BESLUIT van 18 april 1994, houdende regeling van de rechtspositie van
de leden van de commissie belast met het beheer van het schadefonds
geweldsmisdrijven
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie, van 17 januari 1994,
Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 421707/94/6,
Gelet op artikel 125 van de Ambtenarenwet en de artikelen 11 en 22
van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven,
De Raad van State gehoord (advies van 22 maart 1994, nr. W03.94.0033)
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie, van 8 april
1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 433510/94/6
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
b. de Wet: de Wet schadefonds geweldsmisdrijven;
c. de commissie: de commissie die ingevolge artikel 8 van de Wet
schadefonds geweldsmisdrijven is belast met het beheer van het
schadefonds.
Artikel 2. Bezoldiging
1. Onze Minister kan aan een lid van een enkelvoudige kamer van
de commissie een bezoldiging toekennen.
2. Een lid van een enkelvoudige kamer, dat is aangewezen om het
geheel of een deel van de voor burgerlijke rijksambtenaren geldende
werktijd te vervullen, wordt bezoldigd overeenkomstig salarisschaal 15
van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren
1984.
3. Een lid van een enkelvoudige kamer, dat is aangewezen om het
geheel of een deel van de voor burgerlijke rijksambtenaren geldende
werktijd te vervullen, en tevens als voorzitter van de commissie is
aangewezen, wordt bezoldigd overeenkomstig salarisschaal 16 van bijlage
B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
4. Een lid van een enkelvoudige kamer, dat niet is aangewezen om
het geheel of een deel van de voor burgerlijke rijksambtenaren geldende
werktijd te vervullen, wordt niet bezoldigd.
Artikel 3. Toepasselijkheid Algemeen Rijksambtenarenreglement
Voorzover in het Besluit schadefonds geweldsmisdrijven of in dit
besluit niet anders is bepaald, zijn op een bezoldigd lid van een
enkelvoudige kamer van toepassing de rechtspositiebepalingen, zoals die
voor burgerlijke rijksambtenaren zijn vastgesteld in het Algemeen
Rijksambtenarenreglement.
Artikel 4. Aanspraken in geval van ziekte
In afwijking van het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van het
Algemeen Rijksambtenarenreglement, geldt voor een bezoldiging lid van
een enkelvoudige kamer dat wegens ziekte niet in staat is de aan zijn
ambt verbonden werkzaamheden te verrichten, dat hij gedurende de
kalendermaand waarin deze verhindering is ontstaan en gedurende 18
maanden daarna zijn volle bezoldiging geniet en vervolgens 80% van zijn
bezoldiging.
Artikel 5. Uitkering bij ontslag
Een bezoldigd lid van een enkelvoudige kamer heeft recht op wachtgeld
op de voet van de bepalingen van het Rijkswachtgeldbesluit 1959, indien
hij als lid van de commissie wordt ontslagen of na het verstrijken van
zijn benoemingstermijn niet wordt herbenoemd, dan wel zijn aanwijzing
als lid van een enkelvoudige kamer door Onze Minister wordt ingetrokken,
behoudens wanneer hij een direct ingaand recht heeft op pensioen of op
een uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden.
Artikel 6. Reis- en verblijfskosten; vacatiegelden
1. De leden en plaatsvervangende leden van de commissie
genieten voor hun werkzaamheden vergoeding voor reis- en
verblijfskosten overeenkomstig de bepalingen, welke te dien aanzien
voor de burgerlijke rijksambtenaren zijn vastgesteld.
2. Voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie wordt
hun een vacatiegeld toegekend tot een door Onze Minister, in overleg met
Onze Minister van Financiën, te bepalen bedrag, behoudens voor zover
zij tevens lid zijn van een enkelvoudige kamer en uit dien hoofde reeds
bezoldiging ontvangen.
Artikel 7. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip en werkt terug tot en met 1 januari 1994.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 18 april 1994
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A. Kosto
Uitgegeven de veertiende juli 1994
De Minister van Justitie,
A. Kosto