|
BESLUIT van 25 juni 1993, houdende bepalingen betreffende de algemene
rechtspositie van burgerlijke ambtenaren bij het ministerie van Defensie
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Defensie van 1 februari 1993, nr. PAV 2210/93002671;
Gelet op artikel 125 van de Ambtenarenwet 1929;
De Raad van State gehoord (advies van 29 maart
1993, nr. W07.93.0061);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Defensie van 16 juni 1993, nr. PAV2210/93008950;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Ambtenaar in de zin van dit besluit
In dit besluit en de daarop berustende bepalingenen wordt verstaan
onder ambtenaar, degene die bij het Ministerie van Defensie in
burgerlijke openbare dienst is aangesteld.
Artikel 2. Niet toepasselijkheid van dit besluit
1.Dit besluit is niet van toepassing op Onze Minister.
2.De hoofdstukken 4 en 5 zijn niet van toepassing op ambtenaren met
gedeeltelijke dag-, week- of jaartaken, die niet regelmatig dienst
doen. Ten aanzien van de in die hoofdstukken geregelde onderwerpen
worden voor hen voor elk betrokken dienstvak de nodige bepalingen
vastgesteld.
3.Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van enkele
diensten niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak,
waarbij per dienst een afzonderlijke beloning wordt vastgesteld, zijn
niet van toepassing:
a. hoofdstuk 2, paragraaf 4;
b. de hoofdstukken 4 en 5;
c. hoofdstuk 6, paragrafen 2 en 3;
d. de artikelen 63, 66, 67 en 69.
4.De hoofdstukken 4, 5, 6 en 8, alsmede de artikelen 70b, 70d tot
en met 70f, 76, 85, 87a, 88, 93, 109 tot en met 111, 114, 121, eerste
lid, onderdelen f en h en derde lid, 127 en 127a, zijn niet van
toepassing op de ambtenaar die is aangesteld om bij de krijgsmacht als
geestelijk verzorger werkzaam te zijn.
Artikel 3. Definities
1.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie;
b. hoofd defensieonderdeel
1°. de Secretaris-Generaal, voor zover het betreft de
Bestuursstaf;
2°. de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant
Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de
Commandant Koninklijke Marechaussee, voor het desbetreffende
commando;
3°. de directeur van de Defensie Materieel Organisatie,
voor zover het betreft de Defensie Materieel Organisatie, met
uitzondering van het deel ondergebracht in de Bestuursstaf;
4°. de commandant van het Commando Dienstencentra, voor
zover het betreft het Commando Dienstencentra.
c. de commandant:
een bij ministeriële regeling aan te wijzen functionaris;
2.Tenzij anders is bepaald wordt in dit besluit en de daarop
berustende bepalingen verstaan onder salaris, onderscheidenlijk
bezoldiging, hetgeen daaronder wordt verstaan in het Inkomstenbesluit
burgerlijke ambtenaren defensie.
3.Ingeval de bezoldiging van de ambtenaar is geregeld krachtens een
andere bezoldigingsregeling dan die bedoeld in het tweede lid, wordt
in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder salaris,
onderscheidenlijk bezoldiging verstaan, het bedrag dat op
overeenkomstige wijze is vastgesteld als in het Inkomstenbesluit
burgerlijke ambtenaren defensie.
Artikel 4. Gelijkstelling samenlevingsvormen met het huwelijk
1.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt mede
verstaan onder:
a. echtgenote of echtgenoot:
1°. de geregistreerde partner;
2°. degene die door de ambtenaar als partner is aangemeld
bij de Stichting Pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat
fonds als zodanig is aangemerkt, op voorwaarde dat de
ambtenaar een bewijs van die aanmelding heeft overgelegd aan
de minister;
b. weduwe of weduwnaar: de achtergebleven partner als bedoeld
onder a;
c. gezinslid: de partner als bedoeld onder a;
d. huwelijk:
1°. het geregistreerd partnerschap;
2°. de samenleving met de partner die door de ambtenaar
als zodanig is aangemeld bij de Stichting Pensioenfonds ABP en
door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt.
2.De gelijkstellingen, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, onder
2° en onderdeel d, onder 2°, eindigen op de dag waarop de aanmelding
van het partnerpensioen door de Stichting Pensioenfonds ABP wordt
doorgehaald. De ambtenaar is verplicht die doorhaling aan Onze
Minister te melden, waarbij hij een afschrift van de mededeling van
die doorhaling verstrekt.
Hoofdstuk 2. Aanstelling en loopbaanvorming
§ 1. De aanstelling
Artikel 5. Werving en selectie
Onze Minister stelt regels ten aanzien van de werving en selectie van
ambtenaren.
Artikel 6. Aanstelling
1.De aanstelling geschiedt in vaste of tijdelijke dienst.
2.Aan een aanstelling in vaste dienst gaat in de regel vooraf een
aanstelling in tijdelijke dienst.
3.Degene die geen Nederlander is, kan slechts worden aangesteld
indien hem verblijf is toegestaan op grond van artikel 9 van de
Vreemdelingenwet en de vergunning tot verblijf het verrichten van
arbeid in loondienst niet uitsluit of indien hem verblijf is
toegestaan op grond van artikel 10 van de Vreemdelingenwet.
4.Evenmin vindt aanstelling plaats in een functie als bedoeld in
artikel 119, eerste lid, van personen die op het tijdstip waarop de
voor die functie vastgestelde leeftijdsgrens wordt bereikt, geen
ononderbroken diensttijd van tenminste 5 jaren, doorgebracht in een of
meer zodanige functies, zouden kunnen aanwijzen.
5.Het in het vierde lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing
in geval van plaatsing van een ambtenaar in een functie als in het
vierde lid bedoeld.
Artikel 7. Aanstelling in tijdelijke dienst
1.Aanstelling in tijdelijke dienst geschiedt voor bepaalde of voor
onbepaalde tijd.
2.Zij kan plaatsvinden:
a. voor een proeftijd van ten hoogste twee jaar, zonodig
bijzondere gevallen op aanvraag van de ambtenaar met nog één
jaar te verlengen en zonodig ambtshalve te verlengen met de tijd,
gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke
dienst heeft doorgebracht;
b. voor de tijd van ten hoogste drie maanden, indien een
verklaring als bedoeld in artikel 10, tweede lid, nog niet is
afgegeven, met dien verstande dat aan de ambtenaar geen
werkzaamheden mogen worden opgedragen die verband houden met de
aspecten van de betreffende functie die hebben geleid tot de
kwalificatie vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel a, van de Wet veiligheidsonderzoeken;
c. van personen, die niet voldoen aan de voor een aanstelling
in vaste dienst gestelde eisen;
d. voor het verrichten van werkzaamheden, waarvoor slechts
tijdelijk een beroep op de arbeidsmarkt kan worden gedaan;
e. van personen, die belast zullen worden met werk van
kennelijk tijdelijk karakter, al dan niet vallende binnen de taak
van het betrokken dienstvak;
f. voor het incidenteel verrichten van werkzaamheden, vallende
binnen de taak van het betrokken dienstvak, waarbij telkenmale de
commandant, gehoord de ambtenaar, vaststelt op welke tijdstippen
daadwerkelijk door de ambtenaar dienst wordt verricht;
g. voor het verrichten van enkele diensten niet vallende binnen
de normale taak van het betrokken dienstvak, waarbij per dienst
een afzonderlijke beloning wordt vastgesteld;
h. van personen, die in dienst worden genomen als leerling ter
opleiding tot enig beroep dan wel in verband met hun verdere
wetenschappelijke of praktische opleiding en vorming;
i. indien een wijziging in de taak van het betrokken dienstvak
is voorgenomen;
j. van onbezoldigde ambtenaren;
k. in de gevallen, waarin dit bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur is bepaald.
3.Zodra de omstandigheid, genoemd in het tweede lid, welke leidde
tot een aanstelling in tijdelijke dienst, zich niet meer voordoet,
wordt een aanstelling in vaste dienst verleend tenzij daartegen uit
anderen hoofde bedenkingen bestaan.
4.In de gevallen, genoemd onder d, e en i van het tweede lid, wordt
in ieder geval aangenomen, dat de omstandigheid, welke leidde tot een
aanstelling in tijdelijke dienst, zich niet meer voordoet, wanneer de
ambtenaar sinds vijf jaar zonder onderbreking van langer dan 1 maand
in dienst van het Ministerie van Defensie, waarvan laatstelijk
gedurende tenminste 1 jaar in zijn huidige betrekking, werkzaam is
geweest, tenzij vaststaat, dat zijn werkzaamheden in het door hem
vervulde ambt binnen het jaar zullen worden beëindigd.
5.In afwijking van het tweede tot en met vierde lid kan een
aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd voor de duur van
ten hoogste drie jaren plaatsvinden.
6.Op een aanstelling in tijdelijke dienst als bedoeld in het vijfde
lid kan een nieuwe aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het
vijfde lid volgen.
7.De op grond van het vijfde lid aangestelde ambtenaar in
tijdelijke dienst mag bij beëindiging van die aanstelling de leeftijd
van 30 jaar niet hebben overschreden, tenzij bij ministeriële
regeling anders is bepaald.
8.Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt omgezet in een
aanstelling in vaste dienst, indien:
a. meerdere aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar opvolgen
in een periode van drie jaren of langer en met tussenpozen van
niet langer dan drie maanden;
b. meer dan drie aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar
opvolgen met tussenpozen van niet langer dan drie maanden.
9.Voor het tellen van opeenvolgende aanstellingen worden
aanstellingen die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2000 mede in
aanmerking genomen, tenzij er sprake is van opeenvolgende
aanstellingen ten behoeve van een project of indien in de
diensteenheid, waarin de laatste aanstelling heeft plaatsgevonden,
sprake is van overtolligheid.
10.De in het vijfde lid genoemde maximumduur van de aanstelling is
niet van toepassing op de aanstelling in tijdelijke dienst voor
bepaalde tijd van degene is aangesteld in burgerlijke openbare dienst
om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger doorlopend werkzaam te
zijn.
Artikel 8. Bevoegdheid tot aanstelling
1.De aanstelling van de ambtenaar in vaste dienst die wordt
bezoldigd volgens salarisschaal 15 of hoger van bijlage A van het
Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie alsmede van de
ambtenaar die is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de
krijgsmacht als geestelijk verzorger werkzaam te zijn en die wordt
bezoldigd in de salarisschaal behorend bij de rang van kapitein ter
zee/kolonel geschiedt bij koninklijk besluit.
2.De aanstelling in de overige gevallen geschiedt door Onze
Minister.
Artikel 8a. Duur functievervulling
1. De ambtenaar, die in vaste dienst is aangesteld en is
tewerkgesteld in een functie waaraan schaal 9 of hoger van bijlage A
van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie is verbonden,
wordt voor een periode van ten hoogste vijf jaren in een functie
tewerkgesteld. Deze tewerkstelling duurt voort, tenzij na afloop van
die periode op basis van een met de betrokken ambtenaar gemaakte
loopbaanafspraak een andere, passende functie wordt opgedragen. In
beginsel dient met de ambtenaar overeenstemming te zijn bereikt over
die andere functie.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels ter uitvoering
van het eerste lid worden gesteld.
§ 2. Voorwaarden voor aanstelling
Artikel 9. Geschiktheid en bekwaamheid
1.Een aanstelling voor de tijd van langer dan drie maanden kan
slechts plaatsvinden, indien Onze Minister op grond van de gegevens
waarover hij beschikt van oordeel is dat de betrokkene in voldoende
mate geschikt en bekwaam is voor de desbetreffende functie.
2.Onze Minister stelt voor een functie of voor een groep van
functies eisen van geschiktheid en bekwaamheid vast waaraan de
betrokkene moet voldoen om voor een aanstelling in aanmerking te
komen.
3.Teneinde vast te stellen of de betrokkene in voldoende mate
geschikt of bekwaam is, wordt deze door Onze Minister aan een
onderzoek onderworpen, waaronder begrepen het verifiëren en zo nodig
aanvullen van de gegevens die door de betrokkene zijn verstrekt.
4.Het onderzoek, bedoeld in het derde lid, omvat tevens:
a. een psychologisch onderzoek, indien daaraan naar het oordeel
van Onze Minister behoefte bestaat;
b. een medisch onderzoek, indien dit op grond van een wettelijk
voorschrift verplicht is gesteld dan wel indien op grond van
functie-eisen een onderzoek naar de medische geschiktheid van de
betrokkene noodzakelijk is.
5.Onze Minister stelt vast voor welke functies een medisch
onderzoek als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, noodzakelijk is.
Artikel 10. Verklaring omtrent gedrag; veiligheidsonderzoek
vertrouwensfunctie
1.Onze Minister kan, met uitzondering van het geval, bedoeld in het
tweede lid, van de betrokkene eisen dat deze een verklaring omtrent
het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële gegevens overlegt.
2.Aanstelling in een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet veiligheidsonderzoeken is slechts
mogelijk, indien ten aanzien van de betrokkene een verklaring als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van die wet is
afgegeven.
3.Bij wijziging van een tijdelijk in een vast dienstverband dan wel
in geval van wijziging van tewerkstelling in een andere
niet-vertrouwensfunctie wordt geen verklaring omtrent het gedrag
verlangd, tenzij naar het oordeel van Onze Minister dit noodzakelijk
wordt geacht.
4.Een veiligheidsonderzoek als bedoeld in het tweede lid, wordt pas
ingesteld, als naar het oordeel van Onze Minister de betrokkene
geschikt en bekwaam is voor de betreffende functie.
Artikel 11. Psychologisch onderzoek
1.Aan de betrokkene die is onderworpen aan een psychologisch
onderzoek als bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel a, wordt op
zijn verzoek binnen twee weken na de vaststelling van de uitslag van
het onderzoek inzage verleend in die uitslag. Dit vindt plaats in het
kader van een nagesprek met de psycholoog die het onderzoek heeft
verricht.
2.Mededeling van de uitslag van het onderzoek aan Onze Minister
blijft achterwege, indien de betrokkene uiterlijk een week nadat hij
van de uitslag van het onderzoek heeft kennis genomen zijn wens
daartoe schriftelijk heeft meegedeeld aan degene die met het onderzoek
is belast.
3.De uitslag van het onderzoek wordt niet eerder dan twee weken
nadat betrokkene daarvan heeft kennis genomen, medegedeeld aan Onze
Minister, tenzij die mededeling op een eerder tijdstip is geboden en
de betrokkene met die eerdere mededeling schriftelijk heeft ingestemd.
4.Voor zover dit niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig het
eerste lid heeft de betrokkene recht op een nagesprek met de
psycholoog die het onderzoek heeft verricht.
5.De kosten van het psychologisch onderzoek en van het nagesprek
komen voor rekening van het Ministerie van Defensie. De betrokkene
ontvangt voor ten behoeve van het onderzoek en het nagesprek gemaakte
reis- en verblijfkosten een vergoeding ingevolge de bepalingen van het
Besluit dienstreizen defensie.
Artikel 12. Medisch onderzoek
1.De uitslag van het medisch onderzoek als genoemd in artikel 9,
vierde lid, onderdeel b, wordt uiterlijk binnen twee weken na
vaststelling van die uitslag aan de betrokkene medegedeeld.
2.De betrokkene kan binnen twee weken nadat hem de uitslag van het
medisch onderzoek is meegedeeld, een hernieuwd medisch onderzoek
aanvragen.
3.Het hernieuwd medisch onderzoek mag niet worden verricht door de
arts die het medisch onderzoek heeft verricht.
4.De betrokkene die op grond van artikel 9, vierde lid, onderdeel
b, is onderworpen aan een medisch onderzoek, wordt bij aanstelling in
een andere functie opnieuw aan een onderzoek naar de medische
geschiktheid onderworpen indien de betrokkene voor het vervullen van
die functie aan andere medische eisen dient te voldoen dan voor de tot
dusverre vervulde functie.
5.Het medisch onderzoek, bedoeld in artikel 9, vierde lid,
onderdeel b, mag pas plaatsvinden, indien de betrokkene naar het
oordeel van Onze Minister op grond van het onderzoek, bedoeld in
artikel 9, derde lid, en eventueel na het psychologisch onderzoek,
bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel a, overigens voldoende
bekwaam en geschikt is voor de desbetreffende functie.
6.De kosten van het medisch onderzoek en het hernieuwd medisch
onderzoek komen voor rekening van het Ministerie van Defensie. De
betrokkene ontvangt voor ten behoeve van het onderzoek en het
hernieuwd onderzoek gemaakte reis- en verblijfkosten een vergoeding
ingevolge de bepalingen van het Besluit dienstreizen defensie.
Artikel 13 [Vervallen per 02-08-2006]
§ 3. De akte van aanstelling en andere bescheiden
Artikel 14. Akte van aanstelling
1.Aan de ambtenaar wordt, zo mogelijk vóór de aanvaarding van
zijn ambt, een akte van aanstelling uitgereikt, waarin in ieder geval
worden vermeld:
a. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de ambtenaar;
b. de naam van de dienst, het bedrijf of de instelling van het
Ministerie van Defensie;
c. de datum, met ingang waarvan hij wordt aangesteld;
d. of de aanstelling geschiedt in vaste of tijdelijke dienst;
e. de wekelijkse arbeidsduur waarvoor de ambtenaar wordt
aangesteld.
2.Indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst, wordt
bovendien in de akte van aanstelling vermeld:
a. of de aanstelling geschiedt voor bepaalde tijd - en zo ja
voor hoelang of voor onbepaalde tijd;
b. de toepasselijke, in artikel 7, tweede lid, omschreven
grond(en) voor de aanstelling in tijdelijke dienst.
Artikel 15. Nadere schriftelijke mededelingen
1.Voor zover deze gegevens op hem betrekking hebben en niet reeds
in de akte van aanstelling zijn vermeld, worden aan de ambtenaar zo
spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld:
a. de afdeling of het dienstvak waarbij, de betrekking waarin,
en de periode gedurende welke hij in die betrekking wordt te werk
gesteld, alsmede de hem dienovereenkomstig aangewezen standplaats;
b. de salarisschaal en de voor de bepaling van die schaal in
acht genomen regelen;
c. het salaris dat hem is toegekend, zomede, het salarisnummer
en het tijdstip waarop het salaris voor de eerste maal periodiek
zal worden verhoogd;
d. andere hem mogelijk toegekende voordelen, onder verwijzing
naar de desbetreffende kortingsregeling;
e. de omvang en de voorwaarden voor toekenning van een
bindingspremie als bedoeld in artikel 47 van het Inkomstenbesluit
burgerlijke ambtenaren defensie.
Artikel 16. Bekendstelling rechtspositie
1.De ambtenaar wordt bij zijn aanstelling schriftelijk op de hoogte
gesteld van de hoofdlijnen van zijn rechtspositie.
2.Regelingen waarin zijn rechtspositie is neergelegd worden op een
voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd.
Van deze regelingen kan hij kosteloos afschriften maken voor zover dat
redelijkerwijs nodig is.
3.De schriftelijk vastgestelde en voor hem geldende regelingen en
instructies, welke hij bij de vervulling van zijn dienst heeft na te
leven, worden eveneens op een voor de ambtenaar gemakkelijk
toegankelijke plaats ter inzage gelegd. In het geval vermelde
regelingen en instructies niet schriftelijk zijn vastgesteld, worden
deze behoorlijk te zijner kennis gebracht.
Artikel 17 [Vervallen per 09-06-1995]
§ 4. Loopbaanvorming
Artikel 18
1.Bij koninklijk besluit kunnen op de voordracht van Onze Minister
regels vast worden gesteld omtrent loopbaanvorming in het algemeen en
omtrent daarmede verband houdende bijzondere regelingen ter bepaling
van de voor de ambtenaar geldende salarisschaal.
2.Voor zover dit niet bij koninklijk besluit is geschied, kunnen
deze voorschriften en bijzondere regels ook worden vastgesteld door
Onze Minister.
Hoofdstuk 3. Bezoldiging
Artikel 19 [Vervallen per 11-05-2005]
Artikel 20 [Vervallen per 11-05-2005]
Artikel 21 [Vervallen per 11-05-2005]
Artikel 22 [Vervallen per 11-05-2005]
Artikel 23 [Vervallen per 11-05-2005]
Artikel 24 [Vervallen per 11-05-2005]
Artikel 25 [Vervallen per 11-05-2005]
Artikel 26 [Vervallen per 11-05-2005]
Artikel 27 [Vervallen per 11-05-2005]
Artikel 28 [Vervallen per 11-05-2005]
Artikel 29 [Vervallen per 11-05-2005]
Hoofdstuk 4. Werk- en rusttijden
Paragraaf 1. Algemene bepalingen inzake werk- en rusttijden
Artikel 30 [Vervallen per 25-07-2001]
Artikel 30a. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. dienst:
een aaneengesloten tijdruimte waarin arbeid wordt verricht en die
gelegen is tussen twee voorgeschreven opeenvolgende onafgebroken
rusttijden;
b. werktijd:
het totaal van de in kloktijden aangegeven perioden gedurende
welke een ambtenaar de hem opgedragen arbeid moet verrichten;
c. rooster:
een voor een periode van tenminste een week opgesteld en van
tevoren schriftelijk bekendgemaakt schema van aanvang en einde van
de dagelijkse werk- en rusttijden;
d. arbeidsduur:
de tijdsduur, uitgedrukt in een aantal uren per dag of per week,
gedurende welke een ambtenaar arbeid verricht;
e. nachtdienst:
een dienst waarin de uren tussen 00.00 uur en 06.00 uur geheel of
gedeeltelijk zijn begrepen;
f. jeugdige ambtenaar:
een ambtenaar van 16 of 17 jaar;
g. pauze:
een tijdruimte van ten minste 15 achtereenvolgende minuten,
waarmee de arbeid tijdens de dienst wordt onderbroken en de
ambtenaar geen enkele verplichting heeft ten aanzien van de bedongen
arbeid;
h. consignatie:
een tijdruimte tussen twee elkaar opeenvolgende diensten of
tijdens een pauze, waarin de ambtenaar uitsluitend verplicht is
bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden op
oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten;
i. aanwezigheidsdienst:
een aaneengesloten tijdruimte van ten hoogste 24 uren, waarin de
ambtenaar, zo nodig naast het verrichten van de bedongen arbeid,
consignatie wordt opgelegd waarbij de ambtenaar verplicht is op de
werkplek aanwezig te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de
bedongen arbeid te verrichten;
j. piket:
een periode waarin de ambtenaar, zo nodig naast het verrichten
van de bedongen arbeid, consignatie wordt opgelegd waarbij de
ambtenaar verplicht is om in verband met zijn bereikbaarheid op de
werkplek aanwezig te zijn;
k. oefening:
elk door defensiepersoneel in de praktijk brengen van onderwezen
bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van aan
de krijgsmacht opgedragen operationele taken te verwerven, te
vergroten of te onderhouden.
Artikel 30b. Vaststelling werk- en rusttijden
1.De werk- en rusttijden van de ambtenaar worden met inachtneming
van de bepalingen in dit hoofdstuk, en nadat hierover overeenkomstig
het Besluit medezeggenschap defensie overeenstemming is bereikt met de
betrokken medezeggenschapscommissie, vastgesteld door de commandant en
schriftelijk vastgelegd in roosters.
2.De arbeidsduur bedraagt gerekend over de periode waarvoor het
rooster is vastgesteld ten hoogste gemiddeld 38 uren per week. In
uitzonderlijke gevallen kan door Onze Minister van de eerste volzin
worden afgeweken.
3.Aan de ambtenaar van 55 jaar en ouder wordt niet opgedragen
dienst te verrichten tussen 22.00 uur en 06.00 uur, tenzij het een
gedeelte van een dienst betreft die doorloopt na 22.00 uur en ten
laatste eindigt om 24.00 uur.
4.Van het derde lid kan door de commandant voor de duur van telkens
ten hoogste één jaar worden afgeweken, indien de ambtenaar dit heeft
aangevraagd, dan wel zeer gewichtige redenen van dienstbelang hiertoe
noodzaken, mits de arts van de bedrijfsgeneeskundige dienst
daaromtrent een positief advies heeft uitgebracht.
5.Door Onze Minister kunnen functies worden aangewezen waarbij het
reizen, naar en vanaf de plaats waar de ambtenaar dienst moet
verrichten, een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van de functie. Bij die
functies wordt de reisduur buiten de voor de ambtenaar geldende
werktijd als arbeidsduur aangemerkt.
Artikel 30ba. Toepasselijkheid verlofbepaling
Indien de overschrijding van de arbeidsduur, bedoeld in artikel 30b,
tweede lid, wordt vergoed in tijd, is op deze tijd artikel 33, zevende
lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 30c. Partiële arbeidsparticipatie senioren
1.De arbeidsduur, bedoeld in artikel 30b, tweede lid, van de
ambtenaar van 57 jaar en ouder die daartoe een aanvraag heeft
ingediend, wordt door de commandant, onder handhaving van de
arbeidsduur waarvoor hij is aangesteld, teruggebracht met 15,8%,
tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
2.De arbeidsduur, bedoeld in artikel 30b, tweede lid, van de
ambtenaar van 61 jaar en ouder die daartoe een aanvraag heeft
ingediend, wordt door de commandant, onder handhaving van de
arbeidsduur waarvoor hij is aangesteld, teruggebracht met 36,8%,
tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
3.De ingevolge het eerste en het tweede lid teruggebrachte
arbeidsduur wordt afgerond naar boven indien de eerste decimaal achter
de komma groter is dan nul.
4.De aanspraak op vakantie als bedoeld in artikel 32, vierde lid,
wordt naar evenredigheid verminderd en de in artikel 32, vijfde lid,
onder a, bedoelde verhoging van de vakantieaanspraak komt te
vervallen.
5.De in het eerste dan wel tweede lid bedoelde ambtenaar dient op
het moment van de eerste aanvraag ten minste 5 aaneengesloten jaren in
dienst te zijn van het Ministerie van Defensie.
6.Voor de uren die het wekelijks verschil vormen tussen de in het
eerste en tweede lid bedoelde arbeidsduur waarvoor hij is aangesteld,
en de teruggebrachte arbeidsduur wordt de ambtenaar geacht met verlof
te zijn.
7.Op het salaris van de in het eerste respectievelijk tweede lid
bedoelde ambtenaar wordt een inhouding toegepast ter grootte van 5%
respectievelijk 10% van het salaris dat voor hem zou gelden zonder
arbeidsduurvermindering op grond van dit artikel.
8.Onze Minister stelt omtrent de verrekening van extra inkomsten
uit arbeid of bedrijf met het salaris van de in het eerste en tweede
lid bedoelde ambtenaar nadere regels vast.
9.Dit artikel is niet van toepassing op een ambtenaar die gebruik
maakt van de mogelijkheid van ontslag als bedoeld in artikel 114,
tweede lid.
Artikel 30d. Bekendstelling werk- en rusttijden
1.De commandant dat een rooster vaststelt of opnieuw vaststelt,
maakt het rooster ten minste 28 dagen vóór de datum van
inwerkingtreding bekend aan de ambtenaar.
2.Indien de aard van de arbeid toepassing van het eerste lid
onmogelijk maakt, stelt de commandant ten minste 28 dagen van tevoren
aan de ambtenaar bekend op welke dag de rusttijd, bedoeld in de
artikelen 30r en 31g, eerste lid, aanvangt. Tevens maakt hij aan de
ambtenaar ten minste 4 dagen van tevoren de tijdstippen bekend waarop
hij arbeid moet verrichten.
3.De commandant dient overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk
maakt af te wijken van het eerste of tweede lid.
Artikel 30da. Tijdelijke verlenging van de arbeidsduur
1. De ambtenaar kan bij de commandant eenmaal per kalenderjaar een
aanvraag indienen om zijn arbeidsduur gedurende het resterende deel
van dat kalenderjaar met 2 uren per week te verlengen wanneer het
rooster van de ambtenaar gedurende het resterende deel van dat
kalenderjaar zal zijn gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 38
uur per week. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur
van gemiddeld minder dan 38 uur per week wordt de ingevolge de vorige
volzin geldende aanspraak vastgesteld op een evenredig deel van de
aanspraak bij een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
2. De commandant wijst een aanvraag als bedoeld in het eerste lid
toe, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. In ieder geval
wordt de aanvraag afgewezen indien de tijdelijke verlenging van de
arbeidsduur geen effect heeft op de formatie, onder door Onze Minister
bij ministeriële regeling nader vast te stellen voorwaarden.
3. Een toegestane verlenging van de arbeidsduur gaat in op de
eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de verlenging is
toegestaan.
4. Een toegestane verlenging van de arbeidsduur wordt jaarlijks
stilzwijgend voortgezet tenzij:
a. de ambtenaar een aanvraag indient om de tijdelijke
verlenging van de arbeidsduur te beëindigen; of
b. de ambtenaar een aanvraag indient als bedoeld in artikel
30db, eerste lid; of
c. de commandant de verlenging van de arbeidsduur beëindigt
omdat hij van oordeel is dat het dienstbelang zich tegen een
voortgezette verlenging daarvan verzet.
5. Indien de ambtenaar in een andere functie wordt tewerkgesteld
vervalt met ingang van de datum van tewerkstelling de verlenging van
de arbeidsduur. In dat geval kan de ambtenaar bij zijn nieuwe
commandant een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indienen.
6. Voor het deel dat de arbeidsduur wordt verlengd ontvangt de
ambtenaar een maandelijkse toeslag. Deze toeslag bedraagt 12 maal het
voor de betrokken ambtenaar geldende salaris per uur, of een evenredig
deel daarvan voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur
van gemiddeld minder dan 38 uur per week.
Artikel 30db. Tijdelijke verkorting van de arbeidsduur
1. De ambtenaar kan bij de commandant eenmaal per kalenderjaar een
aanvraag indienen om zijn arbeidsduur gedurende het resterende deel
van dat kalenderjaar met 2 uren per week te verkorten wanneer het
rooster van de ambtenaar gedurende het resterende deel van dat
kalenderjaar zal zijn gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 38
uur per week. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur
van gemiddeld minder dan 38 uur per week wordt de ingevolge de vorige
volzin geldende aanspraak vastgesteld op een evenredig deel van de
aanspraak bij een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
2. De in het eerste lid bedoelde verkorting van de arbeidsduur
wordt verwerkt in het voor de betrokken ambtenaar geldende rooster dan
wel wordt toegekend in de vorm van acht spaaruren per maand wanneer
het een ambtenaar betreft van wie het rooster is gebaseerd op een
arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week en een evenredig deel
daarvan wanneer het een ambtenaar betreft die is aangesteld voor een
arbeidsduur van gemiddeld minder dan 38 uur per week.
3. De commandant wijst een aanvraag indien het gaat om een
ambtenaar als bedoeld in het eerste lid toe.
4. Een toegestane verkorting van de arbeidsduur gaat in op de
eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de verkorting is
toegestaan.
5. Een toegestane verkorting van de arbeidsduur wordt jaarlijks
stilzwijgend voortgezet tenzij:
a. de ambtenaar een aanvraag indient om de tijdelijke
verkorting van de arbeidsduur te beëindigen; of
b. de ambtenaar een aanvraag indient als bedoeld in artikel
30da, eerste lid.
6. Indien de ambtenaar in een andere functie wordt tewerkgesteld
vervalt met ingang van de datum van tewerkstelling de verkorting van
de arbeidsduur. In dat geval kan de ambtenaar bij zijn nieuwe
commandant een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indienen.
7. Voor het deel dat de arbeidsduur wordt verkort, wordt
maandelijks een inhouding toegepast. Deze inhouding bedraagt 2 maal
het voor de betrokken ambtenaar geldende salaris per uur, of een
evenredig deel daarvan voor de ambtenaar die is aangesteld voor een
arbeidsduur van gemiddeld minder dan 38 uur per week.
Artikel 30dc. Opname van spaaruren
1.De spaaruren, bedoeld in artikel 30db, tweede lid, worden geheel
of gedeeltelijk in een aaneengesloten periode van ten minste 288
spaaruren en ten hoogste 960 spaaruren opgenomen. Voor de ambtenaar
die is aangesteld voor een arbeidsduur van gemiddeld minder dan 38 uur
per week wordt de in de vorige volzin genoemde verplichting
vastgesteld op een aaneengesloten periode van een evenredig aantal
spaaruren van het aantal dat geldt voor een ambtenaar van wie het
rooster is gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
2.Indien de ambtenaar op een andere functie wordt tewerkgesteld kan
de commandant op aanvraag van de ambtenaar afwijken van het minimum
aantal op te nemen spaaruren. Indien de ambtenaar op een andere
functie wordt tewerkgesteld kan de commandant op aanvraag van de
ambtenaar afwijken van het gestelde in het eerste lid dat de spaaruren
in een aaneengesloten periode van ten minste 288 spaaruren worden
opgenomen. Indien met een dergelijke aanvraag wordt ingestemd, dan
wordt het gehele tegoed aan spaaruren opgenomen bij functiewisseling,
voorafgaand aan de datum van tewerkstelling op de nieuwe functie.
3.Een aanvraag voor de opname van spaaruren wordt ten minste 6
maanden voorafgaande aan de gewenste datum van aanvang van de
opnameperiode, ingediend bij de commandant.
4.De commandant wijst een aanvraag als bedoeld in het derde lid
toe, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
5.De in een kalenderjaar opgebouwde spaaruren vervallen na een
periode van 10 kalenderjaren, te rekenen vanaf de dag van aanvang van
het daarop volgende kalenderjaar.
6.Indien vanwege dienstbelang dan wel persoonlijke omstandigheden
de ambtenaar gedurende de periode van 10 jaar bedoeld in het vijfde
lid niet in de gelegenheid is gesteld de spaaruren op te nemen, maakt
de commandant in afwijking van het vijfde lid met de ambtenaar
afspraken over de opname van de spaaruren binnen de 2 daaropvolgende
kalenderjaren.
7.Ten aanzien van de opname van spaaruren zijn artikel 33, zevende
lid, en artikel 91a van overeenkomstige toepassing.
Artikel 30dca
De bevoegdheid tot het toekennen van de aanvraag op grond van de
artikelen 30da, 30db en 30dc aan ambtenaren bezoldigd volgens
salarisschaal 14 en hoger berust bij de Secretaris-Generaal.
Artikel 30dd. Spaaruren en ontslag
1.Indien de ambtenaar op de datum dat hem ontslag is verleend nog
een tegoed aan spaaruren heeft, dan wordt voor elk spaaruur een
vergoeding toegekend van 1/165 deel van het voor de betrokken
ambtenaar geldende maandsalaris, zoals dit gold direct voorafgaande
aan de datum dat hem ontslag is verleend.
2.Indien de ambtenaar overlijdt, wordt het eerste lid
overeenkomstig toegepast.
Artikel 30e. Registratie werk- en rusttijden
1.De commandant voert een deugdelijke registratie ter zake van de
werk- en rusttijden en de realisatie daarvan, welke het toezicht op de
naleving van de bepalingen in dit hoofdstuk mogelijk maakt.
2.De in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden worden ten
minste 52 weken, gerekend vanaf de datum waarop de desbetreffende
gegevens en bescheiden betrekking hebben, bewaard.
Artikel 30f. Gelijkstelling met arbeidsduur
Voor de toepassing van de bepalingen in dit hoofdstuk, ten aanzien
van de arbeidsduur, wordt voor het bepalen van het aantal uren dat
arbeid wordt verricht, meegeteld de uren waarop de ambtenaar de arbeid
zou hebben verricht, maar deze uren in het kader van de medezeggenschap
als bedoeld in artikel 17 van het Besluit medezeggenschap defensie,
ziekte, verlof als bedoeld in de artikelen 32, 40, 42 tot en met 45 en
47, studieverlof als bedoeld in artikel 3 van de
Studiefaciliteitenregeling burgerlijke ambtenaren defensie, of de
vervulling van door wet of overheid opgelegde verplichting welke niet in
zijn vrije tijd kon geschieden, niet heeft verricht.
Artikel 30g. Gelijkstelling met de zondag
Voor de toepassing van de bepalingen in dit hoofdstuk ten aanzien van
de zondag, vindt voor de ambtenaar, die in verband met zijn
godsdienstige of levensbeschouwelijke opvatting, de wekelijkse rustdag
op een andere dag dan de zondag viert, overeenkomstige toepassing ten
aanzien van die dag in plaats van ten aanzien van de zondag, indien die
ambtenaar dit schriftelijk verzoekt.
Artikel 30h. Gezondheidsproblemen bij nachtdiensten
1.Indien uit arbeidsgezondheidskundig onderzoek blijkt, dat de
gezondheidsproblemen van een ambtenaar voortvloeien uit het verrichten
van nachtdiensten, dan wordt de arbeid van die ambtenaar binnen
redelijke termijn zodanig ingericht, dat hij arbeid verricht anders
dan in nachtdienst.
2.De commandant voldoet aan de voor hem uit het eerste lid
voortvloeiende verplichting, tenzij hij aannemelijk maakt dat dit
redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
Paragraaf 2. Toepassingsbereik
Artikel 30i. Algemene uitzonderingsbepalingen
1.Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn niet van
toepassing op arbeid verricht:
a. ten tijde van buitengewone omstandigheden, alsmede ten
aanzien van een onderdeel van de krijgsmacht, waaraan de
mededeling bedoeld in artikel 71 van het Wetboek van Militair
Strafrecht is gedaan;
b. ter uitvoering van bij wet of daarop berustende bepalingen
opgedragen taken, voor zover de toepassing van dit hoofdstuk en de
daarop berustende bepalingen een goede taakuitoefening belemmert;
c. in door Onze Minister te bepalen andere gevallen waarin
onderdelen van de krijgsmacht worden ingezet;
d. inzake aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op
de omstandigheden, bedoeld onder a, b, en c.
2.Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met
uitzondering van paragraaf 11, niet van toepassing op arbeid verricht:
a. tijdens varen, vliegen en oefeningen;
b. inzake aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op
het varen, het vliegen en het houden van oefeningen.
Artikel 30j. Opleidingen
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met
uitzondering van paragraaf 2, niet van toepassing op de ambtenaar die
een opleiding volgt als bedoeld in artikel 94.
Artikel 30k. Inzet brandweer
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn van toepassing
op arbeid verricht door brandweerpersoneel, tenzij dit personeel
repressief optreedt bij brand en ongevallen.
Artikel 30l. Leidinggevenden en hoger personeel
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met
uitzondering van de paragrafen 2 en 11, en de artikelen 30a, 30b, tweede
tot en met vijfde lid, 30c, 30da. 30db, 30h en 31g, niet van toepassing
op arbeid verricht door de ambtenaar van 18 jaar of ouder voor wie:
a. een salarisschaal geldt van schaal 11 of hoger, en die
uitsluitend of in hoofdzaak leiding geeft;
b. een salarisschaal geldt van schaal 13 of hoger, tenzij hij
arbeid pleegt te verrichten in nachtdienst dan wel arbeid verricht
waaraan of in rechtstreeks verband waarmee ernstige gevaren voor de
veiligheid of de gezondheid van personen zijn verbonden.
Artikel 30m. Internationaal tewerkgesteld
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met
uitzondering van de paragrafen 2 en 11, en de artikelen 30a, 30b, tweede
lid, 30da, 30db, 30c, 30h en 31g, eerste en tweede lid, niet van
toepassing op arbeid verricht door de ambtenaar voor zover hij is
tewerkgesteld buiten Nederland:
a. onder leiding of toezicht van een orgaan van de Verenigde
Naties;
b. bij of ten behoeve van een bondgenootschappelijk orgaan of
bondgenootschappelijke strijdkrachten;
c. buiten het Ministerie van Defensie, anders dan in de gevallen,
bedoeld onder a en b.
Artikel 30n. Medisch specialisten
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met
uitzondering van de paragrafen 2 en 11, en de artikelen 30a, 30b, tweede
tot en met vijfde lid, 30c, 30da, 30db, 30h en 31g, niet van toepassing
op arbeid verricht door de ambtenaar van 18 jaar of ouder die werkzaam
is als medisch specialist, als huisarts of als sociaal geneeskundige en
als zodanig staat geregistreerd in één van de registers van de
Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst,
dan wel als tandheelkundig specialist en als zodanig staat ingeschreven
in het specialistenregister van de Nederlandse Maatschappij tot
bevordering der Tandheelkunde.
Paragraaf 3. Arbeidsduur en verlengde arbeidsduur
Artikel 30o. Arbeidsduur
1.De arbeidsduur van de ambtenaar van 18 jaar of ouder bedraagt ten
hoogste 10 uren per dienst, in elke periode van 4 achtereenvolgende
weken ten hoogste gemiddeld 50 uren per week en in elke periode van 13
achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 45 uren per week.
2.De commandant dient over de toepassing van het eerste lid
overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk
maakt dat de ambtenaar meer dan 9 uren per dienst of meer dan 45 uren
per week arbeid verricht.
3.Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan
bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 9 uren per dienst, ten hoogste 45
uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke
periode van 13 achtereenvolgende weken.
4.De arbeidsduur van de jeugdige ambtenaar bedraagt ten hoogste 9
uren per dienst, ten hoogste 45 uren per week en in elke periode van 4
achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week.
Artikel 30p. Verlengde arbeidsduur
1.Van de in artikel 30o genoemde arbeidsduur kan voor de ambtenaar
van 18 jaar of ouder worden afgeweken indien zich een onvoorziene
wijziging van omstandigheden, incidenteel en niet periodiek, voordoet,
of de aard van de arbeid, incidenteel en voor korte tijd, dergelijke
afwijkingen noodzakelijk maakt.
2.De arbeidsduur bedraagt in situaties als bedoeld in het eerste
lid ten hoogste 12 uren per dienst, ten hoogste 60 uren per week en in
elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 48
uren per week.
3.Op de afwijking, bedoeld in het eerste lid, is artikel 31c,
vierde lid, onderdelen b en c, en het zesde lid, niet van toepassing.
4.Indien als gevolg van de toepassing van het eerste lid arbeid
wordt verricht in nachtdienst, welke arbeid eindigt vóór of op 02.00
uur, dan zijn hierop de in paragraaf 5 opgenomen bepalingen ten
aanzien van het verrichten van arbeid in nachtdienst niet van
toepassing.
Paragraaf 4. Dagelijkse en wekelijkse rusttijd
Artikel 30q. Dagelijkse onafgebroken rusttijd
1.De ambtenaar van 18 jaar of ouder heeft in elke aaneengesloten
tijdruimte van 24 uren recht op een onafgebroken rusttijd van ten
minste 11 uren, welke rusttijd éénmaal in elke aaneengesloten
tijdruimte van 7 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8
uren.
2.De jeugdige ambtenaar heeft in elke aaneengesloten tijdruimte van
24 uren recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren,
waarin de periode tussen hetzij 22.00 uur en 06.00 uur, hetzij 23.00
uur en 07.00 uur begrepen is.
3.De in de voorgaande leden bedoelde tijdruimte vangt aan op het
eerste tijdstip van de dag, waarop de ambtenaar arbeid verricht.
Artikel 30r. Wekelijkse onafgebroken rusttijd
1.De ambtenaar van 18 jaar of ouder heeft recht op een onafgebroken
rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten
tijdruimte van 7 maal 24 uren, hetzij ten minste 60 uren in elke
aaneengesloten tijdruimte van 9 maal 24 uren. De voorgeschreven
rusttijd van 60 uren mag éénmaal in elke periode van 5
achtereenvolgende weken worden bekort tot 32 uren.
2.De jeugdige ambtenaar heeft recht op een onafgebroken rusttijd
van ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24
uren.
3.De in de voorgaande leden bedoelde tijdruimte vangt aan op het
eerste tijdstip van de dag, waarop de ambtenaar arbeid verricht.
Paragraaf 5. Aanvullende bepalingen bij nachtdienst
Artikel 30s. Arbeidsduur nachtdienst
1.Voor de ambtenaar van 18 jaar of ouder die arbeid in nachtdienst
verricht, bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 9 uren per nachtdienst,
in elke periode van 4 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 50
uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten
hoogste gemiddeld 40 uren per week.
2.De commandant dient over de toepassing van het eerste lid
overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk
maakt dat de ambtenaar meer dan 8 uren per nachtdienst of meer dan 45
uren per week arbeid verricht.
3.Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan
bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 8 uren per nachtdienst, ten
hoogste 45 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in
elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
Artikel 30t. Verlengde arbeidsduur nachtdienst
1.Van de in artikel 30s genoemde arbeidsduur kan voor de ambtenaar
van 18 jaar of ouder worden afgeweken indien zich een onvoorziene
wijziging van omstandigheden, incidenteel en niet periodiek, voordoet,
of de aard van de arbeid, incidenteel en voor korte tijd, dergelijke
afwijkingen noodzakelijk maakt.
2.De arbeidsduur bedraagt in situaties als bedoeld in het eerste
lid ten hoogste 10 uren per nachtdienst, ten hoogste 60 uren per week
en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste
gemiddeld 40 uren per week.
3.Op de afwijking, bedoeld in het eerste lid, is artikel 31c,
vierde lid, onderdelen b en c, en het zesde lid, niet van toepassing.
Artikel 30u. Onafgebroken rusttijd nachtdienst
1.De ambtenaar van 18 jaar of ouder heeft na het verrichten van
arbeid in nachtdienst, welke eindigt ná 02.00 uur, recht op een
onafgebroken rusttijd van tenminste 14 uren, welke éénmaal in elke
aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren mag worden bekort tot ten
minste 8 uren.
2.De commandant dient over de toepassing van de in het eerste lid
bedoelde bekorting van de onafgebroken rusttijd tot ten minste 8 uren
overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing
noodzakelijk maakt.
3.De in het eerste lid bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste
tijdstip van de dag, waarop de ambtenaar arbeid verricht.
Artikel 30v. Aantal nachtdiensten die eindigen vóór of op 02.00 uur
1.De ambtenaar van 18 jaar of ouder verricht in elke periode van 13
achtereenvolgende weken niet meer dan ten hoogste 52 maal arbeid in
nachtdienst, indien de arbeid eindigt vóór of op 02.00 uur.
2.De commandant dient over de toepassing van het eerste lid
overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk
maakt dat de ambtenaar in een periode van 4 achtereenvolgende weken
meer dan 16 maal arbeid in nachtdienst verricht, indien de arbeid
eindigt vóór of op 02.00 uur.
Artikel 30w. Aantal nachtdiensten die eindigen ná 02.00 uur
1.De ambtenaar van 18 jaar of ouder verricht in elke periode van 13
achtereenvolgende weken niet meer dan ten hoogste 28 maal arbeid in
nachtdienst, indien de arbeid eindigt ná 02.00 uur.
2.De commandant dient over de toepassing van het eerste lid
overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk
maakt dat de ambtenaar in elke periode van 4 achtereenvolgende weken
meer dan 10 maal en in elke periode van13 achtereenvolgende weken meer
dan 25 maal arbeid in nachtdienst verricht, indien die arbeid eindigt
ná 02.00 uur.
Artikel 30x. Afwijking aantal nachtdiensten
1.In afwijking van artikel 30w, eerste lid, kan de commandant dit
artikel toepassen.
2.Indien de aard van de arbeid met zich brengt dat arbeid in
nachtdienst worden verricht en dit door het op een andere wijze
organiseren van de arbeid redelijkerwijs niet is te voorkomen,
verricht de ambtenaar van 18 jaar of ouder:
a. hetzij ten hoogste 35 maal in elke periode van 13
achtereenvolgende weken arbeid in nachtdienst;
b. hetzij ten hoogste 20 uren in elke periode van 2
achtereenvolgende weken arbeid tussen 00.00 uur en 06.00 uur.
3.De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede
lid overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing
noodzakelijk maakt.
Artikel 30y. Rusttijd na reeks nachtdiensten
1.Na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 7 maal achtereen
arbeid in nachtdienst te hebben verricht, heeft de ambtenaar van 18
jaar of ouder recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 48
uren.
2.De commandant dient over de toepassing van het eerste lid
overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang noodzakelijk maakt
dat de ambtenaar 7 maal achtereen arbeid in nachtdienst verricht die
eindigt vóór of op 02.00 uur, hetzij 6 of 7 maal achtereen arbeid in
nachtdienst verricht die eindigt ná 02.00 uur.
3.Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan heeft
de ambtenaar,:
a. na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 6 maal
achtereen arbeid in nachtdienst te hebben verricht, die eindigt
vóór of op 02.00 uur;
b. hetzij na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 5 maal
achtereen arbeid in nachtdienst te hebben verricht, die eindigt
ná 02.00 uur,
recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 48 uren.
Artikel 30z. Referentieperiode
1.In afwijking van artikel 30s, eerste lid, en artikel 30t, tweede
lid, ten aanzien van het gemiddeld aantal uren per week in elke
periode van 13 achtereenvolgende weken dat arbeid in nachtdienst wordt
verricht, kan de commandant dit artikel toepassen.
2.Indien zich een onvoorziene wijziging van omstandigheden voordoet
of de aard van de arbeid het noodzakelijk maakt dat de ambtenaar van
18 jaar of ouder slechts incidenteel of voor korte tijd arbeid in
nachtdienst verricht en dit door het op een andere wijze organiseren
van de arbeid redelijkerwijs niet is te voorkomen, verricht de
ambtenaar in elke periode van 52 achtereenvolgende weken gemiddeld 40
uren per week arbeid.
3.De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede
lid overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing
noodzakelijk maakt.
Paragraaf 6. Afwijkende bepalingen inzake arbeidsduur en rusttijd
Artikel 31 [Vervallen per 25-07-2001]
Artikel 31a. Noodzakelijke werkzaamheden
1.In afwijking van de artikelen 30o, 30p, 30s, en 30t, ten aanzien
van de arbeidsduur per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst, kan
de commandant dit artikel toepassen.
2.Indien de arbeid geen uitstel gedogen, en door het nemen van
andere maatregelen redelijkerwijs niet is te voorkomen, verricht de
ambtenaar van 18 jaar of ouder ten hoogste éénmaal in elke periode
van 2 achtereenvolgende weken 14 uren arbeid per dienst
onderscheidenlijk per nachtdienst.
3.Het tweede lid is eveneens van toepassing, indien de arbeid wordt
verstoord door een zich plotseling voordoende situatie:
a. waarbij personen ernstig letsel oplopen, dan wel daartoe de
onmiddellijke dreiging bestaat;
b. waarbij buitengewoon ernstige schade aan goederen ontstaat,
dan wel dreigt te ontstaan.
Artikel 31b. Overdracht van diensten
1.De commandant kan, in afwijking van de in dit hoofdstuk opgenomen
bepalingen ten aanzien van de arbeidsduur per dienst onderscheidenlijk
per nachtdienst en de onafgebroken rusttijd, dit artikel toepassen.
2.De arbeidsduur per dienst of per nachtdienst onderscheidenlijk de
onafgebroken rusttijd wordt met ten hoogste 15 achtereenvolgende
minuten verlengd onderscheidenlijk ingekort, indien de arbeid van de
ambtenaar van 18 jaar of ouder aan het eind van de dienst wordt
overgenomen en direct daaropvolgend worden voortgezet door een andere
ambtenaar en de goede voortgang van die arbeid overdracht noodzakelijk
maakt.
3.Op de afwijking bedoeld in het tweede lid zijn de artikelen 30v,
30w en 30x, ten aanzien van het aantal malen dat arbeid in nachtdienst
wordt verricht, niet van toepassing.
Paragraaf 7. Pauzeregeling
Artikel 31c. Pauze
1.Indien de arbeidsduur van de ambtenaar van 18 jaar of ouder meer
dan 5½ uur per dienst bedraagt, dan wordt de arbeid afgewisseld door
een pauze.
2.De in het eerste lid bedoelde pauze bedraagt ten minste een half
uur aaneengesloten, welke mag worden gesplitst in twee pauzes van ten
minste 15 achtereenvolgende minuten.
3.De commandant dient over de toepassing van het tweede lid
overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing
noodzakelijk maakt.
4.Indien het tweede lid niet wordt toegepast, dan wordt, met
inachtneming van het eerste lid, de arbeid van de ambtenaar:
a. indien hij niet meer dan 8 uren arbeid per dienst of
nachtdienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten
minste een half uur;
b. indien hij meer dan 8 uren, doch niet meer dan 10 uren
arbeid per dienst of nachtdienst verricht, afgewisseld door pauzes
van tezamen ten minste 45 minuten;
c. indien hij meer dan 10 uren arbeid per dienst of nachtdienst
verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste 1 uur.
5.Eén van de pauzes, bedoeld in het vierde lid, bedraagt ten
minste een half uur aaneengesloten.
6.De pauzes, bedoeld in het vierde lid, vangen aan en eindigen in
de periode, gelegen tussen 2 uren na de aanvang en 2 uren voor het
einde van de arbeid.
Artikel 31d. Pauze jeugdige ambtenaar
1.Indien de arbeidsduur van de jeugdige ambtenaar meer dan 4 ½ uur
per dienst bedraagt, dan wordt de arbeid afgewisseld door een pauze.
2.De in het eerste lid bedoelde pauze bedraagt ten minste een half
uur aaneengesloten, welke mag worden gesplitst in twee pauzes van ten
minste 15 achtereenvolgende minuten.
3.De commandant dient over de toepassing van het tweede lid
overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing
noodzakelijk maakt.
4.Indien het tweede lid niet wordt toegepast, dan wordt, met
inachtneming van het eerste lid, de arbeid van de jeugdige ambtenaar:
a. indien hij niet meer dan 8 uren arbeid per dienst verricht,
afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste een half uur;
b. indien hij meer dan 8 uren arbeid per dienst verricht,
afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste 45 minuten.
5.Eén van de pauzes, bedoeld in het vierde lid, bedraagt ten
minste een half uur aaneengesloten.
6.De pauzes, bedoeld in het vierde lid, vangen aan en eindigen in
de periode, gelegen tussen 2 uren na de aanvang en 2 uren voor het
einde van de arbeid.
Artikel 31e. Consignatie tijdens pauze
1.De commandant kan van het bepaalde in artikel 30a, onderdeel h,
en artikel 31j, tweede lid, afwijken, indien de aard van de arbeid van
de ambtenaar van 18 jaar of ouder het noodzakelijk maakt dat hij
tijdens de pauze bereikbaar is onderscheidenlijk op de werkplek
aanwezig is om op oproep zo spoedig mogelijk die arbeid te verrichten,
en dit door het op een andere wijze organiseren van de arbeid
redelijkerwijs niet is te voorkomen.
2.De commandant dient over de toepassing van het eerste lid
overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing
noodzakelijk maakt.
3.Voor de toepassing van het eerste lid geldt de tijd tijdens de
werkplekgebonden pauze waarop de arbeid van de ambtenaar zich
uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek, als
pauze.
Artikel 31f. Afwijking pauzeverplichting
1.De commandant kan van het bepaalde in artikel 31c, eerste lid,
afwijken, indien de ambtenaar van 18 jaar of ouder:
a. arbeid verricht zonder enig direct contact met een andere
ambtenaar die vergelijkbare arbeid verricht, of
b. indien de aard van de arbeid met zich brengt dat de
afwisseling van de arbeid per dienst onderscheidenlijk per
nachtdienst door een pauze onmogelijk is en dit door het op een
andere wijze organiseren van de arbeid redelijkerwijs niet is te
voorkomen.
2.De commandant dient over de toepassing van het eerste lid
overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing
noodzakelijk maakt.
3.Indien het eerste lid wordt toegepast, verricht de ambtenaar in
elke periode van 52 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 40
uren per week arbeid.
4.Indien het eerste lid wordt toegepast, verricht de ambtenaar in
afwijking van artikel 31i, tweede lid, en artikel 31o, tweede lid, ten
hoogste 12 uren per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst arbeid.
Paragraaf 8. Werk- en rusttijden op bepaalde dagen
Artikel 31g. Werk- en rusttijden op bepaalde dagen
1.Op zaterdag en zondag wordt aan de ambtenaar geen arbeid
opgedragen. Hiervan kan slechts worden afgeweken indien naar het
oordeel van de commandant het dienstbelang zulks onvermijdelijk maakt.
Indien de jeugdige ambtenaar op zondag arbeid verricht, dan wordt door
hem op de dag voorafgaande aan die zondag geen dienst verricht.
2.Het eerste lid geldt mede voor Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede
Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste en Tweede Pinksterdag, Eerste en
Tweede Kerstdag, Koninginnedag en 5 mei en de door Onze Minister aan
te wijzen feest- of gedenkdagen.
3.De ambtenaar verricht geen arbeid op ten minste 26 zondagen per
periode van 52 weken.
4.Indien naar het oordeel van de commandant de belangen van de
dienst zich hiertegen niet verzetten, wordt de ambtenaar, aan wie op
een zondag of een dag als bedoeld in het tweede lid, dienst is
opgedragen, tijdens de werktijd in de gelegenheid gesteld de
godsdienstuitoefening van de gezindte waartoe hij behoort bij te
wonen.
Artikel 31h. Arbeidsduur voorafgaand aan feest- of gedenkdagen
1.In afwijking van de artikelen 30p en 30t ten aanzien van de
arbeidsduur per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst kan de
commandant dit artikel toepassen.
2.Indien de aard van de arbeid, of de bedrijfsomstandigheden, in
verband met de Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Paasdag,
Hemelvaartsdag, Eerste en Tweede Pinksterdag, Eerste en Tweede
Kerstdag, Koninginnedag of 5 december dit noodzakelijk maakt, verricht
de ambtenaar van 18 jaar of ouder in de aaneengesloten periode van 7
dagen voorafgaand aan die dag ten hoogste tweemaal 14 uren per dienst
onderscheidenlijk per nachtdienst arbeid.
3.De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede
lid overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing
noodzakelijk maakt.
4.Artikel 31a is niet van toepassing indien het eerste en tweede
lid wordt toegepast.
Artikel 31i. Arbeidsduur op feest- of gedenkdagen
1.In afwijking van artikel 30o, eerste lid, en artikel 30s, eerste
lid, ten aanzien van de arbeidsduur per dienst onderscheidenlijk per
nachtdienst, en artikel 30u, eerste lid, ten aanzien van de
onafgebroken rusttijd na een nachtdienst, kan de commandant dit
artikel toepassen.
2.De ambtenaar van 18 jaar of ouder verricht, in verband met de
Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste en
Tweede Pinksterdag en Eerste en Tweede Kerstdag, in de tijdruimte
tussen de dag voorafgaand aan bedoelde dagen 18.00 uur en de op deze
dagen volgende dag 08.00 uur ten hoogste 11 uren per dienst
onderscheidenlijk per nachtdienst arbeid. De ambtenaar heeft na het
verrichten van die arbeid een onafgebroken rusttijd van ten minste 12
uren.
3.Indien het eerste en tweede lid wordt toegepast, dan organiseert
de commandant de arbeid zodanig, dat zoveel mogelijk ambtenaren op de
in het tweede lid bedoelde dagen geen arbeid verricht in de tijdruimte
gelegen tussen 00.00 uur en de daarop volgende dag 06.00 uur.
4.De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede
lid overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing
noodzakelijk maakt.
Paragraaf 9. Consignatie en bijzondere vormen van consignatie
Artikel 31j. Consignatie
1.De commandant kan de ambtenaar van 18 jaar of ouder consignatie
opleggen.
2.Ten minste gedurende 2 maal een aaneengesloten tijdruimte van 7
maal 24 uren in elke periode van 4 achtereenvolgende weken wordt geen
consignatie opgelegd.
3.Tijdens de onafgebroken rusttijd direct voorafgaand aan en direct
volgend op een nachtdienst wordt geen consignatie opgelegd.
4.Als consignatie wordt opgelegd bedraagt de arbeidsduur ten
hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten
hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 45 uren per week in
elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
5.Indien de consignatie geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00
uur tot 06.00 uur bestrijkt, bedraagt de arbeidsduur, in afwijking van
het vorige lid ten hoogste 13 uren in elke periode van 24
achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste
gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende
weken.
6.Voor de toepassing van het vierde en vijfde lid vangt de arbeid
aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half uur na
beëindiging van de arbeid die voortvloeit uit een oproep opnieuw een
oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend tot de
arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren arbeid
voortvloeiend uit een oproep wordt verricht, wordt de arbeidsduur
geacht ten minste een half uur te bedragen.
7.De arbeid die voortvloeit uit een oproep wordt voor de toepassing
van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd
en pauze buiten beschouwing gelaten.
8.Op de arbeid die voortvloeit uit een oproep zijn de bepalingen in
paragraaf 5 ten aanzien van het aantal malen dat arbeid in nachtdienst
wordt verricht niet van toepassing.
Artikel 31k. Aanwezigheidsdienst
1.In afwijking van artikel 31j, tweede lid, kan de commandant de
ambtenaar van 18 jaar of ouder ten hoogste 3 maal in elke
aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren en ten hoogste 26 maal in
elke periode van 13 achtereenvolgende weken een aanwezigheidsdienst
opleggen.
2.In afwijking van het eerste lid kan de commandant de ambtenaar
gedurende ten hoogste 6 weken in elke periode van 52 achtereenvolgende
weken ten hoogste 4 maal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal
24 uren en ten hoogste 26 maal in elke periode van 13
achtereenvolgende weken een aanwezigheidsdienst opleggen.
3.Als het tweede lid wordt toegepast heeft de ambtenaar na de
aanwezigheidsdienst of reeks van aaneengesloten aanwezigheidsdiensten
een onafgebroken rusttijd die ten minste even lang is als de
voorafgaande aanwezigheidsdienst onderscheidenlijk reeks van
aaneengesloten aanwezigheidsdiensten.
4.Tijdens de onafgebroken rusttijd direct voorafgaand aan en direct
volgend op een nachtdienst wordt geen aanwezigheidsdienst opgelegd.
5.Als een aanwezigheidsdienst wordt opgelegd bedraagt de
arbeidsduur ten hoogste 13 uren in elke periode van 24
achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste
gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende
weken.
6.Indien de aanwezigheidsdienst geheel of gedeeltelijk de periode
van 00.00 uur tot 06.00 uur bestrijkt, bedraagt de arbeidsduur, in
afwijking van het vorige lid ten hoogste 13 uren in elke periode van
24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste
gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende
weken.
7.Voor de toepassing van dit artikel geldt de tijd tijdens een
aanwezigheidsdienst, waarbij de dienst van de ambtenaar zich
uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek, als
rusttijd.
8.Voor de toepassing van het vijfde en zesde lid vangt de
arbeidsduur aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half
uur na beëindiging van de arbeid die voortvloeit uit een oproep
opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend
tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren
arbeid voortvloeiend uit een oproep wordt verricht, wordt de
arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.
9.De arbeid die voortvloeit uit een oproep wordt voor de toepassing
van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd
en pauze buiten beschouwing gelaten.
10.Op de arbeid die voortvloeit uit een oproep zijn de bepalingen
in paragraaf 5, ten aanzien van het aantal malen dat arbeid in
nachtdienst wordt verricht, niet van toepassing.
Artikel 31l. Aanwezigheidsdienst brandweer
1.Dit artikel is uitsluitend van toepassing op de ambtenaar van 18
jaar of ouder die met goed gevolg een brandweeropleiding heeft
afgesloten en die als zodanig werkzaam is, alsmede de ambtenaar van 18
jaar of ouder die in directe samenhang met voornoemde ambtenaar arbeid
verricht.
2.In afwijking van artikel 31j, tweede lid, kan de commandant de
ambtenaar ten hoogste 4 maal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7
maal 24 uren, ten hoogste 46 maal in elke periode van 13
achtereenvolgende weken en ten hoogste 124 maal in elke periode van 52
achtereenvolgende weken een aanwezigheidsdienst opleggen.
3.Indien het tweede lid wordt toegepast dan:
a. heeft de ambtenaar vóór en ná een aanwezigheidsdienst een
onafgebroken rusttijd van ten minste 11 uren, welke rusttijd
éénmaal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren mag
worden ingekort tot ten minste 8 uren;
b. bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 10 uren in elke periode
van 24 achtereenvolgende uren en in elke periode van 13
achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 45 uren per week.
4.Het derde lid, onderdeel a, blijft buiten toepassing, indien zich
incidentele en onvoorziene omstandigheden voordoen waardoor het aantal
ambtenaren dat nodig is onder het vereiste minimum komt, die een
dergelijke afwijking noodzakelijk maakt.
5.Voor de toepassing van dit artikel geldt de tijd tijdens een
aanwezigheidsdienst, waarbij de dienst van de ambtenaar zich
uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek, als
rusttijd.
6.Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, vangt de
arbeidsduur aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half
uur na beëindiging van de arbeid die voortvloeit uit een oproep
opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend
tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren
arbeid voortvloeiend uit een oproep wordt verricht, wordt de
arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.
7.De arbeid die voortvloeit uit een oproep wordt voor de toepassing
van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd
en pauze buiten beschouwing gelaten.
8.Op de arbeid die voortvloeit uit een oproep zijn de bepalingen in
paragraaf 5, ten aanzien van het aantal malen dat arbeid in
nachtdienst wordt verricht, niet van toepassing.
Artikel 31m. Piket
1.In afwijking van artikel 31j, tweede lid, kan de commandant de
ambtenaar van 18 jaar of ouder ten hoogste een aaneengesloten
tijdruimte van 7 maal 24 uren piket opleggen.
2.Als piket wordt opgelegd, dan wordt de ambtenaar ten minste
gedurende 8 maal een aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren in
elke periode van 13 achtereenvolgende weken geen piket,
aanwezigheidsdienst of consignatie opgelegd.
3.Tijdens de onafgebroken rusttijd direct voorafgaand aan en direct
volgend op een nachtdienst wordt geen piket opgelegd.
4.Als piket wordt opgelegd bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 13
uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60
uren per week en ten hoogste gemiddeld 45 uren per week in elke
periode van 13 achtereenvolgende weken.
5.Indien het piket geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00 uur
tot 06.00 uur bestrijkt, bedraagt de arbeidsduur, in afwijking van het
vorige lid ten hoogste 13 uren in elke periode van 24
achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste
gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende
weken.
6.Voor de toepassing van dit artikel geldt de tijd tijdens het
piket waarbij de dienst van de ambtenaar zich uitsluitend beperkt tot
de verplichte aanwezigheid op de werkplek als rusttijd.
7.Voor de toepassing van het vierde en vijfde lid vangt de
arbeidsduur aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half
uur na beëindiging van de arbeid die voortvloeit uit een oproep
opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend
tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren
arbeid voortvloeiend uit een oproep wordt verricht, wordt de
arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.
8.De arbeid die voortvloeit uit een oproep wordt voor de toepassing
van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd
en pauze buiten beschouwing gelaten.
9.Op de arbeid die voortvloeit uit een oproep zijn de bepalingen in
paragraaf 5 ten aanzien van het aantal malen dat arbeid in nachtdienst
wordt verricht niet van toepassing.
Paragraaf 10. Bijzondere bepalingen voor continu- en ploegendienst
Artikel 31n. Continu- en ploegendienst
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op arbeid in continu- of
ploegendienst, die door de ambtenaar van 18 jaar of ouder wordt
verricht.
Artikel 31o. Arbeidsduur op zaterdag en zondag
1.In afwijking van artikel 30o, eerste lid, en artikel 30s, eerste
lid, ten aanzien van de arbeidsduur per dienst onderscheidenlijk per
nachtdienst, en artikel 30u, eerste lid, ten aanzien van de
onafgebroken rusttijd na een nachtdienst, kan de commandant dit
artikel toepassen.
2.De ambtenaar verricht in de tijdruimte gelegen tussen vrijdag
18.00 uur en de daaropvolgende maandag 08.00 uur ten hoogste 11 uren
per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst arbeid.
3.Indien het eerste en tweede lid wordt toegepast heeft de
ambtenaar na het verrichten van die arbeid een onafgebroken rusttijd
van ten minste 12 uren, en verricht hij ten minste 2 maal in elke
periode van 4 achtereenvolgende weken geen arbeid in de tijdruimte
gelegen tussen zaterdag 00.00 uur en de daaropvolgende maandag 06.00
uur.
4.De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede
lid overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing
noodzakelijk maakt.
Artikel 31p. Onafgebroken rusttijd continu- en ploegendienst
1.In afwijking van artikel 30r, eerste lid, kan de commandant dit
artikel toepassen.
2.De ambtenaar heeft recht op een onafgebroken rusttijd van ten
minste 92 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 11 maal 24 uren,
welke rusttijd éénmaal in elke periode van 5 achtereenvolgende weken
mag worden bekort tot 72 uren.
3.De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede
lid overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing
noodzakelijk maakt.
4.Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan heeft
de ambtenaar recht op een onafgebroken rusttijd van hetzij ten minste
36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, hetzij
ten minste 92 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 11 maal 24
uren.
5.De in het tweede en vierde lid bedoelde tijdruimte vangt aan op
het eerste tijdstip van de dag, waarop de ambtenaar arbeid verricht.
Artikel 31q. Pauze continu- en ploegendienst
1.In afwijking van artikel 31c, tweede lid, kan de commandant dit
artikel toepassen.
2.Indien de arbeidsduur meer dan 5½ uur per dienst bedraagt, dan
wordt de arbeid van de ambtenaar afgewisseld door een pauze.
3.De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede
lid overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing
noodzakelijk maakt.
Artikel 31r. Doorstaan in continu- en ploegendienst
1.Indien zich incidentele en onvoorziene omstandigheden voordoen,
waardoor het aantal ambtenaren in een ploeg onder het vereiste minimum
komt, kan de commandant afwijken van artikel 30s, eerste lid, ten
aanzien van de arbeidsduur per nachtdienst, en artikel 30u, eerste
lid.
2.Onverminderd het gestelde in artikel 31i, en artikel 31o ten
aanzien van de zondag,:
a. verricht de ambtenaar bij toepassing van het eerste lid
gedurende ten hoogste 2 maal in elke periode van 4
achtereenvolgende weken en 8 maal in elke periode van 52
achtereenvolgende weken, ten hoogste 11 uur per nachtdienst
arbeid;
b. heeft de ambtenaar na het verrichten van die arbeid recht op
een onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren.
3.De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede
lid overeenstemming te bereiken met de betrokken
medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing
noodzakelijk maakt.
Paragraaf 11. Bijzondere bepalingen voor vrouwelijke ambtenaren
Artikel 31s. Werk- en rusttijden tijdens de zwangerschap
1.De arbeid van een zwangere ambtenaar wordt zodanig ingericht, dat
rekening wordt gehouden met haar specifieke omstandigheden. De
commandant voldoet, met inachtneming van het tweede tot en met vijfde
lid, aan de voor hem uit de eerste volzin voortvloeiende verplichting
binnen een redelijke termijn nadat een aanvraag daartoe door de
zwangere ambtenaar is gedaan. Bij deze aanvraag wordt desgevraagd een
schriftelijke verklaring overgelegd van een geneeskundige of een
verloskundige waaruit blijkt, dat de betrokken ambtenaar zwanger is.
2.De zwangere ambtenaar heeft het recht de arbeid af te wisselen
met één of meer pauzes buiten die bedoeld in artikel 31c. Deze extra
pauze onderscheidenlijk pauzes bedragen tezamen ten minste 15 minuten
en ten hoogste één achtste deel van de voor haar geldende
arbeidsduur per dienst of nachtdienst. De in de vorige volzin bedoelde
pauzes gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk als arbeidsduur.
3.De zwangere ambtenaar heeft het recht arbeid te verrichten in een
bestendig en regelmatig werk- en rusttijdenpatroon.
4.De zwangere ambtenaar kan niet worden verplicht arbeid te
verrichten anders dan op grond van artikel 30o is toegestaan.
5.De zwangere ambtenaar kan niet worden verplicht arbeid te
verrichten in nachtdienst, tenzij de commandant aannemelijk maakt dat
dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
6.De commandant stelt de zwangere ambtenaar in de gelegenheid de
noodzakelijke zwangerschapsonderzoeken te ondergaan. De tijd van de in
de vorige volzin bedoelde onderzoeken gelden voor de toepassing van
dit hoofdstuk als arbeidsduur.
Artikel 31t. Bevalling
De commandant organiseert de arbeid zodanig, dat een vrouwelijke
ambtenaar:
a. geen arbeid verricht binnen 28 dagen voor de vermoedelijke
datum van de bevalling, zoals die is aangegeven in een door de
vrouwelijke ambtenaar aan de commandant overgelegde schriftelijke
verklaring van een geneeskundige of verloskundige waaruit de
vermoedelijke datum van bevalling blijkt. Het in de eerste volzin
bedoelde tijdvak wordt verlengd met het tijdvak dat verloopt tussen
de vermoedelijke datum van de bevalling en de werkelijke datum van
de bevalling;
b. geen arbeid verricht binnen 42 dagen na haar bevalling.
Artikel 31u. Werk- en rusttijden na de bevalling
Artikel 31s is, met uitzondering van het zesde lid, van
overeenkomstige toepassing gedurende een periode van 6 maanden na de
bevalling.
Artikel 31v. Voedingsrecht
1.Een vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind voedt, heeft, indien
zij de commandant hiervan in kennis heeft gesteld, gedurende ten
minste de eerste 9 levensmaanden van dat kind het recht de arbeid te
onderbreken ten einde in de nodige rust en afzondering haar kind te
zogen dan wel de borstvoeding te kolven. De commandant biedt haar
daartoe de gelegenheid en stelt, waar nodig, een geschikte af te
sluiten besloten ruimte ter beschikking.
2.De onderbrekingen, bedoeld in het eerste lid, vinden plaats zo
vaak en zo lang als nodig is doch bedragen gezamenlijk ten hoogste een
vierde van de arbeidsduur per dienst of nachtdienst. De vaststelling
van het tijdstip en de duur van de onderbrekingen vindt plaats door de
betrokken vrouwelijke ambtenaar na overleg met de commandant.
3.De duur van de onderbrekingen, bedoeld in dit artikel, gelden
voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen als arbeidsduur.
Hoofdstuk 5. Vakantie en verlof
§ 1. Vakantie
Artikel 32. De aanspraak op vakantie
1.De ambtenaar heeft jaarlijks aanspraak op vakantie met behoud van
zijn volle bezoldiging.
2.De aanspraak op vakantie wordt uitgedrukt in hele uren. Zo nodig
vindt afronding naar boven plaats.
3.De omvang van de aanspraak op vakantie is afhankelijk van:
a. het salaris van de ambtenaar;
b. de leeftijd van de ambtenaar;
c. de arbeidsduur waarvoor de ambtenaar is aangesteld.
4.Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een wekelijkse
arbeidsduur van 38 uur bedraagt de aanspraak op vakantie 184 uren per
kalenderjaar indien het salaris op 1 januari van het desbetreffende
jaar minder bedraagt dan het maximumsalaris van schaal 9 van bijlage A
van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie, en 192 uren
per kalenderjaar indien het salaris op 1 januari van het
desbetreffende jaar gelijk is aan of meer bedraagt dan vorenbedoeld
maximumsalaris.
5.De op grond van het vierde lid geldende aanspraak op vakantie
wordt verhoogd:
a. volgens onderstaande tabel, afhankelijk van de leeftijd die
de ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar bereikt;
|
leeftijd |
verhoging |
|
18 jaar en jonger |
24 uren |
|
19 jaar |
16 uren |
|
20 jaar |
8 uren |
|
van 30 tot en met 39 jaar |
8 uren |
|
van 40 tot en met 44 jaar |
16 uren |
|
van 45 tot en met 49 jaar |
24 uren |
|
van 50 tot en met 54 jaar |
32 uren |
|
van 55 tot en met 59 jaar |
40 uren |
|
60 jaar en ouder |
48 uren |
b. over het kalenderjaar, waarin de ambtenaar in geheel of
gedeeltelijk afwisselende dienst werkzaam is: met zoveel uren
als hij op in dat kalenderjaar niet op zaterdag of zondag
vallende feestdagen als bedoeld in artikel 31g, tweede lid
volgens rooster heeft gewerkt, hetzij volgens rooster vrij van
dienst is geweest, dan wel uit hoofde van ziekte of vakantie
niet tot dienstverrichting was gehouden.
6.Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een wekelijkse
arbeidsduur van minder dan 38 uur, wordt de op basis van het vierde
en vijfde lid geldende aanspraak op vakantie vastgesteld op een
evenredig deel van de aanspraak van een ambtenaar die is aangesteld
voor een wekelijkse arbeidsduur van 38 uur.
7.Bij beëindiging of aanvang van het dienstverband in de loop
van een kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie vastgesteld
naar evenredigheid van de dienst, die de ambtenaar in dat jaar
verricht heeft of zal verrichten.
8.Indien de wekelijkse arbeidsduur waarvoor de ambtenaar is
aangesteld wordt gewijzigd, wordt de aanspraak op vakantie over een
eventueel resterend gedeelte van het desbetreffende kalenderjaar
opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de nieuwe arbeidsduur. De
tot aan de datum van ingang van de gewijzigde arbeidsduur verworven
aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd gehandhaafd.
9.De vakantie waarop een ambtenaar aanspraak maakt wordt naar
evenredigheid verminderd indien hij een aaneengesloten periode van
langer dan een maand geheel of gedeeltelijk geen dienst verricht.
10.Het negende lid is niet van toepassing, indien geheel of
gedeeltelijk geen dienst wordt verricht wegens:
a. vakantie;
b. ziekte, voor zover de verhindering tot dienstverrichting
korter duurt dan 52 weken, waarbij een hervatting gedurende
dertig kalenderdagen of minder geen nieuwe periode van 52 weken
inluidt;
c. zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel
3:1 van de Wet arbeid en zorg;
d. verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefeningen.
11.De vakantie waarop de ambtenaar aanspraak maakt:
wordt verminderd naar evenredigheid van de tijd gedurende
welke hem langer durend zorgverlof als bedoeld in artikel 46e,
of ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet
arbeid en zorg, is verleend;
kan worden verminderd naar evenredigheid van de tijd
gedurende welke hem buitengewoon verlof als bedoeld in artikel
125c, tweede lid, van de Ambtenarenwet of artikel 45 van dit
besluit, is verleend.
12.De ambtenaar heeft geen aanspraak op vakantie, indien artikel
61a, tweede lid, onderdeel g, van toepassing is.
Artikel 33. Het opnemen van vakantie
1. De ambtenaar is vrij te bepalen wanneer hij vakantie opneemt,
voor zoveel de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten.
2. Vakantie wordt zoveel mogelijk opgenomen in aaneengesloten
perioden van ten minste vier uren.
3. De ambtenaar dient in elk kalenderjaar ten minste 120 uur
vakantie op te nemen waarvan ten minste 80 uur over een aaneengesloten
periode indien hij is aangesteld voor een wekelijkse arbeidsduur van
38 uur, en tot in evenredigheid lagere getallen indien hij is
aangesteld voor een wekelijkse arbeidsduur van minder dan 38 uur.
4. De commandant kan toestaan dat een ambtenaar in enig
kalenderjaar meer uren vakantie opneemt dan zijn aanspraak tot en met
het lopende jaar bedraagt, met dien verstande dat de opgenomen
vakantie de aanspraak tot en met het lopende jaar nimmer met meer dan
64 uren mag overschrijden. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor
een wekelijkse arbeidsduur van minder dan 38 uur, wordt het in de
vorige volzin bedoelde aantal uren van de maximaal toegestane
overschrijding verminderd naar evenredigheid van de arbeidsduur
waarvoor hij is aangesteld. De in een kalenderjaar teveel genoten
vakantie wordt in mindering gebracht op de aanspraak op vakantie over
het eerstvolgende jaar.
5. De ambtenaar meldt het voornemen vakantie op te nemen
ruimschoots van te voren.
6. Tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen
verzetten, is het de ambtenaar toegestaan op het voornemen vakantie op
te nemen, terug te komen, dan wel het opnemen niet voort te zetten. De
vorige volzin geldt in geval van ziekte of ongeval alleen indien de
ambtenaar ten genoege van de commandant die ziekte of dat ongeval
aantoont.
7. Wanneer dringende redenen van dienstbelang dat noodzakelijk
maken, kan de commandant aan de ambtenaar verleende toestemming
vakantie op te nemen intrekken, zowel vóór als tijdens de vakantie.
Indien de ambtenaar ten gevolge van het intrekken van de toestemming
vakantie op te nemen geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed.
8. Niet opgenomen vakantieverlof, waaronder eventueel van vorige
jaren overgeboekt vakantieverlof, wordt overgeboekt naar het volgende
kalenderjaar tot een maximum van het aantal uren per jaar, te
berekenen volgens artikel 32, verminderd met het in het derde lid
bedoelde aantal verplicht op nemen uren.
9. Uitsluitend indien naar het oordeel van de commandant
operationele of gewichtige persoonlijke omstandigheden de ambtenaar
hebben verhinderd vakantie op te nemen, kan worden afgeweken van de
overeenkomstig het achtste lid maximaal naar een volgend kalenderjaar
over te boeken vakantieaanspraken.
Artikel 34. Ontslag en vakantie
1.Indien de ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak
heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij niet
heeft opgenomen een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris
per uur dat de ambtenaar direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot.
De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak
op vakantie over een vol kalenderjaar, uitgaande van het salaris en de
arbeidsduur waarvoor hij is aangesteld zoals die direct voorafgaand
aan het ontslag voor de ambtenaar golden en de leeftijd welke hij
bereikt in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking wordt
beëindigd.
2.Indien op de dag van zijn ontslag blijkt dat de ambtenaar teveel
vakantie heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantie
een bedrag verschuldigd ten bedrage van het salaris per uur.
3.In geval van overgang zonder onderbreking naar een functie binnen
een andere sector van de rijksdienst in de loop van een kalenderjaar
kan, indien dit binnen die andere sector van de rijksdienst mogelijk
is, de ambtenaar er - in zoverre in afwijking van het eerste lid -
voor kiezen de vakantieaanspraken van het lopende kalenderjaar die
niet genoten zijn, mee te nemen. Daarbij wordt vakantie die in het
lopende kalenderjaar genoten is in mindering gebracht op de aanspraken
in dat jaar.
4.Indien de ambtenaar overlijdt, wordt het eerste lid
overeenkomstig toegepast.
Artikel 35. Begrip bezoldiging
Voor de toepassing van deze paragraaf is, voor de berekening van de
bezoldiging, artikel 30 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren
defensie van toepassing.
Artikel 36
Onze Minister is bevoegd nadere en zonodig afwijkende regels vast te
stellen.
§ 2. Verlof
Artikel 37. Verlof bij militaire en soortgelijke dienst alsmede in
geval van ziekte
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 6, genieten verlof:
a. de ambtenaar, die als militair in werkelijke dienst is;
b. de ambtenaar die in werkelijke dienst is als een vrijwillig
ambtenaar, als bedoeld in het Besluit rechtspositie vrijwillige
politie;
c. de ambtenaar, die is tewerkgesteld in de zin van artikel 9 van
de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;
d. de ambtenaar, die op grond van een andere bijzondere
verbintenis in werkelijk militaire of daarmede gelijk te stellen
dienst is, ter zake waarvan bij koninklijk besluit zulks is bepaald;
e. de ambtenaar, die uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd
is dienst te verrichten.
Artikel 38. Verlof bij sluiting van het Ministerie van Defensie op
daartoe aangewezen dagen
1.Indien het Ministerie van Defensie of een onderdeel daarvan op
een daartoe aangewezen kerkelijke of nationale, landelijk, regionaal
of plaatselijk erkende feest- of gedenkdag is gesloten, geniet de
desbetreffende ambtenaar verlof voor zoveel het dienstbelang niet
anders vereist.
2.Indien de ambtenaar op een dag als bedoeld in het eerste lid, een
aantal uren dienst moet verrichten binnen het voor hem vastgestelde
rooster, dan wel, in geheel of gedeeltelijk afwisselende dienst
werkzaam zijnde, op die dag volgens rooster vrij van dienst is of uit
hoofde van ziekte of vakantie niet tot dienstverrichting is gehouden,
geniet hij bedoeld aantal uren als verlof op een andere dag.
3.Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing, indien de
sluiting van het Ministerie van Defensie regionaal of plaatselijk
plaats vindt en de ambtenaar elders werkzaam is.
4.Het eerste en tweede lid vinden voorts geen toepassing, indien
het betreft feestdagen genoemd in artikel 31g, tweede lid.
Artikel 39. Buitengewoon verlof
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 94 en 95 wordt aan de
ambtenaar in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in de volgende
artikelen van deze paragraaf, buitengewoon verlof verleend.
Buitengewoon verlof van korte duur
Artikel 40 [Vervallen per 13-09-2002]
Artikel 41 [Vervallen per 11-05-2005]
Artikel 42. Vergaderingen van statutaire organen van
ambtenarenorganisaties, kaderactiviteiten, cursussen en commissies van
georganiseerd overleg en ambtenarenzaken
1.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt
door de commandant aan de ambtenaar jaarlijks ten hoogste 120 uren
buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het
bijwonen van vergaderingen van statutaire organen van verenigingen van
ambtenaren, van centrale organisaties, waarbij deze verenigingen zijn
aangesloten of van internationale ambtenarenorganisaties, mits de
ambtenaar hieraan deelneemt:
a. voor zover het betreft vergaderingen van verenigingen van
ambtenaren als bestuurslid van die vereniging dan wel als
afgevaardigde of bestuurslid van een onderdeel daarvan;
b. voor zover het betreft vergaderingen van centrale
organisaties, waarbij verenigingen van ambtenaren zijn
aangesloten, als bestuurslid van die centrale organisatie dan wel
als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie
aangesloten vereniging van ambtenaren;
c. voor zover het betreft vergaderingen van een internationale
ambtenarenorganisatie als bestuurslid van deze organisatie dan wel
als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie
aangesloten vereniging van ambtenaren.
2.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
door de commandant tot ten hoogste 208 uren per jaar buitengewoon
verlof met behoud van volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar, die
door een centrale als bedoeld in het Besluit georganiseerd overleg
sector defensie of een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen om
bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen
zijn centrale of een daarbij aangesloten vereniging respectievelijk
binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de
doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij
aangesloten verenigingen te ondersteunen.
3.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
door de commandant buitengewoon verlof met behoud van volle
bezoldiging verleend aan de ambtenaar voor het – op uitnodiging van
een organisatie van ambtenaren – als cursist deelnemen aan een
cursus, met dien verstande dat dit verlof ten hoogste 48 uren per twee
jaren bedraagt.
4.Het aantal uren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid
alsmede op grond van artikel 17, tweede lid, van het Besluit
medezeggenschap defensie aan een ambtenaar mag worden verleend,
bedraagt tezamen ten hoogste 240 uren per jaar, met dien verstande dat
ten hoogste 320 uren worden verleend:
a. aan leden van hoofdbesturen van centrales van
overheidspersoneel als bedoeld in het Besluit georganiseerd
overleg sector defensie en van organisaties, die rechtstreeks bij
die centrales zijn aangesloten;
b. aan leden van het hoofdbestuur van het Ambtenarencentrum en
aan leden van het dagelijks bestuur van de bij die organisatie
aangesloten centrales;
c. aan leden van het hoofdbestuur van de Centrale van
Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid en Onderwijs (CMHF),
alsmede aan de bestuursleden van de sectoren en secties van die
organisatie.
5.Het verlof bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt
slechts verleend aan ambtenaren, die lid zijn van verenigingen van
ambtenaren, welke zijn aangesloten bij centrales van verenigingen van
ambtenaren, die deel uitmaken van de sectorcommissie Defensie.
6.Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten,
wordt door de commandant aan de ambtenaar buitengewoon verlof met
behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van
vergaderingen van commissies voor georganiseerd overleg in
ambtenarenzaken. Dit geldt eveneens voor één voorvergadering per in
de vorige volzin bedoelde vergadering.
Artikel 43. Verhuizing
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door
de commandant aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle
bezoldiging verleend:
a. voor het zoeken van een woning in geval van overplaatsing: ten
hoogste twee dagen;
b. bij verhuizing in geval van overplaatsing: aan hen, die een
eigen huishouding hebben: twee dagen, zo nodig te verlengen tot drie
en in zeer bijzondere gevallen tot vier dagen en aan hen, die niet
een eigen huishouding hebben: ten hoogste twee dagen.
Artikel 44. Familie-omstandigheden
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door
de commandant aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle
bezoldiging verleend:
a. bij zijn ondertrouw: één dag;
b. bij zijn huwelijk: vier dagen;
c. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten
in de eerste graad, van stief- of pleegouders, dan wel van stief- of
pleegkinderen: één dag indien dit huwelijk wordt gesloten in zijn
woon- of standplaats en ten hoogste twee dagen, indien dit huwelijk
wordt gesloten buiten zijn woon- of standplaats;
d. bij zijn 25-, 40- en 50-jarig ambts- of huwelijksjubileum en
bij 25-, 40-, 50- en 60-jarig huwelijksjubileum van ouders,
stiefouders, pleegouders, schoonouders of grootouders: één dag;
Artikel 45. Aanvullende bevoegdheid tot het verlenen van buitengewoon
verlof
1.Buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van
volle bezoldiging, kan bovendien aan de ambtenaar worden verleend in
de gevallen waarin de commandant oordeelt dat daartoe aanleiding
bestaat.
2.Onze Minister is bevoegd ter uitvoering van het eerste lid zo
nodig nadere regels vast te stellen.
Artikel 46. Aanvragen van buitengewoon verlof
1.Behoudens in dringende gevallen moet buitengewoon verlof van
korte duur ten minste 24 uren tevoren schriftelijk of mondeling worden
aangevraagd.
2.Indien de ambtenaar, die niet vooraf een aanvraag voor
buitengewoon verlof van korte duur bij de commandant heeft ingediend,
aantoont, dat hij daartoe geen gelegenheid heeft gehad, terwijl er
voor zijn afwezigheid gegronde redenen bestonden, wordt deze
afwezigheid beschouwd als buitengewoon verlof met behoud van volle
bezoldiging.
3.Een gegronde reden als bedoeld in het tweede lid is slechts
aanwezig:
a. indien één der in de voorgaande artikelen genoemde
omstandigheden aanwezig is geweest, op grond waarvan aan de
ambtenaar op zijn aanvraag buitengewoon verlof wordt verleend,
zulks met inachtneming van de daarbij vermelde voorwaarden en
termijnen;
b. in alle andere gevallen, indien de ambtenaar, alle
omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijze de dienst
mocht verzuimen.
Buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg
Artikel 46a [Vervallen per 11-05-2005]
Artikel 46b [Vervallen per 11-05-2005]
Artikel 46c. Buitengewoon verlof bij calamiteiten en zeer bijzondere
persoonlijke omstandigheden
1.Onverminderd artikel 4:1 van de Wet arbeid en zorg wordt door de
commandant aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle
bezoldiging verleend:
a. bij plotselinge ziekte van de echtgenote of echtgenoot van
de ambtenaar, de persoon met wie de ambtenaar ongehuwd samenwoont
of een van zijn bloed- of aanverwanten in de eerste graad of
wanneer een andere noodsituatie, waarvoor de ambtenaar onverwijld
een voorziening moet treffen, ontstaat: voor de duur benodigd voor
de eerste opvang en het treffen van verdere voorzieningen, maar
voor ten hoogste één werkdag per zich voordoende situatie;
b. bij de bevalling van zijn echtgenote of de persoon met wie
de ambtenaar ongehuwd samenwoont;
c. bij overlijden en lijkbezorging van de echtgenote of
echtgenoot van de ambtenaar, de persoon met wie de ambtenaar
ongehuwd samenwoont of een van zijn bloed- en aanverwanten in de
eerste graad: vanaf het overlijden tot en met de dag van de
begrafenis of de crematie en indien sprake is van bijzondere
godsdienstige plechtigheden zoveel werkdagen als benodigd om
overeenkomstig de bepalingen van die godsdienst rouwceremoniën te
verrichten;
d. bij overlijden van:
1°. bloed- of aanverwanten in de 2e graad, dan wel van
pleegbroers of -zusters: voor ten hoogste 2 werkdagen;
2°. bloed- of aanverwanten in de 3e of 4e graad of een van
zijn huisgenoten: voor 1 werkdag,
met dien verstande dat indien de ambtenaar is belast met de
regeling van de begrafenis, de crematie of van de nalatenschap dan wel
van beide, het verlof voor ten hoogste 4 werkdagen kan worden verleend
en indien sprake is van bijzondere godsdienstige plechtigheden zoveel
werkdagen als benodigd om overeenkomstig de bepalingen van die
godsdienst rouwceremoniën te verrichten.
2.De ambtenaar meldt vooraf aan de commandant dat hij het verlof,
bedoeld in het eerste lid, opneemt onder opgave van de reden. Indien
dit niet mogelijk is, meldt de ambtenaar het opnemen van het verlof zo
spoedig mogelijk aan de commandant onder opgave van de reden.
3.De commandant kan achteraf van de ambtenaar verlangen dat hij
aannemelijk maakt dat hij geen dienst heeft kunnen verrichten wegens
een van de redenen genoemd in het eerste lid.
Artikel 46d. Kort durend zorgverlof
Het kort durend zorgverlof, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet arbeid
en zorg, wordt door de commandant verleend met behoud van volle
bezoldiging.
Artikel 46e. Langer durend zorgverlof
1.Aan de ambtenaar wordt door de commandant langer durend
zorgverlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor
hulpverlening aan een tijdelijk ernstig hulpbehoevende of stervende
echtgenote, echtgenoot of persoon met wie de ambtenaar ongehuwd
samenwoont, ouders, stief-, pleeg- of schoonouders, eigen of
aangehuwde kinderen, stief- of pleegkinderen.
2.De ambtenaar meldt vooraf aan de commandant dat hij het verlof,
bedoeld in het eerste lid, opneemt onder opgave van de reden. Indien
dit niet mogelijk is, meldt de ambtenaar het opnemen van het verlof zo
spoedig mogelijk aan de commandant onder opgave van de reden. Bij de
melding geeft de ambtenaar ook de omvang, de wijze van opneming en zo
mogelijk de vermoedelijke duur van het verlof aan.
3.Het verlof vangt niet aan of eindigt in ieder geval zodra de
commandant aan de ambtenaar kenbaar maakt dat hij tegen het opnemen
van het verlof onderscheidenlijk de voortzetting daarvan een zodanig
zwaarwegend dienstbelang heeft, dat het belang van de ambtenaar
daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
4.De commandant kan achteraf van de ambtenaar verlangen dat hij
aannemelijk maakt dat hij geen dienst heeft kunnen verrichten wegens
de reden genoemd in het eerste lid.
5.De commandant wijst de ambtenaar op de mogelijkheden tot het
aanvragen van een financiële tegemoetkoming op basis van hoofdstuk 7
van de Wet arbeid en zorg.
6.Indien de ambtenaar aan wie verlof als bedoeld in het eerste lid,
is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van
dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op
basis van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg, wordt door de
commandant gedurende de periode waarin sprake is van een samenloop een
inhouding op de doorbetaling van de bezoldiging, als bedoeld in het
eerste lid, toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde
financiële tegemoetkoming.
7.Indien aan de in hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg gestelde
voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming is
voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de
ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, kan de commandant het zesde
lid op overeenkomstige wijze toepassen. In dat geval wordt rekening
gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou
zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.
Artikel 47. Ouderschapsverlof
1. Wanneer aan de ambtenaar door de commandant ouderschapsverlof
als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg wordt verleend,
behoudt hij over de eerste periode van het ouderschapsverlof, die
overeenkomt met dertien maal de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur
per week, 75% van zijn bezoldiging. Over de resterende periode van het
verleende ouderschapsverlof, ontvangt de ambtenaar over de
ouderschapsverlofuren geen bezoldiging.
2. De ambtenaar kan door de commandant worden verplicht tot
terugbetaling van de tijdens het ouderschapsverlof genoten inkomsten
wanneer hem tijdens de verlofperiode of binnen één jaar na afloop
van het ouderschapsverlof ontslag wordt verleend op zijn aanvraag dan
wel op grond van aan de ambtenaar te wijten omstandigheden of, wanneer
hij is aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd, ter zake
van het eindigen van de tijd waarvoor de aanstelling is geschied.
Indien binnen één jaar na afloop van het ouderschapsverlof ontslag
wordt verleend, wordt de verplichting tot terugbetaling naar
evenredigheid beperkt. Indien het ontslag verband houdt met een
aanstelling als militair bij het Ministerie van Defensie of
indiensttreding bij een andere overheidssector bestaat geen
verplichting tot terugbetaling.
Buitengewoon verlof van lange duur
Artikel 48. Voorwaarden van buitengewoon verlof van lange duur
1.Buitengewoon verlof van lange duur kan aan de ambtenaar op zijn
aanvraag worden verleend door het hoofd defensieonderdeel al dan niet
met behoud van bezoldiging en al dan niet onder bepaalde voorwaarden.
2.Het verlof, genoemd in het eerste lid, gaat niet in dan na
aanvaarding van dat verlof met de daaraan verbonden voorwaarden door
de ambtenaar.
Artikel 49. Buitengewoon verlof uitsluitend in het persoonlijk belang
Indien het verlof, genoemd in artikel 48, uitsluitend strekt in het
persoonlijk belang van de ambtenaar, kan hem dit slechts worden verleend
zonder behoud van bezoldiging.
Artikel 50. Buitengewoon verlof mede in het algemeen belang
Indien het verlof, genoemd in artikel 48, ten doel heeft de ambtenaar
in de gelegenheid te stellen een andere functie te vervullen en met
verlofverlening naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel niet
uitsluitend het persoonlijk belang van de ambtenaar, doch mede het
algemeen belang wordt gediend, kan het verlof - onverminderd het
bepaalde in de artikelen 51 en 52 - in beginsel voor ten hoogste een
jaar, zonder behoud van bezoldiging, worden verleend.
Artikel 51. Buitengewoon verlof voor bezoldigde bestuurders van
ambtenarenorganisaties
1.Aan de ambtenaar, benoemd tot bezoldigd bestuurder van een
vereniging van ambtenaren, van een centrale of van een internationale
organisatie van zodanige verenigingen, kan uit dien hoofde naar het
oordeel van Onze Minister voor ten hoogste twee jaren buitengewoon
verlof zonder behoud van bezoldiging worden verleend.
2.Artikel 42, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 52. Buitengewoon verlof overwegend in het algemeen belang
1.Indien het verlof, genoemd in artikel 48, ten doel heeft de
ambtenaar in de gelegenheid te stellen anders dan in vaste dienst
hetzij een functie in dienst van een volkenrechtelijke organisatie te
vervullen hetzij ten behoeve van de Nederlandse Antillen of Aruba, dan
wel als deskundige tijdelijk ten behoeve van een vreemde mogendheid
werkzaam te zijn en met verlofverlening naar het oordeel van het hoofd
defensieonderdeel het algemeen belang in overwegende mate wordt
gediend, kan het verlof in beginsel voor ten hoogste drie jaren,
zonder behoud van bezoldiging, worden verleend.
2.In afwijking van het eerste lid kan aan de ambtenaar, die wenst
te worden uitgezonden om in burgerlijke landsdienst van de Nederlandse
Antillen of Aruba tijdelijk een betrekking te vervullen buitengewoon
verlof worden verleend op de voet van het West-Indisch
Detacheeringsbesluit 1930.
Artikel 53. Ontslag bij niet hervatten van de werkzaamheden na afloop
van buitengewoon verlof van lange duur
1.De ambtenaar, die na afloop van hem verleend buitengewoon verlof
van lange duur en zonder dat dit is verlengd, zijn dienst niet tijdig
hervat, wordt voor de toepassing van dit reglement geacht een aanvraag
om ontslag te hebben ingediend.
2.Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ambtenaar binnen
een redelijke termijn ten genoegen van Onze Minister aannemelijk maakt
dat hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten, in welk
geval het verlof geacht wordt te zijn verlengd tot het tijdstip,
waarop bedoelde geldige redenen hebben opgehouden te bestaan.
Artikel 54. Begrip bezoldiging
Voor de toepassing van deze paragraaf is, voor de berekening van de
bezoldiging, artikel 30 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren
defensie van toepassing.
Hoofdstuk 6. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en voorzieningen in
verband met ziekte
§ 1. Algemeen
Artikel 54a. Definities
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid als bedoeld in
artikel 18, eerste lid, van de WAO;
b. arbodienst: een arbodienst als bedoeld in de
Arbeidsomstandighedenwet;
c. deskundige persoon: een deskundige persoon als bedoeld in
artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast
is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b of
c, van die wet;
d. beroepsziekte: ziekte, die in overwegende mate haar oorzaak
vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of
in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden
verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te
wijten;
e. bedrijfsongeval: ongeval, dat in overwegende mate zijn oorzaak
vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of
in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden
verricht, en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te
wijten;
f. gangbare arbeid: arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid,
van de WAO;
g. herplaatsingtoelage: herplaatsingtoelage als bedoeld in
hoofdstuk 9 van het pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds
ABP;
h. invaliditeitspensioen: invaliditeitspensioen als bedoeld in
hoofdstuk 8 van het pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds
ABP;
i. medisch advies: advies van de deskundige persoon of de
arbodienst dat ten aanzien van de ambtenaar is uitgebracht na een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de
Arbeidsomstandighedenwet;
j. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen genoemd
in hoofdstuk 5 van de Wet-SUWI;
k. passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en de
bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om
redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem
kan worden gevergd;
l. Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de stichting
pensioenfonds ABP;
m. Wet-SUWI: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
n. WW: Werkloosheidswet;
o. WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
p. ZW: Ziektewet;
q. werknemersverzekering: WAO, ZW, dan wel WW;
r. zijn arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge
artikel 19 van de ZW.
§ 2. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding
Artikel 55. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding
1.Onverminderd hetgeen ter zake is bepaald in de
Arbeidsomstandighedenwet geniet de ambtenaar bedrijfsgeneeskundige
begeleiding overeenkomstig deze paragraaf.
2.Het hoofd defensieonderdeel is verantwoordelijk voor de
bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar. Bij deze
begeleiding neemt het hoofd defensieonderdeel de door of vanwege Onze
Minister gestelde regels in acht.
3.Voor de uitvoering van de bedrijfsgeneeskundige begeleiding laat
het hoofd defensieonderdeel zich bijstaan door de deskundige persoon
of de arbodienst.
Artikel 56. Onderzoek op aanvraag
1.Onverminderd de mogelijkheid de arts van de deskundige persoon of
de arbodienst rechtstreeks te consulteren ter zake van met zijn
arbeidssituatie samenhangende gezondheidsproblemen kan de ambtenaar
het hoofd defensieonderdeel verzoeken hem in verband hiermede aan een
onderzoek vanwege de deskundige persoon of de arbodienst te
onderwerpen.
2.De ambtenaar, die in verband met het verrichten van zijn arbeid
aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat dan wel voor een
goede vervulling van zijn betrekking aan bijzondere gezondheidseisen
moet voldoen, wordt in overleg met of op aanwijzing van de deskundige
persoon of de arbodienst onderworpen aan een periodiek
bedrijfsgeneeskundig onderzoek.
3.Het hoofd defensieonderdeel draagt de ambtenaar op zich aan een
geneeskundig onderzoek te onderwerpen:
a. indien naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel
gegronde redenen bestaan voor twijfel aan een goede
gezondheidstoestand van de ambtenaar;
b. indien de ambtenaar niet langer volledig geschikt is
gebleken tot het verrichten van zijn arbeid, teneinde na te gaan
of hiervoor medische oorzaken aanwezig zijn en, zo ja, of de
ambtenaar geschikt kan worden geacht voor het vervullen van een
andere betrekking.
4.Het hoofd defensieonderdeel stelt de ambtenaar buiten dienst
indien na een onderzoek als bedoeld in het eerste tot en met derde lid
blijkt dat sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke
toestand dat de belangen van de ambtenaar, van de dienst of van derden
zich er tegen verzetten dat de ambtenaar zijn arbeid blijft
verrichten. De ambtenaar wordt niet buiten dienst gesteld indien hem
andere passende arbeid kan worden opgedragen. Indien de ambtenaar
buiten dienst wordt gesteld, wordt hij geacht wegens ziekte ongeschikt
te zijn tot het verrichten van zijn arbeid, in welk geval de overige
bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing zijn.
5.De ambtenaar is gehouden aan een onderzoek als bedoeld in het
tweede en derde lid zijn medewerking te verlenen. Hij is tevens
gehouden zijn medewerking te verlenen aan onderzoeken vanwege de
deskundige persoon of de arbodienst, welke worden ingesteld ter
beantwoording van de vraag:
a. of, in welke mate en tot welk tijdstip er sprake is van
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
b. of maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van
het herstel van zijn gezondheid dan wel in het belang van het
behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid
als genoemd in de artikelen 65 en 65a van de WAO.
6.Indien het medisch advies daartoe aanleiding geeft, verzoekt het
hoofd defensieonderdeel het UWV de ambtenaar in aanmerking te brengen
voor maatregelen of voorzieningen als bedoeld in het vijfde lid
onderdeel b.
Artikel 57. Hernieuwd onderzoek
1.Het medisch advies wordt zo spoedig mogelijk door die dienst aan
de ambtenaar en aan het hoofd defensieonderdeel medegedeeld.
2.Indien de ambtenaar binnen drie dagen na ontvangst van de
mededeling zijn bedenkingen tegen het advies schriftelijk aan het
hoofd defensieonderdeel kenbaar maakt, vindt zo spoedig mogelijk, doch
uiterlijk binnen vier weken, een nieuw onderzoek plaats door een
commissie van drie artsen, tenzij het hoofd defensieonderdeel na
overleg met de deskundige persoon of de arbodienst reeds aanstonds van
mening is dat de bedenkingen van de ambtenaar voldoende gegrond zijn.
3.De kosten van het in het tweede lid genoemde onderzoek komen voor
rekening van het Ministerie van Defensie. Eventuele reis- en
verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de in
artikel 87, tweede lid, bedoelde regels.
§ 3. Maatregelen ingeval van ziekte tijdens de betrekking
Artikel 58. Verplichtingen van het bevoegd gezag
1.Het hoofd defensieonderdeel is verplicht zo tijdig mogelijk
zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als
redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met
ongeschiktheid als gevolg van ziekte verhinderd is zijn arbeid te
verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid
te verrichten. Indien vaststaat dat zijn arbeid niet meer kan worden
verricht en binnen het gezagsbereik van Onze Minister geen andere
passende arbeid voorhanden is, bevordert het hoofd defensieonderdeel
naar bij ministeriële regeling te stellen regels, de inschakeling van
de ambtenaar in voor hem passende arbeid buiten het gezagsbereik van
Onze Minister.
2.Uit hoofde van de verplichting bedoeld in het eerste lid, stelt
het hoofd defensieonderdeel in overeenstemming met de ambtenaar een
plan van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid van de WAO.
Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig
geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.
Artikel 58a. Enkele bijzonder verplichtingen bij ongeschiktheid tot
het verrichten van arbeid
1.De ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte kan door het hoofd defensieonderdeel een andere functie
worden opgedragen.
2.de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, is verplicht:
a. gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het
bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke
voorschriften en mee te werken aan door dat gezag of die
deskundige getroffen maatregelen om hem instaat te stellen de
eigen of passende arbeid te verrichten;
b. mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van
een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de
WAO;
c. gedurende het eerste jaar dat hij ongeschikt is een hem
aangeboden betrekking te aanvaarden, indien sprake is van passende
arbeid.
3.Gedurende het tweede jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is hij verplicht een hem
aangeboden betrekking te aanvaarden indien sprake is van gangbare
arbeid. Deze verplichting geldt eveneens na afloop van het tweede
jaar.
4.Dit artikel is op overeenkomstige wijze van toepassing indien aan
de ambtenaar de eigen betrekking wordt opgedragen onder andere
voorwaarden.
§ 4
Artikel 59. Hervatting van de arbeid na ziekte
Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte ongeschikt is zijn
arbeid te verrichten kan worden bepaald, dat hij zijn arbeid slechts mag
hervatten, nadat het hoofd defensieonderdeel hiervoor uitdrukkelijk
toestemming heeft verleend. Het hoofd defensieonderdeel neemt
hieromtrent en omtrent de mate van werkhervatting geen beslissing dan na
advies van de bedrijfsgeneeskundige dienst. Deze toestemming van het
hoofd defensieonderdeel is in ieder geval vereist, wanneer de ambtenaar
gedurende meer dan één jaar volledig ongeschikt is geweest tot het
verrichten van zijn arbeid.
Artikel 59a [Vervallen per 11-05-2005]
Artikel 60 [Vervallen per 22-06-2001]
Artikel 60a [Vervallen per 11-05-2005]
Artikel 61 [Vervallen per 22-06-2001]
Artikel 61a [Vervallen per 11-05-2005]
§ 5. Bezoldiging of uitkering wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid
na beëindiging van de dienstbetrekking
Artikel 62. Aanspraak op bezoldiging na ontslag
1.De gewezen ambtenaar, die voor de beëindiging van zijn
betrekking ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid en nadien
nog ongeschikt is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking
te vervullen, behoudt gedurende een termijn van twaalf maanden
aanspraak op zijn volledige bezoldiging. Vervolgens heeft hij
aanspraak op 70% van zijn bezoldiging. De vorige volzin geldt slechts
voor zover de termijn van achttien kalendermaanden, gerekend vanaf de
eerste ziektedag, nog niet is verstreken en uiterlijk tot de eerste
dag van de maand volgend op die waarin de gewezen ambtenaar de
leeftijd van 65 jaar bereikt.
2.De gewezen ambtenaar, die binnen een maand na de datum van de
beëindiging van zijn betrekking wegens ziekte ongeschikt wordt een
naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen, ontvangt -
mits hij gedurende tenminste twee maanden onmiddellijk aan dat
tijdstip voorafgaande in dienst is geweest - gedurende zijn
ongeschiktheid, doch uiterlijk tot een jaar na de aanvang van deze
ongeschiktheid, dan wel - indien dit eerder is - uiterlijk tot de
eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 65
jaar heeft bereikt, zijn laatstelijk genoten bezoldiging.
3.Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing op de ambtenaar
die na de beëindiging van zijn betrekking in verband met de
aanvaarding van een betrekking van gelijke omvang aanspraak kan maken
op loon of bezoldiging, dan wel op een uitkering krachtens de ZW ter
zake van die aanvaarde betrekking.
4.Indien de gewezen ambtenaar binnen een tijdvak van vier weken
nadat de volgens het eerste en tweede lid geregelde doorbetaling van
zijn laatstelijk genoten bezoldiging in verband met zijn herstel is
gestaakt, wederom wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en
omvang soortgelijke betrekking te vervullen, wordt de nieuw opgetreden
ongeschiktheid als een voortzetting van de vorige ongeschiktheid
beschouwd en wordt de doorbetaling hervat. Voor het bepalen van het
tijdstip, waarop de in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen
zijn verstreken, worden perioden van ongeschiktheid om een naar aard
en omvang soortgelijke betrekking te vervullen samengeteld, indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
5.De gewezen ambtenaar, wier bevalling waarschijnlijk is binnen
vier maanden na de datum van beëindiging van haar betrekking,
ontvangt over een periode aanvangende met de 41ste dag voorafgaande
aan de vermoedelijke datum van bevalling en eindigende met de 70ste
dag na de datum waarop de bevalling plaatsvond haar laatstelijk
genoten bezoldiging. Deze periode wordt verlengd tot 16 weken indien
deze periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft
bedragen.
Indien de bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na de
datum van beëindiging van haar betrekking, maar niettemin binnen die
termijn plaatsvindt, ontvangt de gewezen ambtenaar haar laatstelijk
genoten bezoldiging uitsluitend gedurende 70 dagen na de datum van
bevalling. Indien en voor zolang de ambtenaar na beëindiging van de
haar ingevolge de eerste of tweede volzin toekomende uitkeringen nog
ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid, dan wel binnen een
maand na deze beëindiging ongeschikt wordt tot het verrichten van
haar arbeid, zijn het tweede tot en met vierde lid van overeenkomstige
toepassing. De in het tweede lid bedoelde termijn van een jaar wordt
geacht aan te vangen op de dag na de bevalling.
6.Ongeschikt tot het verrichten van haar arbeid, geheel of
gedeeltelijk, in de zin van het vijfde lid is de ambtenaar die als
rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of
gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te
verdienen, hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en
ervaring, ter plaatse waar zij arbeid verricht of het laatst heeft
verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
Onder eerstgenoemde arbeid wordt verstaan gangbare arbeid.
7.Na het overlijden van de gewezen ambtenaar, die op de dag van
zijn overlijden in het genot was van doorbetaling van zijn laatstelijk
genoten bezoldiging, wordt aan de in artikel 52, tweede lid, van het
Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie bedoelde personen en
met overeenkomstige toepassing van dat artikel een bedrag uitgekeerd,
gelijk aan de bezoldiging welke de gewezen ambtenaar op de dag van
zijn overlijden genoot, berekend over een tijdvak van drie maanden. Op
deze uitkering worden in mindering gebracht het bedrag van de
uitkering ingevolge artikel 35 van de ZW, dan wel artikel 53 van de
WAO en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen.
8.Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in het
eerste tot en met zevende lid, wordt in voorkomende gevallen gewijzigd
overeenkomstig een algemene salariswijziging.
9.Indien de gewezen ambtenaar ter zake van de betrekking waaruit
het recht op doorbetaling van zijn laatstgenoten bezoldiging
voortvloeit, recht heeft op een uitkering op grond van een
werknemersverzekering, een uitkering op basis van hoofdstuk 3 van de
Wet arbeid en zorg, dan wel een bovenwettelijke uitkering wegens
onvrijwillige werkloosheid, wordt het bedrag van die uitkering in
mindering gebracht op het bedrag waarop hij ingevolge dit artikel
recht heeft. Artikel 27 van het Inkomstenbesluit burgerlijke
ambtenaren defensie is van overeenkomstige toepassing.
10.Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, anders dan
bedoeld in het negende lid, worden op het bedrag waarop de gewezen
ambtenaar ingevolge dit artikel recht heeft in mindering gebracht. Bij
deze vermindering wordt uitgegaan van de volledige laatstgenoten
bezoldiging.
11.Ten aanzien van gevallen als bedoeld in het eerste lid is het
tiende lid niet van toepassing indien de inkomsten uit of in verband
met arbeid of bedrijf vóór het intreden van de ongeschiktheid tot
het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte werden genoten en de
omvang van die dienstbetrekking niet is toegenomen.
12.Ten aanzien van gevallen als bedoeld in het tweede en vijfde lid
is het tiende lid niet van toepassing indien de inkomsten uit of in
verband met arbeid of bedrijf vóór de datum van beëindiging van de
betrekking werden genoten en de omvang van die arbeid niet is
toegenomen.
13.De gewezen ambtenaar die ingevolge dit artikel aanspraak heeft
op doorbetaling van bezoldiging, heeft eveneens aanspraak op
vakantie-uitkering overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 5 van het
Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.
14.In de gevallen, bedoeld in dit artikel, zijn de artikelen 56,
57, en artikel 29 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren
defensie, van overeenkomstige toepassing.
§ 6. Bijzondere voorzieningen
Artikel 63 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 64. Volledige vergoeding van ziektekosten
1.In geval van een door de ambtenaar opgelopen beroepsziekte of een
hem overkomen bedrijfsongeval worden de te zijnen laste blijvende,
naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel noodzakelijk gemaakte
kosten voor geneeskundige behandeling of verzorging aan hem vergoed.
2.Onze Minister kan omtrent het bepaalde in het vorige lid nadere
voorschriften geven.
Artikel 65. Aanvullende uitkering
1.Aan de gewezen ambtenaar aan wie ontslag is verleend op grond van
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, wordt
– indien de arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak
vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen arbeid of in de
bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en
de ongeschiktheid niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te
wijten – door Onze Minister een aanvullende uitkering verleend.
2.De in het eerste lid bedoelde aanvullende uitkering is gelijk aan
het bedrag dat nodig is om de gedeeltelijke, dan wel verminderde
bezoldiging, bedoeld in de artikel 62, negende lid, alsmede de
eventuele uitkering op grond van de ZW, dan wel de WAO, vermeerderd
met de suppletie krachtens de Suppletieregeling gedeeltelijk
arbeidsongeschikten sector Defensie, aan te vullen tot 90,02% van de
bezoldiging welke de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaande
aan zijn ontslag.
3.De in het eerste lid bedoelde aanvullende uitkering is gelijk aan
het bedrag dat nodig is om de uitkering op grond van de ZW, dan wel de
WAO, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen aan
te vullen tot een bepaald percentage van de bezoldiging welke de
ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit
percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en
bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
|
80% of meer: |
90,02% |
|
65 tot 80% |
73,31% |
|
55 tot 65% |
56,59% |
|
45 tot 55% |
45,01% |
|
35 tot 45% |
34,08% |
|
25 tot 35% |
22,50% |
|
15 tot 25% |
15,00%. |
4.De aanvullende uitkering als bedoeld in het tweede lid eindigt
op het moment dat de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in
het eerste lid gestelde voorwaarden en in ieder geval na ommekomst
van de duur van de suppletie dan wel met ingang van de eerste dag
van de maand waarin de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar
bereikt.
De aanvullende uitkering als bedoeld in het derde lid eindigt op
het moment dat de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het
eerste lid gestelde voorwaarden en in ieder geval met ingang van de
eerste dag van de maand waarin de gewezen ambtenaar de leeftijd van
65 jaar bereikt.
5.Indien het overlijden van een ambtenaar in overwegende mate
zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen
arbeid of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten
worden verricht en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te
wijten, wordt aan degene die in verband met dit overlijden krachtens
het pensioenreglement, bedoeld in artikel 54a, onderdeel h, een
nabestaandenpensioen geniet, door Onze Minister een uitkering
toegekend ten bedrage van 18 procent van het resultaat van de
vermenigvuldiging van:
a. 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in
artikel 8.3 van het pensioenreglement, en
b. de pensioengeldige diensttijd, bedoeld in paragraaf 5 van
het pensioenreglement.
De uitkering eindigt met ingang van de maand waarin de overleden
ambtenaar de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt, dan wel,
indien de weduwe aan wie bedoeld pensioen werd toegekend, hertrouwt,
met ingang van de maand volgend op die van het hertrouwen.
6.Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op de gewezen
ambtenaar ten aanzien van wie het eerste lid toepassing heeft
gevonden, indien zijn overlijden het rechtstreeks gevolg is van de
arbeidsongeschiktheid, bedoeld in dat lid.
7. Artikel 62, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing op
de bezoldiging, bedoeld in het tweede en derde lid.
§ 7. Overige bepalingen
Artikel 66 [Vervallen per 13-09-2002]
Artikel 67. Begrip bezoldiging
Voor de toepassing van dit hoofdstuk is, voor de berekening van de
bezoldiging, artikel 30 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren
defensie van toepassing.
Artikel 68 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 69. Afwijkende aanspraken voor tijdelijke ambtenaren
Met uitzondering van paragraaf 1 en van artikel 64 is het bepaalde in
dit hoofdstuk niet van toepassing op de ambtenaar die geen deelnemer is
in de zin van het pensioenreglement. In geval van ziekte ontvangt hij
tijdens de duur van zijn dienstverband op een hem op grond van de
Ziektewet of WAO toegekende uitkering een aanvulling tot zijn
bezoldiging. Indien de ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is voor de
uitoefening van zijn dienstbetrekking, ontvangt hij gedurende de eerste
18 maanden van die ongeschiktheid 100% en daarna tot aan het einde van
zijn betrekking 80% van zijn bezoldiging, nadat daarop de uitkering
ingevolge de ZW of de WAO in mindering is gebracht. Op die vermindering
zijn de artikelen 27 en 29 van het Inkomstenbesluit burgerlijke
ambtenaren defensie van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 7a. Integriteit
§ 1. Goed ambtelijk handelen
Artikel 70
De ambtenaar vervult de uit zijn functie voortvloeiende plichten
nauwgezet en ijverig en gedraagt zich zoals een goed ambtenaar betaamt.
Artikel 70a. Eed of belofte
De ambtenaar voldoet aan hetgeen voor hem inzake het afleggen van een
eed of een belofte is bepaald.
Artikel 70b. Nevenbetrekkingen en nevenwerkzaamheden
1.De ambtenaar meldt aan Onze Minister, op een door Onze Minister
te bepalen wijze, de nevenwerkzaamheden die de ambtenaar verricht of
voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voor
zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.
2.Onze Minister voert een registratie van de op grond van het
eerste lid gedane meldingen.
3.De ambtenaar verricht geen nevenwerkzaamheden waardoor de goede
vervulling van de functie of het goed functioneren van de openbare
dienst, voor zover dit in verband staat met de functievervulling, niet
in redelijkheid zou zijn verzekerd.
4.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld
in het tweede lid, en het verbod, bedoeld in het derde lid.
Artikel 70c
1.Onze Minister wijst de ambtenaren aan die werkzaamheden
verrichten waaraan in het bijzonder het risico van financiële
belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
koersgevoelige informatie verbonden is. De aangewezen ambtenaar meldt
financiële belangen, alsmede het bezit van en transacties met
effecten die de belangen van de dienst voor zover deze in verband
staan met zijn functievervulling kunnen raken, aan een daartoe
aangewezen functionaris.
2.Onze Minister voert een registratie van de op grond van het
eerste lid gedane meldingen.
3.De ambtenaar verstrekt nadere informatie of bescheiden met
betrekking tot de financiële belangen of het bezit van of de
transacties met effecten, indien daarvoor naar het oordeel van Onze
Minister of de door Onze Minister aangewezen functionaris, bedoeld in
het eerste lid, aanleiding bestaat op grond van de melding of na de
melding gebleken feiten of omstandigheden.
4.Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben,
effecten te bezitten of effectentransacties te verrichten waardoor de
goede vervulling van de functie of het goed functioneren van de
openbare dienst, voorzover dit in verband staat met de
functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
5.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld
in het tweede lid, en het verbod, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 70d. Deelname aan aanneming en leveringen
1.De ambtenaar neemt geen deel, direct of indirect, aan aannemingen
en leveringen ten behoeve van openbare diensten, tenzij daarvoor
toestemming is verleend.
2.De ambtenaar gedraagt zich naar hetgeen voor de ambtenaar is
bepaald ten aanzien van het deelnemen, direct of indirect, aan
aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.
Artikel 70e. Deelnemingen aan vennootschappen, stichtingen of
verenigingen
Aan de ambtenaren of aan bepaalde groepen van ambtenaren van een
bepaalde dienst kan door onze Minister worden verboden commissaris,
bestuurder of vennoot te zijn van alle of nader te omschrijven
vennootschappen, stichtingen of verenigingen die geregeld in aanraking
komen of krachtens haar opzet kunnen komen met de betrokken dienst.
Artikel 70f. Geen vergoedingen, beloningen, steekpenningen
1.Vergoedingen, beloningen, giften of beloften worden door de
ambtenaar in zijn ambt niet van derden gevorderd of verzocht of,
anders dan met goedvinden van Onze Minister, aangenomen.
2.De ambtenaar neemt geen steekpenningen aan.
§ 2. Melden van een misstand
Artikel 70g
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. organisatie: een ministerie met inbegrip van de daaronder
ressorterende diensten en instellingen, de Eerste en Tweede Kamer
der Staten-Generaal, de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, het
bureau van de Nationale ombudsman, de Hoge Raad van Adel, de
Kanselarij der Nederlandse Orden, het Kabinet der Koningin, de
commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten, een regionaal politiekorps, het Korps
landelijke politiediensten, het Landelijk selectie- en
opleidingsinstituut politie, een voorziening tot samenwerking
waarbij een publiekrechtelijke rechtspersoon is ingesteld als
bedoeld in artikel 47a van de Politiewet 1993, de rechtbanken, de
gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep
voor het bedrijfsleven, de Raad voor de rechtspraak en de daaronder
ressorterende diensten, alsmede de diensten die door een
gerechtelijk college of de Raad voor de rechtspraak gezamenlijk of
in samenwerking met een ander orgaan van de rijksoverheid in stand
worden gehouden;
b. bevoegd gezag: het tot aanstellen bevoegde gezag, bedoeld in
artikel 8, met dien verstande dat daaronder mede wordt begrepen
degene aan wie de bevoegdheid tot aanstellen is gemandateerd en dat
in de gevallen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, Onze Minster
optreedt als bevoegd gezag in de zin van deze paragraaf;
c. vermoeden van een misstand: een op redelijke gronden gebaseerd
vermoeden van:
1° een schending van wettelijke voorschriften of
beleidsregels;
2° een gevaar voor de gezondheid, de veiligheid of het
milieu;
3° een onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten, die een
gevaar vormt voor het goed functioneren van de openbare dienst;
bij het Ministerie van Defensie, of bij een andere organisatie
indien de ambtenaar uit hoofde van zijn ambtenaarschap met die
organisatie in aanraking is gekomen en kennis heeft gekregen van de
misstand;
d. melder: de ambtenaar die een vermoeden van een misstand meldt
overeenkomstig dit besluit;
e. melding: de melding van een vermoeden van een misstand door
een melder;
f. commissie: de Commissie integriteit overheid als bedoeld in
het Besluit melden vermoeden van misstand bij Rijk en Politie
g. vertrouwenspersoon: de vertrouwenspersoon, bedoeld in artikel
70i.
Artikel 70h
1. Ten aanzien van een melder wordt als gevolg van het te goeder
trouw melden van een vermoeden van een misstand geen besluit met
nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie genomen. Het bevoegd gezag
draagt er zorg voor dat een melder niet op andere wijze bij de
uitoefening van zijn functie nadelige gevolgen ondervindt ten gevolge
van die melding.
2. Ten aanzien van een vertrouwenspersoon of een gewezen
vertrouwenspersoon, wordt vanwege de uitoefening van zijn taken op
basis van dit besluit geen besluit met nadelige gevolgen voor zijn
rechtspositie genomen. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat hij
niet op andere wijze bij de uitoefening van zijn functie nadelige
gevolgen ondervindt in de uitoefening van zijn taken.
3. Onder een besluit met nadelige gevolgen voor de rechtspositie
wordt in ieder geval verstaan een besluit dat strekt tot:
a. het verlenen van ontslag anders dan op eigen verzoek;
b. het tussentijds beëindigen of het niet verlengen van diens
aanstelling in tijdelijke dienst;
c. het niet omzetten van diens aanstelling in tijdelijke dienst
voor een proeftijd in een aanstelling in vaste dienst;
d. het verplaatsen of overplaatsen of het weigeren van een
verzoek daartoe;
e. het treffen van een ordemaatregel;
f. het treffen van een disciplinaire maatregel;
g. het onthouden van salarisverhoging;
h. het onthouden van promotiekansen;
i. het afwijzen van verlof.
Artikel 70i
1. Onze Minister wijst een of meer vertrouwenspersonen aan.
2. De vertrouwenspersoon heeft tot taak:
a. een ambtenaar op diens verzoek te adviseren over een
melding;
b. de Secretaris-Generaal te informeren over een melding; en
c. het bevoegd gezag en de Secretaris-Generaal te adviseren
over vermoedens van misstanden.
3. Als vertrouwenspersoon wordt niet een ambtenaar belast met een
feitelijke opsporingsfunctie aangewezen.
Artikel 70j
1. Een ambtenaar doet een melding bij zijn leidinggevende, bij een
vertrouwenspersoon, of, indien daartoe aanleiding bestaat,
rechtstreeks bij de commissie.
2. Een ambtenaar doet een melding over een organisatie anders dan
het Ministerie van Defensie, bij een leidinggevende of bij een
vertrouwenspersoon van die organisatie of indien daartoe aanleiding
bestaat, rechtstreeks bij de commissie.
3. Een melding laat wettelijke verplichtingen tot het doen van
aangifte van strafbare feiten onverlet.
Artikel 70k
Indien een melder niet meer werkzaam is bij de organisatie waarop de
melding betrekking heeft, doet hij de melding binnen twee jaar na zijn
vertrek.
Artikel 70l
De vertrouwenspersoon maakt de identiteit van de melder niet bekend
zonder instemming van de melder.
Artikel 70m
Diegenen die betrokken zijn bij de behandeling van een melding gaan
op behoorlijke en zorgvuldige wijze met de identiteit van de melder om.
Artikel 70n
Degene bij wie een melding is gedaan stelt de Secretaris-Generaal
onverwijld schriftelijk in kennis van de melding en de datum waarop deze
is ontvangen.
Artikel 70o
1. De Secretaris-Generaal:
a. bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk aan de
melder of de vertrouwenspersoon; en
b. informeert de persoon of personen op wie de melding
betrekking heeft over de melding, tenzij daardoor een
onderzoeksbelang kan worden geschaad.
2. Indien de Secretaris-Generaal de ontvangst van de melding aan de
vertrouwenspersoon heeft gemeld, stuurt deze de ontvangstbevestiging
door aan de melder.
Artikel 70p
1. Het bevoegd gezag stelt een onderzoek in naar het vermoeden van
een misstand.
2. Het onderzoek wordt niet verricht door een persoon die mogelijk
betrokken is of is geweest bij de vermoede misstand.
3. Het onderzoek en de verdere behandeling van de melding kan in
ieder geval achterwege worden gelaten als:
a. geen sprake is van een vermoeden van een misstand als
bedoeld in artikel 70g, onderdeel c;
b. de melding niet is gedaan binnen de in artikel 70k genoemde
termijn, wanneer de melder niet meer werkzaam is bij de
organisatie waarop de melding betrekking heeft;
c. de melding kennelijk onredelijk laat is gedaan.
4 . Het bevoegd gezag meldt het achterwege laten van een onderzoek
en van de verdere behandeling van de melding zo spoedig mogelijk
schriftelijk aan de melder of de vertrouwenspersoon, alsmede aan de
persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, tenzij
daardoor een ander onderzoeksbelang kan worden geschaad. De
vertrouwenspersoon stuurt de kennisgeving door aan de melder.
5. Bij de kennisgeving, bedoeld in het vierde lid, wordt mededeling
gedaan van de mogelijkheid het vermoeden van een misstand te melden
bij de commissie.
Artikel 70q
1. Het bevoegd gezag stelt de melder of de vertrouwenspersoon
binnen twaalf weken na de melding schriftelijk en gemotiveerd in
kennis van de bevindingen van het onderzoek, het oordeel daarover en
de eventuele consequenties die daaraan worden verbonden.
2. Als niet binnen twaalf weken toepassing kan worden gegeven aan
het eerste lid, wordt de melder of de vertrouwenspersoon voordat deze
termijn verlopen is daarvan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte
gesteld. Daarbij wordt de termijn aangegeven waarbinnen de melder of
de betrokken vertrouwenspersoon een kennisgeving als bedoeld in het
eerste lid ontvangt.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op
de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, tenzij
daardoor een onderzoeksbelang kan worden geschaad.
4. Indien het bevoegd gezag de kennisgeving, bedoeld in het eerste
of tweede lid, zendt aan de vertrouwenspersoon, stuurt deze de
kennisgeving door aan de melder.
5. Bij de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling
gedaan van de mogelijkheid het vermoeden van een misstand te melden
bij de commissie.
Artikel 70r
1. Behoudens de rechtstreekse melding bij de commissie, bedoeld in
artikel 70j, eerste en tweede lid, kan een melder een vermoeden van
een misstand melden bij de commissie, indien hij:
a. zich niet kan vinden in de inhoud van de kennisgeving,
bedoeld in artikel 70p, vierde lid;
b. zich niet kan vinden in de inhoud van de kennisgeving,
bedoeld in artikel 70q, eerste lid;
c. niet binnen de termijn, genoemd in artikel 70q, eerste lid,
of de door het bevoegd gezag aangegeven termijn, bedoeld in
artikel 70q, tweede lid, een kennisgeving heeft ontvangen;
d. de door het bevoegd gezag aangegeven termijn, bedoeld in
artikel 70q, tweede lid, onredelijk lang is.
2. De melding bevat ten minste:
a. naam en adres van de melder;
b. de organisatie waar de betrokkene werkzaam is of is geweest;
c. de organisatie waarop de melding betrekking heeft;
d. een omschrijving van de misstand die wordt vermoed;
e. de reden van de melding aan de commissie.
3. De melder verschaft voorts de gegevens die voor het advies van
de commissie nodig zijn en waarover de melder redelijkerwijs de
beschikking kan krijgen.
Artikel 70s
De commissie maakt de identiteit van de melder niet bekend zonder
instemming van de melder.
Artikel 70t
De commissie bevestigt de ontvangst van een melding aan de melder en
stelt het bevoegd gezag op de hoogte van de melding. De commissie
informeert voorts de persoon of de personen op wie de vermoede misstand
betrekking heeft, dat een melding is gedaan, tenzij dit een
onderzoeksbelang kan schaden.
Artikel 70u
1. De commissie stelt een onderzoek in.
2. Het onderzoek en de verdere behandeling van de melding kan
achterwege worden gelaten indien:
a. de termijnen, genoemd in artikel 70r, eerste lid, onder c en
d, nog niet verstreken zijn;
b. niet is voldaan aan artikel 70j, eerste of tweede lid;
c. niet is voldaan aan artikel 70r, tweede lid, met dien
verstande dat de melder eerst de gelegenheid moet hebben gehad
binnen een door de commissie gestelde termijn de melding aan te
vullen;
d. de melding niet is gedaan binnen de in artikel 70k genoemde
termijn, wanneer de melder niet meer werkzaam is bij de
organisatie waarop de melding betrekking heeft.
3. Het achterwege laten van een onderzoek en de verdere behandeling
van de melding wordt onder vermelding van redenen zo spoedig mogelijk
schriftelijk medegedeeld aan de melder, het bevoegd gezag, alsmede aan
de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, tenzij
daardoor een ander onderzoeksbelang kan worden geschaad.
4. Ten behoeve van het onderzoek kan de commissie bij het bevoegd
gezag alle inlichtingen inwinnen die zij voor de vorming van haar
advies nodig acht. Het bevoegd gezag verschaft aan de commissie de
gevraagde inlichtingen.
5. Wanneer de inhoud van bepaalde door het bevoegd gezag verstrekte
inlichtingen vanwege het vertrouwelijke karakter uitsluitend ter
kennisneming van de commissie dient te blijven, wordt dit aan de
commissie medegedeeld. De commissie draagt er zorg voor in dergelijke
gevallen vertrouwelijk met deze informatie om te gaan en deze waar
nodig te beveiligen tegen kennisneming door onbevoegden.
6. De kosten van het onderzoek komen voor rekening van de
organisatie waarop de melding betrekking heeft.
Artikel 70v
1. De commissie legt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twaalf
weken na ontvangst van de melding, haar bevindingen omtrent de melding
neer in een advies, gericht aan het bevoegd gezag.
2. Als niet binnen twaalf weken kan worden geadviseerd, kan de
commissie het uitbrengen van een advies verdagen. Het bevoegd gezag en
de melder worden daarover tijdig schriftelijk en met vermelding van
redenen geïnformeerd. Daarbij wordt de termijn aangegeven waarbinnen
zij het advies ontvangen.
3. De commissie zendt aan de melder een afschrift van het advies.
Artikel 70w
1. Na ontvangst van het advies, bedoeld in artikel 70v, stelt het
bevoegd gezag de melder, de commissie en, tenzij daardoor een
onderzoeksbelang kan worden geschaad, de persoon of personen op wie de
melding betrekking heeft, zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen
twaalf weken schriftelijk in kennis van zijn standpunt dienaangaande
en de eventuele consequenties die het daaraan verbindt.
2. Als het standpunt en de consequenties afwijken van het advies,
vermeldt het bevoegd gezag de reden voor de afwijking.
3. Als de commissie de identiteit van de melder niet bekend heeft
gemaakt, stuurt de commissie de kennisgeving, bedoeld in het eerste
lid, door aan de melder.
4. Nadat de commissie het standpunt van het bevoegd gezag heeft
ontvangen maakt deze haar advies in geanonimiseerde vorm openbaar.
Indien de commissie het standpunt na twaalf weken na verzending van
het advies aan het bevoegd gezag nog niet heeft ontvangen, maakt de
commissie haar advies openbaar. Indien zwaarwegende redenen hieraan in
de weg staan blijft openbaarmaking van het advies achterwege.
5. Het bevoegd gezag maakt zijn standpunt in geanonimiseerde vorm
openbaar tenzij zwaarwegende redenen hieraan in de weg staan.
Artikel 70x
1. De melder, de vertrouwenspersoon of de gewezen
vertrouwenspersoon die bezwaar maakt, beroep of hoger beroep instelt
of een verzoek om voorlopige voorziening bij de bestuursrechter doet,
kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten van die
procedures, op voorwaarde dat:
a. de rechtsprocedure is gericht tegen een besluit als bedoeld
in artikel 70h, eerste of tweede lid;
b. bedoeld besluit is genomen binnen vijf jaar nadat het
bevoegd gezag kennis heeft gegeven van de bevindingen en het
oordeel, bedoeld in artikel 70q, eerste lid, of nadat het bevoegd
gezag kennis heeft gegeven van het standpunt, bedoeld in artikel
70w, eerste lid; en
c. bedoeld besluit wordt aangevochten op de grond dat het is
genomen vanwege een melding.
2. De melder, de vertrouwenspersoon of de gewezen
vertrouwenspersoon die op grond van artikel 4:8 Algemene wet
bestuursrecht zijn zienswijze naar voren brengt met betrekking tot een
voorgenomen besluit, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de
kosten op voorwaarde dat:
a. het voorgenomen besluit betreft een besluit als bedoeld in
artikel 70h, eerste of tweede lid;
b. het voorgenomen besluit is kenbaar gemaakt binnen de in het
eerste lid, onder b, genoemde termijn; en
c. in de zienswijze naar voren wordt gebracht dat het
voorgenomen besluit verband houdt met de melding.
3. De melder, de vertrouwenspersoon of de gewezen
vertrouwenspersoon richt een verzoek om een tegemoetkoming aan het
bevoegd gezag.
Artikel 70y
1. Aanspraak op een tegemoetkoming bestaat alleen voor zover:
a. door de melder in verband met de in artikel 70x bedoelde
procedures daadwerkelijk kosten worden of zijn gemaakt met
betrekking tot door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand; en
b. het verzoek door het bevoegd gezag is ontvangen voordat op
het bezwaar is beslist of uitspraak is gedaan in de procedure
waarop het verzoek betrekking heeft.
2. Het bevoegd gezag kan het verzoek in ieder geval afwijzen indien
het onderzoek en de verdere behandeling van de melding op grond van
artikel 70p, derde lid, en 70u, tweede lid, achterwege zijn gelaten.
Artikel 70z
1. De tegemoetkoming voor iedere afzonderlijke procedure, genoemd
in artikel 70x, eerste en tweede lid, is gelijk aan tweemaal het
bedrag, genoemd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit
proceskosten bestuursrecht.
2. Artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 70aa
1. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken op het verzoek.
2. Het bevoegd gezag kan de beslissing voor ten hoogste vier weken
verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 70ab
Degene aan wie een tegemoetkoming is toegekend, kan worden verplicht
tot terugbetaling, indien hij de procedure waarop de tegemoetkoming
betrekking heeft, staakt voordat op het bezwaar is beslist of uitspraak
is gedaan. Deze verplichting geldt niet, indien het staken van de
procedure direct voortvloeit uit de intrekking door het bevoegd gezag
van het besluit, waartegen de procedure is gericht.
Artikel 70ac
1. Als een besluit of een voorgenomen besluit waarvoor op grond van
artikel 70x, eerste of tweede lid, aanspraak bestaat op een
tegemoetkoming in de kosten van de procedures, in de bezwaarprocedure
of zienswijzeprocedure wordt herroepen wegens een aan het bevoegd
gezag te wijten onrechtmatigheid of het bestreden besluit als gevolg
van een uitspraak van de rechter die onherroepelijk is geworden wordt
vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen niet in stand worden gelaten,
vergoedt het bevoegd gezag voor iedere afzonderlijke procedure aan de
melder, de vertrouwenspersoon of de gewezen vertrouwenspersoon alle
daadwerkelijk en in redelijkheid door hem gemaakte kosten als bedoeld
in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, met dien
verstande dat:
a. de vergoeding wordt toegekend zonder toepassing van het
tariefsysteem in voornoemd besluit;
b. de kosten van door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand worden vergoed voor een bedrag van ten hoogste €
200 per uur tot een bedrag van ten hoogste € 5000, beide
bedragen exclusief BTW en kantoorkosten;
c. aan de melder toegekende bedragen waarop de melder op grond
van een ander wettelijk voorschrift of een uitspraak van een
gerechtelijke instantie aanspraak heeft in verband met de
vergoeding van kosten als bedoeld in dit artikel, in aftrek worden
gebracht op de vergoeding.
2. De in het eerste lid genoemde bedragen worden per 1 januari van
elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de
consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het
voorafgaande jaar.
Hoofdstuk 7b. Overige rechten en verplichtingen
Artikel 71
1.Het is de ambtenaar verboden in dienst uniformkledingstukken te
dragen, tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of
voorgeschreven.
2.Het is de ambtenaar verboden bij het gekleed gaan in uniform
insignes of andere onderscheidingstekens te dragen, tenzij deze van
regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen
daarvan door Onze Minister-President vergunning is verleend.
3.De ambtenaar is verplicht de dienstkleding en de
onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit door Onze Minister
voorgeschreven is.
Artikel 72. Niet-naleven van bepalingen in verband met onbekendheid
daarmee
Ter zake van niet-naleving van bepalingen, welke redelijkerwijs niet
kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen
voordelen onthouden of nadelen toegebracht.
Artikel 73 [Vervallen per 02-08-2006]
Artikel 74. Verplichte mededeling van verhindering
De ambtenaar die door ziekte of anderszins verhinderd is zijn dienst
te verrichten, is verplicht, naar regels bij ministeriële regeling te
stellen, daarvan zo tijdig mogelijk mededeling te doen aan zijn
commandant.
Artikel 75. Woonplaats
1.De ambtenaar kan worden verplicht te gaan wonen of te blijven
wonen in of nabij de gemeente die hem als standplaats is aangewezen of
waartoe zijn standplaats behoort, indien dit naar het oordeel van de
commandant noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van zijn
functie.
2.De ambtenaar aan wie de verplichting is opgelegd in of nabij de
in het eerste lid bedoelde gemeente te gaan wonen, is gehouden zo
spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is
opgelegd, daaraan gevolg te geven.
Artikel 76. Ambts- of dienstwoning
1.De ambtenaar is verplicht indien hem door de commandant een ambts-
of dienstwoning ter bewoning is aangewezen, deze te betrekken en zich
ter zake van de bewoning en het gebruik te gedragen naar de regels,
die daaromtrent zijn gesteld.
2.De ambtenaar draagt de onderhoudskosten, die volgens de wet en
het plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn,
tenzij door Onze Minister anders wordt bepaald.
Artikel 77. Opdragen van een andere functie
1.Het hoofd defensieonderdeel kan de ambtenaar op diens aanvraag
een andere functie opdragen.
2.Het hoofd defensieonderdeel kan de ambtenaar indien het belang
van de dienst dit vordert, al dan niet in zijn dienstvak en al of niet
op dezelfde standplaats, een andere functie opdragen die
redelijkerwijs in overeenstemming is met diens persoonlijkheid,
omstandigheden en vooruitzichten; de ambtenaar is verplicht een
dergelijke functie te aanvaarden.
3.De Secretaris-Generaal is bevoegd tot het opdragen van een andere
functie als bedoeld in het eerste en tweede lid aan een ambtenaar,
bezoldigd volgens salarisschaal 14 of hoger van bijlage A van het
Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie alsmede aan een
ambtenaar die is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de
krijgsmacht als geestelijk verzorger werkzaam te zijn en die wordt
bezoldigd in de salarisschaal behorend bij de rang van kapitein ter
zee/kolonel.
Artikel 78. Tijdelijk verrichten van andere ambtelijke werkzaamheden
1.Het hoofd defensieonderdeel kan de ambtenaar opdragen tijdelijk
andere werkzaamheden te verrichten dan hij gewoonlijk verricht en die
hem gelet op zijn persoonlijke omstandigheden redelijkerwijs kunnen
worden opgedragen. De ambtenaar is gehouden deze werkzaamheden te
verrichten, met uitzondering van werkzaamheden in de plaats van
stakers of uitgeslotenen in particuliere dienst, tenzij deze worden
verricht in dienst van Defensie en zij tijdens de staking of
uitsluiting of als onmiddellijk gevolg daarvan, redelijkerwijs
noodzakelijk zijn voor de openbare dienst.
2.Onze Minister kan, rekening houdend met de persoonlijke
omstandigheden van de ambtenaar, de ambtenaar opdragen in geval van
buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan hij
gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden strekken tot uitvoering
van de taken van de defensieorganisatie of ertoe strekken een zo goed
mogelijke uitvoering van die taken te verzekeren.
3.Het hoofd defensieonderdeel kan de ambtenaar opdragen lessen te
volgen en deel te nemen aan oefeningen met het oog op het verrichten
van werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 79 [Vervallen per 10-03-2006]
Artikel 80 [Vervallen per 10-03-2006]
Artikel 81 [Vervallen per 10-03-2006]
Artikel 82. Terugstorting van vergoedingen in 's-Rijks kas
1.De ambtenaar, die een besturende, beherende dan wel
toezichthoudende functie vervult in een naamloze vennootschap of ander
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, en voor de in die functie
verrichte of te verrichten werkzaamheden, anders dan uit 's-Rijks kas,
een vergoeding ontvangt, is verplicht die vergoeding in genoemde kas
te storten, indien de benoeming in die functie:
a. heeft plaats gehad door dan wel in overeenstemming met Onze
Minister;
b. is voortgevloeid uit een wettelijk voorschrift dan wel uit
een overeenkomst, welke met instemming van Onze Minister of de
Ministerraad is tot stand gekomen.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
de ambtenaar, die een nevenfunctie vervult, welke verband houdt met
het door hem beklede ambt en hem is opgedragen door Onze Minister, en
voor de in die functie verrichte of te verrichten werkzaamheden,
anders dan uit 's-Rijks kas, een vergoeding ontvangt.
3.Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing in de gevallen,
waarin dit door Onze Minister-President is bepaald.
Artikel 83 [Vervallen per 10-03-2006]
Artikel 84 [Vervallen per 10-03-2006]
Artikel 85. Schadeverhaal
1.Onze Minister kan de ambtenaar verplichten tot gehele of
gedeeltelijke vergoeding van de door de dienst geleden schade:
a. indien deze schade in het kader van de vervulling van aan de
ambtenaar opgedragen taken en werkzaamheden is ontstaan door opzet
of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar; dan wel
b. indien deze schade buiten het kader van aan de ambtenaar
opgedragen taken en werkzaamheden is ontstaan door verwijtbaar
handelen van de ambtenaar.
2.Wanneer de schade is veroorzaakt door meerdere tot het
Defensiepersoneel behorende personen gezamenlijk, kan in beginsel
ieder afzonderlijk tot vergoeding van de gehele schade worden
verplicht.
Artikel 86. Terugbetaling opleidingskosten
De ambtenaar die wordt aangesteld om na afloop van een opleiding voor
een functie daarin te worden tewerkgesteld, kan overeenkomstig door Onze
Minister vastgestelde regels, bij die aanstelling worden verplicht tot
gehele of gedeeltelijke (terug)betaling van de kosten van de opleiding
ingeval hem overeenkomstig zijn aanvraag of anders dan eervol, ontslag
wordt verleend in het opleidingstijdvak dan wel binnen een in
evenbedoelde regels aangegeven tijdvak na afloop van de opleiding. Het
bepaalde in de vorige volzin is van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de ambtenaar in tijdelijke dienst, wiens aanstelling voor
een bepaalde tijd overeenkomstig zijn aanvraag niet wordt verlengd of
overeenkomstig zijn aanvraag niet wordt gewijzigd in een aanstelling in
vaste dienst.
Artikel 87
De ambtenaar heeft recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten
wegens dienstreizen ingevolge het Besluit dienstreizen defensie.
Artikel 87a. Bijdrage in de kosten van kinderopvang
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder kinderopvang en
gastouderopvang verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel
1, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
peuterspeelzalen.
2. Door het hoofd defensieonderdeel kan naar bij ministeriële
regeling te stellen regels, financieel worden bijgedragen in de kosten
van de ambtenaar voor kinderopvang of gastouderopvang van een of
meerdere kinderen.
3. De bijdrage, als bedoeld in het tweede lid, eindigt met ingang
van de dag waarop de ambtenaar ontslag wordt verleend.
4. Wanneer sprake is van een ontslag op grond van artikel 116 van
dit besluit, eindigt de bijdrage, als bedoeld in het tweede lid, in
afwijking van het vierde lid, 6 maanden na de datum waarop dat ontslag
is ingegaan of op het moment dat uit andere hoofde aanspraak bestaat
op een bijdrage, als bedoeld in het tweede lid. Gedurende deze periode
van 6 maanden blijft de situatie van voor het ontslag ongewijzigd
gehandhaafd.
Artikel 88. Schadeloosstelling
Onze Minister kan de ambtenaar naar billijkheid schadeloos stellen
voor schaden anders dan bedoeld in artikel 62 van het Inkomstenbesluit
burgerlijke ambtenaren defensie en is bevoegd hieromtrent voor groepen
van ambtenaren regels te geven.
Artikel 89. Infectieziekten
1.De ambtenaar, die in contact staat of kort geleden gestaan heeft
met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het
krachtens de Wet publieke gezondheid bepaalde een nominatieve
aangifteplicht geldt, mag zijn dienst niet verrichten en heeft geen
toegang tot dienstgebouwen-, lokalen en -terreinen dan met toestemming
van de commandant, dat deze toestemming slechts kan verlenen na
positief advies van de deskundige persoon of de arbodienst bedoeld in
artikel 54a, onderdeel b.
2.De ambtenaar, die verkeert in de in het eerste lid omschreven
situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de
deskundige persoon of de arbodienst bedoeld in artikel 54a, onderdeel
b. Hij is gehouden zich te gedragen naar de vanwege de deskundige
persoon of de arbodienst bedoeld in artikel 54a, onderdeel b gegeven
aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een
geneeskundig onderzoek.
3.Gedurende de periode dat de ambtenaar ingevolge het bepaalde in
dit artikel zijn dienst niet verricht, geniet hij zijn volle
bezoldiging.
Artikel 90. Functioneringsgesprek
1.Aan de wijze van functievervulling van de ambtenaar en aan zijn
gedrag in relatie tot zijn functie wordt ten minste een keer per jaar
aandacht besteed door middel van het houden van een
functioneringsgesprek.
2.Aan het functioneringsgesprek wordt deelgenomen door de ambtenaar
en diens functionele chef.
3.Op verzoek van een van de deelnemers aan het
functioneringsgesprek en met instemming van beide deelnemers kunnen
een of meer andere personen aan het gesprek deelnemen.
4.Het functioneringsgesprek is ten minste gericht op de navolgende
onderdelen:
a. het functioneren van de ambtenaar in de omgeving waarin hij
zijn functie vervult, alsmede de functionele relatie tussen de
ambtenaar en de functionele chef met betrekking tot de
functie-uitoefening van de ambtenaar over de achterliggende
periode. Hierbij komen in elk geval de volgende aspecten aan de
orde:
- de verhouding tussen de getoonde kennis en de
vaardigheden, en de gestelde functie-eisen;
- de vorderingen en de gedragingen;
- de toetsing of en in hoeverre is voldaan aan eerder
gemaakte afspraken;
- integriteit;
b. afspraken en aandachtspunten met betrekking tot de
toekomstige functievervulling;
c. de persoonlijke ontwikkeling in relatie tot de mogelijke
loopbaanwensen van de ambtenaar en de algemene loopbaanpatronen;
d. indien de ambtenaar de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt:
de relatie tussen leeftijd en belastbaarheid en functievervulling.
5.a. De functionele chef legt een samenvatting van de inhoud van
het gesprek alsmede de gemaakte afspraken en besproken aandachtspunten
in het functioneringsgesprekformulier vast. Het formulier wordt voor
een correcte weergave daarvan door de functionele chef en de ambtenaar
ondertekend. De functionele chef verstrekt de ambtenaar een afschrift
van het functioneringsgesprekformulier.
b. De afspraken en aandachtspunten worden opgelegd in het
personeelsdossier van de betrokkene.
6.Onze Minister stelt beleidsregels ten aanzien van het houden van
functioneringsgesprekken alsmede het functioneringsgesprekformulier,
waarin ten minste de in het vierde lid genoemde onderdelen zijn
opgenomen.
Artikel 90a. Beoordeling
1.Indien de commandant of de ambtenaar dit wenselijk vindt, wordt
een beoordeling opgemaakt. De ambtenaar dient daartoe een aanvraag in
bij de commandant.
2.Onze Minister kan opdracht geven tot het opmaken van een
beoordeling.
3.De ambtenaar wordt beoordeeld omtrent de wijze waarop hij zijn
functie heeft vervuld en omtrent zijn gedrag in relatie tot die
functie, gedurende het beoordelingstijdvak. De beoordeling is
gebaseerd op concrete handelingen, resultaten en gedragingen van de te
beoordelen ambtenaar.
4.Bij het opmaken van een beoordeling kan een toekomstverwachting
worden opgemaakt.
5.Het beoordelingstijdvak omvat een periode van ten minste zes
maanden en ten hoogste twee jaren. Per kalenderjaar kan maximaal één
beoordeling worden opgemaakt.
6.De beoordeling wordt opgemaakt door een eerste en in beginsel een
tweede beoordelaar. Als eerste beoordelaar treedt op de functionele
chef van de ambtenaar. De tweede beoordelaar is de commandant dan wel
een door de commandant aangewezen functionaris. In geval de commandant
is opgetreden als eerste beoordelaar, treedt in beginsel als tweede
beoordelaar op de functionele chef van de commandant.
7.Gelet op de vereiste deskundigheid kan bij het uitbrengen van een
beoordeling een personeelsbeoordelingsadviseur aan de beoordelaar
worden toegevoegd.
8.Na het opmaken van de beoordeling van de ambtenaar:
a. wordt met de ambtenaar zijn beoordeling besproken;
b. krijgt de ambtenaar een afschrift van zijn beoordeling
uitgereikt;
c. krijgt hij de gelegenheid zijn bedenkingen tegen de omtrent
hem opgemaakte beoordeling binnen 2 weken schriftelijk bij de
tweede beoordelaar kenbaar te maken, tenzij er geen tweede
beoordelaar is; indien er geen tweede beoordelaar is, worden de
bedenkingen kenbaar gemaakt bij de eerste beoordelaar.
9.Nadat de beoordeling door de tweede beoordelaar is vastgesteld,
wordt aan de ambtenaar een afschrift verstrekt. Deze bepaling is van
overeenkomstige toepassing indien er sprake is van één beoordelaar.
10.Onze Minister stelt beleidsregels ten aanzien van het opmaken en
vaststellen van beoordelingen alsmede het beoordelingsformulier
volgens welke de ambtenaar wordt beoordeeld.
Artikel 91 [Vervallen per 02-08-2006]
Artikel 91a. Reisbeperkingen
1.De ambtenaar die werkzaam is in een vertrouwensfunctie waarin hij
toegang heeft tot zeer geheime of geheime gegevens waarvan de
kennisneming door niet-gerechtigden zeer ernstige of ernstige schade
aan de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat kan
veroorzaken, is verplicht van een, anders dan in de uitoefening van
zijn functie, voorgenomen reis naar of verblijf in bij koninklijk
besluit aangewezen landen, ten minste zes weken voor vertrek
mededeling te doen aan de Directeur Militaire Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst.
2.Een ambtenaar die tijdens het verblijf in een land als bedoeld in
het eerste lid betrokken is geweest bij een incident dat van belang
kan zijn uit het oogpunt van veiligheid of andere gewichtige belangen
van de staat, is verplicht daarvan onmiddellijk bij terugkomst melding
te doen aan een daartoe aangewezen functionaris van de Militaire
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
3.Dit artikel is niet van toepassing op de ambtenaar, bedoeld in
artikel 10 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.
Artikel 92. Zekerheidsstelling
Verplichting tot zekerheidsstelling wordt de ambtenaar niet opgelegd.
Artikel 93. Aanzuivering van het tekort
1.De ambtenaar die namens een minister is belast met de in artikel
24, tweede en derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 vermelde
taken, is verplicht een tekort geheel of gedeeltelijk aan te zuiveren,
wanneer hem ter zake van dat tekort een ernstig verwijt kan worden
gemaakt.
2.De ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van het
Besluit materieelbeheer 1996, is verplicht schade te vergoeden,
wanneer hem ter zake van die schade een ernstig verwijt kan worden
gemaakt.
Artikel 94. Om- en bijscholingsopleidingen
1.De burgerambtenaar kan, al dan niet op eigen aanvraag, door het
hoofd defensieonderdeel worden aangewezen voor het volgen van een om-
of bijscholingsopleiding teneinde de benodigde kennis en vaardigheden
te behouden voor het vervullen van de huidige functie, dan wel te
verkrijgen voor de vervulling van toekomstige functies. De ambtenaar
wordt tijdig in de gelegenheid gesteld tot het volgen van die
opleiding.
2.Het hoofd defensieonderdeel kent de ambtenaar een vergoeding toe
voor de aan een om- of bijscholingsopleiding verbonden noodzakelijk te
zijnen laste komende kosten.
3.De ambtenaar die is aangewezen voor het volgen van een om- of
bijscholingsopleiding, kan daarvan door het hoofd defensieonderdeel
worden ontheven, indien hij niet voldoet aan de bij de opleiding
gestelde eisen of indien ontheffing in het belang van de dienst of van
de ambtenaar om andere redenen noodzakelijk is.
4.Artikel 86 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 94a. Studiefaciliteiten
Aan de ambtenaar die dat wenst, kunnen naar bij ministeriële
regeling te stellen regels bepaalde studiefaciliteiten worden verleend,
indien de ambtenaar naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel een
studie of opleiding voor eigen rekening volgt of heeft voltooid die mede
in het belang van de dienst of in het belang van de bevordering van de
externe werkzekerheid is.
Artikel 95 [Vervallen per 25-07-2001]
Artikel 96. Maatregelen van orde
1.Aan de ambtenaar kan door de commandant de toegang tot de
dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf
aldaar, worden ontzegd.
2.Hij is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde,
die ten aanzien van het verblijf aldaar zijn vastgesteld.
Artikel 97. Verbod van alcoholgebruik
Het is de ambtenaar verboden gedurende de werktijd alcoholhoudende
dranken te gebruiken, bij zich te hebben of in de dienstlokalen te
bewaren.
Artikel 98 [Vervallen per 24-12-1997]
Hoofdstuk 8. Disciplinaire straffen
Artikel 99. Plichtsverzuim
1.De ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of
zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan deswege
disciplinair worden gestraft.
2.Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift
als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in
gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
3.De straf wordt opgelegd door Onze Minister of een door hem
aangewezen autoriteit.
4.In afwijking van het derde lid, geschiedt het opleggen van
straffen, genoemd in artikel 100, eerste lid onder i en l, aan de
ambtenaar die bij koninklijk besluit is aangesteld, door Onze
Minister.
Artikel 100. Soorten disciplinaire straffen
1.De disciplinaire straffen, welke kunnen worden opgelegd, zijn:
a. schriftelijke berisping;
b. buitengewone dienst op andere dagen dan zondag en de voor de
ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen, zonder beloning of tegen
een lagere dan de normale beloning en wel voor ten hoogste 6 uren
met een maximum van 3 uren per dag;
c. vermindering van het recht op jaarlijkse vakantie met ten
hoogste één derde van het aantal uren, waarop in het
desbetreffende kalenderjaar aanspraak bestaat;
d. geldboete van ten minste € 2 en ten hoogste € 22,50;
e. gehele of gedeeltelijke inhouding van salaris tot een bedrag
van ten hoogste het salaris over een halve maand;
f. vaststelling van het salaris op een bedrag in de voor de
ambtenaar geldende salarisschaal dat maximaal twee jaarlijkse
periodieke salarisverhogingen minder bedraagt dan ingevolge de op
hem van toepassing zijnde bezoldigingsregeling behoort te gelden,
of indien voor het door de ambtenaar beklede ambt geen
salarisschaal geldt, vermindering van het salaris met ten hoogste
5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren;
g. het niet toekennen van periodieke salarisverhogingen
gedurende ten hoogste vier jaren;
h. uitsluiting voor de tijd van ten hoogste vier jaren van
indeling in een salarisschaal waarvoor een hoger maximumsalaris
geldt, indien zodanige indeling anders volgens de daarvoor
geldende regeling zou hebben plaatsgevonden;
i. indeling in een salarisschaal waarvoor een lager
maximumsalaris geldt dan dat verbonden aan de salarisschaal welke
ingevolge de van toepassing zijnde bezoldigingsregeling behoort te
gelden, een en ander al dan niet voor een bepaalde tijd en met of
zonder vermindering van bezoldiging;
j. verplaatsing, al dan niet met verlening van een
tegemoetkoming in mogelijke verplaatsingskosten tot ten hoogste
het bedrag, dat in geval van verplaatsing in het belang van de
dienst zou kunnen worden verleend;
k. schorsing voor een bepaalde tijd met geheel of gedeeltelijke
inhouding van bezoldiging;
l. ontslag.
2.Een opgelegde straf, als bedoeld in het eerste lid onder g, h, of
i, kan, indien daar gelet op het gedrag van betrokken ambtenaar naar
het oordeel van de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 99, derde
of vierde lid, reden voor is, ongedaan worden gemaakt.
3.Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet
ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een
vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk
plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaats vindt, noch aan
enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen
van de straf eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.
Artikel 101. Gelegenheid tot verantwoording
1.Indien de ambtenaar verantwoording aflegt doet hij dit ten
overstaan van Onze Minister of een door hem aangewezen autoriteit.
Deze bepaalt of de verantwoording mondeling of schriftelijk zal
geschieden, met dien verstande dat bij schriftelijke verantwoording de
ambtenaar op zijn verzoek gelegenheid wordt gegeven tot nadere
mondelinge toelichting. De ambtenaar kan zich door een rechtskundige
of een andere raadsman doen bijstaan.
2.Van de mondelinge verantwoording en van een eventuele nadere
mondelinge toelichting wordt aanstonds proces-verbaal opgemaakt, dat
na voorlezing wordt getekend door hem, te wiens overstaan de
verantwoording heeft plaatsgevonden en door de ambtenaar.
Artikel 102
De ambtenaar kan niet gestraft worden wegens overtreding van artikel
125a, eerste lid van de Ambtenarenwet, dan nadat daarover advies is
ingewonnen van de Adviescommissie grondrechten en functieuitoefening
ambtenaren.
Artikel 103. Tenuitvoerlegging straf
1.De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten
uitvoer gelegd, zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij
de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.
2.De ambtenaar dient van de ontvangst van een besluit inzake
strafoplegging te doen blijken door onverwijlde terugzending van een
door hem ondertekend en gedateerd ontvangstbewijs.
Hoofdstuk 9. Instelling en werkwijze van commissies waaraan de
beslissing met uitsluiting van administratieve organen is opgedragen
Artikel 104 [Vervallen per 09-06-1995]
Artikel 105 [Vervallen per 09-06-1995]
Artikel 106 [Vervallen per 09-06-1995]
Artikel 107 [Vervallen per 09-06-1995]
Artikel 108 [Vervallen per 09-06-1995]
Hoofdstuk 10. Schorsing en ontslag
Artikel 109. Gevallen waarin schorsing plaatsvindt
1.De ambtenaar is van rechtswege in zijn ambt geschorst, wanneer
hij krachtens wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd,
tenzij die vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel, anders
dan op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische
ziekenhuizen, genomen in het belang van de volksgezondheid.
2.Onverminderd artikel 99, eerste lid, j°. artikel 100, eerste
lid, onderdeel k, kan de ambtenaar voorts in zijn ambt worden
geschorst:
a. indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf
tegen hem is ingesteld;
b. wanneer hem het voornemen tot bestraffing met
onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven, dan wel hem die
straf is opgelegd;
c. wanneer het belang van de dienst zulks vordert.
Artikel 110. Wijze waarop schorsing plaatsvindt
1.Schorsing als bedoeld in artikel 109, tweede lid, geschiedt door
Onze Minister of een door hem aangewezen autoriteit.
2.In afwijking van het eerste lid geschiedt de schorsing van de
ambtenaar die bij koninklijk besluit is aangesteld, door Onze
Minister.
3.De schorsing als bedoeld in artikel 109, tweede lid, gaat in op
het tijdstip, waarop deze de betrokken ambtenaar bekend wordt gemaakt.
Indien het gedurende zes dagen feitelijk niet mogelijk is de ambtenaar
het schorsingsbesluit ter kennis te brengen, gaat de schorsing in op
de zevende dag na de dagtekening van het schorsingsbesluit.
Artikel 111. Opheffing van de schorsing
1.Een schorsing als bedoeld in artikel 109, tweede lid, onderdeel a
en b, eindigt wanneer hij wordt opgeheven door de bevoegde autoriteit,
bedoeld in artikel 110, eerste of tweede lid.
2.Een schorsing als bedoeld in artikel 109, tweede lid, onderdeel
c, wordt opgeheven wanneer de belangen van de dienst de schorsing niet
meer vorderen, doch uiterlijk na drie maanden, tenzij de omstandigheid
die aanleiding gaf voor die schorsing zich nog immer voordoet.
Artikel 112. Bevoegdheid tot ontslag
1.Het ontslag van de ambtenaar in vaste dienst die wordt bezoldigd
volgens salarisschaal 15 of hoger van bijlage A van het
Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie geschiedt bij
koninklijk besluit.
2.Het ontslag in de overige gevallen geschiedt door Onze Minister.
Artikel 113. Ontslag op aanvraag
1.De ambtenaar wordt op zijn aanvraag ontslag verleend.
2.Behoudens in het geval bedoeld in artikel 53, eerste lid, wordt
dit ontslag verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand
of later dan 3 maanden na de dag, waarop de aanvraag om ontslag is
ingekomen.
3.Van het bepaalde in het eerste lid kan worden afgeweken, indien
een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen de
ambtenaar is ingesteld of indien wordt overwogen de disciplinaire
straf van ontslag op te leggen.
4.Van het bepaalde in het tweede lid kan worden afgeweken:
a. indien wordt overwogen de ambtenaar een disciplinaire straf
op te leggen;
b. indien het belang van de dienst zulks vordert met dien
verstande dat de termijn van 3 maanden, vermeld in het tweede lid,
tot ten hoogste 6 maanden kan worden verlengd en dat bij de
verlenging in redelijkheid met het belang van de ambtenaar
rekening wordt gehouden;
c. ingevolge een aanvraag van de ambtenaar.
5.Het ontslag op eigen aanvraag wordt eervol verleend.
Artikel 114. Ontslag wegens vervroegd uittreden
1.Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering
op grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in
artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en
onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de
Stichting Pensioenfonds Abp, wordt ontslag verleend, indien het
bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden
overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting Pensioenfonds
Abp op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na
dat te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van
die regeling. Het ontslag gaat niet eerder in dan met ingang van de
dag waarop het recht op evengenoemde uitkering ontstaat.
2.Op aanvraag van de ambtenaar kan het in het eerste lid bedoelde
ontslag ook voor een gedeelte van de voor hem geldende arbeidsduur
worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen
verzetten. Het gedeelte van dit ontslag bedraagt ten minste 10% van de
omvang van de dienstverhouding. Ontslag voor een gedeelte van de
arbeidsduur waaruit reeds eerder gedeeltelijk ontslag met het oog op
de in het eerste lid bedoelde uitkering heeft plaatsgevonden bedraagt
ten minste 10% van de oorspronkelijke arbeidsduur.
3.Artikel 113, tweede tot en met vijfde lid, is zoveel mogelijk van
overeenkomstige toepassing
4.Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing als de ambtenaar
ontslag vraagt met het oog op ouderdomspensioen dat voor de leeftijd
van 65 jaar ingaat.
Artikel 115. Ontslag ambtenaar in tijdelijke dienst
1.Aan de ambtenaar in tijdelijke dienst die blijkens zijn akte van
aanstelling is aangesteld voor een vast bepaalde tijd of voor een
proeftijd, wordt tenzij het tegendeel blijkt, geacht eervol ontslag te
zijn verleend zodra die tijd is verstreken. Bij voortduring van het
dienstverband na het verstrijken van de vast bepaalde tijd of de –
eventueel ingevolge artikel 7, tweede lid onder a verlengde –
proeftijd, wordt de ambtenaar geacht voor onbepaalde tijd te zijn
aangesteld.
2.Aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, die is aangesteld voor
onbepaalde tijd – waaronder begrepen de ambtenaar die is aangesteld
ter vervanging van een afwezige ambtenaar dan wel belast is met werk
van kennelijk tijdelijk karakter – kan ontslag worden verleend, mits
een opzeggingstermijn in acht wordt genomen van:
a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging
laatstelijk tenminste twaalf maanden onafgebroken in dienst is
geweest;
b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging
laatstelijk ten minste zes maanden doch korter dan twaalf maanden
onafgebroken in dienst is geweest;
c. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging
laatstelijk korter dan zes maanden onafgebroken in dienst is
geweest.
3.Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden
gedurende de zwangerschap van de vrouwelijke ambtenaar, noch gedurende
het verlof op grond van artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg, noch
– indien zij haar dienst heeft hervat – gedurende een periode van
zes weken volgend op dat verlof. Onze Minister kan ter staving van de
zwangerschap een verklaring van een arts of van een verloskundige
verlangen.
4.Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden
wegens de omstandigheid dat de ambtenaar in of buiten rechte een
beroep heeft gedaan op het beginsel van gelijke behandeling van mannen
en vrouwen.
5.Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden
wegens de omstandigheid dat de ambtenaar zijn recht op
ouderschapsverlof geldend maakt.
6.Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden
wegens de omstandigheid dat de ambtenaar is geplaatst op een
kandidatenlijst als bedoeld in artikel 8 van het Besluit
medezeggenschap defensie, noch wegens het lidmaatschap of het korter
dan twee jaar geleden beëindigde lidmaatschap van de
medezeggenschapscommissie.
7.Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan
voor de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op aanvraag
van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd welke aan de
opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de
laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering
berekend op de voet van het bepaalde in het Bezoldigingsbesluit
burgerlijke ambtenaren defensie.
8.Aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, genoemd in het eerste lid,
kan ontslag worden verleend met ingang van een dag gelegen binnen een
bepaalde tijd of proeftijd. In dat geval vindt het bepaalde in het
tweede tot en met zevende lid overeenkomstige toepassing.
Artikel 116. Ontslag wegens opheffing van de betrekking, verandering
in de inrichting van het dienstvak of wegens verplaatsing van een dienst
1.Aan de ambtenaar kan eervol ontslag worden verleend:
a. wegens opheffing van zijn betrekking;
b. wegens overtolligheid van personeel als gevolg van
verandering in de inrichting van het dienstvak of onderdeel
daarvan zoals een directie of een afdeling waarbij de ambtenaar
werkzaam is, dan wel als gevolg van vermindering der werkzaamheden
bij het dienstvak of dat onderdeel.
2.Ontslag op één van de in het eerste lid genoemde gronden kan
slechts plaatsvinden, indien het na een zorgvuldig onderzoek niet
mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen het gezagsbereik van Onze
Minister andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en
omstandigheden voor hem passende werkzaamheden op te dragen, dan wel
indien deze zodanige werkzaamheden weigert te aanvaarden. Bij het
opdragen van passende werkzaamheden zal, teneinde het ontstaan dan wel
het vergroten van feitelijke ongelijkheden tegen te gaan, uitgangspunt
zijn dat bij gelijke geschiktheid voorrang wordt gegeven aan
vrouwelijke ambtenaren.
3.Ontslag van in vaste dienst aangestelde ambtenaren wegens
overtolligheid van personeel geschiedt in de volgende rangorde:
a. zij die zulks wensen;
b. zij die 35 of meer voor pensioen geldende dienstjaren
hebben, waarbij ouderen in leeftijd vóór jongeren gaan;
c. zij die de leeftijd van 35 jaren nog niet hebben
overschreden, te beginnen met hen die het geringste aantal jaren
in overheidsdienst hebben doorgebracht;
d. zij die het geringste aantal jaren in overheidsdienst hebben
doorgebracht. Voor de berekening van het aantal jaren in
burgerlijke openbare dienst wordt mede in aanmerking genomen tijd
gewijd aan de verzorging van tot het huishouden van de ambtenaar
behorende 0-4-jarige eigen, stief- of pleegkinderen, tot een
maximum van in totaal zes jaren.
4.Indien het dienstbelang zulks vordert, kan bij de verlening van
ontslag van de rangorde genoemd in het derde lid, worden afgeweken.
Omvat de afvloeiing in dat geval meer dan 1% van het aantal ambtenaren
in vaste dienst bij het betrokken dienstvak of onderdeel daarvan - met
een minimum van 5 dan geschiedt zij naar een bepaald vooraf
vastgesteld plan.
5.Bij een ontslagverlening op grond van het eerste lid van dit
artikel wordt een opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen.
6.Aan de ambtenaar wordt bij dan wel na verplaatsing van de dienst
of het dienstvak of onderdeel daarvan waarbij hij werkzaam is, eervol
ontslag verleend, indien op grond van door hem kenbaar gemaakte, aan
zijn persoonlijke omstandigheden ontleende en door Onze Minister als
geldig erkende bedenkingen van hem in redelijkheid niet kan worden
verlangd dat hij zich naar de daaruit voor hem voortvloeiende
verplaatsing zal voegen dan wel in de daaruit voor hem voortgevloeide
verplaatsing zal blijven voegen, tenzij de bevoegde autoriteit,
bedoeld in artikel 112, eerste of tweede lid het mogelijk acht aan de
ambtenaar andere hem passende werkzaamheden op te dragen waarvoor
eerderbedoelde bedenkingen niet gelden.
Artikel 117. Ontslag ambtenaren, die lid van Gedeputeerde Staten,
wethouder etc. zijn geweest
1.Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een
functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of
verkozen tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt,
indien hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het
oordeel van de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 112, eerste of
tweede lid niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag
verleend.
2.Tenzij artikel 53, eerste lid van toepassing is, wordt eervol
ontslag eveneens verleend aan de ambtenaar die na afloop van het
verlof, verleend met toepassing van artikel 50 danwel van artikel 52,
eerste lid, naar het oordeel van de bevoegde autoriteit, bedoeld in
artikel 112, eerste of tweede lid niet in actieve dienst kan worden
hersteld.
3.Het eerste lid vindt eveneens toepassing voor de ambtenaar die
ophoudt de functie van substituut-ombudsman te bekleden.
Artikel 118. Ontslag bij benoeming tot minister of staatssecretaris
Aan de ambtenaar die een benoeming tot Minister of Staatssecretaris
aanvaardt wordt door de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 112,
eerste of tweede lid, met ingang van de dag van het aanvaarden van deze
betrekking, eervol ontslag verleend.
Artikel 119 [Vervallen per 04-07-2007]
Artikel 120
1.Voor de ontslagverlening als bedoeld in artikel 125e, tweede lid
van de Ambtenarenwet is de medewerking of machtiging vereist van Onze
Minister. Deze is gehouden het advies in te winnen van de
adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening ambtenaren.
2.Indien het voornemen tot ontslagverlening afkomstig is van Onze
Minister is de machtiging vereist van Onze Minister-President.
Artikel 121. Ontslaggronden
1.Anders dan op eigen aanvraag, bij wijze van straf of ingevolge
het bepaalde bij artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten
Staten-Generaal en Europees Parlement en bij de artikelen 115, 116,
117, 119 en 120 van dit besluit, kan de ambtenaar worden ontslagen op
grond van:
a. het verlies van een vereiste voor de benoembaarheid, door
Onze Minister gesteld bij een regeling aan de benoeming
voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het
ambt geldt;
b. het aangaan van een graad van zwagerschap, die de
benoembaarheid tot het ambt zou uitsluiten;
c. onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak, waarbij de
ambtenaar onder curatele is gesteld;
d. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens
onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
e. onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf
wegens misdrijf;
f. ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte;
g. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede
ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;
h. het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;
i. het bij of in verband met indiensttreding of medisch
onderzoek verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen,
zonder welke handelwijze niet tot indienstneming of goedkeuring
zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij
te goeder trouw heeft gehandeld.
2.Een ontslag op grond van het bepaalde in het eerste lid onder a,
b, f, g en h wordt steeds eervol verleend.
3.Behoudens voor de toepassing van artikel 123a kan een ontslag als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel f. slechts plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee
jaar,
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes
maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te
verwachten is, en
c. na een zorgvuldig onderzoek het niet mogelijk is gebleken om
de ambtenaar binnen het gezagsbereik van Onze Minister andere
arbeid aan te bieden, dan wel indien de ambtenaar geweigerd heeft
deze arbeid te aanvaarden.
4.Onder arbeid als bedoeld in het derde lid, onderdeel c, wordt
gedurende het eerste jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte passende, en gedurende de
periode daarna gangbare arbeid verstaan als bedoeld in artikel 54a.
5.Bij het bepalen van het tijdvak van twee jaar als bedoeld in het
derde lid, onder a, wordt niet in aanmerking genomen afwezigheid van
een vrouwelijke ambtenaar wegens ziekte die haar oorsprong vindt in de
zwangerschap of bevalling, in geval deze ziekte is opgetreden tijdens
de zwangerschap en gedurende en na het zwangerschapsverlof heeft
voortgeduurd.
6.Voor het bepalen van het in het derde lid, onder a, bedoelde
tijdvak van twee jaar worden tijdvakken van ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte samengeteld, indien:
a. zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen;
b. zij worden onderbroken door afwezigheid tijdens door
zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf
het begin van het bevallingsverlof, dan wel;
c. een onder b. bedoelde afwezigheid wordt voorafgegaan of
wordt gevolgd door een periode van arbeidsgeschiktheid, die in
totaal minder dan vier weken bedraagt.
7.Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in
het derde lid, onderdelen a en b, vraagt Onze Minister het oordeel van
een daartoe door de UWV, bedoeld in artikel 54a, onderdeel i, die de
Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen uitvoert ten aanzien van
de ambtenaar, aangewezen arts.
8.De in het zevende lid bedoelde arts betrekt bij zijn beoordeling
een door Onze Minister aangewezen arts en, indien de ambtenaar dit
wenst, een door de ambtenaar aangewezen arts.
9.Onze Minister stelt de ambtenaar er schriftelijk van in kennis
dat de procedure, bedoeld in het zevende lid, wordt ingesteld. Daarbij
wijst Onze Minister de ambtenaar op de mogelijkheid om een arts van
zijn keuze te laten deelnemen aan de procedure.
10.De kennisgeving, bedoeld in het negende lid, geschiedt niet
eerder dan nadat de ambtenaar gedurende een onafgebroken periode van
18 maanden ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte. Het zesde lid is hierbij van overeenkomstige
toepassing.
11.De in het zevende lid bedoelde arts stelt naar aanleiding van
zijn bevindingen een rapport op. Hij zendt dit rapport aan Onze
Minister . Tevens zendt hij een afschrift van dit rapport aan de
ambtenaar.
12.Indien herplaatsing als bedoeld in het derde lid, onderdeel c,
plaatsvindt in een betrekking voor minder uren dan het aantal waarvoor
de ambtenaar was aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking
op het meerdere aantal uren.
Artikel 122. Pensioengerechtigde leeftijd
1.Aan ambtenaren wordt, behoudens in zeer bijzondere gevallen, bij
het bereiken van de leeftijd van 65 jaar door de bevoegde autoriteit,
bedoeld in artikel 112, eerste of tweede lid, het ontslag als bedoeld
in artikel 121, eerste lid onder h, verleend met ingang van de
eerstvolgende maand.
2.Dit artikel is niet van toepassing:
a. op personen, die krachtens reeds bestaande wettelijke
voorschriften bij het bereiken van een bepaalde leeftijd,
behoudens toepassing van overgangsbepalingen, uit de functie
worden ontslagen;
b. op personen die de functie als nevenbetrekking bekleden.
Artikel 123. Ontslag als ambtenaar wegens niet passende arbeid
Indien aan de ambtenaar gedurende de tijd, dat hij recht heeft op
wachtgeld, daaronder mede begrepen herplaatsingswachtgeld of een
uitkering op grond van artikel 18, zesde lid van het Besluit
bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie,
een voor hem passend geachte betrekking is aangeboden en die betrekking
binnen een periode van uiterlijk één jaar nadat hij haar is gaan
vervullen, niet passend voor hem blijkt te zijn, kan hem binnen die
periode op zijn aanvraag eervol ontslag uit die betrekking worden
verleend, welk ontslag ten aanzien van zijn aanspraken op dat wachtgeld
of die uitkering wordt aangemerkt als niet door eigen toedoen te zijn
verleend.
Artikel 123a
1.Aan de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge
van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, kan door de
bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 112, eerste of tweede lid, in
afwijking van artikel 121, derde lid, onderdeel a, ontslag worden
verleend, indien hij zonder deugdelijke grond weigert:
a. gevolg te geven aan door Onze Minister of een door Onze
Minister aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften mee
te werken aan door Onze Minister of een door Onze Minister
aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te
stellen de eigen of andere passende arbeid als bedoeld in artikel
54a, onderdeel j, te verrichten,
b. passende arbeid als bedoeld in artikel 54a, onderdeel j, te
verrichten waartoe Onze Minister hem in de gelegenheid stelt, dan
wel
c. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a,
tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
2.Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in
het eerste lid, wint Onze Minister een hierop betrekking hebbend
advies van de UWV, bedoeld in artikel 54a, onderdeel i, in en neemt
dit mede in beschouwing.
Artikel 124. Ontslag op andere gronden
1.Aan de ambtenaar in vaste dienst kan ook op andere gronden dan
die in artikel 121 zijn geregeld of waarnaar in dat artikel wordt
verwezen, ontslag worden gegeven. Het ontslag wordt eervol verleend.
2.In geval van ontslag ingevolge het eerste lid wordt door de
bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 112, eerste of tweede lid, een
voorziening getroffen waarbij de ambtenaar een uitkering wordt
verleend, die, naar het oordeel van dat bevoegd gezag, met het oog op
de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering is ten minste
gelijk aan het totaalbedrag van de uitkeringen berekend op basis van
de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij
werkloosheid voor de sector Defensie
3.Indien de ambtenaar terzake van zijn ontslag ingevolge het eerste
lid recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector
Defensie, wordt de in het tweede lid bedoelde uitkering met die
uitkering verminderd.
Artikel 125 [Vervallen per 22-06-2001]
Artikel 126 [Vervallen per 22-06-2001]
Artikel 127. Uitkering na overlijden
1.De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan
tot en met de dag van overlijden. Artikel 30dd en artikel 34, eerste
lid, worden voorts overeenkomstig toegepast.
2.Met inachtneming van het bepaalde in het vijfde lid wordt zo
spoedig mogelijk na het overlijden aan de weduwe, van wie de overleden
ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd
gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden. Als
maatstaf bij de berekening van het in de vorige volzin bedoelde bedrag
geldt, behoudens het hierna bepaalde, de bezoldiging, welke de
ambtenaar op de dag van het overlijden genoot of zou hebben genoten
met in acht neming van het bepaalde in artikel 59a.
De uitkering wordt vermeerderd met een bedrag gelijk aan drie maal
dat van de vakantie-uitkering over een maand berekend op de voet van
het bepaalde in het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren
defensie, naar de bezoldiging die de ambtenaar in de maand van het
overlijden zou hebben genoten. Indien de ambtenaar in het genot was
van een toelage als bedoeld in artikel 15, dan wel artikel 18 van
eerdervermeld besluit, wordt het gedeelte van de in de eerste volzin
genoemde uitkering dat betrekking heeft op bovenbedoelde toelagen
gesteld op het bedrag dat de overleden ambtenaar in de drie
kalendermaanden voorafgaand aan de dag van het overlijden aan zodanige
toelagen is toegekend.
Bij ontstentenis van een weduwe, van wie de overledene niet
duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve van de
minderjarige kinderen. Onder kinderen in de zin van dit artikel worden
mede verstaan natuurlijke kinderen, waarover de overledene de
pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan
de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het
een eigen kind, onafhankelijk van enige veplichting daartoe of van het
genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen
dan geschiedt de uitkering aan degenene die geheel of grotendeels
afhankelijk waren van de bezoldiging van de ambtenaar.
3.Indien de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het tweede
lid nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door Onze Minister geheel of
ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de
laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de
overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
4.Voor de toepassing van dit artikel wordt, indien de ambtenaar op
de dag van zijn overlijden wegens ziekte of ongeval verhinderd was
zijn dienst te verrichten, onder bezoldiging verstaan hetgeen
daaronder voor de toepassing van hoofdstuk 6 wordt verstaan.
5.Op het bedrag bedoeld in het tweede lid, worden in mindering
gebracht een uitkering overeenkomstig 35 en 36 van de Ziektewet,
artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel
6 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de
sector Defensie en naar aard en strekking daarmee overeenkomende
uitkeringen, voorzover deze daadwerkelijk geschieden.
Artikel 127a. Aanspraken bij overlijden
1.Indien een ambtenaar in Nederland overlijdt terwijl hij om
redenen van dienst buiten zijn woonplaats verbleef worden aan de
nabestaanden de kosten vergoed van het doen overbrengen van het
stoffelijk overschot naar een plaats van keuze in Nederland.
2.Indien een ambtenaar overlijdt en het overlijden verband houdt
met het verrichten van zijn arbeid, wordt aan de nabestaanden een
tegemoetkoming in de kosten van lijkbezorging verleend tot maximaal
€ 5 000.
3.Indien een ambtenaar overlijdt ten gevolge van een vliegongeval
tijdens een dienstreis als bedoeld in artikel 1, onder d, van het
Besluit dienstreizen defensie, per militair luchttransport, wordt aan
de nabestaanden een som ineens ten bedrage van € 15 000 toegekend.
4.Voor zover Onze Minister niet anders bepaalt, is dit artikel niet
van toepassing in buitengewone omstandigheden.
Artikel 128. Gebruik ambts- of dienstwoning door achterblijvende
gezinsleden
1.Gedurende de maand van het overlijden en de volgende drie maanden
behouden de achterblijvende gezinsleden het gebruik der ambts- of
dienstwoning, waarin zij met de ambtenaar woonden. Daarvan kan echter
worden afgeweken als Onze Minister dat in het belang van de dienst
noodzakelijk acht. Alsdan wordt door Onze Minister naar billijkheid
een schadevergoeding gegeven.
2.Bij vrijwillig verlaten van de ambts- of dienstwoning binnen de
termijn, gedurende welke de woning nog mag worden gebruikt kan Onze
Minister te zijner beoordeling een vergoeding geven.
Artikel 129. Vergoeding gebruik ambts- of dienstwoning na overlijden
ambtenaar
Indien door de ambtenaar voor het gebruik der ambts- of dienstwoning
een vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden
deze over de tijd gedurende welke zij het gebruik dier woning behouden.
Artikel 130. Vermissing van de ambtenaar
1.Bij vermissing van de ambtenaar vinden, behoudens het bepaalde in
het tweede lid, de bepalingen van de artikelen 127 tot en met 129
overeenkomstig toepassing. De ambtenaar wordt daarbij geacht te zijn
overleden op een door Onze Minister te bepalen dag.
2.Het bepaalde in het tweede lid van artikel 127 vindt geen
toepassing indien gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het
gevolg is van ongeoorloofde afwezigheid.
3.Indien blijkt dat de als vermist beschouwde ambtenaar in leven
is, kan ter beoordeling van Onze Minister de bezoldiging alsnog worden
uitbetaald, tenzij gegronde vermoedens bestaan dat de vermissing het
gevolg was van ongeoorloofde afwezigheid.
4.Indien uit hoofde van de vermissing van de ambtenaar pensioen of
enige andere uitkering voortvloeiende uit zijn ambtelijke
rechtspositieregeling is toegekend over het tijdvak waarover naar het
oordeel van Onze Minister aanspraak bestaat op bezoldiging, wordt die
bezoldiging verminderd met de over dat tijdvak aldus uitbetaalde
bedragen.
5.De bezoldiging waarop de ambtenaar ingevolge het derde en vierde
lid aanspraak heeft, kan aan anderen dan de ambtenaar worden
uitbetaald.
Hoofdstuk 11
Artikel 131 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 132 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 133 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 134 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 135 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 136 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 137 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 138 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 139 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 140 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 141 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 142 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 143 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 144 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 145 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 146 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 147 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 148 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 149 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 150 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 151 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 152 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 153 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 154 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 155 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 156 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 157 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 158 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 159 [Vervallen per 27-08-1999]
Artikel 160 [Vervallen per 27-08-1999]
Hoofdstuk 12. Rechtspositie deelnemers aan initiële opleidingen en
assistent- en basisberoepsopleidingen in de zin van de Wet educatie en
beroepsonderwijs
Artikel 161. Opleiding
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. opleiding:
de assistentopleiding en de basisberoepsopleiding, bedoeld in
artikel 7.2.2, eerste lid, onder a en b, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs;
b. deelnemer:
de ambtenaar die minder dan twaalf maanden achtereen is bezoldigd
volgens het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie en die
deelneemt aan de opleiding.
Artikel 162
In de akte van aanstelling van de deelnemer wordt opgenomen hoeveel
uren van de wekelijkse arbeidsuur waarvoor hij is aangesteld is bestemd
voor het verrichten van arbeid, alsmede het aantal uren dat is bestemd
voor het volgen van de opleiding.
Artikel 163
In de akte van aanstelling van de ambtenaar die een opleiding dient
te volgen, wordt vermeld voor hoeveel uren het dienstverband wordt
aangegaan, hoeveel uren daarvan als arbeidsduur gelden en hoeveel uren
voor het volgen van de opleiding zijn bestemd.
Artikel 164
1.De in verband met de opleiding te maken directe kosten worden
integraal door het Ministerie van Defensie vergoed.
2.De artikelen 86 en 94 van dit besluit zijn niet van toepassing op
de deelnemer.
Artikel 165 [Vervallen per 07-12-1994]
Artikel 166
Aan de deelnemer wordt voor de uren die zijn bestemd voor het volgen
van de opleiding een salaris in de zin van het Inkomstenbesluit
burgerlijke ambtenaren defensie toegekend.
Artikel 167 [Vervallen per 07-12-1994]
Hoofdstuk 13. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 168. Nadere algemene voorschriften
Voor zoveel voor ambtenaren nadere regels ter uitwerking of
aanvulling van de bepalingen van dit besluit worden vereist, worden
zodanige regels door Onze Minister vastgesteld.
Artikel 168a. Mandaatverlening
Van de bevoegdheid tot het vaststellen van ministeriële regelingen
als bedoeld in de hoofdstukken 4, 5 en 7 kan mandaat worden verleend aan
de hoofddirecteur personeel van het Ministerie van Defensie.
Artikel 169
1.De ambtenaar in de zin van artikel 1 die is aangesteld op grond
van artikel 7, eerste respectievelijk tweede lid van het Algemeen
rijksambtenarenreglement wordt geacht met ingang van de datum van
inwerkingtreden van dit besluit te zijn aangesteld op grond van
artikel 8, eerste respectievelijk tweede lid van dit besluit.
2.De ambtenaar die bij koninklijk besluit in algemene dienst van
het Rijk is aangesteld op grond van artikel 7, vierde lid van het
Algemeen rijksambtenarenreglement en werkzaam is bij het Ministerie
van Defensie wordt geacht met ingang van de datum van inwerkingtreden
van dit besluit te zijn aangesteld bij het Ministerie van Defensie.
Artikel 170
1.Voor zover op grond van de bepalingen van dit besluit nadere
regels moeten worden gegeven gelden na de inwerkingtreding van dit
besluit ten aanzien van de ambtenaar als genoemd in artikel 1 van dit
besluit de op basis van de overeenkomstige bepalingen van het Algemeen
rijksambtenarenreglement vastgestelde regels als nadere regels
berustende op dit besluit voor zover zij daarmede niet in strijd zijn.
Zij blijven gedurende één jaar na het inwerkingtreden van dit
besluit van toepassing op de in artikel 1 genoemde ambtenaar tenzij
Onze Minister anders bepaalt.
2.Besluiten ten aanzien van ambtenaren als genoemd in artikel 1 van
dit besluit, welke na 1 april 1993 op basis van het Algemeen
rijksambtenarenreglement zijn genomen worden geacht te zijn genomen op
basis van dit besluit.
Artikel 171
1.Voor de ambtenaar die op datum van inwerkingtreding van dit
besluit in dienst is bij het Ministerie van Defensie, wordt de tijd
dat hij aangesteld is geweest bij een onderdeel van de sector Rijk
meegeteld voor het bepaalde in artikel 7, tweede lid, onder e en g.
Artikel 171a. Overgangsbepaling functioneel leeftijdsontslag
1.Voor de ambtenaar die op 1 januari 2006 was geplaatst op een
functie als:
a. verpleegkundige, in hoofdzaak werkzaam bij het
ambulancevervoer van patiënten;
b. ambtenaar van de brandweer belast met de actieve deelname
aan de repressieve brandbestrijding;
c. burgerverkeersleider bij de Koninklijke luchtmacht;
d. bootsman, matroos of tweede machinist aan boord van een
zeesleper of een haven- of kustsleper van de Rijks Havendienst,
geldt een leeftijdsgrens indien hij de leeftijd van vijfenvijftig
jaar bereikt:
1°. in het jaar 2010, van vijfenvijftig jaar en drie
maanden;
2°. in het jaar 2011, van vijfenvijftig jaar en zes
maanden;
3°. in het jaar 2012, van vijfenvijftig jaar en negen
maanden;
4°. in het jaar 2013, van zesenvijftig jaar;
5°. in het jaar 2014, van zesenvijftig jaar en drie
maanden;
6°. in het jaar 2015, van zesenvijftig jaar en zes
maanden;
7°. in het jaar 2016, van zevenenvijftig jaar;
8°. in het jaar 2017, van zevenenvijftig jaar en zes
maanden;
9°. in het jaar 2018, van achtenvijftig jaar;
10°. in het jaar 2019, van achtenvijftig jaar en zes
maanden;
11°. in het jaar 2020, van negenenvijftig jaar;
12°. in het jaar 2021, van negenenvijftig jaar en zes
maanden;
13°. in het jaar 2022 van zestig jaar.
2.Voor de ambtenaar die op 1 januari 2006 was geplaatst op een
functie:
a. die in hoofdzaak bestaat uit de daadwerkelijke verpleging
van lichamelijk en geestelijk zieken. Hieronder worden
medebegrepen de niet-gekwalificeerde functionarissen die in de
daadwerkelijke verpleging werkzaam zijn;
b. als directrice of adjunct-directrice van een inrichting voor
verpleging van zieken;
c. als commandant van de brandweer die op grond van de
organisatie van deze dienst tijdens een brand door één of
meerdere officieren wordt bijgestaan;
d. bij het geüniformeerd burgerpersoneel van het Marine
Bewakings Korps of als de bediende aan boord van een
zeeloodsvaartuig;
e. in nader door Onze Minister aan te wijzen functies in de
operationele sector bij de Militaire Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst;
f. belast met de interceptie (verwerven en verwerken) van
bijzonder verbindings- en berichtenverkeer ten behoeve van
veiligheidsdoeleinden, dan wel (tevens) rechtstreeks met de
leiding daarvan;
g. als kapitein of eerste machinist aan boord van een zeesleper
of een haven- of kustsleper van de Rijks Havendienst;
h. aan boord van de tanker of de transportvaartuigen van de
Rijks Havendienst;
i. aan boord van een schip van de Hydrografische Dienst;
j. bij het burgerbewakingspersoneel van het Joint Operations
Centre;
k. als bewaker-hondengeleider of bewaker-hondengeleider-portier
bij het burgerbewakingspersoneel van de Koninklijke landmacht,
voor zover belast met de continubewaking van afgelegen objecten
onder verzwarende terreinomstandigheden, geldt een leefijdsgrens
indien hij de leeftijd van zestig jaar bereikt:
1°. in het jaar 2010, van zestig jaar en twee maanden;
2°. in het jaar 2011, van zestig jaar en vier maanden;
3°. in het jaar 2012, van zestig jaar en vijf maanden;
4°. in het jaar 2013, van zestig jaar en zeven maanden;
5°. in het jaar 2014, van zestig jaar en tien maanden;
6°. in het jaar 2015, van één en zestig jaar;
7°. in het jaar 2016, van één en zestig jaar en drie
maanden;
8°. in het jaar 2017, van één en zestig jaar en vijf
maanden;
9°. in het jaar 2018, van één en zestig jaar en negen
maanden;
10°. in het jaar 2019, van één en zestig jaar en elf
maanden;
11°. in het jaar 2020, 2021 of 2022, van tweeënzestig
jaar.
3.Aan de ambtenaar bedoeld in het eerste of tweede lid kan eervol
ontslag worden verleend met ingang van de eerste van de maand,
volgende op die waarin de voor de ambtenaar geldende leeftijdsgrens
wordt bereikt. Dit ontslag wordt aangemerkt als een ontslag als
bedoeld in artikel 114, eerste lid, indien wordt voldaan aan de daar
bedoelde voorwaarden.
4.Het in het derde lid bedoelde ontslag kan op aanvraag of met
instemming van de ambtenaar voor de duur van ten hoogste één jaar
worden opgeschort indien dit door het bevoegde gezag in het belang van
de dienst wordt geacht en de ambtenaar blijkens de uitslag van een
onderzoek door de deskundige persoon of de arbodienst bedoeld in
artikel 54a, onderdeel b, lichamelijk en psychisch in staat kan worden
geacht zijn functie te blijven waarnemen. De opschorting kan op
gelijke voet telkenmale voor één jaar worden verlengd. Niettemin kan
aan de ambtenaar, die tussentijds blijkens de uitslag van een
bedrijfsgeneeskundig onderzoek ongeschikt is geworden voor de verdere
waarneming van zijn functie, eervol ontslag worden verleend met ingang
van de eerste van de maand, volgende op die waarin de uitslag van het
geneeskundig onderzoek te zijner kennis is gebracht.
5.De ambtenaar bedoeld in het eerste of tweede lid voor wie tijdens
de periode gelegen na het vijfenvijftigste levensjaar op basis van een
individuele afweging het voortzetten van de uitoefening van zijn
functie leidt tot een te grote fysieke belasting, wordt een passende
functie opgedragen, bij voorkeur in of in de nabijheid van zijn
standplaats, met behoud van het uitzicht op functioneel
leeftijdsontslag als bedoeld in het derde lid.
6.De ambtenaar, bedoeld in het eerste of tweede lid, die de
leeftijd van vijfenvijftig respectievelijk zestig jaar bereikt in het
jaar 2023 of later, wordt vóór het bereiken van de leeftijd van
zestig respectievelijk tweeënzestig jaar een andere functie dan
bedoeld in het eerste of tweede lid opgedragen. Indien dit niet
mogelijk blijkt, wordt ontslag verleend als bedoeld in het derde lid.
Artikel 172 [Vervallen per 02-08-2006]
Artikel 173. Toepasselijkheid Algemene Termijnenwet
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen in
dit besluit gesteld, met uitzondering van die, genoemd in de artikelen
11, eerste en tweede lid, 57, derde en vierde lid alsmede in hoofdstuk
11.
Artikel 174. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 1 april 1993.
Artikel 175. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Burgerlijk ambtenarenreglement
defensie.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 25 juni 1993
BEATRIX
De Minister van Defensie,
A.L. ter
Beek
Uitgegeven de dertiende juli
1993
De Minister van Justitie,
E.M.H.
Hirsch Ballin
|