BESLUIT van 4 februari 1994, houdende regeling van de wijze waarop
met de daarvoor in aanmerking komende organisaties van overheids- en
onderwijspersoneel overleg wordt gevoerd over aangelegenheden van
algemeen belang voor de rechtstoestand van het personeel van
instellingen voor onderwijs en onderzoek
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van 15
juli 1993, nr. 93044110, Aspectdirectie Arbeidsvoorwaardenbeleid en
Beroepskwaliteit;
Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet 1929, artikel
4a, eerste lid, van de Experimentenwet onderwijs, artikel 61,
eerste lid, van de Wet op de onderwijsverzorging, artikel 43 van de Wet
op het basisonderwijs, artikel 52 van de Interimwet op het speciaal
onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, artikel 40, eerste lid,
van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 9, tweede lid, van de
Kaderwet volwasseneneducatie 1991, de artikelen 2.51, eerste lid, en
2.59 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, artikel 4.3, eerste
lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en
artikel 14 van de Wet op de Nederlandse organisatie voor
wetenschappelijk onderzoek;
De Raad van State gehoord (advies van 17 november 1993, nr.
W05.93.0442);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs en
Wetenschappen, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij, van 28 januari 1994, nr. 94000858, Aspectdirectie
Arbeidsvoorwaardenbeleid en Beroepskwaliteit;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Overlegbesluit onderwijspersoneel
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen en, voor zover het betreft het landbouwonderwijs, Onze
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
b. Sectorcommissie: de commissie, bedoeld in artikel 2, eerste
lid;
c. de voorzitter SCOP: de voorzitter van het overleg met de
Sectorcommissie;
d. afdelingen: de afdelingen van de Sectorcommissie, bedoeld in
artikel 7;
e. werkgroepen: de werkgroepen van de Sectorcommissie, bedoeld in
artikel 7;
f. Werkgeversoverleg: het overleg, bedoeld in artikel 23, eerste
lid;
g. instellingen:
1. instellingen als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het
Kaderbesluit rechtspositie PO;
2. [vervallen;]
3. [vervallen;]
4. instellingen die krachtens artikel 2, eerste lid, van de
Experimentenwet onderwijs uit de openbare kas worden bekostigd;
h. onderwijspersoneel: het aan de instellingen, bedoeld onder g,
verbonden personeel;
i. Advies- en Arbitragecommissie: de Advies- en
Arbitragecommissie, bedoeld in artikel 16.
2. De Sectorcommissie Onderwijspersoneel
Artikel 2. De Sectorcommissie, taak en bevoegdheden
1. Er is een Sectorcommissie Onderwijspersoneel voor overleg in
zaken betreffende de rechtspositie van het personeel werkzaam bij
instellingen.
2. Zij ressorteert onder Onze Minister.
3. Met de Sectorcommissie wordt door of namens Onze Minister met
betrekking tot het personeel van instellingen als bedoeld in artikel 1,
onderdeel g, onder 1 en 4, overleg gepleegd over:
a. de algemene salarisontwikkeling,
b. de mutaties in de algemene arbeidsduur,
c. de mutaties in algemeen aanvullende aanspraken met betrekking
tot ziekte en werkloosheid voor zover die uitgaan boven de wettelijke
aanspraken van de werknemersverzekeringen,
d. de overige arbeidsvoorwaarden, waarover partijen afspraken
hebben gemaakt of willen maken.
4. Met betrekking tot onderwerpen als bedoeld in het vierde lid
onder a, b en c, is artikel 11 van toepassing. Artikel 11 is niet van
toepassing met betrekking tot onderwerpen als bedoeld in het vierde lid
onder d.
5. Het derde lid blijft buiten toepassing ten aanzien van:
a. aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van
al het overheidspersoneel waaromtrent overleg als bedoeld in de
Regeling overleg Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid is gevoerd
met de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid, welke aangelegenheden
mede van algemeen belang zijn voor de rechtstoestand van het
onderwijspersoneel, tenzij in het overleg over deze aangelegenheden is
voorzien in een bevoegdheid om aanvullende of afwijkende voorzieningen
te treffen ten behoeve van het onderwijspersoneel;
b. aangelegenheden als bedoeld onder a, zolang het overleg met de
Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid nog niet heeft plaatsgevonden,
tenzij het aangelegenheden betreft waaromtrent Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid zijn overeengekomen dat het overleg
dienaangaande voor de sector Onderwijs en Wetenschappen met de
Sectorcommissie gevoerd zal worden.
Artikel 3. Samenstelling van de Sectorcommissie
1. De Sectorcommissie bestaat uit vertegenwoordigers van de
volgende centrales: de Algemene Centrale van Overheidspersoneel, de
Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijspersoneel, het
Ambtenarencentrum en de Centrale van Middelbare en Hogere
Functionarissen bij Overheid en Onderwijs, Bedrijven en Instellingen.
Elk van deze centrales is bevoegd vier leden en vier plaatsvervangende
leden aan te wijzen.
2. Van overeenkomstig het eerste lid gedane aanwijzingen doen de
centrales mededeling aan Onze Minister en aan de voorzitter SCOP.
Artikel 4. De voorzitter van het overleg
1. Het overleg met de Sectorcommissie staat onder leiding van
de voorzitter SCOP, die door Onze Minister wordt aangewezen en die hem
vertegenwoordigt.
Onze Minister kan één of meer plaatsvervangende voorzitters
aanwijzen.
2. De voorzitter SCOP kan bij het overleg terzijde worden gestaan
door adviseurs die door Onze Minister zijn aangewezen.
De Sectorcommissie stelt haar
standpunt vast over de haar voorgelegde dan wel op haar verzoek in het
overleg behandelde aangelegenheden.
2. Over aangelegenheden waarover Onze Minister overleg voert met
het Werkgeversoverleg, geeft de Sectorcommissie haar standpunt na
afronding van het overleg met het Werkgeversoverleg. De Sectorcommissie
is bevoegd om haar moverende redenen van de eerste volzin af te wijken.
3. Het standpunt van de Sectorcommissie wordt bepaald bij
eenvoudige meerderheid van stemmen. Elke centrale brengt één stem uit.
4. Voor zover omtrent enig onderwerp in de Sectorcommissie een
minderheidsstandpunt blijkt, wordt hiervan in de in artikel 21, eerste
lid, bedoelde kennisgeving mededeling gedaan, alsook van de
overwegingen, waarmee de onderscheidene standpunten zijn ondersteund.
5. Een afdeling of werkgroep stelt haar standpunt vast over de
haar voorgelegde in het overleg behandelde aangelegenheden. Het tweede
tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
6. De voorzitter SCOP brengt het standpunt van de afdeling of
werkgroep schriftelijk ter kennis van de leden en plaatsvervangende
leden van de Sectorcommissie.
Artikel 11. Gevolgen van het overleg
1. Voorstellen in aangelegenheden waarover ingevolge artikel 2
overleg moet worden gepleegd en waaromtrent in het overleg geen
overeenstemming is bereikt met de meerderheid van de centrales, worden
niet ten uitvoer gelegd, voor zover het betreft:
a. voorstellen met betrekking tot de bestemming van gelden die in
het overleg met Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid ten behoeve
van de arbeidsvoorwaarden voor het onderwijspersoneel beschikbaar zijn
gesteld;
b. voorstellen strekkende tot invoering of wijziging van een
regeling met rechten of verplichtingen van individuele leden van het
onderwijspersoneel.
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van
toepassing op voorstellen strekkende tot:
a. invoering of wijziging van een wettelijke regeling die
betrekking heeft op alle burgers of alle werknemers, waaronder
begrepen het onderwijspersoneel;
b. invoering of wijziging van een wettelijke regeling voor het
onderwijspersoneel met een overeenkomstige inhoud als een voorstel tot
invoering of wijziging van een wettelijke regeling die betrekking
heeft op werknemers die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in
artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn;
c. van toepassing verklaring op het onderwijspersoneel van een
wettelijke regeling die betrekking heeft op werknemers die krachtens
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn en met die van toepassing verklaring
samenhangende wijzigingen in voor het onderwijspersoneel geldende
regelingen, een en ander mits het totaal van rechten en verplichtingen
van dat personeel over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt;
d. implementatie van verplichtingen voortvloeiend uit een
internationaal verdrag.
3. Indien na toepassing van artikel 10, derde of vijfde lid, en,
in voorkomende gevallen, de artikelen 13 en 14, eerste en derde of
tweede en derde lid, blijkt dat in het overleg over een voorstel als
bedoeld in het eerste lid de stemmen tussen de centrales staken en de
deelnemers aan het overleg geen gebruik maken van de mogelijkheid om een
advies of een arbitrale uitspraak als bedoeld in artikel 16, eerste lid,
te vragen, kan Onze Minister, in afwijking van het eerste lid, besluiten
dat het voorstel ten uitvoer zal worden gebracht. Ten aanzien van dat
besluit is artikel 21, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Geschillenregeling
Artikel 12. Algemene bepaling
Deze paragraaf is van toepassing op in het overleg met de
Sectorcommissie gerezen geschillen inzake aangelegenheden die in
overeenstemming met artikel 2 aan de Sectorcommissie zijn voorgelegd,
waaronder begrepen geschillen inzake de toepassing van artikel 2 en
artikel 11, eerste en tweede lid.
Artikel 13. Geen overeenstemming
1. Indien de voorzitter SCOP dan wel één of meer van de
centrales, tijdens het overleg in de Sectorcommissie, tot het oordeel
komen dat het overleg niet tot een uitkomst zal leiden die de
instemming van alle deelnemers aan dat overleg zal hebben, brengen zij
dat oordeel binnen drie dagen nadat zij daarvan in het overleg blijk
hebben gegeven schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan
het overleg.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de
voorzitter van een afdeling of één of meer van de centrales, tijdens
het overleg in deze afdeling over een onderwerp dat ter afhandeling naar
deze afdeling is verwezen, tot het in het eerste lid bedoelde oordeel
komen. De centrale, de centrales of de voorzitter die het betreft,
brengen het in het eerste lid bedoelde oordeel binnen de in dat lid
gestelde termijn tevens schriftelijk ter kennis van de voorzitter SCOP.
Artikel 14. Buitengewone vergadering
1. Binnen vijf dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 13,
eerste lid, schrijft de voorzitter die het aangaat een buitengewone
vergadering uit van het overlegorgaan waarin het geschil is gerezen.
De vergadering moet worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is
uitgeschreven.
2. Binnen vijf dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 13,
tweede lid, schrijft de voorzitter SCOP een buitengewone vergadering uit
van de Sectorcommissie. De vergadering moet worden gehouden binnen zeven
dagen nadat deze is uitgeschreven.
3. Tenzij door de desbetreffende voorzitter en de centrales wordt
besloten het overleg voort te zetten, dan wel te beëindigen, wordt in
de vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat het
onderwerp en de inhoud van het geschil is.
4. Een in de Sectorcommissie gerezen geschil kan zowel door de
voorzitter SCOP als door de Sectorcommissie voor advies bij de Advies-
en Arbitragecommissie aanhangig worden gemaakt. Het geschil kan aan
arbitrage worden onderworpen, indien daarover overeenstemming bestaat
tussen alle deelnemers aan het overleg in de Sectorcommissie.
5. Een in de Sectorcommissie gerezen geschil over de vraag of bij
een voorstel als bedoeld in artikel 11, tweede lid, onder c, voldaan
wordt aan de voorwaarde dat het totaal van rechten en verplichtingen van
het onderwijspersoneel over het geheel beoordeeld niet ongunstiger
wordt, wordt onderworpen aan arbitrage.
Artikel 15. Procedures
1. Een verzoek om advies als bedoeld in artikel 14, vierde lid,
wordt binnen drie dagen na een buitengewone vergadering van de
Sectorcommissie als bedoeld in dat artikel, ter kennis gebracht van de
voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie. Het verzoek wordt
ondertekend door de deelnemers aan het overleg in de Sectorcommissie
die zich voor inwinning van advies hebben uitgesproken en bevat
tenminste het onderwerp en de inhoud van het geschil.
2. Indien in een vergadering als bedoeld in het eerste lid geen
overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg in de
Sectorcommissie over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het
geschil is, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie op
het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen drie dagen na
eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de Advies-
en Arbitragecommissie.
3. De eerste volzin van het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van het onderwerpen van het geschil aan een
arbitrale uitspraak. Het verzoek daartoe wordt ondertekend door alle
deelnemers aan het overleg in de Sectorcommissie en dient tenminste te
bevatten:
a. het onderwerp en de inhoud van het geschil;
b. de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent
onderwerp en inhoud van het geschil.
Artikel 16. Advies- en Arbitragecommissie
1. Geschillen welke ingevolge artikel 13, 14 en 15 voor het
inwinnen van advies in aanmerking komen dan wel aan arbitrage zijn
onderworpen, worden voorgelegd aan de Advies- en Arbitragecommissie.
2. Ten aanzien van de samenstelling van de Advies- en
Arbitragecommissie is artikel 110g van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat de Advies- en Arbitragecommissie voor de behandeling van
een in het overleg met de Sectorcommissie gerezen geschil wordt
uitgebreid met twee leden die worden benoemd door Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij. Van deze leden wordt één lid benoemd op voordracht van de
voorzitter SCOP en één lid op voordracht van de Sectorcommissie.
3. Uitgesloten van het lidmaatschap en plaatsvervangend
lidmaatschap zijn:
a. personen die lid dan wel plaatsvervangend lid zijn van de
Sectorcommissie of van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid;
b. personen die bestuurslid zijn van, dan wel werkzaam zijn bij een
centrale of een daarbij aangesloten vereniging;
c. personen die werkzaam zijn bij de ministeries en de daaronder
ressorterende instellingen, diensten en bedrijven, wier
onafhankelijkheid en onpartijdigheid op grond van hun dienstverband
door de deelnemers aan het overleg onvoldoende wordt geacht.
Deze personen zijn eveneens uitgesloten van het lidmaatschap of
plaatsvervangend lidmaatschap gedurende de periode van twee jaar na
beëindiging van het lidmaatschap onder a en b bedoeld,
alsmede na beëindiging van de werkzaamheden bedoeld onder b en c
.
Artikel 17. Werkwijze van de Advies- en Arbitragecommissie
Ten aanzien van de werkwijze van de Advies- en Arbitragecommissie is
artikel 110h van het Algemeen Rijksambtenarenreglement van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 18. Beslissing van de Advies- en Arbitragecommissie
1. De Advies- en Arbitragecommissie besluit bij meerderheid van
stemmen.
2. Het advies of de arbitrale uitspraak moet inhouden:
a. de namen van de deelnemers die het advies of de arbitrale
uitspraak hebben aangevraagd;
b. een overzicht van de standpunten van alle deelnemers over het
onderwerp en de inhoud van het geschil;
c. het advies dan wel de arbitrale uitspraak en de redenen die
daaraan ten grondslag liggen.
3. Het advies of de arbitrale uitspraak wordt gedagtekend en door
ieder der optredende leden van de Advies- en Arbitragecommissie
ondertekend.
Artikel 19. Verdere procedure
Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over
het geschil voortgezet.
Artikel 20. Bindende kracht
De arbitrale uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie heeft
bindende kracht.
§ 6. Nadere bepalingen
Artikel 21. Kennisgeving van de standpunten
1. De voorzitter SCOP brengt het standpunt van de
Sectorcommissie dan wel de afdeling waarnaar de Sectorcommissie een
onderwerp ter afhandeling heeft verwezen, schriftelijk, met het advies
van de werkgroep of werkgroepen en de Advies- en Arbitragecommissie,
in geval dit is uitgebracht, ter kennis van Onze Minister en van Onze
Ministers van Financiën en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
2. Van het besluit omtrent een onderwerp waarover de
Sectorcommissie haar standpunt heeft bepaald, wordt door Onze Minister
aan de voorzitter SCOP schriftelijk mededeling gedaan. Indien wordt
afgeweken van het meerderheidsstandpunt van de commissie, worden tevens
de redenen van die afwijking vermeld.
3. De voorzitter SCOP doet van het in het tweede lid bedoelde
besluit en eventuele redenen van afwijking schriftelijk mededeling aan
de leden en plaatsvervangende leden van de Sectorcommissie en aan de
voorzitter, de leden en plaatsvervangende leden van de betrokken
afdelingen of werkgroepen.
Artikel 22. Orde in het overleg
1. In het overleg tussen de leden van de Sectorcommissie en de
voorzitter SCOP kan desgewenst een reglement van orde worden
vastgesteld.
2. Het overleg met de Sectorcommissie wordt gevoerd op een
plaats, dag en uur, door de voorzitter na overleg met de commissie te
bepalen.
3. Indien een lid van de Sectorcommissie, onder vermelding van
hetgeen hij behandeld wenst te zien, de voorzitter verzoekt daartoe een
vergadering uit te schrijven, belegt de voorzitter deze zo spoedig
mogelijk, doch uiterlijk een maand na ontvangst van het verzoek.
4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
op de afdelingen en werkgroepen.
HOOFDSTUK 2. HET WERKGEVERSOVERLEG
Artikel 23. Het Werkgeversoverleg, taak en bevoegdheden
1. Er is een Werkgeversoverleg voor overleg in zaken
betreffende de rechtspositie van het personeel werkzaam bij
instellingen.
2. Het Werkgeversoverleg ressorteert onder Onze Minister.
3. Met het Werkgeversoverleg wordt, voor zover de
werkgeversorganisatie daarbij belang heeft, door of namens Onze Minister
met betrekking tot het personeel van instellingen als bedoeld in artikel
1, onderdeel g, onder 1 en 4, overleg gepleegd over de onderwerpen
genoemd in artikel 33, tweede en vierde lid, van de Wet op het primair
onderwijs en artikel 33, tweede en vierde lid, van de Wet op de
expertisecentra.
4. Het overleg, bedoeld in het derde lid, is gericht op het
bereiken van overeenstemming en het wordt voorbereid in een werkgroep
van het Werkgeversoverleg aangeduid als het Technisch Informeel
Werkgeversoverleg.
5. De voorzitter en het Werkgeversoverleg kunnen gezamenlijk
besluiten dat het overleg, bedoeld in het derde lid, wordt gevoerd met
het Technisch Informeel Werkgeversoverleg. De voorzitter en het
Werkgeversoverleg bepalen daarbij onder welke voorwaarden dat overleg
wordt gevoerd.
Artikel 24. Samenstelling van het Werkgeversoverleg
1. Het Werkgeversoverleg bestaat uit vertegenwoordigers van de
Werkgeversvereniging Primair Onderwijs, die bevoegd is twee leden en
twee plaatsvervangende leden aan te wijzen.
2. Van een overeenkomstig het eerste lid gedane aanwijzing doet
de Werkgeversvereniging Primair Onderwijs mededeling aan Onze Minister
en de voorzitter van het Werkgeversoverleg.
Artikel 25. De voorzitter van het overleg
1. Het Werkgeversoverleg staat onder leiding van een
voorzitter, die door Onze Minister wordt aangewezen en die hem
vertegenwoordigt. Onze Minister kan één of meer plaatsvervangende
voorzitters aanwijzen.
2. De voorzitter kan bij het overleg terzijde worden gestaan door
adviseurs die door Onze Minister zijn aangewezen.
Artikel 25a. Het secretariaat
Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing
Artikel 25b. Standpuntbepaling
1. Het Werkgeversoverleg stelt zijn standpunt vast over de hem
voorgelegde dan wel op zijn verzoek in het overleg behandelde
aangelegenheden.
2. Over aangelegenheden waarover Onze Minister overleg voert met
de Sectorcommissie, geeft het Werkgeversoverleg zijn standpunt
voorafgaand aan de afronding van het overleg met die commissie.
3. Het standpunt van het Werkgeversoverleg wordt bepaald bij
eenvoudige meerderheid van stemmen. Elke in artikel 24 genoemde
organisatie brengt één stem uit.
4. Indien Onze Minister voornemens is om in het overleg met de
Sectorcommissie af te wijken van het standpunt van het Werkgeversoverleg
voert hij vooraf opnieuw overleg met het Werkgeversoverleg. Indien het
niet mogelijk is vooraf opnieuw overleg te voeren, informeert Onze
Minister het Werkgeversoverleg in elk geval zo spoedig mogelijk.
Artikel 25c. Reglement van orde
Artikel 22 is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
Artikel 26. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst,
en werkt terug tot en met 1 augustus 1992.
Artikel 27. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Overlegbesluit onderwijspersoneel.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 4 februari 1994
BEATRIX
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
J.M.M. Ritzen
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
P. Bukman
Uitgegeven de vierentwintigste februari 1994
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin