|
BESLUIT van 15 juni 1994, houdende regels inzake de rechtspositie van
burgemeesters
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken van 16 juli 1993, directoraat-generaal Openbaar
Bestuur, afdeling Kabinetszaken, nr. BK93/u1098;
Gelet op de artikelen 66, 73 en 79 van de
Gemeentewet en artikel 125 van de Ambtenarenwet 1929;
Gehoord gedeputeerde staten van de provincies;
Gehoord de Raad voor de gemeentefinanciën;
De Raad van State gehoord (advies van 8
februari 1994, nr. W04.93.0486);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken van 9 juni 1994, nr. BK94/410;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
b. bezoldiging: het bedrag per maand, waarop een burgemeester met
inachtneming van de artikelen 5 tot en met 14b en 17 van dit besluit
aanspraak kan maken;
c. het aantal inwoners van een gemeente: het aantal inwoners
volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar
gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari;
d. de commissaris: de commissaris van de Koning in de provincie
waarin de gemeente is gelegen;
e. gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van
de provincie waarin de gemeente is gelegen;
f. waarnemend burgemeester: degene die op grond van artikel 78
van de Gemeentewet door de commissaris is aangewezen om de
burgemeester te vervangen;
g. FPU-uitkering: de uitkering op grond van de Regeling flexibel
pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale
vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van
het Pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP, waarbij
onder de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel
wordt verstaan de overeenkomst die is aangegaan op grond van artikel
2 van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel en onder het
Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt verstaan
het reglement van die stichting dat is vastgesteld met inachtneming
van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet
privatisering ABP;
h. Advies- en Arbitragecommissie: de Advies- en
Arbitragecommissie, bedoeld in artikel 110g van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement.
Artikel 2 [Vervallen per 09-04-1997]
Artikel 3 [Vervallen per 06-09-1996]
Artikel 4 [Vervallen per 06-09-1996]
Bezoldiging
Artikel 5
1. De gemeenten worden ten behoeve van de
vaststelling van de bezoldiging van de burgemeester ingedeeld in
inwonersklassen overeenkomstig de volgende tabel:
|
Klasse |
Aantal inwoners |
|
1 |
Tot en met 8.000 |
|
2 |
8.001–14.000 |
|
3 |
14.001–24.000 |
|
4 |
24.001–40.000 |
|
5 |
40.001–60.000 |
|
6 |
60.001–100.000 |
|
7 |
100.001–150.000 |
|
8 |
150.001–375.000 |
|
9 |
375.001 en meer |
2. Indien in gemeenten het ambt van
burgemeester door dezelfde persoon wordt vervuld, worden deze
gemeenten voor de indeling in een inwonersklasse als één gemeente
aangemerkt waarbij de inwoners van de gemeenten worden samengeteld.
Artikel 6
1.Een gemeente gaat voor de toepassing van artikel 5 in verband met
de toeneming van het aantal inwoners over naar een hogere klasse met
ingang van het jaar waarin op 1 januari het aantal inwoners van die
gemeente de minimumgrens van de volgende klasse bereikt heeft en
blijkt dat zij die grens ook heeft bereikt op:
a. 1 januari van het volgende jaar;
b. de dag voorafgaande aan een wijziging van de gemeentelijke
indeling waarbij zij is betrokken.
2.Overgang van een gemeente naar een lagere klasse in verband met
de vermindering van het aantal inwoners vindt plaats met ingang van
het jaar waarin het aantal inwoners van de gemeente op 1 januari voor
de tweede achtereenvolgende maal beneden de minimumgrens van de
klasse, waarin de gemeente tot dusver ingedeeld was, gedaald is.
3.Voor gemeenten waarvan het aantal inwoners ten gevolge van
grenscorrectie of wijziging van de gemeentelijke indeling wijziging
heeft ondergaan, vindt de overgang naar een hogere of lagere klasse
plaats met ingang van de datum van de grenscorrectie of wijziging van
de gemeentelijke indeling. Hierbij geldt het aantal inwoners, zoals
dit voor de eerste maal na die datum met inachtneming van die
grenscorrectie of wijziging van de gemeentelijke indeling door het
Centraal Bureau voor de Statistiek wordt openbaar gemaakt.
4.Voor de eerste indeling van nieuwingestelde gemeenten vindt het
derde lid overeenkomstige toepassing.
Artikel 7
1.Op grond van bijzondere omstandigheden kunnen gedeputeerde
staten, de gemeenteraad gehoord, een gemeente voor de toepassing van
artikel 5 voor een bepaald tijdvak in een hogere klasse plaatsen dan
die, waartoe zij op grond van haar aantal inwoners behoort.
2.Gedeputeerde staten kunnen na afloop van het tijdvak, bedoeld in
het eerste lid, een nieuw tijdvak vaststellen.
3.Van het tot verhoging strekkende besluit doen gedeputeerde staten
onmiddellijk schriftelijk mededeling aan Onze Minister.
Artikel 8
1. De bezoldiging van de burgemeester wordt bepaald overeenkomstig
de tabel in bijlage I bij dit besluit.
2. De bezoldiging van de burgemeester van meer dan één gemeente
wordt bepaald overeenkomstig de tabel in bijlage I bij dit besluit met
dien verstande dat wordt uitgegaan van de bezoldiging behorende bij de
eerstvolgende hogere inwonersklasse.
3. Als de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk wijziging
ondergaat, worden de bedragen genoemd in de bijlage bij ministeriële
regeling overeenkomstig gewijzigd.
4. Indien aan het personeel in de sector Rijk een eenmalige
uitkering wordt toegekend, ontvangt de burgemeester een uitkering op
gelijke voet.
5. Onze Minister doet het Georganiseerd Overleg burgemeesters
mededeling indien het derde of vierde lid van toepassing is.
Artikel 9
De aanspraak op de bezoldiging begint op de dag dat de benoeming
ingaat en eindigt met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat of met
ingang van de dag volgend op die van het overlijden.
Artikel 10 [Vervallen per 09-04-1997]
Artikel 11
Indien een gemeente door toename van het aantal inwoners of op grond
van een besluit als bedoeld in artikel 7 wordt ingedeeld in een hogere
inwonersklasse, wordt de bezoldiging van de burgemeester overeenkomstig
de tabel inbijlage I aangepast.
Artikel 12
De overgang van een gemeente naar een lagere klasse als bedoeld in
artikel 6, tweede lid, is niet van invloed op de bezoldiging van de op
dat tijdstip in dienst zijnde burgemeester.
