§ 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. opleiding: de opleiding, bedoeld in artikel 2;
b. binnenstage: de stage, bedoeld in artikel 3, eerste lid;
c. buitenstage: de stage, bedoeld in artikel 3, tweede lid.
Artikel 1a [Vervallen per 01-07-2010]
§ 2. De opleiding
Artikel 2
Er is een opleiding die ten doel heeft toekomstige rechterlijke
ambtenaren de kennis, de vaardigheden en de ervaring te verschaffen, die
nodig zijn om een rechtsprekende functie, dan wel de functie van
officier van justitie te kunnen uitoefenen. De opleiding duurt zes jaar
en omvat een binnenstage, een buitenstage en een vormingsprogramma.
Artikel 3
1. De binnenstage bestaat uit vijf deelstages, die worden
doorgebracht bij een rechtbank en een arrondissementsparket. Tevens
kunnen elders door te brengen deelstages van korte duur worden
ingelast.
2. De buitenstage wordt elders dan bij een rechtbank of een
arrondissementsparket doorgebracht. Onze Minister bepaalt op voorstel
van de rector, waar deze stage wordt doorgebracht. Tijdens de
buitenstage worden werkzaamheden verricht die kunnen bijdragen aan het
verwerven van kennis, vaardigheden en ervaring, dienstig voor de
uitoefening van de in artikel 2 bedoelde functies.
3. De tijdsduur en volgorde van de binnenstage en buitenstage
worden geregeld in het opleidingsreglement, bedoeld in artikel 12.
4. In bijzondere individuele gevallen, kan Onze Minister de
tijdsduur en de volgorde der binnenstage en buitenstage vaststellen in
afwijking van het bepaalde in het opleidingsreglement. Zodanige
vaststelling geschiedt niet dan nadat de rector en, bij verlenging, de
functionele autoriteit, daaromtrent zijn gehoord.
Artikel 4
1. Het vormingsprogramma bestaat uit vaardigheidsleergangen en
studiebijeenkomsten; het wordt doorlopen tijdens de binnenstage.
2. Voor het deelnemen aan het vormingsprogramma is de rechterlijk
ambtenaar in opleiding voor een door Onze Minister te bepalen gedeelte
van de arbeidsduur vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden in
de binnenstage.
Artikel 5
1. Bij de aanvang van de binnenstage stelt de functionele
autoriteit na overleg met de betrokkene en in overeenstemming met de
rector voor elke rechterlijk ambtenaar in opleiding afzonderlijk een
werkprogramma vast, aangevende:
a. met welke werkzaamheden de rechterlijk ambtenaar in opleiding
zal worden belast;
b. welke deelstages de rechterlijk ambtenaar in opleiding zal
moeten volgen.
Zoveel mogelijk worden daarbij tijdstippen en perioden vermeld.
2. Jaarlijks stelt de rector na overleg met de betrokkene en in
overeenstemming met de functionele autoriteit voor elke rechterlijk
ambtenaar in opleiding afzonderlijk een studieprogramma vast, aangevende
welke vaardigheidsleergangen en studiebijeenkomsten de rechterlijk
ambtenaar in opleiding zal volgen. Zoveel mogelijk worden daarbij
tijdstippen en perioden vermeld.
3. De functionele autoriteit, respectievelijk de rector, draagt
er zorg voor dat aan het werkprogramma, respectievelijk het
studieprogramma, de hand wordt gehouden.
4. De functionele autoriteit wijst voor de begeleiding van de
rechterlijk ambtenaar in opleiding tijdens de deelstages, in
overeenstemming met de rector, een mentor aan.
5. Bij verschil van opvatting tussen de functionele autoriteit en
de rector over de inhoud van het werkprogramma en het studieprogramma,
over de uitvoering van deze programma's en over het aanwijzen van een
mentor, beslist Onze Minister.
Artikel 6
Het toezicht op de buitenstage berust bij de rector.
Artikel 7
1. Indien een rechterlijk ambtenaar in opleiding voor zijn
benoeming reeds meer dan een jaar ervaring in de rechtspraktijk of
andere naar het oordeel van Onze Minister relevante ervaring heeft
verworven, kan Onze Minister de opleiding bekorten met ten hoogste de
duur van die ervaring, voor zover die meer dan een jaar bedraagt, doch
niet met meer dan drie jaar.
2. Onze Minister kan de opleiding verlengen
a. indien de periode, waarvoor de benoeming in tijdelijke dienst
van een rechterlijk ambtenaar in opleiding is verleend, ingevolge
artikel 21, derde lid, onderdelen a en b, is verlengd: met ten hoogste
eenzelfde periode;
b. indien de volledige arbeidsduur van een rechterlijk ambtenaar in
opleiding op zijn eigen verzoek is gewijzigd in een niet volledige
arbeidsduur dan wel zijn arbeidsduur op zijn eigen verzoek anderszins
is gewijzigd: met ten hoogste een jaar;
c. in andere gevallen, indien Onze Minister
zulks, met het oog op het met gunstig resultaat beëindigen van de
opleiding, nodig oordeelt: met ten hoogste een jaar.
De verlenging op grond van de onderdelen a tot en met c gezamenlijk
kan niet meer dan drie jaar bedragen en heeft in beginsel slechts
betrekking op de binnenstage.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, bepaalt
Onze Minister op welke onderdelen van de opleiding de bekorting of de
verlenging betrekking heeft en in welke volgorde de binnenstage en
buitenstage worden doorlopen. De laatste volzin van artikel 3, vierde
lid, is van toepassing.
4. In de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden
het werkprogramma en het studieprogramma aangepast en vastgesteld
overeenkomstig artikel 5, eerste en tweede lid.
Artikel 8
1. Indien Onze Minister in de loop van de
opleiding op grond van een beoordeling, bedoeld in artikel 25, op grond
van het oordeel van de rector, bedoeld in artikel 26, dan wel op grond
van andere ambtsberichten, alsnog tot het oordeel komt dat de
rechterlijk ambtenaar in opleiding de opleiding niet met gunstig
resultaat zal kunnen afsluiten of niet geschikt is voor een der in
artikel 2 bedoelde functies, beëindigt hij diens opleiding.
2.
Indien Onze Minister na voltooiing van
de opleiding op een van de gronden als bedoeld in het eerste lid, alsnog
tot het oordeel komt dat de rechterlijk ambtenaar in opleiding de
opleiding niet met gunstig resultaat heeft beëindigd of niet geschikt
is voor een der in artikel 2 bedoelde functies, maakt hij bekend niet te
zullen overgaan tot een benoeming dan wel de voordracht voor een
benoeming als bedoeld in artikel 29.
3.
Alvorens de in het eerste
en tweede lid bedoelde beslissingen te nemen hoort Onze Minister de
functionele autoriteit en de rector.
§ 3. Uitvoering en bekostiging van de opleiding
Artikel 9
Het studiecentrum rechtspleging is belast met de uitvoering van de
opleiding van rechterlijke ambtenaren. Het studiecentrum rechtspleging
is een onder de Raad ressorterende dienst als bedoeld in artikel 40 van
het Besluit financiering rechtspraak 2005.
Artikel 10
De Raad en het College van procureurs-generaal kunnen gezamenlijk
algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan het studiecentrum
rechtspleging.
Artikel 11
1. De Raad en het College van procureurs-generaal wijzen
gezamenlijk een rector en een conrector van de opleiding aan; als
zodanig zijn de rector en de conrector verantwoording verschuldigd aan
de Raad en het College van procureurs-generaal gezamenlijk.
2. Een aanwijzing ingevolge het eerste lid wordt eerst van kracht
nadat Onze Minister daarin heeft toegestemd.
Artikel 12
1. Het studiecentrum rechtspleging dient met inachtneming van
het bepaalde in dit besluit een opleidingsreglement vast te stellen.
2. Het opleidingsreglement en wijzigingen daarin treden niet in
werking dan nadat de Raad en het College van procureurs-generaal
gezamenlijk daarin hebben toegestemd.
Artikel 13
Het studiecentrum rechtspleging bekostigt de opleiding uit de
daarvoor door de Raad en het College van procureurs-generaal beschikbaar
gestelde gelden.
Artikel 14 [Vervallen per 19-11-2003]
Artikel 15 [Vervallen per 19-11-2003]
§ 4. Toelating tot de opleiding
Artikel 16
Onze Minister beslist omtrent de toelating tot de opleiding na advies
van een selectiecommissie. Hij laat geen kandidaat tot de opleiding toe
dan op aanbeveling van die commissie.
Artikel 17
1. Leden van de in artikel 16 bedoelde selectiecommissie zijn:
a. twee presidenten van een rechtbank alsmede zes andere bij een
rechtbank werkzame rechterlijke ambtenaren;
b. een hoofdofficier met de titel hoofd van het
arrondissementsparket, alsmede drie andere rechterlijke ambtenaren die
werkzaam zijn bij een tot het openbaar ministerie behorend parket;
c. vier personen, niet behorend tot een der onder a en b bedoelde
groepen en niet werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en
Justitie;
d. vier ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie.
De in onderdelen a tot en met c bedoelde leden worden voor vier jaar
benoemd door Onze Minister, die met betrekking tot de in onderdelen a en
b bedoelde leden eerst het advies inwint van de Nederlandse Vereniging
voor Rechtspraak. Onze Minister benoemt de in onderdeel d bedoelde leden
voor onbepaalde tijd.
2. Elk jaar treden drie van de in het eerste lid, onder a tot en
met c, bedoelde leden af volgens een door de commissie op te stellen
rooster van aftreden. Zij zijn niet aansluitend herbenoembaar, behoudens
in de gevallen, bedoeld in de laatste volzin. Tussentijds benoemden
treden af op het tijdstip waarop degenen, wier plaats zij hebben
ingenomen, volgens het rooster zouden zijn afgetreden. Eerst- en
tussentijds benoemden zijn aansluitend herbenoembaar indien zij niet
meer dan twee jaar lid van de commissie zijn geweest.
3. Onze Minister wijst uit de leden een
voorzitter aan. De commissie kiest uit haar midden één of meer
plaatsvervangende voorzitters.
Artikel 18
1. De selectiecommissie
heeft tot taak Onze Minister, ten behoeve van diens beslissing omtrent
de toelating tot de opleiding, van advies te dienen over het vermogen
van kandidaten om de opleiding met gunstig resultaat te doorlopen en
over hun geschiktheid voor een der in artikel 2 bedoelde functies.
2. Ten behoeve van haar advies stelt de selectiecommissie ten
aanzien van de kandidaten een onderzoek in; dit kan zowel een beperkt
als een volledig onderzoek zijn.
3. Indien de selectiecommissie een beperkt onderzoek heeft
ingesteld en reeds op grond van het resultaat daarvan oordeelt dat zij
geen gunstig advies zal kunnen uitbrengen, doet zij daarvan terstond
mededeling aan Onze Minister.
4. In andere gevallen dan die, bedoeld in het derde lid, stelt de
selectiecommissie een volledig onderzoek in, dat ten minste omvat:
a. het inwinnen van schriftelijke inlichtingen bij door de
kandidaat opgegeven referenten;
b. een persoonlijk onderhoud met de kandidaat door niet meer dan
vijf leden van de commissie;
c. kennisneming van de uitslag van een ten aanzien van de kandidaat
ingesteld psychologisch onderzoek.
De selectiecommissie brengt in deze gevallen zo spoedig mogelijk na
het persoonlijk onderhoud met de kandidaat gemotiveerd advies uit aan
Onze Minister.
5. De selectiecommissie kan haar voorzitter machtigen bepaalde
beslissingen namens de commissie te nemen. Een zodanige machtiging, de
aard en omvang van het beperkt onderzoek en wat overigens met betrekking
tot de werkwijze van de commissie behoort te worden geregeld, legt de
commissie neer in een reglement van orde dat de instemming van Onze
Minister behoeft.
Artikel 19
Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk na de ontvangst van het
advies.
Artikel 20
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 16 tot en met 19 kan Onze
Minister, gehoord de selectiecommissie, zonodig de toelatingsprocedure
nader regelen.
§ 5. De benoeming van toegelatenen tot de opleiding
Artikel 21
1. Degene, die is toegelaten
tot de opleiding, wordt door Onze Minister benoemd als rechterlijk
ambtenaar in opleiding in tijdelijke dienst bij de gerechten voor de
duur van drie jaar en twee maanden. Onze Minister stelt tevens vast bij
welke rechtbank en welk arrondissementsparket de rechterlijk ambtenaar
in opleiding zijn ambt gedurende deze periode vervult.
2. Onze Minister kan in het kader van een reorganisatie als
bedoeld in hoofdstuk 4A van het Besluit rechtspositie rechterlijke
ambtenaren de vaststelling van de rechtbank of het arrondissementsparket
waarbij een rechterlijk ambtenaar in opleiding zijn ambt vervult
wijzigen.
3. Onze Minister kan, de functionele autoriteit en de rector
gehoord, de periode waarvoor een benoeming in tijdelijke dienst is
verleend verlengen:
a. indien een rechterlijk ambtenaar in
opleiding dit verzoekt en naar het oordeel van Onze Minister
voortzetting van de opleiding nog zinvol kan zijn: met ten hoogste
één jaar;
b. indien daarvoor naar het oordeel van Onze Minister redenen
aanwezig zijn: met de periode gedurende welke de rechterlijk ambtenaar
in opleiding geheel of gedeeltelijk geen werkzaamheden heeft verricht;
c. indien de opleiding, ingevolge artikel 7, tweede lid, onderdelen b
en c, is verlengd: per grond met ten hoogste een jaar.
4. Indien de opleiding met toepassing van artikel 7, eerste lid,
is bekort, kan Onze Minister, na overleg met de rector, de duur van de
benoeming in tijdelijke dienst bepalen op een periode korter dan drie
jaar, doch niet korter dan twee jaar. Ten aanzien van de verlenging van
een verkorte benoeming in tijdelijke dienst is het derde lid van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 21a
1. Om benoemd te kunnen worden als rechterlijk ambtenaar in
opleiding dient het afsluitend examen, bedoeld in artikel 5, eerste
lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, te voldoen aan
de eisen van het tweede lid.
2. Het afsluitend examen is zodanig samengesteld dat ten minste
grondige kennis van en inzicht in de volgende rechtsgebieden is
verkregen:
a. burgerlijk recht, met inbegrip van burgerlijk procesrecht;
b. strafrecht, met inbegrip van strafprocesrecht; en
c. bestuursrecht, met inbegrip van bestuursprocesrecht.
3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder
afsluitend examen, bedoeld in die leden, tevens begrepen het
schakelprogramma, bedoeld in artikel 2b, eerste en tweede lid, van het
Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
Artikel 21b
1. De rechterlijk ambtenaar in opleiding legt aan het begin van
de opleiding ten overstaan van de rector en in aanwezigheid van een
getuige, de eed of belofte af volgens het formulier zoals dat is
vastgesteld in de bijlage bij dit besluit.
2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, wordt na het
afleggen van de eed of belofte ondertekend door de rechterlijk ambtenaar
in opleiding, de rector en de getuige.
3. De rector houdt een register bij waarin de formulieren
betreffende de door de rechterlijke ambtenaren in opleiding afgelegde
eed of belofte worden bewaard.
4. De rechterlijk ambtenaar in opleiding ontvangt van de rector
een afschrift van het formulier betreffende de door hem afgelegde eed of
belofte.
Artikel 22
1. Tenzij de opleiding op grond van het
bepaalde in artikel 8, eerste lid, is beëindigd, wordt een rechterlijk
ambtenaar in opleiding aansluitend aan de benoeming in tijdelijke dienst
benoemd in vaste dienst bij de gerechten. Onze Minister stelt tevens
vast bij welke rechtbank of welk arrondissementsparket de rechterlijk
ambtenaar in opleiding, die in vaste dienst is benoemd, zijn ambt
vervult.
2.
Onze Minister kan in het
kader van een reorganisatie als bedoeld in hoofdstuk 4A van het Besluit
rechtspositie rechterlijke ambtenaren de vaststelling van de rechtbank
of het arrondissementsparket waarbij een rechterlijk ambtenaar in
opleiding zijn ambt vervult wijzigen.
Artikel 22a [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 22b [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 23 [Vervallen per 01-10-1994]
§ 6. Bijzondere rechten en verplichtingen,
beoordeling en ontslag
Artikel 24
1.
De rechterlijk ambtenaar
in opleiding volgt de opleiding overeenkomstig hetgeen bij of krachtens
dit besluit is bepaald. Hij dient zich daarbij te houden aan de hem door
of namens zijn functionele autoriteit en de rector gegeven aanwijzingen.
2.
De rechterlijk ambtenaar in opleiding
brengt tijdens en na beëindiging van de binnenstage en de buitenstage
aan de rector schriftelijk verslag uit van zijn verrichtingen en
bevindingen. Van dit verslag verstrekt hij een afschrift aan zijn hoofd
van dienst.
Artikel 25
1. Een rechterlijk ambtenaar
in opleiding wordt regelmatig beoordeeld. Daarbij wordt tegen de
achtergrond van zijn toekomstige functie gelet op de wijze waarop hij de
hem opgedragen werkzaamheden heeft uitgevoerd. Bij de beoordeling wordt
rekening gehouden met het stadium van opleiding waarin de rechterlijk
ambtenaar in opleiding verkeert.
2. De beoordeling wordt voorbereid door een door de functionele
autoriteit aan te wijzen functionaris tezamen met degene die
verantwoordelijk is of medeverantwoordelijk is voor het functioneren van
de rechterlijk ambtenaar in opleiding.
3. De beoordeling geschiedt telkens tegen het einde van de
eerste, de tweede, de derde, de vierde en de vijfde deelstage van de
binnenstage en tegen het einde van de buitenstage door de functionele
autoriteit.
4. Ten behoeve van het opmaken van de beoordeling kan de
functionele autoriteit bepalen dat bepaalde functionarissen als
informant of adviseurs optreden.
5. Op verzoek van de te beoordelen rechterlijk ambtenaar in
opleiding om bepaalde functionarissen als adviseur of informant aan te
wijzen beslist de functionele autoriteit.
Artikel 25a
De rector stelt, na instemming van de Raad en het College van
procureurs-generaal, het model vast van de lijst, waarop de beoordeling
wordt vastgelegd.
Artikel 25b
1. Een beoordeling wordt opgemaakt op basis van op competenties
en resultaatsgebieden gerichte functieprofielen.
2. Indien de feitelijke verrichte werkzaamheden afwijken van die
welke in artikel 25, eerste lid, zijn bedoeld, worden die op de
beoordelingslijst vermeld.
3. Nadat de beoordeling is opgemaakt wordt deze door degene die
verantwoordelijk is voor het functioneren van de rechterlijk ambtenaar
in opleiding met de rechterlijk ambtenaar in opleiding besproken. Een
samenvatting van dit beoordelingsgesprek wordt op de beoordelingslijst
vastgelegd.
Artikel 25c
1. De rechterlijk ambtenaar in opleiding kan binnen twee weken
na het beoordelingsgesprek schriftelijk bedenkingen tegen de
beoordeling indienen bij de functionele autoriteit. De functionele
autoriteit kan de termijn van twee weken verlengen.
2. De functionele autoriteit stelt de beoordeling vast, wanneer
de rechterlijk ambtenaar in opleiding geen bedenkingen heeft in gediend
binnen de in het eerste lid genoemde termijn.
3. De rechterlijk ambtenaar in opleiding die bedenkingen heeft
ingediend, wordt in de gelegenheid gesteld deze mondeling bij de
functionele autoriteit toe te lichten. Deze kan bepalen dat andere
personen bij dit gesprek aanwezig zijn.
4. De functionele autoriteit wijzigt de beoordeling in zover hij
de bedenkingen van de rechterlijk ambtenaar in opleiding deelt en stelt
de beoordeling vast.
5. Bij de vaststelling van de beoordeling deelt de functionele
autoriteit de rechterlijk ambtenaar in opleiding schriftelijk mee of hij
wijzigingen in de beoordeling heeft aangebracht, en, zo ja welke.
Daarbij vermeldt hij in voorkomend geval de redenen waarom hij niet of
niet volledig aan de bedenkingen is tegemoet gekomen.
Artikel 25d
1. De rechterlijk ambtenaar in opleiding kan bezwaar maken
tegen de vastgestelde beoordeling.
2. Indien de rechterlijk ambtenaar in opleiding bezwaar heeft
gemaakt tegen de vastgestelde beoordeling wint de functionele
autoriteit, alvorens hierop te beslissen, het advies in van een
commissie, tenzij het bezwaar reeds aanstonds gegrond wordt geacht.
3. Indien het bevoegd gezag niet onder toepassing van artikel
7:13 van de Algemene wet bestuursrecht een adviescommissie heeft belast
met het adviseren omtrent bezwaren tegen vastgestelde beoordelingen,
stelt het daartoe een commissie in. Van de commissie maakt in elk geval
deel uit een ambtenaar aangewezen door de Sectorcommissie rechterlijke
macht als bedoeld in artikel 50 van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren.
Artikel 26
1. Ten minste eenmaal per jaar vormt de rector zich een oordeel
omtrent de wijze waarop de rechterlijk ambtenaar in opleiding de
onderscheidene vaardigheidsleergangen en studiebijeenkomsten heeft
doorlopen.
2. De rector vermeldt zijn oordeel op een lijst waarvan het model
door Onze Minister wordt vastgesteld en bespreekt daarna dit oordeel met
de rechterlijk ambtenaar in opleiding. Een samenvatting van het gesprek
wordt eveneens op de lijst vastgelegd. De rector zendt de lijst
vervolgens zo spoedig mogelijk aan Onze Minister. De rechterlijk
ambtenaar in opleiding ontvangt een afschrift van de lijst.
3. Tegen het oordeel van de rector kan een belanghebbende beroep
instellen bij Onze Minister.
4. Indien Onze Minister de bezwaren kennelijk geheel gegrond
acht, stelt hij dienovereenkomstig het oordeel nader vast. In andere
gevallen dan in de vorige volzin bedoeld stelt Onze Minister het
oordeel, al dan niet gewijzigd, eerst vast na terzake het advies te
hebben ingewonnen van de commissie, bedoeld in artikel 25d, derde lid.
Artikel 27
Indien Onze Minister een der beslissingen, bedoeld in artikel 8,
heeft genomen, kan hij de rechterlijk ambtenaar in opleiding op die
grond ontslaan. Indien de rechterlijk ambtenaar in opleiding reeds in
vaste dienst is benoemd, kan hij evenwel, in afwijking van de eerste
volzin, slechts worden ontslagen, indien het na een zorgvuldig onderzoek
van maximaal zes maanden niet mogelijk is gebleken om hem binnen het
gezagsbereik van Onze Minister of bij een gerecht een andere, mede in
verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden, passende functie aan
te bieden dan wel indien hij weigert deze functie te aanvaarden. De
mededeling dat tot ontslag wordt overgegaan wordt uiterlijk
vijfenveertig dagen gedaan voor afloop van de in de vorige zin bedoelde
termijn van zes maanden.
Artikel 28
Een rechterlijk ambtenaar in opleiding maakt voor het voltooien van
de vierde deelstage van de binnenstage aan Onze Minister zijn keuze
bekend voor een van de in artikel 2 bedoelde functies. Een gemaakte
keuze kan na het voltooien van de vierde deelstage van de binnenstage
alleen in zeer bijzondere gevallen worden gewijzigd.
Artikel 28a
1. Een rechterlijk ambtenaar in opleiding die gedurende de
buitenstage de keuze, bedoeld in artikel 28, wenst te wijzigen, dient
daartoe een met redenen omkleed verzoek bij Onze Minister in.
2. Onze Minister beslist op het verzoek na overleg met de rector
en de functionele autoriteit.
3. Indien het verzoek wordt toegewezen:
a. past, indien nodig, de functionele autoriteit het werkprogramma
en de rector het studieprogramma aan en stellen zij deze programma's
overeenkomstig artikel 5, eerste en tweede lid, opnieuw vast, en
b. bepaalt Onze Minister overeenkomstig artikel 3, tweede lid, waar
de buitenstage wordt doorgebracht.
Artikel 29
Een rechterlijk ambtenaar in opleiding, die de opleiding met gunstig
resultaat heeft beëindigd en geschikt wordt geacht voor een van de in
artikel 2 bedoelde functies, wordt, overeenkomstig diens keuze, benoemd
in de functie van gerechtsauditeur dan wel benoemd in de functie van
substituut-officier van justitie. Bij de vaststelling van de rechtbank
of het parket waarbij het ambt, bedoeld in de eerste volzin, wordt
vervuld, wordt de voorkeur van de betrokken rechterlijk ambtenaar in
opleiding en het dien
stbelang in
aanmerking genomen.
§ 7. Slotbepalingen
Artikel 30 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 31
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit opleiding rechterlijke
ambtenaren.
Artikel 32 [Vervallen per 15-01-1993]
Artikel 33 [Vervallen per 15-01-1993]
Artikel 34 [Vervallen per 15-01-1993]
Artikel 35 [Vervallen per 15-01-1993]
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 24 oktober 1985
BEATRIX
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Uitgegeven de negenentwintigste oktober 1985
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes