Recht op wachtgeld en uitkering
Artikel 2
1. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van het
Rijkswachtgeldbesluit 1959, heeft de betrokkene geen recht op
wachtgeld uit hoofde van het privatiseringsontslag.
2. In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de
Uitkeringsregeling 1966, heeft de betrokkene geen recht op uitkering uit
hoofde van het privatiseringsontslag.
Artikel 3
1. Indien binnen twee jaar na het privatiseringsontslag blijkt
dat de betrekking die de betrokkene bij de privaatrechtelijke
organisatie vervult niet passend is en hij in verband daarmee al dan
niet op eigen verzoek is ontslagen, heeft de betrokkene recht op
wachtgeld of uitkering uit hoofde van zijn ontslag als werknemer met
ingang van de dag van dat ontslag.
2. Indien de betrokkene binnen twee jaar na het
privatiseringsontslag als werknemer is ontslagen ten gevolge van
opheffing van zijn betrekking bij de privaatrechtelijke organisatie of
ten gevolge van overtolligheid van personeel door verandering of
inkrimping van die organisatie, heeft hij recht op wachtgeld of
uitkering uit hoofde van zijn ontslag als werknemer met ingang van de
dag van dat ontslag.
Artikel 3a
1. De duur van het wachtgeld ingevolge deze regeling wordt
uitsluitend vastgesteld met toepassing van artikel 6a van het
Rijkswachtgeldbesluit 1959.
2. De duur van de uitkering ingevolge deze regeling wordt
uitsluitend vastgesteld met toepassing van artikel 8a van de
Uitkeringsregeling 1966.
Artikel 4
1. De betrokkene die als werknemer is ontslagen en op wie
artikel 3 niet van toepassing is, heeft uit hoofde van zijn ontslag
als werknemer recht op wachtgeld of uitkering, met dien verstande dat
dat recht ingaat op de dag van het privatiseringsontslag.
2. Het recht op het in het eerste lid bedoelde wachtgeld vervalt
wanneer het ontslag als werknemer niet binnen een termijn van 7 jaar na
het privatiseringsontslag heeft plaatsgehad en de aanvraag om toekenning
van het wachtgeld niet binnen een maand na afloop van die termijn bij
Onze Minister is ingekomen.
3. Het recht op de in het eerste lid bedoelde uitkering vervalt
wanneer het ontslag als werknemer niet binnen een termijn van 3 jaar na
het privatiseringsontslag heeft plaatsgehad en de aanvraag om toekenning
van de uitkering niet binnen een maand na afloop van die termijn bij
Onze Minister is ingekomen.
4. In afwijking van het tweede lid vervalt het recht op wachtgeld
ten aanzien van de betrokkene die als werknemer bij de naamloze
vennootschap Nederlands Meetinstituut NV is ontslagen, wanneer de
daartoe strekkende aanvraag niet binnen een termijn van 5 jaar na dat
ontslag bij Onze Minister is ingekomen.
5. In afwijking van het derde lid vervalt het recht op uitkering
ten aanzien van de betrokkene die als werknemer bij de naamloze
vennootschap Nederlands Meetinstituut NV is ontslagen, wanneer de
daartoe strekkende aanvraag niet binnen een termijn van 2 jaar na dat
ontslag bij Onze Minister is ingekomen.
Artikel 5
In afwijking in zoverre van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 en de
Uitkeringsregeling 1966 wordt voor de toepassing van de bepalingen in
die regelingen die betrekking hebben op de inschrijving als werkzoekende
bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, ten aanzien van de betrokkene
onder ontslag verstaan, het ontslag als werknemer.
Artikel 6
1. Voor zover nodig in afwijking van het Rijkswachtgeldbesluit
1959en de Uitkeringsregeling 1966 gelden voor de betrokkene op wie
artikel 3 van toepassing is de bepalingen in dit artikel.
2. Onder ontslag, bedoeld in artikel 8 van het
Rijkswachtgeldbesluit 1959en artikel 9 van de Uitkeringsregeling
1966wordt verstaan het ontslag als werknemer.
3. Van de inkomsten waarop de betrokkene in verband met het
ontslag als werknemer of in verband met ziekte of arbeidsongeschiktheid
uit anderen hoofde aanspraak heeft, wordt een bedrag ten hoogste gelijk
aan 70% van de bezoldiging op het bedrag van het wachtgeld of de
uitkering in mindering gebracht, met dien verstande dat de inkomsten in
verband met arbeidsongeschiktheid en het wachtgeld, de uitkering of de
WWV-vervangende uitkering, tezamen niet minder zullen bedragen dan 70%
van de bezoldiging. Onder bezoldiging wordt verstaan de ten aanzien van
de betrokkene vastgestelde bezoldiging in de zin van de in het eerste
lid genoemde ontslaguitkeringsregelingen.
4. Onder aanspraak op doorbetaling van de laatstelijk genoten
bezoldiging uit hoofde van ziekte, bedoeld in artikel 16, eerste lid,
van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 en artikel 16, eerste lid, van de
Uitkeringsregeling 1966 wordt mede verstaan de uitkering ingevolge de
Ziektewet en de uitkering ingevolge de Wet op de
Arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarop de betrokkene uit hoofde van
zijn betrekking bij de geprivatiseerde organisatie aanspraak heeft.
5. Het vierde lid is niet van toepassing indien de uitkeringen
als in dat lid bedoeld minder bedragen dan 70% van de desbetreffende
uitkeringsgrondslag. Alsdan is de wijze van vermindering als bedoeld in
het derde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6a
Artikel 6 is eveneens van toepassing op de betrokkene, genoemd in
artikel 4, indien deze een uitkering geniet ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Artikel 7
Uitsluitend voor de toepassing artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b,
onder 2°, van het pensioenreglement, wordt een ontslag als werknemer in
de zin van dit besluit, aangemerkt als een privatiseringsontslag in de
zin van dit besluit.
Hoofdstuk II
Artikel 8
Onze Minister is belast met de uitvoering van dit besluit.
Artikel 9
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het besluit wordt
geplaatst en werkt terug tot en met 31 december 1988.
Artikel 10
Dit besluit kan worden aangehaald als: Regeling wachtgeld en
uitkering bij privatisering.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van
State en de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 4 juli 1989
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.P. van Dijk
Uitgegeven de vijfentwintigste juli 1989
De Minister van Justitie a.i.,
G.J.M. Braks