|
BESLUIT van 25 juni 1993, houdende regeling uitkering wegens
functioneel leeftijdsontslag van burgerlijke ambtenaren in dienst bij
het ministerie van Defensie
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 1 februari 1993,
nr. PAV2210/93002671;
Gelet op de artikelen 125 van de Ambtenarenwet 1929;
De Raad van State gehoord (advies van 29 maart 1993, nr.
W07.93.0066);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 16 juni
1993, nr. PAV2210/93008947;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie;
b. ontslag: een ontslag als bedoeld in artikel 119 van het
Burgerlijk ambtenarenreglement defensie zoals dat op 31 december
2005 gold dan wel artikel 171a van het Burgerlijk
ambtenarenreglement defensie;
c. betrokkene: de gewezen ambtenaar in de zin van het Burgerlijk
ambtenarenreglement defensie, aan wie ontslag bedoeld onder b
van dit artikel is verleend;
d. Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP,
bedoeld in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;
e. pensioenreglement: het pensioenreglement Stichting
Pensioenfonds ABP;
f. pensioen: een pensioen krachtens het pensioenreglement;
g. invaliditeitspensioen: een invaliditeitspensioen krachtens het
pensioenreglement;
h. arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin van
artikel 18, eerste lid, van de WAO;
i. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
j. uitkering: de uitkering bedoeld in artikel 3 van dit besluit;
k. Reglement FPU: het Reglement flexibel pensioen en uittreden
ter zake van de basisuitkering en aanvullende uitkering als bedoeld
in artikel 1.1, onder i, van het pensioenreglement Stichting
Pensioenfonds ABP;
l. extra opbouw ouderdomspensioen: het verschil tussen de opbouw
conform artikel 7.5 van het pensioenreglement en de opbouw conform
de overgangsbepaling B bij artikel 7.5 van het pensioenreglement;
m. versterkt ouderdomspensioen: het bedrag aan ouderdomspensioen
dat voorvloeit uit het flexibel pensioen ingevolge het
pensioenreglement, alsook de extra inkoop ouderdomspensioen
ingevolge overgangsbepaling C bij artikel 7.5 van het
pensioenreglement en extra opbouw ouderdomspensioen, en dat op
moment van toekenning van de uitkering ingevolge dit besluit kan
worden toegerekend aan de periode vanaf het bereiken van de leeftijd
van 60 jaar tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.
Artikel 2
1. In dit besluit wordt verstaan onder bezoldiging: de
bezoldiging in de zin van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren
defensie vermeerderd met de vakantie-uitkering, berekend over een
maand, waarop de betrokkene op de dag voorafgaand aan zijn ontslag
aanspraak had of bij waarneming van zijn functie zou hebben gehad.
2. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde maken de
waarnemingstoelage, bedoeld in de artikel 17 van het Inkomstenbesluit
burgerlijke ambtenaren defensie en de aflopende toelage onregelmatige
dienst, bedoeld in de artikel 21 van dat besluit en de over die toelagen
berekende vakantie-uitkering geen deel uit van de bezoldiging.
3. Indien de betrokkene geen ambtenaar is in de zin van het
Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie geldt als bezoldiging
hetgeen met het in het eerste en het tweede lid daaromtrent bepaalde
overeenkomt.
4. Indien de door een betrokkene over de laatste aan het ontslag
voorafgaande twaalf volle kalendermaanden genoten bezoldiging in de zin
van het in het eerste lid genoemde besluit, dan wel hetgeen daarmede
overeenkomt, alsmede de over die maanden genoten vakantie-uitkering dan
wel verkregen aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk uit wisselende
inkomsten waaronder begrepen de evengenoemde aanspraken bestonden, geldt
in zoverre in afwijking van het eerste lid als bezoldiging, met
inachtneming van het in het tweede en derde lid bepaalde, het gemiddelde
van die inkomsten.
5. Indien in de bezoldiging, omschreven in het eerste tot en met
het vierde lid, anders dan ten gevolge van periodieke verhoging van het
salaris, wijziging zou zijn gekomen wanneer de betrokkene op die
bezoldiging in dienst zou zijn gebleven, zal van de dag van
inwerkingtreding van die wijziging af het aldus gewijzigd bedrag als
bezoldiging gelden.
6. Voor betrekkingen die geleidelijk worden opgeheven, alsmede in
bijzondere gevallen, kan Onze Minister van het hiervoren bepaalde ten
gunste van de betrokkene afwijken.
Recht op uitkering
Artikel 3. Recht vóór en na 1950
1. De betrokkene die is geboren vóór 1 januari 1950 heeft
recht op een uitkering zoals bedoeld in artikel 4 jo artikel 4a.
2. De betrokkene die is geboren na 31 december 1949 heeft recht
op een uitkering zoals bedoeld in artikel 4 jo artikel 4c.
3. Onze Minister beslist over de toekenning van uitkering op
aanvraag door de betrokkene.
Duur en bedrag van de uitkering
Artikel 4
1. De uitkering bedraagt gedurende 60 maanden 80% van de
bezoldiging vermeerderd met zoveel - doch ten hoogste tien - malen
0,5% van die bezoldiging als het totaal aantal volle voor pensioen
geldige dienstjaren, die medetellen voor de pensioenberekening
krachtens het pensioenreglement, op de dag van ingang van het ontslag
meer dan dertig bedraagt en vervolgens 70% van die bezoldiging. Het
bedrag van de uitkering daalt echter niet beneden het bedrag van het
pensioen, waarop de betrokkene recht zou hebben, indien hij uit de
betrekking waaruit hij met recht op uitkering is ontslagen, op de dag
van ontslag zou zijn gepensioneerd.
2. Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt verstaan,
voor zover gelegen vóór 1 januari 1996:
de tijd zoals die voor de betrokkene per 31 december 1995 meetelt
voor de pensioenberekening, bedoeld in de Algemene burgerlijke
pensioenwet;
voor zover gelegen op of na 1 januari 1996:
de tijd gedurende welke betrokkene overheidswerknemer is in de zin
van de Wet privatisering ABP.
3. Bij de berekening van het bedrag van het pensioen, bedoeld in
het eerste lid, wordt mede in aanmerking genomen de diensttijd, bedoeld
in artikel 5.1, tweede lid, van het pensioenreglement die de betrokkene
bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zal kunnen aanwijzen.
4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de eventuele
diensttijd, bedoeld in artikel D 1, tweede lid, van de Algemene
burgerlijke pensioenwet zoals deze luidde op 31 december 1995, mede in
aanmerking genomen. Het verzoek als bedoeld in artikel D 2 van genoemde
wet wordt daarbij geacht te zijn gedaan.
5. Wanneer aan de betrokkene na de dag van ingang van het ontslag
ter zake waarvan de uitkering is toegekend, een overheidspensioen,
anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP, wordt
toegekend, vindt zo nodig herberekening plaats zowel van het bedrag der
uitkering als van het bedrag van het pensioen, genoemd in het eerste
lid, met ingang van de dag waarop eerstbedoeld pensioen is ingegaan.
Artikel 4a
1. De in artikel 4 genoemde uitkering wordt, voor zover daarop
recht bestaat, verminderd met het bedrag van het flexibel pensioen
krachtens het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds Abp,
het bedrag van de basisuitkering krachtens het Reglement FPU en het
bedrag van de aanvullende uitkering krachtens het Reglement FPU.
2. Indien het bedrag van de basisuitkering is verminderd in
verband met samenloop van andere inkomsten, wordt voor de toepassing van
het eerste lid niettemin uitgegaan van het onverminderde bedrag.
3. Indien de op grond van artikel 119 van het Burgerlijk
ambtenarenreglement defensie zoals dat op 31 december 2005 gold dan wel
artikel 171a van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie ontslagen
ambtenaar niet of niet tijdig de basisuitkering, de aanvullende
uitkering en het flexibel pensioen aanvraagt, en hem dit redelijkerwijs
kan worden verweten, wordt, voor de periode waarin hij dientengevolge
geen of niet alle voornoemde uitkeringen ontvangt, voor de toepassing
van dit artikel rekening gehouden met de uitkeringen die hij vanaf de
ontslagdatum zou hebben genoten indien hij de voornoemde uitkeringen wel
tijdig zou hebben aangevraagd.
4. Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
door de ambtenaar de basisuitkering of de aanvullende uitkering geheel
of ten dele vervallen zijn verklaard dan wel geheel of gedeeltelijk
worden geweigerd, worden deze uitkeringen voor de toepassing van dit
artikel steeds aangemerkt als uitkeringen die onverminderd zijn genoten.
5. Ingeval naast de in artikel 4 genoemde uitkering inkomsten uit
of in verband met arbeid of bedrijf als bedoeld in artikel 5 worden
genoten, wordt op de uitkering in voorkomend geval boven de vermindering
die reeds krachtens het eerste lid van dit artikel plaatsvindt, een
vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag
waarmede de onverminderde uitkering krachtens artikel 4 vermeerderd met
het totaal bedrag van de inkomsten, bedoeld in artikel 5, en verminderd
met het bedrag van de inkomsten dat reeds in mindering is gebracht op de
basisuitkering krachtens het Reglement FPU tezamen de laatstelijk
genoten bezoldiging te boven gaat.
Artikel 4b
Voor zover betrokkene de mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting
van zijn pensioenopbouw benut, waardoor ook na het bereiken van de
leeftijd van 62 jaar zijn pensioenopbouw voor de helft plaatsvindt, zal
namens hem de hiervoor verschuldigde premie worden betaald, met dien
verstande dat hiervan geen groter deel ten laste van betrokkene komt dan
de pensioenpremie, bedoeld in artikel 4.4, vierde lid, van het
Pensioenreglement.
Artikel 4c
1. De in artikel 4 genoemde uitkering wordt, voor zover daarop
recht bestaat, verminderd met het bedrag van het versterkt
ouderdomspensioen vanaf het bereiken van de leeftijd van 60 jaar.
2. Indien de op grond van artikel 119 van het Burgerlijk
ambtenarenreglement defensie zoals dat op 31 december 2005 gold en
artikel 171a van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie ontslagen
ambtenaar niet of niet tijdig het versterkt ouderdomspensioen bij het
bereiken van de leeftijd van 60 jaar aanvraagt, en hem dit
redelijkerwijs kan worden verweten, wordt, voor de periode waarin hij
dientengevolge geen versterkt ouderdomspensioen ontvangt, voor de
toepassing van dit artikel rekening gehouden met de uitkering die hij
vanaf de ontslagdatum zou hebben genoten indien hij het voornoemde
versterkt ouderdomspensioen wel tijdig zou hebben aangevraagd.
3. Ingeval naast de in artikel 4 genoemde uitkering inkomsten uit
of in verband met arbeid of bedrijf als bedoeld in artikel 5 worden
genoten, wordt op de uitkering in voorkomend geval boven de vermindering
die reeds krachtens het eerste lid plaatsvindt, een vermindering
toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de
onverminderde uitkering krachtens artikel 4 vermeerder met het totaal
bedrag van de inkomsten, bedoeld in artikel 5 tezamen de laatstelijk
genoten bezoldiging te boven gaat.
Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf
Artikel 5
1. De inkomsten, die de betrokkene geniet of gaat genieten uit
of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van
of na de dag van het ontslag, ter zake waarvan de uitkering is
toegekend, worden met de uitkering verrekend over de maand waarop deze
inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te
hebben. Deze verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt
verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die
inkomsten, de bezoldiging overschrijdt.
2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien
van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf ter hand genomen
gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk voorafgaande
aan het ontslag ter zake waarvan de uitkering is toegekend.
3. Wanneer de betrokkene arbeid of bedrijf ter hand heeft genomen
vóór de dag van het ontslag, anders dan bedoeld in de voorgaande leden
en na die dag uit die arbeid of dat bedrijf inkomsten of meer inkomsten
gaat genieten, is het eerste lid van toepassing, tenzij de betrokkene
aannemelijk maakt, dat die inkomsten of vermeerdering van inkomsten of
een gedeelte daarvan noch het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid
noch verband houden met het ontslag, in welk geval de inkomsten, die
meerdere inkomsten of dat gedeelte daarvan niet in aanmerking worden
genomen voor de toepassing van het eerste lid.
4. Voor de toepassing van dit artikel wordt een uitkering op
grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, zoals die wet luidde op
de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Invoeringswet nieuwe
en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen, alsmede een uitkering
krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
aangemerkt als inkomsten in verband met arbeid.
5. In afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden wordt een
tweede uitkering als bedoeld in artikel 1, onderdeel j , in
mindering gebracht op de eerste uitkering.
In het geval tevens inkomsten als bedoeld in het eerste en derde lid
worden genoten, worden deze inkomsten, na toepassing van de eerste
volzin, op de voet van het eerste lid met de tweede uitkering verrekend.
6. In bijzondere gevallen kan Onze Minister van het hierboven
bepaalde ten gunste van de betrokkene afwijken.
Artikel 6
1. De betrokkene is verplicht van het ter hand nemen van enige
arbeid of bedrijf terstond mededeling te doen aan Onze Minister onder
opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die
werkzaamheden zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven,
dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn
opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de
werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten.
Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het doen van
mededelingen door de betrokkene met betrekking tot de inkomsten uit of
in verband met arbeid of bedrijf.
2. Brengt de aard van de werkzaamheden of van de inkomsten mede,
dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan
geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een
vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder
voorbehoud van verrekening aan het eind van de evenbedoelde termijn. Ten
aanzien van deze verrekening is artikel 5, eerste lid, van toepassing,
met dien verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin
bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.
3. Onze Minister kan bij de vaststelling van het bedrag van de
vermindering van de opgave van de betrokkene afwijken.
4. Het eerste, tweede en derde lid vinden overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit,
bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid.
5. De betrokkene aan wie uitkering is toegekend, wordt door het
aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen, dat allen, die
daarvoor naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komen, omtrent
zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering
van dit besluit noodzakelijk zijn.
Artikel 7
Onze Minister kan bepalen, dat inkomsten welke zijn genoten uit
hoofde van overwerk, bij wijze van gratificatie, ter zake van een
vrijwillige verbintenis bij het Korps Nationale Reserve, bij de Reserve
Rijks- en Gemeentepolitie of bij andere door Onze Minister aan te wijzen
reserveorganen, geheel of ten dele niet worden aangemerkt als inkomsten.
Artikel 7a
1. Indien de betrokkene ongeschikt is tot het verrichten van
zijn arbeid wegens ziekte, is hij verplicht daarvan terstond
mededeling te doen aan Onze Minister. De betrokkene is eveneens
verplicht zijn herstel terstond te melden.
2. De uitkering wordt niet uitbetaald voor de duur dat de
betrokkene de in het eerste lid bedoelde verplichting niet nakomt.
Artikel 8
Indien de betrokkene ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte, kan hij door Onze Minister worden verplicht zich
geneeskundig te doen onderzoeken.
Einde en verval van het recht op uitkering
Artikel 9
1. Het recht op uitkering eindigt:
a. behoudens het bepaalde in het tweede lid, met ingang van de dag
waarop de betrokkene recht verkrijgt op een uitkering op grond van de
WAO;
b. met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
overleden;
c. met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin
de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, eindigt
het recht op uitkering indien de betrokkene arbeidsongeschikt is voor
het vervullen van de betrekking die hij gedurende de met recht op
uitkering doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de
zin van het pensioenreglement, met ingang van de dag waarop betrokkene
uit bedoelde betrekking wordt ontslagen.
3. Het recht op uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden
verklaard indien de betrokkene:
a. zich zodanig gedraagt dat hij, ware hij in dienst gebleven, zou
zijn ontslagen;
b. weigert mee te werken aan een onderzoek tot vaststelling van
zijn arbeidsongeschiktheid ter verkrijging van een uitkering op grond
van de WAO.
Aanspraak op toelage
Artikel 10
1. Indien en voorzover de aan betrokkene toegekende uitkering
op grond van de WAO, eventueel vermeerderd met een
invaliditeitspensioen, lager is dan de uitkering waarop hij aanspraak
zou hebben gehad, indien er geen sprake zou zijn van
arbeidsongeschiktheid, wordt hem het verschil bij wijze van toelage
uitgekeerd.
2. De betrokkene die na afloop van de periode van 52 weken,
bedoeld in artikel 19 van de WAO, geen uitkering op grond van de WAO
aanvraagt, wordt voor de toepassing van dit besluit behandeld alsof hem
een uitkering op grond van de WAO is toegekend berekend naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
3. Indien de uitkering op grond van de WAO van de betrokkene die
ter zake van dezelfde dienstverhouding aanspraak heeft op een uitkering
en een uitkering op grond van de WAO, als gevolg van een handelen of
nalaten een vermindering ondergaat, of het recht daarop geheel of
gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt bedoelde uitkering op grond van de
WAO voor de toepassing van dit besluit geacht onverminderd te zijn
genoten.
Vermindering en niet-uitbetaling van de uitkering
Artikel 11
Ten aanzien van de betrokkene, die na zijn ontslag uit hoofde van
ziekte of arbeidsongeschiktheid nog aanspraken in verband met de
betrekking, waaruit hij is ontslagen, heeft of krijgt, wordt de
uitkering dan wel de toelage bedoeld in artikel 10 tot het einde van de
periode, waarover die aanspraken bestaan, verminderd met het bedrag
daarvan.
Artikel 12
Indien de betrokkene de gegevens, die noodzakelijk zijn voor de
vaststelling of de vermindering van de uitkering niet, niet volledig of
onjuist verstrekt, kan worden bepaald, dat de uitkering, zolang zulks
het geval is, niet of slechts gedeeltelijk wordt uitbetaald.
Betaling
Artikel 13
1. De uitkering over een maand berekend, wordt in maandelijkse
termijnen betaald. Met toestemming van de betrokkene kan de
uitbetaling in langere termijnen geschieden.
2. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene aan
wie uitkering is toegekend, wordt aan de weduwe of weduwnaar, van wie de
overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk
aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden. Wordt op de
uitkering een vermindering toegepast krachtens deartikelen 4a, 5, eerste
lid,6 en 12, of wordt artikel 9, derde lid, toegepast, dan is de in de
eerste volzin bedoelde uitkering gelijk aan het bedrag van de uitkering
die de betrokkene op de dag van het overlijden ontving, over een tijdvak
van drie maanden. Ingeval recht bestaat op twee uitkeringen als bedoeld
in artikel 1, onderdeel j , en geen vermindering, anders dan
krachtens artikel 5, vijfde lid, eerste volzin, krachtens enige bepaling
van dit besluit wordt toegepast, wordt meerbedoelde uitkering gesteld op
het bedrag van de hoogste bezoldiging, waarvan de betreffende uitkering
is afgeleid, over een tijdvak van drie maanden. Indien zulks wel het
geval is, wordt op het bedrag der uitkering in mindering gebracht de
uitkering wegens overlijden, waarop aanspraak bestaat uit hoofde van een
andere dienstbetrekking.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of
weduwnaar mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner dan wel
de achtergebleven partner die is aangemeld bij de Stichting
Pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als zodanig is
aangemerkt.
4. De in het derde lid bedoelde gelijkstelling is niet van
toepassing indien die aanmerking als partner anders dan door overlijden
van de betrokken ambtenaar is geëindigd.
5. Laat de overledene geen weduwe of geen weduwnaar na van wie
hij, onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan
geschiedt de uitkering van het in het tweede lid bedoelde bedrag ten
behoeve van de minderjarige kinderen van de overledene, of minderjarige
kinderen waarover de overledene ten tijde van het overlijden de
pleegouderlijke zorg droeg.
Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud
en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk
van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding
daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering
van het in het tweede lid bedoelde bedrag aan degenen die geheel of
grotendeels afhankelijk waren van de inkomsten van de overledene.
6. Op de uitkering, bedoeld in het tweede of derde lid, wordt in
mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden
aanspraak kunnen maken krachtens artikel 62, zevende lid, van het
Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.
7. Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het
tweede, derde of vierde lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag
geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van
de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor
de betaling van die kosten ontoereikend is.
Artikel 14 [Vervallen per 09-06-1995]
Slotbepalingen
Artikel 15
Een uitkering op grond van de Regeling functioneel leeftijdsontslag
toegekend terzake van een ontslag uit de burgerlijke openbare dienst bij
het Ministerie van Defensie, wordt gelijkgesteld met een uitkering,
toegekend op grond van dit besluit.
Artikel 16
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 1 april 1993.
Artikel 17
Dit besluit wordt aangehaald als "Besluit uitkering wegens
functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie",
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 25 juni 1993
BEATRIX
De Minister van Defensie,
A.L. ter Beek
Uitgegeven de dertiende juli 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|