| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Ambtenarenwet (AW)
BESLUIT
ZIEKTE EN ARBEIDSONGESCHIKTHEID VOOR
ONDERWIJSPERSONEEL PRIMAIR
ONDERWIJS (Bza)
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 21 december 1995, houdende vaststelling van het tijdelijk
Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekspersoneel
en wijziging van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, het
Kaderbesluit rechtspositie HBO, het Rechtspositiereglement
wetenschappelijk onderwijs en onderzoek en het Besluit werkloosheid
onderwijs en onderzoekspersoneel
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen van 24 juli 1995, nr. 95019 965, directie
Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit, gedaan mede namens Onze Minister
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op artikel 20, tweede lid, van de Wet op het
basisonderwijs,
artikel 28, tweede lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en
het voortgezet speciaal onderwijs, de artikelen 39, tweede lid, en 76,
van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 4 van de Experimentenwet
onderwijs, de artikelen 4.1.2, tweede lid, 4.1.4 en 4.3.1, tweede lid,
van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 58 van de Wet op de
onderwijsverzorging, de artikelen 4.5, 9.74, tweede lid, 10.10, derde
lid, 11.12, eerste lid, 12.5, 13.1, vijfde lid, 13.3, vijfde lid, van
de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de
artikelen 14, eerste lid, en 35 van de Wet op de Nederlandse organisatie
voor Wetenschappelijk Onderzoek en de artikelen 125 en 134 van de
Ambtenarenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 14 december 1995, nr.
W05.95.0411);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij, van 15 december 1995, nr. AB 95034376,
directie Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel I
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap, en voor wat betreft het landbouwonderwijs, Onze Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
b. instelling:
1. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere
basisschool of speciale school voor basisonderwijs in de zin van
de Wet op het primair onderwijs;
2. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere
school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs
dan wel speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in de zin van
de Wet op de expertisecentra;
3. Een instelling gebaseerd op de Experimentenwet onderwijs;
4. [vervallen;]
5. [vervallen;]
6. een centrale dienst als bedoeld in artikel 68 van de Wet
op het primair onderwijs en artikel 69 van de Wet op de
expertisecentra;
7. een rechtspersoon die met toepassing van artikel 2, eerste
lid, onderdelen f. en g., dan wel derde lid, onderdeel b. van de
Wet privatisering ABP is aangewezen, onderscheidenlijk wordt
geacht te zijn aangewezen als lichaam, welks personeel geheel of
ten dele overheidswerknemer is in de zin van die wet, indien dat
lichaam middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk wordt
gesubsidieerd ten laste van hoofdstuk VIII van de Rijksbegroting
en waarop dit besluit door Onze Minister van toepassing is
verklaard;
8. een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onder a, van de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
9. de organisatie genoemd in de Wet op de Nederlandse
organisatie voor wetenschappelijk onderzoek.
c. betrokkene:
1. een personeelslid als bedoeld in de artikelen 34 en 68 van
de Wet op het primair onderwijs;
2. een personeelslid als bedoeld in de artikelen 34 en 69 van
de Wet op de expertisecentra;
3. een personeelslid van een school waarvoor ingevolge
artikel 4, eerste lid, van de Experimentenwet onderwijs, de
formatie wordt vastgesteld;
4. [vervallen;]
5. een door het bevoegd gezag benoemd personeelslid aan één
of meer van de onder b in de onderdelen 5 en 7 genoemde
instellingen
6. [vervallen;]
7. het benoemde lid van het algemeen bestuur van de
organisatie genoemd in de Wet op de Nederlandse organisatie voor
wetenschappelijk onderzoek; alsmede in voorkomende gevallen de
gewezen betrokkene door wie een uitkering is aangevraagd of aan
wie een uitkering ingevolge dit besluit is toegekend.
De betrokkene, alsmede de gewezen betrokkene, die geen
overheidswerknemer is in de zin van de WPA, kan aan dit besluit geen
rechten ontlenen.
d. bevoegd gezag:
Ten aanzien van:
- een rijksinstelling zonder rechtspersoonlijkheid: Onze
Minister;
- een rijksinstelling met rechtspersoonlijkheid: het college
van bestuur;
- een publiekrechtelijke provinciale instelling: het college
van gedeputeerde staten, voor zover de provinciale staten niet
anders bepalen, en, indien de provinciale staten dit wenselijk
oordelen, met inachtneming van door hen te stellen regelen;
- een gemeentelijke instelling: het college van burgemeester
en wethouders, voorzover de raad niet anders bepaalt, en, indien
de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te
stellen regelen, dan wel, wanneer de instelling van meer dan
één gemeente uitgaat, het krachtens de desbetreffende
gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;
- een publiekrechtelijke regionale instelling: het krachtens
de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;
- een privaatrechtelijke instelling met of zonder
rechtspersoonlijkheid: het instellingsbestuur.
e. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen,
samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met
verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld,
ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en
doelvermogens;
f. bezoldiging: de som van het salaris, de vakantie-uitkering en
de overige in het voor de betrokkene van toepassing zijnde
rechtspositiebesluit of CAO opgenomen toelagen, toeslagen en
eindejaarsuitkeringen;
g. arbodienst: een arbodienst als bedoeld in de
Arbeidsomstandighedenwet;
h. geneeskundig onderzoek: een onderzoek door of namens het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, dan wel een voor
rekening van het bevoegd gezag komend onderzoek door de arbodienst;
i. geneeskundige verklaring: een geneeskundige verklaring,
afgegeven op grond van het geneeskundig onderzoek;
j. bedrijfsgezondheidskundige begeleiding: de begeleiding door of
namens een arbodienst, gericht op het voorkomen van ziekte en
arbeidsongeschiktheid, dan wel op het eindigen daarvan.
k. WPA: de Wet privatisering ABP;
l. WAO: de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering;
m. AAW: de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet;
n. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
o. pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP;
p. arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin van
artikel 18, eerste lid, van de WAO;
q. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een uit enig dienstverband
van de betrokkene voortvloeiende en aan hem periodiek uitbetaalde
uitkering terzake van het op grond van ziekten of gebreken geheel of
gedeeltelijk ongeschikt zijn om passende, dan wel gangbare arbeid te
verrichten;
r. passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en
bekwaamheden van de betrokkene is berekend, tenzij aanvaarding om
redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem
kan worden gevergd;
s. gangbare arbeid: alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de
betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is en waarmee
hij kan verdienen, hetgeen gezonde personen met soortgelijke
opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het
laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid
gewoonlijk verdienen.
Niet daaronder wordt verstaan een dienstbetrekking in de zin van
de Wet op de sociale werkvoorziening;
t. WAO uitkering: een op grond van de WAO toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
u. werkloosheidsuitkering: een periodieke uitkering terzake van
ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit enig dienstverband van
betrokkene;
v. suppletie: een uitkering na ontslag krachtens hoofdstuk 3 van
dit besluit terzake van een op het moment van ontslag bestaande
arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% in de zin van de WAO;
w. invaliditeitspensioen: een invaliditeitspensioen als bedoeld
in paragraaf 8 van het pensioenreglement;
x. herplaatsingstoelage: een toelage bij herplaatsing als bedoeld
in paragraaf 9 van het pensioenreglement;
y. buitengewoon verlof: een met instandhouding van de
arbeidsovereenkomst of aanstelling, tussen een instelling en de bij
die instelling in dienst zijnde betrokkene, overeengekomen periode
van verlof, zonder behoud van bezoldiging;
z. ZW: de Ziektewet;
aa. ZW-uitkering: ziekengeld als bedoeld in artikel 19 van de
Ziektewet;
bb. WW: de Werkloosheidswet;
cc. BBWO: Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor
onderwijspersoneel primair onderwijs;
dd. de OOW: de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen;
ee. fase 2 en fase 3 van de OOW: fase 2 respectievelijk fase 3,
bedoeld in artikel 94, tweede lid, OOW;
ff. deskundige persoon: een deskundige persoon als bedoeld in
artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast
is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b of
c, van die wet;
gg. Wet WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
hh. WIA-uitkering: de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de
werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in
hoofdstuk 6 onderscheidenlijk 7 van de Wet WIA;
ii. IVA-uitkering: de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in
hoofdstuk 6 van de Wet WIA;
jj. WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
arbeidsgeschikten, bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet WIA.
Artikel 2. Bedrijfsgezondheidszorg
1.De betrokkene geniet bedrijfsgezondheidskundige begeleiding
overeenkomstig het bepaalde in dit besluit.
2.De bedrijfsgezondheidskundige begeleiding van de betrokkene
geschiedt door of vanwege de deskundige persoon of de arbodienst in
samenwerking met het bevoegd gezag.
3.De betrokkene is gehouden mee te werken aan geneeskundig
onderzoek en bedrijfsgezondheidskundige begeleiding van de deskundige
persoon of de arbodienst, welke voortvloeien uit de bepalingen van dit
besluit.
4.Onverminderd de mogelijkheid de deskundige persoon of de
arbodienst rechtstreeks te consulteren ter zake van met zijn
arbeidssituatie samenhangende gezondheidsproblemen kan de betrokkene
het bevoegd gezag verzoeken hem in verband hiermee aan een onderzoek
vanwege de deskundige persoon of de arbodienst te onderwerpen.
Artikel 3. Ziekte en arbeidsongeschiktheid
1.De betrokkene die wegens ziekte geheel of gedeeltelijk verhinderd
is zijn arbeid te verrichten, geniet van rechtswege geheel of
gedeeltelijk verlof.
2.Onder zijn arbeid wordt verstaan de functie van betrokkene, dan
wel het samenstel van zijn werkzaamheden en de voorwaarden waaronder
die verricht worden.
3.Tijdens het geheel of gedeeltelijk verlof wegens ziekte of
arbeidsongeschiktheid wordt de betrekking van de betrokkene geacht
naar aard en omvang ongewijzigd te blijven, zulks onverminderd:
a. artikel 20 en artikel 20a;
b. de mogelijkheid om de dienstbetrekking, dan wel de
betrekkingsomvang, op verzoek van betrokkene geheel of
gedeeltelijk te beëindigen, onderscheidenlijk te verminderen;
c. de mogelijkheid van beëindiging van de dienstbetrekking,
dan wel vermindering van de betrekkingsomvang, wanneer de
dienstbetrekking voor bepaalde tijd, onderscheidenlijk de
uitbreiding van de betrekkingsomvang voor bepaalde tijd is
overeengekomen;
d. de mogelijkheid van een ontslag op staande voet wegens
dringende redenen;
e. de mogelijkheid van beëindiging van de dienstbetrekking op
grond van gewichtige redenen, waaronder de mogelijkheid om het
dienstverband te doen beëindigen in verband met de opheffing van
de betrekking.
4.De betrokkene is verplicht zo spoedig mogelijk aan het bevoegd
gezag mededeling te doen van zijn verhindering, zijn medewerking te
verlenen aan een krachtens dit besluit opgedragen geneeskundig
onderzoek en ook overigens de hem in dit verband door de deskundige
persoon, de arbodienst of het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen gegeven voorschriften na te leven.
5.Het bevoegd gezag dat krachtens dit besluit een geneeskundig
onderzoek heeft opgedragen kan, in afwachting van de conclusie
daarvan, de betrokkene in dringende gevallen van medische aard de
toegang verbieden tot het gebouw of de gebouwen waarin hij zijn
werkzaamheden gewoonlijk verricht. Indien blijkens een geneeskundige
verklaring gevaar voor besmetting met een besmettelijke ziekte
bestaat, geldt dit verbod van rechtswege.
Artikel 4. Verlof wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid
1.De betrokkene die geheel of gedeeltelijk wegens ziekte verhinderd
is zijn dienstbetrekking te vervullen, behoudt gedurende een termijn
van 12 maanden zijn volle bezoldiging. Vervolgens geniet de betrokkene
over de verlofuren wegens ziekte 70% van zijn bezoldiging tot het
einde van zijn dienstverband. Indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op grond van artikel 71a, negende lid van de
WAO dan wel artikel 25, negende lid, van de Wet WIA een tijdvak vast
stelt, gedurende hetwelk de betrokkene jegens het bevoegd gezag
aanspraak op bezoldiging heeft, geniet de betrokkene over dat tijdvak
80% van zijn bezoldiging over de verlofuren wegens ziekte.
2.Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden waarin de
betrokkene wegens ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap
of bevalling verhinderd is om zijn dienst te verrichten, samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een
periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten
overeenkomstig artikel 3.1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en
zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden
voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
3.Indien de betrokkene een ZW-uitkering, een WW-uitkering, een
bovenwettelijke WW-uitkering, een bovenwettelijke
arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel een WAO- of WIA-uitkering is
toegekend, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op
het bedrag, waarop hij ingevolge de in het eerste lid bedoelde
bezoldiging recht heeft. Ingeval betrokkene recht heeft op een
ZW-uitkering, een WW-uitkering, een bovenwettelijke WW-uitkering, een
bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel een WAO- of
WIA-uitkering uit hoofde van één of meer dienstbetrekkingen wordt
die uitkering voor de toepassing van de vorige volzin toegerekend aan
de dienstbetrekking, waaruit de bezoldiging wordt doorbetaald, naar
rato van het totaal aan inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
dienstbetrekkingen. Het in mindering brengen als bedoeld in de eerste
volzin vindt zodanig plaats dat de betrokkene nooit meer ontvangt dan
het bedrag waarop hij ingevolge het eerste lid recht heeft, dan wel
maximaal een bedrag ter hoogte van de wettelijke en bovenwettelijke
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien deze tezamen hoger zijn dan het
bedrag waarop hij ingevolge het eerste lid recht heeft.
4.Indien, als gevolg van het handelen of het nalaten van
handelingen door betrokkene, de ZW-uitkering, een WW-uitkering, een
bovenwettelijke WW-uitkering, een bovenwettelijke
arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel een WAO- of WIA-uitkering
geheel of gedeeltelijk geweigerd wordt, dan wel blijvende of
tijdelijke vermindering ondergaat, wordt deze uitkering voor de
toepassing van het derde lid geacht steeds onverminderd te zijn
genoten.
5.Ten aanzien van de betrokkene, die zijn arbeid aan meer dan één
instelling verricht, worden voor de toepassing van dit artikel zijn
werkzaamheden overeenkomstig zijn verzoek al dan niet als één geheel
beschouwd, tenzij hier tegen op grond van een geneeskundige verklaring
bezwaren bestaan.
6.Indien de betrokkene geen machtiging afgeeft om de ZW-uitkering,
een WW-uitkering, een bovenwettelijke WW-uitkering, een
bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel een WAO- of
WIA-uitkering te doen uitbetalen aan zijn bevoegd gezag, geeft hij
daarvan onverwijld kennis aan het betrokken bevoegd gezag.
7.De periode waarin betrokkene zwangerschaps- of bevallingsverlof
geniet overeenkomstig artikel 3.1, tweede en derde lid, van de Wet
arbeid en zorg wordt niet als een periode van ziekte of
arbeidsongeschiktheid beschouwd.
Artikel 5 [Vervallen per 11-02-2005]
Artikel 6. Ziekte en arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door de
werkzaamheden
1.Het bevoegd gezag en de betrokkene zijn verplicht zich als een
goed werkgever en een goed werknemer te gedragen.
2.Het bevoegd gezag is verplicht de lokalen, werktuigen,
hulpmiddelen en gereedschappen waarin of waarmee het de arbeid doet
verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede
voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en
aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te
voorkomen dat de betrokkene in de uitoefening van zijn werkzaamheden
schade lijdt.
