BESLUIT van 17 juli 1999, houdende regels voor de medezeggenschap van
het defensiepersoneel (Besluit medezeggenschap defensie)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 4 maart
1999, nr. P/99001296;
Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet en artikel 12
van de Militaire ambtenarenwet 1931;
De Raad van State gehoord (advies van 21 mei 1999, nr.
W07.99.001048);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 7
juli 1999, nr. P/99003490;
Hebben goed gevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Onze Minister:
Onze Minister van Defensie;
b. secretaris-generaal:
de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie;
c. werknemer:
de militaire ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van
het Algemeen militair ambtenarenreglement, en de ambtenaar, bedoeld in
artikel 1 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie;
d. krijgsmachtdeel:
de Koninklijke marine, de Koninklijke landmacht, de Koninklijke
luchtmacht, de Koninklijke marechaussee, het defensie interservice
commando en de centrale organisatie van het ministerie;
e. bevelhebber:
de bevelhebber der Zeestrijdkrachten, de bevelhebber der
Landstrijdkrachten, de bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, de
commandant van het wapen der Koninklijke marechaussee, de commandant
van het defensie interservice commando en, ten aanzien van de centrale
organisatie van het ministerie, de secretaris-generaal;
f. diensteenheid:
een schip, een groep van vliegtuigen, een inrichting der zeemacht, een
bataljon of eenheid van overeenkomstig niveau, een eenheid of groep
eenheden bij het korps mariniers ter grootte van een bataljon of van
een overeenkomstig niveau, een vliegbasis of een overeenkomstig
onderdeel, een district of een eenheid van een overeenkomstig niveau
dan wel een met een eigen taak bedeeld administratief of
organisatorisch zelfstandig onderdeel van het Ministerie van Defensie;
g. commissie van georganiseerd overleg:
de commissie, bedoeld in artikel 2 dan wel artikel 27, van het Besluit
georganiseerd overleg sector Defensie;
h. college voor geschillen:
het college, bedoeld in artikel 33, van dit besluit;
i. centrale:
een centrale van verenigingen van ambtenaren als bedoeld in artikel 4
van het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie.
2. Voor de toepassing van dit besluit zijn werknemers die hun
werkzaamheden bij meer dan één diensteenheid verrichten werkzaam bij
de diensteenheid waar zij in overwegende mate hun werkzaamheden
verrichten.
Artikel 2. Algemene uitzondering
Het bij of krachtens dit besluit bepaalde is niet van toepassing:
a. tijdens buitengewone omstandigheden en in de gevallen, genoemd
in artikel 71 van het Wetboek van Militair Strafrecht;
b. bij de uitoefening van bij of krachtens wet opgedragen taken
voor zover de toepassing van dit besluit een goede taakuitoefening
belemmert;
c. in door Onze Minister te bepalen gevallen waarin onderdelen
van de krijgsmacht worden ingezet;
d. tijdens oefeningen;
e. op werknemers die werkzaam zijn bij een niet of niet
uitsluitend onder Nederlands gezag staand onderdeel van de
krijgsmacht gevestigd in het buitenland;
f. inzake aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op
de omstandigheden, bedoeld onder a, b, c en d.
Hoofdstuk 2. Het instellen van medezeggenschapscommissies
Artikel 3. Medezeggenschapscommissie
Onze Minister stelt na overleg met de betrokken commissie van
georganiseerd overleg bij diensteenheden medezeggenschapscommissies in.
Artikel 4. Gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie
1. Onze Minister stelt na overleg met de betrokken commissie
van georganiseerd overleg bij door hem aan te wijzen organisatiedelen
gemeenschappelijke medezeggenschapscommissies in als dat bevorderlijk
is voor een goede werking van de medezeggenschap.
2. In het instellingsbesluit wordt bepaald voor welke
diensteenheden en voor welke periode de gemeenschappelijke
medezeggenschapscommissie wordt ingesteld en welke functionaris het
overleg met de gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie voorzit.
3. De betrokken medezeggenschapscommissies worden vooraf in de
gelegenheid gesteld advies uit te brengen over het instellen van een
gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie.
4. De leden van een gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie
worden gekozen door de betrokken medezeggenschapscommissies uit hun
leden. In het instellingsbesluit wordt het aantal leden dat uit elke
medezeggenschapscommissie kan worden gekozen, bepaald. Voor ieder lid
kan een plaatsvervanger worden gekozen die gelijke rechten en plichten
heeft als het lid dat hij vervangt.
5. Het instellingsbesluit bevat bepalingen die voorzien in een
goede vertegenwoordiging van de verschillende groepen werknemers in de
gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie. Vertegenwoordigers van
diensteenheden waarvoor geen medezeggenschapscommissie is ingesteld
kunnen deel uitmaken van een gemeenschappelijke
medezeggenschapscommissie. In het instellingsbesluit wordt hun aantal en
de wijze van hun verkiezing bepaald.
6. Het lidmaatschap van een lid of plaatsvervangend lid van een
gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie eindigt van rechtswege als
zijn lidmaatschap van de medezeggenschapscommissie eindigt. Het
lidmaatschap van de vertegenwoordiger, bedoeld in het vijfde lid,
eindigt als hij niet langer bij de betrokken diensteenheid werkzaam is.
7. De gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie behandelt
uitsluitend aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor
alle of voor een meerderheid van de diensteenheden waarvoor zij is
ingesteld.
8. De bevelhebber van het krijgsmachtdeel waaruit het merendeel
van de leden van de gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie
afkomstig is, wordt als bevelhebber aangemerkt.
9. De artikelen 6, 10, 13, 14, 15, 16, 17, eerste, tweede, vierde
en vijfde lid, 18, 19 en 20 en de hoofdstukken 4 tot en met 6 zijn van
overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke
medezeggenschapcommissie. Op de vertegenwoordigers, bedoeld in het
vijfde lid, is artikel 17, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5. Buitengewone gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie
1. Onze Minister stelt na overleg met de betrokken commissie
van georganiseerd overleg buitengewone gemeenschappelijke
medezeggenschapscommissies in voor het overleg over een reorganisatie
waarbij meerdere diensteenheden zijn betrokken.
2. Onze Minister stelt na overleg met de betrokken commissie van
georganiseerd overleg bij een groep van schepen, een groep van schepen
in combinatie met de ondersteunende wal-organisatie, een inrichting der
zeemacht, op een kazerne, op een vliegbasis, op een kantorencomplex of
op een overeenkomstig complex, buitengewone gemeenschappelijke
medezeggenschapscommissies in voor het overleg over aangelegenheden als
bedoeld in artikel 27, eerste lid, die betrekking hebben op personeel
van verschillende diensteenheden dat op dezelfde locatie werkt of woont.
3. Artikel 4, met uitzondering van het eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing op de buitengewone gemeenschappelijke
medezeggenschapscommissie.
4. Gemeenschappelijke medezeggenschapscommissies zijn niet
bevoegd ten aanzien van door buitengewone gemeenschappelijke
medezeggenschapscommissies te behandelen onderwerpen.
Artikel 6. Werkgroepen
1. De medezeggenschapscommissie kan als dat voor de vervulling
van haar taak noodzakelijk is werkgroepen instellen. Een werkgroep kan
geen rechten of bevoegdheden van de medezeggenschapscommissie
uitoefenen.
2. De medezeggenschapscommissie legt haar voornemen om een
werkgroep in te stellen schriftelijk voor aan het hoofd van de
diensteenheid met vermelding van de taak, de samenstelling en de
werkwijze van de in te stellen werkgroep. Bij bezwaar van het hoofd van
de diensteenheid wordt binnen vier weken door de bevelhebber beslist
nadat hij advies van het college voor geschillen heeft ontvangen.
3. In een werkgroep kunnen naast leden van de
medezeggenschapscommissie ook andere bij de diensteenheid werkzame
werknemers zitting hebben. Het voorzitterschap berust bij een lid van de
medezeggenschapscommissie.
4. De leden van een werkgroep worden in de gelegenheid gesteld om
tijdens de normale werktijd te vergaderen, tenzij naar het oordeel van
het hoofd van de diensteenheid de belangen van de dienst zich daartegen
redelijkerwijs verzetten.
5. De leden van een werkgroep worden in de gelegenheid gesteld om
gedurende ten hoogste drie dagen per jaar, in werktijd en met behoud van
bezoldiging, scholing en vorming te ontvangen die gericht is op de taak
van de werkgroep, tenzij naar het oordeel van het hoofd van de
diensteenheid de belangen van de dienst zich daartegen redelijkerwijs
verzetten.
6. De door een lid van een werkgroep gemaakte noodzakelijke reis-
en verblijfskosten voor het deelnemen aan vergaderingen en scholings- en
vormingsactiviteiten worden vergoed overeenkomstig het Besluit
dienstreizen defensiepersoneel.
Hoofdstuk 3. Samenstelling en werkwijze
Artikel 7. Samenstelling medezeggenschapscommissie
1. De leden van een medezeggenschapscommissie worden door de
bij de diensteenheid werkzame werknemers uit hun midden gekozen.
Werknemers zijn kiesgerechtigd als zij op het moment van de
verkiezingen ten minste zes maanden bij het Ministerie van Defensie
werkzaam zijn. Werknemers zijn verkiesbaar als zij op het moment van
de verkiezingen ten minste een jaar bij het Ministerie van Defensie
werkzaam zijn.
2. Het aantal leden van de medezeggenschapscommissie bedraagt bij
een diensteenheid:
a. met minder dan 100 werknemers ten minste 3 en ten hoogste 7
leden;
b. met 100 tot 500 werknemers ten minste 5 en ten hoogste 11 leden;
c. met 500 tot 2000 werknemers ten minste 9 en ten hoogste 13
leden;
d. met 2000 of meer werknemers ten minste 13 en ten hoogste 19
leden.
3. In het reglement, bedoeld in artikel 14, wordt binnen de in
het vorige lid genoemde grenzen het aantal leden van de
medezeggenschapscommissie vastgesteld.
4. Het hoofd van de diensteenheid en in voorkomend geval de door
deze tot het voeren van overleg met de medezeggenschapscommissie bevoegd
verklaarde functionaris, zijn niet verkiesbaar tot lid van de
medezeggenschapscommissie.
5. Tijdens de zittingsperiode van de medezeggenschapscommissie
wordt het aantal leden van de commissie niet gewijzigd.
6. Het aantal zetels van de medezeggenschapscommissie dat
werknemers die in opleiding zijn bij een diensteenheid kunnen bekleden,
bedraagt niet meer dan de helft van het totaal aantal zetels van die
medezeggenschapscommissie.
Artikel 8. Verkiezingen
1. De bevelhebber bepaalt na overleg met de betrokken commissie
van georganiseerd overleg de verkiezingsdata.
2. De leden van een medezeggenschapscommissie worden gekozen bij
geheime schriftelijke stemming en door middel van stembiljetten waarop
kandidatenlijsten zijn vermeld.
3. Voor het uitbrengen van een geldige stem kan de werknemer
slechts één stem uitbrengen op één van de op het stembiljet vermelde
kandidaten.
4. De werknemer kan zijn stem bij schriftelijke volmacht
uitbrengen.
5. Een werknemer kan gelijktijdig met het uitbrengen van zijn
eigen stem voor ten hoogste twee andere kiesgerechtigden bij
schriftelijke volmacht stemmen.
Artikel 9. Kandidatenlijst
1. Een kandidatenlijst kan worden ingediend door:
a. een centrale;
b. een derde deel of meer van de bij de diensteenheid werkzame
werknemers die geen lid zijn van een bij een centrale aangesloten
vereniging van ambtenaren, met dien verstande dat met dertig
handtekeningen kan worden volstaan.
2. Een werknemer kan slechts op één kandidatenlijst plaatsnemen
of door zijn handtekening één kandidatenlijst mee indienen.
3. Een centrale kan een kandidatenlijst met burgerkandidaten en
een kandidatenlijst met militaire kandidaten indienen.
4. Centrales kunnen een gecombineerde kandidatenlijst indienen.
Als een gecombineerde kandidatenlijst is ingediend, kunnen de betrokken
centrales niet alsnog een afzonderlijke kandidatenlijst indienen.
Artikel 10. Taakverdeling
1. De medezeggenschapscommissie kiest uit haar leden een
voorzitter en een secretaris.
2. De medezeggenschapscommissie maakt de namen en functies van
haar leden bekend aan alle bij de diensteenheid werkzame werknemers en
aan degenen die kandidatenlijsten hebben ingediend.
Artikel 11. Einde lidmaatschap
1. De leden van de medezeggenschapscommissie treden om de vier
jaar gelijktijdig af.
2. In afwijking van het eerste lid kan in het instellingsbesluit
worden bepaald dat de leden van de medezeggenschapscommissie om de twee
jaar gelijktijdig aftreden.
3. Als een lid van de medezeggenschapscommissie niet meer
werkzaam is bij de diensteenheid eindigt van rechtswege zijn
lidmaatschap van de medezeggenschapscommissie.
4. De leden van een medezeggenschapscommissie kunnen te allen
tijde ontslag nemen.
Artikel 12. Tussentijdse vacatures
1. Een vacature die ontstaat tijdens de zittingsduur van de
medezeggenschapscommissie wordt vervuld door de eerstvolgende niet
gekozen kandidaat van de lijst waarop het vertrekkende lid stond.
2. Een tussentijdse vacature blijft onvervuld als op een
kandidatenlijst geen kandidaten meer aanwezig zijn.
Artikel 13. Uitsluiting leden
1. De bevelhebber kan op verzoek van het hoofd van de
diensteenheid of van de medezeggenschapscommissie een lid van de
commissie voor bepaalde tijd uitsluiten van deelname aan de
werkzaamheden van de commissie. Het hoofd van de diensteenheid kan
alleen om uitsluiting verzoeken als het gedrag van het lid het overleg
ernstig belemmert. De medezeggenschapscommissie kan alleen om
uitsluiting verzoeken als het gedrag van het lid de werkzaamheden van
de commissie ernstig belemmert. Het lid wordt door de verzoeker vooraf
in de gelegenheid gesteld zijn oordeel over het verzoek te geven.
