Regelingen die
specifiek betrekking hebben op overheids- en onderwijspersoneel in het
algemeen worden niet tot stand gebracht dan nadat daarover door of
namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken overleg is gevoerd met de
centrales van overheidspersoneel en de overheidswerkgevers of
verenigingen van overheidswerkgevers, verenigd in de Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid. In dit overleg hebben de centrales van
overheidspersoneel evenveel stemmen als de overheidswerkgevers of
verenigingen van overheidswerkgevers.
2. Indien een regeling als bedoeld in het eerste lid betrekking
heeft op arbeidsvoorwaardelijke rechten of verplichtingen van
individuele ambtenaren dient over een desbetreffend voorstel
overeenstemming te worden bereikt. Overeenstemming bestaat indien de
helft of meer van het totale aantal stemmen voor het voorstel wordt
uitgebracht, met dien verstande dat in ieder geval de meerderheid van de
centrales van overheidspersoneel met het voorstel ingestemd moet hebben.
3. Geen overeenstemming is vereist over een voorstel als bedoeld
in het tweede lid indien het betreft:
a. invoering of wijziging van een wettelijke regeling voor
ambtenaren met een overeenkomstige inhoud als een voorstel tot
invoering of wijziging van een wettelijke regeling die betrekking
heeft op werknemers die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in
artikel 1637a van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn;
b. vantoepassingverklaring op ambtenaren van een wettelijke
regeling die betrekking heeft op werknemers die krachtens
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1637a van het
Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn en met die vantoepassingverklaring
samenhangende wijzigingen in voor ambtenaren geldende regelingen, een
en ander mits het totaal van rechten en verplichtingen van ambtenaren
over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt;
c. implementatie van verplichtingen voortvloeiend uit een
internationaal verdrag.
4. Indien in het overleg een geschil ontstaat over de vraag of
bij een voorstel als bedoeld in het derde lid, onder b, voldaan
wordt aan de voorwaarde dat het totaal van rechten en verplichtingen
over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt, wordt dat geschil
onderworpen aan arbitrage door de Advies- en Arbitragecommissie, genoemd
in artikel 110g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
Artikel 2
1. Het overleg staat onder leiding van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken. Hij is bevoegd de leiding van het overleg op te
dragen aan de directeur-generaal Management en Personeelsbeleid van
het Ministerie van Binnenlandse Zaken, indien de aard van de te
bespreken aangelegenheden dit toelaat.
2. Het overleg wordt gevoerd op plaats, dag en uur door Onze
Minister van Binnenlandse Zaken te bepalen.
Artikel 3
Het secretariaat van het overleg wordt gevoerd door het Centrum voor
Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel.
Artikel 4
Indien de voorzitter dan wel een of meer van de deelnemers aan het
overleg tot het oordeel komen dat het overleg niet tot een uitkomst zal
leiden die de instemming van alle deelnemers aan dat overleg zal hebben,
brengen zij dat oordeel schriftelijk ter kennis van de overige
deelnemers aan het overleg.
Artikel 5
1. Binnen twee weken na de kennisgeving, bedoeld in artikel 4,
wordt een overlegvergadering gehouden.
2. Tenzij wordt besloten het overleg voort te zetten dan wel te
beëindigen, wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat
over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of
een oplossing van dat geschil zal worden gezocht door middel van
voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van de
Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in artikel 110g van het
Algemeen Rijksambtenarenreglement.
3. Tot het inwinnen van advies kan alleen worden besloten met
minimaal de helft van het totale aantal stemmen, met dien verstande dat
in ieder geval de meerderheid van de centrales van overheidspersoneel
daarmee in moeten stemmen.
Artikel 6
1. Binnen een week na de vergadering bedoeld in artikel 5,
wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van
de Advies- en Arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door
de deelnemers aan het overleg die zich voor het inwinnen van advies
hebben uitgesproken en bevat ten minste het onderwerp en de inhoud van
het geschil, alsmede de visie daarop van de betreffende deelnemers.
2. De overige deelnemers brengen eveneens binnen een week hun
visie ter kennis van de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie.
Artikel 7
De Advies- en Arbitragecommissie behandelt de adviesaanvraag
overeenkomstig de artikelen 110h en 110i van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement.
Artikel 8
Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over
het geschil voortgezet.
Artikel 9
Het standpunt van de centrales van overheidspersoneel en de
overheidswerkgevers of verenigingen van overheidswerkgevers over de in
het overleg besproken aangelegenheden wordt schriftelijk aan Onze
Minister van Binnenlandse Zaken bevestigd, waarbij desverlangd een
samenvatting van de aan dat standpunt ten grondslag liggende argumenten
wordt gegeven.
Van minderheidsstandpunten wordt desverlangd melding gemaakt.
Artikel 10
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling overleg Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met
de daarbij behorende nota van