3.Het bevoegd gezag is jegens de betrokkene aansprakelijk voor de
schade die de betrokkene in de uitoefening van zijn werkzaamheden
lijdt, tenzij het aantoont dat het de in het tweede lid bedoelde
verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het
gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van betrokkene.
4.Het bevoegd gezag kan uit hoofde van het eerste lid de werknemer
schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke
tegemoetkoming verlenen naar hetgeen met het oog op de omstandigheden
redelijk te achten is.
5.Het bevoegd gezag is bij aansprakelijkheid uit hoofde van het
derde lid verplicht de betrokkene schadeloos te stellen, kosten te
vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming te verlenen.
6.De schadeloosstelling vergoedt ten minste de loonschade van de
betrokkene tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid, voor zover deze
niet wordt gedekt door het recht van de werknemer op loondoorbetaling
bij ziekte, een eventuele vergoeding van kosten op grond van artikel
43 of op een wettelijke of bovenwettelijke
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
7.Het derde tot en met zesde lid van dit artikel blijven buiten
toepassing ten aanzien van de betrokkene die zonder aannemelijke
redenen verzuimd heeft aan het bevoegd gezag binnen 30 dagen
mededeling te doen van het bestaan van een omstandigheid als bedoeld
in het derde of vierde lid.
Artikel 7. Voortgezet verlof wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid
binnen vier weken
Ter bepaling van de in artikel 4, eerste lid, genoemde termijn wordt
een opnieuw ingegaan verlof wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid als
een voortzetting van het vorige verlof beschouwd, tenzij het nieuwe
verlof zich voordoet nadat de betrokkene gedurende ten minste vier weken
zijn dienst daadwerkelijk volledig had hervat.
Artikel 8. Controle bij hervatting
1.Ten aanzien van de betrokkene die verlof wegens ziekte of
arbeidsongeschiktheid geniet, kan het bevoegd gezag bepalen, dat hij
zijn arbeid slechts zal mogen hervatten indien blijkens een
geneeskundige verklaring, waarbij is bepaald de mate, waarin de
hervatting kan geschieden, daarvoor toestemming is verleend. Deze
toestemming is in ieder geval vereist, wanneer de betrokkene gedurende
meer dan één jaar evenbedoeld verlof volledig heeft genoten.
2.De betrokkene die verlof wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid
geniet kan, doch niet vaker dan éénmaal in een tijdvak van één
maand, het bevoegd gezag schriftelijk verzoeken hem te doen
onderwerpen aan een onderzoek door de deskundige persoon of de
arbodienst, ter verkrijging van een geneeskundige verklaring als
bedoeld in het eerste lid. Het bevoegd gezag is gehouden binnen 14
dagen aan dit verzoek te voldoen.
Artikel 9. Zwangerschaps- en bevallingsverlof
1.De vrouwelijke betrokkene heeft in verband met haar bevalling
aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof.
2.Gedurende het zwangerschap- en bevallingsverlof, bedoeld in het
eerste lid, heeft de vrouwelijke betrokkene aanspraak op haar volle
bezoldiging.
3.Indien aan de vrouwelijke betrokkene een uitkering op grond van
Hoofdstuk 3, afdeling 2 van de Wet Arbeid en Zorg is toegekend, wordt
het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag,
waarop zij ingevolge het tweede lid recht heeft.
4.Indien de vrouwelijke betrokkene recht heeft op een uitkering als
bedoeld in het derde lid, maar deze uitkering als gevolg van het
achterwege laten van een aanvraag daartoe door de vrouwelijke
betrokkene niet wordt toegekend, wordt deze uitkering voor de
toepassing van het derde lid geacht toch te zijn genoten.
5.De betrokkene doet ten minste vier weken voor de dag waarop de
bevalling over zes weken is te verwachten aan het bevoegd gezag
mededeling van de datum van ingang van het zwangerschapsverlof.
Artikel 10. Besmettelijke ziekten van derden
1.De betrokkene, die in contact staat of kort geleden heeft gestaan
met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het
krachtens de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing
ziekteoorzaken bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn
arbeid niet verrichten en heeft geen toegang tot de dienstgebouwen,
-lokalen en -terreinen, waarin en waarop hij zijn werkzaamheden
gewoonlijk verricht dan met toestemming van de deskundige persoon of
de arbodienst.
2.De betrokkene die verkeert in de in het vorige lid omschreven
situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan het
bevoegd gezag. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door de
deskundige persoon of de arbodienst gegeven aanwijzingen, waaronder
die met betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek.
3.Gedurende de periode, dat de betrokkene ingevolge dit artikel
zijn arbeid niet verricht, geniet hij zijn volle bezoldiging.
Artikel 11. Regels voor het bevoegd gezag met betrekking tot de
reïntegratie van de zieke betrokkene
1.Het bevoegd gezag spant zich in om de betrokkene, die in verband
met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te
verrichten, te reïntegreren in diens eigen functie, waarbij zonodig
technische aanpassingen van de werkplek, een andere groepering van
taken of aanpassing van de werkomgeving wordt toegepast. Als
reïntegratie in de eigen functie niet mogelijk is, spant het bevoegd
gezag zich in om de werknemer te reïntegreren in een andere functie
bij het bevoegd gezag. Bij de toepassing van de tweede volzin geldt
als uitgangspunt dat de nieuwe functie zoveel mogelijk aansluit bij
opleiding en ervaring van de betrokkene. Indien het bevoegd gezag
aannemelijk maakt dat geen andere functie voor de betrokkene in
aanmerking komt of geen geschikte functie kan worden gecreëerd door
een andere groepering van taken of een aanpassing van de werkomgeving,
bevordert het bevoegd gezag de plaatsing van de betrokkene in een voor
hem passende functie bij een andere werkgever.
2.Uit hoofde van zijn verplichting, bedoeld in het eerste lid,
stelt het bevoegd gezag in overeenstemming met de betrokkene een plan
van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO, dan
wel artikel 25, tweede, van de Wet WIA. Het plan van aanpak wordt met
medewerking van de betrokkene regelmatig geëvalueerd en zo nodig
bijgesteld. Indien voor reïntegratie in een andere functie bij het
bevoegd gezag her-, om- of bijscholing noodzakelijk is, stelt het
bevoegd gezag in overleg met de betrokkene een scholingsplan op.
Scholing op grond van het scholingsplan vindt plaats op kosten van het
bevoegd gezag en in werktijd van de betrokkene.
3.Het bevoegd gezag bevestigt een aanbod aan de betrokkene tot
plaatsing in een voor hem passende functie bij een andere werkgever
schriftelijk. In de schriftelijke bevestiging wordt gewezen op de
mogelijkheid, bedoeld in artikel 32, derde lid, onderdeel a, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
4.De in het eerste lid bedoelde plaatsing geschiedt door middel van
detachering. De detachering duurt totdat de betrokkene is ontslagen op
grond van artikel 20, tweede lid. Van de detachering wordt melding
gemaakt in de schriftelijke bevestiging als bedoeld in het derde lid.
5.Het bevoegd gezag biedt aan een bij hem in dienst zijnde
gedeeltelijk arbeidsgeschikte betrokkene die op grond van een
beoordeling door UWV in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse wordt
ingedeeld of niet langer arbeidsongeschikt is, een aanstelling
overeenkomend met de nieuwe restverdiencapaciteit aan, tenzij sprake
is van een zwaarwegend dienstbelang. Van een zwaarwegend dienstbelang
is in elk geval sprake als die uitbreiding leidt tot ernstige
problemen van financiële of organisatorische aard voor het bevoegd
gezag.
Artikel 11a. Regels voor de zieke betrokkene met betrekking tot
reïntegratie
De betrokkene die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is gehouden:
a. gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het
bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften
en mee te werken aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd
gezag aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in
artikel 11, eerste lid;
b. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 11, tweede
lid;
c. passende arbeid te verrichten waartoe het bevoegd gezag hem in
de gelegenheid stelt.
