35a en
35aa van de Werkloosheidswet slechts van overeenkomstige toepassing op
de aanvullende uitkering indien de hoogte van de in mindering te
brengen inkomsten de uitkering krachtens de Werkloosheidswet
overstijgen.
Artikel 4. Hoogte van de aanvullende uitkering
1.De uitkering krachtens de Werkloosheidswet wordt aangevuld tot
70% van het voor betrokkene geldende dagloon.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens
de Werkloosheidswet steeds geacht door betrokkene onverminderd te zijn
genoten.
Artikel 5. Aanvullende uitkering bij ziekte
1.Indien de betrokkene gedurende de periode dat hij krachtens de
Werkloosheidswet recht heeft op een uitkering, wegens ziekte
verhinderd wordt arbeid te verrichten en deswege een uitkering geniet
krachtens de Ziektewet, wordt die uitkering krachtens de Ziektewet
aangevuld tot 70% van het voor betrokkene geldende dagloon.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens
de Ziektewet steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn
genoten.
Artikel 5a
1. De uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg die betrokkene
heeft, wordt
a. in verband met haar zwangerschap en bevalling gedurende ten
minste 16 weken aangevuld tot 100% van het voor haar geldende
dagloon, en wel voor de periode
1°. die aanvangt zes weken voor de dag na de vermoedelijke
datum van bevalling, zoals aangegeven in een schriftelijke
verklaring van een arts of verloskundige, tot en met de dag
van de bevalling. Indien de betrokkene dat wenst, vangt het
recht op uitkering in verband met zwangerschap aan op een
later tijdstip, doch uiterlijk vier weken voor de dag na de
vermoedelijk datum van bevalling; en
2°. Het bevallingsverlof gaat in op de dag na de bevalling
en bedraagt tien aaneengesloten weken vermeerderd met het
aantal dagen dat het zwangerschapsverlof tot en met de
vermoedelijke datum van bevalling, dan wel, indien eerder
gelegen, tot en met de werkelijke datum van bevalling, minder
dan zes weken heeft bedragen;
b. in verband met adoptie gedurende ten hoogste vier
aaneengesloten weken vanaf twee weken vóór de eerste dag dat de
feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal
nemen, aangevuld tot 100% van het voor betrokkene geldende
dagloon; of
c. in verband met het opnemen van een pleegkind gedurende ten
hoogste vier aaneengesloten weken vanaf twee weken vóór de
eerste dag dat de feitelijke opneming van het pleegkind een
aanvang heeft genomen of zal nemen, aangevuld tot 100% van het
voor betrokkene geldende dagloon.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens
de Wet arbeid en zorg steeds geacht onverminderd door betrokkene te
zijn genoten.
Artikel 6
1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt de
uitkering bedoeld in artikel 35 of 36 van de Ziektewet aangevuld tot
100% van het voor betrokkene geldende dagloon over een tijdvak van 3
maanden.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de betrokkene geacht
steeds onverminderd ziekengeld te hebben genoten.
Artikel 7
Indien ten aanzien van de uitkering die betrokkene krachtens de
Werkloosheidswet of krachtens de Ziektewet geniet een verplichting of
een sanctie wordt opgelegd, wordt die verplichting eveneens opgelegd dan
wel die sanctie op overeenkomstige wijze toegepast op de aanvullende
uitkering.
Hoofdstuk 3. Aansluitende uitkering bij werkloosheid
Artikel 8. Recht op aansluitende uitkering
1. Indien op het moment van ontslag de duur van de uitkering
berekend op basis van artikel 2 van dit besluit langer is dan de duur
van de uitkering berekend op basis van de Werkloosheidswet, heeft
betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur krachtens de
Werkloosheidswet heeft bereikt, met ingang van dat moment recht op een
aansluitende uitkering, met dien verstande dat de verloren arbeidsuren
waarvoor hij geen betrokkene is geen aanspraak geven op een uitkering
krachtens dit besluit.
2. Op de aansluitende uitkering zijn hoofdstuk II, paragrafen 1 tot
en met 3, en de artikelen 75, 76, 76a, 77a en 78 van de
Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het tweede lid zijn de artikelen 19, eerste
lid, onderdelen a, b, c en h, en 20, eerste lid, onderdeel e, van de
Werkloosheidswet, niet van overeenkomstige toepassing op de
aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid.
4. Het recht op aansluitende uitkering eindigt na ommekomst van de
duur van de aansluitende uitkering, maar uiterlijk op de eerste dag
van de kalendermaand waarin betrokkene de leeftijd van 65 jaar
bereikt.
Artikel 9
De duur van de aansluitende uitkering is de op het moment van ontslag
berekende uitkeringsduur op basis van artikel 2 verminderd met de
terzake van dat ontslag berekende uitkeringsduur krachtens de
Werkloosheidswet.
Artikel 10. De hoogte van de aansluitende uitkering
1. De aansluitende uitkering bedraagt 70% van het voor betrokkene
geldende dagloon.
2. Ten aanzien van de hoogte van de aansluitende uitkering is
artikel 47, tweede en derde lid, van de Werkloosheidswet van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 11. Overlijdensuitkering
1.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt onder
overeenkomstige toepassing van artikel 35 van de Ziektewet een
overlijdensuitkering toegekend ten bedrage van 100% van het voor
betrokkene geldende dagloon over een tijdvak van 3 maanden.
2.Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in
mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
betrekkingen van betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak
kunnen maken uit hoofde van een of meer werkloosheidsuitkeringen,
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de
Ziektewet danwel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen
met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht had. Alleen
uitkeringen die voortvloeien uit de dienstbetrekking op grond waarvan
de uitkering bedoeld in het eerste lid wordt toegekend worden in
mindering gebracht.
Hoofdstuk 3a. Aanvullende uitkering voor buiten Nederland wonenden
Artikel 11b
1. De betrokkene die uitsluitend op grond van artikel 65 van de
Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van
de socialezekerheidsstelsels (PbEU L 200) of op grond van artikel 71,
eerste lid, onderdeel a ii en b ii van de Verordening (EEG) nr.
1408/71 van de Raad van de Europese Unie van 14 juni 1971 betreffende
de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en
zelfstandigen, alsmede hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap
verplaatsen (PbEU L28), geen recht op een werkloosheidsuitkering
heeft, heeft recht op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering op
grond van dit artikel, wanneer hij in zijn woonland recht heeft op een
wettelijke werkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel 3, eerste
lid, onder h, respectievelijk artikel 4, eerste lid, onder g, van de
verordening.
2. De bovenwettelijke werkloosheidsuitkering waarop de betrokkene
op grond van het eerste lid recht heeft, is in hoogte en duur gelijk
aan de werkloosheidsuitkering en de bovenwettelijke uitkering waarop
de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland zou
hebben gewoond.
3. De uitkering wegens werkloosheid, die de betrokkene ontvangt
naar het recht van zijn woonland, wordt geheel in mindering gebracht
op de uitkering op grond van dit artikel over dezelfde periode.
4. Indien de betrokkene gedurende de periode dat hij krachtens
werkloosheidswetgeving recht heeft op een werkloosheidsuitkering,
(tijdelijk) wegens ziekte verhinderd is om arbeid te kunnen
verrichten, waarbij in het woonland de werkloosheidsuitkering hierdoor
niet tot uitbetaling kan komen omdat voor de werkloosheidsuitkering
(tijdelijk) een uitkering wegens ziekte, zwangerschapsverlof of
bevallingsverlof, naar het recht van zijn woonland in de plaats komt,
wordt die uitkering voor de toepassing van het tweede lid
gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op grond van de
Ziektewet. Deze gelijkstelling vindt plaats met een maximale duur van
de overeenkomstige uitkering op grond van de Ziektewet. Zolang deze
gelijkstelling duurt, is de uitkering op grond van dit artikel gelijk
aan de uitkering op grond van de Ziektewet en de bovenwettelijke
uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in
Nederland had gewoond.
5. Voor de toepassing van het vierde lid wordt een uitkering op
grond van artikel 3:10 van de Wet arbeid en zorg gelijkgesteld met een
uitkering op grond van de Ziektewet.
6. De uitkering wegens ziekte, zwangerschap, bevalling,
arbeidsongeschiktheid of adoptie en pleegzorg die de betrokkene
ontvangt naar het recht van zijn woonland, wordt geheel in mindering
gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over dezelfde
periode.
7. Sancties die zijn opgelegd krachtens de werkloosheidswetgeving,
dan wel ziektewetgeving of arbeidsongeschiktheidswetgeving van de
andere lidstaat, werken op gelijke wijze door in de hoogte van de
uitkering op grond van dit besluit.
8. Betrokkene is te allen tijde verplicht alle informatie die
betrekking heeft, of kan hebben, op de hoogte van of het recht op de
uitkering op grond van dit besluit, door te geven aan Onze Minister.
Hoofdstuk 4. Overige bepalingen
Artikel 12
1.Voor betrokkene, die terzake van eenzelfde ontslag recht op een
bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit en recht op een
suppletie heeft, komt gedurende de termijn dat hij recht heeft op die
suppletie het recht op een bovenwettelijke uitkering niet tot
uitbetaling.
2.Betrokkene, bedoeld in het eerste lid, heeft met ingang van de
eerste dag volgende op die waarop de suppletie op grond van artikel 5,
onderdeel a, van de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten
sector Rijk is geëindigd, recht op een bovenwettelijke uitkering
krachtens dit besluit, voor de periode dat de duur van de
bovenwettelijke uitkering, waarop betrokkene krachtens dit besluit
recht zou hebben gehad indien hij geen recht op suppletie zou hebben
gehad, langer is dan de duur van de suppletie.
Artikel 13
1.Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot
het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op een
WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of
meer, heeft recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit
besluit op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een
lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en daardoor recht heeft op
een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. Indien de WAO-uitkering,
als bedoeld in de eerste volzin, is ontstaan uit twee of meer
dienstbetrekkingen wordt het recht op bovenwettelijke uitkering
krachtens dit besluit toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake
waarvan hij betrokkene is in de zin van dit besluit, naar rato van de
feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
dienstbetrekkingen.
2.Ter bepaling van de duur van de bovenwettelijke uitkering
krachtens artikel 2 van dit besluit wordt uitgegaan van de datum van
het ontslag, als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 14
1.Indien het recht op een bovenwettelijke uitkering geheel of
gedeeltelijk is geëindigd wegens het gaan verrichten van arbeid als
werknemer en betrokkene vervolgens wederom werkloos is geworden in de
zin van de Werkloosheidswet, herleeft op zijn verzoek het recht op een
bovenwettelijke uitkering voor zover er een nieuw recht op een
uitkering krachtens de Werkloosheidswet bestaat, met ingang van de
eerste dag waarop het nieuwe recht op uitkering krachtens de
Werkloosheidswet is ontstaan. De duur en de hoogte van de
bovenwettelijke uitkering zijn gelijk aan de duur en hoogte van de
uitkering waarop betrokkene op grond van dit besluit nog recht zou
hebben gehad indien hij onafgebroken werkloos zou zijn geweest.
2.Betrokkene aan wie een ontslag is verleend en die onmiddellijk
aansluitend aan dat ontslag arbeid als werknemer gaat verrichten en
die werkloos wordt in de zin van de Werkloosheidswet, heeft op zijn
verzoek recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit
voor zover er een recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet
zou bestaan op het moment van ontslagverlening en voor zover er een
recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet bestaat op het moment
van werkloos worden, met ingang van de eerste dag waarop recht op
uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ontstaan. De duur en hoogte
van de bovenwettelijke uitkering zijn gelijk aan de duur en hoogte van
de bovenwettelijke uitkering, waarop betrokkene op het moment van
ontslag recht zou hebben gehad, met dien verstande dat het recht op
bovenwettelijke uitkering ingaat met ingang van de dag waarop het
ontslag is verleend.
3.De betrokkene die binnen twee jaar na het privatiseringsontslag
als werknemer is ontslagen ten gevolge van opheffing van zijn
betrekking bij de privaatrechtelijke organisatie of overtolligheid van
personeel door verandering of inkrimping van die organisatie, die
daardoor werkloos wordt in de zin van de Werkloosheidswet en ten
aanzien van wie een recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet
bestaat, heeft op zijn verzoek recht op een bovenwettelijke uitkering
krachtens dit besluit.
De duur en hoogte van de bovenwettelijke uitkering zijn gelijk aan
de duur en hoogte van de bovenwettelijke uitkering, waarop betrokkene
op het moment van privatiseringsontslag recht zou hebben gehad, met
dien verstande dat het recht op bovenwettelijke uitkering ingaat met
ingang van de dag van het ontslag als werknemer.
4.Een recht op een bovenwettelijke uitkering, als bedoeld in het
eerste en tweede lid, kan slechts ontstaan gedurende de termijn welke
betrokkene in het geval dat hij onafgebroken werkloos zou zijn
geweest, een bovenwettelijke uitkering terzake van dat ontslag zou
hebben genoten.
Artikel 15. Loonaanvulling
1. Betrokkene, wiens recht op uitkering geheel of gedeeltelijk is
beëindigd wegens het gaan verrichten van arbeid als werknemer,
ontvangt op zijn verzoek, gedurende de voor hem op de datum van
ontslag vastgestelde uitkeringsduur, voor zover deze nog niet is
verstreken, een loonaanvulling, indien het dagloon in de nieuwe
betrekking minder bedraagt dan het dagloon uit de betrekking waaruit
hij werkloos werd.
2. De loonaanvulling vervalt met ingang van de dag, waarop de
betrokkene opnieuw volledig werkloos wordt of niet meer voldoet aan de
voorwaarde, bedoeld in het eerste lid of als de duur van de uitkering
is verstreken.
3. De hoogte van de loonaanvulling is gelijk aan het verschil
tussen het dagloon in zijn nieuwe betrekking en het dagloon van de
betrekking waaruit betrokkene werkloos is geworden.
4. De loonaanvulling wordt proportioneel toegekend, indien de
omvang van de nieuwe betrekking minder bedraagt dan de betrekking
waaruit de betrokkene is ontslagen. Indien de omvang van de nieuwe
betrekking groter is dan de omvang van de betrekking waaruit de
betrokkene is ontslagen, bedraagt de hoogte van de loonaanvulling het
feitelijke verschil in dagloon tussen de oude en nieuwe betrekking.
5. De aanvraag om loonaanvulling wordt binnen drie maanden na het
aanvaarden van de nieuwe betrekking ingediend. De loonaanvulling wordt
door middel van een beschikbaar gesteld formulier aangevraagd. Bij
overschrijding van deze termijn wordt de loonaanvulling toegekend
vanaf het moment dat de aanvraag werd ingediend.
Artikel 16. Tegemoetkoming verhuiskosten
Aan de betrokkene, die buiten de rijksdienst arbeid of bedrijf ter
hand gaat nemen, kan op zijn verzoek ter zake van de kosten, die voor
hem aan een daartoe nodige verhuizing zijn verbonden, een eenmalige
tegemoetkoming worden toegekend van € 1 361,34 onder verrekening van
een tegemoetkoming in verhuiskosten uit anderen hoofde.
Artikel 17. Afkoop recht op aanvullende en aansluitende uitkering
Op aanvraag van betrokkene kan het recht op bovenwettelijke uitkering
op grond van dit besluit voor 30% van de nominale waarde worden
afgekocht.
Artikel 18
In afwijking van de artikelen 4 en 10 van dit besluit bedraagt het
percentage 67% in plaats van 70% van het dagloon, zolang de Wet van 20
december 1984 houdende aanpassing van uitkeringspercentages van
ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor
overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen
personeel (Stb. 657) op betrokkene van toepassing is.
Artikel 19
1.Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet
een algemeen neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse
wijziging, behoudens indien in het Sectoroverleg Rijkspersoneel
overeenstemming wordt bereikt, binnen zes maanden na de datum van het
Staatsblad waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige
wijze doorgevoerd ten aanzien van het totaal aan wettelijke en
bovenwettelijke aanspraken van betrokkene, vanaf de in het Staatsblad
vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet
eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.
2.Indien in het overleg als bedoeld in het eerste lid, een geschil
ontstaat, wordt de doorvoering van de neerwaartse wijziging in
afwijking van het eerste lid, opgeschort met ingang van de dag waarop
het geschil voor advies dan wel arbitrale uitspraak is voorgelegd aan
de Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in artikel 110g van het
Algemeen Rijksambtenarenreglement.
Artikel 20
Het dagloon wordt steeds aangepast overeenkomstig een algemene
wijziging van het salaris, van de vakantie-uitkering en van de
eindejaarsuitkering van het burgerlijk rijkspersoneel, met ingang van de
dag waarop die wijziging van het salaris, de vakantie-uitkering
respectievelijk de eindejaarsuitkering van kracht wordt.
Artikel 20a
Ten aanzien van de betrokkene van wie de ingangsdatum van het ontslag
gelegen is op of na 11 augustus 2003 en voor 1 januari 2006, wordt voor
de toepassing van artikel 2, tweede lid, uitgegaan van de bepalingen in
de Werkloosheidswet zoals deze luidden op 10 augustus 2003.
Artikel 20b
Ten aanzien van de betrokkene die op de dag vóór 1 januari 2006
recht had op een bovenwettelijke uitkering op basis van dit besluit,
zijn de artikelen 4, 5, 10 en 18, zoals die luidden op de dag vóór 1
januari 2006 van toepassing.
Artikel 20c
Indien voor 1 oktober 2006 sprake was van aftrek van arbeidsinkomsten
met toepassing of overeenkomstige toepassing van artikel 35 van de
Werkloosheidswet, zoals dat artikel luidde op 30 september 2006 worden,
zolang op grond van dat artikel sprake is van aftrek van
arbeidsinkomsten, die inkomsten, met overeenkomstige toepassing van dat
artikel, in afwijking van de artikelen 3, tweede lid, en 8, tweede lid,
in mindering gebracht op:
a. de aanvullende uitkering, voor zover de inkomsten de
werkloosheidsuitkering overstijgen;
b. de aansluitende uitkering.
Artikel 20d
Artikel 130p van de Werkloosheidswet is van toepassing op de in
artikel 3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing verklaarde
onderdelen van de Werkloosheidswet.
Artikel 20e
1. Ten aanzien van de betrokkene die op 31 december 2011 recht had
op een bovenwettelijke uitkering op basis van dit besluit, blijft dit
besluit van toepassing zoals het op die dag luidde.
2. Ten aanzien van de ambtenaar die voor 1 januari 2012 is
aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in artikel 49d of
artikel 49e, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement,
artikel 84d of artikel 84e, tweede lid, van Ambtenarenreglement
Staten-Generaal en artikel 58c of artikel 58d, tweede lid, van het
Reglement Dienst Buitenlandse Zaken en waarvan het ontslag, bedoeld in
artikel 96 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement respectievelijk
in artikel 126 van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal of in
artikel 99 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken, ingaat op of
na 1 januari 2012, blijft artikel 2 van dit besluit van toepassing
zoals het op 31 december 2011 luidde.
Artikel 21
Onze Minister is belast met de uitvoering van dit besluit.
Artikel 22 [Vervallen per 31-12-2002]
Artikel 22a [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 23 [Vervallen per 31-12-2002]
Artikel 24
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
Artikel 25
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit bovenwettelijke
uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 19 juni 1996
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
Uitgegeven de vierde juli 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|