|
BESLUIT van 1 november 1983 tot vaststelling van regelen ten aanzien van
de bezoldiging van burgerlijke rijksambtenaren
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken van 25 mei 1983, nr. AB83/U577, Directoraat-Generaal
voor Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken,
Hoofdafdeling Financiële Arbeidsvoorwaarden;
Gelet op artikel 125, eerste lid, van de
Ambtenarenwet 1929 (Stb. 1929, 530);
De Raad van State gehoord (advies van 3
augustus 1983, nr. W04.83.0323(11.3.30));
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken van 21 oktober 1983, nr. AB83/1452,
Directoraat-Generaal voor Overheidspersoneelsbeleid, Directie
Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Financiële Arbeidsvoorwaarden;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.Ambtenaar in de zin van dit besluit is hij, die in burgerlijke
rijksdienst is aangesteld om tegen bezoldiging arbeid te verrichten.
2.Dit besluit is niet van toepassing op de ambtenaar, wiens
bezoldiging is geregeld
a. bij de wet;
b. bij een algemene maatregel van bestuur tot regeling van de
bezoldiging van
1°. de ambtenaren van de buitenlandse dienst;
2°. de politie;
3°. het personeel van de universiteiten en hogescholen, de
academische ziekenhuizen, de interuniversitaire instituten en
de organen voor postacademisch onderwijs;
4°. het personeel bij het voortgezet onderwijs;
5°. het personeel bij het basisonderwijs en bij het
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs;
6°. leden van het korps van deskundigen voor de technische
hulp aan ontwikkelingslanden;
7°. leden van raden, besturen en commissies;
c. krachtens artikel 15 van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement of een daarmee overeenkomende bepaling
van gelijke strekking.
3.Wij behouden Ons voor op de gemeenschappelijke voordracht van
Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen
bestuur en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, andere dan in het vorige lid bedoelde ambtenaren
of groepen van ambtenaren uit te zonderen van de toepassing van dit
besluit.
Artikel 2
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. salaris: het bedrag, dat met inachtneming van de bepalingen
van dit besluit voor de ambtenaar is vastgesteld aan de hand van een
van de bijlagen van dit besluit vermenigvuldigd met de voor de
ambtenaar geldende arbeidsduurfactor;
b. salaris per uur: 1/156 deel van het salaris bij een volledige
werktijd;
c. salarisschaal: een als zodanig in de bijlage B van dit besluit
vermelde reeks van genummerde salarissen;
d. salarisnummer: een aanduiding, bestaande uit een getal, dat in
een salarisschaal voor een salaris is vermeld;
e. maximumsalaris: het hoogste bedrag van een salarisschaal;
f. bezoldiging: de som van:
het salaris;
de toelagen, genoemd in hoofdstuk III;
de periodieke toeslag, genoemd in artikel 22a;
de maandelijkse toeslag, genoemd in artikel 22b;
waarop de ambtenaar aanspraak heeft;
g. volledige arbeidsduur: een arbeidsduur welke gemiddeld
zesendertig werkuren per week omvat;
h. arbeidsduurfactor: de breuk, waarvan de teller bestaat uit de
voor de ambtenaar vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit
het getal 36;
i. functie: het samenstel van werkzaamheden door de ambtenaar te
verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem door het daartoe
bevoegde gezag is opgedragen;
j. toeslag: een toeslag als bedoeld in artikel 22a;
k. periodieke toeslag: een toeslag als bedoeld in artikel 22a die
maandelijks wordt betaald.
Artikel 3
1.Het salaris, de toelagen, de periodieke toeslag en de
vergoedingen voor extra diensten worden maandelijks betaald.
2.Wanneer het salaris, een toelage als bedoeld in de artikelen 14,
16, 17b , 18, 18a , een bedrag als bedoeld in artikel 21, tweede lid,
een toeslag als bedoeld in artikel 22e of een periodieke toeslag, moet
worden berekend over een gedeelte van de kalendermaand, wordt het
bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het
aantal dagen van de desbetreffende kalendermaand.
3.Van het bepaalde in de vorige leden kan worden afgeweken, ingeval
daartoe naar het oordeel van het tot het vaststellen van het salaris
bevoegde gezag op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding
bestaat.
Hoofdstuk II. Bepalingen betreffende het salaris
Artikel 4
1.Voor de ambtenaar, wiens ambt is vermeld in de bijlage A van dit
besluit, geldt het salaris, dat in die bijlage bij zijn ambt is
aangegeven.
2.Indien de ambtenaar bedoeld in het vorige lid anders dan bij
wijze van disciplinaire straf als bedoeld in het Algemeen
Rijksambtenarenreglement of in een soortgelijke regeling en zonder
voorafgaand ontslag wordt belast met een ander ambt, als gevolg
waarvan zijn salaris op grond van de overige bepalingen van dit
besluit een verlaging zou moeten ondergaan, blijft deze verlaging
achterwege.
Artikel 5
1.Voor de ambtenaar, wiens ambt niet is vermeld in de bijlage A van
dit besluit, geldt een salarisschaal.
2.De salarisschaal welke voor de ambtenaar geldt wordt, tenzij zijn
wijze van functioneren zich nog daartegen verzet, bepaald met
inachtneming van de zwaarte van zijn functie en van bijzondere
regelingen, als bedoeld in artikel 13 van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement of in bepalingen van dezelfde strekking in
een soortgelijke regeling.
3.De zwaarte van de functie wordt bepaald binnen de in de bijlage B
van dit besluit aangegeven indelingsstructuur, met inachtneming van
het door of in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde normeringsstelsel.
4.Indien de ambtenaar bij wijze van waarneming tijdelijk een andere
functie uitoefent, blijft de voordien voor hem geldende salarisschaal
van toepassing.
5.Voor de ambtenaar kan uitsluitend in de navolgende gevallen een
salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de
voor hem geldende salarisschaal:
a. bij wijze van disciplinaire straf, bedoeld in het Algemeen
Rijksambtenarenreglement of in een soortgelijke regeling;
b. indien bij het bepalen van de salarisschaal, bedoeld in het
tweede lid, tevens is bepaald dat zijn functie een tijdelijk
karakter heeft en de salarisschaal in verband daarmee slechts
tijdelijk zal gelden;
c. indien hij in verband met ongeschiktheid tot het verrichten
van zijn arbeid wegens ziekte wordt herplaatst in een andere
functie waarvoor een salarisschaal geldt met een lager
maximumsalaris;
d. indien hem op zijn aanvraag een andere functie wordt
opgedragen waarvoor een salarisschaal geldt met een lager
maximumsalaris, tenzij er sprake is van de omstandigheid, bedoeld
in artikel 57b van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
Artikel 5a
1.De ambtenaar die zich niet kan verenigen met de uitkomst van de
bepaling van de zwaarte van zijn functie als bedoeld in artikel 5,
derde lid, kan het voor de toepassing van artikel 5, tweede lid,
bevoegde gezag verzoeken die waarderingsuitkomst opnieuw in overweging
te nemen.