Artikel 12. Onderzoek naar het recht op een WAO- of WIA-uitkering
1.Ter zake van het onderzoek naar het recht op een WAO- of
WIA-uitkering is de betrokkene gehouden te voldoen aan alle
voorschriften en verplichtingen, die onmiddellijk dan wel middellijk
uit de bepalingen van de WAO of de Wet WIA voortvloeien. Hieronder
worden tevens verstaan voorschriften en verplichtingen, van welke aard
dan ook, hem opgelegd door of vanwege het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
2.Indien bij het onderzoek naar de beoordeling van het recht op een
uitkering, als bedoeld in het eerste lid, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen van oordeel is dat de betrokkene
arbeidsgeschikt is voor en herplaatsbaar te achten in zijn eigen
betrekking, zij het onder andere voorwaarden, draagt het bevoegd gezag
binnen één jaar na dat oordeel zorg voor effectuering van die andere
voorwaarden.
3.Indien bij het onderzoek naar de beoordeling van het recht op een
uitkering, als bedoeld in het eerste lid, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen van oordeel is dat de betrokkene
arbeidsgeschikt is voor en herplaatsbaar in één of meer andere
functies bij het bevoegd gezag, draagt het bevoegd gezag er zorg voor,
dat de betrokkene binnen één jaar na dat oordeel wordt benoemd in
die functie of één van die functies.
Artikel 13. Inkomsten uit wenselijk geachte arbeid
1.Indien de betrokkene in het belang van zijn re-integratie op
advies van de deskundige persoon, de arbo-dienst of het
re-integratiebedrijf wenselijk geachte arbeid voor het bevoegd gezag
of voor derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid geheel in
mindering gebracht op zijn bezoldiging. Onder in het belang van zijn
reïntegratie wenselijk geachte arbeid wordt niet verstaan arbeid op
therapeutische basis. Er is sprake van arbeid op therapeutische basis,
indien de arbeid van de betrokkene aan de volgende eisen voldoet:
a. de activiteiten moeten binnen een van tevoren aangegeven
periode uitgevoerd worden
b. de periode mag niet langer dan 6 weken zijn
c. de werkzaamheden moeten deel uitmaken van een opbouwend
reïntegratietraject
d. het mag géén bestaande functie zijn die in de CAO staat
omschreven
e. het moet een gecreëerde functie zijn
f. er moet te allen tijde begeleiding aanwezig zijn
g. de persoon moet op elk moment weg kunnen gaan.
2.Indien de betrokkene na 12 maanden ziekte in het belang van zijn
reïntegratie op advies van de deskundige persoon, de ARBO-dienst of
het reïntegratiebedrijf voor het bevoegd gezag of voor derden
wenselijk geachte arbeid verricht, behoudt hij voor de uren dat
bedoelde arbeid wordt verricht de bezoldiging per uur in de eigen
functie en over de resterende verlofuren wegens ziekte 70% van de
bezoldiging in de eigen functie. Artikel 4, derde tot en met zevende
lid, is van toepassing.
3.Scholing ten behoeve van reïntegratie geldt als ziekteverlof,
tenzij het op advies van de deskundige persoon, de Arbo-dienst of het
reïntegratiebedrijf met het bevoegd gezag overeengekomen voor
reïntegratie noodzakelijke scholing betreft. Deze voor reïntegratie
noodzakelijke scholing dient gevolgd te worden binnen het kader van
het verrichten van de in het eerste en tweede lid bedoelde wenselijk
geachte arbeid.
Artikel 14. Geen aanspraak op bezoldiging
Geen aanspraak op bezoldiging bestaat, indien blijkens een
geneeskundige verklaring:
a. de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven is
voorgesteld, dat verhindering tot de verrichting van zijn arbeid
niet kan worden aangenomen;
b. de betrokkene de ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij
hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan
worden gemaakt;
c. de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een half
jaar na de geneeskundige keuring die terzake van zijn benoeming
heeft plaatsgevonden, en alsdan blijkt dat de betrokkene hierbij
kennelijk opzettelijk onjuiste informatie over zijn
gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen,
tengevolge waarvan hij toen ten onrechte geschikt is verklaard.
Artikel 15. Staken van bezoldiging
1.De aanspraak op bezoldiging kan door het bevoegd gezag geheel of
ten dele vervallen worden verklaard, indien en zolang de betrokkene:
a. weigert zich te onderwerpen aan een krachtens dit besluit
opgedragen geneeskundig onderzoek, dan wel, na voor zulk een
onderzoek behoorlijk te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet
verschijnt;
b. weigert of verzuimt tijdig een een WAO- of WIA-uitkering bij
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan te vragen,
dan wel een verzoek tot verlenging van die uitkering bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in te dienen;
c. weigert de volledige medewerking te verlenen aan een
geneeskundig onderzoek ter beoordeling van zijn recht op een een
WAO- of WIA-uitkering;
d. de controlevoorschriften overtreedt, indien deze voor hem
zijn vastgesteld;
e. het land verlaat zonder een geneeskundige verklaring van
geen bezwaar;
f. ten onrechte verzuimt zich onder geneeskundige behandeling
te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de
hem door de deskundige persoon, de arbodienst of het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gegeven
voorschriften, of anderszins zich zodanig gedraagt, dat zijn
genezing wordt belemmerd of vertraagd, met dien verstande, dat te
dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een
ingreep van heelkundige of diagnostische aard zijn uitgezonderd;
g. tijdens de verhindering om zijn dienst te verrichten, voor
zichzelf of voor derden arbeid verricht, tenzij dit blijkens een
geneeskundige verklaring door de arbodienst of het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in het belang van
zijn genezing, reïntegratie of herplaatsbaarheid gewenst wordt
geacht;
h. in gebreke blijft op het door de arbodienst of het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bepaalde tijdstip en
in de door hen bepaalde mate zijn arbeid of hem passende arbeid,
dan wel, na afloop van een periode van 52 weken onafgebroken
arbeidsongeschiktheid, gangbare arbeid te verrichten, tenzij hij
daarvoor een inmiddels ontstane, door de arbodienst of het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als geldig erkende
reden heeft opgegeven;
i. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door het
bevoegd gezag of door een door het bevoegd gezag aangewezen
deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen
maatregelen die er op gericht zijn om de betrokkene in staat te
stellen passende arbeid te verrichten;
j. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het
opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als
bedoeld in artikel 11, tweede lid.
2.Het geheel of gedeeltelijk vervallen van aanspraken, bedoeld in
het eerste lid, gaat in op een tijdstip, bij de beslissing van het
bevoegd gezag vermeld. Dit tijdstip ligt niet voor de dag van die
beslissing.
3.De door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
overeenkomstig hoofdstuk II van de WAO dan wel hoofdstuk 10 van de Wet
WIA vastgestelde en opgelegde voorschriften en verplichtingen gelden
voor de betrokkene als waren deze vastgesteld en opgelegd door het
bevoegd gezag.
4.Indien betrokkene door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen één of meer sancties zijn opgelegd
overeenkomstig hoofdstuk II van de WAO dan wel hoofdstuk 10 van de Wet
WIA, gelden deze sancties voor betrokkene als waren zij hem opgelegd
door het bevoegd gezag met dienovereenkomstige uitwerking op de
bezoldiging.
5.De ingevolge artikel 14 of dit artikel geheel of gedeeltelijk
geweigerde of vervallen verklaarde bezoldiging, wordt alsnog aan de
betrokkene uitbetaald, wanneer de commissie van artsen bij een
hernieuwd onderzoek, ingesteld overeenkomstig artikel 19, te zijnen
gunste beslist. Eveneens wordt de geheel of gedeeltelijk geweigerde of
vervallen verklaarde bezoldiging alsnog aan betrokkene uitbetaald
ingeval, en afhankelijk van de mate waarin, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen naderhand van oordeel mocht zijn dat de
sancties, bedoeld in het vierde lid, ten onrechte zijn opgelegd.
Uitbetaling van evenbedoelde bezoldiging vindt plaats met dien
verstande, dat een uitkering ingevolge artikel 16, tweede lid, daarop
in mindering wordt gebracht.
Artikel 16. Uitbetaling en uitkering aan anderen
1.Bij verpleging van de betrokkene in een ziekeninrichting, alsmede
in andere buitengewone omstandigheden, kan de uitbetaling van de
bezoldiging geheel of gedeeltelijk aan daartoe door de betrokkene
gemachtigden geschieden. Indien de betrokkene niet tot machtiging in
staat is, kan door het bevoegd gezag worden bepaald, dat machtiging
wordt geacht te zijn verleend aan daarvoor redelijkerwijs in
aanmerking komende personen.
2.In bijzondere omstandigheden kan door het bevoegd gezag, dan wel
door Onze Minister ingeval de betrokkene in dienstbetrekking werkzaam
is bij een of meer instellingen genoemd in artikel 1, onderdelen b1 en
b2 en onderdeel b3 voor zover betrekking hebbend op scholen voor
praktijkonderwijs met declaratiebekostiging, worden bepaald dat in de
gevallen, bedoeld in de artikelen 14 en 15, een uitkering tot ten
hoogste het bedrag van de ingehouden bezoldiging geheel of
gedeeltelijk aan daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende
personen zal worden uitbetaald. Indien de betrokkene als lid van het
onderwijsondersteunend personeel in dienstbetrekking werkzaam is bij
een of meer instellingen, genoemd in artikel 1, onderdeel b1, is het
oordeel, bedoeld in de vorige volzin, voorbehouden aan het bevoegd
gezag.
Artikel 17. Onderzoek tijdens verlof wegens ziekte of
arbeidsongeschiktheid
1.Onverminderd de artikelen 11 en 12 kan het bevoegd gezag de
betrokkene doen onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek ter
beoordeling van de vraag:
a. of er sprake is van verhindering tot het verrichten van zijn
arbeid;
b. of zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 14
of in artikel 15, eerste lid onder f;
c. of verdere maatregelen in het belang van het herstel nodig
zijn;
d. wanneer en in welke mate de dienst kan worden hervat;
e. of er termen bestaan een geneeskundige verklaring van geen
bezwaar als bedoeld in artikel 15, eerste lid onder e, af te
geven.
2.Zodra het bevoegd gezag kennis heeft genomen van de conclusies
van het onderzoek, wordt de betrokkene van deze conclusies onverwijld
schriftelijk in kennis gesteld. Op verzoek van betrokkene wordt
eveneens zijn behandelend arts schriftelijk in kennis gesteld van
evenbedoelde conclusies.
Artikel 18. Onderzoek ondanks dienstvervulling
1.Het bevoegd gezag kan eveneens aan een geneeskundig onderzoek
doen onderwerpen de betrokkene die niet reeds verlof wegens ziekte of
arbeidsongeschiktheid geniet, indien daartoe naar het oordeel van het
bevoegd gezag gegronde, zowel aan de betrokkene als aan de deskundige
persoon of de arbodienst schriftelijk mee te delen redenen bestaan.
2.De betrokkene, die in verband met de uitoefening van zijn dienst
aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat, dan wel aan
bijzondere gezondheidseisen moet voldoen, is gehouden zich in overleg
met of op aanwijzing van de deskundige persoon of de arbodienst te
onderwerpen aan een periodiek geneeskundig onderzoek.
3.Zodra het bevoegd gezag kennis heeft kunnen nemen van de
conclusies van het in het eerste en tweede lid bedoelde onderzoek,
wordt de betrokkene van deze conclusies onverwijld schriftelijk in
kennis gesteld onder vermelding van de mogelijkheid van een hernieuwd
onderzoek binnen de in artikel 19 genoemde termijnen en onder de daar
gestelde voorwaarden. Op verzoek van de betrokkene wordt eveneens zijn
behandelend arts schriftelijk in kennis gesteld van evenbedoelde
conclusies.
4.Aan de betrokkene wiens lichamelijke of psychische toestand
blijkens de conclusie van het onderzoek zodanig is dat de belangen van
hemzelf, van de instelling of van bij zijn dienstuitoefening betrokken
derden zich tegen gehele of gedeeltelijke voortzetting van zijn arbeid
verzetten, wordt door het bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk verlof
verleend op de voet van de bepalingen van dit hoofdstuk. Gedurende dit
verlof draagt het bevoegd gezag aan de betrokkene zo mogelijk andere
werkzaamheden op, voorzover deze, gezien de voordien door hem
verrichte werkzaamheden redelijkerwijs passend zijn te achten.
Artikel 19. Hernieuwd onderzoek
1.Ingeval van een geschil over het wel of niet bestaan van
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte voorziet artikel 32, eerste
lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in
het instellen van een onderzoek en het geven van een oordeel.
2.De betrokkene die bedenkingen heeft tegen een conclusie van
geneeskundige aard, als bedoeld in artikel 18, kan daarvan binnen drie
dagen na ontvangst van de conclusie onder opgave van redenen aan het
bevoegd gezag schriftelijk mededeling doen. Hij kan ter ondersteuning
van zijn bedenkingen een verklaring overleggen van een arts, die
alsdan door de commissie, bedoeld in het tweede lid, in de gelegenheid
wordt gesteld tot het geven van een nadere schriftelijke of mondelinge
toelichting.
3.Behalve indien, na overleg met de deskundige persoon of de
arbodienst, door het bevoegd gezag de bedenkingen van de betrokkene
reeds aanstonds voldoende gegrond worden geacht, wordt binnen 14 dagen
op last van het bevoegd gezag door een commissie van artsen een
hernieuwd onderzoek ingesteld. In deze commissie mogen geen zitting
hebben de arts of artsen, die het eerste onderzoek, bedoeld in artikel
18, hebben verricht.
4.De conclusie van de commissie is bindend.
5.De conclusie van het onderzoek deelt de commissie zo spoedig
mogelijk schriftelijk mede:
a. aan het bevoegd gezag dat vervolgens hiervan onverwijld
schriftelijk kennis geeft aan de betrokkene;
b. aan de behandelend arts van betrokkene op verzoek van
laatstgenoemde.
6.De kosten van het hernieuwd onderzoek alsmede de kosten,
verbonden aan het onderzoek, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, komen voor
rekening van het bevoegd gezag. De eventuele reis- en verblijfkosten
van de betrokkene worden hem door het bevoegd gezag vergoed op basis
van nader door het bevoegd gezag te stellen regelen, dan wel, voor
zover het een instelling betreft, genoemd in artikel 1, onderdelen b1
tot en met b4, b6 en b7, op basis van de Regeling vergoeding van reis-
en verblijfskosten bij dienstreizen voor onderwijspersoneel.
7.Op de in het tweede en derde lid genoemde termijnen is de
Algemene termijnenwet van toepassing.
8.Dit artikel vindt geen toepassing ten aanzien van betrokkenen die
zijn ontslagen of wier dienstverband is beëindigd.
Artikel 20. Ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid voor de eigen
arbeid
1.Het bevoegd gezag kan, doch niet vaker dan eenmaal in een tijdvak
van drie maanden, de betrokkene doen onderwerpen aan een geneeskundig
onderzoek ter beantwoording van de vraag of volledige hervatting van
zijn arbeid al dan niet blijvend is uitgesloten.
2.Indien blijkt dat de betrokkene op grond van ziekten of gebreken
is geraakt in een toestand van blijvende ongeschiktheid om aan de aan
zijn functie gestelde vereisten te voldoen, kan hij worden ontslagen,
mits:
a. deze blijvende ongeschiktheid onafgebroken 2 jaar heeft
geduurd en;
b. herstel binnen een periode van 6 maanden na deze 2 jaar
redelijkerwijs niet is te verwachten en;
c. er bij het bevoegd gezag voor betrokkene geen reële
herplaatsingsmogelijkheden zijn.
3.Voor de berekening van de termijn, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van
arbeid tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps-
of bevallingsverlof, bedoeld in artikel 3.1, tweede en derde lid, van
de Wet arbeid en zorg, niet in aanmerking genomen. Perioden van
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, anders dan bedoeld in de
vorige volzin, worden samengeteld, indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct
voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3.1, tweede en
derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid
redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
oorzaak.
4.De termijn van twee jaren, bedoeld in het tweede lid, wordt
verlengd:
a. met de duur van de vertraging indien de werkgever de
aangifte, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet
later doet dan in dat artikel is voorgeschreven;
b. met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
artikel 19, eerste lid, van de WAO, indien die wachttijd op grond
van het zevende lid van dat artikel wordt verlengd; en
c. met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
artikel 24, eerste lid van de Wet WIA; en
d. met de duur van het tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft vastgesteld op grond van artikel
71a, negende lid, van de WAO dan wel artikel 25, negende lid, van
de Wet WIA.
5.Indien het bevoegd gezag wenst over te gaan tot ontslag, dient
het de betrokkene schriftelijk aan te zeggen dat de procedure ter
beoordeling van de medische geschiktheid voor de functie en de kansen
op herstel binnen drie maanden in gang wordt gezet. Deze aanzegging
geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de eerste ziektedag,
met dien verstande dat de procedure, bedoeld in het zevende en achtste
lid, uiterlijk in de 24e maand na de eerste ziektedag moet kunnen zijn
afgerond.
6.Bij het onderzoek ter beoordeling van de vraag of er sprake is
van een situatie, als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b,
betrekt het bevoegd gezag de uitslag van de WIA-claimbeoordeling en
een door het bevoegd gezag of de werknemer aangevraagd
deskundigenoordeel door het UWV.
7.Ter beoordeling van de vraag of er sprake is van een situatie,
als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is vereist dat het bevoegd
gezag door middel van een zorgvuldig onderzoek kan aantonen dat er
voor betrokkene geen reële herplaatsingsmogelijkheden zijn. Hiertoe
onderzoekt het bevoegd gezag eerst of de mogelijkheid bestaat van
plaatsing in een functie met passende arbeid, en daarna, indien die
mogelijkheid zich niet voordoet doch niet eerder dan na afloop van het
eerste ziektejaar, in een functie met gangbare arbeid.
8.Bij het onderzoek, bedoeld in het zevende lid, betrekt het
bevoegd gezag ook het resultaat van de WIA-claimbeoordeling en een
door bevoegd gezag of de werknemer aangevraagd deskundigenoordeel van
het UWV.
9.Indien bij het onderzoek naar de blijvende ongeschiktheid voor
zijn betrekking, bedoeld in de voorgaande leden, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in het kader van de
WIA-claimbeoordeling van oordeel is, dat de betrokkene arbeidsgeschikt
is voor en herplaatsbaar in zijn eigen betrekking onder andere
voorwaarden, dan wel in één of meer andere functies bij het bevoegd
gezag, is ontslag slechts mogelijk indien de betrokkene direct
aansluitend onder die andere voorwaarden in zijn betrekking, dan wel
in die andere functie of één van die andere functies wordt benoemd.
10.Tegen de conclusie van het onderzoek, bedoeld in het zevende
lid, alsmede het oordeel van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, bedoeld in het achtste lid, staat geen beroep
open bij de rechter.
11.Een betrokkene die door UWV in het kader van de uitvoering van
de Wet WIA voor 65% of meer arbeidsgeschikt is verklaard, wordt na
afloop van de termijn bedoeld in het tweede lid, niet ontslagen uit
zijn betrekking op grond van arbeidsongeschiktheid tenzij sprake is
van een zwaarwegend dienstbelang. Van een zwaarwegend dienstbelang is
in elk geval sprake indien het in dienst houden van betrokkene leidt
tot ernstige financiële problemen voor het bevoegd gezag. Bij
voortzetting van het dienstverband maken bevoegd gezag en betrokkene
afspraken over de inhoud van de functie en de daarbij behorende
beloning. De afspraken in het kader van een voortzetting van het
dienstverband worden schriftelijk bevestigd aan de betrokkene. Het
eventuele verschil tussen de oude en de nieuwe bezoldiging wordt
gedurende een periode van 5 jaar voor 65% gecompenseerd. Op deze
compensatie wordt een recht van de betrokkene op een wettelijke of
bovenwettelijke werkloosheidsuitkering terzake van werkloosheid uit de
in de eerste volzin bedoelde betrekking, in mindering gebracht.
12.De schriftelijke bevestiging, bedoeld in het elfde lid, is een
voor beroep vatbare beslissing.
13.Onder bezoldiging bedoeld in het elfde lid wordt verstaan de
bezoldiging, bedoeld in artikel 1 onderdeel f, waarbij een eventuele
korting op de bezoldiging op grond van artikel 4 dan wel op grond van
titel 16 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC of een daarmee
overeenkomende regeling op grond van een collectieve
arbeidsovereenkomst, buiten beschouwing blijft.
Artikel 20a. Ontslag in verband met niet meewerken aan reïntegratie
1.De betrokkene die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, kan worden ontslagen,
indien hij zonder deugdelijke grond weigert:
a. gevolg te geven aan de door het bevoegd gezag of een door
het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke
voorschriften en mee te werken aan door het bevoegd gezag of een
door het bevoegd gezag aangewezen deskundige getroffen maatregelen
om hem in staat te stellen de eigen of andere passende arbeid te
verrichten;
b. passende arbeid te verrichten waartoe het bevoegd gezag hem
in de gelegenheid stelt;
c. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 11,
tweede lid.
2.Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in
het eerste lid, wint het bevoegd gezag een hierop betrekking hebbend
advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in en
neemt dit mede in beschouwing.
Artikel 21 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 22 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 23 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 24 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 25 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 26 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 27 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 28 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 29 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 30 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 31 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 32 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 33 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 34 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 35 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 36 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 37 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 38 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 39. Aanspraken wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid na
ontslag of beëindiging van de dienstbetrekking
1.De gewezen betrokkene die wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid,
ontstaan voor het tijdstip waarop hem ontslag is verleend, niet zijnde
een ontslag op grond van ziekte of arbeidsongeschiktheid, dan wel
waarop een tijdelijke taakuitbreiding is beëindigd niet zijnde een
beëindiging op grond van ziekte of arbeidsongeschiktheid, dan wel
waarop zijn benoeming in tijdelijke dienst is afgelopen, nadien nog
ongeschikt is hem passende, dan wel, na onafgebroken
arbeidsongeschiktheid gedurende het in artikel 19, eerste en tweede
lid, van de WAO dan wel artikel 23, van de Wet WIA bedoelde tijdvak,
al dan niet verlengd op grond van artikel 19, zevende lid van de WAO
dan wel artikel 24 van de Wet WIA of artikel XV, veertiende lid, onder
a en c, van de Wet terugdringing ziekteverzuim, gangbare arbeid te
verrichten, een en ander voor zover hij niet als herplaatsbaar
verklaarde is herplaatst in een betrekking, behoudt gedurende zijn
ongeschiktheid een uitkering ter hoogte van zijn laatstgenoten
bezoldiging. Het in de vorige volzin bepaalde geldt slechts voorzover
de termijn van 12 maanden, genoemd in artikel 4, eerste lid, nog niet
is verstreken, doch uiterlijk tot de eerste dag van de maand volgende
op die waarin de gewezen betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft
bereikt. Na afloop van de termijn van 12 maanden ontvangt hij
gedurende 6 maanden, doch uiterlijk tot de eerste dag van de maand
volgende op die waarin de gewezen betrokkene de leeftijd van 65 jaar
heeft bereikt, 70% van de laatst genoten bezoldiging. Artikel 4,
tweede en zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.
2.De gewezen betrokkene die binnen vier weken na het tijdstip
waarop hij is ontslagen, dan wel zijn tijdelijke taakuitbreiding is
beëindigd dan wel waarop zijn benoeming in tijdelijke dienst is
afgelopen, wegens ziekte ongeschikt wordt hem passende arbeid te
verrichten, ontvangt een uitkering ter hoogte van zijn laatstelijk
genoten bezoldiging, mits hij gedurende tenminste acht weken
onmiddellijk aan dat tijdstip voorafgaand in dienst is geweest of, ten
aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel 1, onder c1 en c2,
gedurende ten minste in totaal drie van de zes maanden onmiddellijk
aan dat tijdstip voorafgaand in dienst is geweest. De uitkering ter
hoogte van de laatstelijk genoten bezoldiging wordt uitbetaald zolang
de ongeschiktheid van de betrokkene duurt en voor zover hij niet als
herplaatsbaar verklaarde is herplaatst in een betrekking, doch
uiterlijk tot en met 52 weken na de aanvang daarvan, dan wel indien
dit eerder is tot uiterlijk de eerste dag van de maand volgende op die
waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Artikel 4, tweede en
zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.
3.De gewezen betrokkene met recht op een uitkering krachtens de ZW
heeft aanspraak op een uitkering als bedoeld in artikel 39, eerste en
tweede lid, verminderd met de uitkering krachtens de ZW.
4.Voor de gewezen betrokkene bedoeld in het eerste en tweede lid
die voor het tijdstip waarop hem ontslag is verleend, dan wel waarop
zijn benoeming in tijdelijke dienst is afgelopen, gedeeltelijk
onbezoldigd buitengewoon verlof geniet, wordt onder laatstgenoten
bezoldiging verstaan de laatstgenoten bezoldiging die hij genoot voor
aanvang van de periode van buitengewoon verlof.
5.Het eerste tot en met het derde lid vinden geen toepassing ten
aanzien van de betrokkene, die in verband met de aanvaarding van
werkzaamheden van ten minste gelijke omvang als die van de beëindigde
dienstbetrekking, aanspraak kan maken op honorering, loon of
bezoldiging, dan wel op een uitkering wegens ziekte en
arbeidsongeschiktheid uit hoofde van die werkzaamheden.
6.In geval van zwangerschaps- en bevallingsverlof van de gewezen
vrouwelijke betrokkene wordt haar uitkering krachtens de Wet arbeid en
zorg aangevuld tot 100% van de laatst genoten bezoldiging. Artikel 9,
vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. Zolang zij na de
beëindiging van de in de eerste volzin bedoelde uitkering nog wegens
ziekte en arbeidsongeschiktheid ongeschikt is om haar passende arbeid
te verrichten, dan wel, na onafgebroken arbeidsongeschiktheid
gedurende het in artikel 19, eerste en tweede lid, van de WAO, dan wel
artikel 23, van de Wet WIA bedoelde tijdvak, al dan niet verlengd op
grond van artikel 19, zevende lid van de WAO, dan wel artikel 24 van
de Wet WIA of artikel XV, veertiende lid, onder a en c, van de Wet
terugdringing ziekteverzuim, gangbare arbeid te kunnen verrichten, dan
wel binnen vier weken na deze beëindiging in die zin
arbeidsongeschikt wordt, is het tweede en vijfde lid van
overeenkomstige toepassing. De in het tweede lid bedoelde termijn van
52 weken wordt in dat geval geacht aan te vangen op de dag volgende op
die der bevalling. De gewezen vrouwelijke betrokkene bedoeld in dit
lid is de vrouwelijke betrokkene wier bevalling waarschijnlijk is
onderscheidenlijk plaatsvindt, binnen een periode van tien weken na
het tijdstip van haar ontslag.
7.Het bedrag van de een uitkering ter hoogte van de laatstelijk
genoten bezoldiging, bedoeld in dit artikel dan wel 70% daarvan wordt
verminderd dan wel, voor zover het reeds is uitbetaald, verrekend met:
a. een de betrokkene toegekende ZW-uitkering, een WW-uitkering,
een bovenwettelijke WW-uitkering danwel WAO- of WIA-uitkering of
anderszins een uitkering uit hoofde van ziekte en
arbeidsongeschiktheid of werkloosheid;
b. een de betrokkene toegekend bovenwettelijke
arbeidsongeschiktheidsuitkering door de Stichting Pensioenfonds
ABP, alsmede een eventuele aanvulling op dat pensioen, als bedoeld
in artikel 41, derde lid;
c. inkomsten welke de gewezen betrokkene inmiddels mocht zijn
gaan genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, daaronder
mede begrepen uitkeringen terzake van ziekte en
arbeidsongeschiktheid, voor zover niet afkomstig uit
verzekeringen, waarvoor de premie uitsluitend voor eigen rekening
van betrokkene is betaald.
8.In de gevallen, bedoeld in dit artikel, vinden de artikelen 14,
15, 16 en 17, waar mogelijk, overeenkomstige toepassing.
9.In de gevallen, bedoeld in dit artikel, wordt de uitkering
krachtens de Ziektewet, de WAO, de Wet WIA of de Wet arbeid en zorg
geacht onverminderd te zijn ontvangen, indien deze op grond van enige
wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel niet
of niet geheel is betaald.
Artikel 40. Voorwaarden en verplichtingen bij het verkrijgen van
aanspraken wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid na beëindiging van de
dienstbetrekking
1. Ter verkrijging van de in artikel 39, eerste, tweede en vierde
lid bedoelde aanspraken richt de gewezen betrokkene binnen 7 dagen na
het ontstaan van de voor die aanspraken vereiste omstandigheden een
aanvraag tot het bevoegd gezag, dan wel aan Onze Minister indien hij
in dienstbetrekking werkzaam was bij een of meer instellingen, genoemd
in artikel 1, onderdelen b1 en b2 en onderdeel b3 voor zover
betrekking hebbend op scholen voor praktijkonderwijs met
declaratiebekostiging. Bij overschrijding van deze termijn vervalt de
aanspraak gedurende het aantal dagen van deze overschrijding, tenzij
de gewezen betrokkene aantoont, dat hij redelijkerwijs niet in staat
is geweest die termijn in acht te nemen.
2. De vaststelling en wijziging van de in dit artikel bedoelde
aanspraken geschiedt door het bevoegd gezag. De uitbetaling vindt
maandelijks plaats, tenzij deze met toestemming van de gewezen
betrokkene in langere termijnen geschiedt.
3. De gewezen betrokkene wordt door het aanvaarden van de
vastgestelde aanspraken, bedoeld in het eerste, tweede, vierde, en
zevende lid van artikel 39, geacht er in toe te stemmen dat allen die
daarvoor naar het oordeel van het bevoegd gezag in aanmerking komen,
omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen verschaffen welke voor
de uitvoering van evenbedoelde aanspraken nodig zijn.
4. De gewezen betrokkene is verplicht, indien het bevoegd gezag
daartoe aanleiding ziet, zich te onderwerpen aan een geneeskundig
onderzoek tot het verkrijgen van ieder mogelijke uitkering ingevolge
arbeidsongeschiktheid, ter vervanging van de in artikel 39, eerste,
tweede, vierde, en zevende lid bedoelde aanspraken.
5. De gewezen betrokkene is verplicht het bevoegd gezag uit eigen
beweging onverwijld in kennis te stellen van alle omstandigheden,
waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is, dan wel moet zijn, dat
die van invloed kunnen zijn op de vaststelling van de in artikel 39,
eerste, tweede, vierde, en zevende lid bedoelde aanspraken. Onder
dergelijke omstandigheden vallen tevens te verwachten inkomsten, van
welke aard dan ook, waarvan de hoogte en de duur nog niet of niet
exact kunnen worden vastgesteld.
6. Het bevoegd gezag kan bepalen, dat geen recht op de aanspraken,
bedoeld in het eerste, tweede, vierde, en zevende lid van artikel 39,
bestaat indien de gewezen betrokkene de gegevens die noodzakelijk zijn
voor de vaststelling van deze aanspraken niet, niet volledig of
onjuist heeft verstrekt.
7. Het recht op de aanspraken, bedoeld in het eerste, tweede,
vierde, en zevende lid van artikel 39, kan door het bevoegd gezag
geheel of gedeeltelijk en al dan niet tijdelijk vervallen worden
verklaard, indien de gewezen betrokkene zonder geldige redenen niet of
niet langer voldoet aan de hem opgelegde verplichtingen, bedoeld in
het vijfde en zesde lid, alsmede indien de gewezen betrokkene niet,
niet volledig of onjuiste gegevens heeft verstrekt met betrekking tot
een wijziging van deze aanspraken.
8. Het recht op de aanspraken, bedoeld in het eerste, tweede,
vierde, en zevende lid van artikel 39, vervalt in ieder geval indien
de gewezen betrokkene daartoe niet binnen 2 jaar na de beëindiging
van zijn dienstbetrekking een verzoek heeft ingediend.
9. Uitkeringen ingevolge de in het eerste, tweede, vierde, en
zevende lid van artikel 39 bedoelde aanspraken, die niet in ontvangst
zijn genomen of ingevorderd binnen drie maanden na de
betaalbaarstelling, worden niet meer betaald. Het bevoegd gezag, dan
wel Onze Minister ingeval de betrokkene in dienstbetrekking werkzaam
was bij een of meer instellingen, genoemd in artikel 1, onderdeel b1,
b2 en b3, kan in bijzondere gevallen ten gunste van betrokkene
afwijken van de eerste volzin.
Artikel 41 [Vervallen per 01-10-2007]
Artikel 42. Ziektekosten
Door het bevoegd gezag kan in bijzondere gevallen aan de betrokkene
een tegemoetkoming worden toegekend in noodzakelijk gemaakte kosten,
verband houdende met ziekte, welke de betrokkene voor zichzelf en voor
zijn medebetrokkenen, bedoeld in de Regeling ziektekostenvoorziening
overheidspersoneel, heeft gemaakt, indien hierin niet ingevolge een
andere regeling kan worden voorzien en deze kosten redelijkerwijs niet
te zijnen laste kunnen blijven.
Artikel 43. Kosten ziekte en arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door
de werkzaamheden
In geval van ziekte en arbeidsongeschiktheid die naar het oordeel van
het bevoegd gezag in overwegende mate veroorzaakt is door de aard van de
aan de betrokkene opgedragen werkzaamheden, dan wel door de
omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn
schuld of onvoorzichtigheid is te wijten, worden hem vergoed de naar het
oordeel van het bevoegd gezag te zijnen laste blijvende noodzakelijk
gemaakte kosten van geneeskundige behandeling.
Artikel 44. Terugbetaling en terugvordering
1.Het bevoegd gezag kan al hetgeen op grond van dit besluit
onverschuldigd of te veel is betaald geheel of gedeeltelijk
terugvorderen of in mindering brengen op een later te betalen
bezoldiging of uitkering op grond van dit besluit, dan wel verrekenen
met uitkeringen op grond van het Kaderbesluit rechtspositie PO dan wel
het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel of het
Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel
primair onderwijs:
a. gedurende vijf jaren na de dag van de betaalbaarstelling
indien het bevoegd gezag door toedoen van betrokkene
onverschuldigd heeft betaald; en
b. gedurende twee jaren na de dag van de betaalbaarstelling in
de overige gevallen waarin het de betrokkene redelijkerwijs
duidelijk kon zijn dat het bevoegd gezag onverschuldigd betaalde.
2.Een voorschot wordt door betrokkene op eerste vordering van het
bevoegd gezag terugbetaald of door het bevoegd gezag in mindering
gebracht op een later te betalen bezoldiging of uitkering op grond van
dit besluit, dan wel verrekend met uitkeringen op grond van het
Kaderbesluit rechtspositie PO dan wel het Besluit werkloosheid
onderwijs- en onderzoekpersoneel of het Besluit bovenwettelijke
werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs.
Artikel 45. Onvervreemdbaarheid van bezoldiging of uitkering
1.Iedere bezoldiging of uitkering op grond van dit besluit, alsmede
aanvullingen daarop, is onvervreemdbaar en niet vatbaar voor
verpanding of belening.
2.Een machtiging tot het in ontvangst nemen van de in het eerste
lid bedoelde bezoldigingen of uitkeringen, alsmede aanvullingen
daarop, onder welke vorm of benaming ook verleend, is steeds
herroepelijk.
3.Elk beding, strijdig met het eerste of tweede lid, is nietig.
Artikel 46. Verhaalswet
De betrokkene, die als ambtenaar in de zin van de Verhaalswet
ongevallen ambtenaren wordt aangemerkt, is verplicht van een oorzaak van
verhindering tot dienstverrichting, ten aanzien waarvan aanspraken
tegenover derden bestaan zo spoedig mogelijk kennis te geven aan het
bevoegd gezag en overigens alle medewerking te verlenen die in verband
met de uitvoering van die wet van hem wordt verlangd.
Artikel 47. Tervisielegging
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor, dat een bijgewerkt exemplaar
van dit besluit op een voor de betrokkene steeds toegankelijke plaats
ter inzage beschikbaar is.
Artikel 48. Conversie reeds bestaande uitkeringen op grond van ziekte
en arbeidsongeschiktheid
De betrokkene, die op de dag, voorafgaande aan de datum van
inwerkingtreding van dit besluit, uit hoofde van ziekte of
arbeidsongeschiktheid een uitkering ontvangt op grond van het
Rechtspositiebesluit WPO/WEC of het Besluit werkloosheid onderwijs- en
onderzoekpersoneel, zoals deze regelingen luidden op 31 december 1995,
heeft recht op een daarmee overeenkomende uitkering ingevolge dit
Besluit. De onafgebroken periode van arbeidsongeschiktheid welke reeds
verlopen is op de dag van inwerkingtreding van dit besluit, telt mee
voor de periode, genoemd in artikel 20, tweede lid, onder a, en derde
lid.
Artikel 48a. Reïntegratiemelding aan het Lisv bij invoering van de
WAO
Indien op het moment van invoering van de WAO het verlof wegens
ziekte van betrokkene reeds langer dan 13 weken heeft geduurd, is het
bevoegd gezag verplicht betrokkene vóór 1 februari 1998 te melden bij
het Lisv. De melding gaat vergezeld van het reïntegratieplan of de
reïntegratieplannen en de resultaten van de uitvoering van dit plan of
deze plannen.
Artikel 49. Geen rechten voor datum van inwerkingtreding besluit
Tenzij in dit besluit uitdrukkelijk anders is bepaald, kunnen aan dit
besluit geen rechten worden ontleend door de betrokkene, wiens
ongeschiktheid voor het vervullen van zijn betrekking wegens ziekte en
arbeidsongeschiktheid is aangevangen voor de dag van inwerkingtreding
van dit besluit.
Artikel 50. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ziekte en
arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs.
Artikel II [Vervallen per 01-07-2007]
Artikel III [Vervallen per 01-07-2007]
Artikel IV [Vervallen per 01-07-2007]
Artikel V [Vervallen per 01-07-2007]
Artikel VI
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1996 en
vervalt op een door Onze Minister te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 21 december 1995
BEATRIX
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
J.M.M. Ritzen
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J.J. van Aartsen
Uitgegeven de negenentwintigste december 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|