Artikel 13 [Vervallen per 23-12-2009]
Artikel 14
Wanneer dezelfde persoon burgemeester is van meer dan één gemeente
komen de bezoldiging en alle overige financiële aanspraken als bedoeld
in dit besluit, in verhouding tot het inwonertal naar boven afgerond op
een veelvoud van 100, ten laste van elke gemeente.
Artikel 14a
1. Een burgemeester die benoemd wordt tot burgemeester van een
andere gemeente, ontvangt indien die andere gemeente in een gelijke
inwonersklasse is geplaatst, een toelage op de bezoldiging.
2. De toelage komt ten laste van de gemeente en bedraagt:
a. gedurende het eerste en tweede jaar na de benoeming eenderde
van het verschil tussen de bezoldiging behorende bij de
inwonersklasse waarin de gemeente is ingedeeld en de bezoldiging
behorende bij de eerstvolgende hogere inkomensklasse;
b. gedurende het derde en vierde jaar na de benoeming tweederde
van het verschil tussen de bezoldiging behorende bij de
inwonersklasse waarin de gemeente is ingedeeld en de bezoldiging
behorende bij de eerstvolgende hogere inkomensklasse;
c. gedurende de volgende jaren het verschil tussen de
bezoldiging behorende bij de inwonersklasse waarin de gemeente is
ingedeeld en de bezoldiging behorende bij de eerstvolgende hogere
inkomensklasse.
3. De burgemeester behoudt aanspraak op de toelage zolang hij het
ambt vervult in een gemeente van een gelijke inwonersklasse als
bedoeld in het eerste lid.
4. Indien de burgemeester het ambt vervult in een gemeente als
bedoeld in artikel 7, behoudt hij de toelage na afloop van het
tijdvak, bedoeld in dat artikel.
5. De toelage wordt voor de toepassing van de artikelen 9, 11, 12,
15 en 15agerekend tot de bezoldiging.
Artikel 14b
1.De burgemeester heeft ten laste van het Rijk recht op een
aanvulling op de bezoldiging bij eervol ontslag wegens benoeming tot
burgemeester van een andere gemeente, indien daar een lagere
bezoldiging aan is verbonden.
2.De aanvulling bedraagt het verschil tussen de laatstgenoten
bezoldiging, aangepast volgens de algemene salariswijzigingen van het
personeel in de sector Rijk, en de bezoldiging, verbonden aan de
benoeming tot burgemeester in de andere gemeente.
Artikel 14c
1. Voor 1 april van elk jaar of binnen twee maanden na zijn
beëdiging verstrekt de burgemeester aan Onze Minister, dan wel een
door hem aangewezen instantie, een opgave van de neveninkomsten welke
hij verwacht over het desbetreffende kalenderjaar of gedeelte daarvan
te zullen genieten, dan wel een verklaring, dat hij verwacht niet meer
dan 14% van de bezoldiging op jaarbasis aan neveninkomsten over dat
jaar of een evenredig deel daarvan over het desbetreffende gedeelte
van dat jaar te zullen genieten.
2. Onze Minister, dan wel de door hem aangewezen instantie, deelt
het college van burgemeester en wethouders het bedrag van de
voorlopige aftrek op de bezoldiging mede en verstrekt een afschrift
daarvan aan de burgemeester.
3. De burgemeester kan een verklaring inzenden dat een opgave van
neveninkomsten achterwege zal blijven. In dit geval, alsmede indien
binnen de in het eerste lid bedoelde termijn geen opgave of verklaring
is ingezonden, bedraagt de bezoldiging over dat kalenderjaar 65% van
de bezoldiging op jaarbasis.
4. Zo spoedig mogelijk na afloop van het kalenderjaar zendt de
burgemeester of zenden zijn nabestaanden aan Onze Minister, dan wel de
door hem aangewezen instantie, een opgave van de neveninkomsten welke
over dat kalenderjaar zijn genoten, dan wel een verklaring dat over
dat jaar niet meer dan 14% van de bezoldiging op jaarbasis of, indien
de burgemeester een gedeelte van het kalenderjaar lid van het college
van burgemeester en wethouders is geweest, een evenredig deel van dit
bedrag, is genoten.
5. Onze Minister, dan wel de door hem aangewezen instantie, deelt
aan het college van burgemeester en wethouders zo spoedig mogelijk na
ontvangst van de in het vierde lid bedoelde opgave of verklaring het
bedrag van de definitieve aftrek op de bezoldiging mede en verstrekt
een afschrift daarvan aan de burgemeester.
6. Indien een opgave of verklaring als in het vierde lid bedoeld,
niet binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar is ontvangen,
bedraagt de bezoldiging over dat kalenderjaar 65% van de bezoldiging
op jaarbasis.
7. De burgemeester zendt Onze Minister, dan wel de door hem
aangewezen instantie, zo spoedig mogelijk na afloop van het
kalenderjaar tevens een afschrift van de aanslag voor de
inkomstenbelasting over het betreffende kalenderjaar. Het bedrag van
de uitbetaalde bezoldiging kan, al dan niet op verzoek van de
burgemeester, worden herzien, indien op grond van de onherroepelijk
geworden aanslag in de inkomstenbelasting daartoe aanleiding blijkt te
bestaan.
8. Bij de toepassing van het vijfde, zesde en zevende lid vindt zo
nodig terugbetaling of verrekening plaats.
9. Dit artikel is niet van toepassing op de burgemeester op wie
artikel 291 van de Gemeentewet van toepassing is.
Vakantie- en eindejaarsuitkering
Artikel 15
De burgemeester heeft aanspraak op een vakantie-uitkering
overeenkomstig de regels, die te dien aanzien voor het personeel in de
sector Rijk zijn vastgesteld.
Artikel 15a
De burgemeester heeft recht op een eindejaarsuitkering overeenkomstig
de regels die te dien aanzien voor het personeel in de sector Rijk zijn
vastgesteld. De eindejaarsuitkering wordt vervolgens verhoogd met 1,5%
van de jaarlijkse bezoldiging.
Ambtstoelage
Artikel 16
1. De burgemeester ontvangt een
ambtstoelage voor de aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten
overeenkomstig de volgende tabel:
|
Inwonersklasse als
bedoeld in artikel 5 |
Ambtstoelage per
maand |
|
1 en 2 |
€331,28 |
|
3 en 4 |
€345,23 |
|
5 tot en met 9 |
€356,71 |
2. De bedragen, genoemd in het eerste
lid, worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling
gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de
maand september van het voorafgaande kalenderjaar.
3. De burgemeester heeft na eervol ontslag of niet-herbenoeming voor
een periode van drie maanden aanspraak op een ambtstoelage ter hoogte
van de helft van het voor hem bij ontslag of niet-herbenoeming geldende
bedrag.
Vergoeding bij waarneming
Artikel 17
1. De wethouder die op grond van artikel 77, eerste lid, van de
Gemeentewet gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken het ambt van
burgemeester waarneemt en die zijn wethouderschap in deeltijd
uitoefent, ontvangt een bezoldiging verbonden aan een
voltijds-wethouderschap. Op deze bezoldiging wordt de bezoldiging
verbonden aan zijn wethouderschap in deeltijd in mindering gebracht.
2. Het raadslid dat op grond van artikel 77, tweede lid, van de
Gemeentewet gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken het ambt van
burgemeester waarneemt, ontvangt voor die tijd de voor dat ambt
vastgestelde minimumbezoldiging. Op deze bezoldiging wordt de
vergoeding als raadslid in mindering gebracht. Tijdens de waarneming
zijn de artikelen 15 en 32 van overeenkomstige toepassing.
3. Degene die op grond van artikel 78 van de Gemeentewet als
waarnemend burgemeester is aangewezen voor een periode van naar
verwachting korter dan een jaar, ontvangt een bezoldiging als bedoeld
in de artikelen 5 tot en met 15a.
Daarnaast heeft hij aanspraak op de vakantie-uitkering, bedoeld in
artikel 15, de helft van de ambtstoelage, bedoeld in artikel 16, de
voorzieningen voor computer- en communicatieapparatuur, bedoeld in
artikel 30, en vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer en voor
reis- en verblijfkosten, bedoeld in artikel 32.
4. Degene die op grond van artikel 78 van de Gemeentewet als
waarnemend burgemeester is aangewezen voor een periode van naar
verwachting een jaar of langer, is dit besluit van overeenkomstige
toepassing, met uitzondering van de artikelen 39 tot en met 41, de
artikelen 43 tot en met 46c en de artikelen 48 tot en met 65.
5. Zodra een waarnemend burgemeester ten aanzien van wie het derde
lid van dit artikel is toegepast, zonder onderbreking één jaar het
ambt van burgemeester heeft waargenomen, wordt met terugwerkende
kracht tot en met de ingangsdatum van de waarneming in die gemeente,
alsnog het vierde lid van dit artikel toegepast.
6. Indien een waarnemend burgemeester, aangewezen op grond van
artikel 78 van de Gemeentewet, tevens burgemeester van een andere
gemeente is en de beide gemeenten met overeenkomstige toepassing van
artikel 5, tweede lid, worden ingedeeld in een hogere inwonersklasse
dan klasse 2, wordt de bezoldiging bepaald op het bedrag dat behoort
bij die hogere inwonersklasse.
7. Indien een waarnemend burgemeester, aangewezen op grond van
artikel 78 van de Gemeentewet, tevens burgemeester van een andere
gemeente is, kan in afwijking van artikel 14, de verhouding waarin de
bezoldiging en de aanspraken, bedoeld in dat artikel, ten laste van de
gemeenten komen, door Onze Minister worden vastgesteld.
8. Onze Minister kan in bijzondere gevallen, de commissaris
gehoord:
a. de vergoeding, bedoeld in het eerste en tweede lid, zo nodig
met inachtneming van de laatste volzin van het eerste lid, op een
hoger bedrag bepalen, tot ten hoogste de voor het ambt
vastgestelde maximum- of vaste bezoldiging, vermeerderd met de
bijdrage, bedoeld in artikel 16;
b. een vergoeding als bedoeld in de artikelen 31 en 32
toekennen.
Artikel 17a [Vervallen per 12-01-2011]
Bezoldiging en ambtstoelage bij verblijf elders
Artikel 18
Wanneer aan de burgemeester toestemming is verleend langer dan zes
weken buiten de gemeente te verblijven, kan Onze Minister, de
commissaris gehoord, daarbij bepalen dat gedurende die langere periode
de bezoldiging en de ambtstoelage geheel of gedeeltelijk worden
ingehouden.
Bezoldiging en ambtstoelage bij ziekte
Artikel 18a [Vervallen per 12-01-2011]
Artikel 19 [Vervallen per 12-01-2011]
Artikel 19a [Vervallen per 11-09-2002]
Kennisgeving bij ziekte
Artikel 20
Indien een burgemeester langer dan acht dagen wegens ziekte zijn ambt
niet kan vervullen, geeft hij daarvan kennis aan de commissaris.
Bedrijfsgeneeskundige begeleiding
Artikel 21
De burgemeester geniet bedrijfsgeneeskundige begeleiding
overeenkomstig hoofdstuk VI, paragraaf 2, van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement.
Artikel 22 [Vervallen per 20-12-2006]
Voorzieningen in verband met ziekte
Artikel 23 [Vervallen per 20-12-2006]
Vergoeding ziektekosten bij dienstongeval
Artikel 24
1. In geval van ziekte welke in overwegende mate haar oorzaak
vindt:
a. in de aard van de aan de functie van burgemeester verbonden
werkzaamheden, of
b. in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten
worden verricht, en
c. niet aan eigen schuld of onvoorzichtigheid is te wijten,
kunnen de noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige
behandeling of verzorging, voor zover deze kosten ten laste van de
burgemeester blijven, aan de burgemeester voor rekening van de
gemeente worden vergoed.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de gewezen
burgemeester.
Artikel 25 [Vervallen per 12-01-2011]
Artikel 25a [Vervallen per 12-01-2011]
Zwangerschaps- en bevallingsverlof
Artikel 26
De vrouwelijke burgemeester heeft in verband met haar bevalling
aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof.
Buitengewoon verlof in verband met ouderschap
Artikel 27
1.De burgemeester die na 31 december 1988 als ouder in een
familierechtelijke betrekking is komen te staan tot een kind, heeft
aanspraak op ouderschapsverlof.
2.Het gestelde in artikel 33g van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 27a [Vervallen per 19-04-2009]
Gratificatie bij dienstjubileum
Artikel 28
1.Bij het volbrengen van een diensttijd als bedoeld in een
vut-overeenkomst als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet
kaderregeling vut overheidspersoneel, van 25, 40 of 50 jaren in
overheidsdienst, ontvangt de burgemeester een gratificatie of
desgewenst een geschenk, dan wel een combinatie van beide, één en
ander met dien verstande dat de daaraan verbonden uitgaven bedragen:
bij een 25-jarig dienstjubileum de helft, en bij een 40-jarig en
50-jarig dienstjubileum eenmaal het bedrag van de bezoldiging,
vermeerderd met een evenredig gedeelte van de vakantie-uitkering per
maand, berekend naar de datum van het dienstjubileum. Dit bedrag wordt
zo nodig op een veelvoud van vijf euro naar boven afgerond.
2.Aan de burgemeester die op grond van een vut-overeenkomst als
bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet kaderregeling vut
overheidspersoneel eervol ontslag is of zal worden verleend en binnen
een termijn van vijf jaren na de datum van ingang van ontslag, doch
voor het 70e levensjaar recht zou hebben op een gratificatie, bedoeld
in het eerste lid, kan een dienstjubileumgratificatie worden toegekend
ter grootte van een in verhouding tot de doorgebrachte diensttijd
evenredig gedeelte van de gratificatie, bedoeld in het eerste lid.
3.Ten aanzien van de burgemeester aan wie als gevolg van een
wijziging van de gemeentelijke indeling eervol ontslag is of zal
worden verleend wegens opheffing van de gemeente, vindt het tweede lid
overeenkomstige toepassing.
4.Indien na toepassing van het derde lid alsnog een benoeming
geschiedt als burgemeester of als waarnemend burgemeester voor een
periode langer dan één jaar en wordt voldaan aan het
diensttijdvereiste, bedoeld in het eerste lid, wordt de gratificatie
slechts voor het niet vergolden gedeelte toegekend.
Gratificatie bij ambtsjubileum
Artikel 29
1.De burgemeester die gedurende 12,5 jaar het ambt van burgemeester
in één of meer gemeenten heeft bekleed, ontvangt ten laste van de
gemeente een uitkering ter hoogte van een kwart van zijn bezoldiging,
vermeerderd met een evenredig gedeelte van de vakantie-uitkering per
maand. Dit bedrag wordt zo nodig met een veelvoud van vijf euro naar
boven afgerond.
2.Aan de burgemeester aan wie als gevolg van een wijziging van de
gemeentelijke indeling eervol ontslag is of zal worden verleend wegens
opheffing van de gemeente en die binnen een termijn van vijf jaren na
de datum van ingang van ontslag, doch voor het 70e levensjaar, recht
zou hebben op een gratificatie als bedoeld in het eerste lid, kan, ten
laste van de nieuwgevormde gemeente, een ambtsjubileumgratificatie
worden toegekend ter grootte van een in verhouding tot de
doorgebrachte diensttijd evenredig gedeelte van de gratificatie,
bedoeld in het eerste lid.
3.Indien alsnog een benoeming geschiedt als burgemeester of als
waarnemend burgemeester voor een periode langer dan één jaar en
wordt voldaan aan het diensttijdvereiste, bedoeld in het eerste lid,
wordt de gratificatie slechts voor het niet vergolden gedeelte
toegekend.
Computer- en communicatieapparatuur
Artikel 30
1. Op aanvraag wordt ten laste van de gemeente aan de burgemeester
voor de uitoefening van het ambt een computer, bijbehorende apparatuur
en software in bruikleen ter beschikking gesteld.
2. Indien geen computer en bijbehorende apparatuur en software ter
beschikking is gesteld wordt door het college van burgemeester en
wethouders aan de burgemeester op aanvraag voor de uitoefening van het
ambt, een tegemoetkoming verleend voor de
a. aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en
software of,
b. gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en
software.
3. Op aanvraag wordt ten laste van de gemeente aan de burgemeester
voor de uitoefening van het ambt communicatieapparatuur in bruikleen
ter beschikking gesteld.
4. Voorzover de burgemeester voor de uitoefening van het ambt
gebruik maakt van de privé-telefoon wordt ten laste van de gemeente
op aanvraag een tegemoetkoming in de kosten verleend.
5. Op aanvraag wordt door het college van burgemeester en
wethouders een vergoeding aan de burgemeester verleend voor de aanleg-
en de abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het
eerste of het tweede lid genoemde computerapparatuur.
6. Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere regels
stellen over het ter beschikking stellen van computer- en
communicatieapparatuur en de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste,
tweede, derde en vierde lid en de vergoeding, bedoeld in het vijfde
lid.
Verplaatsingskosten
Artikel 31
1.De burgemeester heeft ten laste van de gemeente aanspraak op een
vergoeding van verhuiskosten bij verhuizing ingeval van:
a. benoeming in de gemeente,
b. vertrek uit de ambtswoning of vertrek uit de gemeente,
binnen uiterlijk één jaar na eervol ontslag of
niet-herbenoeming, indien de vertrekkende burgemeester geen
aanspraak kan maken op enig andere verhuiskostenvergoeding.
2.Indien de burgemeester na benoeming nog niet over woonruimte in
de gemeente beschikt, heeft hij ten laste van de gemeente aanspraak op
een vergoeding van reis- en pensionkosten.
3.De burgemeester heeft tevens aanspraak op een vergoeding van
verhuiskosten ten laste van de gemeente ingeval van het na benoeming
betrekken van tijdelijke huisvesting.
4.Onze Minister stelt bij ministeriële regeling nadere regels over
hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraak.
Artikel 32
1.De burgemeester heeft ten laste van de gemeente aanspraak op:
a. een vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer;
b. een vergoeding van reis- en verblijfkosten voor reizen
gemaakt voor de uitoefening van het ambt.
2.Onze Minister stelt bij ministeriële regeling nadere regels over
hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraak.
Artikel 32a
Indien aan de burgemeester een dienstauto ter beschikking is gesteld
en hij voor het gebruik van deze dienstauto loon- en inkomstenbelasting
is verschuldigd, kan het college van burgemeester en wethouders bepalen
dat deze belastingheffing door de gemeente aan de burgemeester wordt
vergoed. De vergoeding betreft ten hoogste de verschuldigde loon- en
inkomstenbelasting voor het gebruik van de dienstauto.
Reis- en verblijfkosten
Artikel 33 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 34
1.Aan een kandidaat voor het ambt van burgemeester worden reis- en
verblijfskosten vergoed die zijn gemaakt in verband met een bezoek aan
Onze Minister, aan de commissaris of aan de vertrouwenscommissie.
2.Onze Minister stelt bij ministeriële regeling nadere regels over
hoogte van de vergoeding en de voorwaarden voor de aanspraak.
Artikel 34a [Vervallen per 01-03-2006]
Ambtswoning
Artikel 35
1.Voor het bewonen van een ambtswoning wordt op de bezoldiging een
korting toegepast van 12 procent.
2.In afwijking van het eerste lid, kan Onze Minister in de gevallen
waarin naar zijn oordeel daartoe aanleiding bestaat, gedeputeerde
staten gehoord, de korting vaststellen op een lager percentage dan wel
op een bepaald bedrag, mits dit eveneens minder beloopt dan 12 procent
van de bezoldiging.
3.Indien de burgemeester een ambtswoning bewoont, draagt hij de
onderhoudskosten welke volgens de wet en het plaatselijk gebruik ten
laste van de huurder zijn.
Artikel 36
Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen:
a. de ambtstoelage, bedoeld in artikel 16, eerste lid;
b. de verstrekkingen, bedoeld in artikel 30, eerste en derde lid;
c. de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 30, vierde lid;
d. de vergoeding, bedoeld in artikel 30, vijfde lid;
e. de vergoedingen, bedoeld in artikel 32, eerste lid, voor zover
deze niet worden gerekend tot een vergoeding als bedoeld in artikel
31a, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet op de loonbelasting
1964;
f. de vergoeding, bedoeld in artikel 32a.
Gedrag
Artikel 37
De burgemeester onthoudt zich van gedragingen die de goede
uitoefening of het aanzien van het ambt schaden of kunnen schaden.
Terugroepen bij afwezigheid
Artikel 38
1.Een burgemeester die buiten zijn gemeente verblijft kan door de
commissaris wegens dringende redenen van dienstbelang worden
teruggeroepen.
2.Onze Minister kan bepalen dat aan een burgemeester die een
verblijf buiten zijn woonplaats wegens dringende redenen van
dienstbelang voortijdig heeft beëindigd, ten laste van de gemeente
een schadeloosstelling wordt toegekend.
Schorsing
Artikel 39
De burgemeester kan in het belang van een goede uitoefening van het
ambt worden geschorst.
Artikel 40
Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval een aanduiding van het
tijdstip waarop de schorsing ingaat en een zo nauwkeurig mogelijke
aanduiding van de duur der schorsing.
Artikel 41
Gedurende een schorsing is het de burgemeester als zodanig niet
toegestaan de gemeentelijke dienstgebouwen te betreden.
Ontslag op eigen aanvraag/FPU
Artikel 42
1.De burgemeester wordt op zijn aanvraag ontslagen of na afloop van
de benoemingstermijn niet herbenoemd.
2.Aan de burgemeester die ontslag vraagt met het oog op een
FPU-uitkering, wordt ontslag verleend, indien het bestuur van de
Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel en
het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van een
desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na het ontslag recht
bestaat op de FPU-uitkering. Het ontslag gaat niet eerder in dan met
ingang van de dag waarop het recht op de FPU-uitkering ontstaat. Met
een aanvraag tot ontslag wordt gelijkgesteld een verzoek om niet te
worden herbenoemd.
3.Het ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend,
tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich
daartegen verzetten.
Ongevraagd ontslag
Artikel 43
Aan de burgemeester wordt met ingang van de eerste dag van de maand,
volgend op die waarin hij de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt, eervol
ontslag verleend.
Artikel 44
1. Anders dan op eigen aanvraag, kan aan de burgemeester ontslag
worden verleend op grond van:
a. ongeschiktheid wegens ziekte tot het vervullen van zijn
ambt;
b. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede
ambt, anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken;
c. opheffing van de gemeente;
d. een aanbeveling van de gemeenteraad tot ontslag wegens een
verstoorde verhouding tussen de burgemeester en de raad als
bedoeld in artikel 61b, tweede lid, van de Gemeentewet;
e. andere gronden.
2. Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan
slechts plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid wegens ziekte tot het
vervullen van zijn ambt gedurende een ononderbroken periode van
zes maanden,
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes
maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van zes maanden te
verwachten is.
3. Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie, als bedoeld
in het tweede lid, onderdeel b, wordt een medisch onderzoek ingesteld
door een of meer door Onze Minister aangewezen geneeskundigen, en,
indien de burgemeester dit wenst, een door de burgemeester aangewezen
geneeskundige. De burgemeester is verplicht medewerking te verlenen
aan het onderzoek en wordt schriftelijk in kennis gesteld van het
starten van het onderzoek en de in de vorige zin bedoelde
mogelijkheid. Indien de burgemeester geen medewerking verleent, is de
in het tweede lid, onder b, genoemde voorwaarde niet van toepassing.
4. Voordat Onze Minister het ontslag op grond van het eerste lid,
onderdeel a, verleent, onderzoekt hij of het mogelijk is de
burgemeester na zijn ontslag binnen zijn gezagsbereik andere arbeid
aan te bieden.
5. Het ontslag op grond van het eerste lid, onder a, b en c van dit
artikel wordt eervol verleend. Het ontslag op grond van het eerste
lid, onder d en e, van dit artikel wordt eervol verleend, tenzij naar
het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen
verzetten.
Artikel 45
Niet-herbenoeming vindt niet plaats dan nadat de burgemeester in de
gelegenheid is gesteld door Onze Minister te worden gehoord.
Artikel 46 [Vervallen per 12-01-2011]
Artikel 46a [Vervallen per 12-01-2011]
Artikel 46b [Vervallen per 12-01-2011]
Artikel 46c
1. De burgemeester van 61 jaar of ouder van wie de gemeente wordt
opgeheven en aan wie met ingang van de datum van herindeling ontslag
wordt verleend met het oog op een FPU-uitkering, ontvangt ten laste
van het Rijk een aanvulling op deze uitkering tot aan de
pensioengerechtigde leeftijd, tenzij hij aanspraak maakt op de extra
uitkering, bedoeld in artikel 46e of 47b.
2. De aanvulling bedraagt een percentage van de grondslag, die
geldt voor de vaststelling van de FPU-uitkering. Het percentage is:
a. 15% indien de burgemeester op de dag voorafgaand aan de
datum van herindeling nog geen 63 jaar is;
b. 25% indien de burgemeester op de dag voorafgaand aan de
datum van herindeling 63 jaar of ouder is.
3. De aanvulling wordt slechts toegekend voorzover de aanvulling en
de FPU-uitkering tezamen niet meer bedragen dan de grondslag die geldt
voor de vaststelling van de FPU-uitkering, met dien verstande dat voor
deze berekening buiten beschouwing blijft:
a. een verlaging van de FPU-uitkering, omdat aanspraken niet
worden opgenomen met de bedoeling deze om te zetten in recht op
ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen;
b. een verlaging van de FPU-uitkering, omdat het bedrag van de
aanspraak wordt verminderd in verband met inkomsten naast de
FPU-uitkering;
c. een verhoging van de FPU-uitkering, als gevolg van een
individuele aanvullende regeling.
4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een
burgemeester jonger dan 61 jaar, indien hij op de datum van het
ontslag met het oog op een FPU-uitkering, een diensttijd heeft van 40
jaar of meer als bedoeld in artikel 4 van de Regeling flexibel
pensioen en uittreden.
Artikel 46d [Vervallen per 12-01-2011]
Extra uitkering bij FPU
Artikel 46e
1. De burgemeester aan wie ontslag is verleend met het oog op een
FPU-uitkering en die tenminste 1 jaar het ambt van burgemeester heeft
uitgeoefend, ontvangt tot aan de pensioengerechtigde leeftijd naast de
FPU-uitkering een extra uitkering ten laste van de gemeenten
gezamenlijk.
2. De extra uitkering bedraagt maandelijks het bedrag dat
resulteert uit de vermenigvuldiging van 0,5833 procent van de
grondslag, die geldt voor de vaststelling van de FPU-uitkering, met
het aantal maanden dat de burgemeester het ambt van burgemeester heeft
uitgeoefend, gedeeld door het totaal aantal maanden gelegen tussen de
datum van ingang van de FPU-uitkering en de datum van ingang van het
ouderdomspensioen. Voor deze berekening wordt voor het aantal maanden
dat de burgemeester het ambt heeft uitgeoefend, ten hoogste van 120
maanden uitgegaan.
3. De extra uitkering wordt slechts toegekend voorzover de extra
uitkering en de FPU-uitkering tezamen niet meer bedragen dan de
grondslag, die geldt voor de vaststelling van de FPU-uitkering, met
dien verstande dat voor deze berekening buiten beschouwing blijft:
a. een verlaging van de FPU-uitkering, omdat aanspraken niet
worden opgenomen met de bedoeling deze om te zetten in recht op
ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen;
b. een verlaging van de FPU-uitkering, omdat het bedrag van de
aanspraak wordt verminderd in verband met inkomsten naast de
FPU-uitkering;
c. een verhoging van de FPU-uitkering, als gevolg van een
individuele aanvullende regeling.
Artikel 46f
Indien de gewezen burgemeester die de extra uitkering, bedoeld in
artikel 46e, ontvangt met de waarneming van het ambt van burgemeester
wordt belast, vervalt tijdelijk de aanspraak op de extra uitkering voor
de duur van het waarnemerschap. Indien hij uit het waarnemerschap wordt
ontheven, ontleent hij geen nieuwe aanspraken aan artikel 46e en bij
toepassing van artikel 46h of 47a worden reeds toegekende bedragen van
de extra uitkering in mindering gebracht op de eenmalige uitkering,
bedoeld in die artikelen.
Artikel 46g
1.Bij overlijden van de gewezen burgemeester die de extra
uitkering, bedoeld in artikel 46e, ontvangt, wordt aan de
nabestaanden, bedoeld in artikel 47, een eenmalige extra uitkering
toegekend ten laste van de gemeenten gezamenlijk.
2.De eenmalige uitkering bedraagt het bedrag dat resulteert uit de
vermenigvuldiging van 57,14% van de maandelijkse extra uitkering,
betaald in de maand voorafgaand aan het overlijden van betrokkene, met
het aantal maanden gelegen tussen de datum van overlijden en de datum
dat het ouderdomspensioen zou zijn ingegaan.
3.Indien de aanspraak op de extra uitkering op grond van artikel
46f tijdelijk is vervallen, wordt voor de toepassing van dit artikel
uitgegaan van de extra uitkering die zou zijn toegekend indien de
uitkering niet in verband met het waarnemerschap was vervallen.
Artikel 46h [Vervallen per 12-01-2011]
Uitkering bij overlijden
Artikel 47
1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de burgemeester wordt
aan de weduwe of weduwnaar van wie de overleden burgemeester niet
duurzaam gescheiden leefde ten laste van de gemeente een bedrag
uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging, vermeerderd met de
vakantie-uitkering, over drie maanden, berekend naar het tijdstip van
overlijden. Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar van wie de
overleden burgemeester niet duurzaam gescheiden leefde nalaat,
geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige of
natuurlijke kinderen, of minderjarige kinderen waarover de overledene
de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt
verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als
was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe
of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook
zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of
gedeeltelijk afhankelijk waren van de bezoldiging van de burgemeester.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of
weduwnaar mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner
alsmede degene met wie de overleden burgemeester ongehuwd samenleefde
en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel
3, derde en vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet.
Artikel 47a
1.Onverminderd artikel 47 wordt bij overlijden van de burgemeester,
indien hij tenminste 1 jaar het ambt van burgemeester heeft
uitgeoefend, aan de nabestaanden, bedoeld in dat artikel, een
eenmalige extra uitkering toegekend ten laste van de gemeenten
gezamenlijk.
2.Voor de vaststelling van de eenmalige uitkering wordt als
grondslag gehanteerd de grondslag die zou gelden voor de vaststelling
van een FPU-uitkering.
3.De eenmalige uitkering bedraagt het bedrag dat resulteert uit de
vermenigvuldiging van 0,3333 procent van de grondslag met het aantal
maanden dat de burgemeester het ambt van burgemeester heeft
uitgeoefend. Voor deze berekening wordt voor het aantal maanden dat de
burgemeester het ambt heeft uitgeoefend, ten hoogste van 120 maanden
uitgegaan.
Bijzondere extra uitkering
Artikel 47b
1.Indien een burgemeester van 62 jaar of ouder aangeeft gebruik te
willen maken van de mogelijkheid van vervroegd uittreden, maar naar
het oordeel van Onze Minister bijzondere bestuurlijke omstandigheden
in de gemeente zich zodanig verzetten tegen het ontslag van de
burgemeester dat het ontslag niet wordt verleend, kan Onze Minister
bij besluit een eenmalige extra uitkering toekennen.
2.Onze Minister wint ter voorbereiding van zijn oordeel het advies
in van de commissaris en van de gemeenteraad.
3.De eenmalige uitkering bedraagt ten hoogste het bedrag dat totaal
als extra uitkering, bedoeld in artikel 46c, zou zijn uitgekeerd
indien aan de burgemeester het ontslag met het oog op een
FPU-uitkering zou zijn verleend op de datum dat de gemeenteraad het in
het tweede lid bedoelde advies heeft vastgesteld.
4.De uitkering vindt plaats op de pensioengerechtigde leeftijd van
betrokkene. Indien de burgemeester voor dat tijdstip alsnog ontslag
wordt verleend, bestaat er geen aanspraak op een aanvulling als
bedoeld in artikel 46a of op een uitkering als bedoeld in de artikelen
46c of 46f. Bij overlijden van de burgemeester voor de
pensioengerechtigde leeftijd is artikel 47a van toepassing.
Uitvoering extra uitkeringen
Artikel 47c
Onze Minister besluit over de toekenning van de extra uitkeringen en
eenmalige extra uitkeringen, bedoeld in de artikelen 46c, 46e, 46f, en
47a. De uitbetaling van deze uitkeringen en van de uitkering, bedoeld in
artikel 47b, geschiedt door de Stichting Pensioenfonds ABP.
Artikel 47d
1.De kosten in verband met de extra uitkeringen en eenmalige extra
uitkeringen, bedoeld in de artikelen 46c, 46e, 46f, 47a en 47b, worden
op jaarbasis door de Stichting Pensioenfonds ABP in rekening gebracht
bij de gemeenten.
2.Onze Minister stelt regels over de berekening van de kosten, de
verdeling van de kosten over de gemeenten en de wijze van betaling van
de bijdragen in deze kosten. Grondslag voor de verdeling van de kosten
over de gemeenten is dat deze plaatsvindt naar rato van de voor iedere
gemeente geldende maximale bezoldiging overeenkomstig bijlage l bij
dit besluit.
Georganiseerd Overleg burgemeesters
Artikel 48
1. Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand
van de burgemeesters wordt niet beslist dan nadat daarover overleg is
gepleegd met de vertegenwoordiging van de burgemeesters, te weten het
Georganiseerd Overleg burgemeesters.
2. Zodanig overleg vindt niet plaats, indien de aangelegenheid moet
worden behandeld in het in de artikelen 105 tot en met 112 van het
Algemeen Rijksambtenarenreglement geregelde overleg, hierna te noemen
het centraal Georganiseerd Overleg.
3. Indien een aangelegenheid, welke wordt behandeld in het centraal
Georganiseerd Overleg, van bijzondere betekenis is voor de
rechtstoestand van burgemeesters, kan Onze Minister het advies van de
in het eerste lid bedoelde vertegenwoordiging inwinnen.
Artikel 49
Een tot het centraal Georganiseerd Overleg toegelaten centrale van
verenigingen van ambtenaren is bevoegd tot aanwijzing van een lid en een
plaatsvervangend lid in het Georganiseerd Overleg burgemeesters, mits de
bij die centrale aangesloten verenigingen gezamenlijk tenminste 3
procent van het totale aantal burgemeesters tot haar leden tellen. Zij
is tevens bevoegd het aangewezen lid of het plaatsvervangend lid te doen
bijstaan door een door haar aan te wijzen vertegenwoordiger. Elk lid
brengt een stem uit.
Artikel 50
1.Een centrale van verenigingen van ambtenaren die van de
bevoegdheid tot aanwijzing heeft gebruik gemaakt, geeft in het begin
van ieder kalenderjaar aan Onze Minister kennis van het aantal
burgemeesters, dat lid is van bij haar aangesloten verenigingen.
2.Een door een centrale gedane aanwijzing vervalt van rechtswege op
de eerste dag van het kalenderjaar, volgende op de dag waarop zij
blijkens de in het eerste lid bedoelde kennisgeving niet meer voldoet
aan de in artikel 49 gestelde eis van 3 procent.
3.Schorsing of intrekking van de toelating van een centrale tot het
centraal Georganiseerd Overleg brengt van rechtswege mede schorsing of
intrekking van de toelating tot het in artikel 48 bedoelde overleg.
Artikel 51
1.Het Georganiseerd Overleg burgemeesters staat onder leiding van
Onze Minister.
2.Het overleg wordt door Onze Minister of door ambtenaren die
daartoe door Onze Minister zijn aangewezen gevoerd. In het laatste
geval staat het overleg onder leiding van de door Onze Minister uit
die ambtenaren aangewezen voorzitter of plaatsvervangend voorzitter.
Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar staat de voorzitter als
secretaris terzijde.
3.De in artikel 48 bedoelde aangelegenheden worden door Onze
Minister aan het Georganiseerd Overleg burgemeesters voorgelegd.
4.Ieder der krachtens artikel 49 tot het overleg toegelaten
centrales is bevoegd aan de voorzitter bepaalde onderwerpen, behorende
tot de in artikel 48 bedoelde, ter plaatsing op de agenda op te geven.
Artikel 52
1.Het standpunt van de vertegenwoordiging der burgemeesters over de
haar voorgelegde dan wel op aanvraag van haar zijde in het overleg
besproken aangelegenheden wordt schriftelijk aan Onze Minister
bevestigd.
2.Indien in die vertegenwoordiging een minderheidsstandpunt blijkt
te bestaan, wordt daarvan desverlangd in het geschrift, bedoeld in het
eerste lid, melding gemaakt.
Artikel 53
Indien over een aangelegenheid in afwijking van het standpunt van de
meerderheid der burgemeestersvertegenwoordiging wordt beslist, brengt de
voorzitter de redenen van deze afwijking ter kennis van het
Georganiseerd Overleg burgemeesters.
Artikel 54
Het Georganiseerd Overleg burgemeesters wordt gevoerd op plaats, dag
en uur, door de voorzitter te bepalen.
Artikel 55
Onze Minister stelt, na raadpleging van de vertegenwoordiging van de
burgemeesters, een reglement van orde vast.
Artikel 56
Het verhandelde in het Georganiseerd Overleg burgemeesters is geheim,
voor zover het reglement van orde niet anders bepaalt.
Advies- en Arbitragecommissie
Artikel 57
De artikelen 58 tot en met 60 zijn slechts van toepassing op
geschillen inzake aangelegenheden als bedoeld in artikel 48, voor zover
die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van burgemeesters
betreffen.
Artikel 58
Indien de voorzitter dan wel een of meer van de centrales in het
Georganiseerd Overleg burgemeesters tot het oordeel komen dat dit
overleg niet tot een uitkomst zal leiden die de instemming van alle
deelnemers aan dat overleg zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen
drie dagen nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben gegeven,
schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het overleg.
Artikel 59
1.Binnen vijf dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 58,
schrijft de voorzitter een overlegvergadering uit. De vergadering moet
worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.
2.Tenzij door de voorzitter en de vertegenwoordiging van de
burgemeesters wordt besloten het overleg voort te zetten dan wel te
beëindigen, wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming
bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil
is en of een oplossing van dat geschil zal worden gezocht door middel
van voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van de
Advies- en Arbitragecommissie, dan wel door middel van onderwerping
van het geschil aan een arbitrale uitspraak van de Advies- en
Arbitragecommissie.
3.Tot het inwinnen van het advies is zowel de voorzitter als de
vertegenwoordiging van de burgemeesters bevoegd.
4.Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is
overeenstemming vereist tussen alle deelnemers aan het overleg.
Artikel 60
1.Binnen drie dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 59, wordt
de aanvraag om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de
Advies- en Arbitragecommissie. De aanvraag wordt ondertekend door de
deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning hebben uitgesproken
en bevat tenminste het onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien
in de vergadering, bedoeld in het vorige artikel, geen overeenstemming
is bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat
het onderwerp en de inhoud van het geschil is, brengen de overige
deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en de inhoud van
het geschil eveneens binnen drie dagen na eerdergenoemde vergadering
ter kennis van de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie.
2.De eerste volzin van het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van het onderwerpen van het geschil aan een
arbitrale uitspraak. De aanvraag daartoe wordt ondertekend door alle
deelnemers aan het overleg en dient tenminste te bevatten:
a. het onderwerp en de inhoud van het geschil;
b. de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent
onderwerp en inhoud van het geschil.
Artikel 61
Geschillen welke ingevolge de voorgaande artikelen in aanmerking
worden gebracht voor het inwinnen van advies dan wel aan arbitrage
worden onderworpen, worden daartoe voorgelegd aan de Advies- en
Arbitragecommissie, bedoeld in artikel 110g, eerste lid, van het
Algemeen Rijksambtenarenreglement.
Artikel 62
Ten aanzien van de werkwijze van de Advies- en Arbitragecommissie is
artikel 110h van het Algemeen Rijksambtenarenreglement van toepassing.
Artikel 63
1.De Advies- en Arbitragecommissie besluit bij meerderheid van
stemmen.
2.Het advies of de uitspraak moet inhouden:
a. de namen van de deelnemers die het advies of de arbitrale
uitspraak hebben aangevraagd;
b. een overzicht van de standpunten van alle deelnemers over
het onderwerp en over de inhoud van het geschil;
c. het advies dan wel de beslissing en de redenen die daaraan
ten grondslag liggen.
3.Het advies of de uitspraak wordt gedagtekend en door ieder der
optredende leden van de Advies- en Arbitragecommissie ondertekend.
Artikel 64
Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over
het geschil voortgezet.
Artikel 65
De uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie heeft bindende
kracht.
Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 65a
Bij toepassing van artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964:
a. worden de bedragen, genoemd in artikel 16, eerste lid,
vermenigvuldigd met 100/P, waarbij P wordt berekend door het getal
100 te verminderen met het getal van het hoogste tarief, bedoeld in
kolom IV van artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
b. wordt op aanvraag door het college van burgemeester en
wethouders een vergoeding verstrekt voor de belastingheffing als
gevolg van de verstrekkingen, bedoeld in artikel 30, eerste en derde
lid;
c. bedraagt de vergoeding, bedoeld in artikel 32a, ten hoogste de
gebruteerde verschuldigde loon- en inkomstenbelasting voor het
gebruik van de dienstauto;
d. blijftartikel 36 buiten toepassing.
Artikel 65b
1. Deartikelen 18a, 19 en 44, zoals deze luidden op de dag voor de
datum van inwerkingtreding van artikel II, onderdelen G en Q, van het
Besluit wijziging van de rechtspositiebesluiten decentrale politieke
ambtsdragers 2010 blijven van toepassing op de burgemeester die voor
de datum van inwerkingtreding van dit besluit ingevolge artikel 20
kennis heeft gegeven aan Onze Minister dat hij wegens ziekte zijn ambt
niet kan vervullen.
2. Deartikelen 46, 46a, 46b, 46d, 46e en 46h, zoals deze luidden op
de dag voor de datum van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel R,
van het Besluit wijziging van de rechtspositiebesluiten decentrale
politieke ambtsdragers 2010 blijven van toepassing op de voormalig
burgemeester van wie het ontslag is ingegaan voor 27 februari 2010.
Artikel 66
Dit besluit wordt aangehaald als: Rechtspositiebesluit burgemeesters.
Artikel 67 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 68 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 69 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 70 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 71 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 72 [Vervallen per 01-01-2004]
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 15 juni 1994
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
D.IJ.W.
de Graaff-Nauta
Uitgegeven de dertigste juni
1994
De Minister van Justitie,
A. Kosto
Bijlage A [Vervallen per 01-01-2004]
Bijlage I
Bezoldiging burgemeesters
| Klasse |
Aantal inwoners |
Bezoldiging |
|
1 |
Tot en met 8.000 |
€ 5.747,72 |
|
2 |
8.001–14.000 |
€ 6.323,09 |
|
3 |
14.001–24.000 |
€ 6.894,16 |
|
4 |
24.001–40.000 |
€ 7.457,79 |
|
5 |
40.001–60.000 |
€ 8.018,17 |
|
6 |
60.001–100.000 |
€ 8.626,59 |
|
7 |
100.001–150.000 |
€ 9.098,26 |
|
8 |
150.001–375.000 |
€ 9.691,95 |
|
9 |
375.001 en meer |
€ 10.325,86 |
Bijlage IIA [Vervallen per 09-04-1997]
Bijlage IIB [Vervallen per 09-04-1997]
Bijlage III [Vervallen per 09-04-1997]
Bijlage IV [Vervallen per 12-01-2011]
Bijlage V.A [Vervallen per 12-01-2011]
Bijlage V.B [Vervallen per 12-01-2011]
|