2. Op het verzoek wordt door de bevelhebber beslist binnen vier
weken nadat advies van het college voor geschillen is ontvangen en het
lid, het hoofd van de diensteenheid en de medezeggenschapscommissie in
de gelegenheid zijn gesteld hun oordeel over dat advies te geven.
3. Het lid kan zich door een raadsman laten bijstaan.
Artikel 14. Reglement
1. De medezeggenschapscommissie maakt een reglement waarin de
onderwerpen worden geregeld die bij of krachtens dit besluit ter
regeling aan de medezeggenschapscommissie zijn opgedragen of
overgelaten. In het reglement worden in ieder geval de werkwijze van
de medezeggenschapscommissie en de gang van zaken bij verkiezingen
geregeld. In de periode dat nog geen reglement van kracht is, geldt
een door Onze Minister vastgesteld voorbeeldreglement.
2. Het reglement of een wijziging daarvan bevat geen bepalingen
die in strijd zijn met dit besluit of die een goede toepassing van dit
besluit in de weg staan.
3. Voordat de medezeggenschapscommissie het reglement of een
wijziging daarvan vaststelt, wordt het hoofd van de diensteenheid in de
gelegenheid gesteld zijn standpunt daarover kenbaar te maken.
4. Nadat de medezeggenschapscommissie het reglement of een
wijziging daarvan heeft vastgesteld, wordt het reglement ter
kennisgeving voorgelegd aan het hoofd van de diensteenheid en aan de
bevelhebber.
Artikel 15. Deskundigen
1. De medezeggenschapscommissie kan voor de behandeling van een
bepaald onderwerp één of meer deskundigen uitnodigen een vergadering
bij te wonen.
2. De medezeggenschapscommissie stelt aan de uitgenodigde
deskundige tijdig de agenda van de vergadering en benodigde stukken ter
hand.
3. Een deskundige kan worden uitgenodigd schriftelijk advies uit
te brengen.
4. De medezeggenschapscommissie vraagt vooraf toestemming aan het
hoofd van de diensteenheid als aan het uitnodigen van een deskundige
kosten zijn verbonden. Bij bezwaar van het hoofd van de diensteenheid
wordt door de bevelhebber beslist binnen vier weken nadat advies van het
college voor geschillen is ontvangen.
Artikel 16. Verslag van werkzaamheden
De medezeggenschapscommissie stelt aan het einde van ieder
zittingsjaar een verslag van werkzaamheden op dat aan de bij de
diensteenheid werkzame werknemers beschikbaar wordt gesteld.
Artikel 17. Faciliteiten
1. De medezeggenschapscommissie vergadert zoveel mogelijk
tijdens normale werktijd.
2. De leden van de medezeggenschapscommissie worden in de
gelegenheid gesteld een door de commissie in overeenstemming met het
hoofd van de diensteenheid te bepalen aantal uren per jaar te besteden
aan activiteiten voor vergaderingen van de commissie. Voor de voorzitter
en de secretaris bedraagt het aantal uren ten minste 100 per jaar. Voor
de overige leden bedraagt het aantal uren ten minste 60 per jaar.
3. De leden van de medezeggenschapscommissie worden in de
gelegenheid gesteld een door de commissie in overeenstemming met het
hoofd van de diensteenheid te bepalen aantal dagen per jaar, in werktijd
en met behoud van bezoldiging, scholing en vorming te ontvangen. Dit
aantal dagen bedraagt ten hoogste 5 per jaar.
4. De door een lid van de commissie gemaakte noodzakelijke reis-
en verblijfskosten voor het deelnemen aan vergaderingen van de
commissie, aan overlegvergaderingen en aan scholings- en
vormingsactiviteiten worden vergoed overeenkomstig het Besluit
dienstreizen defensiepersoneel.
5. Als de commissie en het hoofd van de diensteenheid niet tot
overeenstemming komen over het aantal uren of dagen bedoeld in het
tweede en derde lid, wordt door de bevelhebber beslist binnen vier weken
nadat advies van het college voor geschillen is ontvangen.
6. De secretaris van de commissie verstrekt ieder half jaar aan
het hoofd van de diensteenheid een opgave van de scholings- en
vormingsactiviteiten waar de leden van de medezeggenschapscommissie in
het komende half jaar aan willen deelnemen. Bij bezwaar van het hoofd
van de diensteenheid wordt door de bevelhebber beslist binnen vier weken
nadat advies van het college voor geschillen is ontvangen.
Artikel 18. Voorzieningen
1. Het hoofd van de diensteenheid staat het gebruik toe van de
voorzieningen waarover hij als zodanig beschikt en die de
medezeggenschapscommissie voor de vervulling van zijn taak
redelijkerwijs nodig heeft. Bij bezwaar van het hoofd van de
diensteenheid tegen het gebruik van een bepaalde voorziening wordt
door de bevelhebber beslist binnen vier weken nadat advies van het
college voor geschillen is ontvangen.
2. Het hoofd van de diensteenheid stelt de
medezeggenschapscommissie in staat de bij de diensteenheid werkzame
werknemers te raadplegen en stelt deze werknemers in de gelegenheid
hieraan hun medewerking te verlenen, voor zover dat redelijkerwijs
noodzakelijk is voor de vervulling van de taak van de
medezeggenschapscommissie.
Artikel 19. Geheimhouding
De medezeggenschapscommissie heeft voor het benaderen van een persoon
voor raadpleging of beraad toestemming nodig van het hoofd van de
diensteenheid als de persoon daarbij de beschikking zou krijgen over
gegevens met een vertrouwelijk karakter. Als het hoofd van de
diensteenheid toestemming verleent, wordt de betrokken persoon gewezen
op de voor hem geldende geheimhoudingsverplichting. Bij bezwaar van het
hoofd van de diensteenheid wordt door de bevelhebber beslist binnen vier
weken nadat advies van het college voor geschillen is ingewonnen
Artikel 20. Benadelingsbescherming
Onze Minister draagt er zorg voor dat werknemers die op een
kandidatenlijst staan of hebben gestaan, die lid zijn of lid zijn
geweest van een medezeggenschapscommissie of van een werkgroep, of die
op andere wijze betrokken zijn of betrokken zijn geweest bij
medezeggenschap, niet uit hoofde van hun kandidaatstelling, hun
lidmaatschap of hun betrokkenheid worden benadeeld in hun positie als
werknemer.
Hoofdstuk 4. Overleg
Artikel 21. De overlegvergadering
1. Het hoofd van de diensteenheid of de door deze bevoegd
verklaarde functionaris pleegt het overleg met de
medezeggenschapscommissie in de overlegvergadering en is tevens
voorzitter van deze vergadering.
2. De voorzitter van de overlegvergadering kan zich tijdens de
overlegvergaderingen laten bijstaan door één of meer daartoe
aangewezen functionarissen.
3. Het hoofd van de diensteenheid en de medezeggenschapscommissie
kunnen voor de behandeling van een bepaald onderwerp één of meer
deskundigen uitnodigen een vergadering bij te wonen.
4. Het hoofd van de diensteenheid en de medezeggenschapscommissie
komen voor overleg bijeen binnen twee weken nadat het hoofd van de
diensteenheid of de commissie daarom onder opgave van redenen heeft
verzocht.
Artikel 22. Onderwerp van overleg
1. In de overlegvergadering worden met uitzondering van
individuele personeelszaken aangelegenheden aan de orde gesteld die de
diensteenheid betreffen en waarvan het hoofd van de diensteenheid of
de medezeggenschapscommissie behandeling wenselijk acht of waarover
volgens dit besluit overleg moet plaatsvinden.
2. De vaststelling van de taken van het ministerie en delen
daarvan, het beleid ten aanzien van die taken en de uitvoering van die
taken zijn geen onderwerp van overleg, behoudens voor zover het de
gevolgen daarvan betreft voor de werkzaamheden van de werknemers.
3. Ten minste tweemaal per jaar wordt in een overlegvergadering
de algemene gang van zaken bij de diensteenheid besproken.
Artikel 23. Gang van zaken overlegvergadering
1. Het hoofd van de diensteenheid en de
medezeggenschapscommissie maken gezamenlijk afspraken over de
overlegvergadering. Deze afspraken hebben onder meer betrekking op:
a. het aantal overlegvergaderingen per jaar, waarbij wordt
uitgegaan van ten minste 4 vergaderingen;
b. de wijze van bijeenroepen van overlegvergaderingen;
c. de werkzaamheden en de vervulling van het secretariaat van de
overlegvergadering;
d. het opstellen van de agenda van de overlegvergadering en het
bekendmaken daarvan aan de bij de diensteenheid werkzame werknemers;
e. de verslaggeving van de overlegvergaderingen en de wijze waarop
van het besprokene aan de bij de diensteenheid werkzame werknemers
verslag wordt gedaan;
f. het aantal deelnemers dat aanwezig moet zijn bij een
overlegvergadering;
g. het schorsen van de vergadering voor afzonderlijk beraad over
een bepaald punt.
2. Voor zover er in de overlegvergadering verschillende
standpunten zijn ingenomen, moeten deze uit de verslaglegging van de
vergadering duidelijk blijken.
3. Als geen overeenstemming wordt bereikt over deze afspraken
wordt door de bevelhebber beslist binnen vier weken nadat advies van het
college voor geschillen is ontvangen.
Artikel 24. Afschriften van de verslagen
De bevelhebber kan bepalen dat de verslagen van de
overlegvergaderingen in afschrift naar hem of naar de door hem aan te
wijzen functionarissen worden gezonden.
Hoofdstuk 5. Bevoegdheden
Artikel 25. Initiatiefrecht
1. De medezeggenschapscommissie kan het hoofd van de
diensteenheid schriftelijk voorstellen doen ten aanzien van de
onderwerpen, bedoeld in artikel 22, eerste lid, voor zover het hoofd
van de diensteenheid bevoegd is daarover maatregelen te treffen.
2. Het hoofd van de diensteenheid beslist over een voorstel als
bedoeld in het eerste lid nadat daarover ten minste éénmaal overleg is
gepleegd met de medezeggenschapscommissie. Na het overleg deelt het
hoofd van de diensteenheid zo spoedig mogelijk schriftelijk en
gemotiveerd aan de commissie mee of en in hoeverre hij overeenkomstig
het voorstel zal beslissen.
Artikel 26. Informatierecht
1. Het hoofd van de diensteenheid verstrekt, desgevraagd
schriftelijk, tijdig alle inlichtingen en gegevens aan de
medezeggenschapscommissie die zij voor het vervullen van haar taak
redelijkerwijs nodig heeft. Bij bezwaar van het hoofd van de
diensteenheid tegen het verstrekken van bepaalde inlichtingen en
gegevens wordt binnen vier weken door de bevelhebber beslist nadat
advies van het college voor geschillen is ingewonnen.
2. Het hoofd van de diensteenheid verstrekt mede ten behoeve van
het in artikel 22, derde lid, bedoelde overleg ten minste tweemaal per
jaar schriftelijk algemene gegevens over het functioneren van de
diensteenheid in het verstreken tijdvak en het verwachte functioneren in
het komende tijdvak. Het hoofd van de diensteenheid doet in dit kader
mededeling over maatregelen die hij in voorbereiding heeft betreffende
de aangelegenheden, bedoeld in artikel 27, eerste lid. Daarbij worden
afspraken gemaakt over het tijdstip waarop en op welke wijze de
medezeggenschapscommissie in de besluitvorming wordt betrokken.
3. Het hoofd van de diensteenheid verstrekt bij het begin van de
zittingsperiode van de medezeggenschapscommissie schriftelijk algemene
gegevens over de organisatie van de diensteenheid, over de leiding van
de diensteenheid en over de wijze van functioneren van de diensteenheid
aan de medezeggenschapscommissie.
Artikel 27. Voorgenomen maatregelen
1. Het hoofd van de diensteenheid stelt de
medezeggenschapscommissie in de gelegenheid binnen een redelijke
termijn advies uit te brengen over een voorgenomen maatregel met
betrekking tot:
a. de wijze waarop de arbeids- en dienstvoorwaarden bij de
diensteenheid worden toegepast;
b. de wijze waarop het algemeen personeelsbeleid bij de
diensteenheid wordt uitgevoerd;
c. aangelegenheden op het gebied van de veiligheid, de gezondheid
en het welzijn in verband met de arbeid bij de diensteenheid;
d. aangelegenheden met betrekking tot het woon- en leefklimaat bij
de diensteenheid;
e. de organisatie en werkwijze binnen de diensteenheid;
f. de technische en economische dienstuitvoering bij de
diensteenheid.
2. De medezeggenschapscommissie kan geen advies uitbrengen over:
a. voorgenomen maatregelen voor zover die strekken tot het
verzekeren van de personele vulling, de beschikbaarheid, de
inzetbaarheid en het ongestoorde functioneren van de krijgsmacht;
b. aangelegenheden waarvan de behandeling is voorbehouden aan het
overleg met een commissie van georganiseerd overleg, behoudens voor
zover het de gevolgen daarvan betreft voor de werkzaamheden van de bij
de diensteenheid werkzame werknemers.
3. Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het van
wezenlijke invloed kan zijn op de voorgenomen maatregel. Daarbij worden
de beweegredenen voor de maatregel en de te verwachten gevolgen
aangegeven.
4. Voor de commissie advies uitbrengt over een voorgenomen
maatregel moet de betrokken aangelegenheid ten minste eenmaal in een
overlegvergadering zijn behandeld.
5. Bij het overleg over een voorgenomen maatregel als bedoeld in
het eerste lid, is, als de maatregel uitsluitend gevolgen kan hebben
voor militaire ambtenaren of voor ambtenaren, de opvatting van de leden
van de medezeggenschapscommissie die tot de desbetreffende categorie
personeel behoren, bepalend voor het uit te brengen advies.
