| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Ambtenarenwet (AW)
OVERGANGSREGELING
BEZOLDIGINGSBESLUIT BURGERLIJKE RIJKSAMBTENAREN 1984
Tekst zoals deze geldt op
29 januari 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 1 november 1983, tot vaststelling van regelen van
overgangsrecht met betrekking tot het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 25 mei
1983, nr. AB83/U578, Directoraat-Generaal voor
Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken,
Hoofdafdeling Financiële Arbeidsvoorwaarden;
Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet 1929 (Stb.
1929, 530);
De Raad van State gehoord (advies van 2 augustus 1983, nr.
W04.83.0322/10.3.30);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken,
van 25 oktober 1983, nr. AB83/1436, Directoraat-Generaal voor
Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken,
Hoofdafdeling Financiële Arbeidsvoorwaarden;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 treedt, met
inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gegeven regelen van
overgangsrecht, in werking met ingang van 1 januari 1984.
Artikel 2
Het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 (Stb.
J 261) is, behoudens het bepaalde bij of krachtens de volgende
artikelen, ingetrokken.
Artikel 3
Voor zover toepassing van het bepaalde in artikel 5, tweede en derde
lid van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 niet
kan geschieden met ingang van 1 januari 1984 zal zulks plaatsvinden
ingaande een later tijdstip, doch uiterlijk binnen vier jaren na
vorengenoemde datum.
Artikel 4
1. Voor zover en voor zolang aan het bepaalde in artikel 5,
tweede en derde lid van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984 geen toepassing is gegeven geldt voor de
ambtenaar voor wie op 31 december 1983 een salarisschaal geldt,
genoemd onder a van het hierna volgende schema, de daarnaast
onder b genoemde salarisschaal:
a. (salarisschalen opgenomen in de bijlagen AI en AII van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948)
b. (salarisschalen opgenomen in de bijlage B van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984)
schaal 1 schaal 1
schaal 3 schaal 2
schaal 18 schaal 3
schaal 32 schaal 4
schaal 43 schaal 5
schaal 44 schaal 5
schaal 45 schaal 5
schaal 46 schaal 5
schaal 47 schaal 5
schaal 56 schaal 6
schaal 57 schaal 6
schaal 58 schaal 6
schaal 68 schaal 7
schaal 69 schaal 7
schaal 70 schaal 7
schaal 71 schaal 7
schaal 72 schaal 7
schaal 73 schaal 7
schaal 86 schaal 8
schaal 87 schaal 8
schaal 87a schaal 8
schaal 88 schaal 8
schaal 89 schaal 8
schaal 90 schaal 8
schaal 98 schaal 9
schaal 99 schaal 9
schaal 101 schaal 9
schaal 102 schaal 9
schaal 103 schaal 9
schaal 105 schaal 9
schaal 111 schaal 10
schaal 112 schaal 10
schaal 113 schaal 10
schaal 114 schaal 10
schaal 115 schaal 10
schaal 128 schaal 11
schaal 130 schaal 11
schaal 131 schaal 11
schaal 148 schaal 12
schaal 149 schaal 13
schaal 150 schaal 14
schaal 151 schaal 15
schaal 152 schaal 16
schaal 153 schaal 17
schaal 154 schaal 18
2. Het salaris van de ambtenaar wordt in de nieuwe schaal
vastgesteld op het bedrag dat gelijk is aan het salaris dat voor hem op
1 januari 1984 in de oude schaal zou hebben gegolden. Het tijdstip
waarop het salaris van de ambtenaar periodiek wordt verhoogd blijft als
gevolg van de overgang naar de nieuwe schaal onverlet.
3. Het salaris van de ambtenaar die op 1 januari 1984 voor de
toepassing van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948
als volwassene zou worden aangemerkt wordt, indien in de nieuwe schaal
een gelijk bedrag ontbreekt, vastgesteld op het op die datum voor hem
geldende bedrag, welk bedrag geacht wordt in de nieuwe schaal te zijn
opgenomen. In die gevallen waarin het salaris dat op genoemde datum in
de oude schaal voor de ambtenaar zou gelden minder bedraagt dan het
bedrag behorende bij salarisnummer 0 van de nieuwe schaal, wordt het
salaris op laatstbedoeld bedrag vastgesteld. Het tijdstip waarop het
salaris van de ambtenaar periodiek wordt verhoogd blijft als gevolg van
de overgang naar de nieuwe schaal onverlet, met dien verstande dat in
die gevallen waarin het salaris wordt vastgesteld op het bedrag
behorende bij salarisnummer 0 van de nieuwe schaal, het salaris voor de
eerste maal op 1 januari 1985 periodiek wordt verhoogd.
4. Het salaris van de ambtenaar die op 1 januari 1984 voor de
toepassing van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948
als niet-volwassene zou worden aangemerkt wordt, indien in de nieuwe
schaal een gelijk bedrag ontbreekt, vastgesteld op het bedrag in de
nieuwe schaal behorende bij het salarisnummer, bestaande uit de letter J
en het getal dat overeenkomt met zijn leeftijd. Het tijdstip waarop het
salaris van de ambtenaar periodiek wordt verhoogd blijft als gevolg van
de overgang naar de nieuwe schaal onverlet.
5. In afwijking van het bepaalde in artikel 7 van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 wordt het op grond
van de vorige leden geldende salaris van de ambtenaar voor wie een van
de oude schalen 70, 72, 73, 86, 87a of 90 gold, binnen de nieuwe
schaal jaarlijks verhoogd overeenkomstig het verloop van de oude schaal.
6. Binnen drie maanden na de datum van inwerkingtreding van dit
besluit wordt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar in kennis gesteld
van de salarisschaal, het salarisnummer of het voor hem geldende salaris
op grond van de eerste volzin van het derde lid en het tijdstip van de
eerstvolgende periodieke salarisverhoging, welke voor hem gelden.
Bovendien wordt de in het vijfde lid bedoelde ambtenaar binnen dezelfde
termijn in kennis gesteld van het verloop van de jaarlijkse
salarisverhogingen.
Artikel 5
1. Voor zover en voor zolang aan het bepaalde in artikel 5,
tweede en derde lid van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984 geen toepassing is gegeven blijven voor de
desbetreffende ambtenaren de schalen 35, 36, 38, 39, 40, 41, 42, 49,
50, 51, 52, 53, 55, 61, 62, 63, 64, 65, 67, 74, 74a, 76, 78,
81, 82, 83, 84, 91, 93, 96, 96a, 97, 106, 107, 108, 109, 118,
119, 121, 122, 122a, 123, 124, 127, 134, 135, 136, 138, 140,
141, 142, 145 en 147 van de bijlagen AI en AII van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 gehandhaafd en
worden deze schalen voor de toepassing van de overige bepalingen van
eerstgenoemd besluit geacht te zijn opgenomen in de bijlage B van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
2. De in het vorige lid genoemde schaal 93 blijft tevens
gehandhaafd voor de in het eerste lid van artikel 4 bedoelde ambtenaar
voor wie op 31 december 1983 schaal 70 geldt en die op genoemde datum
uitzicht heeft op bevordering naar schaal 93.
Artikel 6
1. Voor de ambtenaar die op 31 december 1983 was ingedeeld in
een salarisschaal opgenomen in de bijlagen BI en BII van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948, geldt de
daarmede overeenkomende salarisschaal opgenomen in de bijlage C van
het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
2. Het salaris van de ambtenaar wordt in de nieuwe schaal
vastgesteld op het bedrag dat gelijk is aan het salaris dat voor hem op
1 januari 1984 in de oude schaal zou hebben gegolden. Het tijdstip
waarop het salaris van de ambtenaar periodiek wordt verhoogd blijft als
gevolg van de overgang naar de nieuwe schaal onverlet.
3. Binnen drie maanden na de datum van inwerkingtreding van dit
besluit wordt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar in kennis gesteld
van de salarisschaal, het salarisnummer en het tijdstip van de
eerstvolgende periodieke salarisverhoging, welke voor hem gelden.
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-1989]
Artikel 8
Zolang de nadere regels als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van
het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 nog niet zijn
vastgesteld, geschiedt de toekenning van een toelage op grond van het
eerste lid van dat artikel op de wijze zoals is aangegeven in de leden 1
en 2 van artikel 40 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1948.
Artikel 9
Ten aanzien van de ambtenaar die op 31 december 1983 een
garantietoelage als bedoeld in artikel 20a van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 genoot en die
ambtenaar is in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb.
1979, 679) wordt voor de toepassing van het eerste lid van artikel 16
van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 het salaris
niet vermeerderd met 7,1%.
Artikel 10
Ten aanzien van de in het artikel 5 van dit besluit bedoelde
ambtenaren zijn de artikelen 17 en 23 van het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 van toepassing, voor zover voor hen een
salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris dan dat van schaal 11
van bijlage B van dat besluit.
Artikel 11
1. Regelen, tot stand gekomen door toepassing van artikel 23
van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948, alsmede
regelingen welke hiermede rechtstreeks verband houden, blijven van
kracht zolang en voor zover zij niet zijn ingetrokken of met
toepassing van artikel 26 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984 door andere zijn vervangen.
2. Bij overgang van een ambt, waaraan een regeling van
prestatiebeloning, als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948, is verbonden naar
een ambt waaraan geen prestatiebeloning is verbonden, wordt het bedrag
waarmede de tot dusver genoten bezoldiging de in het nieuwe ambt te
genieten bezoldiging te boven mocht gaan, als een toelage toegekend. Het
bepaalde in de tweede, vierde en vijfde volzin van het vijfde lid van
artikel 17 van genoemd besluit blijft van kracht.
Artikel 12
1. Regelingen, gegrond op of vastgesteld met toepassing van de
artikelen 22a , vierde lid, 24, vierde lid, 25, vierde lid, 26,
eerste lid, en 42 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1948, blijven gedurende ten hoogste twee jaren na de
inwerkingtreding van dit besluit van kracht zolang en voor zover zij
niet zijn ingetrokken of vervallen.
2. Salarissen en toelagen, toegekend op grond van regelingen,
vastgesteld met toepassing van artikel 42 van het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 worden voor zover zij zijn aan te
merken als wedde in de zin van dat besluit, voor de toepassing van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 aangemerkt als
bezoldiging in de zin van artikel 2, sub f, van laatstgenoemd
besluit.
Artikel 13
1. Toelagen, toegekend op grond van artikel 17, vijfde lid, van
het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 blijven
gehandhaafd, met dien verstande dat het bepaalde in de vijfde volzin
van het vijfde lid van genoemd artikel van kracht blijft.
2. Toelagen, toegekend op grond van de artikelen 18 en 19a van
het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 blijven
gedurende ten hoogste twee jaren na de inwerkingtreding van dit besluit
gehandhaafd zolang en voor zover zij niet zijn ingetrokken dan wel op
grond van een der artikelen 13 of 19 van het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 opnieuw zijn vastgesteld.
3. Toelagen, toegekend op grond van artikel 19 van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948, alsmede de
toelagen en salarisverhogingen genoemd in voetnoten in de bijlagen A en
B van dat besluit blijven gehandhaafd tot het tijdstip waarop een
salarisschaal gaat gelden met een hoger maximum-salaris dan dat van de
voor de desbetreffende ambtenaar geldende salarisschaal.
4. De in de voorgaande leden bedoelde toelagen worden voor de
toepassing van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984
aangemerkt als bezoldiging in de zin van artikel 2, sub f, van dat
besluit.
5. Voor zover een algemene wijziging van het salaris van het
burgerlijk rijkspersoneel aanleiding geeft tot het wijzigen van de
bedragen van de in het derde lid bedoelde toelagen, toegekend op grond
van artikel 19 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren
1948, geschiedt dit door Onze Minister wie het aangaat, met inachtneming
van de daarvoor door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties gegeven richtlijn.
Artikel 14
1. De hoofdstukken VII en IX van de bijlage G van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 blijven van
kracht zolang en voor zover zij niet worden vervangen of ingetrokken.
2. In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk II van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 wordt het salaris
van de leerkrachten aan inrichtingen voor militair onderwijs als bedoeld
in hoofdstuk IX van de bijlage G van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1948 vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in
laatstbedoeld hoofdstuk.
Artikel 15 [Vervallen per 01-04-1993]
Artikel 16
Bevorderingen en toelagen, voor zover die betrekking hebben op een
tijdvak, gelegen vóór 1 januari 1984, en die op deze datum nog niet
tot stand zijn gekomen, kunnen tot 1 januari 1986 tot stand worden
gebracht op grond van de desbetreffende bepalingen van het BBRA 1948,
met inachtneming van de daarmee samenhangende nadere regels.
Artikel 17
Zolang Ons Besluit van 17 maart 1982 (Stb. nr. 94) niet is
vervallen of ingetrokken, vindt de toepassing van artikel 21 van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 plaats met
inachtneming van de bepalingen van het eerstgenoemde besluit, zoals dit
laatstelijk is gewijzigd.
Artikel 18
Dit besluit kan worden aangehaald als: Overgangsregeling
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
Artikel 19
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1984.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van
State en aan de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 1 november 1983
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Rietkerk
Uitgegeven de negenentwintigste november 1983
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|