|
BESLUIT van 24 november 1986, houdende vaststelling van het tijdstip
van inwerkingtreding van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken en van
de regelen van overgangsrecht betreffende dat reglement
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Buitenlandse Zaken van 2 juni 1986, nr. HDBZ/SF-140960;
Gelet op de artikelen 125 en 134 van de
Ambtenarenwet 1929 (Stb. 1929, 530) en artikel
149 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken;
De Raad van State gehoord (advies van 6
augustus 1986, nr. W02.86.0284);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Buitenlandse Zaken van 19 november 1986, nr. HDBZ/SF-305425;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1.
Algemene bepalingen
Artikel
1
Het Reglement
Dienst Buitenlandse Zaken treedt in werking met
ingang van de eerste dag van de maand, volgend op het
tijdvak van zes maanden aansluitend aan de dag van
plaatsing daarvan in het Staatsblad,
met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit
gegeven regelen van overgangsrecht.
Artikel
2
Het Reglement
van de Buitenlandse Dienst 1951 (Stb.
1970, 74) is ingetrokken op de dag van inwerkingtreding
van het Reglement Dienst
Buitenlandse Zaken.
Artikel
3. Definities
In dit besluit
wordt verstaan onder:
- a.
- Onze
Minister: Onze Minister van Buitenlandse Zaken;
- b.
- DBZ:
Dienst Buitenlandse Zaken;
- c.
- RDBZ: Reglement
Dienst Buitenlandse Zaken;
- d.
- ARAR: Algemeen
Rijksambtenarenreglement (Stb.
1931, 248);
- e.
- AOB:
Arbeidsovereenkomstenbesluit (Stb.
1931, 354);
- f.
- RBD:
Reglement van de Buitenlandse Dienst 1951 (Stb.
1970, 74);
- g.
- BBRA
1984: Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (Stb.
1983, 571);
- h.
- integratieclausule:
toezegging van Onze Minister tot onvoorwaardelijke
overgang naar de DBZ;
- i.
- overplaatsbaar
ambtenaar: overplaatsbaar ambtenaar van de DBZ als
bedoeld in artikel
8, eerste lid, onder a, van
het RDBZ;
- j.
- niet-overplaatsbaar
ambtenaar: niet-overplaatsbaar ambtenaar van de DBZ
als bedoeld in artikel
8, eerste lid, onder b, van
het RDBZ.
§ 2.
Overgang naar de DBZ
Artikel
4
- 1.
- Op degenen die op de dag
voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van het
RDBZ bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken waren
aangesteld, in dienst genomen of benoemd op de voet
van het ARAR,
het AOB of het RBD, is het RDBZ
van toepassing vanaf de dag van inwerkingtreding
daarvan.
- 2.
- Aanstellingen en
indienstnemingen voor een bepaalde tijd, worden beëindigd
op het tijdstip, de wijze en onder de voorwaarden, als
bepaald of overeengekomen bij die aanstelling dan wel
indienstneming.
Artikel
5. Keuzemogelijkheid voor ambtenaren
- 1.
- De ambtenaren, bedoeld
in de artikelen 6 en 7, kunnen, tenzij het tweede lid
op hen van toepassing is, kenbaar maken of zij bij hun
overgang naar de DBZ overplaatsbaar dan wel
niet-overplaatsbaar ambtenaar willen worden, met
inachtneming van artikel 11.
- 2.
- In afwijking van het
eerste lid geldt de aldaar bedoelde keuzemogelijkheid
niet voor degenen
- a.
- ten
aanzien van wie bij hun aanstelling werd bepaald
dat zij slechts kunnen overgaan naar de DBZ als
niet-overplaatsbaar ambtenaar,
- b.
- die
op basis van de Interimregeling Gemeenschappelijke
Werving, Selectie en Opleiding (vastgesteld bij
ministeriële regeling van 11 juli 1983) zijn
aangeworven, en op grond van het in die regeling
bepaalde overgaan naar de DBZ als overplaatsbaar
ambtenaar, of
- c.
- op
wie artikel 4, tweede lid, van toepassing is.
Artikel
6. RBD-ambtenaren
- 1.
- Ambtenaren, bedoeld in
artikel 2, eerste lid onder a, b
of f van het RBD, dan wel
artikel 92, eerste lid, van dat reglement, worden
overeenkomstig hun keuze overplaatsbare dan wel
niet-overplaatsbare ambtenaren, met inachtneming van
de artikelen 5, tweede lid en 12 van dit besluit.
- 2.
- De in het eerste lid
bedoelden worden, indien zij geen keuze kenbaar hebben
gemaakt, overplaatsbare ambtenaren.
Artikel
7. ARAR-ambtenaren
- 1.
- Ambtenaren die op basis
van het ARAR
zijn aangesteld, worden overeenkomstig hun keuze
overplaatsbare dan wel niet-overplaatsbare ambtenaren,
met inachtneming van de artikelen 5, tweede lid en 13
van dit besluit.
- 2.
- De in het eerste lid
bedoelden worden, indien zij geen keuze kenbaar hebben
gemaakt, niet-overplaatsbare ambtenaren. De ambtenaren
op wie artikel 5, tweede lid, onder a
en c, van toepassing is,
worden eveneens niet-overplaatsbare ambtenaren.
Artikel
8. AOB- en RBD-werknemers
Degenen die op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst zijn
genomen op basis van het AOB of het RBD worden werknemers
van de DBZ als bedoeld in:
- a.
- artikel
8, eerste lid onder c, van
het RDBZ,
wanneer zij in dienst zijn genomen voor werkzaamheden
hier te lande,
- b.
- artikel
8, eerste lid onder d, van
het RDBZ,
wanneer zij in dienst zijn genomen om na uitzending
uit Nederland werkzaamheden te verrichten bij een
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het
buitenland, of
- c.
- artikel
8, tweede lid onder b, van
het RDBZ,
wanneer zij plaatselijk in dienst zijn genomen voor
werkzaamheden bij een vertegenwoordiging van het
Koninkrijk in het buitenland.
Artikel
9. Honoraire functionarissen
- 1.
- Degenen die als honorair
consulair ambtenaar op basis van artikel 2, eerste lid
onder e, van het RBD zijn
aangesteld, worden honoraire consulaire ambtenaren als
bedoeld in artikel
132 van het RDBZ.
- 2.
- Degenen die op basis van
artikel 22, eerste lid, van het RBD bij een
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het
buitenland zijn aangesteld in een honoraire
hoedanigheid, worden honoraire adviseurs van de DBZ
als bedoeld in artikel
140 van het RDBZ.
Artikel
10. Gedetacheerden en toegevoegden van andere ministeries
- 1.
- Degenen die niet in
dienst zijn bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken,
doch vóór de inwerkingtreding van het RDBZ
aan een diplomatieke of consulaire post of een
vertegenwoordiging van het Koninkrijk bij een
internationale organisatie zijn tewerkgesteld op basis
van artikel 12, vierde lid, van het RBD, worden vanaf
de dag van inwerkingtreding van het RDBZ
gedetacheerden op de voet van artikel
5, derde lid en artikel
8, derde lid, van het RDBZ.
- 2.
- Degenen die niet in
dienst zijn bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken,
doch vóór de inwerkingtreding van het RDBZ
tijdelijk ambtenaar van de buitenlandse dienst dan wel
tijdelijk administratief ambtenaar van de buitenlandse
dienst waren in de zin van artikel 58
onderscheidenlijk artikel 88a
van het RBD, worden vanaf de dag van inwerkingtreding
van het RDBZ
toegevoegden op de voet van artikel
5, derde lid en artikel 8, vierde lid, van het RDBZ.
§ 3.
Nadere bepalingen betreffende de keuzemogelijkheid voor
overgang naar overplaatsbaar of niet-overplaatsbaar ambtenaar
van de DBZ
Artikel
11. Kenbaar maken van de keuze
- 1.
- Alle in de artikelen 6
en 7 bedoelde ambtenaren worden in de gelegenheid
gesteld hun in artikel 5, eerste lid, bedoelde keuze
kenbaar te maken.
- 2.
- De keuze, bedoeld in
artikel 5, eerste lid, kan kenbaar gemaakt worden op
een door Onze Minister te bepalen wijze, en binnen het
tijdvak van zes maanden, bedoeld in artikel 1.
Artikel
12. Effectuering van de keuze van de RBD-ambtenaar
- 1.
- De in artikel 6 bedoelde
ambtenaar die heeft gekozen voor overgang naar de DBZ
als overplaatsbaar ambtenaar, wordt op de dag van
inwerkingtreding van het RDBZ
overplaatsbaar ambtenaar.
- 2.
- De in artikel 6 bedoelde
ambtenaar die heeft gekozen voor overgang naar de DBZ
als niet-overplaatsbaar ambtenaar, wordt
niet-overplaatsbaar ambtenaar met ingang van de dag
waarop betrokkene in een functie op het departement
wordt geplaatst. Tot deze dag is betrokkene
overplaatsbaar ambtenaar.
Artikel
13. Effectuering van de keuze van de ARAR-ambtenaar
- 1.
- De in artikel 7 bedoelde
ambtenaar op wie de integratieclausule van toepassing
is en die heeft gekozen voor overgang naar de DBZ als
overplaatsbaar ambtenaar, wordt op de dag van
inwerkingtreding van het RDBZ
overplaatsbaar ambtenaar.
- 2.
-
- a.
- De
in artikel 7 bedoelde ambtenaar op wie de
integratieclausule niet van toepassing is en die
heeft gekozen voor overgang naar de DBZ als
overplaatsbaar ambtenaar, wordt eerst
overplaatsbaar ambtenaar indien:
- 1°.
- betrokkene
medisch geschikt is bevonden voor
dienstverrichting waar ook ter wereld, onder
overeenkomstige toepassing van de artikelen
25 en 51,
vijfde lid, van het RDBZ, en
- 2°.
- er
op grond van de uitslag van het
antecedentenonderzoek en veiligheidsonderzoek,
bedoeld in artikel
26 van het RDBZ, tegen dienstvervulling
als overplaatsbaar ambtenaar van de DBZ naar
het oordeel van Onze Minister geen bezwaar
bestaat.
- b.
- Onze
Minister draagt zorg voor een zo spoedig mogelijke
instelling van de onder a
bedoelde onderzoeken.
- 3.
-
- a.
- Voor
zolang de in het tweede lid bedoelde ambtenaar
niet heeft voldaan aan de aldaar gestelde
voorwaarden, is hij niet-overplaatsbaar ambtenaar.
- b.
- Zodra
de in het tweede lid bedoelde ambtenaar aan de
aldaar gestelde voorwaarden voldoet, wordt hij,
zonodig met terugwerkende kracht, met ingang van
het tijdstip van inwerkingtreding van het RDBZ
overplaatsbaar ambtenaar.
- 4.
- De in artikel 7 bedoelde
ambtenaar die heeft gekozen voor overgang naar de DBZ
als niet-overplaatsbaar ambtenaar, wordt op de dag van
inwerkingtreding van het RDBZ
niet-overplaatsbaar ambtenaar.
§ 4.
Inpassing van voormalige ARAR- en RBD-ambtenaren in het
rangenstelsel voor overplaatsbare ambtenaren van de DBZ
Artikel
14
In deze
paragraaf wordt verstaan onder:
- a.
- nieuwe
salarisschaal: de salarisschaal bedoeld in artikel
35 van het RDBZ, die behoort bij de DBZ-rang
van de overplaatsbare ambtenaar;
- b.
- salarisnummer:
een aanduiding, bestaande uit een getal of uit een
letter en een getal, dat in een salarisschaal voor een
salaris is vermeld;
- c.
- maximumsalarisbedrag:
het hoogste bedrag van een salarisschaal, waarvan het
salarisnummer uitsluitend uit een getal bestaat;
- d.
- oude
salarisschaal: de salarisschaal welke gold vóór
overgang naar de DBZ.
Artikel
15
Degenen die als
overplaatsbaar ambtenaar zijn overgegaan naar de DBZ,
worden op de dag van effectuering van hun keuze, bedoeld
in de artikelen 12 en 13, ingepast in het rangenstelsel,
bedoeld in artikel 35
van het RDBZ, volgens het volgende schema.
| Rang/salarisschaal
die men bij overgang naar de DBZ vóór
inwerkingtreding van het RDBZ had |
Bij
overgang naar de DBZ geldende rang van ambtenaar
van de DBZ |
| BBRA
1948 |
BBRA
1984 |
RBD-rang/schaal |
| – |
1 |
administratief
ambtenaar I en AHD I |
I |
| – |
2 |
administratief
ambtenaar H en AHD II |
II |
| – |
3 |
administratief
ambtenaar g en AHD III |
III |
| 39 |
4 |
a
dministratief ambtenaar F en AHD IV en
Hoofdschrijver |
IV |
| – |
5 |
administratief
ambtenaar E |
V |
| – |
6 |
administratief
ambtenaar D |
IV |
| – |
7 |
– |
VII |
| – |
8 |
administratief
ambtenaar C |
VIII |
| – |
9 |
– |
IX |
| – |
10 |
admimstratief
ambtenaar B en aspirant- ambtenaar van de
buitenlandse dienst |
X |
| – |
11 |
administratief
ambtenaar A en ambtenaar van de buitenlandse
dienst der vijfde klasse 1 |
XI |
| – |
12 |
administratief
ambtenaar A der eerste klasse en ambtenaar van de
buitenlandse dienst der vierde klasse1 |
XII |
| – |
13 |
– |
XIII |
| – |
14 |
ambtenaar
van de buitenlandse dienst der derde klasse
(schaal 4) |
XIV |
| – |
15 |
– |
XV |
| – |
16 |
ambtenaar
van de buitenlandse dienst der derde klasse
(schaal 5) |
XVI |
| – |
17 |
– |
XVII |
| – |
18 |
ambtenaar
van de buitenlandse dienst der tweede klasse |
XVIII |
| – |
Secretaris-Generaal/Directeur-Generaal |
– |
XIX |
| – |
– |
ambtenaar
van de buitenlandse dienst der eerste klasse |
XX |
1
Inclusief degenen in bijzondere dienst.
Artikel
16. Inpassing
- 1.
- Het salaris van de
overplaatsbare ambtenaar wordt in diens nieuwe
salarisschaal vastgesteld op het bedrag dat gelijk is
aan het salaris dat voor betrokkene in diens oude
salarisschaal gold. Wanneer het salaris dat voor
betrokkene in diens oude salarisschaal gold niet
voorkomt in diens nieuwe salarisschaal, geldt het
tweede lid.
- 2.
-
- a.
- Indien
het volgens de oude salarisschaal geldende
salarisbedrag lager is dan het bedrag dat behoort
bij salarisnummer 0 van de bij diens DBZ-rang
behorende salarisschaal, wordt het salaris bepaald
op het laatstbedoelde bedrag.
- b.
- Indien
het volgens de oude salarisschaal geldende
salarisbedrag niet voorkomt in de bij diens
DBZ-rang behorende salarisschaal, doch hoger is
dan het minimumsalarisbedrag en tevens lager is
dan het maximumsalarisbedrag van laatstbedoelde
salarisschaal, behoudt betrokkene het oude
salarisbedrag tot het moment waarop deze de
eerstvolgende periodieke verhoging krijgt; daarna
is het naasthogere bedrag van de salarisschaal van
toepassing.
- c.
- Indien
het volgens de oude salarisschaal geldende salaris
hoger is dan het maximumsalarisbedrag van de
nieuwe salarisschaal, behoudt betrokkene het oude
salaris, met inachtneming van artikel 18, tweede
lid.
Artikel
17. Periodieke salarisverhoging
- 1.
- Het tijdstip waarop het
salaris van de overplaatsbare ambtenaar periodiek
wordt verhoogd, blijft als gevolg van de inpassing in
de nieuwe salarisschaal onverlet, behoudens in het
geval bedoeld in artikel 16, tweede lid, onder a
.
- 2.
- In het geval bedoeld in
artikel 16, tweede lid, onder a
, wordt het salaris één jaar na de dag van inpassing
voor de eerste maal periodiek verhoogd.
Artikel
18. Salarisverloop
- 1.
- Het salarisverloop dat
voor de overplaatsbare ambtenaar gold in de oude
salarisschaal, wordt door de overgang naar de DBZ niet
gewijzigd.
- 2.
- Wanneer voor een
overplaatsbaar ambtenaar vóór de overgang naar de
DBZ een salarisschaal gold, welke een hogere
salarisuitloop bood dan de nieuwe salarisschaal, wordt
ten aanzien van betrokkene de nieuwe salarisschaal
geacht zodanig te zijn verlengd, dat betrokkene het
salarisverloop van de oude salarisschaal behoudt.
Artikel
19
Tijdelijke
bezoldigingselementen, zoals waarnemingstoelage en
tijdelijke bevordering, behouden hun tijdelijke karakter.
§ 5.
Inpassing van voormalige ARAR- en RBD-ambtenaren in het
salarisstelsel voor niet-overplaatsbare ambtenaren van de DBZ
Artikel
20
Voor ambtenaren
op wie voorheen het RBD van toepassing was, zijn bij
effectuering van de overgang naar de DBZ als
niet-overplaatsbaar ambtenaar de salarisschalen van het
BBRA 1984 van toepassing; de inpassing geschiedt alsdan op
analoge wijze als geregeld in de artikelen 14 tot en met
19.
§ 6.
Inpassing van werknemers
Artikel
21
- 1.
- Degenen, bedoeld in
artikel 8, aanhef, behouden na hun overgang naar de
DBZ het salaris of loon dat zij voordien hadden, dan
wel op die datum zouden hebben gehad.
- 2.
- Voor zover nodig kan
Onze Minister paragraaf 4 of onderdelen daarvan van
overeenkomstige toepassing verklaren op werknemers.
§ 7.
Plaatsingen en bevorderingen na overgang naar de DBZ
Artikel
22
- 1.
- Degenen op wie voorheen
het ARAR dan
wel het RBD van toepassing was en die zijn overgegaan
naar de DBZ als niet-overplaatsbaar ambtenaar,
behouden in afwijking van artikel
17, vierde lid eerste volzin, van het RDBZ,
toegang tot alle functies op het departement.
- 2.
- Op de in het eerste lid
bedoelden zijn de artikelen
43 tot en met 45 van het RDBZ van
overeenkomstige toepassing.
Artikel
23
- 1.
- Bevorderingsvooruitzichten
waarop een ambtenaar vóór zijn overgang naar de DBZ
in redelijkheid aanspraak kon maken worden geëerbiedigd,
met inachtneming van de mogelijkheden die de formatie
biedt.
- 2.
- Onze Minister zal
regelen stellen ter uitvoering van het bepaalde in het
eerste lid.
§ 8.
Overige bepalingen
Artikel
24. Titels
Degene aan wie
reeds vóór de inwerkingtreding van het RDBZ
een titel was verleend op de voet van het RBD, behoudt
deze titel voor de duur van diens werkzaamheden op de
huidige standplaats.
Artikel
25. Samenstelling Commissie van Beroep
Bij de benoeming
van de plaatsvervangend voorzitter van de Commissie van
Beroep kan, in afwijking van artikel
145, eerste lid, onderdeel a,
derde volzin, van het RDBZ, eenmalig worden
afgeweken van het vereiste dat deze tot de Nederlandse
rechterlijke macht dient te behoren of te hebben behoord.
Artikel
26. Lopende bezwaarprocedures en beroepstermijnen
- 1.
- Bezwaarschriften die op
het tijdstip van inwerkingtreding van het RDBZ
krachtens artikel 115 van het RBD, zoals dit artikel
luidde voor de inwerkingtreding van het RDBZ,
in behandeling zijn bij de commissie van bijstand voor
personeelszaken voor de buitenlandse dienst, worden
afgehandeld door de Commissie van Beroep, bedoeld in artikel
144 van het RDBZ. Bezwaarschriften ten aanzien
waarvan ten tijde van het inwerkingtreden van het RDBZ
de voorbereiding tot oordeelvorming is voltooid,
worden evenwel afgehandeld door de commissie van
bijstand voornoemd.
- 2.
- Tegen besluiten als
bedoeld in artikel 115 van het RBD zoals dat luidde
voor het tijdstip van inwerkingtreding van het RDBZ,
en waarvan de termijn voor het indienen van een
bezwaarschrift op bedoeld tijdstip nog niet is
verstreken, kan belanghebbende tot het verstrijken van
de in het zesde lid van genoemd artikel genoemde
termijn van zestig dagen, een bezwaarschrift indienen
bij de Commissie van Beroep, bedoeld in artikel
144 van het RDBZ.
Artikel
27. Nadere uitvoeringsvoorschriften
Uitvoeringsvoorschriften,
zoals deze door Onze Minister vóór de inwerkingtreding
van het RDBZ zijn
vastgesteld, en regelingen met betrekking tot
aangelegenheden als bedoeld in de artikelen
8, zevende lid en 12,
derde lid, van het RDBZ, blijven van
overeenkomstige toepassing totdat deze door nieuwe
voorschriften krachtens het RDBZ
zijn vervangen.
Artikel
28. Eed of belofte
De eed of
belofte die is afgelegd door degenen, bedoeld in artikel
4, wordt gelijkgesteld met de op hen van toepassing zijnde
eed of belofte, als geregeld in het RDBZ.
Hetzelfde geldt voor de eed of belofte krachtens het RBD
afgelegd door de in artikel 10 bedoelden.
Artikel
29. Bezwaren ingevolge de integratieclausule
Degenen die bij
hun aanstelling de integratieclausule hebben ondertekend
treden, wanneer zij op grond van het daarin bepaalde
bezwaar aantekenen en hun bezwaar gegrond wordt verklaard,
alsdan toe als niet-overplaatsbaar ambtenaar van de DBZ
wanneer voor hen het ARAR
van toepassing was, en als overplaatsbaar ambtenaar van de
DBZ als voor hen het RBD van toepassing was; in dit geval
zijn de artikelen 5, eerste lid, 11, 12 en 13 op hen van
toepassing.
Artikel
30. Gedetacheerden, buitengewoon verlof genietenden en op
non-actief gestelden
- 1.
- Voor degenen, bedoeld in
artikel 4, eerste lid, die bij het inwerkingtreden van
het RDBZ zijn gedetacheerd, buitengewoon verlof
genieten of op non-actief zijn, gelden de artikelen 6
en 7, al naar gelang het reglement dat op hen van
toepassing is. Detacheringen alsmede buitengewoon
verlofperioden en non-activiteitsperioden worden op de
gestelde voorwaarden voltooid.
- 2.
- Indien een specifieke
functie op het departement werd aangewezen, waarin
betrokkene na beëindiging van de in het eerste lid
bedoelde perioden zou worden geplaatst, vervalt die
aanwijzing indien de betrokkene gekozen heeft voor
overgang naar de DBZ als overplaatsbaar ambtenaar.
Artikel
31
- 1.
- Degene die vóór de
inwerkingtreding van het RDBZ
is geschorst op grond van artikel 94 van het RBD,
wordt gelijkgesteld met degene die is geschorst op
grond van artikel
93, eerste lid, van het RDBZ.
- 2.
- Degene die vóór de
inwerkingtreding van het RDBZ is ontslagen op grond
van de artikelen 98, eerste lid onder b
en d, van het RBD, dan wel
99a van het RBD, wordt
gelijkgesteld met degene die is ontslagen op grond van
artikel 98, eerste
lid, 101,
eerste lid, onder f ,
onderscheidenlijk 101,
vierde lid, van het RDBZ.
Artikel
32
Arbeidsovereenkomsten
welke door of namens Onze Minister zijn gesloten op de
voet van het AOB dan wel het RBD, worden geacht te zijn
gesloten op de voet van het RDBZ
overeenkomstig het gestelde in artikel 8 van dit besluit.
Artikel
33
In afwijking van
artikel 18, vierde lid
onder a, van het RDBZ,
kan Onze Minister bepalen, dat de proeftijd wordt verlengd
tot ten hoogste vijf jaar ten aanzien van de ambtenaar
bedoeld in artikel 6 van dit besluit op wie voorheen
artikel 146a, tweede lid, van
het RBD van toepassing was.
Artikel
34
Onze Minister
kan regelen treffen in gevallen waarin de artikelen 4 tot
en met 33 van dit besluit niet voorzien.
Artikel
35
- 1.
- Dit besluit treedt in
werking met ingang van de tweede dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad
waarin het wordt geplaatst.
- 2.
- Dit besluit kan worden
aangehaald als Besluit operationalisering RDBZ.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad
van State en aan de Algemene Rekenkamer.
’s-Gravenhage, 24 november 1986
BEATRIX
De Minister van Buitenlandse
Zaken,
H. van
den Broek
Uitgegeven de drieëntwintigste
december 1986
De Minister van Justitie,
F.
Korthals Altes
|