Artikel 28. Spoedeisende beslissingen
1. Het hoofd van de diensteenheid kan een beslissing nemen over
voorgenomen maatregelen voordat daarover het overleg is voltooid of
daarover door de medezeggenschapscommissie is geadviseerd, als de
taakuitvoering van de diensteenheid of de bijzondere situatie waarin
de diensteenheid verkeert dit dringend noodzakelijk maakt. Het hoofd
van de diensteenheid maakt zo snel mogelijk de redenen voor zijn
beslissing bekend.
2. Bij deze beslissing kan de medezeggenschapscommissie achteraf
van haar bevoegdheden gebruik maken.
Artikel 29. Behandeling van het advies
1. Als het hoofd van de diensteenheid bevoegd is de in artikel
27, eerste lid, genoemde maatregel te treffen, deelt hij de
medezeggenschapscommissie binnen vier weken nadat de commissie het
advies heeft uitgebracht schriftelijk en gemotiveerd mee of hij zich
met het advies kan verenigen.
2. Als het hoofd van de diensteenheid niet bevoegd is de in
artikel 27, eerste lid, genoemde maatregel te treffen, zendt hij het
advies van de medezeggenschapscommissie zo spoedig mogelijk aan het
bevoegde gezag. Binnen zes weken nadat het advies door de commissie is
uitgebracht, deelt het hoofd van de diensteenheid schriftelijk en
gemotiveerd mee of het bevoegde gezag zich met het advies kan verenigen.
3. Binnen vier weken nadat het hoofd van de diensteenheid heeft
meegedeeld dat hij of het bevoegd gezag zich niet met het advies van de
medezeggenschapscommissie kan verenigen, vindt tussen het hoofd van de
diensteenheid en de medezeggenschapscommissie hernieuwd overleg plaats.
Artikel 30. Overeenstemmingsvereiste
1. Een voorgenomen maatregel als bedoeld in artikel 27, eerste
lid, wordt niet uitgevoerd als uit het advies van de
medezeggenschapscommissie en uit de mededeling van het hoofd van de
diensteenheid, bedoeld in artikel 29, eerste of tweede lid, blijkt dat
over de voorgenomen maatregel geen overeenstemming is bereikt.
2. In het geval er geen overeenstemming wordt bereikt over een
voorgenomen maatregel als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder e of
f, kan het hoofd van de diensteenheid, in afwachting van de beslissing
van de bevelhebber in de geschillenprocedure, die maatregel toch
uitvoeren als door het niet uitvoeren van de maatregel het functioneren
van de diensteenheid ernstig wordt belemmerd. Het hoofd van de
diensteenheid deelt zijn beslissing schriftelijk en gemotiveerd mee aan
de medezeggenschapscommissie.
Artikel 31. Geschil
1. Als over een voorgenomen maatregel als bedoeld in artikel
27, eerste lid, onder a, b, c of d, naar aanleiding van het hernieuwd
overleg niet alsnog overeenstemming wordt bereikt, legt het hoofd van
de diensteenheid onverwijld het advies van de
medezeggenschapscommissie en alle op de zaak betrekking hebbende
stukken voor aan het college voor geschillen.
2. Als over een voorgenomen maatregel als bedoeld in artikel 27,
eerste lid, onder e en f, naar aanleiding van het hernieuwd overleg niet
alsnog overeenstemming wordt bereikt, legt het hoofd van de
diensteenheid onverwijld het advies van de medezeggenschapscommissie en
alle op de zaak betrekking hebbende stukken voor aan de bevelhebber.
3. Tenzij de bevelhebber met het advies van de
medezeggenschapscommissie instemt, neemt hij geen beslissing over een
geschil als bedoeld in het vorige lid voordat hij advies heeft
ingewonnen van het college voor geschillen. Hij legt daartoe zo snel
mogelijk het advies van de medezeggenschapscommissie en alle op de zaak
betrekking hebbende stukken voor aan het college voor geschillen.
4. De bevelhebber neemt binnen vier weken nadat hij advies van
het college voor geschillen heeft ontvangen een beslissing.
Artikel 32. Overige bevoegdheden
1. De medezeggenschapscommissie bevordert zo veel mogelijk het
werkoverleg bij de diensteenheid.
2. De medezeggenschapscommissie bevordert zoveel mogelijk de
naleving van de voorschriften op het gebied van de arbeidsvoorwaarden en
van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid
van de bij de diensteenheid werkzame werknemers.
3. De medezeggenschapscommissie waakt tegen discriminatie bij de
diensteenheid, bevordert de gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de diensteenheid en bevordert de inschakeling van gehandicapte en
allochtone werknemers bij de diensteenheid.
Hoofdstuk 6. Geschillenregeling
Artikel 33. College voor geschillen
1. Er is een college voor geschillen dat bestaat uit drie leden
en drie plaatsvervangend leden. Onze Minister benoemt de leden voor
een periode van vier jaar. De leden worden door Onze Minister
ontslagen. Eén lid en een plaatsvervangend lid worden op voordracht
van de gezamenlijke bevelhebbers benoemd en één lid en een
plaatsvervangend lid op voordracht van de centrales. Het derde lid,
dat tevens voorzitter is, en plaatsvervangend lid worden benoemd door
Onze Minister, gehoord de overige twee leden.
2. De voorzitter, de leden en de plaatsvervangend leden maken
geen deel uit van het ministerie en zijn niet werkzaam onder de
verantwoordelijkheid van Onze Minister.
3. Het college voor geschillen regelt zijn werkwijze binnen het
kader van de hem op grond van dit hoofdstuk opgedragen taak en brengt
jaarlijks aan Onze Minister verslag uit van zijn werkzaamheden in het
afgelopen kalenderjaar.
Artikel 34. Advies van het college voor geschillen
1. Geschillen waarover het college voor geschillen op grond van
dit besluit advies uitbrengt aan de bevelhebber, worden zo snel
mogelijk aan het college voorgelegd.
2. Het college voor geschillen kan een bemiddelingsvoorstel doen
aan de bevelhebber.
3. Als het college voor geschillen geen bemiddelingsvoorstel doet
of als een bemiddelingsvoorstel geen instemming van de bij het geschil
betrokken partijen krijgt, adviseert het college voor geschillen de
bevelhebber over de vraag of het hoofd van de diensteenheid of het
bevoegd gezag heeft gehandeld in strijd met dit besluit of met het
reglement en of hij de bij de zaak betrokken belangen in redelijkheid
heeft afgewogen.
4. Het college voor geschillen kan alle inlichtingen en gegevens
inwinnen die het college voor geschillen voor het opstellen van het
advies nodig acht.
5. Het college voor geschillen kan, al dan niet op verzoek, alle
personen horen waarvan het college voor geschillen dat voor het
opstellen van het advies nodig acht.
6. Het college voor geschillen brengt binnen vier weken nadat het
om advies is gevraagd, advies uit.
Artikel 35. Geschil over interpretatie
1. Als het hoofd van de diensteenheid en de
medezeggenschapcommissie van mening verschillen over de interpretatie
van dit besluit of van het reglement, legt het hoofd van de
diensteenheid binnen vier weken nadat de commissie haar interpretatie
schriftelijk aan hem heeft voorgelegd, dit geschil met toelichting van
de wederzijdse standpunten voor aan de bevelhebber.
2. De bevelhebber neemt geen beslissing inzake een geschil over
de interpretatie van dit besluit of het reglement voordat hij advies van
het college voor geschillen heeft ingewonnen.
3. Als het hoofd van de diensteenheid tevens de bevelhebber is,
vraagt hij binnen vier weken nadat de commissie haar interpretatie
schriftelijk aan hem heeft voorgelegd advies aan het college voor
geschillen.
4. Een geschil op grond van dit artikel schorst niet de
uitvoering van een maatregel ter zake waarvan een beroep is gedaan op
artikel 2, artikel 22, tweede lid, artikel 27, tweede lid, artikel 28 of
artikel 30, tweede lid.
Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 36
[Wijzigt het Algemeen militair ambtenarenreglement.]
Artikel 37
[Wijzigt het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.]
Artikel 38. Overgangsbepaling
1. Uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van dit besluit dient
voor diensteenheden waarvoor krachtens dit besluit een verplichting
tot het instellen van een medezeggenschapscommissie ontstaat, een
medezeggenschapscommissie te zijn ingesteld. De bestaande
dienstcommissies en onderdeelsoverlegorganen houden op te bestaan op
de datum waarop door Onze Minister voor de diensteenheid of mede voor
de diensteenheid waarvoor een dienstcommissie of een
onderdeeloverlegorgaan is ingesteld, een medezeggenschapscommissie is
ingesteld, doch uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van dit
besluit.
2. Voor zover er bij diensteenheden nog dienstcommissies en
onderdeelsoverlegorganen bestaan, blijft hoofdstuk 11 van het Burgerlijk
ambtenarenreglement defensie onderscheidenlijk artikel 127 Algemeen
militair ambtenarenreglement van kracht, tot uiterlijk een jaar na
inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 39. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
de uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 40. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit medezeggenschap defensie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Tavarnelle, 17 juli 1999
BEATRIX
De Staatssecretaris van Defensie,
H.A.L. van Hoof
Uitgegeven de zesentwintigste augustus 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals