| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW)
RECHTSPOSITIEREGLEMENT
WETENSCHAPPELIJK ONDERWIJS
Tekst zoals deze geldt op
29 januari 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 7 juli 1987 houdende vaststelling van de hoofdstukken I
en II van het Rechtspositiereglement Wetenschappelijk Onderwijs
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
mede namens Onze Minister van Landbouw en Visserij, van 17 november
1986, nr. 797161, directie Personeel Beleid Hoger Onderwijs en
Wetenschappelijk Onderzoek;
Gelet op de artikelen 108, 109, 126, derde lid, 127, tweede lid, 146,
derde lid, en 159, tweede lid, van de Wet op het wetenschappelijk
onderwijs (Stb. 1986, 414) alsmede op de artikelen 125, eerste
lid, en 134 van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 1929, 530);
De Raad van State gehoord (advies van 6 mei 1987, nr. W05.86.0626);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs en
Wetenschappen, mede namens Onze Minister van Landbouw en Visserij, van 6
juli 1987, nr. 807761, directie Personeel Beleid Hoger Onderwijs en
Wetenschappelijk Onderzoek;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel I [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 1 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 2
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. orgaan voor postacademisch onderwijs: een publiekrechtelijk
orgaan voor postacademisch onderwijs;
b. instelling: een rijksuniversiteit, een orgaan voor
postacademisch onderwijs, de Koninklijke Bibliotheek, de Koninklijke
Nederlandse Akademie van Wetenschappen, het Rijksinstituut voor
Oorlogsdocumentatie, de Nederlandse organisatie voor
wetenschappelijk onderzoek, de Open Universiteit dan wel een
academisch ziekenhuis bij een rijksuniversiteit.
c. bevoegd gezag:
1. in hoofdstuk II: voor zover het een rijksuniversiteit of de
gemeentelijke universiteit te Amsterdam betreft, het college van
bestuur, voor zover het een orgaan voor postacademisch onderwijs
betreft, het bestuur van dat orgaan en, voor zover het betreft het
van overeenkomstige toepassing zijn van hoofdstuk II op de
Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, op de
Koninklijke Bibliotheek, op de Koninklijke Nederlandse Akademie
van Wetenschappen en op het Rijksinstituut voor
Oorlogsdocumentatie, het Algemeen Bestuur, onderscheidenlijk het
Algemeen Bestuurscollege, het Bestuur en Onze Minister van
Onderwijs en Wetenschappen;
2. in hoofdstuk IV: het Algemeen Bestuur van de Nederlandse
organisatie voor wetenschappelijk onderzoek;
3. in hoofdstuk V: het college van bestuur van de Open
Universiteit;
4. in hoofdstuk VI: het bestuur van het academisch ziekenhuis.
d. C.O.P.W.O.: het Centraal Overlegorgaan Personeelszaken
Wetenschappelijk Onderwijs, bedoeld in artikel 2 van het Koninklijk
besluit van 18 april 1974, Stb. 251;
e. plaatselijk overlegorgaan: het overlegorgaan, bedoeld in
artikel 14 van het Koninklijk besluit van 18 april 1974, Stb.
251.
Artikel 2a [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 3 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 4 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 5 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 5a [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 6 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 7 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 8 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 9 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 10 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 11 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 12 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 13 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 13a [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 13b [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 13c [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 13d [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 13e [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 13f [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 13g [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 13h [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 14
1. De ambtenaar dan wel werknemer die is
benoemd tot lid van het college van bestuur of van een faculteitsbestuur
dan wel tot rector magnificus, wordt in verband daarmee ontheven van de
vervulling van zijn betrekking. De ambtenaar die is benoemd tot rector
magnificus behoudt zijn bezoldiging onverminderd het bepaalde in artikel
127, eerste lid van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs.
2. Voor de vervulling van de betrekking van de ambtenaar dan wel
werknemer, bedoeld in het eerste lid, wordt in elk geval gedurende diens
eerste bestuursperiode geen voorziening getroffen die de terugkeer van
de betrokkene naar die betrekking onmogelijk maakt.
Artikel 15
1. Aan de ambtenaar dan wel werknemer, bedoeld in artikel 14,
eerste lid, wordt, na beëindiging van zijn lidmaatschap van het
college van bestuur of faculteitsbestuur dan wel van zijn rectoraat,
op zijn verzoek buitengewoon verlof verleend met behoud van
bezoldiging dan wel loon.
2. Bij de vaststelling van de duur van dat verlof wordt in
aanmerking genomen dat het verlof uitsluitend ten doel heeft de
ambtenaar dan wel werknemer in de gelegenheid te stellen de voor een
juiste vervulling van zijn betrekking noodzakelijke kennis te verwerven
van de ontwikkelingen die zich gedurende zijn in het eerste lid bedoelde
lidmaatschap op zijn vakgebied hebben voorgedaan.
3. Het verlof wordt verleend voor ten hoogste een derde van het
aantal maanden waarin de ambtenaar dan wel werknemer zonder onderbreking
lid is geweest van het college van bestuur of faculteitsbestuur dan wel
het rectoraat heeft vervuld. Het bedraagt in geen geval meer dan twaalf
maanden.
4. Indien voor de vervulling van de betrekking van de ambtenaar
dan wel werknemer aan wie ingevolge het bepaalde in het eerste lid
verlof is verleend, geen voorziening is getroffen die diens terugkeer
naar die betrekking onmogelijk maakt, wordt zulk een voorziening evenmin
getroffen gedurende het verlof.
5. Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is van
overeenkomstige toepassing op de ambtenaar dan wel werknemer die,
gekozen tot lid van een faculteitsbestuur, onverminderd het bepaalde in
artikel 17, gedurende zijn lidmaatschap van dat bestuur vrijwel de
gehele werktijd heeft besteed aan werkzaamheden die uit dat lidmaatschap
voortvloeien. Voor de vervulling van de betrekking van de ambtenaar dan
wel werknemer, bedoeld in de eerste volzin, wordt gedurende het verlof
geen voorziening getroffen die diens terugkeer naar die betrekking
onmogelijk maakt.
Artikel 16
1. Indien, onverminderd het bepaalde in de artikelen 14, tweede
lid, en 15, vierde lid, in de vervulling van de betrekking van de
ambtenaar dan wel werknemer, bedoeld in artikel 14, eerste lid,
blijvend is voorzien dan wel die betrekking is opgeheven, onderzoekt
na afloop van de bestuursperiode van de ambtenaar dan wel werknemer,
onderscheidenlijk na afloop van het ingevolge artikel 15, eerste lid,
verleende verlof het bevoegd gezag zorgvuldig of binnen zijn
gezagsbereik de ambtenaar dan wel werknemer een andere mede in verband
met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passende betrekking kan
worden opgedragen. Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig
en mogelijk, wordt de ambtenaar dan wel werknemer in de gelegenheid
gesteld zich de voor de nieuwe betrekking nodige bekwaamheden te
verwerven. De daaraan verbonden kosten komen binnen redelijke grenzen,
ter beoordeling van het bevoegd gezag, ten laste van de instelling.
2. Indien de ambtenaar dan wel werknemer geen andere passende
betrekking kan worden opgedragen, wordt hem eervol ontslag verleend. Het
bevoegd gezag neemt daarbij een opzeggingstermijn van ten minste drie
maanden in acht.
3. Indien binnen een tijdvak van uiterlijk een jaar nadat de
ambtenaar dan wel werknemer de andere betrekking is gaan vervullen, die
betrekking voor hem niet passend blijkt te zijn, kan hem alsnog ontslag
worden verleend. Het bevoegd gezag neemt daarbij een opzeggingstermijn
van ten minste drie maanden in acht. Het ontslag wordt eervol verleend.
Artikel 17
1. De ambtenaar dan wel werknemer die:
a. is gekozen tot lid van de universiteitsraad, van een
faculteitsraad of faculteitsbestuur,
b. als vertegenwoordiger van het niet tot de wetenschappelijke staf
behorend wetenschappelijk personeel of van het ondersteunend of
beheerspersoneel is aangewezen als lid van een vakgroeps- of
werkgroepsbestuur,
c. is benoemd tot of aangewezen als lid van een bij of krachtens de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ingestelde
commissie, daaronder mede begrepen een dienstcommissie,
d. is benoemd tot lid of plaatsvervangend lid van het college van
beroep voor de examens of van het College van beroep voor het
wetenschappelijk onderwijs,
wordt in de gelegenheid gesteld de werkzaamheden die deze in zijn
betrekking van ambtenaar dan wel werknemer dient te vervullen, te
verminderen voor zolang en voor zover zulks redelijkerwijze noodzakelijk
is voor het voorbereiden en bijwonen van de vergaderingen dan wel
zittingen van die organen en voor het verrichten van daaruit
voortvloeiende werkzaamheden ten behoeve van die organen, en zulks naar
het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijze is te verwezenlijken
gelet op de vervulling van de bedoelde betrekking.
Artikel 18
Het bevoegd gezag kan ter zake van het in deze paragraaf bepaalde
nadere voorschriften vaststellen.
Artikel 19
Het bevoegd gezag bevordert zo veel mogelijk het werkoverleg bij
eenheden van beheer.
Artikel 20
1. Over de instelling van dienstcommissies krachtens artikel
103 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs heeft overleg plaats
met het plaatselijk overlegorgaan.
2. Bij het instellen van dienstcommissies wordt er zoveel
mogelijk op gelet, dat de eenheid waarvoor een commissie wordt
ingesteld, in organisatorische dan wel beleidsuitvoerend opzicht een
eenheid vormt.
3. Bij de overeenkomstige toepassing van de artikelen 124 tot en
met 126 a, 126 b, eerste, tweede en zesde lid, en 126c
tot en met 129a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement op de
in de voorgaande leden bedoelde dienstcommissies wordt gelezen in de
plaats van:
a. Onze Minister: het bevoegd gezag in de zin van dit besluit;
b. bijzondere commissie: het plaatselijk overlegorgaan;
c. de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in
Ambtenarenzaken: het plaatselijk overlegorgaan.
Artikel 20a
1. Het bevoegd gezag van onderscheidenlijk de Koninklijke
Bibliotheek, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en
het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie stelt dienstcommissies in
voor eenheden binnen de instelling.
2. De bepalingen van artikel 20 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 21 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 22 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 23 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 24 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 25 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 26 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 27 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 28 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 29 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 30 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 31 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 32 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 33 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 34 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 35 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 36 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 37 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 38 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 39 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 40 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 41 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 42 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 43 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 44 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 45 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 46 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 47 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 48 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 49 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 50 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 51 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 52 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 53 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 54 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 55 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 55a [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 56 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 57 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 58 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 59 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 60 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 61 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 62 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 63 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 64 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 65 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 66 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 67 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 68 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 69 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 70 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 71 [Vervallen per 26-08-1998]
Artikel 72 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 73 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 74 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 75 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 76 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 77 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 78
Ambtenaar in de zin van deze titel is degene die is benoemd tot lid
van het algemeen bestuur van de Nederlandse organisatie voor
wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 79
Met uitzondering van de eerste volzin van artikel 65, tweede lid, is
hoofdstuk III zoals dat luidde op 18 maart 1997, van overeenkomstige
toepassing op de leden van het algemeen bestuur.
Artikel 80
1. Aan de leden van de gebiedsbesturen en afdelingsbesturen van
de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek kan een
tegemoetkoming, vergoeding van kosten dan wel beide worden toegekend.
Het bevoegd gezag kan nadere regelen stellen met betrekking tot het
bepaalde in de voorgaande volzin.
2. De tegemoetkoming dan wel de vergoeding van kosten, bedoeld in
het eerste lid, is geen bezoldiging in de zin van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
Artikel 81 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 82 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 83 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 84 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 84a [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 85 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 86 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 87 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 88 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 89 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 90 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 91 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 91a [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 91b [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 92 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 92a [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 92b [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 92c [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 92d [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 92e [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 92f [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 93
1. De ambtenaar dan wel werknemer die is
benoemd tot lid van het college van bestuur, wordt in verband daarmee
ontheven van de vervulling van zijn betrekking.
2. Voor de vervulling van de betrekking van de ambtenaar dan wel
werknemer, bedoeld in het eerste lid, wordt in elk geval gedurende diens
eerste bestuursperiode geen voorziening getroffen die de terugkeer van
de betrokkene naar die betrekking onmogelijk maakt.
Artikel 94
1. Aan de ambtenaar dan wel werknemer, bedoeld in artikel 93,
eerste lid, wordt, na beëindiging van zijn lidmaatschap van het
college van bestuur op zijn verzoek buitengewoon verlof verleend met
behoud van bezoldiging dan wel loon.
2. Bij de vaststelling van de duur van dat verlof wordt in
aanmerking genomen dat het verlof uitsluitend ten doel heeft de
ambtenaar dan wel werknemer in de gelegenheid te stellen de voor een
juiste vervulling van zijn betrekking noodzakelijke kennis te verwerven
van de ontwikkelingen die zich gedurende zijn in het eerste lid bedoelde
lidmaatschap op zijn vakgebied hebben voorgedaan.
3. Het verlof wordt verleend voor ten hoogste een derde van het
aantal maanden waarin de ambtenaar dan wel de werknemer zonder
onderbreking lid is geweest van het college van bestuur. Het bedraagt in
geen geval meer dan twaalf maanden.
4. Indien voor de vervulling van de betrekking van de ambtenaar
dan wel werknemer aan wie ingevolge het bepaalde in het eerste lid
verlof is verleend, geen voorziening is getroffen die diens terugkeer
naar die betrekking onmogelijk maakt, wordt zulk een voorziening evenmin
getroffen gedurende het verlof.
Artikel 95
1. Indien, onverminderd het bepaalde in de artikelen 93, tweede
lid, en 94, vierde lid, in de vervulling van de betrekking van de
ambtenaar dan wel werknemer, bedoeld in artikel 93, eerste lid,
blijvend is voorzien dan wel die betrekking is opgeheven, onderzoekt
na afloop van de bestuursperiode van de ambtenaar dan wel werknemer,
onderscheidenlijk na afloop van het ingevolge artikel 94, eerste lid,
verleende verlof het bevoegd gezag zorgvuldig of binnen zijn
gezagsbereik de ambtenaar dan wel werknemer een andere mede in verband
met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passende betrekking kan
worden opgedragen. Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig
en mogelijk, wordt de ambtenaar dan wel werknemer in de gelegenheid
gesteld zich de voor de nieuwe betrekking nodige bekwaamheden te
verwerven. De daaraan verbonden kosten komen binnen redelijke grenzen,
ter beoordeling van het bevoegd gezag, ten laste van de instelling.
2. Indien de ambtenaar dan wel werknemer geen andere passende
betrekking kan worden opgedragen, wordt hem eervol ontslag verleend. Het
bevoegd gezag neemt daarbij een opzeggingstermijn van ten minste drie
maanden in acht.
3. Indien binnen een tijdvak van uiterlijk een jaar nadat de
ambtenaar dan wel werknemer de andere betrekking is gaan vervullen, die
betrekking voor hem niet passend blijkt te zijn, kan hem alsnog ontslag
worden verleend. Het bevoegd gezag neemt daarbij een opzeggingstermijn
van ten minste drie maanden in acht. Het ontslag wordt eervol verleend.
Artikel 96
1. De ambtenaar dan wel werknemer die:
a. is gekozen tot lid van de bestuursraad, de medezeggenschapsraad,
een personeelsraad, een deelraad van een studiecentrum of van een
combinatie van studiecentra;
b. is benoemd tot of aangewezen als lid van een bij of krachtens de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ingestelde
commissie of een krachtens dit besluit ingestelde dienstcommissie;
c. is benoemd tot lid of plaatsvervangend lid van het college van
beroep voor de examens,
wordt in de gelegenheid gesteld de werkzaamheden die deze in zijn
betrekking van ambtenaar dan wel werknemer dient te vervullen, te
verminderen voor zolang en voor zover zulks redelijkerwijs noodzakelijk
is voor het voorbereiden en bijwonen van de vergaderingen dan wel
zittingen van die organen en voor het verrichten van daaruit
voortvloeiende werkzaamheden ten behoeve van die organen, en zulks naar
het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijze is te verwezenlijken
gelet op de vervulling van de bedoelde betrekking.
Artikel 97
Het bevoegd gezag kan ter zake van het in deze paragraaf bepaalde
nadere voorschriften vaststellen.
Artikel 98
Het bevoegd gezag bevordert zoveel mogelijk het werkoverleg bij
eenheden van beheer.
Artikel 98a
1. Bij onderdelen van de Open Universiteit kunnen door het
bevoegd gezag dienstcommissies worden ingesteld. Over de instelling
van dienstcommissies heeft overleg plaats met het plaatselijk
overlegorgaan.
2. Bij het instellen van dienstcommissies wordt er zoveel
mogelijk op gelet, dat de eenheid waarvoor een commissie wordt
ingesteld, in organisatorisch dan wel beleidsuitvoerend opzicht een
eenheid vormt.
3. Bij de overeenkomstige toepassing van de artikelen 124 tot en
met 126a , 126b , eerste, tweede en zesde lid, en 126c
tot en met 129a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement op de
in de voorgaande leden bedoelde dienstcommissies wordt gelezen in de
plaats van:
a. Onze Minister: het bevoegd gezag in de zin van dit besluit;
b. bijzondere commissie: het plaatselijk overlegorgaan;
c. de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in
Ambtenarenzaken: het plaatselijk overlegorgaan.
Artikel 99 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 99a [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 100 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 101 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 102 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 103 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 104 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 105 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 106 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 107 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 108 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 109 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 110 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 111 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 112 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 113 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel 114 [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel II [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel III [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel IV [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel V [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel VI [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel VII [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel VIII [Vervallen per 01-11-1995]
Artikel IX [Vervallen per 01-11-1995]
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan
afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene
Rekenkamer.
's-Gravenhage, 7 juli 1987
BEATRIX
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
W.J. Deetman
De Minister van Landbouw en Visserij,
G.J.M. Braks
Uitgegeven de achtste september 1987
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|