2.Indien de toepassing van het bepaalde in artikel 5, tweede lid,
berust bij Ons, worden Wij vertegenwoordigd door Onze Minister wie het
aangaat.
3.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt
regels betreffende de behandeling van verzoeken als bedoeld in het
eerste lid.
4.Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing indien voor
de ambtenaar een bijzondere regeling geldt als bedoeld in artikel 13
van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of in bepalingen van
dezelfde strekking in een soortgelijke regeling.
Artikel 6
1.Bij aanstelling wordt aan de in artikel 5 bedoelde ambtenaar het
salaris toegekend, dat in de voor hem geldende salarisschaal is
vermeld achter het salarisnummer 0.
2.Van het bepaalde in het vorige lid kan worden afgeweken door het
toekennen van een hoger salaris, ingeval daartoe naar het oordeel van
het bevoegde gezag aanleiding bestaat.
Artikel 7
1.Het salaris van de ambtenaar die nog niet het maximumsalaris van
de voor hem geldende salarisschaal heeft bereikt, wordt jaarlijks
verhoogd tot het in de schaal naasthogere bedrag, indien hij naar het
oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate functioneert.
2.Het salaris van de ambtenaar die nog niet het maximumsalaris van
de voor hem geldende salarisschaal heeft bereikt, kan worden verhoogd
tot een in de schaal vermeld hoger bedrag, indien hij naar het oordeel
van het bevoegd gezag meer dan in voldoende mate functioneert dan wel
indien daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag op andere
gronden aanleiding bestaat.
3.Indien de ambtenaar naar het oordeel van het bevoegd gezag niet
in voldoende mate functioneert, blijft salarisverhoging achterwege.
4.De in het eerste en tweede lid bedoelde salarisverhoging wordt
toegekend wanneer de ambtenaar het maximumsalaris van de voor hem
geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, voor de eerste maal met
ingang van de eerste dag van de maand, waarin sinds zijn aanstelling
een jaar is verstreken en nadien telkens na één jaar.
5.Het tijdstip waarop ingevolge het vierde lid een salarisverhoging
wordt toegekend kan worden vervroegd indien daartoe naar het oordeel
van het bevoegde gezag aanleiding bestaat.
6.Indien het functioneren van de ambtenaar niet kan worden
beoordeeld omdat hij langdurig zijn functie niet uitoefent, kan zijn
salaris worden verhoogd tot het in de schaal naasthogere bedrag,
indien daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding
bestaat.
7.Het oordeel van het bevoegd gezag over het functioneren van de
ambtenaar komt tot stand op basis van een gesprek als bedoeld in
artikel 71 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, voorzover het
betreft de in het eerste lid van dat artikel onder a en b genoemde
onderwerpen, dan wel op basis van een vastgestelde beoordeling als
bedoeld in artikel 71a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
Artikel 8
1.Het salaris van de ambtenaar, bedoeld in artikel 5, eerste lid,
die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal heeft
bereikt, kan worden verhoogd, indien hij naar het oordeel van het
bevoegd gezag uitstekend functioneert.
2.Bij een salarisverhoging als bedoeld in het eerste lid wordt het
salaris:
a. voor de ambtenaar voor wie één der salarisschalen 1 tot en
met 17 van de bijlage B geldt, vastgesteld op een bedrag vermeld
in de naasthogere salarisschaal, met dien verstande dat het
maximum van die schaal niet wordt overschreden;
b. voor de ambtenaar, voor wie salarisschaal 18 van de bijlage
B geldt, vastgesteld op één van de volgende bedragen:
€ 8726,88;
€ 8912,07;
€ 9098,26.
3.Indien het functioneren van de ambtenaar niet langer als
uitstekend kan worden gekwalificeerd, kan het bevoegd gezag de
toekenning van de salarisverhoging, bedoeld in het eerste lid, geheel
of gedeeltelijk intrekken.
4.Het oordeel van het bevoegd gezag over het functioneren van de
ambtenaar komt tot stand op basis van een gesprek als bedoeld in
artikel 71 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, voorzover het
betreft de in het eerste lid van dat artikel onder a en b genoemde
onderwerpen, dan wel op basis van een vastgestelde beoordeling als
bedoeld in artikel 71a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-1989]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-1989]
Artikel 11
1.Het salaris van de ambtenaar met een onvolledige werktijd wordt
vastgesteld op een evenredig deel van het salaris bij een volledige
werktijd.
2.Het salaris van de ambtenaar van wie de omvang van de arbeidsduur
niet vast ligt, wordt, met inachtneming van artikel 5, tweede lid,
vastgesteld op een bedrag, berekend op basis van het aantal uren dat
daadwerkelijk dienst is verricht. Indien het aantal uren dat
daadwerkelijk dienst is verricht minder is dan het voor de ambtenaar
op grond van artikel 6b van het Algemeen Rijksambtenarenreglement
vastgestelde aantal garantie-uren, geschiedt de berekening van het
salaris op basis van dit laatstbedoelde aantal uren.
3.Een teruggebrachte werktijd als bedoeld in artikel 21a van het
Algemeen Rijksambtenarenreglement of een daarmee overeenkomende
bepaling in een ander rechtspositiereglement is geen onvolledige
werktijd in de zin van het eerste lid.
Artikel 11a
1.Voor de ambtenaar die op oproep werkzaam is, dient bij de in
artikel 11 geregelde vaststelling van het salaris tevens rekening te
worden gehouden met het tweede lid van dit artikel.
2.Indien de ambtenaar wordt opgeroepen om arbeid te verrichten voor
een periode korter dan drie uur heeft hij recht op het salaris waarop
hij aanspraak zou hebben indien hij drie uur arbeid zou hebben
verricht indien:
a. de arbeidsduur minder bedraagt dan gemiddeld 15 uur per week
en tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht niet zijn
vastgelegd; of
b. de arbeidsduur niet vastligt.
Artikel 11b
Het salaris van de ambtenaar die arbeidsgehandicapt is in de zin van
artikel 2 van de Wet op de (re)ïntegratie arbeidsgehandicapten kan, met
inachtneming van artikel 5, tweede lid, naar evenredigheid worden
verminderd conform de door de uitvoeringsinstelling, bedoeld in artikel
41, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997,
vastgestelde arbeidsprestatie.
Artikel 12
In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen, waarbij van
de overige bepalingen van dit hoofdstuk kan worden afgeweken.
Hoofdstuk IIA
Artikel 12a [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 12b [Vervallen per 01-01-1998]
Hoofdstuk III. Bepalingen betreffende toelagen
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-1989]
Artikel 14
1.Aan de ambtenaar, die bij wijze van waarneming tijdelijk een
functie uitoefent, welke bij toepassing van artikel 5, tweede lid en
derde lid, zou leiden tot een salarisschaal met een hoger
maximumsalaris, kan voor de duur van die waarneming een toelage worden
toegekend.
2.De toelage wordt, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn,
slechts toegekend wanneer de waarneming tenminste een tijdvak van
dertig dagen heeft geduurd.
3.Bij volledige waarneming van de functie bedoeld in het eerste lid
is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het
salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten,
wanneer de salarisschaal met het hogere maximumsalaris met ingang van
de dag waarop de waarneming is begonnen voor hem zou hebben gegolden.
4.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt
voor de toepassing van dit artikel nadere regels vast.
Artikel 15 [Vervallen per 01-06-1985]
Artikel 16
1.Indien het salaris minder is dan het maandbedrag van het
minimumloon, dat krachtens de artikelen 7, 8 en 14 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag geldt voor werknemers van
dezelfde leeftijd als de ambtenaar, wordt aan hem een toelage
toegekend ten bedrage van het verschil.
2.Voor de ambtenaar met een onvolledige werktijd, wordt het voor
werknemers van dezelfde leeftijd geldende minimumloon geacht te zijn
vastgesteld op een evenredig deel van het minimumloon bij een
volledige werktijd.
Artikel 17
1.Aan de ambtenaar, die anders dan bij wijze van overwerk,
regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht op andere tijden dan op
de dagen maandag tot en met vrijdag tussen 8 en 18 uur, wordt een
toelage toegekend.
2.De toelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor
de ambtenaar geldende salaris per uur en wel
a. 20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6 en 8
uur en tussen 18 en 22 uur;
b. 40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 0 en 6
uur en tussen 22 en 24 uur;
c. 70% voor de uren op zaterdag;
d. 70% voor de uren op zondag;
e. 100% voor de uren op de feestdagen genoemd in artikel 21,
zevende lid, onder a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement,
Eerste Paasdag en Eerste Pinksterdag,
met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over
ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris
behorende bij salarisnummer 10 van salarisschaal 7.
3.Voor de in het vorige lid onder a genoemde morgen- en avonduren
wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid is aangevangen
vóór 7 uur, respectievelijk is beëindigd na 20 uur.
4.In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid
ontvangt de ambtenaar met ingang van de maand waarin hij de leeftijd
van 55 jaar bereikt een vaste toelage, mits hij op dat moment
gedurende ten minste 5 jaar zonder wezenlijke onderbreking een toelage
als bedoeld in het eerste lid heeft genoten.
5.De toelage bedoeld in het vierde lid wordt vastgesteld op het
bedrag dat de ambtenaar over de zesendertig kalendermaanden
voorafgaande aan de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt
gemiddeld per maand aan toelage als bedoeld in het eerste lid heeft
genoten en wordt aangepast aan algemene salariswijzigingen.
6.Voor de toepassing van het vierde lid wordt onder wezenlijke
onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.
7.In afwijking van het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag
een vaste toelage vaststellen voor een ambtenaar die geen aanspraak
heeft op een vaste toelage als bedoeld in het vierde lid.
8.De toelage, bedoeld in het zevende lid, wordt vastgesteld aan de
hand van het bepaalde in het tweede en derde lid, de voor de ambtenaar
geldende werktijdregeling en de mate waarin en de wijze waarop van die
werktijdregeling pleegt te worden afgeweken. De toelage wordt
aangepast indien zich wijzigingen voordoen in de berekeningsgrondslag
daarvan.
9.In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen, welke
het bepaalde in de vorige leden aanvult of daarvan afwijkt.
Artikel 17a
1.Aan de ambtenaar die krachtens een werktijdregeling als bedoeld
in artikel 21 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of in
bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling, anders
dan bij wijze van overwerk regelmatig of vrij regelmatig arbeid
verricht op andere tijden dan op de dagen van maandag tot en met
vrijdag tussen 8.00 en 18.00 uur wordt voor het in opdracht van het
bevoegde gezag verrichten van arbeid op uren die afwijken van het
krachtens de werktijdregeling vastgestelde rooster een toelage
toegekend, voor zover met die uren het totaal van de per werkperiode
vastgestelde aantal arbeidsuren niet wordt overschreden.
2.Op de in het eerste lid bedoelde toelage bestaat geen aanspraak
indien tussen het geven van de opdracht en het verrichten van de
arbeid meer dan 72 uur zijn verstreken.
3.De toelage bedraagt voor elk vol uur waarop in afwijking van de
werktijdregeling arbeid is verricht 45% van het voor de ambtenaar
geldende salaris per uur, met dien verstande dat dit percentage wordt
berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het
salaris behorende bij salarisnummer 10 van salarisschaal 7.
4.Indien het bevoegd gezag op grond van artikel 17, zevende lid,
een vaste toelage heeft vastgesteld voor de ambtenaar, kan het bevoegd
gezag in afwijking van het eerste lid, voor de ambtenaar een vaste
maandelijkse toelage vaststellen.
5.De toelage, bedoeld in het vierde lid, wordt vastgesteld aan de
hand van het bepaalde in het derde lid, de voor de ambtenaar geldende
werktijdregeling en de mate waarin en de wijze waarop van die
werktijdregeling pleegt te worden afgeweken. De toelage wordt
aangepast indien zich wijzigingen voordoen in de berekeningsgrondslag
daarvan.
Artikel 17b
1.Aan de ambtenaar die nu en dan, regelmatig of voortdurend onder
bezwarende omstandigheden arbeid verricht en wiens functie op een
functielijst voorkomt, wordt een toelage per maand toegekend.
2.Onder bezwarende omstandigheden worden begrepen:
a. het werken in een situatie die een zodanige verontreiniging
van de huid veroorzaakt dat deze ook na het gebruik van speciale
wasmiddelen duidelijk waarneembaar blijft;
b. het werken in een omgeving met sterk onaangename geuren, of
werken met onaangenaam aandoende en sterk afkeer oproepende
materialen;
c. het werken in een situatie die een zeer hoge mate van huid-
en slijmvliesprikkeling teweegbrengt, zodanig dat dit effect ook
na het werk nog enige tijd voelbaar blijft;
d. het langdurig werken onder zeer onaangename hoge of lage
temperatuur of temperatuurswisselingen;
e. het werken in situaties waarin het gebruik van
gehoorbeschermingsmiddelen niet mogelijk of afdoende is, en waarin
door het aanhoudende lawaai onderling contact nauwelijks mogelijk
is of de geluidsterkte gelijk is aan of groter is dan 80 dbA;
f. het werken met sterk trillende apparatuur;
g. het werken met beschermingskleding of -middelen die een
ernstige belemmering vormen voor de normale ademhaling, voor
huidoppervlakte-uitwaseming en voor de bewegingsmogelijkheden;
h. het werken onder omstandigheden welke een verhoogd gevaar
voor invaliditeit of overlijden meebrengen.
3.Het bevoegd gezag geeft voor elke op de functielijst voorkomende
functie aan of er nu en dan, regelmatig of voortdurend onder één dan
wel gelijktijdig onder meer typen bezwarende omstandigheden arbeid
wordt verricht. Een functielijst wordt jaarlijks door het bevoegd
gezag vastgesteld.
4.De toelage bedraagt een percentage van het salaris behorende bij
salarisnummer 10 van salarisschaal 7 en wel:
a. 1% indien de ambtenaar nu en dan onder één of gelijktijdig
onder twee typen bezwarende omstandigheden dan wel regelmatig
onder één type bezwarende omstandigheden arbeid verricht;
b. 2% indien de ambtenaar nu en dan gelijktijdig onder drie of
meer typen bezwarende omstandigheden dan wel regelmatig
gelijktijdig onder twee typen bezwarende omstandigheden of
voortdurend onder één type bezwarende omstandigheden arbeid
verricht;
c. 3% indien de ambtenaar regelmatig gelijktijdig onder drie of
meer typen bezwarende omstandigheden of voortdurend gelijktijdig
onder twee of meer typen bezwarende omstandigheden arbeid
verricht.
5.De toelage wordt vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar
geldende arbeidsduurfactor.
6.In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen, welke
het bepaalde in de vorige leden aanvult of daarvan afwijkt.
7.Het bevoegd gezag kan een vergoeding toekennen indien de
ambtenaar incidenteel onder bezwarende omstandigheden arbeid verricht.
Artikel 18
1.Aan de ambtenaar wiens bezoldiging, als gevolg van het
beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel 17,
een blijvende verlaging ondergaat, welke tenminste 3% bedraagt van de
som van het salaris en een periodieke toeslag, wordt een aflopende
toelage toegekend, mits hij eerstgenoemde toelage, direct voorafgaande
aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan,
gedurende ten minste 2 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft
genoten.
2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder wezenlijke
onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twaalf maanden.
3.Het eerste lid is niet van toepassing indien de verlaging van de
bezoldiging het gevolg is van een disciplinaire maatregel genoemd in
artikel 81 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een bepaling
van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling.
4.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt
voor de toepassing van dit artikel nadere regels vast.
Artikel 18a
1.Aan de ambtenaar die buiten de werktijden die voor hem gelden
krachtens een werktijdregeling als bedoeld in artikel 21 van het
Algemeen Rijksambtenarenreglement of in bepalingen van dezelfde
strekking in een soortgelijke regeling, ingevolge een schriftelijke
aanwijzing van het bevoegd gezag zich regelmatig of vrij regelmatig
bereikbaar en beschikbaar moet houden teneinde bij oproep arbeid te
gaan verrichten, wordt een toelage toegekend.
2.De toelage bedraagt per uur bereikbaarheid en beschikbaarheid een
percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur en wel
a. 5% voor de uren op maandag tot en met vrijdag;
b. 10% voor de uren op zaterdag en zondag en op de feestdagen
genoemd in artikel 21, zevende lid, onderdeel a, van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement,
met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over
ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris
behorende bij salarisnummer 10 van salarisschaal 7.
3.De op basis van het tweede lid berekende toelage wordt verhoogd
met 100% over de uren waarop aan de opgedragen bereikbaarheid en
beschikbaarheid een extra plaatsgebondenheid op of rond de plaats van
tewerkstelling is verbonden.
4.In afwijking van het tweede en derde lid kan het bevoegd gezag
een vaste toelage toekennen.
5.De toelage, bedoeld in het vierde lid, wordt vastgesteld aan de
hand van het bepaalde in het tweede en derde lid en de mate waarin de
ambtenaar zich ingevolge een schriftelijke aanwijzing van het bevoegd
gezag bereikbaar en beschikbaar pleegt te moeten houden. De toelage
wordt aangepast indien zich wijzigingen voordoen in de
berekeningsgrondslag daarvan.
6.In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen welke
het bepaalde in dit artikel aanvult of daarvan afwijkt.
Artikel 18b
1. Aan de ambtenaar wiens bezoldiging in een periode van twee jaar
door het één of meer keer beëindigen of verminderen van één of
meer toelagen of toeslagen, als genoemd in artikel 2, onder f, als
gevolg van een reorganisatie een blijvende verlaging ondergaat, welke
ten minste 3% bedraagt van de som van het salaris en een periodieke
toeslag, wordt een aflopende toelage toegekend.
2. De berekeningsbasis voor de aflopende toelage is het bedrag dat
de ambtenaar over de 36 kalendermaanden, voorafgaande aan de datum
waarop de eerste verlaging van zijn bezoldiging intreedt, gemiddeld
per maand aan toelagen of toeslagen, als genoemd in artikel 2, onder
f, heeft genoten, verminderd met hetgeen de ambtenaar daadwerkelijk
aan toelagen of toeslagen, als genoemd in artikel 2, onder f, na de
bedoelde verlagingen geniet. De in de vorige zin genoemde periode van
36 kalendermaanden wordt verkort voor zover de betrokken ambtenaar
korter in dienst is geweest.
3. De aflopende toelage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt
gedurende het eerste jaar 100%, het tweede jaar 75%, het derde jaar
50% en het vierde jaar 25% van de berekeningsbasis.
4. De aflopende toelage, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts
toegekend indien de beëindigde of verminderde toelagen of toeslagen,
genoemd in artikel 2, onder f, direct voorafgaande aan het tijdstip
van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende
tenminste twee jaren zonder onderbreking van langer dan twaalf maanden
zijn genoten.
5. Indien aanspraak bestaat op de aflopende toelage, bedoeld in dit
artikel, bestaat geen aanspraak op de aflopende toelage, bedoeld in
artikel 18.
6. Onze Minister kan voor de toepassing van dit artikel nadere
regels stellen.
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-1998]
Hoofdstuk IIIA. Bepalingen betreffende de eindejaarsuitkering
Artikel 20a
1.De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ter grootte
van 8,3% van het door hem genoten salaris.
2.De eindejaarsuitkering wordt jaarlijks uitbetaald in de maand
november en wordt berekend over de periode van twaalf maanden die is
aangevangen met de maand december van het voorafgaande kalenderjaar.
3.Voor de duur dat de bezoldiging op grond van artikel 18, tweede
lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of op grond van een
bepaling van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling is
teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen
gedeelte van de pensioenbijdrage, wordt de ambtenaar voor de
toepassing van het eerste lid geacht geen salaris te genieten.
4.De ambtenaar die recht heeft op een uitkering op basis van de
Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
wordt voor de toepassing van het eerste lid geacht het salaris te
genieten dat hij zou hebben genoten indien hij geen recht zou hebben
gehad op een uitkering op basis van genoemde wetten.
5.Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling plaats over het
tijdvak gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode
waarover de eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het
ontslag.
6.Voor de berekening van de eindejaarsuitkering wordt uitgegaan van
het salaris zonder dat dit is verminderd met het bedrag dat als
belastingvrije vergoeding is uitgekeerd voor een
bestemmingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de
IKAP-regeling rijkspersoneel.
Hoofdstuk IV. Bepalingen betreffende de vakantie-uitkering
Artikel 21
1.De ambtenaar heeft recht op een vakantie-uitkering ten bedrage
van 8% van de door hem genoten bezoldiging.
2.De vakantie-uitkering per maand bedraagt ten minste € 156,73
vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor.
Bij genot van slechts een gedeelte van zijn bezoldiging, op andere
gronden dan vermeld in het derde lid, wordt de vakantie-uitkering naar
evenredigheid verminderd.
3.Wanneer de ambtenaar op grond van de artikelen 17 tot en met 20d
of van artikel 37 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of op
grond van bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke
regeling slechts een gedeelte van zijn bezoldiging geniet, wordt hij
voor de toepassing van het eerste lid geacht in het genot van zijn
volle bezoldiging te zijn, met dien verstande dat wanneer het
feitelijke genot van de bezoldiging is teruggebracht tot het bedrag
van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage,
hij voor de toepassing van het eerste lid wordt geacht geen
bezoldiging te genieten.
4.Voor de berekening van de vakantie-uitkering wordt uitgegaan van
de bezoldiging zonder dat deze is verminderd met het bedrag dat als
belastingvrije vergoeding is uitgekeerd voor een
bestemmingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de
IKAP-regeling rijkspersoneel.
Artikel 22
1.De vakantie-uitkering wordt eenmaal per jaar betaald over de
periode van twaalf maanden, die is aangevangen met de maand juni van
het voorafgaande kalenderjaar.
2.Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling plaats over het
tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode,
waarover de vakantie-uitkering is betaald en de datum van het ontslag.
Hoofdstuk IVA. Bepalingen betreffende de toeslag
Artikel 22a
1.Aan een ambtenaar of een groep van ambtenaren kan een eenmalige
of periodieke toeslag worden toegekend.
2.Aan de toekenning van een toeslag kunnen voorwaarden worden
verbonden.
3.Een periodieke toeslag wordt ingetrokken indien de gronden waarop
de toeslag is toegekend niet meer aanwezig zijn.
4.Een regeling kan worden getroffen, welke dit artikel aanvult.
Artikel 22b
De ambtenaar die is benoemd in een functie van secretaris-generaal,
genoemd in artikel 7, vierde lid, van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement, heeft voor de duur van die benoeming aanspraak
op een maandelijkse toeslag ter grootte van 5% van zijn salaris.
Artikel 22c
De ambtenaar aan wie, anders dan krachtens een loopbaanregeling als
bedoeld in artikel 13 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of in
bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling, op grond
van artikel 57, eerste lid of tweede lid, onder b, van het Algemeen
Rijksambtenarenreglementeen andere functie wordt opgedragen, waarbij het
belang van de dienst is gelegen in het opdragen van juist die andere
functie, heeft recht op een eenmalige mobiliteitstoeslag ter grootte van
50% van zijn salaris, tenzij zijn salaris met ingang van de datum waarop
die andere functie wordt opgedragen om die reden wordt verhoogd.
Artikel 22d
1.De ambtenaar die de spilleeftijd van de Regeling flexibel
pensioen en uittreden van 62 jaar heeft bereikt, heeft voor elke
periode van twaalf maanden dat hij van de regeling geen of geen
volledig gebruik maakt recht op een eenmalige toeslag. De toeslag
bedraagt, na aftrek van de verschuldigde loonbelasting/premies
volksverzekeringen volgens de tabel bijzondere beloningen ingevolge de
Wet op de loonbelasting 1964 en eventueel verschuldigde (pseudo-)premies
ingevolge de sociale werknemersverzekeringen, € 454,00. Bedraagt de
voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor minder dan 1 dan wordt
het bedrag van de toeslag vermenigvuldigd met de geldende
arbeidsduurfactor.
2.Bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag wordt de
arbeidsduurfactor aan het einde van de periode van twaalf maanden
gehanteerd.
3.Het recht op de in het eerste lid genoemde toeslag ontstaat op de
dag van het bereiken van de leeftijd van respectievelijk 63, 64 en 65
jaar.
Artikel 22e
1.De ambtenaar aan wie een toelage is toegekend op grond van
artikel 17 of op grond van artikel 7 van het Besluit
personenchauffeurs Rijksdienst ontvangt een nominale toeslag van €
37,50 per maand. Bedraagt de voor de ambtenaar geldende
arbeidsduurfactor minder dan 1, dan wordt het bedrag van de toeslag
vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor.
2.Geen recht op de in het eerste lid genoemde toeslag bestaat vanaf
het tijdstip dat de ambtenaar langer dan vier weken geen dienst
verricht als bedoeld in artikel 17.
Hoofdstuk V. Bepalingen betreffende vergoedingen voor extra diensten
Artikel 23
1.Aan de ambtenaar, voor wie een salarisschaal geldt met een lager
maximumsalaris dan dat van schaal 11 en die in opdracht van het
bevoegde gezag overwerk verricht, wordt, behoudens het bepaalde in het
derde lid, een vergoeding toegekend.
2.Onder overwerk wordt verstaan arbeid buiten de werktijden
geldende voor de ambtenaar krachtens een werktijdregeling als bedoeld
in artikel 21 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of in
bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling, voor
zover daardoor het per werkperiode vastgestelde aantal arbeidsuren
wordt overschreden.
3.Voor overwerk dat gedurende korter dan een uur aansluitend aan de
vastgestelde dagelijkse werktijd wordt verricht, wordt geen vergoeding
toegekend.
4.De werkperiode bedoeld in het tweede lid wordt gesteld op:
a. één dag, indien aanvang en einde van de werktijd in de
regel niet aan wisselingen onderhevig zijn;
b. een tijdvak van tenminste zeven dagen, indien de tijdstippen
van aanvang en einde van de werktijd volgens een tevoren
vastgesteld rooster wisselen.
5.De vergoeding voor overwerk bestaat uit:
a. verlof, gelijk aan het aantal uren overschrijding van het
per werkperiode vastgestelde aantal arbeidsuren, en
b. Een bedrag in geld, dat voor elk uur van die overschrijding
een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur
bedraagt.
6.De vergoeding in verlof wordt zo spoedig mogelijk toegekend, doch
in de regel niet later dan in de kalendermaand volgende op die, waarin
de overschrijding plaats had, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt
gehouden met de wensen van de ambtenaar.
7.Indien naar het oordeel van het bevoegde gezag het dienstbelang
zich verzet tegen het toekennen van verlof, wordt in plaats van verlof
voor ieder uur een bedrag in geld toegekend gelijk aan het voor de
ambtenaar geldende salaris per uur.
8.Het in het vijfde lid, onder b, bedoelde percentage bedraagt:
a. behoudens het gestelde onder b , het getal, vermeld in de
onderstaande tabel
|
overwerk verricht |
op zaterdag en
zondag |
op maandag t/m
vrijdag |
|
tussen 0 en 6 uur |
100 |
50 |
|
tussen 6 en 22 uur |
50 |
25 |
|
tussen 22 en 24 uur |
100 |
50 |
b. De feestdagen, genoemd in artikel 21, zevende lid, onder
a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, worden voor de
vergoeding van overwerk gelijkgesteld met een zondag.
9.Voor het vaststellen van de duur van de overschrijding gelden
de uren waarop krachtens het vijfde lid onder a, of krachtens het
Algemeen Rijksambtenarenreglement dan wel een overeenkomstige
regeling vakantie of verlof is genoten, als uren waarop is gewerkt.
10.Aan ambtenaren voor wie verschillende salarisschalen gelden,
die ingevolge een opdracht als bedoeld in het eerste lid gelijke
werkzaamheden verrichten kan, in afwijking van het in voorgaande
leden bepaalde, naar billijkheid een voor alle betrokken ambtenaren
gelijke vergoeding worden toegekend. Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties kan voor de toepassing hiervan nadere
regels vaststellen.
11.In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen,
welke het bepaalde in de vorige leden aanvult of daarvan afwijkt.
Hoofdstuk VI. Bepalingen betreffende het bevoegde gezag
Artikel 24
Het bepalen van de salarisschaal en het toekennen van het salaris,
van een toelage als bedoeld in de artikelen 14 tot en met 18b, van de
eindejaarsuitkering, van de vakantie-uitkering, van een toeslag en van
de vergoeding voor extra diensten vindt plaats:
a. wat betreft de ambtenaren, aangesteld bij de Raad van State,
door de vicepresident van de Raad van State;
b. wat betreft de ambtenaren, aangesteld bij de Algemene
Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de
Kanselarij der Nederlandse Orden of de Nationale ombudsman door het
tot aanstelling bevoegde gezag;
c. wat betreft de overige ambtenaren door Onze minister wie het
aangaat.
Artikel 25
1.Het vaststellen van een regeling als bedoeld in de artikelen 12,
17, negende lid, 17 b, zesde lid, 18a, zesde lid, 22a, vierde lid, en
23, elfde lid, geschiedt
a. voor wat betreft ambtenaren bij de Eerste en de Tweede Kamer
der Staten-Generaal, bij de Raad van State, bij de Algemene
Rekenkamer, bij de Hoge Raad van Adel en bij het Bureau van de
Nationale Ombudsman door Ons op de voordracht van Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties , gehoord het bij
het desbetreffende College ter zake bevoegde gezag;
b. voor wat betreft de overige ambtenaren bij gemeenschappelijk
besluit van Onze Minister, hoofd van het desbetreffende
departement van algemeen bestuur en van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken.
2.Het intrekken van een periodieke toeslag geschiedt door het gezag
dat bevoegd is deze toeslag toe te kennen.
3.[Red: Abusievlijk is door Stb. 1998/598 een lid 4 i.p.v. lid 3
toegevoegd.] Van de bevoegdheid tot het vaststellen van een regeling,
met een sterk technisch karakter, als bedoeld in het eerste lid,
kunnen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en
Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen
bestuur, mandaat verlenen.
Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Artikel 26
1.Voor gevallen waarin dit besluit niet of niet naar billijkheid
voorziet, wordt bij koninklijk besluit een bijzondere regeling
getroffen op de gemeenschappelijke voordracht van Onze
Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister wie het
mede aangaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
2.Indien een algemene wijziging van het salaris van het burgerlijk
rijkspersoneel aanleiding geeft tot het wijzigen van een regeling als
bedoeld in het eerste lid, geschiedt dit bij een gezamenlijk besluit
van Onze Minister wie het aangaat en Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties.
Artikel 27
Dit besluit kan worden aangehaald als Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984.
Artikel 28
Bij algemene maatregel van bestuur, regelende het overgangsrecht,
wordt het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit vastgesteld,
waarbij kan worden bepaald dat toepassing van een of meer artikelen of
onderdelen daarvan met ingang van verschillende tijdstippen zal
geschieden.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad
van State en aan de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 1 november 1983
BEATRIX De
Minister van Binnenlandse Zaken,
Rietkerk
Uitgegeven
de negenentwintigste november 1983
De Minister van Justitie,
F. Korthals
Altes
Bijlage A van het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bevattende een aantal ambten en het
daaraan verbonden salaris (maandbedragen in euro)
|
Departementen van algemeen bestuur |
|
|
Lid van de topmanagementgroep |
€ 9098,26 |
| |
|
|
Hoge Colleges van Staat |
|
|
Tweede Kamer der Staten-Generaal |
|
|
Griffier |
€ 9098,26 |
| |
|
|
Algemene Zaken |
|
|
Wetenschappelijke Raad voor het
Regeringsbeleid |
|
|
Voorzitter |
€ 9098,26 |
| |
|
|
Buitenlandse Zaken |
|
|
Secretaris-generaal |
€ 9098,26 |
|
Directeur-generaal |
€ 9098,26 |
| |
|
Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984
bevattende de indelingsstructuur (hoofd-
en niveaugroepen) waarbinnen de zwaarte van de functies wordt bepaald,
alsmede de daarbij behorende salarisschalen voor de ambtenaren
Hoofdgroep I
| Niveaugroep
Ia |
|
Niveaugroep Ib |
|
Niveaugroep Ic |
|
|
Schaal 1 |
|
Schaal 2 |
|
Schaal 3 |
|
|
(maandbedragen in euro) |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
0 |
1562,29 |
| |
|
0 |
1497,69 |
1 |
1598,43 |
| |
|
1 |
1528,19 |
2 |
1633,51 |
|
0 |
1467,16 |
2 |
1562,29 |
3 |
1669,63 |
|
1 |
1497,69 |
3 |
1598,43 |
4 |
1706,28 |
|
2 |
1528,19 |
4 |
1633,51 |
5 |
1743,38 |
|
3 |
1562,29 |
5 |
1669,63 |
6 |
1780,55 |
|
4 |
1598,43 |
6 |
1706,28 |
7 |
1818,69 |
|
5 |
1633,51 |
7 |
1743,38 |
8 |
1876,19 |
|
6 |
1669,63 |
8 |
1780,55 |
9 |
1934,18 |
|
7 |
1706,28 |
9 |
1818,69 |
10 |
1992,17 |
|
8 |
1743,38 |
10 |
1876,19 |
11 |
2047,12 |
|
9 |
1780,55 |
11 |
1934,18 |
12 |
2106,13 |
|
10 |
1818,69 |
12 |
1992,17 |
13 |
2164,13 |
Hoofdgroep II
| Niveaugroep
IIa |
|
Niveaugroep IIb |
|
Niveaugroep IIc |
|
|
Schaal 3 |
|
Schaal 4 |
|
Schaal 5 |
|
|
(maandbedragen in euro) |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
0 |
1562,29 |
|
|
|
|
|
1 |
1598,43 |
0 |
1669,63 |
0 |
1743,38 |
|
2 |
1633,51 |
1 |
1706,28 |
1 |
1780,55 |
|
3 |
1669,63 |
2 |
1743,38 |
2 |
1818,69 |
|
4 |
1706,28 |
3 |
1780,55 |
3 |
1876,19 |
|
5 |
1743,38 |
4 |
1818,69 |
4 |
1934,18 |
|
6 |
1780,55 |
5 |
1876,19 |
5 |
1992,17 |
|
7 |
1818,69 |
6 |
1934,18 |
6 |
2047,12 |
|
8 |
1876,19 |
7 |
1992,17 |
7 |
2106,13 |
|
9 |
1934,18 |
8 |
2047,12 |
8 |
2164,13 |
|
10 |
1992,17 |
9 |
2106,13 |
9 |
2222,13 |
|
11 |
2047,12 |
10 |
2164,13 |
10 |
2280,63 |
|
12 |
2106,13 |
11 |
2222,13 |
11 |
2338,64 |
|
13 |
2164,13 |
12 |
2280,63 |
12 |
2396,62 |
Hoofdgroep II
| Niveaugroep
IId |
|
|
Schaal 6 |
|
|
(maandbedragen in euro) |
|
| |
|
|
0 |
1876,19 |
|
1 |
1934,18 |
|
2 |
1992,17 |
|
3 |
2047,12 |
|
4 |
2106,13 |
|
5 |
2164,13 |
|
6 |
2222,13 |
|
7 |
2280,63 |
|
8 |
2338,64 |
|
9 |
2396,62 |
|
10 |
2455,66 |
|
11 |
2513,65 |
Hoofdgroep III
| Niveaugroep
IIIa |
|
Niveaugroep IIIb |
|
Niveaugroep IIIc |
|
|
Schaal 5 |
|
Schaal 6 |
|
Schaal 7 |
|
|
(maandbedragen in euro) |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
0 |
1743,38 |
|
|
|
|
|
1 |
1780,55 |
0 |
1876,19 |
|
|
|
2 |
1818,69 |
1 |
1934,18 |
0 |
2106,13 |
|
3 |
1876,19 |
2 |
1992,17 |
1 |
2164,13 |
|
4 |
1934,18 |
3 |
2047,12 |
2 |
2222,13 |
|
5 |
1992,17 |
4 |
2106,13 |
3 |
2280,63 |
|
6 |
2047,12 |
5 |
2164,13 |
4 |
2338,64 |
|
7 |
2106,13 |
6 |
2222,13 |
5 |
2396,62 |
|
8 |
2164,13 |
7 |
2280,63 |
6 |
2455,66 |
|
9 |
2222,13 |
8 |
2338,64 |
7 |
2513,65 |
|
10 |
2280,63 |
9 |
2396,62 |
8 |
2571,64 |
|
11 |
2338,64 |
10 |
2455,66 |
9 |
2652,53 |
|
12 |
2396,62 |
11 |
2513,65 |
10 |
2745,11 |
Hoofdgroep III
| Niveaugroep
IIId |
|
Niveaugroep IIIe |
|
|
Schaal 8 |
|
Schaal 9 |
|
|
(maandbedragen in euro) |
|
|
|
| |
|
|
|
| |
|
|
|
|
0 |
2280,63 |
0 |
2455,66 |
|
1 |
2338,64 |
1 |
2513,65 |
|
2 |
2396,62 |
2 |
2571,64 |
|
3 |
2455,66 |
3 |
2652,53 |
|
4 |
2513,65 |
4 |
2745,11 |
|
5 |
2571,64 |
5 |
2850,92 |
|
6 |
2652,53 |
6 |
2965,89 |
|
7 |
2745,11 |
7 |
3082,92 |
|
8 |
2850,92 |
8 |
3210,61 |
|
9 |
2965,89 |
9 |
3340,33 |
|
10 |
3082,92 |
10 |
3469,57 |
Hoofdgroep IV
| Niveaugroep
IVa |
|
Niveaugroep IVb |
|
Niveaugroep IVc |
|
|
Schaal 8 |
|
Schaal 9 |
|
Schaal 10 |
|
|
(maandbedragen in euro) |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
0 |
2280,63 |
0 |
2455,66 |
0 |
2396,62 |
|
1 |
2338,64 |
1 |
2513,65 |
1 |
2513,65 |
|
2 |
2396,62 |
2 |
2571,64 |
2 |
2652,53 |
|
3 |
2455,66 |
3 |
2652,53 |
3 |
2850,92 |
|
4 |
2513,65 |
4 |
2745,11 |
4 |
3082,92 |
|
5 |
2571,64 |
5 |
2850,92 |
5 |
3210,61 |
|
6 |
2652,53 |
6 |
2965,89 |
6 |
3340,33 |
|
7 |
2745,11 |
7 |
3082,92 |
7 |
3469,57 |
|
8 |
2850,92 |
8 |
3210,61 |
8 |
3592,67 |
|
9 |
2965,89 |
9 |
3340,33 |
9 |
3722,42 |
|
10 |
3082,92 |
10 |
3469,57 |
10 |
3852,13 |
Hoofdgroep IV
| Niveaugroep
IVd |
|
Niveaugroep IVe |
|
|
Schaal 11 |
|
Schaal 12 |
|
|
(maandbedragen in euro) |
|
|
|
| |
|
|
|
|
0 |
2850,92 |
0 |
3340,33 |
|
1 |
3082,92 |
1 |
3469,57 |
|
2 |
3210,61 |
2 |
3592,67 |
|
3 |
3340,33 |
3 |
3722,42 |
|
4 |
3469,57 |
4 |
3852,13 |
|
5 |
3592,67 |
5 |
4018,99 |
|
6 |
3722,42 |
6 |
4200,11 |
|
7 |
3852,13 |
7 |
4380,72 |
|
8 |
4018,99 |
8 |
4573,02 |
|
9 |
4200,11 |
9 |
4768,88 |
|
10 |
4380,72 |
10 |
4964,76 |
Hoofdgroep V
| Niveaugroep
Va |
|
Niveaugroep Vb |
|
Niveaugroep Vc |
|
|
Schaal 10 |
|
Schaal 11 |
|
Schaal 12 |
|
|
(maandbedragen in euro) |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
0 |
2396,62 |
0 |
2850,92 |
0 |
3340,33 |
|
1 |
2513,65 |
1 |
3082,92 |
1 |
3469,57 |
|
2 |
2652,53 |
2 |
3210,61 |
2 |
3592,67 |
|
3 |
2850,92 |
3 |
3340,33 |
3 |
3722,42 |
|
4 |
3082,92 |
4 |
3469,57 |
4 |
3852,13 |
|
5 |
3210,61 |
5 |
3592,67 |
5 |
4018,99 |
|
6 |
3340,33 |
6 |
3722,42 |
6 |
4200,11 |
|
7 |
3469,57 |
7 |
3852,13 |
7 |
4380,72 |
|
8 |
3592,67 |
8 |
4018,99 |
8 |
4573,02 |
|
9 |
3722,42 |
9 |
4200,11 |
9 |
4768,88 |
|
10 |
3852,13 |
10 |
4380,72 |
10 |
4964,76 |
Hoofdgroep V
| Niveaugroep
Vd |
|
Niveaugroep Ve |
|
Niveaugroep Vf |
|
|
Schaal 13 |
|
Schaal 14 |
|
Schaal 15 |
|
|
(maandbedragen in euro) |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
0 |
3722,42 |
0 |
4200,11 |
0 |
4768,88 |
|
1 |
3852,13 |
1 |
4380,72 |
1 |
4964,76 |
|
2 |
4018,99 |
2 |
4573,02 |
2 |
5161,11 |
|
3 |
4200,11 |
3 |
4768,88 |
3 |
5357,49 |
|
4 |
4380,72 |
4 |
4964,76 |
4 |
5553,35 |
|
5 |
4573,02 |
5 |
5161,11 |
5 |
5746,69 |
|
6 |
4768,88 |
6 |
5357,49 |
6 |
5943,06 |
|
7 |
4964,76 |
7 |
5553,35 |
7 |
6138,92 |
|
8 |
5161,11 |
8 |
5746,69 |
8 |
6332,74 |
|
9 |
5357,49 |
9 |
5943,06 |
9 |
6529,63 |
|
10 |
5553,35 |
10 |
6138,92 |
10 |
6726,01 |
Hoofdgroep VI
| Niveaugroep
VIa |
|
Niveaugroep VIb |
|
Niveaugroep VIc |
|
|
Schaal 13 |
|
Schaal 14 |
|
Schaal 15 |
|
|
(maandbedragen in euro) |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
0 |
3722,42 |
0 |
4200,11 |
0 |
4768,88 |
|
1 |
3852,13 |
1 |
4380,72 |
1 |
4964,76 |
|
2 |
4018,99 |
2 |
4573,02 |
2 |
5161,11 |
|
3 |
4200,11 |
3 |
4768,88 |
3 |
5357,49 |
|
4 |
4380,72 |
4 |
4964,76 |
4 |
5553,35 |
|
5 |
4573,02 |
5 |
5161,11 |
5 |
5746,69 |
|
6 |
4768,88 |
6 |
5357,49 |
6 |
5943,06 |
|
7 |
4964,76 |
7 |
5553,35 |
7 |
6138,92 |
|
8 |
5161,11 |
8 |
5746,69 |
8 |
6332,74 |
|
9 |
5357,49 |
9 |
5943,06 |
9 |
6529,63 |
|
10 |
5553,35 |
10 |
6138,92 |
10 |
6726,01 |
Hoofdgroep VI
| Niveaugroep
VId |
|
Niveaugroep VIe |
|
Niveaugroep VIf |
|
|
Schaal 16 |
|
Schaal 17 |
|
Schaal 18 |
|
|
(maandbedragen in euro) |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
0 |
5357,49 |
0 |
5943,06 |
0 |
6529,63 |
|
1 |
5553,35 |
1 |
6138,92 |
1 |
6726,01 |
|
2 |
5746,69 |
2 |
6332,74 |
2 |
6918,80 |
|
3 |
5943,06 |
3 |
6529,63 |
3 |
7115,19 |
|
4 |
6138,92 |
4 |
6726,01 |
4 |
7311,56 |
|
5 |
6332,74 |
5 |
6918,80 |
5 |
7507,42 |
|
6 |
6529,63 |
6 |
7115,19 |
6 |
7703,79 |
|
7 |
6726,01 |
7 |
7311,56 |
7 |
7899,67 |
|
8 |
6918,80 |
8 |
7507,42 |
8 |
8113,34 |
|
9 |
7115,19 |
9 |
7703,79 |
9 |
8327,00 |
|
10 |
7311,56 |
10 |
7899,67 |
10 |
8541,18 |
Bijlage C
[Vervallen.]
|