|
BESLUIT van 24 november 1986, houdende vaststelling van het Reglement
Dienst Buitenlandse Zaken
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Buitenlandse Zaken van 2 juni 1986, nummer HDBZ/SF-140960;
Overwegende dat het noodzakelijk is dat het ministerie
van Buitenlandse Zaken bij de zich sterk wijzigende internationale
verhoudingen kan blijven beschikken over die ambtelijke deskundigheid en
internationale ervaring die het voor het verwezenlijken van zijn
beleidsdoelstellingen behoeft;
Overwegende dat het gewenst is dat de functies
vervuld worden door medewerkers wier loopbaan zich uitstrekt over het
ministerie van Buitenlandse Zaken hier te lande en over de
vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland, tenzij die
functies daarvoor naar hun inhoud niet geschikt zijn;
Overwegende dat het daarom dienstig is te komen
tot de integratie van personeel van het ministerie van Buitenlandse
Zaken hier te lande en van de Buitenlandse Dienst tot een geïntegreerde
Dienst Buitenlandse Zaken;
Overwegende dat daarbij wordt beoogd de door
Onze Minister van Buitenlandse Zaken, Onze Minister zonder Portefeuille
en Onze Minister van Economische Zaken getroffen regeling met betrekking
tot de economische werkzaamheden van de vertegenwoordigingen van het
Koninkrijk in het buitenland (28 januari 1955, nr. DBD-10296/PE) zonder
wijziging voort te zetten;
Overwegende ten slotte dat het wenselijk is
gebleken de organisatie van deze dienst en de rechtspositie van allen
die daartoe in binnen- en buitenland behoren in één reglement vast te
leggen;
Gelet op de artikelen 125 en 134 van de
Ambtenarenwet 1929 (Stb. 1929, 530);
De Raad van State gehoord (advies van 6
augustus 1986, nr. W02.86.0284);
Gezien het nader rapport van voornoemde
Minister van 19 november 1986, nummer HDBZ/SF-305425;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Buitenlandse Zaken;
b. DBZ: Dienst Buitenlandse Zaken;
c. Ambtenaar: de in artikel 5, tweede lid, onder a, bedoelde ambtenaar
van de DBZ, tenzij anders blijkt;
d. Werknemer: degene die buiten Nederland op arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht in dienst is genomen voor werkzaamheden bij een
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland;
e. ARAR: Algemeen Rijksambtenarenreglement;
f. BBRA 1984: Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;
g. Functie: Het samenstel van werkzaamheden, door de ambtenaar of
werknemer te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen door het
daartoe bevoegde gezag aan betrokkene is opgedragen;
h. Arbodienst: de door Onze Minister aangewezen arbodienst als bedoeld
in de Arbeidsomstandighedenwet;
i. Ministeriële regeling: Regeling van Onze Minister;
j. Volledige arbeidsduur: een arbeidsduur welke gemiddeld 36 werkuren
per week omvat;
k. Arbeidsduurfactor: een breuk waarvan de teller bestaat uit de voor de
ambtenaar vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal
36;
l. deskundige persoon: de door Onze Minister aangewezen deskundige
persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de taken, bedoeld in artikel
14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet.
Artikel 2
1.Waar in dit reglement sprake is van gezinsleden, worden daaronder
verstaan:
a. de huwelijkspartner van betrokkene,
b. de minderjarige kinderen, adoptief- of stiefkinderen van de
betrokkene welke ten laste van betrokkene komen,
c. door Onze Minister als gezinslid beschouwde andere minderjarige
kinderen, adoptief- of stiefkinderen of pleegkinderen van betrokkene of
van diens huwelijkspartner, alsmede
d. door Onze Minister als gezinslid beschouwde meerderjarige studerende
of invalide kinderen, adoptief-, stief- of pleegkinderen van betrokkene
of van diens huwelijkspartner.
2.In dit reglement wordt onder huwelijkspartner mede verstaan de
geregistreerde partner alsmede de levenspartner met wie de niet-gehuwde
ambtenaar samenwoont en – met het oogmerk duurzaam samen te leven –
een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel
verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en
verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke
huishouding. Onder weduwe en weduwnaar wordt mede begrepen de
achtergebleven geregistreerde partner alsmede de achtergebleven
levenspartner. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als
levenspartner dan wel weduwe of weduwnaar worden aangemerkt. Onze
Minister kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris
wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als bedoeld
in de eerste volzin is gesloten.
3.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld op grond waarvan een
tijdelijke voorziening kan worden getroffen voor de toepassing van dit
reglement, indien de vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het
buitenland waar de betrokken ambtenaar is geplaatst geen notariële
bevoegdheid heeft en niet de mogelijkheid bestaat een
samenlevingscontract notarieel in het desbetreffende land te doen
opmaken.
Artikel 3
1.Waar in dit reglement sprake is van de formatie, wordt daaronder
verstaan de kwantitatieve omvang van het Ministerie van Buitenlandse
Zaken en de zich daarbinnen voordoende kwalitatieve structuur. De
formatie is samengesteld uit formaties van de binnen het ministerie
voorkomende dienstonderdelen en de vertegenwoordigingen van het
Koninkrijk in het buitenland.
2.Onze Minister stelt na advies van Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties de formatie vast. Onze Minister bepaalt de
inrichting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken met inachtneming
van de formatie, volgens met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties overeen te komen regels.
Artikel 4
1.Tenzij anders is bepaald, wordt in dit reglement onder salaris,
bezoldiging, vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering verstaan: hetgeen
daaronder wordt verstaan in het BBRA 1984.
2.In gevallen waarin niet is bepaald wie bevoegd is tot het nemen van
besluiten of het doen van voordrachten krachtens dit reglement, is Onze
Minister bevoegd.
Hoofdstuk II. Algemene en organisatorische bepalingen
Artikel 5
1.Bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken bestaat een Dienst
Buitenlandse Zaken.
2.De Dienst Buitenlandse Zaken bestaat uit:
a. degenen die bij koninklijk besluit, dan wel door Onze Minister, als
ambtenaar van de Dienst Buitenlandse Zaken zijn aangesteld;
b. degenen die door Onze Minister als werknemer in dienst zijn genomen;
c. degenen die bij koninklijk besluit, dan wel door Onze Minister, als
honoraire consulaire ambtenaren zijn aangesteld, met inachtneming van
het tweede lid van artikel 132;
d. degenen die door het hoofd van een der in artikel 7 genoemde
vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland bij die
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland als honorair
adviseur zijn aangesteld, met inachtneming van het tweede lid van
artikel 140.
3.Met betrekking tot hun dienstverrichtingen worden voorts de in het
derde, vierde en zesde lid van artikel 8 genoemde gedetacheerden dan wel
toegevoegden gelijkgesteld met degenen die tot de Dienst Buitenlandse
Zaken behoren.
Artikel 6
1. De Dienst Buitenlandse Zaken heeft tot taak, het beleid ter zake van
de door het Koninkrijk met het buitenland onderhouden betrekkingen en de
door de regering bevorderde ontwikkeling van de internationale
rechtsorde, ambtelijk voor te bereiden, gestalte te geven, te
coördineren en tot uitvoering te brengen; hij staat daartoe onder
leiding van Onze Minister, met inachtneming van de verantwoordelijkheden
van Onze Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, alsmede van Onze
Minister van Economische Zaken ingevolge het vijfde lid van artikel 12.
2. Met inachtneming van het volkenrecht, in het bijzonder de voor het
Koninkrijk, Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten bindende
internationale verdragen en andere overeenkomsten alsmede de
buitenlandse wetten en gebruiken, omvat de in het eerste lid genoemde
taak mede:
a. het vertegenwoordigen van het Koninkrijk buiten zijn grondgebied;
b. het uitdragen en toelichten van het beleid van het Koninkrijk ten
aanzien van internationale vraagstukken en ontwikkelingen;
c. het behartigen en beschermen van de belangen van het Koninkrijk, van
Nederlanders en van rechtspersonen van Nederland, Aruba, Curaçao en
Sint Maarten buiten het grondgebied van het Koninkrijk;
d. het verzamelen, verwerken en verstrekken van inlichtingen omtrent
internationale ontwikkelingen ten behoeve van de overheid van Nederland,
Aruba, Curaçao en Sint Maarten, van Nederlanders en van rechtspersonen
van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
e. het verrichten van de gerechtelijke, buitengerechtelijke en
administratieve handelingen en werkzaamheden welke krachtens
internationale overeenkomsten en de wetten en voorschriften van het
Koninkrijk aan ambtenaren die in diplomatieke of consulaire functies
zijn aangesteld, zijn opgedragen en waartoe zij bevoegd zijn verklaard;
f. andere bij koninklijk besluit, dan wel door de regering, door
tussenkomst van Onze Minister, aan vertegenwoordigingen van het
Koninkrijk in het buitenland op te dragen werkzaamheden welke met het
buitenlands beleid dan wel de bevordering van de internationale
rechtsorde samenhangen.
Artikel 7
1.Het Ministerie van Buitenlandse Zaken omvat het in Nederland
gevestigde deel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, verder
aangeduid met departement, en de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk
in het buitenland.
2.De vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland kunnen
zijn:
a. vaste diplomatieke zendingen, te weten ambassades en gezantschappen;
b. permanente vertegenwoordigingen van het Koninkrijk bij internationale
organisaties, ook als deze in Nederland zijn gevestigd;
c. consulaire posten, te weten consulaten-generaal, consulaten,
vice-consulaten en consulaire agentschappen;
d. tijdelijke diplomatieke zendingen;
e. andere, naar het oordeel van Onze Minister met de onder a tot en met
d vergelijkbare, posten.
3.De in het tweede lid genoemde vertegenwoordigingen van het Koninkrijk
in het buitenland worden bij koninklijk besluit naar behoefte ingesteld,
geopend, verplaatst, gesloten en opgeheven; bij de instelling worden hun
hoedanigheid en plaats van vestiging of bestemming bepaald.
4.Het ambtsgebied van een vaste diplomatieke zending omvat het
grondgebied van de staat of de staten waar de zending wordt onderhouden.
5.Onze Minister bepaalt voor elke consulaire post een ressort en kan dit
naar behoefte wijzigen. Binnen de ressorten van consulaire posten kan
hij sub-ressorten instellen voor consulaire posten van dezelfde of
lagere orde.
6.Consulaire posten die zich binnen het ambtsgebied van een vaste
diplomatieke zending bevinden zijn daaraan ondergeschikt tenzij Onze
Minister anders bepaalt.
Artikel 8
1. Bij het departement kunnen werkzaam zijn:
a. ambtenaren;
b. ambtenaren van Aruba, Curaçao en Sint Maarten welke door Onze
Minister in overeenstemming met de regering van Aruba, Curaçao dan wel
Sint Maarten, bij het departement zijn gedetacheerd.
c. anderen dan de onder a en b genoemden die door of in overeenstemming
met Onze Minister tijdelijk op het departement zijn tewerkgesteld.
2. Bij de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland
kunnen werkzaam zijn:
a. ambtenaren;
b. werknemers als bedoeld in artikel 114;
c. degenen die bij koninklijk besluit dan wel door Onze Minister als
honorair consulair ambtenaar zijn aangesteld;
d. honoraire adviseurs, in de zin van artikel 5, tweede lid, onder d.
3. Bij de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland
kunnen voorts ter verdere verwezenlijking van de in artikel 6 genoemde
taak
a. in overeenstemming met Onze Minister worden gedetacheerd ambtenaren
van een ander ministerie, wier detachering geschiedt door Onze Minister,
hoofd van het betrokken ministerie;
b. werknemers, bedoeld in artikel 115 werkzaam zijn.
4. Aan de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland
kunnen voorts ter verdere verwezenlijking van de in artikel 6 genoemde
taak door Onze Minister worden toegevoegd ambtenaren van een ander
ministerie, dan wel van Aruba, Curaçao en van Sint Maarten, die met het
oog op die tewerkstelling tijdelijk ter beschikking zijn gesteld van
Onze Minister.
5. Onze Minister kan voorts, onder door hem te stellen voorwaarden,
anderen dan degenen bedoeld in het tweede tot en met vierde lid
tijdelijk bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het
buitenland werkzaam laten zijn.
6. In bijzondere gevallen kunnen aan tijdelijke diplomatieke zendingen
anderen dan de in het tweede, derde, vierde en vijfde lid genoemden,
worden toegevoegd.
7. Onze Minister kan, voor wat betreft de dienstverrichtingen van
degenen die in het derde, vierde en zesde lid zijn genoemd, in
overeenstemming met zijn betrokken ambtgenoot, dan wel met de regering
van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten;, nadere regelen
stellen.
8. Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie, stelt in
overeenstemming met Onze Minister de vergoedingen en tegemoetkomingen
vast welke verband houden met de in het derde lid, onder a, bedoelde
detacheringen volgens de regelen die bij of krachtens dit reglement zijn
gesteld.
9. Op degenen die ingevolge het vierde lid aan een vertegenwoordiging
van het Koninkrijk in het buitenland worden toegevoegd, kan Onze
Minister bepalingen van dit reglement, welke gelden voor ambtenaren, van
overeenkomstige toepassing verklaren.
Artikel 9
1.De hoofden van de in artikel 7 genoemde vertegenwoordigingen van het
Koninkrijk in het buitenland worden, behoudens het hierna in het tweede
en derde lid bepaalde, bij koninklijk besluit uit de ambtenaren benoemd.
2.Tot hoofd van een consulaire post kan bij koninklijk besluit ook een
honorair consulair ambtenaar worden aangesteld.
3.Tot hoofd van een tijdelijke diplomatieke zending kan bij koninklijk
besluit ook een persoon die geen ambtenaar is worden aangesteld, mits
deze de Nederlandse nationaliteit bezit.
4.Hoofden van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland
worden bij koninklijk besluit, waar nodig, van geloofds- en
terugroepingsbrieven, benoemingsbrevetten of inleidingsbrieven voorzien.
5.Als hoofd van een vaste diplomatieke zending kan door Onze Minister,
indien een benoeming als bedoeld in het eerste lid niet heeft
plaatsgevonden, een ambtenaar worden aangewezen in de hoedanigheid van
Zaakgelastigde. Onze Minister voorziet deze, indien nodig, van een
inleidingsbrief.
Artikel 10
1. Het hoofd van een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het
buitenland is jegens Onze Minister verantwoordelijk voor de leiding en
inrichting van die vertegenwoordiging, alsmede voor de goede verrichting
van de dienst, zulks met inachtneming van artikel 12.
2. Voorts is deze verantwoordelijk voor:
a. een juist beheer van de zaken en andere waarden in gebruik bij of
toevertrouwd aan die vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het
buitenland;
b. een goed comptabel en financieel beheer;
c. het toezicht op de ambtenaar die als rekenplichtig ambtenaar in de
zin van de Comptabiliteitswet 2001 het beheer voert over de aan de
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland toevertrouwde
gelden en geldswaardige papieren.
3. Het hoofd van een vaste diplomatieke zending heeft het toezicht op
ambtenaren en overheidsinstellingen van Nederland, Aruba, Curaçao en
Sint Maarten die zich duurzaam of tijdelijk voor ambtsverrichtingen in
zijn ambtsgebied bevinden. Betrokkene kan in dit ambtsgebied tevens
toezicht uitoefenen op de werkzaamheden van instellingen van Nederland,
Aruba, Curaçao en Sint Maarten, geen ondernemingen zijnde, die zich
bezighouden met de bevordering van de belangen van Nederland, Aruba,
Curaçao en Sint Maarten en de uitvoering van het overheidsbeleid,
alsmede op die van de vertegenwoordigingen of neveninstellingen daarvan.
De vorige volzin geldt niet ten aanzien van een permanente
vertegenwoordiging van het Koninkrijk bij een internationale organisatie
met betrekking tot het vertegenwoordigen van het Koninkrijk bij die
internationale organisatie, en ten aanzien van een tijdelijke
diplomatieke zending met betrekking tot de aangelegenheid waartoe die
tijdelijke diplomatieke zending werd ingesteld.
4. Het hoofd van een vaste diplomatieke zending geeft aanwijzingen aan
en oefent toezicht uit op de hoofden van consulaire posten die aan die
vaste diplomatieke zending ondergeschikt zijn en kan het toezicht,
bedoeld in het derde lid, overdragen aan deze consulaire posten.
5. De bevoegdheden, in het derde en vierde lid voorzien, worden ook
uitgeoefend door hoofden van consulaire posten, niet gelegen in het
ambtsgebied van een vaste diplomatieke zending.
Artikel 11
1.Het hoofd van een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het
buitenland verlaat diens standplaats niet zonder in de leiding of
waarneming ervan te hebben voorzien met inachtneming van het tweede tot
en met zesde lid.
2.Voor afwezigheid van de standplaats binnen het land van vestiging,
alsmede voor verblijf buiten het land van vestiging behoeft betrokkene
steeds de voorafgaande goedkeuring van Onze Minister, welke goedkeuring
ook kan worden ontleend aan een door Onze Minister voor die
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland vastgestelde
regeling.
3.Indien de plaats van hoofd van een vertegenwoordiging van het
Koninkrijk in het buitenland openstaat, of indien het hoofd van een
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland buiten het
ambtsgebied verblijft dan wel, indien het een consulaire post betreft,
buiten het ressort van die consulaire post, dan wel buiten staat is
diens functie uit te oefenen, is de hoogste bij die vertegenwoordiging
van het Koninkrijk in het buitenland geplaatste ambtenaar in vaste
dienst met de waarneming belast, tenzij Onze Minister anders bepaalt.
4.Degene die met de waarneming is belast treedt op als tijdelijk hoofd
van die vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland;
betrokkene is niet bevoegd om zonder dringende noodzaak wijziging te
brengen in de dienstverrichting alsmede de inrichting van de
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland.
5.Degene die met de waarneming van een vaste diplomatieke zending is
belast treedt, indien betrokkene bij de desbetreffende staat met een
diplomatieke titel is ingeleid, op als Tijdelijk Zaakgelastigde.
6.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de waarneming van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het
buitenland.
Artikel 12
1.Allen die bij de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het
buitenland werkzaam zijn, oefenen hun werkzaamheden uit overeenkomstig
de voorschriften dan wel aanwijzingen die bij koninklijk besluit dan wel
door Onze Minister zijn gesteld of gegeven, onverminderd het tweede tot
en met vijfde lid.
2.Zij staan daarbij onder leiding van het hoofd van de desbetreffende
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland of, bij diens
afwezigheid of verhindering, van degene die met de leiding of waarneming
is belast.
3.De ambtenaren bedoeld in het derde lid van artikel 8, oefenen hun
werkzaamheden uit overeenkomstig de voorschriften en aanwijzingen welke
worden gegeven door Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie,
behoudens bedenkingen van Onze Minister of van het hoofd van de
desbetreffende vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland,
in welk geval gehandeld dient te worden overeenkomstig de regeling welke
ter zake door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister, hoofd
van het betrokken ministerie, is vastgesteld.
4.Voor wat ontwikkelingssamenwerking betreft, worden deze voorschriften
en aanwijzingen vastgesteld door Onze Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking.
5.Voor wat economische werkzaamheden betreft, worden deze voorschriften
en aanwijzingen vastgesteld op de door Onze Minister en Onze Minister
van Economische Zaken overeengekomen wijze. Binnen het kader van deze
overeenkomst zijn de Directeur-Generaal voor de Buitenlandse Economische
Betrekkingen, alsmede de Directeur voor Exportbevordering en Economische
Voorlichting, ter zake van economische onderwerpen bevoegd, onder
verantwoordelijkheid van Onze Minister van Economische Zaken
rechtstreeks bijzondere instructies aan de hoofden der
vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland te geven.
Artikel 13
1.Onze Minister draagt, zoveel mogelijk overeenkomstig de regels welke
gelden voor degenen die op het departement werkzaam zijn, zorg voor een
zo goed mogelijk arbeidsomstandighedenbeleid voor degenen die werkzaam
zijn bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland.
2.Ter voorbereiding op plaatsing in het buitenland, gedurende plaatsing
in het buitenland, en in verband met terugplaatsing naar Nederland van
ambtenaren, heeft het eerste lid tevens betrekking op hun gezinsleden.
In dit kader erkent Onze Minister de bijzondere positie van de
huwelijkspartner van de in het buitenland geplaatste ambtenaar.
3.Bij ministeriële regeling kunnen voor de verwezenlijking van het
eerste lid regels worden gesteld. De in het eerste lid bedoelden zijn
gehouden zich naar die regelen te gedragen en zich er voor in te spannen
dat deze voor zover van toepassing door hun gezinsleden worden
nageleefd.
4.Komt aan het gezinsverband in het buitenland van degenen die in het
tweede lid van dit artikel zijn genoemd geheel of ten dele een eind, dan
richt de bevordering van het welzijn zich, binnen door Onze Minister te
stellen grenzen, en indien door betrokkenen gewenst, mede op de
herplaatsing van de repatriërenden in de Nederlandse samenleving of
andere samenleving van hun keuze.
5.Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing op
degenen die op de voet van het derde tot en met zesde lid van artikel 8
bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland zijn
gedetacheerd, dan wel daaraan zijn toegevoegd.
6.
a. Onze Minister benoemt één of meer ambtenaren tot
contactfunctionaris.
b. De Contactfunctionaris adviseert en assisteert gezinsleden van
ambtenaren op hun verzoek aangaande zaken die verband houden met het
persoonlijk welzijn van die gezinsleden in verband met de plaatsing van
de ambtenaar in het buitenland, en adviseert Onze Minister aangaande
voorzieningen in verband met het persoonlijk welzijn van de ambtenaar en
diens gezinsleden.
Artikel 14
1.De bepalingen van dit reglement vinden slechts toepassing, voor zover
niet bij of krachtens een wet anders is of wordt bepaald.
2.Bepalingen van dit reglement zijn niet toepasselijk op degenen die in
het tweede lid van artikel 5 en het derde, vierde en zesde lid van
artikel 8 zijn genoemd ten aanzien van wie een algemene maatregel van
bestuur of een uit kracht daarvan gegeven voorschrift om bijzondere
redenen hun toepasselijkheid uitsluit.
Artikel 15
Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
krachtens artikel 4a van het ARAR gestelde regels ten aanzien van de
werving en selectie van ambtenaren zijn van overeenkomstige toepassing.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere en zonodig afwijkende regels
worden gesteld.
Hoofdstuk III. Toepasselijkheid van bepalingen
Artikel 16
1. Op ambtenaren zijn van toepassing de hoofdstukken I tot en met XIV en
XXI tot en met XXV.
2. Op degenen die ingevolge het derde en vierde lid van artikel 8 bij
een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland zijn
gedetacheerd of toegevoegd, dan wel ingevolge het zesde lid van artikel
8 aan een tijdelijke diplomatieke zending zijn toegevoegd, zijn van
toepassing de hoofdstukken I tot en met III en XXI tot en met XXV.
3. Op werknemers zijn van toepassing de hoofdstukken I tot en met III,
XVIII en XXI tot en met XXV.
4. Op honoraire consulaire ambtenaren zijn van toepassing de
hoofdstukken I tot en met III, XIX en XXI tot en met XXV.
5. Op honoraire adviseurs zijn van toepassing de hoofdstukken I tot en
met III en XX tot en met XXV.
6. In de artikelen van de in het eerste tot en met vijfde lid genoemde
hoofdstukken worden waar nodig bepalingen van andere hoofdstukken van
overeenkomstige toepassing verklaard, of wordt de toepasselijkheid van
artikelen beperkt tot een groep of groepen van degenen die daarin zijn
genoemd.
7. De hoofdstukken VI, VIII en IX zijn niet van toepassing op ambtenaren
met gedeeltelijke dag-, week- of jaartaken, die niet regelmatig dienst
doen. Ten aanzien van de in die hoofdstukken geregelde onderwerpen
worden voor hen voor elk betrokken dienstonderdeel de nodige bepalingen
vastgesteld.
8. Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van enkele
diensten niet vallende binnen de taak van het desbetreffende
dienstonderdeel, waarbij per dienst een afzonderlijke beloning wordt
vastgesteld, zijn niet van toepassing:
a. hoofdstuk V;
b. de artikelen 31 en 33 tot en met 33a;
c. de hoofdstukken VIII en IX;
d. hoofdstuk X, paragrafen 2 en 3;
e. de artikelen 45a, 54d, 56 en 57.
Hoofdstuk IV. Aanstelling
Paragraaf 1. De aanstelling
Artikel 17. Aanstelling
1.De aanstelling geschiedt in vaste of tijdelijke dienst.
2.De aanstelling geschiedt in vaste dienst, tenzij er grond is een
aanstelling in tijdelijke dienst te verlenen. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld.
3.De aanstelling geschiedt in de regel met het oogmerk van wisselende
functievervulling op het departement en bij vertegenwoordigingen van het
Koninkrijk in het buitenland.
4.Degene die geen Nederlander is, kan slechts worden aangesteld indien:
a. hem in Nederland rechtmatig verblijf is toegestaan als bedoeld in
artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 en Onze Minister voor hem
beschikt over een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid
vreemdelingen, tenzij die tewerkstellingsvergunning krachtens
laatstgenoemde wet niet is vereist, en
b. aanstelling niet geschiedt met het in het derde lid genoemde oogmerk,
maar met het oogmerk van functievervulling op het departement.
5.Onder aanstelling in vaste dienst wordt tevens verstaan de
indiensttreding van een ambtenaar in vaste dienst in algemene dienst van
het rijk als bedoeld in artikel 5a van het ARAR. Voor de duur van het
dienstverband bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken is op betrokkene
niet het ARAR, maar dit reglement van toepassing.
6.Onder aanstelling wordt niet verstaan een benoeming van een lid van de
topmanagementgroep als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, van
het ARAR.
7.Aanstelling in een functie waaruit op grond van artikel 102 ontslag
kan worden verleend, vindt niet plaats van personen die onmiddellijk
voorafgaande aan de vroegst mogelijke datum van dat ontslag geen
ononderbroken diensttijd van ten minste vijf jaar, doorgebracht in een
of meer van die functies, zouden kunnen aanwijzen.
Artikel 18. Aanstelling in vaste dienst
De aanstelling in vaste dienst geschiedt in algemene dienst van het
rijk.
Artikel 19. Aanstelling in tijdelijke dienst
1.Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt verleend voor:
a. een kalenderperiode, of
b. een andere objectief bepaalbare periode.
2.Een aanstelling in tijdelijke dienst kan plaatsvinden:
a. voor een proeftijd van ten hoogste twee jaar, zonodig ambtshalve te
verlengen met de tijd gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in
werkelijke dienst heeft doorgebracht;
b. voor een tijd van ten hoogste drie maanden, indien de betrokkene de
verlangde verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in artikel 23, zesde
lid, nog niet in zijn bezit heeft;
c. voor het verrichten van werkzaamheden waarvoor slechts tijdelijk een
beroep op de arbeidsmarkt kan worden gedaan;
d. voor een opleiding tot een beroep of verdere theoretische of
praktische vorming;
e. voor oproepkrachten;
f. voor een andere reden.
3.In het geval een aanstelling in tijdelijke dienst voor een proeftijd
is voorafgegaan door een andere aanstelling in tijdelijke dienst
krachtens het tweede lid, onder b tot en met f, wordt de maximale duur
van de proeftijd verminderd met de duur van die andere aanstelling,
indien:
a. beide aanstellingen in tijdelijke dienst zijn verleend door Onze
Minister;
b. de andere aanstelling in tijdelijke dienst is beëindigd binnen een
periode van drie maanden direct voorafgaande aan de aanstelling in
tijdelijke dienst voor een proeftijd, en
c. het in deze beide aanstellingen in tijdelijke dienst dezelfde
werkzaamheden betreft.
4.Vanaf de dag waarop na het verstrijken van de door Onze Minister
vastgestelde proeftijd de aanstelling in tijdelijke dienst stilzwijgend
wordt voortgezet, geldt dat er een aanstelling in vaste dienst is
verleend.
5.De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het tweede lid, onder
b tot en met f, wordt geacht opnieuw voor dezelfde tijd, maar telkens
ten hoogste voor een jaar op dezelfde voorwaarden te zijn verleend in
geval van stilzwijgende voortzetting na het verstrijken van de tijd,
voor welke zij is verleend.
6.De aanstelling in tijdelijke dienst geldt als een aanstelling in vaste
dienst vanaf de dag waarop:
a. door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst
elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd
en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben
overschreden, of
b. meer dan drie door Onze Minister verleende aanstellingen in
tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer
dan drie maanden.
7.Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing, indien de ambtenaar
voorafgaande aan een door Onze Minister verleende aanstelling in
tijdelijke dienst dan wel tussen twee door Onze Minister verleende
aanstellingen in tijdelijke dienst binnen zijn gezagsbereik op een
andere titel dan een aanstelling dezelfde werkzaamheden heeft verricht.
8.Het zesde lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op een
aanstelling, aangegaan voor niet meer dan drie maanden, die onmiddellijk
volgt op een aanstelling van 36 maanden of langer.
Paragraaf 2. Individuele arbeidsvoorwaarden. Vast en variabel aantal
uren
Artikel 20. Aanstelling met buiten toepassing verklaring van onderdelen
van het RDBZ en andere besluiten
1.In zeer bijzondere gevallen kan op aanvraag van betrokkene een
aanstelling in tijdelijke dienst worden verleend waarin ten aanzien van
hem dit besluit gedeeltelijk of andere algemene maatregelen van bestuur
als bedoeld in artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet die
specifiek betrekking hebben op ambtenaren in de zin van dit besluit of
van het ARAR, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing worden verklaard.
2.Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
gestelde nadere regels omtrent het eerste lid zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 21. Aanstelling voor vast of variabel aantal uren
1.De aanstelling geschiedt voor een vast aantal uren of voor een
variabel aantal uren.
2.Indien de aanstelling geschiedt voor een variabel aantal uren wordt
daarbij een aantal garantie-uren bepaald.
3.Indien het dienstbelang zich in bijzondere gevallen verzet tegen het
bepalen van een aantal garantie-uren kan Onze Minister regels stellen
waarbij wordt afgeweken van het tweede lid.
Paragraaf 3. Bevoegdheid tot aanstelling
Artikel 22. Tot aanstelling bevoegd gezag
1.De aanstelling van de ambtenaar vindt plaats door Onze minister.
2.De aanstelling in de functie van secretaris-generaal of
directeur-generaal bij het ministerie van Buitenlandse Zaken vindt
plaats bij Koninklijk Besluit, op de voordracht van Onze minister.
Paragraaf 4. Voorwaarden voor aanstelling
Artikel 23. Onderzoek naar geschiktheid en bekwaamheid
1.Een aanstelling voor de tijd van langer dan drie maanden kan slechts
plaatsvinden, indien Onze Minister op grond van de gegevens waarover hij
beschikt van oordeel is dat de betrokkene in voldoende mate geschikt en
bekwaam is.
2.Onze Minister kan voor een bepaalde functie of voor een groep van
functies eisen van geschiktheid en bekwaamheid vaststellen waaraan de
betrokkene moet voldoen om voor een aanstelling in aanmerking te komen.
3.Teneinde vast te stellen of de betrokkene in voldoende mate geschikt
of bekwaam is, wordt deze aan een onderzoek onderworpen, waaronder
begrepen het verifiëren en zo nodig aanvullen van de gegevens die door
de betrokkene desgevraagd zijn verstrekt.
4.Het onderzoek, bedoeld in het derde lid, omvat tevens:
a. een psychologisch onderzoek, indien daaraan naar het oordeel van Onze
Minister behoefte bestaat;
b. een geneeskundig onderzoek, indien
1°. dit op grond van een wettelijk voorschrift verplicht is gesteld;
2°. op grond van functie-eisen een onderzoek naar de medische
geschiktheid van de betrokkene noodzakelijk is, of
3°. indien de aanstelling geschiedt met het oogmerk van wisselende
functievervulling op het departement en bij vertegenwoordigingen van het
Koninkrijk in het buitenland, in welk geval het onderzoek door de
deskundige persoon of de arbodienst gericht is op de bepaling van de
medische geschiktheid voor dienstverrichting waar ook ter wereld.
5.Onze Minister stelt vast voor welke functies een onderzoek naar de
medische geschiktheid van de betrokkene noodzakelijk is.
6.Onze Minister kan, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in het
zevende en achtste lid, van de betrokkene vergen dat deze een verklaring
omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële gegevens overlegt.
7.Indien een functie niet zijnde een vertrouwensfunctie als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken,
bijzondere eisen stelt aan de integriteit of de verantwoordelijkheid van
degene die deze functie vervult en indien een zwaarwegend algemeen
belang dit vordert, kunnen aan Onze Minister justitiële gegevens worden
verstrekt voor het verrichten van een onderzoek naar de betrouwbaarheid
en de geschiktheid van een kandidaat voor die functie. Aanstelling in
een zodanige functie is slechts mogelijk, indien op grond van het
onderzoek tegen de vervulling door betrokkene van de desbetreffende
functie geen bezwaar blijkt te bestaan.
8.Aanstelling in een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, waaronder mede begrepen
wordt aanstelling welke geschiedt met het oogmerk van wisselende
functievervulling op het departement en bij vertegenwoordigingen van het
Koninkrijk in het buitenland, is slechts mogelijk indien ten aanzien van
de betrokkene een verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
b, van die wet is afgegeven.
9.Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van het
onderzoek, bedoeld in het zevende lid. Deze nadere regels dienen in
ieder geval waarborgen te bevatten omtrent een voldoende bescherming van
de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.
10.Het geneeskundig onderzoek, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b,
mag pas plaatsvinden, indien de betrokkene naar het oordeel van Onze
Minister op grond van het onderzoek, bedoeld in het derde lid, en
eventueel na het psychologisch onderzoek, bedoeld in het vierde lid,
onderdeel a, overigens voldoende bekwaam en geschikt is. Ook een
verklaring omtrent het gedrag mag dan pas worden gevraagd.
11.Een onderzoek als bedoeld in het zevende lid of een
veiligheidsonderzoek wordt pas ingesteld als naar het oordeel van Onze
Minister de betrokkene bekwaam en geschikt is voor de desbetreffende
functie of voor wisselende functievervulling op het departement en bij
vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland.
12.Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
gestelde nadere regels omtrent het onderzoek, bedoeld in het derde lid,
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23a
Bij wijziging van omstandigheden, zoals bij omzetting van een tijdelijke
in een vaste aanstelling of bij plaatsing of tijdelijke tewerkstelling
in een andere functie, niet zijnde een vertrouwensfunctie als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, kan
een verklaring omtrent het gedrag verlangd worden of, indien het een
functie betreft die bijzondere eisen stelt aan de integriteit of
verantwoordelijkheid van de betrokkene, kan om justitiële gegevens
worden verzocht, indien de wijziging van omstandigheden zodanig is dat
dat nodig is.
Artikel 23b. Kosten en uitslag geneeskundig onderzoek
1. De kosten van het geneeskundig onderzoek en het hernieuwd
geneeskundig onderzoek komen voor rekening van het Rijk. Hier te lande
daartoe gemaakte reis- en verblijfkosten worden vergoed op de voet van
het Reisbesluit binnenland. Buitenslands gemaakte reis- en
verblijfkosten komen voor vergoeding in aanmerking voor zover daartoe
vooraf door het bevoegd gezag is besloten.
2. De uitslag van het geneeskundig onderzoek wordt uiterlijk binnen twee
weken na vaststelling aan de betrokkene medegedeeld.
3. De betrokkene kan binnen twee weken nadat hem de uitslag van het
geneeskundig onderzoek is meegedeeld, een hernieuwd geneeskundig
onderzoek aanvragen.
4. Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
gestelde nadere regels omtrent het hernieuwd geneeskundig onderzoek zijn
van overeenkomstige toepassing. Dit hernieuwd geneeskundig onderzoek mag
niet worden verricht door de arts die het geneeskundig onderzoek heeft
verricht.
5. Bij wijziging van een tijdelijke in een vaste aanstelling vindt niet
opnieuw een geneeskundig onderzoek plaats, tenzij ten aanzien van de
geschiktheid van de betrokkene ernstige twijfel is gerezen.
6. De betrokkene die op grond van artikel 23, vierde lid, onderdeel b,
is onderworpen aan een geneeskundig onderzoek, wordt bij plaatsing in
een andere functie opnieuw aan een onderzoek naar de medische
geschiktheid onderworpen indien betrokkene voor het vervullen van die
functie aan andere medische eisen dient te voldoen dan voor de tot
dusverre vervulde functie.
7. a. Gezinsleden van de in artikel 23, vierde lid, onder b, ten 2°,
bedoelde ambtenaar die in tijdelijke dienst is aangesteld om tijdelijk
werkzaam te zijn bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het
buitenland, worden, mede vanwege het bepaalde in artikel 36, vierde lid,
in de gelegenheid gesteld, door middel van een geneeskundig onderzoek
inzicht te verwerven in hun geschiktheid tot verblijf in het
desbetreffende land.
b. Gezinsleden van de in artikel 23, vierde lid, onder b, ten 3°,
bedoelde ambtenaar worden, mede vanwege het bepaalde in artikel 36,
vierde lid, in de gelegenheid gesteld, door middel van een geneeskundig
onderzoek inzicht te verwerven in hun geschiktheid tot verblijf waar ook
ter wereld.
c. Op de onderdelen a en b is het eerste tot en met vierde lid van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 23c. Kosten en uitslag psychologisch onderzoek
1.Aan de betrokkene die is onderworpen aan een psychologisch onderzoek
als bedoeld in artikel 23, vierde lid, onderdeel a, wordt op zijn
verzoek binnen twee weken na de vaststelling van de uitslag van het
onderzoek inzage verleend in die uitslag. Dit vindt plaats in het kader
van een nagesprek met de psycholoog die het onderzoek heeft verricht.
2.Mededeling van de uitslag van het onderzoek aan Onze Minister blijft
achterwege, indien de betrokkene uiterlijk een week nadat hij van de
uitslag van het onderzoek heeft kennis genomen zijn wens daartoe
schriftelijk heeft meegedeeld aan degene die met het onderzoek is
belast.
3.De uitslag van het onderzoek wordt niet eerder dan twee weken nadat
betrokkene van de uitslag van het onderzoek heeft kennis genomen,
medegedeeld aan Onze Minister, tenzij die mededeling op een eerder
tijdstip nodig is en de betrokkene met die eerdere mededeling
schriftelijk heeft ingestemd.
4.Voor zover dit niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig het bepaalde
in het eerste lid heeft de betrokkene recht op een nagesprek met de
psycholoog die het onderzoek heeft verricht.
5.De betrokkene kan na afloop van het in het eerste en vierde lid
bedoelde nagesprek afschrift nemen van de uitslag of daarvan een
fotokopie krijgen overeenkomstig het in en krachtens artikel 12 van de
Wet openbaarheid van bestuur bepaalde.
6.De kosten van het onderzoek en van het nagesprek komen voor rekening
van het Rijk. Hier te lande daartoe gemaakte reis- en verblijfkosten
worden vergoed op de voet van het Reisbesluit binnenland. Buitenslands
gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor vergoeding in aanmerking
voor zover daartoe vooraf door het bevoegd gezag is besloten.
Paragraaf 5. De akte van aanstelling en andere bescheiden
Artikel 24. Akte van aanstelling
1.Aan de ambtenaar wordt, zo mogelijk voordat zijn aanstelling een
aanvang neemt, een akte van aanstelling uitgereikt, waarin in ieder
geval worden vermeld:
a. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de ambtenaar;
b. de naam van het ministerie en het dienstonderdeel waarbij hij
werkzaam zal zijn;
c. de datum, met ingang waarvan hij wordt aangesteld;
d. of de aanstelling geschiedt in vaste of tijdelijke dienst, en
e. of de aanstelling geschiedt met het oogmerk van wisselende
functievervulling op het departement en bij vertegenwoordigingen van het
Koninkrijk in het buitenland, dan wel met het oogmerk van wisselende
functievervulling op het departement.
2.Indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst, wordt bovendien
in de akte van aanstelling vermeld:
a. de duur van de aanstelling in tijdelijke dienst;
b. de toepasselijke, in artikel 19, tweede lid, omschreven grond(en)
voor de aanstelling in tijdelijke dienst, en
c. de specifieke reden, indien sprake is van een aanstelling op grond
van artikel 19, tweede lid, onder f.
3.Indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst met toepassing
van artikel 20, eerste lid, wordt bovendien in de akte van aanstelling
vermeld welke van de in dat artikellid bedoelde regelingen geheel of
gedeeltelijk buiten toepassing zijn verklaard.
4.Indien de aanstelling geschiedt voor een variabel aantal uren wordt in
de akte van aanstelling in voorkomende gevallen bovendien het op grond
van artikel 21, tweede lid, voor de ambtenaar geldende aantal
garantie-uren vermeld.
5.In geval van indiensttreding van een ambtenaar in vaste dienst in
algemene dienst van het rijk als bedoeld in artikel 17, vijfde lid, zijn
het eerste, tweede en vierde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24a. Nadere schriftelijke mededelingen
Voor zover deze gegevens op hem betrekking hebben en niet reeds in de
akte van aanstelling zijn vermeld, worden aan de ambtenaar zo spoedig
mogelijk schriftelijk medegedeeld:
a. het dienstonderdeel waarbij en de functie waarin hij wordt geplaatst,
de periode gedurende welke hij in die functie wordt geplaatst alsmede de
hem aangewezen standplaats;
b. de salarisschaal en de voor de bepaling van die schaal in acht
genomen regels;
c. het salaris dat hem is toegekend, alsmede het salarisnummer en het
tijdstip waarop het salaris voor de eerste maal periodiek zal kunnen
worden verhoogd.
Artikel 24b. Informeren over hoofdlijnen van de rechtspositie
1.De ambtenaar wordt bij zijn aanstelling schriftelijk op de hoogte
gesteld van de hoofdlijnen van zijn rechtspositie.
2.Regelingen waarin zijn rechtspositie is neergelegd, worden op een voor
de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Van
deze regelingen kan hij kosteloos afschriften maken voor zover dat
redelijkerwijs nodig is.
3.De schriftelijk vastgestelde en voor hem geldende regelingen en
instructies, welke hij bij de vervulling van zijn dienst heeft na te
leven, worden eveneens op een voor de ambtenaar gemakkelijk
toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Ingeval de vermelde regelingen
en instructies niet schriftelijk zijn vastgelegd, worden deze behoorlijk
te zijner kennis gebracht.
Hoofdstuk V. Loopbaanvorming
Artikel 25. Mobiliteitsbevordering
1.De ambtenaar die is aangesteld in vaste dienst dan wel in tijdelijke
dienst voor een proeftijd, wordt in de gelegenheid gesteld zijn
mobiliteit te bevorderen, onder meer door scholing.
2.De in het eerste lid bedoelde ambtenaar draagt, onder meer door
scholing, zorg voor de bevordering van zijn mobiliteit, voor zover dat
redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.
3.Bij ministeriële regeling of bij beleidsregel van Onze Minister
worden regels gesteld betreffende de bevordering van de mobiliteit.
4.In dit artikel wordt onder bevordering van mobiliteit verstaan de
vergroting van de geschiktheid van de ambtenaar voor de vervulling van
een andere functie dan die waarin hij is of was geplaatst.
Artikel 25a. Loopbaanscan
1.De ambtenaar die ten minste drie jaar een functie dan wel
vergelijkbare of uitwisselbare functies vervult, heeft de mogelijkheid
om, op kosten van het bevoegd gezag, eenmaal per vijf jaar een
vertrouwelijke loopbaanscan te doen, met behulp van een professionele
loopbaandeskundige.
2.De ambtenaar kan de uitkomsten van de loopbaanscan inbrengen in het
gesprek, bedoeld in artikel 78, ter ondersteuning van het maken van
afspraken over de wijze waarop de persoonlijke ontwikkeling van de
ambtenaar bevorderd kan worden.
Artikel 26. Plaatsingsduur
1.Plaatsing in een functie geschiedt voor een vooraf bepaalde periode.
Na afloop van de voor de ambtenaar vastgestelde plaatsingsduur eindigt
de plaatsing.
2.Met inachtneming van de in of krachtens de artikelen 27 en 29 gestelde
regels wordt de ambtenaar, aangesteld in vaste dienst of in tijdelijke
dienst voor een proeftijd, in een andere functie geplaatst. In
bijzondere gevallen kan plaatsing in dezelfde functie geschieden.
3.Om redenen ontleend aan het dienstbelang of aan het belang van de
betrokken ambtenaar of diens gezinsleden, kan een plaatsing worden
verlengd, dan wel worden beëindigd op een eerder tijdstip dan bedoeld
in het eerste lid.
4.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de
toepassing van dit artikel.
Artikel 27. Plaatsingen
1.Plaatsing in een functie geschiedt, behoudens het gestelde in artikel
29, op het departement of bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk
in het buitenland. Een plaatsing bij een vertegenwoordiging van het
Koninkrijk in het buitenland wordt, behoudens bijzondere omstandigheden,
niet gevolgd door een plaatsing bij diezelfde vertegenwoordiging.
2.De ambtenaar maakt op de daarvoor vastgestelde wijze kenbaar naar
welke functies zijn voorkeur voor plaatsing in een volgende functie
uitgaat.
3.De ambtenaar kan in een andere functie worden geplaatst dan die
waarvoor hij zijn voorkeur heeft kenbaar gemaakt, indien:
a. hij naar het oordeel van Onze Minister beschikt, dan wel binnen
redelijke termijn kan beschikken, over de kennis en kunde die
noodzakelijk worden geacht om die functie naar behoren te kunnen
uitoefenen, en
b. die functie hem redelijkerwijs kan worden opgedragen in verband met
zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande
vooruitzichten. Bedoelde plaatsing en de vaststelling van de
plaatsingsduur, komen tot stand na een zorgvuldige afweging van het
dienstbelang en het persoonlijk belang van de betrokkene en diens
gezinsleden.
4.Tussen twee plaatsingen in kan een ambtenaar wiens plaatsing ingevolge
artikel 26, eerste of derde lid, eindigt respectievelijk is beëindigd,
gedurende een periode van ten hoogste twaalf maanden ter beschikking
worden gehouden. Deze periode kan in bijzondere gevallen worden
verlengd. Gedurende de periode dat de ambtenaar ter beschikking wordt
gehouden, wordt hij belast met andere passende werkzaamheden dan wel met
studie gericht op het voortzetten van zijn loopbaan tenzij dat na
overleg met de ambtenaar redelijkerwijs niet mogelijk blijkt.
5.Behoudens spoedeisende gevallen, wordt de ambtenaar uiterlijk acht
weken voor de ingangsdatum in kennis gesteld van het besluit tot
plaatsing, dan wel het besluit tot terbeschikkinghouding. In het besluit
wordt ten minste vermeld: de ingangsdatum en, in geval van plaatsing, de
nieuwe standplaats, de te vervullen functie en de duur van de plaatsing.
6.De Nederlandse nationaliteit is vereist in geval van plaatsing bij een
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland. Indien het
dienstbelang dat bepaaldelijk vordert, kan van de eerste volzin worden
afgeweken.
7.Voor de bepaling van de geschiktheid voor een functie zijn de
artikelen 23, 23b en 23c van overeenkomstige toepassing.
8.Plaatsing in een functie waaruit op grond van artikel 102 ontslag kan
worden verleend, vindt niet plaats van degenen die onmiddellijk
voorafgaande aan de vroegst mogelijke datum van dat ontslag geen
ononderbroken diensttijd van ten minste vijf jaar, doorgebracht in een
of meer van die functies, zouden kunnen aanwijzen.
9.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de
toepassing van dit artikel.
Artikel 28 [Vervallen per 01-12-2005]
Artikel 29. Plaatsingen buiten het Ministerie van Buitenlandse Zaken
1. Naast plaatsingen ingevolge artikel 27 kan Onze Minister een
ambtenaar:
a. in overeenstemming met het desbetreffende bevoegde gezag, plaatsen
bij een ander ministerie, waaronder in dit artikel tevens wordt verstaan
een orgaan als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het ARAR;
b. in overeenstemming met de leiding van een volkenrechtelijke
organisatie waarvan het Koninkrijk of Nederland lid is, voordragen voor
een functie dan wel plaatsen bij die volkenrechtelijke organisatie;
c. in overeenstemming met de regering van Aruba, Curaçao
onderscheidenlijk Sint Maarten, plaatsen bij een ministerie van Aruba,
Curaçao of Sint Maarten;
d. belasten met een bijzondere opdracht buiten het verband van het
Ministerie van Buitenlandse Zaken, mits de aard van die opdracht
samenhangt met de in artikel 6 genoemde taak van de DBZ.
2. Tot een plaatsing als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden
besloten indien die plaatsing, mede gezien de loopbaan van betrokkene,
in het belang van de dienst is. De artikelen 26 en 27 zijn van
overeenkomstige toepassing.
3. Plaatsingen als bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d, behoeven,
ook ten aanzien van de standplaats, de duur van de plaatsing en de in
het vijfde lid bedoelde voorwaarden, de voorafgaande instemming van
betrokkene.
4. Gedurende plaatsingen als bedoeld in het eerste lid, behoudt
betrokkene zijn rechtspositie als ambtenaar zoals omschreven in dit
reglement, voor zover dat verenigbaar is met zijn rechtspositie uit
hoofde van de functie bij het andere Nederlandse ministerie, de
volkenrechtelijke organisatie of het ministerie van Aruba, Curaçao of
Sint Maarten, dan wel uit hoofde van de bijzondere opdracht bedoeld in
het eerste lid, onder d. Indien de functie bij de volkenrechtelijke
organisatie, bij het ministerie van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, dan
wel de bijzondere opdracht, dit nodig maakt, is betrokkene ontslagen van
de ambtseed met uitzondering van de geheimhoudingsplicht.
5. Bij plaatsingen als bedoeld in het eerste lid, bericht Onze Minister
betrokkene tevoren welke rechten en verplichtingen gelden uit hoofde van
het vierde lid. Met inachtneming van het zesde lid wordt bepaald welke
voorzieningen ter zake van bezoldiging alsmede tegemoetkomingen en
vergoedingen voor betrokkene in verband met bedoelde plaatsing zullen
gelden.
6. Bij plaatsing buiten Nederland worden de voorzieningen, bedoeld in
het vijfde lid, tweede volzin, zoveel mogelijk afgestemd op die welke
voor betrokkene zouden hebben gegolden indien hij in een vergelijkbare
functie zou zijn geplaatst bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk
in het buitenland met als standplaats de plaats van vestiging van de
desbetreffende instantie. Bij de vaststelling van deze voorzieningen
wordt rekening gehouden met de gezinsomstandigheden van betrokkene, de
aard en de duur van de plaatsing alsmede met de voorzieningen welke door
de instantie bij wie de plaatsing geschiedt, worden of kunnen worden
verstrekt. Een en ander met eerbiediging van dwingende bepalingen in een
rechtspositieregeling van de desbetreffende instantie.
Artikel 30. Benoeming bij een andere instantie, anders dan op grond van
artikel 29
Bij benoeming van een ambtenaar in een functie buiten het gezagsbereik
van Onze Minister is vanaf de dag van ingang van de benoeming dit
reglement op hem niet meer van toepassing en houdt betrokkene op
ambtenaar van de DBZ te zijn, tenzij het een plaatsing op grond van
artikel 29 betreft, of aan betrokkene buitengewoon verlof wordt verleend
op grond van artikel 46.
Hoofdstuk VI. Bezoldiging
Artikel 31. Wanneer geen bezoldiging
De ambtenaar ontvangt over de tijd, gedurende welke hij in strijd met
zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten, geen
bezoldiging.
Artikel 32. Beloning voor enkele diensten
De beloning van de ambtenaar die is aangesteld voor enkele diensten,
niet vallende binnen de taak van het desbetreffende dienstvak, wordt
bepaald op een voor elk geval of voor elke te verrichten dienst,
afzonderlijk vast te stellen bedrag, met inachtneming van artikel 16,
achtste lid.
Artikel 33. Non-activiteitswedde
1.Aan de ambtenaar die in verband met de werkzaamheden die voortvloeien
uit een functie in een publiekrechtelijk college waarin hij is benoemd
of verkozen, tijdelijk wordt ontheven van de waarneming van zijn ambt,
wordt voor de duur daarvan een non-activiteitswedde toegekend. De
non-activiteitswedde is het bedrag waarmee de laatstelijk door hem
genoten bezoldiging het bedrag overschrijdt van de inkomsten die de
ambtenaar in verband met zijn werkzaamheden in dat publiekrechtelijk
college geniet.
2.Voor de toepassing van het eerste lid geldt voorts dat:
a. toekenning van de non-activiteitswedde plaatsvindt op de voet van het
bepaalde in de artikelen 4, tweede, derde, vierde en vijfde lid, en 5
van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement;
b. onder inkomsten die in verband met zijn werkzaamheden in dat
publiekrechtelijk college worden genoten wordt verstaan: alle inkomsten
die aan die werkzaamheden zijn verbonden.
3.Dit artikel is niet van toepassing op degene die een
non-activiteitswedde geniet uit hoofde van artikel 4, eerste lid, van de
Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement.
Artikel 33a. Verlof en bezoldiging in verband met militaire dienst en
bij dienst als vrijwillige ambtenaar van politie
Op de ambtenaar zijn de artikelen 17 tot en met 20d van het ARAR van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 34. Het BBRA 1984 is van overeenkomstige toepassing
1.Op de ambtenaar is het BBRA 1984 van overeenkomstige toepassing, met
inachtneming van het tweede tot en met achtste lid.
2.Gedurende plaatsing buiten Nederland zijn de artikelen 17, 17a, 17b en
18a van het BBRA 1984 niet van overeenkomstige toepassing.
3.In afwijking van artikel 22c van het BBRA 1984 wordt een eenmalige
mobiliteitstoeslag toegekend op grond van bij ministeriële regeling
gestelde regels, zoveel mogelijk overeenkomstig genoemd artikel.
4.Een vergoeding voor overwerk, verricht tijdens plaatsing bij een
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland, wordt in
afwijking van artikel 23 van het BBRA 1984 toegekend op grond van bij
ministeriële regeling gestelde regels. Deze regels houden rekening met
de bijzondere omstandigheden van het werkzaam zijn bij een
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland.
5.Ingeval een plaatsing als bedoeld in artikel 27 of 29 geschiedt in een
functie waaraan een lagere salarisschaal is verbonden dan de
salarisschaal die voor de betrokken ambtenaar geldt, behoudt de
ambtenaar, in afwijking van artikel 5, vijfde lid, onderdeel d, van het
BBRA 1984, de voor hem geldende salarisschaal. Indien evenwel sprake is
van de in artikel 35, vierde lid, bedoelde omstandigheid, kan aan
betrokkene een lagere salarisschaal worden toegekend.
6.Met inachtneming van artikel 3, tweede lid, kan aan functies bij een
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland het salaris
worden verbonden, behorend bij de functie van directeur-generaal,
genoemd in bijlage A van het BBRA 1984.
7.Aan de ambtenaar die is geplaatst in een functie waaraan met
toepassing van het zesde lid het salaris is verbonden behorende bij de
functie van directeur-generaal, genoemd in bijlage A van het BBRA 1984,
waarvan de zwaarte en het belang voor de bevordering van de
internationale rechtsorde en de buitenlandse betrekkingen van het
Koninkrijk zodanig groot zijn dat de functie zwaarder is dan de functie
van directeur-generaal, wordt voor de duur van de plaatsing in die
functie een maandelijkse toeslag toegekend ter grootte van 7,5% van het
salaris behorende bij de functie van directeur-generaal. Deze toeslag
maakt deel uit van de bezoldiging.
8.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke andere gevallen
dan bedoeld in het tweede tot en met zevende lid kan worden afgeweken
van het BBRA 1984.
Artikel 35. Vrijwillig aanvaarden van een functie met een lagere
salarisschaal
1. Indien de ambtenaar van 57 jaar of ouder op diens aanvraag wordt
geplaatst in een functie waaraan een salarisschaal is verbonden met een
lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende
salarisschaal, wordt op zijn salaris een inhouding toegepast.
2. De inhouding is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de
ambtenaar geniet en het salaris dat de ambtenaar zou genieten bij
inpassing in de bij de nieuwe functie behorende salarisschaal op
hetzelfde salarisnummer. Indien dit salarisnummer in laatstbedoelde
salarisschaal niet voorkomt, geschiedt de inpassing op het naastlagere
salarisnummer.
3. Indien na 52 weken ziekte de doorbetaling van de bezoldiging op grond
van artikel 54, eerste lid, wordt teruggebracht tot 70%, wordt de
inhouding over die uren opgeschort voor de duur van de ziekte.
4. Inhouding vindt niet plaats indien de in het eerste lid bedoelde
functie wordt opgedragen op grond van artikel 27 of 29, tenzij
betrokkene uitsluitend zijn voorkeur heeft kenbaar gemaakt voor functies
waaraan een salarisschaal verbonden is met een lager maximumsalaris dan
de reeds voor hem geldende salarisschaal, ondanks de beschikbaarheid van
een passende functie waaraan een salarisschaal is verbonden die ten
minste gelijk is aan de salarisschaal die voor betrokkene geldt.
5. In bijzondere gevallen kan geheel of gedeeltelijk van inhouding
worden afzien.
Hoofdstuk VII. Tegemoetkomingen en vergoedingen in verband met plaatsing
in het buitenland
Artikel 36
1.
a. De ambtenaar die geplaatst is bij een vertegenwoordiging van het
Koninkrijk in het buitenland, heeft op grond van bij ministeriële
regeling gestelde regels aanspraak op tegemoetkomingen in de kosten van
hemzelf en zijn gezinsleden, welke verband houden met het verblijf
buiten Nederland, alsmede de kosten welke verband houden met de aard en
het niveau van de functie. Bedoelde tegemoetkomingen strekken ter
bestrijding van beroepskosten.
b. In dit artikel wordt onder overplaatsing verstaan: een plaatsing bij
een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland dan wel,
volgende op een dergelijke plaatsing, een plaatsing in Nederland.
2.Aan de ambtenaar die wordt overgeplaatst, wordt een tegemoetkoming
verleend in de daarmee verband houdende kosten van betrokkene zelf en de
hem vergezellende gezinsleden, op grond van de bij ministeriële
regeling gestelde regels.
3.De ambtenaar die, uit het buitenland komende, in Nederland is
geplaatst en voor wie uit die plaatsing bijzondere kosten voortvloeien,
wordt een tegemoetkoming toegekend in die kosten, op grond van de bij
ministeriële regeling gestelde regels.
4.
a. Indien de in artikel 23b, zevende lid, onderdeel a, respectievelijk
b, bedoelde gezinsleden geen gebruik hebben gemaakt van de in die
bepalingen vermelde gelegenheid tot geneeskundig onderzoek, dan wel
indien zij na onderzoek niet geschikt zijn verklaard voor verblijf in
het desbetreffende land, respectievelijk voor verblijf overal ter
wereld, heeft de betrokken ambtenaar ten aanzien van die gezinsleden
geen aanspraak op vergoedingen op grond van bepalingen die in of
krachtens dit reglement zijn gesteld ten behoeve van vergezellende
gezinsleden bij plaatsing van de ambtenaar buiten Nederland, voor zover
die bepalingen direct verband houden met de gezondheidstoestand van
gezinsleden.
b. Voor de toepassing van onderdeel a worden onder gezinslid tevens
verstaan degenen die eerst tijdens het dienstverband van de ambtenaar
diens gezinslid worden of zijn geworden.
c. In bijzondere gevallen kan geheel of gedeeltelijk en al dan niet
onder het opleggen van voorwaarden worden afgeweken van onderdeel a.
5.Onze Minister bepaalt per geval in welke muntsoort of muntsoorten de
tegemoetkomingen worden uitbetaald.
Hoofdstuk VIII. Dienst- en werktijden en keuzemogelijkheden in het
arbeidsvoorwaardenpakket
Paragraaf 1. Dienst- en werktijden
Artikel 37. Werktijdregeling, arbeidsduur, nachtdienst voor 55-plussers,
dienst op feestdagen en afwijking van vastgestelde werktijdregeling
1.Met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk en van het bepaalde
in of krachtens Nederlandse wetten, houdende regels tot beperking van de
werktijd, worden voor de ambtenaren werktijdregelingen vastgesteld.
Onder werktijdregeling wordt verstaan een van te voren bekendgemaakt
schema van aanvang en einde van de dagelijkse werktijden gedurende een
bepaalde periode. Het in de werktijdregeling opgenomen aantal te werken
uren op jaarbasis kan niet hoger zijn dan gemiddeld 40 uur per week.
2.De arbeidsduur bedraagt gemiddeld ten hoogste 36 uur per week. De
werktijd wordt behoorlijk door rusttijd onderbroken. De ambtenaar kan
een aanvraag indienen om de arbeidsduur in hele uren vast te stellen op
meer dan gemiddeld 36 uur per week, waarbij een maximum geldt van
gemiddeld 40 uur per week. Deze aanvraag wordt toegewezen, tenzij het
dienstbelang zich daartegen verzet. Een aanvraag tot het vaststellen van
de arbeidsduur op meer dan gemiddeld 36 uur per week wordt niet
toegewezen voor:
a. de ambtenaar van 57 jaar of ouder wiens gemiddelde wekelijkse
werktijd op basis van artikel 38 is teruggebracht;
b. de ambtenaar die op basis van artikel 45b betaald ouderschapsverlof
geniet;
c. de ambtenaar die op basis van artikel 46 buitengewoon verlof van
lange duur geniet;
d. de ambtenaar aan wie op basis van artikel 97, derde lid, gedeeltelijk
ontslag is verleend.
3.Het aantal te werken uren per jaar bedraagt: het aantal kalenderdagen
per jaar verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en niet op
zaterdag of zondag vallende feestdagen, genoemd in het zevende lid,
onder a, in dat jaar, vermenigvuldigd met 7,2 en vervolgens
vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor.
4.Het aantal te werken uren, bedoeld in het derde lid, wordt rekenkundig
op hele uren afgerond.
5.Aan de ambtenaar van 55 jaar en ouder wordt niet opgedragen dienst te
verrichten tussen 22.00 uur en 06.00 uur, tenzij het een gedeelte van
een dienst betreft die doorloopt na 22.00 uur en ten laatste eindigt om
24.00 uur.
6.Van het vijfde lid kan voor de duur van telkens ten hoogste een jaar
worden afgeweken indien de ambtenaar dit heeft aangevraagd dan wel zeer
gewichtige redenen van dienstbelang hiertoe noodzaken, mits de
deskundige persoon of de arbodienst daaromtrent een positief medisch
advies heeft uitgebracht. In geval van plaatsing bij een
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland is afwijking van
het vijfde lid voor ten hoogste de duur van de plaatsing mogelijk zolang
bovendien door de deskundige persoon of de arbodienst daaromtrent
jaarlijks positief wordt geadviseerd.
7.a. Geen dienst wordt geëist op zondagen, alsmede op de Nieuwjaarsdag,
de Tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de Tweede Pinksterdag, de beide
Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en
op 5 mei.
b. Van onderdeel a kan slechts worden afgeweken indien het dienstbelang
dit onvermijdelijk maakt en met inachtneming van het navolgende:
1°. geen dienst wordt geëist op ten minste dertien zondagen per
periode van zes maanden;
2°. de ambtenaar wordt zo weinig mogelijk in zijn zondagsrust beperkt
en hem wordt zoveel mogelijk de gelegenheid geboden op zondag en op de
voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk te bezoeken.
c. De onderdelen a en b vinden ten aanzien van de zondag voor de
ambtenaar die aan het hoofd van dienst heeft medegedeeld dat hij, in
verband met zijn godsdienstige opvattingen, de wekelijkse rustdag op een
andere dag dan de zondag viert, overeenkomstige toepassing voor die dag
in plaats van ten aanzien van de zondag.
d. Op zaterdag kan dienst worden geëist, mits de belangen van de dienst
daartoe aanleiding geven.
8.a. De ambtenaar van 18 jaar of ouder heeft een onafgebroken rusttijd
van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van
zeven maal 24 uren, hetzij ten minste 60 uren in elke aaneengesloten
tijdruimte van negen maal 24 uren welke rusttijd eenmaal in elke periode
van vijf achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 32 uren.
b. De ambtenaar van 16 of 17 jaar heeft een onafgebroken rusttijd van
ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van zeven maal 24
uren.
9.Van de voor de ambtenaar vastgestelde werktijdregeling kan slechts
worden afgeweken indien het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt en –
behoudens in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone
omstandigheden – mits ervoor wordt gezorgd, dat de ambtenaar in of
over het desbetreffende tijdvak van zeven dagen een ononderbroken
rusttijd van ten minste 36 uren geniet.
10.In bijzondere gevallen kan van de vaststelling van een
werktijdregeling als bedoeld in het eerste lid worden afgezien. In die
gevallen vindt het tweede tot en met negende lid overeenkomstige
toepassing.
11.a. In overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties kan in uitzonderlijke gevallen van het tweede tot en
met negende lid, alsmede van de tweede volzin van het tiende lid, worden
afgeweken voor zover dat niet in strijd is met het bepaalde in of
krachtens de Arbeidstijdenwet.
b. Ten aanzien van buiten Nederland geplaatste ambtenaren is de in
onderdeel a bedoelde overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties niet vereist.
12.Bij de vaststelling van een werktijdregeling voor degenen die bij een
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland zijn geplaatst
wordt rekening gehouden met dienst- en werktijden die bij een
overheidsdienst in het desbetreffende land gelden; daarbij worden
voorzieningen getroffen die ertoe strekken dat die vertegenwoordiging
van het Koninkrijk in het buitenland ononderbroken bezet of bereikbaar
is.
13.Gedurende plaatsing in een functie bij een vertegenwoordiging van het
Koninkrijk in het buitenland geldt in de regel een volledige
arbeidsduur.
14.Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op
grond van artikel 21, twaalfde lid, van het ARAR gestelde regels zijn
van overeenkomstige toepassing op in Nederland werkzame ambtenaren. Voor
de buiten Nederland werkzame ambtenaren kan Onze Minister ter zake van
de uitvoering van het eerste tot en met dertiende lid nadere regels
stellen.
Artikel 38. Partiële arbeidsparticipatie senioren
1.De gemiddelde wekelijkse werktijd van een ambtenaar van 57 jaar en
ouder die daartoe een aanvraag heeft ingediend, wordt, met behoud van
zijn arbeidsduur, teruggebracht met 15,8%, tenzij het dienstbelang zich
daartegen verzet. De ambtenaar voor wie de arbeidsduur op meer dan
gemiddeld 36 uur is vastgesteld, kan een aanvraag als bedoeld in de
eerste volzin eerst indienen nadat op zijn aanvraag zijn arbeidsduur is
vastgesteld op ten hoogste gemiddeld 36 uur.
2.De in het eerste lid bedoelde ambtenaar dient op het moment van de
vermindering van de werktijd ten minste vijf aaneengesloten jaren in
dienst te zijn van het Rijk.
3.Voor de uren die het wekelijkse verschil vormen tussen de in het
eerste lid bedoelde arbeidsduur en de teruggebrachte werktijd wordt de
ambtenaar geacht met verlof te zijn.
4.Op het salaris van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar wordt een
inhouding toegepast. De hoogte van deze inhouding is afhankelijk van de
leeftijd op de datum dat de werktijdvermindering op grond van dit
artikel ingaat en bedraagt een percentage volgens onderstaande tabel van
het salaris dat voor hem zou gelden zonder werktijdvermindering op grond
van dit artikel, nadat dit salaris is verminderd met een eventuele
inhouding als bedoeld in artikel 35:
|
Leeftijd
|
Inhouding in procenten
|
|
57
|
5
|
|
58
|
5
|
|
59
|
3,5
|
|
60
|
3,5
|
|
61
|
2
|
|
62
|
2
|
|
63
|
1
|
|
64
|
1
|
5.De inhouding, bedoeld in het vierde lid, wordt teruggebracht tot 70%
voor zover op grond van artikel 54, eerste lid, niet meer dan 70% van de
bezoldiging wordt doorbetaald.
6.Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
gestelde regels omtrent de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of
bedrijf met het salaris van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar zijn
van overeenkomstige toepassing.
7.Gedurende plaatsing buiten Nederland is het eerste tot en met zesde
lid niet van toepassing, tenzij Onze Minister in bijzondere gevallen
anders bepaalt.
Artikel 39. Aanpassing arbeidsduur voor de duur van een plaatsing
1.De ambtenaar kan een aanvraag indienen om zijn arbeidsduur te
vermeerderen of te verminderen voor een periode van ten hoogste de duur
van zijn plaatsing in de huidige of daarop volgende functie. De
ambtenaar vermeldt daarbij zijn wensen met betrekking tot de omvang van
de aanpassing van zijn arbeidsduur en de spreiding van de te werken uren
over de week.
2.Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt toegewezen, tenzij
het dienstbelang zich daartegen verzet.
Artikel 39a. Tijdelijke uitbreiding arbeidsduur leden Ondernemingsraad
1.Het bevoegd gezag breidt de formatie van de organisatorische eenheid
waar de ambtenaar die lid is van de ondernemingsraad werkzaam is, uit
met de tijd die op grond van de artikelen 17 en 18 van de Wet op de
ondernemingsraden voor die ambtenaar is vastgesteld, voor zover dit
noodzakelijk is om gedurende de periode van het lidmaatschap de door de
organisatorische eenheid te verrichten werkzaamheden te realiseren.
2.De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, heeft op zijn aanvraag voor
de resterende duur van zijn lidmaatschap van de ondernemingsraad recht
op uitbreiding van zijn arbeidsduur met het aantal uren waarmee het
bevoegd gezag vanwege dat lidmaatschap op grond van het eerste lid de
formatie heeft uitgebreid.Artikel 37, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing. Een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin wordt niet
toegewezen zolang de ambtenaar geheel of gedeeltelijk ongeschikt is tot
het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
Paragraaf 2. Individuele keuzemogelijkheden in het
arbeidsvoorwaardenpakket (IKAP)
Artikel 40. IKAP
Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie
krachtens artikel 21c van het ARAR gestelde regels ten aanzien van
individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket zijn van
overeenkomstige toepassing. Bij ministeriële regeling kunnen nadere en
zonodig afwijkende regels worden gesteld.
Artikel 40a [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 40b [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 40c [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 40d [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 40e [Vervallen per 01-01-2004]
Hoofdstuk IX. Vakantie en verlof
Paragraaf 1. Vakantie
Artikel 41. Aanspraak op vakantie
1.De ambtenaar heeft jaarlijks aanspraak op vakantie met behoud van
bezoldiging.
2.De aanspraak op vakantie wordt uitgedrukt in hele uren.
3.De omvang van de aanspraak op vakantie is afhankelijk van:
a. de leeftijd van de ambtenaar;
b. de arbeidsduur van de ambtenaar.
4.Voor de ambtenaar met een volledige arbeidsduur bedraagt de aanspraak
op vakantie 165,6 uren per kalenderjaar.
5.De op grond van het vierde lid geldende aanspraak op vakantie wordt
verhoogd volgens onderstaande tabel afhankelijk van de leeftijd die de
ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar bereikt.
|
Leeftijd
|
Verhoging
|
|
van 45 tot en met 49 jaar
|
7,2 uren
|
|
van 50 tot en met 54 jaar
|
14,4 uren
|
|
van 55 tot en met 59 jaar
|
21,6 uren
|
|
vanaf 60 jaar
|
28,8 uren
|
6.De ingevolge het vierde en vijfde lid geldende aanspraak op vakantie
wordt vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende
arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op hele uren
plaats.
7.Bij beëindiging of aanvang van het dienstverband in de loop van een
kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie vastgesteld naar
evenredigheid van de dienst, die hij in dat jaar verricht heeft of zal
verrichten.
8.Indien de arbeidsduur van de ambtenaar wordt gewijzigd, wordt de
aanspraak op vakantie over een eventueel resterend gedeelte van het
desbetreffende kalenderjaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de
nieuwe arbeidsduur. De tot aan de datum van ingang van de wijziging van
de arbeidsduur verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd
gehandhaafd.
9.Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking van de
voor hem geldende werktijdregeling in het geheel geen dienst verricht,
heeft hij geen aanspraak op vakantie. Over kalendermaanden gedurende
welke de ambtenaar in afwijking van de voor hem geldende
werktijdregeling gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij aanspraak op
vakantie naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop hij
volgens de werktijdregeling dienst verricht.
10.Het negende lid is niet van toepassing, indien geheel of gedeeltelijk
geen dienst wordt verricht wegens:
a. genoten vakantie;
b. ziekte, voor zover de verhindering tot dienstverrichting korter duurt
dan 26 weken, waarbij een hervatting van de dienstverrichting gedurende
vier weken of minder geen nieuwe periode van 26 weken inluidt;
c. zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 45a, derde
en vierde lid;
d. verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefeningen;
e. verlof verleend op basis van artikel 42a, 43a, 43c, 43d, 43e, 45c of
45d;
f. het minder uren werken op basis van de in artikel 40 bedoelde regels.
11.In afwijking van het tiende lid, onder b, heeft de ambtenaar
gedurende de periode datartikel 54f, eerste lid, onderdeel i, q of r,
toepassing vindt, geen aanspraak op vakantie.
12.Met ingang van de dag dat de ambtenaar van 57 jaar of ouder op grond
van artikel 38 gedeeltelijk geen dienst verricht, vervalt de in het
vijfde lid bedoelde verhoging van de vakantieaanspraak.
13.Indien het belang van de dienst zich daartegen niet verzet, kan op
aanvraag van de ambtenaar eenmaal per kalenderjaar zijn aanspraak op
vakantie worden verlaagd. Het aantal uren vakantie waarmee de aanspraak
kan worden verlaagd, bedraagt ten hoogste het aantal uren vakantie
waarop de ambtenaar over het desbetreffende kalenderjaar aanspraak
heeft, verminderd met: 144 uur vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar
geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op hele
uren plaats.
14.Onze Minister stelt vast voor welke datum aanvragen als bedoeld in
het dertiende lid kunnen worden ingediend en geeft op of na die datum
gelijktijdig beschikkingen op de voor die datum ingediende aanvragen.
15.De ambtenaar wordt voor elk uur vakantie waarmee zijn aanspraak op
vakantie overeenkomstig het dertiende en zeventiende lid wordt verlaagd,
een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat hij
geniet op de krachtens het veertiende lid vastgestelde datum.
16.Indien de ambtenaar de vergoeding, genoemd in het vijftiende lid,
volledig inzet ten behoeve van levensloopverlof als bedoeld in artikel
47, bedraagt, in afwijking van het dertiende lid, het aantal uren
waarmee de aanspraak op vakantie kan worden verlaagd ten hoogste het
aantal uren waarop de ambtenaar over het desbetreffende kalenderjaar
aanspraak heeft, verminderd met: 108 uur vermenigvuldigd met de voor de
ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar
boven op hele uren plaats.
17.Met inachtneming van de beperkingen die door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties krachtens artikel 34g van het
Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn gesteld aan het sparen voor
levensloopverlof, verlaagt het bevoegd gezag op aanvraag van de
ambtenaar het aantal vakantie-uren dat met toepassing van artikel 41a,
zevende en achtste lid, is overgeboekt, indien de vergoeding voor die
uren volledig wordt ingezet ten behoeve van levensloopverlof als bedoeld
in artikel 47. De ambtenaar doet de aanvraag gelijktijdig met de
aanvraag om te sparen voor levensloopverlof.
Artikel 41a. Het opnemen van vakantie
1.De ambtenaar is vrij te bepalen wanneer hij vakantie opneemt, voor
zover de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten.
2.De ambtenaar dient in elk kalenderjaar ten minste 108 uur vakantie op
te nemen waarvan ten minste 72 uur over een aaneengesloten periode
indien voor hem een volledige arbeidsduur geldt en tot in evenredigheid
lagere getallen indien voor hem een onvolledige arbeidsduur geldt.
3.Aan een ambtenaar kan op zijn aanvraag worden toegestaan, in enig
kalenderjaar meer uren vakantie op te nemen dan zijn aanspraak tot en
met het lopende jaar bedraagt, met dien verstande, dat de opgenomen
vakantie de aanspraak tot en met het lopende jaar nimmer met meer dan
57,6 uren mag overschrijden. Voor de ambtenaar met onvolledige
arbeidsduur wordt het in de vorige volzin bedoelde aantal uren van de
maximaal toegestane overschrijding verminderd naar evenredigheid van de
arbeidsduur. De in een kalenderjaar teveel genoten vakantie wordt in
mindering gebracht op de aanspraak op vakantie over het eerstvolgende
jaar.
4.De ambtenaar meldt het voornemen vakantie op te nemen ruimschoots van
tevoren.
5.Tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten,
is het de ambtenaar toegestaan op het voornemen vakantie op te nemen,
terug te komen, dan wel het opnemen niet voort te zetten. De eerste
volzin geldt in geval van ziekte of ongeval alleen indien de ambtenaar
die ziekte of dat ongeval aantoont.
6.Wanneer dringende redenen van dienstbelang dat noodzakelijk maken, kan
de aan de ambtenaar verleende toestemming vakantie op te nemen worden
ingetrokken, zowel vóór als tijdens de vakantie. Indien de ambtenaar
ten gevolge van het intrekken van de toestemming vakantie op te nemen
geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed.
7.Niet-opgenomen vakantie, waaronder eventuele van vorige jaren
overgeboekte vakantie, wordt naar het volgende kalenderjaar overgeboekt
tot een maximum van de aanspraak van de ambtenaar over een vol
kalenderjaar berekend volgens artikel 41, eerste tot en met twaalfde
lid, verminderd met de in het tweede lid van dit artikel bedoelde
vakantie.
8.In individuele gevallen kan in een bepaald kalenderjaar worden
afgeweken van de overeenkomstig het zevende lid maximaal naar een
volgend kalenderjaar over te boeken vakantie-aanspraken.
Artikel 41b. Ontslag en vakantie
1.Indien de ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft
op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft
opgenomen een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur
dat de ambtenaar direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot. De
vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op
vakantie over een vol kalenderjaar, uitgaande van het salaris en de
arbeidsduur zoals die direct voorafgaand aan het ontslag voor de
ambtenaar golden en de leeftijd welke hij bereikt in het kalenderjaar
waarin de dienstbetrekking wordt beëindigd.
2.Indien op de dag van zijn ontslag blijkt dat de ambtenaar teveel
vakantie heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantie
een bedrag schuldig ten bedrage van het salaris per uur.
3.In geval van overgang zonder onderbreking naar een andere functie
binnen de rijksdienst in de loop van een kalenderjaar kan de ambtenaar
er – in zoverre in afwijking van het eerste lid – voor kiezen de
vakantie-aanspraken van het lopende kalenderjaar die niet genoten zijn,
te behouden. Daarbij wordt vakantie die in het lopende kalenderjaar
genoten is in mindering gebracht op de aanspraken in dat jaar.
Artikel 41c. Vakantie en toelagen
Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in
artikel 17 of 18a van het BBRA 1984, wordt die toelage gedurende zijn
vakantie vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge de voor hem
geldende werktijdregeling zou zijn toegekend, indien hij geen vakantie
zou hebben genoten. Indien de vaststelling van het bedrag op deze wijze
niet mogelijk is, dan wordt dit bedrag vastgesteld op het gemiddelde van
het bedrag dat de ambtenaar per maand aan die toelage heeft genoten over
de drie kalendermaanden voorafgaande aan de kalendermaand waarin zijn
vakantie een aanvang nam.
Artikel 41d. Nadere regels
Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de artikelen 41 tot
en met 41c nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld, zonodig
onderscheiden naar degenen die in Nederland dan wel buiten Nederland
zijn geplaatst.
Paragraaf 2. Verlof
Artikel 42. Verlof bij ziekte en dienst als militair of vrijwillige
ambtenaar van politie
Onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken VI en X, geniet verlof:
a. de ambtenaar die uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is
dienst te verrichten;
b. de ambtenaar die als militair, dan wel als vrijwillige ambtenaar als
bedoeld in artikel 1, onder d, van het Besluit rechtspositie vrijwillige
politie, in werkelijke dienst is;
c. de ambtenaar die zich bevindt in een van de omstandigheden, genoemd
in artikel 20b van het ARAR.
Artikel 42a. Verlof bij sluiting rijksdienst op daartoe aangewezen dagen
1.Indien de rijksdienst in Nederland op een daartoe aangewezen
kerkelijke of niet-kerkelijke, landelijk, regionaal of plaatselijk
erkende feest- of gedenkdag is gesloten, geniet de ambtenaar verlof voor
zover het dienstbelang niet anders vereist.
2.Het eerste lid vindt geen toepassing, indien de sluiting van de
rijksdienst regionaal of plaatselijk plaatsvindt en de ambtenaar elders
werkzaam is.
3.Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het eerste en
tweede lid nadere en zonodig afwijkende regels worden vastgesteld voor
degenen die buiten Nederland zijn geplaatst.
Artikel 43. Buitengewoon verlof
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 82 wordt aan de ambtenaar in de
gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in de artikelen 43a tot en met
48, buitengewoon verlof verleend.
2.Onder zeer persoonlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 4:1 van
de Wet arbeid en zorg worden in ieder geval begrepen de omstandigheden,
genoemd in de artikelen 43d, 43e en 45.
Artikel 43a. Buitengewoon verlof van korte duur; kiesrecht en wettelijke
verplichtingen
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend:
a. voor de uitoefening van kiesrecht;
b. voor het voldoen aan een wettelijke verplichting, een en ander voor
zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet
mogelijk is.
Artikel 43b. Buitengewoon verlof van korte duur voor bijwonen van
vergaderingen van publiekrechtelijke colleges waarin men is verkozen
1.Indien de ambtenaar een vaste vergoeding ontvangt uit de functie
waarvoor hem het in artikel 125c, tweede lid, van de Ambtenarenwet
bedoelde verlof wordt verleend, wordt op zijn bezoldiging een inhouding
toegepast over de tijd dat hij het verlof geniet. Deze inhouding gaat
hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vaste vergoeding voor de
met het verlof overeenkomende tijd in de bedoelde functie niet te boven.
2.Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
krachtens artikel 33a van het ARAR gestelde nadere regels zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 43c. Buitengewoon verlof van korte duur voor bijwonen van
vergaderingen van statutaire organen van ambtenarenorganisaties,
kaderactiviteiten, cursussen en commissies van georganiseerd overleg in
ambtenarenzaken
1.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
jaarlijks ten hoogste 120 uren buitengewoon verlof met behoud van
bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van statutaire
organen van verenigingen van ambtenaren, van centrale organisaties
waarbij deze verenigingen zijn aangesloten of van internationale
ambtenarenorganisaties, mits de ambtenaar hieraan deelneemt:
a. indien het vergaderingen betreft van verenigingen van ambtenaren: als
bestuurslid van die vereniging dan wel als afgevaardigde of bestuurslid
van een onderdeel daarvan;
b. indien het vergaderingen betreft van centrale organisaties waarbij
verenigingen van ambtenaren zijn aangesloten: als bestuurslid van die
centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een
bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren;
c. indien het vergaderingen betreft van een internationale
ambtenarenorganisatie: als bestuurslid van deze organisatie dan wel als
afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten
vereniging van ambtenaren.
2.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt tot
ten hoogste 208 uren per jaar buitengewoon verlof met behoud van
bezoldiging verleend aan de ambtenaar, die door een centrale als bedoeld
in artikel 142, derde lid, of door een daarbij aangesloten vereniging is
aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te
ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten vereniging
dan wel binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de
doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij
aangesloten verenigingen te ondersteunen.
3.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend aan de ambtenaar
voor het – op uitnodiging van een organisatie van ambtenaren – als
cursist deelnemen aan een cursus, met dien verstande dat dit verlof ten
hoogste 48 uren per twee jaren bedraagt.
4.Het aantal uren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid aan
een ambtenaar mag worden verleend, bedraagt tezamen ten hoogste 240 uren
per jaar, met dien verstande dat ten hoogste 320 uren worden verleend:
a. aan leden van de hoofdbesturen van de centrale organisaties, genoemd
in artikel 105, tweede lid, onder a en b, van het ARAR en van
organisaties, die rechtstreeks bij die centrale organisaties zijn
aangesloten;
b. aan leden van het hoofdbestuur van het Ambtenarencentrum en aan leden
van het dagelijks bestuur van de bij die centrale aangesloten
organisaties;
c. aan leden van het hoofdbestuur van de Centrale van Middelbare en
Hogere Functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en
Instellingen, alsmede aan de bestuursleden van de sectoren en secties
van die organisatie.
5.Het verlof, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt slechts
verleend aan ambtenaren die lid zijn van verenigingen van ambtenaren die
zijn aangesloten bij centrales van verenigingen van ambtenaren die deel
uitmaken van de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.
6.Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het
bijwonen van vergaderingen van georganiseerd overleg in ambtenarenzaken.
Dit geldt eveneens voor een voorvergadering per in de eerste volzin
bedoelde vergadering.
Artikel 43d. Buitengewoon verlof van korte duur in verband met
verhuizing
1.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend:
a. voor het zoeken van een woning vanwege overplaatsing: ten hoogste
twee dagen;
b. bij verhuizing vanwege overplaatsing: aan hen die een eigen
huishouding hebben: twee dagen, zonodig te verlengen tot drie en in zeer
bijzondere gevallen tot vier dagen en aan hen die niet een eigen
huishouding hebben: ten hoogste twee dagen.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere of afwijkende regels worden
gesteld, zonodig onderscheiden naar degenen die in Nederland dan wel in
het buitenland zijn geplaatst.
Artikel 43e. Buitengewoon verlof van korte duur in verband met
familieomstandigheden
1.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan
de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend:
a. bij zijn huwelijk: twee dagen;
b. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de
eerste en tweede graad: een dag;
c. bij overlijden van:
1e. in artikel 45d, tweede lid, genoemde personen: vier dagen;
2e. bloed- of aanverwanten in de tweede graad: twee dagen, of, indien de
ambtenaar is belast met de regeling van de lijkbezorging of van de
nalatenschap dan wel van beide, ten hoogste vier dagen;
d. bij bevalling van zijn huwelijkspartner: ten hoogste twee dagen.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder huwelijk mede begrepen
het sluiten van een samenlevingscontract als bedoeld in artikel 2,
tweede lid, of het aangaan van een geregistreerd partnerschap.
3.Buitengewoon verlof dat aan de ambtenaar op grond van het eerste lid
wordt verleend in verband met aanverwantschap die door zijn huwelijk is
ontstaan met bloedverwanten van zijn huwelijkspartner, wordt op gelijke
wijze verleend aan de ambtenaar die ongehuwd samenwoont als bedoeld in
artikel 2, tweede lid, of aan de ambtenaar die een geregistreerd
partnerschap is aangegaan, met betrekking tot dezelfde bloedverwanten
van zijn levenspartner of van zijn geregistreerde partner.
4.Bij ministeriële regeling kunnen nadere of afwijkende regels worden
gesteld, zonodig onderscheiden naar degenen die in Nederland dan wel in
het buitenland zijn geplaatst.
Artikel 43f. Buitengewoon verlof van korte duur in andere gevallen
1.Buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van
bezoldiging, kan bovendien worden verleend in de gevallen waarin daartoe
aanleiding bestaat.
2.Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
gestelde nadere regels als bedoeld in artikel 33e, tweede lid, van het
ARAR zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 44. Aanvragen buitengewoon verlof van korte duur
1.Behoudens in dringende gevallen moet buitengewoon verlof van korte
duur ten minste 24 uren tevoren schriftelijk of mondeling worden
aangevraagd.
2.Indien de ambtenaar, die niet vooraf een verzoek om buitengewoon
verlof van korte duur heeft ingediend, aantoont dat hij daartoe geen
gelegenheid heeft gehad, terwijl er voor zijn afwezigheid gegronde
redenen bestonden, wordt deze afwezigheid beschouwd als buitengewoon
verlof met behoud van bezoldiging.
3.Een gegronde reden als bedoeld in het tweede lid is slechts aanwezig:
a. indien een omstandigheid als genoemd in de artikelen 43a tot en met
43f aanwezig is geweest, op grond waarvan aan de ambtenaar op zijn
verzoek buitengewoon verlof wordt verleend, zulks met inachtneming van
de daarbij vermelde voorwaarden en termijnen;
b. in alle andere gevallen, indien de ambtenaar, alle omstandigheden in
aanmerking genomen, redelijkerwijze de dienst mocht verzuimen.
Artikel 45. Buitengewoon verlof in verband met calamiteiten
1.De ambtenaar die zorg draagt voor een of meer personen als bedoeld in
het vierde lid heeft aanspraak op zorgverlof bij calamiteiten met behoud
van bezoldiging.
2.Onder calamiteit wordt verstaan ziekte of een andere onverwachte
gebeurtenis waardoor een noodsituatie ontstaat in de verzorging van een
of meer van de in het vierde lid bedoelde personen.
3.Het verlof is bedoeld als eerste opvang en voor het treffen van
verdere voorzieningen en bedraagt maximaal een dag per calamiteit.
4.De personen voor wier verzorging het verlof kan worden verleend zijn:
de huwelijkspartner, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders,
kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwd kinderen van de
ambtenaar.
5.De ambtenaar informeert het bevoegd gezag vooraf over het opnemen van
het verlof onder vermelding van de reden.
6.Geëist kan worden dat de ambtenaar achteraf aannemelijk maakt dat
daadwerkelijk sprake was van een noodsituatie. Indien de ambtenaar dat
niet aannemelijk maakt, kunnen de opgenomen uren in mindering worden
gebracht op zijn vakantie-aanspraken.
7.Voor de toepassing van dit artikel is het derde lid van artikel 43e
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 45a. Zwangerschaps- en bevallingsverlof
1.De vrouwelijke ambtenaar heeft in verband met haar bevalling aanspraak
op zwangerschaps- en bevallingsverlof.
2.Gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof behoudt de
vrouwelijke ambtenaar haar aanspraak op bezoldiging.
3.De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een zwangerschapsverlof vanaf
de dag waarop de bevalling blijkens een verklaring van een arts of van
een verloskundige aangevende de vermoedelijke datum van de bevalling,
binnen zes weken is te verwachten. Het verlof vangt uiterlijk aan vier
weken voorafgaand aan de vermoedelijke datum van de bevalling.
4.De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een bevallingsverlof van tien
weken vanaf de dag volgend op die van de bevalling. Dit verlof wordt
verlengd tot ten hoogste zestien weken, voor zover het
zwangerschapsverlof voorafgaand aan de vermoedelijke datum van
bevalling, om andere redenen dan wegens ziekte minder dan zes weken
heeft bedragen.
5.Indien de vrouwelijke ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende
dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht
heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en
zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een
inhouding op de bezoldiging toegepast welke overeenkomt met het bedrag
van bedoelde financiële tegemoetkoming.
6.Indien aan de gestelde voorwaarden voor het toekennen van een
financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar
geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de vrouwelijke
ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, wordt het vijfde lid op
overeenkomstige wijze toegepast. In dat geval wordt rekening gehouden
met de financiële tegemoetkoming die aan de vrouwelijke ambtenaar zou
zijn toegekend indien zij wel een aanvraag zou hebben ingediend.
Artikel 45aa. Bevalling en ontslag
1.De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier tijdstip van ingang van haar
ontslag is gelegen in de periode, bedoeld in artikel 45a, eerste lid,
behoudt haar aanspraak op haar laatstelijk genoten bezoldiging
vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. De
aanspraak eindigt na 16 weken, te rekenen vanaf de eerste dag waarop
haar zwangerschapsverlof als bedoeld in artikel 45a, eerste lid, een
aanvang heeft genomen.
2.De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier bevalling wordt verwacht binnen
vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt haar
laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en
de eindejaarsuitkering gedurende de periode die:
a. aanvangt op de 41e dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van
bevalling; en
b. eindigt op de 70e dag na de datum van bevalling.
3.De periode, bedoeld in het tweede lid, wordt verlengd tot 16 weken,
indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken
heeft bedragen.
4.De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier bevalling niet wordt verwacht
binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar
die niettemin binnen die periode bevalt, ontvangt haar laatstelijk
genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering gedurende de periode die:
a. aanvangt op de datum van bevalling; en
b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft
plaatsgevonden.
5.De artikelen 45a, vijfde en zesde lid, 54e, tweede lid, en 57, zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 45b. Buitengewoon verlof in verband met ouderschap
1. De ambtenaar die als ouder in familierechtelijke betrekking staat tot
een kind, heeft aanspraak op verlof. Indien de ambtenaar met ingang van
hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in familierechtelijke
betrekking komt te staan, bestaat er ten aanzien van ieder van die
kinderen aanspraak op verlof.
2. De ambtenaar die blijkens verklaringen uit de gemeentelijke
basisadministratie op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de
verzorging en de opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft
genomen, heeft aanspraak op verlof. Indien de ambtenaar met ingang van
hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op
zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen
aanspraak op verlof.
3. Geen aanspraak op verlof bestaat na de datum waarop het kind de
leeftijd van acht jaren heeft bereikt.
4. Het verlof wordt uitsluitend verleend aan de ambtenaar wiens
dienstbetrekking ten minste een jaar heeft geduurd. Het verlof wordt
behoudens bijzondere gevallen genoten gedurende een plaatsing in
Nederland. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke
gevallen en onder welke voorwaarden het verlof gedurende plaatsing
buiten Nederland kan worden genoten.
5. Het aantal uren verlof waarop de ambtenaar per keer ten hoogste
aanspraak heeft, bedraagt zesentwintig maal de arbeidsduur per week
uitgaande van zijn arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof
aanvangt. Indien de arbeidsduur van de ambtenaar gedurende het verlof
wijzigt, wordt de aanspraak op het verlof opnieuw vastgesteld, rekening
houdend met de mate waarin de arbeidsduur is gewijzigd en de mate waarin
de periode gedurende welke het verlof wordt genoten is verstreken.
6. Het verlof wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van
ten hoogste twaalf maanden en gelijkmatig over deze periode verdeeld. In
afwijking van de eerste volzin kan de ambtenaar verzoeken om het verlof
op een andere wijze aaneengesloten te genieten of het verlof op te delen
in ten hoogste drie perioden, waarbij iedere periode ten minste een
maand bedraagt. Met het verzoek wordt ingestemd, tenzij een zwaarwegend
dienstbelang zich daartegen verzet.
7. Bij een keuze voor het maximale aantal uren verlof als bedoeld in het
vijfde lid, heeft de ambtenaar over de verlofuren aanspraak op 27,5% van
zijn bezoldiging. Bij een aanvraag voor een geringer aantal uren verlof
wordt het percentage evenredig verhoogd tot ten hoogste 55. Zo nodig
wordt het percentage rekenkundig afgerond op één decimaal achter de
komma.
8. De ambtenaar is verplicht tot terugbetaling van hetgeen hem over de
genoten uren ouderschapsverlof is toegekend over de genoten verlofuren
indien hem tijdens de verlofperiode of binnen een jaar na afloop van het
verlof ontslag wordt verleend op aanvraag dan wel niet op aanvraag op
grond van aan de ambtenaar te wijten feiten of omstandigheden. Ontslag
op aanvraag gevolgd door een overgang binnen een maand naar een andere
functie binnen de rijksdienst wordt niet als ontslag beschouwd. De
ambtenaar kan worden ontheven van de in de eerste volzin bedoelde
verplichting, indien er bijzondere omstandigheden zijn die dat
rechtvaardigen.
9. De ambtenaar meldt het voornemen verlof op te nemen ten minste twee
maanden voor het door hem gewenste tijdstip van ingang van het verlof
schriftelijk aan het tot verlening van het verlof bevoegde gezag.
Daarbij geeft de ambtenaar op:
a. het tijdvak waarin het verlof zal worden genoten;
b. het aantal uren verlof per week; en
c. de spreiding van de verlofuren over de week.
Bij de eerste melding van het desbetreffende kind dient tevens opgave te
worden gedaan van het totaal aantal uren dat de ambtenaar wenst op te
nemen en de eventuele opdeling daarvan in perioden op grond van het
zesde lid. Indien de ambtenaar het verlof heeft opgedeeld in meerdere
perioden geldt de opgave, bedoeld in de onderdelen a tot en met c,
slechts voor één verlofdeel tegelijk. De tijdstippen van ingang en
einde van het verlof kunnen afhankelijk worden gesteld van de datum van
de bevalling, van het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang
van de verzorging van het kind.
10. Het bevoegd gezag is verplicht in te stemmen met een aanvraag van de
ambtenaar het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond
van het opnemen van zwangerschaps-, bevallings- of adoptieverlof als
bedoeld in de artikelen 45a, onderscheidenlijk45c.
Het bevoegd gezag is tevens verplicht in te stemmen met een aanvraag van
de ambtenaar het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op
grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen van
dienstbelang zich hiertegen verzetten.
11. Het bevoegd gezag behoeft aan een aanvraag als bedoeld in het tiende
lid niet met ingang van een vroeger tijdstip gevolg te geven dan vier
weken na de aanvraag. In het geval het verlof met toepassing van het
tiende lid, eerste volzin, na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt
voortgezet, wordt de aanspraak op het overige deel van het verlof
opgeschort. In het geval het verlof met toepassing van het tiende lid,
tweede volzin, na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet,
vervalt de aanspraak op het overige deel van dat verlof.
12. Indien op grond van het zesde lid het verlof is opgedeeld, zijn het
tiende en elfde lid op iedere periode van toepassing.
13. Na overleg met de ambtenaar kan de spreiding van de uren over de
week op grond van gewichtige redenen van dienstbelang worden gewijzigd
tot vier weken voor het tijdstip van ingang van het verlof.
14. Indien het verlof op grond van het zesde lid is opgedeeld en de
aanstelling eindigt voordat het verlof volledig is genoten, heeft de
ambtenaar, indien hij een nieuwe aanstelling krijgt bij een ander
bevoegd gezag aanspraak op de eventueel resterende deelperioden van het
verlof met inachtneming van het bepaalde in dit artikel.
15. Op de ambtenaar die voor een kind het verlof geheel of gedeeltelijk
heeft opgenomen voor 1 januari 2011, blijven het vijfde en zevende lid,
van toepassing zoals die luidden op 31 december 2010 voor wat betreft
zijn recht op bezoldiging tijdens de uren waarop hem ouderschapsverlof
is verleend, met dien verstande dat aanvullend dertien maal de
arbeidsduur per week kan worden opgenomen zonder behoud van bezoldiging.
Artikel 45c. Buitengewoon verlof in verband met adoptie
1.De ambtenaar heeft in verband met de adoptie van een kind aanspraak op
verlof met behoud van bezoldiging.
2.
a. De aanspraak op verlof in verband met adoptie van een kind bedraagt
ten hoogste vier aaneengesloten weken. De aanspraak bestaat gedurende
een tijdvak van achttien weken te rekenen vanaf twee weken vóór de
eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft
genomen of zal nemen zoals die dag is aangeduid in een door de ambtenaar
overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal
worden opgenomen.
b. Ingeval redenen van zwaarwegend dienstbelang daartoe noodzaken, kan
besloten worden dat het adoptieverlof gedurende plaatsing bij een
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland op een andere
wijze wordt genoten dan vermeld onder a.
3.Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee of meer
kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat de aanspraak op
verlof slechts ten aanzien van een van die kinderen.
4.De ambtenaar meldt het verlof in verband met adoptie uiterlijk drie
weken voor de dag van ingang van het verlof onder opgave van de omvang
van het verlof. Bij de melding worden documenten gevoegd waaruit blijkt
dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.
5.Indien de ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of
gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een
financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt
gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de
doorbetaling van bezoldiging als bedoeld in het eerste lid toegepast
welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële
tegemoetkoming.
6.Indien aan gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële
tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan, maar geen
financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag
heeft ingediend, wordt het vijfde lid op overeenkomstige wijze
toegepast. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële
tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel
een aanvraag zou hebben ingediend.
7.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die een
pleegkind opneemt als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d,
van de Wet arbeid en zorg.
Artikel 45d. Buitengewoon verlof voor noodzakelijke verzorging
1.Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet, wordt aan
de ambtenaar verlof met behoud van bezoldiging verleend voor de
noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van:
a. zijn huwelijkspartner;
b. een inwonend kind tot wie de ambtenaar als ouder in een
familierechtelijke betrekking staat;
c. een inwonend kind van zijn huwelijkspartner;
d. een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke
basisadministratie op hetzelfde adres woont als de ambtenaar en door hem
duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract als
bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg.
2.Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de
ambtenaar verlof met behoud van bezoldiging verleend voor de
noodzakelijke verzorging in verband met ernstige ziekte van: zijn
huwelijkspartner, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders,
kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen.
3.Het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt in elk
kalenderjaar ten hoogste tweemaal de arbeidsduur per week.
4.De ambtenaar meldt vooraf dat hij het verlof, bedoeld in het eerste en
tweede lid, opneemt onder opgave van de reden. Indien dit niet mogelijk
is, meldt de ambtenaar het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk
onder opgave van de reden. Bij die melding geeft de ambtenaar ook de
omvang, de wijze van opneming en de vermoedelijke duur van het verlof
aan.
5.Achteraf kan van de ambtenaar worden verlangd dat hij aannemelijk
maakt dat hij zijn arbeid niet heeft verricht in verband met de
noodzakelijke verzorging als bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 46. Buitengewoon verlof van lange duur
1. Buitengewoon verlof van lange duur kan aan de ambtenaar op zijn
aanvraag worden verleend, al dan niet met behoud van bezoldiging en al
dan niet onder bepaalde voorwaarden.
2. Het verlof, bedoeld in het eerste lid, gaat pas in nadat de ambtenaar
schriftelijk heeft verklaard dat hij de daaraan verbonden voorwaarden
aanvaardt.
3. Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend strekt in
het persoonlijk belang van de ambtenaar, wordt dit verleend zonder
behoud van bezoldiging en voor ten hoogste een jaar.
4. Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, verband houdt met een
benoeming van de ambtenaar tot bezoldigd bestuurder van een vereniging
van ambtenaren, van een centrale of van een internationale organisatie
van zodanige verenigingen, wordt dit verleend zonder behoud van
bezoldiging en voor ten hoogste twee jaren. Artikel 43c, vijfde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
5. Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, ten doel heeft de
ambtenaar in de gelegenheid te stellen de huwelijkspartner, indien deze
als ambtenaar buiten Nederland wordt geplaatst, te vergezellen, wordt
dat verlof in beginsel verleend voor de duur van de plaatsing van de
huwelijkspartner, zonder behoud van bezoldiging.
6. Het bevoegd gezag biedt de ambtenaar aan wie buitengewoon verlof is
verleend op grond van het eerste lid in verband met het vervullen van
een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie, dan
wel van een functie als bedoeld in het vierde lid, na afloop van het
verlof een passende functie aan. Indien plaatsing niet aanstonds
mogelijk is, wordt de ambtenaar ter beschikking gehouden overeenkomstig
artikel 27, vierde lid.
7. Een passende functie als bedoeld in het zesde lid, dient zo mogelijk
ten minste gelijkwaardig te zijn aan de functie waarop het buitengewoon
verlof betrekking had.
Artikel 46a. Ontslag bij niet hervatten van de werkzaamheden na afloop
van buitengewoon verlof van lange duur
1.De ambtenaar die na afloop van hem verleend buitengewoon verlof van
lange duur en zonder dat dit is verlengd, zijn dienst niet tijdig
hervat, wordt voor de toepassing van dit reglement geacht een aanvraag
tot ontslag te hebben ingediend.
2.Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ambtenaar binnen een
redelijke termijn aannemelijk maakt dat hij geldige redenen had zijn
dienst niet te hervatten, in welk geval het verlof geacht wordt te zijn
verlengd tot het tijdstip, waarop bedoelde geldige redenen hebben
opgehouden te bestaan.
Artikel 46b. Buitengewoon verlof; doorbetalen toelage voor onregelmatige
diensten of voor consignatie
Voor zover op grond van deze paragraaf buitengewoon verlof met gehele of
gedeeltelijke bezoldiging wordt verleend, wordt, indien de ambtenaar in
het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, 18 en 18a van
het BBRA 1984, dit bezoldigingsdeel vastgesteld met overeenkomstige
toepassing van de in artikel 57, tweede tot en met vierde lid, vermelde
berekeningswijze.
Artikel 47. Levensloopverlof
Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
krachtens artikel 34g van het ARAR gestelde regels ten aanzien van
levensloopverlof zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 48. Verlof in geval van gijzeling
1.Aan een ambtenaar die buiten Nederland in samenhang met diens functie
onwettig wordt gegijzeld of anderszins buiten Nederland onwettig van de
vrijheid wordt beroofd op een wijze die door Onze Minister met gijzeling
gelijk wordt gesteld, wordt na afloop daarvan, onverminderd de
mogelijkheid van bedrijfsgeneeskundige begeleiding ingevolge de
bepalingen van hoofdstuk X, naar billijkheid recuperatieverlof verleend
met behoud van bezoldiging.
2.Indien het in het eerste lid genoemde recuperatieverlof wordt
verleend, wordt aan de ambtenaar een recuperatie-uitkering toegekend.
Deze uitkering verhoudt zich tot de jaarlijkse vakantie-uitkering als de
duur van het recuperatieverlof zich verhoudt tot de duur van de
jaarlijkse vakantie.
3.Indien een gezinslid van een ambtenaar buiten Nederland onwettig wordt
gegijzeld of anderszins buiten Nederland onwettig van de vrijheid wordt
beroofd op een wijze die door Onze Minister met gijzeling wordt
gelijkgesteld, en samenhang bestaat met de functie van de ambtenaar,
wordt aan die ambtenaar na afloop daarvan, onverminderd de mogelijkheid
van geneeskundige begeleiding van dat gezinslid ingevolge de bepalingen
van hoofdstuk X, naar billijkheid recuperatieverlof verleend en een
recuperatie-uitkering toegekend overeenkomstig het eerste en tweede lid.
4.In bijzondere gevallen kunnen bij onwettige vrijheidsberovingen als
bedoeld in het eerste en derde lid ook kosten van gezinshereniging en
andere in samenhang met de onwettige vrijheidsberoving gemaakte kosten
of schade worden vergoed voor zover deze redelijk zijn en als niet
verzekerbaar kunnen worden beschouwd. Voor het vrijkopen van personen
betaalde losprijzen worden nimmer vergoed.
5.De in het eerste tot en met vierde lid genoemde voorzieningen gelden
uitsluitend voor zover de ambtenaar aanspraken op vergoeding en verhaal
aan het Rijk heeft gecedeerd.
Hoofdstuk X. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding, rechten en
verplichtingen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid; alsmede
gezondheidskundige begeleiding van gezinsleden in verband met plaatsing
in het buitenland
Paragraaf 1. Definities
Artikel 49. Definities
In dit hoofdstuk,hoofdstuk XIV en hoofdstuk XXV wordt verstaan onder:
– AAOP-uitkering: ABP ArbeidsongeschiktheidsPensioen als bedoeld in
hoofdstuk 11 van het pensioenreglement;
– arbeidsongeschiktheid: volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid
als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de WIA of gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid als bedoeld in artikel 5 van de WIA;
– beroepsincident: een dienstongeval of beroepsziekte voortvloeiend
uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de
uitvoering van zijn taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn
specifieke functie niet kan onttrekken;
– beroepsziekte: een ziekte, die in overwegende mate haar oorzaak
vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in
de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en
niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
– bovenwettelijke WW-uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder e, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij
werkloosheid voor de sector Rijk;
– dienstongeval: een ongeval, dat in overwegende mate zijn oorzaak
vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in
de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en
niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
– gewezen ambtenaar: een ambtenaar aan wie ontslag is verleend, met
ingang van de dag waarop het ontslag is ingetreden;
– passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden
van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van
lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden
gevergd;
– Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP;
– Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP, genoemd
in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;
– Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
– UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet SUWI;
– WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
– WIA-uitkering: een uitkering op grond van de WIA;
– WW-uitkering: een uitkering op grond van de Werkloosheidswet;
– ZW: Ziektewet;
– ZW-uitkering: ziekengeld als bedoeld in artikel 19 van de ZW;
– arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19 van de
ZW.
Paragraaf 2. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en het medisch advies
Artikel 50. Verzuimbegeleiding en arbeidsgezondheidskundige begeleiding
van de ambtenaar
1.Onze Minister verricht zijn taak met betrekking tot de begeleiding van
verzuim en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding op grond van de
Arbeidsomstandighedenwet, dan wel zoveel mogelijk overeenkomstig die wet
indien het de bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het
buitenland geplaatste ambtenaar betreft, alsmede op grond van de
bepalingen in dit hoofdstuk.
2.Ter voorbereiding op plaatsing buiten Nederland, gedurende plaatsing
buiten Nederland en in verband met terugplaatsing naar Nederland omvat
de arbeidsgezondheidskundige begeleiding tevens de gezondheidskundige
begeleiding van de gezinsleden van de ambtenaar.
3.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van
verzuim, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht
te nemen procedures.
4.De ambtenaar is in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van
zijn arbeid wegens ziekte verplicht dit zo spoedig mogelijk, maar in elk
geval niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid, te melden.
5.Onze Minister kan ten aanzien van de ambtenaar die korter dan een jaar
volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten, bepalen dat
hij zijn arbeid slechts mag hervatten nadat Onze Minister hiervoor
toestemming heeft verleend.
6.De ambtenaar die wegens ziekte gedurende een jaar of langer volledig
ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten mag zijn arbeid slechts
hervatten, nadat Onze Minister hiervoor toestemming heeft verleend.
7.De in het vijfde en zesde lid bedoelde toestemming wordt eerst
verleend nadat er een medisch advies is van de deskundige persoon of de
arbodienst.
Artikel 50a. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
1. De ambtenaar kan worden verplicht om een arbeidsgezondheidskundig
onderzoek te ondergaan:
a. voor zover dit noodzakelijk is om te beoordelen of de ambtenaar van
55 jaar en ouder in staat is nachtarbeid te verrichten;
b. indien Onze Minister gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de
goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;
c. indien de ambtenaar niet meer volledig geschikt is gebleken voor het
verrichten van zijn arbeid;
d. ter beantwoording van de vraag of de ambtenaar tijdens het tijdvak
waarin hij wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, in
het belang van zijn genezing arbeid mag verrichten en om vast te stellen
welke arbeid wenselijk wordt geacht;
e. indien de ambtenaar in contact staat of kort geleden heeft gestaan
met een persoon die een ziekte heeft waarvoor ingevolge de Wet publieke
gezondheid een nominatieve aangifteplicht geldt;
f. om te beoordelen of de ambtenaar die een functie vervult als bedoeld
in artikel 102 lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht zijn
functie te blijven waarnemen, nadat hij de voor zijn functie
vastgestelde leeftijdsgrens heeft bereikt;
g. om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in
artikel 104, derde lid, aanhef en onderdelen a en b;
h. om te beoordelen of de ambtenaar die wegens ziekte volledig
ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten zijn arbeid mag
hervatten;
i. voor zover dit voortvloeit uit enige wettelijke verplichting;
j. indien de ambtenaar in verband met de uitoefening van zijn
werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat of is
benoemd in een functie waarvoor bij aanstelling een geneeskundig
onderzoek is vereist als bedoeld in artikel 23, vierde lid, onderdeel b.
2. Onze Minister stelt de ambtenaar buiten dienst indien na een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid, blijkt
dat sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand dat
de belangen van de ambtenaar, van de dienst of van bij het verrichten
van de arbeid betrokken derden zich er tegen verzetten dat de ambtenaar
zijn arbeid blijft verrichten. De ambtenaar wordt niet buiten dienst
gesteld indien hem andere passende werkzaamheden kunnen worden
opgedragen. Indien de ambtenaar buiten dienst wordt gesteld, wordt hij
geacht wegens ziekte ongeschikt te zijn tot het verrichten van zijn
arbeid, in welk geval de overige bepalingen van dit hoofdstuk van
toepassing zijn.
Artikel 50b
1.In geval van een geschil over het wel of niet bestaan van
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte voorziet artikel 32, eerste lid,
van de Wet SUWI in het instellen van een onderzoek en het geven van een
oordeel.
2.Het medisch advies dat door de deskundige persoon of de arbodienst
wordt uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig
onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet en
artikel 50a, wordt zo spoedig mogelijk aan de ambtenaar en Onze Minister
medegedeeld.
3.De ambtenaar of de gewezen ambtenaar kan de deskundige persoon of de
arbodienst binnen drie dagen na ontvangst van het in het tweede lid
bedoelde medisch advies, schriftelijk een hernieuwd onderzoek vragen
indien hij het niet eens is met het medisch advies. De deskundige
persoon of de arbodienst stelt Onze Minister in kennis van een ingediend
verzoek om een hernieuwd onderzoek.
4.Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het schriftelijk verzoek om een
hernieuwd onderzoek, maar uiterlijk binnen vier weken, vindt het
hernieuwd onderzoek door een commissie van drie geneeskundigen plaats.
5.Op verzoek van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar wordt zijn
behandelend arts in de gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk
zijn mening aan de commissie kenbaar te maken.
6.De leden van de commissie worden per verzoek om een hernieuwd
onderzoek aangewezen. De geneeskundige die het medisch advies heeft
uitgebracht waarvan herziening wordt gevraagd, heeft in de commissie
geen zitting.
7.De commissie deelt haar oordeel schriftelijk mee aan:
a. de ambtenaar of de gewezen ambtenaar;
b. Onze Minister;
c. de behandelend arts, bedoeld in het vijfde lid.
8.De kosten, verbonden aan het onderzoek, bedoeld in het eerste lid,
respectievelijk, het hernieuwd onderzoek, bedoeld in het derde lid,
komen voor rekening van Onze Minister. Eventuele reis- en verblijfkosten
van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de geldende regels ter zake
van dienstreizen.
Artikel 50c. Infectieziekten
1. De ambtenaar die in contact staat, of kort geleden gestaan heeft, met
een persoon die een ziekte heeft waarvoor ingevolge het krachtens de Wet
publieke gezondheid bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag
zijn dienst slechts verrichten en heeft slechts toegang tot
dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen indien hem daartoe toestemming is
verleend. Deze toestemming wordt slechts verleend na positief medisch
advies van de deskundige persoon of de arbodienst.
2. De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven
situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de
deskundige persoon of de arbodienst. Hij is gehouden zich te gedragen
naar de vanwege de deskundige persoon of de arbodienst gegeven
aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek.
3. Gedurende de periode dat de ambtenaar ingevolge het bepaalde in dit
artikel zijn dienst niet verricht, geniet hij zijn volle bezoldiging.
Artikel 51. Bijzondere bepalingen in verband met plaatsing in het
buitenland
1.Bij plaatsing buiten Nederland geschiedt het door de ambtenaar
raadplegen van de deskundige persoon of de arbodienst in het kader van
het arbeidsgezondheidskundig spreekuur schriftelijk, in dringende
gevallen met gebruikmaking van de telecommunicatiemiddelen van het
Ministerie van Buitenlandse Zaken, voor rekening van het Rijk.
2.De ambtenaar wordt in elk geval in verband met zijn plaatsing buiten
Nederland, in overleg met of op aanwijzing van de deskundige persoon of
de arbodienst onderworpen aan een periodiek arbeidsgezondheidskundig
onderzoek als bedoeld in artikel 50a, eerste lid, onderdeel j. Een
buiten Nederland geplaatste ambtenaar ondergaat dit onderzoek zo
mogelijk tijdens verblijf hier te lande.
3.Onverminderd het bepaalde in artikel 50a, tweede lid, vindt
buitendienststelling plaats door Onze Minister. Daarbij vindt een
belangenafweging plaats teneinde na te gaan of het verblijf van de
ambtenaar in het land van plaatsing kan worden voortgezet.
4.De deskundige persoon of de arbodienst kan de ambtenaren individueel
of gezamenlijk aanwijzingen geven tot behoud, herstel of bevordering van
hun arbeidsgeschiktheid en de geschiktheid tot verblijf buiten Nederland
van hun gezinsleden. De ambtenaren zijn gehouden die aanwijzingen op te
volgen.
Artikel 52. Gezondheidskundige begeleiding van gezinsleden in verband
met plaatsing in het buitenland
1. Bij plaatsingen buiten Nederland worden de gezinsleden van de
ambtenaar, overeenkomstig artikel 51, eerste lid, in de gelegenheid
gesteld de deskundige persoon of de arbodienst te raadplegen.
2. Gezinsleden van de ambtenaar worden, zo mogelijk tijdens verblijf
hier te lande, in de gelegenheid gesteld het onderzoek, bedoeld in
artikel 51, tweede lid, te ondergaan.
3. Indien er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de goede
gezondheidstoestand van de gezinsleden van de ambtenaar, worden deze in
de gelegenheid gesteld een gezondheidskundig onderzoek te ondergaan.
4. De ambtenaar is verplicht zich in te spannen dat diens gezinsleden
hun medewerking verlenen aan:
a. onderzoeken als bedoeld in het derde lid, alsmede in artikel 51,
tweede lid;
b. gezondheidskundige onderzoeken welke worden ingesteld ter
beantwoording van de vragen:
1°. in welke mate en tot welk tijdstip sprake is van verhindering
wegens ziekte om in een bepaald gebied, een bepaald land of bepaalde
landen te verblijven;
2°. of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang
van het behoud, het herstel of de bevordering van hun gezondheid.
5. De ambtenaar is verplicht zich in te spannen dat zijn gezinsleden de
in artikel 51, vierde lid, bedoelde aanwijzingen opvolgen, met
uitzondering van aanwijzingen tot het ondergaan van een ingreep van
heelkundige aard.
6. Artikel 36, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 53. Kostenvergoeding
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de
mate waarin kosten die verband houden met de arbeidsgezondheidskundige
begeleiding van ambtenaren en de gezondheidskundige begeleiding van hun
gezinsleden, bedoeld in de artikelen 50, tweede lid, 51 en 52, ten laste
van het Rijk komen.
Paragraaf 3. Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid
Artikel 54
1. De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op
doorbetaling van zijn bezoldiging. Bij voortdurende ongeschiktheid heeft
hij vervolgens recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging.
2. Het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, vangt aan op de
eerste dag waarop wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is of zou
zijn gewerkt, of het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is of
zou zijn gestaakt. Indien de ambtenaar buitengewoon verlof zonder behoud
van bezoldiging geniet, vangt het tijdvak aan op de dag volgend op die
waarop het buitengewoon verlof is beëindigd.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van
ongeschiktheid samengeteld, indien:
a. zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel
3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de
ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak, of
b. zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
4. In afwijking van het eerste lid, heeft de ambtenaar ook na afloop van
het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, recht op
doorbetaling van zijn bezoldiging indien de ongeschiktheid om zijn
arbeid te verrichten wordt veroorzaakt door een beroepsincident.
5. In afwijking van het eerste lid, heeft de ambtenaar ook na afloop van
het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, recht op
doorbetaling van zijn bezoldiging over het aantal uren dat hij passende
arbeid heeft verricht of zou hebben verricht indien die arbeid hem zou
zijn aangeboden.
6. De doorbetaling van de bezoldiging eindigt:
a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar op grond van artikel 54a,
eerste lid, is herplaatst;
b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend; of
c. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is
overleden.
7. Gedurende een plaatsing buiten Nederland kan Onze Minister een
ambtenaar, indien de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte naar verwachting langer dan drie maanden zal voortduren,
opdracht geven tot terugkeer met zijn gezinsleden naar Nederland.
Artikel 54a
1. De ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte is verplicht een andere functie te aanvaarden indien
sprake is van passende arbeid.
2. De ambtenaar die door het UWV in het kader van de WIA minder dan 35%
arbeidsongeschikt is verklaard, wordt herplaatst in een functie die
passende arbeid omvat, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich
daartegen verzet.
3. De ambtenaar die op grond van het eerste lid is herplaatst voordat de
termijn van twee jaar, bedoeld in artikel 104, derde lid, onderdeel a,
is verstreken, heeft tot het eind van genoemde termijn recht op een
aanvullende uitkering ter grootte van het verschil tussen:
a. het bedrag waarop de ambtenaar op grond vanartikel 54 recht zou
hebben gehad indien hem geen andere functie zou zijn opgedragen,
vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering; en
b. zijn bezoldiging na herplaatsing, vermeerderd met de
vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.
4. Indien de ziekte uit hoofde waarvan de ambtenaar ongeschikt is zijn
arbeid te verrichten, wordt veroorzaakt door een beroepsincident, heeft
de ambtenaar, bedoeld in het derde lid, van wie de arbeidsongeschiktheid
ten minste 35% bedraagt, nadat de termijn van twee jaar is verstreken
tevens recht op een aanvullende uitkering ter grootte van het verschil
tussen:
a. een percentage van zijn bezoldiging vermeerderd met de
vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, zoals die zou zijn op de
dag voor zijn herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet
ongeschikt zou zijn geweest tot werken, en
b. zijn bezoldiging na herplaatsing vermeerderd met de
vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en een uit de oorspronkelijke
functie voortvloeiend recht op een WIA-uitkering en een AAOP-uitkering.
5. Het percentage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, is
afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een
arbeidsongeschiktheid van:
|
80% of meer:
|
90,02%;
|
|
65 tot 80%:
|
65,26%;
|
|
55 tot 65%:
|
54,01%;
|
|
45 tot 55%:
|
45,01%;
|
|
35 tot 45%:
|
36,01%.
|
6. De aanvullende uitkeringen, bedoeld in het derde en vierde lid,
eindigen in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend; of
b. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is
overleden.
7. In zoverre in afwijking van het derde lid, bedraagt voor de ambtenaar
die na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar wegens ziekte ongeschikt
is tot het verrichten van zijn arbeid, de aanvullende uitkering na de
eerste 52 het verschil tussen:
a. het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 76a van de
Ziektewet recht zou hebben gehad indien hem geen andere functie zou zijn
opgedragen, vermeerderd met de vakantie-uitkering en
eindejaarsuitkering; en
b. zijn bezoldiging na herplaatsing, vermeerderd met de
vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.
Artikel 54ab
1. De ambtenaar, bedoeld in artikel 54a, tweede lid, die voor 1 januari
2012 is herplaatst, ontvangt bij voortdurende arbeidsongeschiktheid
gedurende hoogstens vijf jaar een uitkering van 70% van het verschil
tussen:
a. zijn bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering zoals die zou zijn geweest op de dag voor zijn
herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou zijn
geweest tot werken, en
b. zijn bezoldiging na herplaatsing verminderd met eventuele daarna
volgende verhogingen op grond van artikel 7 van het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, en vermeerderd met de
vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.
2. In afwijking van het eerste lid heeft de ambtenaar die
arbeidsongeschikt is geworden ten gevolge van een beroepsincident, ook
nadat de termijn van vijf jaar is verstreken recht op een uitkering.
3. De uitkering eindigt in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend;
b. met ingang van de dag volgend op die waarop de ambtenaar is
overleden.
4. Bij eventuele samenloop van een recht op uitkering op grond van dit
artikel en een recht op uitkering op grond van artikel 54a, derde of
vierde lid, vervalt laatstbedoelde recht.
Artikel 54b
1. De gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip
van ingang van zijn ontslag, na zijn ontslag anders dan op grond van
artikel 104, eerste lid, onderdeel e, nog ongeschikt is een naar aard en
omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft:
a. zolang hij ongeschikt tot werken is wegens ziekte, maar niet langer
dan een tijdvak van 52 weken, recht op doorbetaling van zijn laatstelijk
genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering;
b. zolang hij na afloop van het tijdvak, bedoeld in onderdeel a, nog
ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, gedurende
maximaal 26 weken recht op doorbetaling van 70% van zijn laatstelijk
genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering.
2. De gewezen ambtenaar die binnen een maand na het tijdstip van zijn
ontslag wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en omvang
soortgelijke functie te vervullen, heeft, zolang hij ongeschikt is tot
werken wegens ziekte, gedurende maximaal 52 weken recht op doorbetaling
van zijn laatstelijk genoten bezoldiging indien hij gedurende ten minste
twee maanden onmiddellijk aan het ontslag voorafgaande in dienst is
geweest.
3. De gewezen ambtenaren, bedoeld in het eerste en tweede lid, hebben
gedurende een tijdvak van 104 weken als bedoeld in artikel 23 van de
WIA, recht op doorbetaling van hun laatstelijk genoten bezoldiging
vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering indien
hun arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een beroepsincident.
4. Het tijdvak gedurende welke de gewezen ambtenaar recht heeft op
doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging vangt aan op de
eerste dag waarop wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is of zou
zijn gewerkt of het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is of
zou zijn gestaakt. Indien de gewezen ambtenaar onmiddellijk voorafgaand
aan het ontslag buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging
genoot, vangt het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aan
op de dag waarop het ontslag is ingegaan.
5. Voor het bepalen van het einde van het tijdvak van 52 weken, bedoeld
in het eerste en tweede lid, worden perioden van ongeschiktheid tot
werken wegens ziekte samengeteld, indien:
a. zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen,
of
b. zij direct voorafgaan aan of aansluiten op een periode waarin
zwangerschap- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel
3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, of een uitkering op
grond van artikel 3:8 of 3:10, eerste lid, van die wet, tenzij de
ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak.
6. De doorbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in
het eerste, tweede en derde lid, eindigt in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65
jaar heeft bereikt; of
b. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is
overleden.
7. De gewezen ambtenaar die recht heeft op een WIA-uitkering ter zake
van de dienstbetrekking die hij voor zijn ontslag vervulde, heeft recht
op een aanvullende uitkering indien de arbeidsongeschiktheid is
veroorzaakt door een beroepsincident.
8. De aanvullende uitkering, bedoeld in het zevende lid, is gelijk aan
het verschil tussen:
a. een percentage van de laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met
de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, in het jaar
voorafgaande aan zijn ontslag; en
b. de aan de ambtenaar toegekende WIA-uitkering, in voorkomend geval
vermeerderd met een hem toegekende AAOP-uitkering.
9. Het percentage, bedoeld in het achtste lid, onderdeel a, is
afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een
arbeidsongeschiktheid van:
|
80% of meer:
|
90,02%;
|
|
65 tot 80%:
|
65,26%;
|
|
55 tot 65%:
|
54,01%;
|
|
45 tot 55%:
|
45,01%;
|
|
35 tot 45%:
|
36,01%.
|
10. De aanvullende uitkering, bedoeld in het zevende lid, eindigt:
a. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65
jaar heeft bereikt; of
b. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is
overleden.
11. De gewezen ambtenaar aan wie eervol ontslag is verleend op grond
vanartikel 97, heeft slechts recht op doorbetaling van zijn laatstelijk
genoten bezoldiging of aanvullende uitkering voorzover deze tezamen met
de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 4 van het FPU-reglement
basis- en aanvullende uitkering, de laatstgenoten bezoldiging niet
overschrijdt.
Artikel 54c
1.De ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een
dienstongeval of een beroepsziekte maar niet door een beroepsincident,
wordt op zijn aanvraag voor de toepassing van dit hoofdstuk
gelijkgesteld met de ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te
verrichten wegens een beroepsincident.
2.De gewezen ambtenaar van wie de arbeidsongeschiktheid wordt
veroorzaakt door een dienstongeval of een beroepsziekte maar niet door
een beroepsincident, wordt op zijn aanvraag voor de toepassing van dit
hoofdstuk gelijkgesteld met de gewezen ambtenaar van wie de
arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een beroepsincident.
Artikel 54d
Deartikelen 54, vierde lid, 54a, tweede tot en met zesde lid, 54b, 54c
en 77, tweede lid, zijn niet van toepassing op de ambtenaar en de
gewezen ambtenaar die geen deelnemer zijn in de zin van het
Pensioenreglement.
Artikel 54e. Geen aanspraak op doorbetaling van bezoldiging
1. De ambtenaar en de gewezen ambtenaar hebben geen aanspraak op
doorbetaling van de bezoldiging:
a. indien de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven wordt
voorgesteld, dat ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens
ziekte niet kan worden aangenomen;
b. indien de ambtenaar de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan
op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt,
of
c. indien de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte zich voordoet binnen een half jaar na het geneeskundig onderzoek,
bedoeld in artikel 23, vierde lid, onderdeel b, en blijkt dat de
ambtenaar onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft
verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring
van geschiktheid ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar
aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
2. De gewezen ambtenaar heeft geen aanspraak op doorbetaling van zijn
laatstelijk genoten bezoldiging, indien hij op grond van een aanvaarde
andere betrekking aanspraak kan maken op betaling van loon of
bezoldiging, dan wel aanspraak kan maken op een ZW-uitkering.
Artikel 54f. Verval van aanspraken
1. De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van
dit hoofdstuk vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:
a. niet binnen redelijke termijn gezondheidskundige hulp inroept;
b. zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder
gezondheidskundige behandeling blijft stellen;
c. de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;
d. zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt
belemmerd;
e. verzuimt de deskundige persoon of de arbodienst op eerste aanvraag
mee te delen om welke reden hij ongeschikt is tot werken;
f. zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek van
de deskundige persoon of de arbodienst om te verschijnen;
g. er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door
een door de deskundige persoon of de arbodienst aangewezen arts niet kan
plaatshebben;
h. niet binnen twee dagen na de aanvang van de ongeschiktheid tot werken
wegens ziekte dit heeft gemeld bij het bevoegd gezag;
i. weigert aangeboden passende arbeid, waartoe de deskundige persoon of
de arbodienst hem in staat acht, te verrichten;
j. zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met
betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de
daarbij in acht te nemen procedure;
k. zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt;
l. weigert inzage te geven in een op hem betrekking hebbend document als
bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een geldig
rijbewijs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet,
voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor Onze Minister voor de
uitvoering van wetten;
m. tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de
deskundige persoon of de arbodienst in het belang van zijn genezing
wenselijk wordt geacht;
n. vóór de betaling van de bezoldiging weigert mededeling te doen van
inkomsten uit arbeid die hij heeft in verband met het verrichten van
door de deskundige persoon of de arbodienst in het belang van zijn
genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden;
o. niet onverwijld op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en
omstandigheden meedeelt, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn
dat zij van invloed kunnen zijn op zijn aanspraak op of de hoogte van
een aan hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering;
p. zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de deskundige persoon
of de arbodienst bepaalde tijdstip en in de door deze persoon of dienst
bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een
door de deskundige persoon of de arbodienst als geldig erkende reden
heeft opgegeven;
q. zonder deugdelijke grond weigert gevolg te geven aan door het bevoegd
gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven
redelijke voorschriften of mee te werken aan getroffen maatregelen die
erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen passende arbeid
te verrichten;
r. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen,
evalueren of bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
25, tweede lid, van de WIA;
s. geen aanspraak heeft op een WIA-uitkering omdat geen aanvraag is
ingediend of in verband met de toepassing van artikel 88 van de WIA;
t. zonder deugdelijke grond weigert meer te werken aan de doelmatige
uitvoering van dit hoofdstuk.
2. De aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging kan geheel of
gedeeltelijk vervallen worden verklaard in het geval de ambtenaar of de
gewezen ambtenaar de regels heeft overtreden die ter zake van
afwezigheid wegens ziekte zijn vastgesteld.
3. De ingevolge het eerste en tweede lid vervallen aanspraken herleven
met ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar
alsnog gevolg geeft aan de desbetreffende verplichting op grond van dat
lid.
4. Onze Minister kan op grond van bijzondere omstandigheden bepalen dat
de aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging, niet vervalt maar
geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar of de gewezen
ambtenaar zal worden uitbetaald.
5. Voor zover Onze Minister van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde
lid, geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging,
alsnog aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitbetaald, indien het
in artikel 32, eerste lid, van de Wet SUWI, bedoelde oordeel ten gunste
van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitvalt.
Artikel 54g
1. Onze Minister zal zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen treffen en
voorschriften geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die
in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn
arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende
arbeid te verrichten.
2. De maatregelen en voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn
gericht op duurzame reïntegratie in de eigen arbeid of in andere
passende arbeid in de sector Rijk waarvan de voor die arbeid geldende
salarisschaal niet meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal
die voor de ambtenaar geldt en waarbij de resterende mogelijkheden van
de ambtenaar volledig worden benut. Indien na overleg tussen Onze
Minister en de ambtenaar vaststaat dat dergelijke arbeid niet voorhanden
is, zullen de maatregelen en voorschriften zich richten op duurzame
reïntegratie in andere passende arbeid, zo mogelijk binnen een van de
overheidssectoren.
3. Zolang duurzame reïntegratie als bedoeld in het tweede lid niet
mogelijk is, stelt Onze Minister de ambtenaar in de gelegenheid andere
passende arbeid te verrichten.
4. In overeenstemming met de ambtenaar stelt Onze Minister een plan van
aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan
van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig
geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.
5. De ambtenaar die van mening is dat Onze Minister de in het eerste lid
bedoelde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, legt bij zijn
verzoek tot nakoming aan Onze Minister een oordeel van het UWV als
bedoeld in artikel 32, derde lid, onderdeel b, van de Wet SUWI over.
Onze Minister beslist binnen zes weken op het verzoek en deelt daarbij
mee tot welke aanpassingen in de reïntegratie-inspanningen het verzoek
hem aanleiding geeft.
Paragraaf 4. Bijzondere situaties
Artikel 54h. Samenloop met andere inkomsten
1. Bij samenloop van een recht krachtens dit hoofdstuk met een
ZW-uitkering, WIA-uitkering, AAOP-uitkering, WW-uitkering of
bovenwettelijke WW-uitkering, dan wel een daarmee vergelijkbare
uitkering, op grond van dezelfde dienstbetrekking, wordt deze uitkering
in mindering gebracht op dit recht, tenzij het een recht op grond van de
artikelen 56 of 56a betreft.
2. Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de ZW-uitkering, de WIA-uitkering,
de AAOP-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering
een vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of
gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de ZW-uitkering, de WIA-uitkering,
de AAOP-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering
voor het vaststellen van de vermindering, bedoeld in het eerste lid,
steeds geacht onverminderd te zijn genoten.
3. Indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar recht heeft op een
ZW-uitkering of een WIA-uitkering, is het verplichtingen-en
sanctieregime van de ZW of de WIA van overeenkomstige toepassing op zijn
recht krachtens dit hoofdstuk op grond van dezelfde dienstbetrekking.
4. De inkomsten die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet in
verband met het verrichten van in het belang van zijn genezing door de
deskundige persoon of de arbodienst wenselijk geachte arbeid, worden op
de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging vermeerderd met de
vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering in mindering gebracht, voor
zover deze inkomsten tezamen met de aanspraak op de doorbetaling van de
bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering of de WIA-uitkering, vermeerderd met de
AAOP-uitkering, de bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en
de eindejaarsuitkering te boven gaan.
5. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf worden op het
bedrag, waarop de gewezen ambtenaar ingevolge dit hoofdstuk recht heeft,
in mindering gebracht, tenzij:
a. de gewezen ambtenaar deze inkomsten reeds vóór het intreden van de
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte genoot,
en
b. de omvang van die arbeid niet is toegenomen.
Artikel 55. Ziekte na bevalling
1.Indien de gewezen vrouwelijke ambtenaar na de datum waarop de periode
afloopt gedurende welke zij ingevolge artikel 45aa, eerste, tweede of
vierde lid, haar bezoldiging en vakantie-uitkering ontvangt, wegens
ziekte ongeschikt is tot werken, dan wel binnen een maand na die datum
wegens ziekte ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende een
tijdvak van 52 weken recht op doorbetaling van haar laatstelijk genoten
bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering overeenkomstig artikel
54b, zolang zij wegens ziekte ongeschikt is tot werken. De termijn van
52 weken vangt aan na beëindiging van voornoemde periode
respectievelijk met ingang van de eerste dag waarop zij ongeschikt is
een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen.
2.Ongeschikt tot werken wegens ziekte in de zin van het eerste lid is de
vrouwelijke gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch
vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om een
naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen als zij
vervulde.
Artikel 56. Tegemoetkoming in noodzakelijk gemaakte ziektekosten
1.In bijzondere gevallen kan aan de ambtenaar een tegemoetkoming worden
toegekend in noodzakelijk gemaakte kosten die verband houden met ziekte,
welke de ambtenaar voor zichzelf en voor zijn medebelanghebbenden heeft
gemaakt:
a. indien hierin niet ingevolge een andere regeling kan worden voorzien,
en
b. deze kosten redelijkerwijs niet voor zijn rekening kunnen blijven.
2.Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
krachtens artikel 47, tweede lid, van het ARAR gestelde nadere regels
zijn van overeenkomstige toepassing.
3.Bij ministeriële regeling kan van de in het tweede lid bedoelde
regels worden afgeweken met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde
kosten welke voortvloeien uit een plaatsing buiten Nederland.
Artikel 56a. Vergoeding van ziektekosten bij dienstongeval en
beroepsziekte
1.Indien de ziekte, uit hoofde waarvan de ambtenaar of de gewezen
ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, voortvloeit uit een
dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen
beroepsziekte, worden hem vergoed de naar het oordeel van Onze Minister
noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging
die voor rekening van de ambtenaar blijven.
2.Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
krachtens artikel 48, tweede lid, van het ARAR gestelde nadere regels
zijn van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 5. Overige bepalingen
Artikel 57. Aanpassing bedrag; begrip bezoldiging
1. Het bedrag van de bezoldiging of de laatstgenoten bezoldiging,
bedoeld in de artikelen 54, 54a, vierde lid, en 54b, en het bedrag van
de eindejaarsuitkering, bedoeld in de genoemde artikelen, worden in
voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene wijziging van
het salaris respectievelijk de eindejaarsuitkering.
2. Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in
artikel 17, 17a, 18 of 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984, worden die toelagen voor de vaststelling van het
in het eerste lid bedoelde bedrag, vastgesteld op het bedrag dat hem
ingevolge de voor hem geldende werktijdregeling zou zijn toegekend
indien hij niet ongeschikt was geworden tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte. Indien de vaststelling van het bedrag op deze
wijze niet mogelijk is, wordt dit bedrag vastgesteld op het gemiddelde
van het bedrag dat de ambtenaar per maand aan die toelagen heeft genoten
over de twaalf kalendermaanden voorafgaande aan:
a. de kalendermaand waarin de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, of
b. de kalendermaand waarin de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt
is geworden een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen.
3. Indien ook voor het overige de bezoldiging niet in een vast bedrag
per maand kan worden uitgedrukt, wordt gerekend met het bedrag dat
gemiddeld per maand is toegekend in de drie kalendermaanden voorafgaande
aan de maand waarin:
a. de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte;
b. de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar
aard en omvang soortgelijke functie te vervullen.
4. Voor zover de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geen drie
kalendermaanden in dienst is geweest, wordt voor de toepassing van het
tweede en derde lid gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld aan
bezoldiging per maand is toegekend over het tijdvak waarin hij in dienst
is geweest vóór het ontstaan van de ongeschiktheid tot het verrichten
van zijn arbeid respectievelijk tot het vervullen van een naar aard en
omvang soortgelijke functie.
Artikel 57a [Vervallen per 13-01-2010]
Artikel 57b [Vervallen per 13-01-2010]
Hoofdstuk XI. Rechten en verplichtingen bij reorganisaties. procedure
bij reorganisaties
Artikel 58. Procedure en nadere regels
1.Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
krachtens artikel 49a, eerste lid, van het ARAR gestelde regels omtrent
de te volgen procedure bij reorganisaties en het herplaatsen van
ambtenaren zijn van overeenkomstige toepassing.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere en zonodig van de in het
eerste lid bedoelde regels en van dit hoofdstuk afwijkende procedures en
regels worden gesteld omtrent reorganisaties, het aanwijzen van
herplaatsingskandidaten en het herplaatsen van ambtenaren.
Artikel 58a. Werkingssfeer
1.Bij een reorganisatie zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van
toepassing.
2.Onder reorganisatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:
iedere wijziging van de organisatiestructuur, de omvang of de taakinhoud
van het Ministerie van Buitenlandse Zaken of een onderdeel daarvan,
waaraan personele consequenties zijn verbonden.
3.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing op
de overgang van de ambtenaar naar een private onderneming of zelfstandig
bestuursorgaan in verband met de privatisering of verzelfstandiging van
een dienstonderdeel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, tenzij
bij algemeen verbindend voorschrift anders is bepaald.
Artikel 58b. Informatie aan centrales en medezeggenschapsorganen
1. De centrales van verenigingen van ambtenaren worden tijdig
geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een reorganisatie.
2. De ondernemingsraad en de betrokken medezeggenschapsorganen bij de
vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland worden tijdig
geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een reorganisatie.
Artikel 58c. Aanwijzen van herplaatsingskandidaten i.v.m. de opheffing
van de functie
De ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd
en de ambtenaar die is aangesteld in vaste dienst, wier functie in
verband met een reorganisatie is opgeheven, worden aangewezen als te
herplaatsen ambtenaar, hierna te noemen: herplaatsingskandidaat.
Artikel 58d. Aanwijzen van herplaatsingskandidaten i.v.m. overtolligheid
1.Van overtolligheid is sprake indien binnen het te reorganiseren
onderdeel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken meer ambtenaren een
vergelijkbare of uitwisselbare functie vervullen en het totale aantal
van die functies zodanig wordt verminderd dat onvoldoende van die
functies voor de betrokken ambtenaren resteren.
2.De ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd
en de ambtenaar die is aangesteld in vaste dienst, die in verband met
een reorganisatie overtollig zijn, worden aangewezen als
herplaatsingskandidaat, waarbij de ambtenaar die het geringste aantal
jaren in overheidsdienst heeft doorgebracht het eerst als
herplaatsingskandidaat wordt aangewezen.
3.Voor de berekening van het aantal in overheidsdienst doorgebrachte
jaren wordt mede in aanmerking genomen tijd gewijd aan de verzorging van
tot het huishouden van de ambtenaar behorende 0–4 jarige eigen, stief-
of pleegkinderen, tot een maximum van in totaal zes jaren.
4.Onze Minister kan van de volgorde in het tweede lid afwijken indien
zulks naar zijn oordeel noodzakelijk is.
Artikel 58e. Informatie over de aanwijzing als herplaatsingskandidaat
De ambtenaar wordt omtrent zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat zo
spoedig mogelijk geïnformeerd.
Artikel 58f. Verplichting om een passende functie aan te bieden
1. Onverminderd het gestelde in artikel 99, eerste lid, wordt aan de
ambtenaar binnen een periode van 18 maanden, te rekenen vanaf het moment
dat de ambtenaar is aangewezen als herplaatsingskandidaat, ten minste
één passende functie aangeboden.
2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan worden verkort indien:
a. de herplaatsingskandidaat heeft geweigerd te voldoen aan een hem op
grond van dit hoofdstuk opgelegde verplichting, of
b. reeds eerder in overleg met de ambtenaar kan worden vastgesteld dat
er geen mogelijkheden zijn om hem binnen de termijn te herplaatsen.
3. Onze Minister kan de termijn verlengen of opschorten, indien de
omstandigheden naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
4. De ambtenaar wordt gelijktijdig met zijn aanwijzing als
herplaatsingskandidaat geïnformeerd over de aanvang en het einde van de
termijn, bedoeld in het eerste lid.
5. De herplaatsingskandidaat wordt geïnformeerd over het verkorten,
verlengen of opschorten van de termijn, bedoeld in het tweede en het
derde lid.
6. Op verzoek van de herplaatsingskandidaat wordt de termijn, bedoeld in
het eerste lid, met maximaal een jaar verlengd ingeval de
herplaatsingskandidaat bij het einde van de termijn, bedoeld in het
eerste lid, in combinatie met de duur van de bovenwettelijke uitkering,
de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en door deze
verlenging recht ontstaat op een bovenwettelijke uitkering op grond van
artikel 2, tweede lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen
werkloosheid voor de sector Rijk.
Artikel 58g. Passende functie
1. Van een passende functie als bedoeld in artikel 58f is sprake indien
de herplaatsingskandidaat naar het oordeel van Onze Minister beschikt
over de kennis en kunde die noodzakelijk worden geacht om de functie
naar behoren te kunnen uitoefenen dan wel indien de
herplaatsingskandidaat naar het oordeel van Onze Minister binnen
redelijke termijn om-, her- of bijgeschoold kan worden, en deze functie
hem in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor
hem bestaande vooruitzichten, redelijkerwijs kan worden opgedragen.
2. Bij het eerste lid geldt de beperking dat uitsluitend sprake kan zijn
van een passende functie indien de voor de functie geldende
salarisschaal niet meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal
die geldt voor de herplaatsingskandidaat.
3. De herplaatsingskandidaat kan worden geplaatst in een functie waarvan
de geldende salarisschaal meer dan twee schalen lager is dan de
salarisschaal die geldt voor de herplaatsingskandidaat indien er
bijzondere omstandigheden zijn die zulks rechtvaardigen en indien de
herplaatsingskandidaat daarmee instemt.
4. Bij een herplaatsing met toepassing van het derde lid is artikel 58m
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 58h. Plaatsing van herplaatsingskandidaat in een functie
Onze Minister kan de naar zijn oordeel meest geschikte
herplaatsingskandidaat, voor wie de functie als passend wordt
aangemerkt, herplaatsen in die functie.
Artikel 58i. Verplichting van de herplaatsingskandidaat om mee te zoeken
naar een passende functie en een passende functie te aanvaarden
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 58f, eerste lid, is de
herplaatsingskandidaat verplicht al het mogelijke te doen om een
passende functie te vinden.
2.De herplaatsingskandidaat is verplicht een passende functie te
aanvaarden.
Artikel 58j [Vervallen per 25-06-2010]
Artikel 58k. Sanctie
1.De herplaatsingskandidaat die heeft geweigerd te voldoen aan een hem
op grond van dit hoofdstuk opgelegde verplichting, kan in verband
daarmee ontslag worden verleend.
2.Bij een ontslagverlening op grond van het eerste lid wordt een
opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen.
Artikel 58l. Reistijd-werktijd
1. Indien de toename van de reistijd voor woon-werkverkeer ten gevolge
van een wijziging van de plaats van tewerkstelling in Nederland in
verband met plaatsing of herplaatsing in een passende functie anders dan
op eigen verzoek meer bedraagt dan 15 minuten per enkele reis, wordt de
extra reistijd van de ambtenaar, voor zover deze meer is dan 15 minuten,
gedurende een jaar als werktijd aangemerkt.
2. Gedurende het tweede, derde en vierde jaar wordt respectievelijk 75%,
50% en 25% van de in het eerste lid bedoelde extra reistijd als werktijd
aangemerkt.
3. Voor de ambtenaar die de in het eerste lid bedoelde aanspraak heeft,
en voor wie binnen twee jaar opnieuw de plaats van tewerkstelling
wijzigt, wordt bij de berekening van de extra reistijd uitgegaan van de
totale toename ten opzichte van de reistijd zoals die was voor de eerste
wijziging.
4. Indien de tweede toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt
ten opzichte van de de reistijd zoals die was na de eerste wijziging,
wordt de in het eerste en tweede lid genoemde termijn, gedurende welke
de aanspraak bestaat, opnieuw gestart.
5. De ambtenaar voor wie binnen twee jaar voor de tweede maal anders dan
op eigen verzoek de plaats van tewerkstelling in Nederland wijzigt en
voor wie pas na de tweede wijziging de toename van de reistijd meer dan
15 minuten bedraagt, heeft aanspraak op de voorziening, bedoeld in het
eerste en tweede lid vanaf de tweede wijziging.
6. Voor de bepaling van de reistijd wordt uitgegaan van de route met de
minste reistijd, berekend met de ANWB-routeplanner.
Artikel 58m. Financiële voorziening bij herplaatsing over grote afstand
1.De ambtenaar die in verband met zijn herplaatsing of plaatsing in een
passende functie in opdracht van Onze Minister is verhuisd, wordt
eenmalig een bedrag toegekend van € 10 890,73 bruto ter tegemoetkoming
in de daarmee verband houdende kosten.
2.In de gevallen waarin de ambtenaar en zijn huwelijkspartner beiden in
aanmerking komen voor het bedrag, bedoeld in het eerste lid, ontvangt
elk de helft daarvan.
3.Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt niet toegekend:
a. indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren
nadat de opdracht om te verhuizen is gegeven, of
b. indien de ambtenaar aanspraak maakt op een vergoeding of
tegemoetkoming op grond van het in of krachtens artikel 36 gestelde.
Artikel 58n. Stimuleringspremie
Onze Minister kan de herplaatsingskandidaat een premie in het
vooruitzicht stellen ter grootte van maximaal drie maandsalarissen
indien aan hem binnen 18 maanden nadat hij is aangewezen als
herplaatsingskandidaat op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend.
Artikel 58o. Salarissuppletie na ontslag
1.De herplaatsingskandidaat aan wie eervol ontslag op zijn aanvraag is
verleend wegens de aanvaarding van een functie kan, onverminderd het
bepaalde in artikel 58n, een salarissuppletie worden toegekend indien
het in de nieuwe functie genoten salaris lager is dan het salaris in de
oorspronkelijke functie.
2.De suppletie, bedoeld in het eerste lid, wordt toegekend gedurende
maximaal vijf jaar en is ten hoogste gelijk aan het verschil tussen het
in de oorspronkelijke functie genoten salaris en het salaris in de
nieuwe functie.
3.Onder door Onze Minister te stellen voorwaarden kan het recht op
suppletie op aanvraag van de herplaatsingskandidaat worden afgekocht.
Artikel 58p. Anticiperen op een reorganisatie
De artikelen 58i, tweede lid, 58j, 58m, 58n en 58o kunnen worden
toegepast op de ambtenaar wiens functie binnen afzienbare tijd wordt
opgeheven of die als overtollig zal worden aangemerkt.
Hoofdstuk XII. Overige rechten en verplichtingen van de ambtenaar
Artikel 59. Algemene verplichtingen
1.De ambtenaar is gehouden de plichten uit zijn functie voortvloeiende
nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed
ambtenaar betaamt.
2.De ambtenaar is zich er bij voortduring van bewust deel uit te maken
van een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland, zolang
hij daarbij is geplaatst.
Artikel 60. Eed/belofte; verplichtingen
1.De ambtenaar is verplicht een eed of een belofte af te leggen.
2.De ambtenaar legt zo spoedig mogelijk na diens indiensttreding in
handen van Onze Minister of van een door deze aangewezen ambtenaar de
navolgende eed of belofte af:
«Ik zweer/beloof trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de overige
wetten van het Rijk. Ik zweer/verklaar dat ik tot het verkrijgen van
mijn aanstelling aan niemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven
of beloven.
Ik zweer/beloof dat ik om iets te doen of te laten in mijn functie van
niemand enige belofte of geschenk aannemen zal.
Ik zweer/beloof dat ik mijn werkzaamheden als ambtenaar steeds zal
verrichten overeenkomstig de mij gegeven voorschriften en aanwijzingen,
en dat ik de belangen van het Koninkrijk zal voorstaan en bevorderen.
Ik zweer/beloof dat ik de zaken waarvan ik als ambtenaar kennis draag en
waarvan ik het geheim of vertrouwelijk karakter moet begrijpen niet zal
openbaren aan anderen dan aan hen aan wie ik volgens de wet of uit
hoofde van mijn werkzaamheden tot mededeling verplicht ben.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!
(Dat verklaar en beloof ik).»
3.Alvorens voor de eerste maal een functie als hoofd van een vaste
diplomatieke zending dan wel van een permanente vertegenwoordiging van
het Koninkrijk bij een internationale organisatie te aanvaarden,
hernieuwt de betrokkene de in het tweede lid genoemde eed of belofte in
handen van de Koning. In dat geval wordt het woord «aanstelling»
vervangen door «benoeming als hoofd van een vaste diplomatieke
zending» respectievelijk «benoeming als hoofd van een permanente
vertegenwoordiging van het Koninkrijk bij een internationale
organisatie» en wordt het woord «ambtenaar» vervangen door «hoofd
van een vaste diplomatieke zending» respectievelijk« hoofd van een
permanente vertegenwoordiging van het Koninkrijk bij een internationale
organisatie». In geval van verhindering van de Koning wordt de
hernieuwde eed of belofte afgelegd in handen van Onze Minister. Bestaat
ook daartoe geen gelegenheid, dan wordt de hernieuwde eed of belofte
schriftelijk afgelegd.
Artikel 61. Niet-naleving van onbekende bepalingen
Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet
kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen
voordelen onthouden of nadelen toegebracht.
Artikel 62. Verplichte mededeling van verhindering
Indien de ambtenaar verhinderd is zijn dienst te verrichten, is hij
verplicht daarvan, onder opgave van redenen, zo tijdig mogelijk
mededeling te doen, ten einde vertraging of hinder in de dienst zoveel
mogelijk te voorkomen.
Artikel 63. Woonplaats
1.De ambtenaar kan worden verplicht te gaan wonen of te blijven wonen in
of nabij de gemeente, die hem als standplaats is aangewezen of waartoe
zijn standplaats behoort, indien dit noodzakelijk is in verband met de
goede vervulling van zijn functie.
2.De ambtenaar aan wie de verplichting is opgelegd in of nabij de in het
eerste lid bedoelde gemeente te gaan wonen, is gehouden zo spoedig
mogelijk, maar uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd,
daaraan gevolg te geven.
3.De ambtenaar die bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het
buitenland is geplaatst, is verplicht voor de duur van zijn plaatsing te
wonen in of nabij de plaats van vestiging van die vertegenwoordiging.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.
Artikel 64. Dienstwoning
1.De ambtenaar is verplicht, indien hem een dienstwoning ter bewoning is
aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de bewoning en het
gebruik te gedragen naar de voorschriften, die daaromtrent zijn gesteld.
2.Hij draagt de onderhoudskosten, welke volgens de wet en het
plaatselijk gebruik gewoonlijk voor rekening van de huurder zijn, tenzij
bij ministeriële regeling anders is bepaald.
3.Voor de buiten Nederland geplaatste ambtenaar:
a. is het eerste lid van overeenkomstig toepassing met betrekking tot de
inrichting indien de ter bewoning aangewezen woning geheel of ten dele
van Rijkswege is ingericht;
b. wordt in plaats van «de wet en het plaatselijk gebruik», genoemd in
het tweede lid, gelezen: de Nederlandse wetten en gebruiken.
4.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
betreffende de aanwijzing, de bewoning en het gebruik van
dienstwoningen.
Artikel 65. Opdragen van andere ambtelijke werkzaamheden
1.De ambtenaar kan worden verplicht tijdelijk andere ambtelijke
werkzaamheden te verrichten dan die, welke hij gewoonlijk verricht, mits
die werkzaamheden hem redelijkerwijs kunnen worden opgedragen. Hij kan
echter niet worden verplicht werkzaamheden te verrichten in de plaats
van stakers of uitgeslotenen in particuliere dienst, tenzij de
opgedragen werkzaamheden worden verricht in dienst van het lichaam,
waarbij hij werkzaam is, en voor de openbare dienst tijdens de staking
of uitsluiting, dan wel als onmiddellijk gevolg daarvan redelijkerwijze
dadelijk noodzakelijk zijn te achten.
2.Voorts kan aan de ambtenaar door Onze Minister de verplichting worden
opgelegd in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone
omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan die, welke hij
gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden strekken ter uitvoering van
de taak, welke het Ministerie van Buitenlandse Zaken in die tijden heeft
of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed en ongestoord
mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren.
3.De ambtenaar aan wie de in het tweede lid bedoelde verplichting is
opgelegd, is tevens te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te
nemen aan oefeningen, die verband houden met de in dat lid bedoelde
werkzaamheden.
4.Bij de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt voor zover
mogelijk rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de
ambtenaar.
Artikel 66. Toelage voor bedrijfshulpverleners
1.De ambtenaar die is aangewezen als bedrijfshulpverlener als bedoeld in
artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet en die naast zijn normale
werkzaamheden de bedrijfshulpverleningstaken naar behoren heeft
uitgevoerd, ontvangt een toelage.
2.De toelage wordt bepaald volgens door Onze Minister te stellen regels
en bedraagt ten minste € 195,35 per jaar.
3.De te stellen regels bevatten in ieder geval de criteria die
gehanteerd worden bij de toekenning van een
bedrijfshulpverleningstoelage.
4.Indien het in artikel 58a, tweede lid, van het ARAR genoemde bedrag
door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt
aangepast, is die aanpassing van overeenkomstige toepassing op het
tweede lid.
Artikel 67. Scholing
1. De ambtenaar kan in het belang van de rijksdienst worden verplicht om
scholing te volgen, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden
verlangd. Bij het opleggen van de verplichting tot het volgen van
scholing worden studiefaciliteiten toegekend.
2. De ambtenaar die is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld
in de artikelen 58c en 58d, die een studie volgt of gaat volgen die
aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde
loopbaanafspraken dan wel het kunnen plaatsen in een andere functie
worden studiefaciliteiten toegekend.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde faciliteiten zijn:
a. een volledige vergoeding van de met de studie gemoeide
scholingskosten;
b. 100% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid
met het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel
uitmaken van de opleiding, en het afleggen van examens.
4. Aan de ambtenaar, niet zijnde de ambtenaar, bedoeld in het eerste of
tweede lid, die een studie volgt of gaat volgen die naar het oordeel van
het bevoegd gezag aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van
vastgelegde loopbaanafspraken worden de volgende studiefaciliteiten
toegekend:
a. een volledige vergoeding van de met de studie gemoeide
scholingskosten;
b. 50% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met
het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken
van de opleiding, en het afleggen van examens.
5. Aan de niet in het eerste tot en met vierde lid bedoelde ambtenaar
die een studie volgt of gaat volgen, kan het bevoegd gezag de volgende
studiefaciliteiten toekennen:
a. een vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten tot ten
hoogste 50% van deze scholingskosten;
b. ten hoogste 25% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is
gemoeid met het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk
onderdeel uitmaken van de opleiding, en het afleggen van examens.
6. De ambtenaar kan worden verplicht tot terugbetaling van de aan hem
toegekende vergoeding van de scholingskosten:
a. bij onvoldoende resultaat in de scholing en bij tussentijds afbreken
van de scholing, indien dit aan eigen schuld of toedoen van de ambtenaar
is te wijten;
b. bij ontslag tijdens het volgen van de scholing en in bijzondere
gevallen bij ontslag binnen een termijn van ten hoogste drie jaren na
het met voldoende resultaat afronden van de scholing, tenzij de
ambtenaar binnen een maand na zijn ontslag elders in dienst treedt
binnen de rijksdienst of aansluitend aan zijn ontslag recht heeft op een
uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of
ouderdomspensioen.
7. De verplichting tot terugbetaling wordt niet opgelegd aan de
ambtenaar die binnen de in artikel 58f bedoelde termijn nadat hij is
aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 58c en
58d, op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend wegens de
aanvaarding van een functie buiten de rijksdienst.
8. Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van het bepaalde in dit
artikel nadere regels worden gesteld.
Artikel 68 [Vervallen per 25-06-2010]
Artikel 69. Nevenbetrekkingen en nevenwerkzaamheden
1.De ambtenaar is verplicht aan Onze Minister, op een door Onze Minister
te bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij
verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de
dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling,
kunnen raken.
2.Onze Minister voert een registratie op basis van de op grond van het
eerste lid gedane opgaven.
3.De door de secretaris-generaal en directeuren-generaal gemelde
nevenwerkzaamheden worden openbaar gemaakt met vermelding van eventueel
door Onze Minister aan het verrichten van de nevenwerkzaamheden gestelde
beperkingen.
4.Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor
de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de
openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn
functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Bij
ministeriële regeling kunnen nadere regels omtrent dit verbod worden
gesteld. Van verboden nevenwerkzaamheden als bedoeld in de eerste
volzin, is in ieder geval sprake indien een consulaire betrekking van
een andere mogendheid wordt aanvaard zonder bij koninklijk besluit
verleende voorafgaande machtiging.
5.Bij plaatsing buiten Nederland draagt de ambtenaar er zorg voor,
indien zijn gezinsleden hem in het buitenland vergezellen en zij ter
plaatse werkzaamheden verrichten, dat deze werkzaamheden niet strijdig
zijn met de wetten van dan wel overeenkomsten met dat land en tevens
niet schadelijk kunnen zijn voor het functioneren van de desbetreffende
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland.
Artikel 69a. Financiële belangenverstrengeling en koersgevoelige
informatie
1.Onze Minister wijst de ambtenaren aan die werkzaamheden verrichten
waaraan in het bijzonder het risico van financiële
belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
koersgevoelige informatie verbonden is. De aangewezen ambtenaar meldt
aan een daartoe aangewezen functionaris financiële belangen, alsmede
het bezit van en transacties met effecten die de belangen van de dienst
voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen
raken.
2.Onze Minister voert een registratie van de op grond van het eerste lid
gedane meldingen.
3.De ambtenaar verstrekt nadere informatie of bescheiden met betrekking
tot de financiële belangen of het bezit van of de transacties met
effecten, indien daarvoor naar het oordeel van Onze Minister of de
aangewezen functionaris, bedoeld in het eerste lid, aanleiding bestaat
op grond van de melding of na de melding gebleken feiten of
omstandigheden.
4.Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten
te bezitten of effectentransacties te verrichten waardoor de goede
vervulling van zijn functie of het goed functioneren van de openbare
dienst, voorzover dit in verband staat met zijn functievervulling, niet
in redelijkheid zou zijn verzekerd.
5.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent
de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld in het
tweede lid, en het verbod, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 70. Verbod tot deelneming aan aannemingen en leveringen
1.Het is de ambtenaar verboden, middellijk of onmiddellijk deel te nemen
aan aannemingen en leveringen ten behoeve van openbare diensten, tenzij
daarvoor door het bevoegd gezag toestemming is verleend.
2.Hij is verplicht zich te gedragen naar hetgeen voor hem is bepaald ten
aanzien van het deelnemen, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen
en leveringen ten behoeve van anderen.
Artikel 71. Terugstorting van vergoedingen in 's Rijks kas
1.De ambtenaar die een besturende, beherende dan wel toezichthoudende
functie vervult in een naamloze vennootschap of ander
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, en voor de in die functie
verrichte of te verrichten werkzaamheden, anders dan uit 's Rijks kas,
een vergoeding ontvangt, is verplicht die vergoeding in genoemde kas te
storten, indien de benoeming in die functie
a. heeft plaatsgehad door dan wel in overeenstemming met Onze Minister;
b. is voortgevloeid uit een wettelijk voorschrift dan wel uit een
overeenkomst welke met instemming van Onze Minister of de ministerraad
is tot stand gekomen.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
ambtenaar die werkzaamheden vervult die verband houden met de door hem
vervulde functie en hem zijn opgedragen door Onze Minister, en die voor
die werkzaamheden, anders dan uit 's Rijks kas, een vergoeding ontvangt.
3.Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing in de gevallen, waarin
dit door Onze Minister-President is bepaald.
Artikel 72. Aannemen van vergoedingen, beloningen, of steekpenningen
1.Het is de ambtenaar in zijn ambt verboden, tenzij hem daarvoor door
het bevoegd gezag toestemming is verleend, vergoedingen, beloningen,
giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen.
2.Het aannemen van steekpenningen is onvoorwaardelijk en ten strengste
verboden.
Artikel 73. Dienstkleding en onderscheidingstekenen
1.De ambtenaar is verplicht de dienstkleding en de
onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit door Onze Minister
voorgeschreven is.
2.Het is de ambtenaar verboden in dienst uniformkledingstukken te
dragen, tenzij deze door Onze Minister zijn verstrekt of voorgeschreven.
3.Het is de ambtenaar verboden bij gekleed gaan in uniform insignes of
andere onderscheidingstekens te dragen, tenzij deze van regeringswege
zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen daarvan door Onze
Minister-President vergunning is verleend.
Artikel 74. Schadevergoeding door de ambtenaar
1.De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke
vergoeding van de door de dienst geleden schade, wanneer hem ter zake
van die schade een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
2.Het bedrag van de schadevergoeding wordt pas vastgesteld, nadat de
ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te
verantwoorden.
Artikel 75. Telewerken
Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
krachtens artikel 67 van het ARAR gestelde regels ten aanzien van
telewerken zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 76. Vergoeding dienstreizen
1.De ambtenaar heeft recht op vergoeding wegens reis- en verblijfkosten
ter zake van dienstreizen.
2.Deze vergoeding wordt vastgesteld overeenkomstig de daarvoor gestelde
regels. De vergoedingen voor de buiten Nederland geplaatste ambtenaren
worden vastgesteld op grond van bij ministeriële regeling gestelde
regels.
Artikel 77. Schadeloosstelling aan de ambtenaar
1. Onze Minister kan naar billijkheid de ambtenaar schadeloosstellen,
kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen.
2. De ambtenaar en de gewezen ambtenaar die een beroepsincident als
bedoeld in artikel 49, hebben gehad, hebben recht op volledige
vergoeding van de schade die zij ten gevolge van dat beroepsincident
lijden. In overeenstemming met de ambtenaar kan deze vergoeding mede
strekken ter vervanging van de uitkering, bedoeld in artikel 54b,
zevende lid.
3. Bij ministeriële regeling kunnen omtrent de schadeloosstelling,
kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen aan groepen
van ambtenaren in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties regels worden gesteld.
4. Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
krachtens artikel 69, vierde lid, van het ARAR gestelde regels omtrent
de schadeloosstelling, kostenvergoedingen en overige geldelijke
tegemoetkomingen aan groepen van ambtenaren zijn van overeenkomstige
toepassing. Bij ministeriële regeling kan Onze Minister andere regels
stellen in verband met het verrichten van arbeid buiten Nederland.
5. Lijdt een ambtenaar die voldaan heeft aan het derde lid van artikel
13, buiten Nederland schade als gevolg van een normaliter niet
verzekerbaar molest, dan wordt indien dat molest samenhangt met de
functie of de plaatsing van betrokkene, die schade volgens bij
ministeriële regeling te stellen regels vergoed, voor zover betrokkene
vorderingen terzake aan het Rijk heeft gecedeerd.
6. Onze Minister bepaalt de muntsoort of muntsoorten waarin de bedoelde
schadeloosstelling, vergoedingen en tegemoetkomingen bij plaatsing
buiten Nederland worden uitbetaald.
Artikel 78. Functionerings- en ontwikkelingsgesprekken
1.Met de ambtenaar wordt minimaal een keer per jaar door een
functionaris, aangewezen door Onze Minister, gesproken over:
a. de wijze waarop de ambtenaar de opgedragen werkzaamheden heeft
uitgevoerd en de resultaten die daarbij zijn gehaald;
b. de omstandigheden waaronder de opgedragen werkzaamheden zijn
uitgevoerd;
c. welke werkzaamheden de ambtenaar zullen worden opgedragen en welke
resultaten daarbij behaald moeten worden;
d. de omstandigheden waaronder die op te dragen werkzaamheden zullen
worden uitgevoerd, en
e. de wijze waarop de persoonlijke ontwikkeling van de ambtenaar
bevorderd kan worden.
2.Indien de ambtenaar gedurende vijf aaneengesloten jaren dezelfde
functie heeft vervuld, wordt in het gesprek als bedoeld in het eerste
lid specifieke aandacht besteed aan de continuering van de loopbaan.
3.Van het met de ambtenaar besprokene wordt een schriftelijk verslag
gemaakt.
4.Over de in het eerste lid, onder c, d en e, genoemde onderwerpen
worden met de ambtenaar afspraken gemaakt.
5.Onze Minister stelt vast aan welke eisen een gesprek als bedoeld in
het eerste lid alsmede een verslag daarvan moet voldoen.
Artikel 79. Beoordelingen
1.Indien dit wenselijk wordt gevonden of de ambtenaar dit aanvraagt,
wordt een beoordeling opgemaakt.
2.Een beoordeling wordt eerst vastgesteld nadat deze met de ambtenaar is
besproken en hij zijn zienswijze kenbaar heeft kunnen maken.
3.Bij ministeriële regeling worden, na overleg met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, nadere regels gesteld omtrent
het opmaken en vaststellen van beoordelingen.
Artikel 80. Zekerheidsstelling
Verplichting tot zekerheidsstelling wordt de ambtenaar niet opgelegd.
Artikel 81. Aanzuivering van een tekort
1.De ambtenaar die namens een minister is belast met de in artikel 24,
tweede en derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 vermelde taken, is
verplicht een tekort geheel of gedeeltelijk aan te zuiveren, wanneer hem
ter zake van dat tekort een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
2.De ambtenaar die namens een minister is belast met het in artikel 25,
tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 bedoelde beheer, is verplicht
schade te vergoeden, wanneer hem ter zake van die schade een ernstig
verwijt kan worden gemaakt.
Artikel 82. Kind zogen
Aan de vrouwelijke ambtenaar die een borstkind heeft en hiervan aan het
hoofd van dienst heeft kennis gegeven, wordt gelegenheid gegeven haar
kind te zogen.
Artikel 83. Maatregelen van orde
1.Aan de ambtenaar kan de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen
of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd.
2.De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van
orde, die ten aanzien van het verblijf aldaar zijn vastgesteld.
Artikel 84. Verbod van alcoholgebruik
Het is de ambtenaar verboden gedurende de werktijd zonder toestemming
van het bevoegd gezag alcoholhoudende dranken te gebruiken, bij zich te
hebben of in de dienstlokalen te bewaren.
Artikel 85. Gratificatie bij ambtsjubileum
1.De ambtenaar heeft aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum,
overeenkomstig de door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties krachtens artikel 79, eerste lid, van het ARAR te
stellen regels.
2.De ambtenaar die een diensttijd heeft van tien jaar of meer en aan wie
ontslag is verleend op grond van artikel 99 of 104, eerste lid, onder e,
wordt een diensttijdgratificatie toegekend, indien binnen een termijn
van vijf jaar na de datum van ingang van het ontslag aanspraak op een
gratificatie bij ambtsjubileum zou hebben bestaan. De
diensttijdgratificatie bedraagt een in verhouding tot de doorgebrachte
diensttijd evenredig gedeelte van een gratificatie bij ambtsjubileum als
bedoeld in het eerste lid. De berekeningsgrondslag van de gratificatie
wordt bij een ontslag op grond van artikel 104, eerste lid, onder e,
vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller overeenkomt met het
aantal uren waarvoor de ambtenaar ontslag is verleend en de noemer met
het aantal uren waarvoor hij voorafgaand aan het ontslag was aangesteld.
Hoofdstuk XIIa [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 85a [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 85b [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 85c [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 85d [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 85e [Vervallen per 01-01-2010]
Hoofdstuk XIII. Disciplinaire straffen
Artikel 86. Plichtsverzuim
1.De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich
overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan daarvoor disciplinair
worden gestraft.
2.Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift, als
het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke
omstandigheden behoort na te laten of te doen.
3.Tenzij door Ons of met Onze machtiging door Onze Minister anders is
bepaald, wordt de straf opgelegd door het gezag, dat bevoegd is tot
aanstelling in de door de ambtenaar vervulde functie. Indien deze
bevoegdheid bij Ons berust, geschiedt de bestraffing, behalve voor zover
betreft de straffen genoemd in artikel 87, eerste lid, onder i en l,
door Onze Minister.
Artikel 87. Soorten van straffen
1.De disciplinaire straffen die kunnen worden opgelegd, zijn:
a. schriftelijke berisping;
b. buitengewone dienst op andere dagen dan zondag en de voor de
ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen, zonder beloning of tegen een
lagere dan de normale beloning en wel voor ten hoogste zes uren met een
maximum van drie uren per dag;
c. vermindering van het recht op jaarlijkse vakantie met ten hoogste een
derde gedeelte van het aantal uren, waarop in het desbetreffende
kalenderjaar aanspraak bestaat;
d. geldboete van ten hoogste € 22;
e. gehele of gedeeltelijke inhouding van salaris tot een bedrag van ten
hoogste het salaris over een halve maand;
f. vaststelling van het salaris in de voor de ambtenaar geldende
salarisschaal, op het bedrag behorend bij een salarisnummer dat maximaal
twee salarisnummers lager is dan voor de ambtenaar geldt, of indien voor
de functie waarin de ambtenaar is geplaatst geen salarisschaal geldt,
vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de
tijd van ten hoogste twee jaren;
g. het niet toekennen van een hoger salarisnummer gedurende ten hoogste
vier jaren;
h. uitsluiting voor de tijd van ten hoogste vier jaren van indeling in
een salarisschaal waarvoor een hoger maximumsalaris geldt, indien
zodanige indeling anders volgens de daarvoor geldende regeling zou
hebben plaatsgevonden;
i. indeling in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt
dan dat verbonden aan de salarisschaal welke ingevolge het BBRA 1984
behoort te gelden, een en ander al dan niet voor een bepaalde tijd en
met of zonder vermindering van bezoldiging;
j. verplaatsing, al dan niet met verlening van een tegemoetkoming in
mogelijke verplaatsingskosten tot ten hoogste het bedrag, dat in geval
van verplaatsing in het belang van de dienst zou kunnen worden verleend
krachtens het Verplaatsingskostenbesluit 1989, met dien verstande dat
deze straf niet wordt opgelegd aan een buiten Nederland geplaatste
ambtenaar;
k. schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke
inhouding van bezoldiging; indien deze straf aan een buiten Nederland
geplaatste ambtenaar is opgelegd, is artikel 93, derde lid, van
overeenkomstige toepassing;
l. ontslag.
2.Indien een straf als bedoeld in het eerste lid, onder g, h of i, is
opgelegd, kan, indien het verdere gedrag van de ambtenaar naar het
oordeel van het tot oplegging van de straf bevoegd gezag daartoe
aanleiding heeft gegeven, zijn positie met ingang van een bepaald
tijdstip geheel of ten dele in overeenstemming worden gebracht met de
positie, zoals deze zonder strafoplegging zou zijn geweest.
3.Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten
uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een
vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim,
als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig
plichtsverzuim en hij zich houdt aan bij het opleggen van de straf
eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.
Artikel 88. Gelegenheid tot verantwoording
1.Indien de ambtenaar verantwoording aflegt doet hij dit ten overstaan
van het gezag dat tot de voorgenomen strafoplegging bevoegd is, of van
een door dit gezag aangewezen autoriteit, tenzij bij koninklijk besluit
anders wordt bepaald. Indien deze bevoegdheid bij Ons berust, geschiedt
de verantwoording ten overstaan van Onze Minister of van een door deze
aangewezen autoriteit. Het gezag, ten overstaan waarvan de
verantwoording zal plaatsvinden, bepaalt of deze mondeling of
schriftelijk zal geschieden, met dien verstande dat bij schriftelijke
verantwoording de ambtenaar op zijn verzoek gelegenheid wordt gegeven
tot nadere mondelinge toelichting.
2.Van de mondelinge verantwoording en van een eventuele nadere
mondelinge toelichting wordt zo spoedig mogelijk proces-verbaal
opgemaakt, dat na kennisneming wordt getekend door hem, ten overstaan
van wie de verantwoording heeft plaatsgevonden, en door de ambtenaar.
Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het
proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding
gemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt aan de ambtenaar
uitgereikt.
Artikel 89. Straf in verband met meningsuiting e.d.
De ambtenaar kan slechts gestraft worden wegens overtreding van artikel
125a, eerste lid, van de Ambtenarenwet, nadat daarover advies is
ingewonnen van de Adviescommissie grondrechten en functieuitoefening
ambtenaren.
Artikel 90. Ontvangstbevestiging besluit tot strafoplegging
De ambtenaar dient van de ontvangst van een besluit inzake
strafoplegging te doen blijken door onverwijlde terugzending van een
door hem ondertekend en gedateerd ontvangstbewijs.
Artikel 91. Tenuitvoerlegging van de straf
De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten
uitvoer gelegd, zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij
de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.
Hoofdstuk XIV. Schorsing en ontslag
Artikel 92. Schorsing van rechtswege
De ambtenaar is van rechtswege in zijn ambt geschorst, wanneer hij
krachtens een Nederlandse wettelijke maatregel van zijn vrijheid is
beroofd, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel,
anders dan op grond van de Wet bijzondere opneming in psychiatrische
ziekenhuizen, genomen in het belang van de volksgezondheid.
Artikel 93. Schorsing bij strafrechtelijke vervolging e.d.
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 87, eerste lid, onder k, eerste
zinsdeel, kan de ambtenaar in zijn ambt worden geschorst:
a. indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen
hem is ingesteld;
b. wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk
ontslag is te kennen gegeven, dan wel hem die straf is opgelegd;
c. wanneer het belang van de dienst dat vordert.
2.Schorsing geschiedt door Onze Minister.
3.Schorsing van een buiten Nederland geplaatste ambtenaar gaat gepaard
met terugroeping naar Nederland, met verlening van een tegemoetkoming in
de verplaatsingskosten tot ten hoogste het bedrag dat in geval van
overplaatsing in het belang van de dienst zou kunnen worden verleend op
grond van de krachtens artikel 36 gestelde regels.
Artikel 94. Inhouding op bezoldiging bij schorsing
1.Tijdens de schorsing kan de bezoldiging voor een derde gedeelte worden
ingehouden. Na verloop van zes weken kan een verdere inhouding, ook van
de volledige bezoldiging, plaatsvinden.
Geen inhouding vindt plaats in geval van schorsing in het belang van de
dienst als bedoeld in artikel 93, eerste lid, onder c, van het doen
opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis of daarmede gelijk te stellen
inrichting dan wel van politiebewaring of inverzekeringstelling als
bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering, mits niet
gevolgd door inbewaringstelling.
2.De ingehouden bezoldiging kan alsnog geheel of gedeeltelijk aan de
ambtenaar worden uitbetaald, indien de schorsing niet wordt gevolgd door
een onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van straf of ontslag op grond van
artikel 104, eerste lid, onderdeel d. Op de aldus uit te keren
bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten, welke de
ambtenaar sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid die hij als
gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij dat onredelijk
of onbillijk is.
3.Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging van de geschorste
ambtenaar kan aan anderen worden uitbetaald.
4.In geval van schorsing tijdens ziekte van de ambtenaar wordt onder
bezoldiging verstaan, hetgeen daaronder voor de toepassing van hoofdstuk
X wordt verstaan.
Artikel 95. Bevoegdheid tot ontslagverlening
Ontslag wordt verleend door het gezag dat bevoegd is tot aanstelling.
Artikel 96. Ontslag op aanvraag van de ambtenaar
1.De ambtenaar wordt op zijn aanvraag ontslag verleend.
2.Behoudens in het geval, bedoeld in artikel 46a, eerste lid, wordt dit
ontslag verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand of
later dan drie maanden na de dag, waarop de aanvraag om ontslag is
ingekomen.
3.Van het eerste lid kan worden afgeweken:
a. indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen de
ambtenaar is ingesteld, of
b. indien wordt overwogen de disciplinaire straf van ontslag op te
leggen.
4.Van het tweede lid kan worden afgeweken:
a. indien wordt overwogen de ambtenaar een disciplinaire straf op te
leggen;
b. indien het belang van de dienst zulks vordert, met dien verstande,
dat de termijn van drie maanden, vermeld in het tweede lid, tot ten
hoogste zes maanden kan worden verlengd en dat bij de verlenging in
redelijkheid met het belang van de ambtenaar rekening wordt gehouden, of
c. op aanvraag van de ambtenaar.
5.Het ontslag op aanvraag van de ambtenaar wordt eervol verleend.
Artikel 97. Ontslag wegens flexibel vervroegd uittreden
1. Onder de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel,
als bedoeld in dit artikel, wordt verstaan de overeenkomst die is
aangegaan op grond van artikel 2 van de Wet kaderregeling vut
overheidspersoneel.
2. Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op
grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel
3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en
artikel 1.5 van het Pensioenreglement wordt ontslag verleend, indien het
bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden
overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting Pensioenfonds
ABP op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na
dat te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van die
regeling. Het ontslag gaat niet eerder in dan met ingang van de dag
waarop het recht op de in de vorige volzin bedoelde uitkering ontstaat.
3. Op aanvraag van de ambtenaar kan het in het tweede lid bedoelde
ontslag ook voor een gedeelte van de voor hem geldende arbeidsduur
worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen
verzetten. Het gedeelte van dit ontslag bedraagt ten minste 10% van de
omvang van de dienstverhouding. Ontslag voor een gedeelte van de
arbeidsduur waaruit reeds eerder gedeeltelijk ontslag met het oog op de
in het tweede lid bedoelde uitkering heeft plaatsgevonden bedraagt ten
minste 10% van de oorspronkelijke arbeidsduur.
4. Artikel 96, tweede tot en met vijfde lid, is zoveel mogelijk van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 98. Ontslag ambtenaar in tijdelijke dienst
1.Aan de ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst wordt geacht
eervol ontslag te zijn verleend zodra de duur van de aanstelling in
tijdelijke dienst is verstreken, tenzij sprake is van een stilzwijgende
voortzetting als bedoeld in artikel 19, vierde of vijfde lid.
2.Aan de ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst kan ontslag
worden verleend, mits een opzeggingstermijn in acht wordt genomen van:
a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging
laatstelijk ten minste twaalf maanden onafgebroken in dienst is geweest;
b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging
laatstelijk ten minste zes maanden maar korter dan twaalf maanden
onafgebroken in dienst is geweest;
c. een maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijk
korter dan zes maanden onafgebroken in dienst is geweest.
3.Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden gedurende
de zwangerschap van de vrouwelijke ambtenaar, noch gedurende het verlof
bedoeld in artikel 45a, vierde lid, noch, indien zij haar dienst heeft
hervat, gedurende een periode van zes weken volgend op dat verlof. Ter
staving van de zwangerschap kan een verklaring van een arts of van een
verloskundige worden verlangd.
4.Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens het
aanvragen of het opnemen van ouderschapsverlof.
5.Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens de
omstandigheid dat de ambtenaar in of buiten rechte een beroep heeft
gedaan op het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
6.Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet plaatsvinden wegens
het feit dat de ambtenaar door een centrale als bedoeld in artikel 142,
derde lid, of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen om
bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen
zijn centrale of een daarbij aangesloten vereniging dan wel binnen de
organisatie van de werkgever, die ertoe strekken de doelstellingen van
zijn centrale van overheidspersoneel en daarbij aangesloten verenigingen
te ondersteunen.
7.Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens de
omstandigheid dat de ambtenaar is geplaatst op een kandidatenlijst als
bedoeld in artikel 9 van de Wet op de ondernemingsraden, noch wegens het
lidmaatschap of het korter dan twee jaren geleden beëindigde
lidmaatschap van de ambtenaar van de ondernemingsraad of van een
commissie van die raad.
8.Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan voor
de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op aanvraag van de
ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd, welke aan de
opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de
laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering.
Artikel 99. Ontslag wegens opheffing van de functie of overtolligheid
1.De ambtenaar kan in het kader van een reorganisatie eervol ontslag
worden verleend indien het niet mogelijk is gebleken om hem te
herplaatsen in een passende functie.
2.Aan de ambtenaar die in het kader van een reorganisatie is herplaatst
kan alsnog het ontslag, bedoeld in het eerste lid, worden verleend
indien binnen een periode van uiterlijk een jaar te rekenen vanaf de
datum waarop de functie is opgedragen, blijkt dat de desbetreffende
functie niet passend is voor de ambtenaar en het niet mogelijk is hem
binnen een redelijke termijn in een passende functie te plaatsen.
3.Bij een ontslagverlening op grond van het eerste lid wordt een
opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen. Bij een
ontslagverlening op grond van het tweede lid geldt geen
opzeggingstermijn.
Artikel 100. Ontslag wegens verplaatsing van de functie
1.Aan de ambtenaar kan eervol ontslag worden verleend indien van hem in
redelijkheid niet kan worden verlangd, dat hij zich zal voegen in zijn
verplaatsing over een aanmerkelijke afstand ten gevolge van een
verplaatsing van zijn functie.
2.Aan de ambtenaar kan binnen een periode van uiterlijk een jaar nadat
hij is verplaatst over een aanmerkelijke afstand, alsnog het ontslag,
bedoeld in het eerste lid, worden verleend indien van hem in
redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij zich zal blijven voegen in
zijn verplaatsing over een aanmerkelijke afstand tengevolge van een
verplaatsing van zijn functie.
3.De artikelen 58g tot en met 58k, 58n en 58o zijn op de ambtenaar van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 101. Ontslag van ambtenaren die bijvoorbeeld lid van
gedeputeerde staten of wethouder zijn geweest
1. Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in
een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of verkozen,
tijdelijk wordt ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien
hij ophoudt zodanige functie te vervullen en hij niet in actieve dienst
kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.
2. Tenzij artikel 46a, eerste lid, van toepassing is, wordt eervol
ontslag eveneens verleend aan de ambtenaar, die na afloop van het
verlof, verleend met toepassing van artikel 46, uitgezonderd het vierde
lid en in verband met het vervullen van een functie bij een
internationale volkenrechtelijke organisatie, niet in actieve dienst kan
worden hersteld.
Artikel 101a. Ontslag van ambtenaren die minister of staatssecretaris
worden
Aan de ambtenaar die een benoeming tot minister of staatssecretaris
aanvaardt, wordt met ingang van de dag van het aanvaarden van deze
betrekking eervol ontslag verleend.
Artikel 102. Ontslag uit een substantieel bezwarende functie
Voor het verlenen van ontslag aan de ambtenaar die belast is met een
functie als vermeld op de in artikel 97, eerste lid, van het ARAR
bedoelde lijst van functies met bezwarende werkzaamheden, is artikel 97
van het ARAR van overeenkomstige toepassing.
Artikel 103. Ontslag wegens bijzondere gedragingen
Voor de ontslagverlening, bedoeld in artikel 125e, tweede lid, van de
Ambtenarenwet, is overeenstemming vereist met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze is gehouden het advies
in te winnen van de Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening
ambtenaren.
Artikel 104. Gronden van ontslag
1. Anders dan op aanvraag van de ambtenaar, bij wijze van straf of
ingevolge het bepaalde bij artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten
Staten-Generaal en Europees Parlement, bij de artikelen 98 tot en met
102 van dit besluit en bij artikel 125e, tweede lid, van de
Ambtenarenwet, kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van:
a. het verlies van een vereiste voor de benoembaarheid, door het
bevoegde gezag gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan,
tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt;
b. onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak, waarbij de ambtenaar
onder curatele is gesteld;
c. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk
geworden rechterlijke uitspraak;
d. onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
misdrijf;
e. ongeschiktheid wegens ziekte voor het vervolgen van zijn loopbaan,
dan wel, indien de ambtenaar is aangesteld in tijdelijke dienst anders
dan voor een proeftijd, tot het verrichten van zijn arbeid;
f. onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of
lichaamsgebreken, voor het vervolgen van zijn loopbaan, dan wel, indien
de ambtenaar is aangesteld in tijdelijke dienst anders dan voor een
proeftijd, voor de door hem vervulde functie;
g. het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;
h. het bij of in verband met indiensttreding of keuring verstrekken van
onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot
indienstneming of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar
aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
2. Een ontslag op grond van het bepaalde in het eerste lid onder a, e, f
en g wordt steeds eervol verleend.
3. Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, kan slechts
plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid voor het vervolgen van zijn loopbaan,
respectievelijk tot het verrichten van zijn arbeid, wegens ziekte
gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de
in onderdeel a genoemde periode van twee jaar te verwachten is, en
c. Onze Minister van oordeel is dat duurzame reïntegratie in arbeid die
aansluit bij de benutbare mogelijkheden van de ambtenaar, niet binnen
een redelijke termijn te verwachten is.
4. De termijn van twee jaar, bedoeld in het derde lid, onderdeel a,
wordt verlengd:
a. met de duur van de vertraging indien Onze Minister de aangifte,
bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de ZW later doet dan op grond van
dat artikel van de ZW is voorgeschreven;
b. met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel
23, eerste lid, van de WIA, indien de wachttijd op grond van artikel 24,
eerste lid, van de WIA wordt verlengd;
c. met de duur van het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25,
negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.
5. Voor de berekening van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het
derde lid, onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het
verrichten van arbeid wegens ziekte tengevolge van zwangerschap
voorafgaand aan het zwangerschapsverlof en perioden van ongeschiktheid
tijdens het zwangerschaps- of bevallingsverlof, bedoeld in artikel 3:1,
tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, niet in aanmerking
genomen.
6. Perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid,
anders dan bedoeld in het vijfde lid, worden samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of
indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel
3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de
ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak.
7. Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in
het derde lid, betrekt het bevoegd gezag de uitslag van de beoordeling
door het UWV van de claim in het kader van de WIA. Indien deze
beoordeling niet of langer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden,
vraagt het bevoegd gezag aan het UWV een oordeel als bedoeld in artikel
32, eerste lid, van de Wet SUWI en betrekt dit bij zijn beoordeling.
8. Indien herplaatsing als bedoeld in artikel 54a, plaatsvindt in een
betrekking voor minder uren dan het aantal waarvoor de ambtenaar was
aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het meerdere
aantal uren.
Artikel 105. Reorganisatie-ontslag bij niet-passende functie
Indien aan de ambtenaar gedurende de tijd dat hij recht heeft op
wachtgeld, daaronder mede begrepen herplaatsingswachtgeld, een uitkering
krachtens de Uitkeringsregeling 1966 of een suppletie op grond van de
Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk, een voor
hem passend geachte functie is aangeboden en die functie binnen een
periode van uiterlijk een jaar, nadat hij haar is gaan vervullen, niet
passend voor hem blijkt te zijn, kan hem binnen die periode op zijn
aanvraag eervol ontslag uit die functie worden verleend, welk ontslag
ten aanzien van zijn aanspraken op een wachtgeld of uitkering als
evenbedoeld, wordt geacht niet door eigen toedoen te zijn verleend.
Artikel 105a. Ontslagsanctie bij arbeidsongeschiktheid
1. Aan de ambtenaar die ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid
te verrichten kan ontslag worden verleend, indien hij zonder deugdelijke
grond weigert:
a. gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd
gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te
werken aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag
aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen
de eigen of passende andere arbeid te verrichten, of
b. passende arbeid te verrichten waartoe het bevoegd gezag hem in de
gelegenheid stelt, of
c. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren of
bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede
lid, van de WIA, of
d. een WIA- uitkering aan te vragen.
2. Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in
het eerste lid, kan het bevoegd gezag de uitslag van de beoordeling door
het UWV van de claim in het kader van de WIA betrekken indien deze
minder dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden.
Artikel 106. Ontslag op andere gronden dan die van artikel 104
1.Aan de ambtenaar in vaste dienst kan ook op andere gronden dan die in
artikel 104 zijn genoemd of waarnaar in dat artikel wordt verwezen,
ontslag worden gegeven. Dat ontslag wordt eervol verleend.
2.In geval van ontslag ingevolge het eerste lid wordt door het tot
ontslagverlening bevoegde gezag een voorziening getroffen waarbij de
ambtenaar een uitkering verleend wordt, die, naar het oordeel van dat
bevoegde gezag, met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten.
Deze uitkering zal ten minste gelijk zijn aan het voor de ambtenaar
geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de
Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij
werkloosheid voor de sector Rijk, als ware als gevolg van het ontslag
geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van
de Werkloosheidswet. Voor zover door het bevoegd gezag ten gunste van de
ambtenaar niet anders is beslist, zijn op de uitkering voor het overige
de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij
werkloosheid voor de sector Rijk van overeenkomstige toepassing.
3.Indien de ambtenaar ter zake van zijn ontslag ingevolge het eerste lid
recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector
Rijk, wordt de in het tweede lid bedoelde uitkering met die uitkering
verminderd.
Artikel 107. Bovenwettelijke uitkering bij aanvaarden van functie buiten
de overheid
1.De ambtenaar aan wie op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend in
verband met de aanvaarding van een functie buiten de overheid, heeft op
grond van zijn ontslag als ambtenaar aanspraak op een uitkering
overeenkomstig het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid
voor de sector Rijk.
2.Het bepaalde in het eerste lid geldt slechts indien de ambtenaar is
aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 58c en
58d en hij binnen twee jaar na zijn indiensttreding buiten de overheid
buiten zijn schuld of toedoen wordt ontslagen.
3.Indien de ambtenaar ter zake van zijn ontslag ingevolge het tweede lid
recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet wordt de in
het eerste lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.
Artikel 108. Uitkering na overlijden ambtenaar
1. De bezoldiging van de ambtenaar wordt uitbetaald tot en met de dag
van overlijden.
2. Indien de ambtenaar bij zijn overlijden een positief of negatief
vakantiesaldo heeft, vinden artikel 41b, eerste en tweede lid,
overeenkomstige toepassing. Het aldus openstaande bedrag en de reeds
voor zijn overlijden aan de ambtenaar uitbetaalde bezoldiging over een
na zijn overlijden gelegen tijdvak worden verrekend met het eventueel
aan de nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgenden van de ambtenaar
verschuldigde bedrag wegens nog niet vergolden aanspraken van de
ambtenaar, en bij gebreke hiervan of indien dit bedrag daarvoor niet
toereikend is, op de uitkering, bedoeld in het derde lid.
3. Aan de nabestaande, van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam
gescheiden leefde, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging
over drie maanden vermeerderd met de vakantie-uitkering en de
eindejaarsuitkering hierover. Indien de ambtenaar op de dag direct
voorafgaand aan zijn overlijden aanspraak maakte op een uitkering op
grond van de ZW, Werkloosheidswet of de WIA, wordt als maatstaf voor de
bezoldiging uitgegaan van de bezoldiging die hij zou hebben genoten als
hij op die dag arbeidsgeschikt zou zijn geweest.
4. Indien de ambtenaar in het genot was van een toelage als bedoeld in
artikel 17 of 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984, wordt de in het derde lid bedoelde bezoldiging in
zoverre gesteld op het gemiddelde van het bedrag dat de overleden
ambtenaar is toegekend of zou zijn toegekend in de drie kalendermaanden
voorafgaande aan de dag van overlijden, of het intreden van de
arbeidsongeschiktheid.
5. Op het bedrag, bedoeld in het derde lid, wordt in mindering gebracht
een uitkering op grond van artikel 35 van de ZW, artikel 74 van de WIA,
artikel 11.17 van het pensioenreglement of andere naar aard en strekking
hiermee overeenkomende uitkeringen die voortvloeien uit dezelfde
dienstbetrekking.
6. Bij ontstentenis van een nabestaande, van wie de overledene niet
duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering, bedoeld in het derde
lid, ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen in de zin
van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen en kinderen
waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder
pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de
opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van
enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding
daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan
degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de bezoldiging
van de ambtenaar.
7. Indien de ambtenaar geen betrekkingen als bedoeld in het derde en
zesde lid, nalaat, kan de daar bedoelde uitkering door het bevoegd gezag
geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van
de laatste ziekte en van de lijkbezorging indien de nalatenschap van de
overledene hiertoe ontoereikend is.
Artikel 109. Uitkering na overlijden gewezen ambtenaar
Na het overlijden van de gewezen ambtenaar, die op de dag van zijn
overlijden op grond van de artikelen 54b en 55 in het genot was van
doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, wordt aan de in
artikel 108 bedoelde personen en met overeenkomstige toepassing van dat
artikel een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging welke de
gewezen ambtenaar op de dag van zijn overlijden genoot, berekend over
een tijdvak van drie maanden. Op deze uitkering wordt in mindering
gebracht het bedrag van de uitkering op grond van de artikelen 35 en 36
van de ZW, artikel 74 van de WIA, de artikelen 6 en 11 van het Besluit
bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk of naar
aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen die voortvloeien
uit dezelfde dienstbetrekking. Alleen uitkeringen die voortvloeien uit
de dienstbetrekking bij Onze Minister worden in mindering gebracht.
Artikel 110. Hoger nabestaandenpensioen indien overlijden veroorzaakt is
door de dienst
1. Indien het overlijden van de ambtenaar is veroorzaakt door een
dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen
beroepsziekte, wordt aan degene die in verband met dit overlijden
krachtens het Pensioenreglement een nabestaandenpensioen geniet, een
uitkering toegekend ten bedrage van 18% van het resultaat van de
vermenigvuldiging van:
a. indien het gaat om de partner, bedoeld in artikel 7.1 van het
Pensioenreglement, vijf zevende deel van 1,75% van de
berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het Pensioenreglement
en de pensioengeldige diensttijd, bedoeld in hoofdstuk 5 van het
Pensioenreglement;
b. indien het gaat om de wees, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid,
aanhef, onderdeel a, van het Pensioenreglement, een zevende deel van
1,75% van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
Pensioenreglement, en de pensioengeldige diensttijd, bedoeld in
hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement;
c. indien het gaat om de wees, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid,
aanhef, onderdeel b, van het Pensioenreglement, twee zevende deel van
1,75% van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
Pensioenreglement, en de pensioengeldige diensttijd, bedoeld in
hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement.
Indien de weduwe of weduwnaar een samenlevingscontract sluit dan wel een
geregistreerd partnerschap aangaat, eindigt de uitkering met ingang van
de maand volgende op de datum van het sluiten van het
samenlevingscontract dan wel het aangaan van het geregistreerd
partnerschap.
2. De uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de overledene de
leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt, dan wel, indien de partner,
bedoeld in artikel 7.1 van het Pensioenreglement, aan wie een pensioen
werd toegekend, hertrouwt, met ingang van de maand volgende op de datum
van het hertrouwen.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de gewezen
ambtenaar ten aanzien van wie artikel 54b, derde lid, toepassing heeft
gevonden, indien zijn overlijden het rechtstreeks gevolg is van de
arbeidsongeschiktheid, bedoeld in dat artikel.
Artikel 111. Gebruik dienstwoning door achterblijvende gezinsleden
1.Gedurende de kalendermaand van het overlijden en de volgende drie
kalendermaanden behouden de achterblijvende gezinsleden het gebruik van
de dienstwoning, waarin zij met de ambtenaar woonden. Daarvan kan worden
afgeweken als Onze Minister dat in het belang van de dienst noodzakelijk
acht. Alsdan wordt naar billijkheid een schadevergoeding gegeven.
2.Bij vrijwillig verlaten van de dienstwoning binnen de termijn
gedurende welke de woning nog mag worden gebruikt, kan een vergoeding
worden gegeven. De eerste volzin is niet van toepassing op een buiten
Nederland gelegen woning.
3.Indien door de ambtenaar voor het gebruik van de dienstwoning een
vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden deze
over de tijd, gedurende welke zij het gebruik van die woning behouden.
Artikel 112. Overige financiële voorzieningen bij overlijden
1. Indien de ambtenaar ten tijde van diens overlijden een tegemoetkoming
genoot in de zin van artikel 36, eerste lid, wordt deze gedurende ten
hoogste drie maanden, of zoveel langer als aantoonbaar onvermijdelijk
blijkt, doorbetaald ten behoeve van de nagelaten gezinsleden, voor zover
deze tegemoetkoming verband houdt met hun verblijf buiten Nederland.
2. Indien de ambtenaar overlijdt gedurende het tijdvak waarover aan hem
de in het derde lid van artikel 36 genoemde tegemoetkoming is toegekend,
worden de in dat lid bedoelde regels toegepast ten behoeve van de
nagelaten gezinsleden, voor zolang de bijzondere kosten te hunnen
aanzien doorlopen. De hoogte van de vergoeding wordt dan berekend als
ware de ambtenaar niet overleden.
3. Indien de ambtenaar overlijdt gedurende een plaatsing buiten
Nederland en de nagelaten gezinsleden verkiezen naar Nederland terug te
keren, gelden de in het derde lid van artikel 36 bedoelde regels
eveneens voor zolang de bijzondere kosten te hunnen aanzien doorlopen.
Voor de berekening van de hoogte en de duur van de in die regels
voorziene tegemoetkoming in de bijzondere kosten wordt de toepassing van
de regels dan geacht te zijn ingegaan op de dag, volgende op de dag
waarop de ambtenaar is overleden. Is na diens overlijden met toepassing
van het eerste lid, de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 36, eerste
lid, doorbetaald, dan wordt over dat tijdvak de eerstgenoemde
tegemoetkoming geacht voor de laatstgenoemde in de plaats te zijn
getreden.
Artikel 113. Vermissing van de ambtenaar
1. Bij vermissing van de ambtenaar vinden, behoudens het bepaalde in het
tweede lid, de bepalingen van de artikelen 108 tot en met 112
overeenkomstige toepassing. De ambtenaar wordt daarbij geacht te zijn
overleden op een door Onze Minister te bepalen dag.
2. Het derde lid van artikel 108 vindt geen toepassing indien gegronde
vermoedens bestaan, dat de vermissing het gevolg is van ongeoorloofde
afwezigheid.
3. Indien blijkt dat de als vermist beschouwde ambtenaar in leven is,
kan ter beoordeling van Onze Minister, de bezoldiging alsnog worden
uitbetaald, tenzij gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het
gevolg was van ongeoorloofde afwezigheid.
4. Indien uit hoofde van de vermissing van de ambtenaar pensioen of
enige andere uitkering, voortvloeiende uit zijn ambtelijke
rechtspositieregeling, is toegekend over het tijdvak waarover naar het
oordeel van Onze Minister aanspraak bestaat op bezoldiging, wordt die
bezoldiging verminderd met de over dat tijdvak aldus uitbetaalde
bedragen.
5. De bezoldiging, waarop de ambtenaar ingevolge het derde en het vierde
lid aanspraak heeft, kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitbetaald.
Hoofdstuk XV. Vervallen.
Hoofdstuk XVI. Vervallen.
Hoofdstuk XVII. Vervallen.
Hoofdstuk XVIIA. Vervallen.
Hoofdstuk XVIII. Lokaal indienstgenomen werknemers
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 114. Werknemers, behorende tot de DBZ
1.Onze Minister kan voor werkzaamheden bij een vertegenwoordiging van
het Koninkrijk in het buitenland, werknemers op arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht in dienst nemen.
2.Onze Minister bepaalt of een functie bij een vertegenwoordiging van
het Koninkrijk in het buitenland door een lokaal in dienst te nemen
werknemer zal worden vervuld.
3.Het indienstnemen van werknemers die niet de Nederlandse nationaliteit
bezitten is mogelijk, mits dezen in hun functie niet met daadwerkelijk
overheidsgezag worden bekleed.
Artikel 115. Werknemers in dienst van een ander ministerie of andere
instelling
1. In overeenstemming met Onze Minister kan ter ondersteuning van:
a. een gedetacheerde ambtenaar van een ander ministerie als bedoeld in
artikel 8, derde lid, onder a;
b. een toegevoegde ambtenaar van Aruba, Curaçao of Sint Maarten als
bedoeld in artikel 8, vierde lid, of
c. een ander als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, door Onze Minister,
hoofd van het betrokken ministerie, onderscheidenlijk door de ander,
bedoeld in artikel 8, vijfde lid, aan het hoofd van een
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland volmacht worden
verleend tot het in dienst nemen van een werknemer voor werkzaamheden
bij die vertegenwoordiging.
2. De werknemers, bedoeld in het eerste lid, worden met betrekking tot
hun dienstverrichtingen gelijkgesteld met werknemers als bedoeld in
artikel 114. Op de werknemers, bedoeld in het eerste lid, zijn zo veel
mogelijk van overeenkomstige toepassing de bepalingen die in of
krachtens dit reglement zijn gesteld betreffende werknemers als bedoeld
in artikel 114.
Artikel 116. Algemene verplichtingen
De werknemer verbindt zich:
a. de opgedragen werkzaamheden naar beste vermogen te verrichten;
b. indien artikel 114, eerste lid, van toepassing is: zich te gedragen
naar de voorschriften en aanwijzingen welke hem, met inachtneming van de
verantwoordelijkheden van Onze Minister voor Ontwikkelingssamenwerking
alsmede van Onze Minister van Economische Zaken ingevolge het vierde en
vijfde lid van artikel 12, door of namens Onze Minister, dan wel door of
namens het hoofd van de vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het
buitenland waarbij de werknemer diens werkzaamheden verricht, worden
gegeven;
c. indien artikel 115, van toepassing is: zich te gedragen naar de
voorschriften en aanwijzingen welke hem door of namens zijn werkgever
worden gegeven, onverminderd het gestelde in artikel 12, eerste en
tweede lid;
d. tot het afleggen van de eed of belofte, indien hij deze ingevolge
artikel 117, derde lid, dient af te leggen.
Artikel 117. Eed/belofte
1.Zo spoedig mogelijk na diens indiensttreding legt de werknemer ten
overstaan van een door Onze Minister daartoe aangewezen ambtenaar de
navolgende eed of belofte af:
"Ik zweer/beloof trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de
overige wetten van het Rijk.
Ik zweer/verklaar dat ik tot het verkrijgen van mijn betrekking aan
niemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.
Ik zweer/beloof dat ik om iets in mijn werkzaamheden te doen of te
laten, van niemand enige belofte of geschenk aannemen zal, en dat ik mij
als een goed werknemer, zal gedragen, de mij verstrekte opdrachten zal
volbrengen, en de zaken waarvan ik door mijn werkzaamheden kennis draag
en waarvan ik het geheim of vertrouwelijk karakter weet of moet
begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik
volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!
(Dat verklaar en beloof ik)."
2.Indien de werknemer niet in het bezit is van de Nederlandse
nationaliteit, blijft de eerste zin van de eed of belofte achterwege.
3.De op de voet van artikel 114 of 115 indienstgenomen werknemer legt de
in het eerste en tweede lid bedoelde eed of belofte alleen af, indien de
door deze te vervullen functie zulks, naar het oordeel van het hoofd van
de desbetreffende vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het
buitenland, wettigt.
Artikel 118. De arbeidsovereenkomst
1.Arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht worden schriftelijk
aangegaan in de Nederlandse taal; bij niet-Nederlanders met vertaling in
een taal die de werknemer voldoende machtig is. Daarin worden ten minste
vermeld:
a. de naam, voornamen en geboortedatum van de werknemer;
b. de datum waarop betrokkene in dienst treedt;
c. of de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde of voor
onbepaalde tijd; wordt deze voor bepaalde tijd aangegaan, dan wordt die
tijd vermeld;
d. welke periode als proeftijd is overeengekomen;
e. het loon waarop de werknemer in dienst is genomen;
f. het aan betrokkene toekomende genot van kost, inwoning of andere
vormen van loon in natura, alsmede de daarmee verbandhoudende
inhoudingen;
g. de aard van de werkzaamheden welke de werknemer gewoonlijk zullen
worden opgedragen;
h. de bepalingen, in of krachtens dit reglement gesteld, welke op de
arbeidsovereenkomst van toepassing zijn.
2.Wijzigingen van de in of krachtens dit reglement getroffen regelingen
werken door naar de met betrokkene gesloten arbeidsovereenkomst.
3.De werknemer wordt, zo mogelijk vóór de indiensttreding,
schriftelijk in kennis gesteld van de hoofdpunten van zijn
rechtspositie; indien de werknemer de Nederlandse taal niet machtig is,
geschiedt dit in een taal welke in het internationale verkeer ter
plaatse gebruikelijk is.
Paragraaf 2. Arbeidsvoorwaarden, overige rechten en verplichtingen
Artikel 119 [Vervallen per 20-06-2007]
Artikel 120 [Vervallen per 20-06-2007]
Artikel 121. Nadere regeling van de rechtspositie; algemene bepalingen
1.Bij ministeriële regeling wordt een regeling vastgesteld ter nadere
bepaling van de rechtspositie van lokaal indienstgenomen werknemers.
2.Onze Minister kan in de in het eerste lid bedoelde regeling bepalen,
welke onderwerpen, en met inachtneming van welke voorwaarden, namens hem
nader dienen te worden geregeld.
Artikel 122. Inhoud van de nadere regeling
De in artikel 121 bedoelde nadere regeling betreft in elk geval de
volgende onderwerpen:
a. indienstneming voor bepaalde of onbepaalde tijd, al dan niet met een
proeftijd;
b. geneeskundige keuring bij indienstneming;
c. een functie-indelingsschema, naar werksoort en functieniveau;
d. een stelsel van loonschalen, met de maximale, minimale en
tussengelegen loonnummers;
e. de toekenning van een loonschaal, en de toekenning van een
loonnummer;
f. vaststelling en uitbetaling van het loon;
g. vervallen van het recht op loon;
h. betaling van loon tijdens ziekte;
i. opdragen van overwerk, en vergoeding van de desbetreffende
arbeidsuren;
j. de muntsoort, of de muntsoorten, waarin lonen en andere bedragen aan
de werknemer worden uitbetaald;
k. dienst- en werktijden;
l. vakantie en verlof;
m. bedrijfsgeneeskundige begeleiding;
n. tegemoetkoming in ziektekosten;
o. aanspraken bij overlijden;
p. zwangerschaps- en bevallingsverlof;
q. opzegging tijdens zwangerschap;
r. plichtsverzuim en disciplinaire straffen;
s. het verstrekken van een opdracht tot het volgen van opleidingen,
alsmede het verlenen van studiefaciliteiten;
t. einde, beëindiging en opzegging van de arbeidsovereenkomst;
u. uitkering bij beëindiging van de dienstbetrekking;
v. uitreiking van een getuigschrift;
w. vergoeding van reis- en verblijfkosten bij dienstreizen;
x. algemene verplichtingen;
y. functioneringsgesprekken en beoordelingen;
z. bijzondere beloningen;
aa. bekendstelling van regelingen waarin de rechtspositie van de
werknemer is neergelegd, alsmede van wijzigingen daarin;
bb. sociale voorzieningen, en
cc. suppletie op oudedags-, nabestaanden- en
arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen.
Artikel 123. Uitwerking per vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het
buitenland
1.Bij ministeriële regeling wordt voor elke vertegenwoordiging van het
Koninkrijk in het buitenland het bepaalde in of krachtens dit hoofdstuk
nader uitgewerkt, zodanig dat het geheel van arbeidsvoorwaarden en
daarmee verbandhoudende voorzieningen voldoet aan de eisen van de lokale
arbeidsmarkt en naar het oordeel van Onze Minister toereikend is.
2.Bij de in artikel 121 bedoelde ministeriële regeling wordt bepaald op
welke wijze een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid tot
stand komt en de voorwaarden die daarbij in acht worden genomen.
Artikel 124. Uitsluiting van de toepasselijkheid
Het bepaalde in of krachtens deartikelen 121 en 122 is slechts van
toepassing respectievelijk van overeenkomstige toepassing voor zover dat
niet strijdig is met dwingende bepalingen van lokaal geldend
arbeidsrecht.
Artikel 125. Loonvaststelling
1.Het loon van de werknemer wordt vastgesteld overeenkomstig het lokale
loonpeil.
2.Onze Minister kan in plaats van een brutoloon een nettoloon toekennen.
Artikel 126 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 127. Uitkering bij beëindiging dienstverband
Bij beëindiging van de dienstbetrekking, wordt aan de betrokkene een
uitkering toegekend overeenkomstig het lokaal geldend arbeidsrecht dan
wel de lokaal geldende gebruiken onverminderd
a. de mogelijkheid van uitkeringen op de voet van de in artikel 128
genoemde regelingen;
b. de mogelijkheid van een suppletie op oudedagsvoorzieningen,
nabestaandenvoorzieningen of arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen als
bedoeld in artikel 130.
Artikel 128. Sociale verzekeringen, oudedags-, nabestaanden- en
arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen
1.Indien ten behoeve van werknemers verplichtingen bestaan tot deelname
aan al dan niet lokale oudedagsvoorzieningen, sociale verzekeringen of
andere sociale voorzieningen, worden deze werknemers daarvoor aangemeld
door het hoofd van de desbetreffende vertegenwoordiging van het
Koninkrijk in het buitenland.
2.Indien geen verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, bestaan, doch
naar het oordeel van Onze Minister passende mogelijkheden bestaan, is
het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
3.Aan de werknemer kan een deel van de premie worden vergoed van een
door hem af te sluiten verzekering die voorziet in de opbouw van een
oudedags-,nabestaanden- of arbeidsongeschiktheidsvoorziening indien:
a. de in het eerste en tweede lid bedoelde voorzieningen of regelingen
ontbreken of de werknemer er niet voor kan worden aangemeld; of
b. de in het eerste en tweede lid bedoelde voorzieningen of regelingen
door Onze Minister in hun gevolg ontoereikend worden geacht.
4.Indien zich bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het
buitenland een situatie voordoet als bedoeld in het derde lid, wordt
dit, tezamen met de daarbij geldende voorwaarden, opgenomen in de voor
die vertegenwoordiging geldende ministeriële regeling, bedoeld
inartikel 123, eerste lid.
Artikel 129 [Vervallen per 20-06-2007]
Artikel 130. Suppletie op oudedags-, nabestaanden- en
arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen
1.De werknemer op wie geen voorzieningen, regelingen dan wel
verzekeringen als bedoeld in artikel 128 van toepassing zijn, kan ten
behoeve van zichzelf dan wel voor zijn nagelaten gezinsleden in
aanmerking worden gebracht voor een suppletie op oudedagsvoorzieningen,
nabestaandenvoorzieningen of arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen bij
ontslag wegens het bereiken van de voor betrokkene geldende
pensioengerechtigde leeftijd, overlijden dan wel arbeidsongeschiktheid.
2.Een suppletie op oudedagsvoorzieningen, nabestaandenvoorzieningen of
arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen kan door Onze Minister worden
toegekend indien deze van oordeel is dat de voorzieningen, regelingen
dan wel verzekeringen, bedoeld in artikel 128, niet leiden tot een
geheel van voorzieningen dat, mede gelet op de duur van het
dienstverband alsmede de oorzaak en het tijdstip van ontslag, het
overlijden of de arbeidsongeschiktheid, passend is te achten, met dien
verstande dat geen suppletie wordt verstrekt ingeval verzekeringspremies
zijn vergoed, maar niet voor verzekering zijn aangewend. Indien
overlijden of arbeidsongeschiktheid het rechtstreeks gevolg is van de
uitoefening van de dienst buiten schuld of onvoorzichtigheid van de
werknemer, wordt de duur van het dienstverband fictief bepaald op de
periode, gelegen tussen diens indiensttreding en de datum waarop de
betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt.
3.Het hoofd van een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het
buitenland ziet erop toe dat in voorkomende gevallen de suppletie op
oudedagsvoorzieningen, nabestaandenvoorzieningen of
arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen tijdig wordt aangevraagd, en
adviseert Onze Minister desgevraagd met betrekking tot grootte en duur
ervan.
Artikel 131 [Vervallen per 29-06-2002]
Hoofdstuk XIX. Honoraire consulaire ambtenaren, behorende tot de DBZ
Artikel 132
1.Voor het vervullen van consulaire taken en het uitoefenen van
consulaire bevoegdheden bij vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in
het buitenland kunnen bij koninklijk besluit, indien de benoeming bij
koninklijk besluit dient te geschieden, dan wel door Onze Minister
daartoe geschikt en bekwaam geachte personen als honorair consulair
ambtenaar worden benoemd en ontslagen.
2.De in het eerste lid bedoelde personen zijn, binnen het kader van de
door hen te vervullen consulaire taken en uit te oefenen consulaire
bevoegdheden, ambtenaar en behoren als zodanig tot de DBZ.
Artikel 133
1.Benoeming tot honorair consulair ambtenaar geschiedt voor een periode
van ten hoogste vijf jaar. De benoeming kan telkens worden verlengd met
een periode van ten hoogste vijf jaar.
2.Wanneer het belang van de dienst dat bepaaldelijk vordert, kan de
honorair consulair ambtenaar door Onze Minister met onmiddellijke ingang
worden geschorst.
3.Aan de honorair consulair ambtenaar wordt ontslag verleend door het
tot benoeming bevoegde gezag:
a. op aanvraag van de honorair consulair ambtenaar;
b. wanneer het dienstbelang dat bepaaldelijk vordert.
4.Bij ontslag, anders dan vanwege voltooiing van de benoemingsperiode,
wordt een opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen.
Artikel 134
Bij diens benoeming verbindt de honoraire consulaire ambtenaar zich
a. tot het vervullen van consulaire taken en het uitoefenen van
consulaire bevoegdheden overeenkomstig de Nederlandse wetten en
besluiten, ten behoeve van Nederlanders, in het daarbij aangewezen
ressort;
b. tot het opvolgen van de aanwijzingen, door Onze Minister of door het
hoofd van de vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland, in
welks ambtsgebied diens ressort gelegen is, ter zake gegeven;
c. tot het nakomen van de voor betrokkene geldende bepalingen van dit
reglement en daarop steunende regelingen;
d. tot het nakomen van de door betrokkene afgelegde eed of belofte.
Artikel 135
1.Onze Minister verbindt zich bij de benoeming van de honoraire
consulaire ambtenaar die zaken ter beschikking te stellen, welke
betrokkene voor het vervullen van diens consulaire taken en het
uitoefenen van diens consulaire bevoegdheden behoeft. Deze zaken blijven
Rijkseigendom, evenals de archieven van de desbetreffende consulaire
post.
2.Onze Minister kan de honoraire consulaire ambtenaar een tegemoetkoming
toekennen in de kosten die genoemde taakvervulling met zich meebrengt.
3.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van het
gestelde in het eerste en tweede lid.
4.Bij de benoeming van de honoraire consulaire ambtenaar worden aan de
betrokkene de voor hem ingevolge artikel 16, vierde lid, geldende
bepalingen van dit reglement schriftelijk medegedeeld.
Artikel 136
1.Honoraire consulaire ambtenaren zijn onbezoldigd; ter zake van hun
benoeming worden aan hen geen kosten in rekening gebracht.
2.Honoraire consulaire ambtenaren zijn niet bevoegd tot
rechtshandelingen die het Koninkrijk verplichten, tenzij:
a. Nederlandse wetten of besluiten hen daartoe bevoegd verklaren;
b. zij daartoe op grond van aan hen gegeven aanwijzingen, bedoeld in
artikel 134, onder b, zijn gemachtigd of gehouden; dan wel
c. zij daartoe tevoren door Onze Minister, dan wel door het hoofd van de
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland in welks
ambtsgebied hun consulair ressort gelegen is, zijn gemachtigd.
Artikel 137
Aan een honoraire consulaire ambtenaar kan door Onze Minister, dan wel
door het hoofd van de vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het
buitenland, in welks ambtsgebied het ressort van die honoraire
consulaire ambtenaar gelegen is, verlof worden verleend, waarbij tevens
wordt geregeld op welke wijze tijdens het verlof in de vervulling van de
consulaire taken en het uitoefenen van de consulaire bevoegdheden wordt
voorzien.
Artikel 138
1.Zo spoedig mogelijk na diens benoeming legt de honoraire consulaire
ambtenaar ten overstaan van het hoofd van een vertegenwoordiging van het
Koninkrijk in het buitenland in welks ambtsgebied diens ressort gelegen
is, de navolgende eed of belofte af:
"Ik zweer/beloof trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de
overige wetten van het Rijk.
Ik zweer/verklaar dat ik tot het verkrijgen van mijn aanstelling aan
niemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.
Ik zweer/beloof dat ik om iets in mijn functie als honorair consulair
ambtenaar behorende tot de Dienst Buitenlandse Zaken te doen of te laten
van niemand enige belofte of geschenk zal aannemen.
Ik zweer/beloof dat ik de mij opgedragen taken zal vervullen
overeenkomstig de Nederlandse wetten en besluiten en de overige
voorschriften en aanwijzingen, mij gegeven of te geven, en dat ik de
belangen van het Koninkrijk der Nederlanden zal voorstaan en bevorderen.
Ik zweer/beloof dat ik de zaken waarvan ik bij het vervullen van mijn
consulaire taken kennis neem en waarvan ik het geheim of vertrouwelijk
karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan
wie ik volgens de wet of uit hoofde van mijn taakvervulling tot
mededeling verplicht ben.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!
(Dat verklaar en beloof ik)."
2.Indien de honoraire consulaire ambtenaar niet in het bezit is van de
Nederlandse nationaliteit, blijft de eerste zin van de eed of belofte
achterwege.
Artikel 139
Onze Minister kan artikel 130, eerste en tweede lid, overeenkomstig
toepassen ten aanzien van honoraire consulaire ambtenaren en hun
nagelaten gezinsleden, waarbij hij rekening houdt met hun financiële
omstandigheden.
Hoofdstuk XX. Honoraire adviseurs, behorende tot de DBZ
Artikel 140
1.In bijzondere gevallen kan het hoofd van een vertegenwoordiging van
het Koninkrijk in het buitenland met machtiging van Onze Minister bij
die vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland een persoon
van Nederlandse nationaliteit tot honorair adviseur benoemen en
ontslaan.
2.Binnen het kader van zijn advieswerkzaamheden behoort de honoraire
adviseur tot de DBZ.
3.Honoraire adviseurs genieten geen bezoldiging; bij hun benoeming
worden de duur en de inhoud van hun advieswerkzaamheden geregeld,
alsmede hun rechten en verplichtingen.
Hoofdstuk XXI. Titels
Artikel 141
1.Aan degenen die ingevolge het tweede, vierde of zesde lid van artikel
8 bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland
werkzaam zijn, kan in overeenstemming met de door hen beklede functies
een titel worden toegekend, met inachtneming van het tweede tot en met
zesde lid.
2.De in het eerste lid bedoelde titel kan zijn:
a. Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur
b. Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister
c. Zaakgelastigde
d. Gevolmachtigd Minister
e. Ambassaderaad, Gezantschapsraad, Handelsraad, dan wel Raad
f. Eerste Ambassadesecretaris, Gezantschapssecretaris,
Handelssecretaris, dan wel Eerste Secretaris
g. Tweede Ambassadesecretaris, Gezantschapssecretaris,
Handelssecretaris, dan wel Tweede Secretaris
h. Derde Ambassadesecretaris, Gezantschapssecretaris, Handelssecretaris,
dan wel Derde Secretaris
i. Consul-Generaal
j. Consul
k. Vice-Consul
l. Adjunct Vice-Consul
m. Attaché
n. Adjunct-Attaché
o. Directeur der Kanselarij der Eerste Klasse
p. Directeur der Kanselarij
q. Kanselier der Eerste Klasse, dan wel
r. Kanselier der Tweede Klasse.
3.Aan degenen die ingevolge het derde of vijfde lid van artikel 8 bij
een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland werkzaam
zijn kan in overeenstemming met de door hen beklede functies één van
de in het tweede lid, onder e tot en met h en j tot en met n, genoemde
titels worden toegekend, voorafgegaan of gevolgd door een aanduiding van
hun specialisatie.
4.Aan een honoraire consulaire ambtenaar kan de titel Consul-Generaal,
Consul, dan wel Vice-Consul worden toegekend.
5.
a. Indien de functie zulks in verband met in het buitenland te vervullen
ambtsbezigheden vereist, wordt aan een hier te lande geplaatste of
benoemde ambtenaar de titel Ambassadeur toegekend.
b. De titel Ambassadeur wordt in dat verband ook toegekend aan de
Directeur-Generaal voor de Buitenlandse Economische Betrekkingen van het
Ministerie van Economische Zaken.
6.De titels van hoofden van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in
het buitenland - met uitzondering van de titel Zaakgelastigde - en van
degenen genoemd in het vijfde lid worden bij koninklijk besluit
toegekend; de titel Zaakgelastigde en alle overige titels door Onze
Minister.
Hoofdstuk XXII. Georganiseerd overleg en medezeggenschap
Artikel 142. Het overleg met de centrales van verenigingen van
ambtenaren
1.Met betrekking tot het overleg met de centrales van verenigingen van
ambtenaren zijn de artikelen 105 tot en met 117 van het ARAR van
overeenkomstige toepassing, behoudens het gestelde in het tweede en
derde lid.
2.Een voorgenomen besluit als bedoeld in de artikelen 113 en 115 van het
ARAR heeft betrekking op:
1°. ambtenaren;
2°. werknemers;
3°. honoraire consulaire ambtenaren;
4°. honoraire adviseurs;
5°. personen die ingevolge artikel 8, zesde lid, aan een tijdelijke
diplomatieke zending zijn toegevoegd;
6°. bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland
toegevoegde ambtenaren als bedoeld in artikel 8, vierde lid, met dien
verstande dat met betrekking tot hen het overleg over de in artikel 113,
eerste lid, van het ARAR bedoelde aangelegenheden alleen wordt gevoerd
voor zover die aangelegenheden verband houden met hun toevoeging.
3.Onder «centrales van verenigingen van ambtenaren» en «centrales»
in de artikelen 113 tot en met 117 van het ARAR, wordt mede begrepen de
Vereniging Dienst Buitenlandse Zaken.
Artikel 143. Medezeggenschap op de posten
Voor de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland stelt
Onze Minister ter zake van de medezeggenschap regels vast, die zoveel
mogelijk in overeenstemming zijn met de Wet op de ondernemingsraden.
Deze regels houden rekening met de bijzondere omstandigheden van het
werkzaam zijn bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het
buitenland.
Artikel 143a [Vervallen per 29-06-2002]
Hoofdstuk XXIII. Bezwaar
Artikel 144. Commissie van Bezwaar Dienst Buitenlandse Zaken
1.Er is een Commissie van Bezwaar Dienst Buitenlandse Zaken, hierna te
noemen de Commissie van Bezwaar, die
a. Onze Minister van advies dient over de beslissing op een
bezwaarschrift gericht tegen een besluit of een handeling krachtens dit
reglement genomen onderscheidenlijk verricht ten aanzien van
1°. ambtenaren;
2°. werknemers als bedoeld in artikel 114;
3°. ingevolge het derde en vierde lid van artikel 8 bij een
vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland gedetacheerde of
toegevoegde ambtenaren, voor zover het besluiten of handelingen welke
met hun detachering of toevoeging verband houden betreft;
4°. ingevolge het zesde lid van artikel 8 aan een tijdelijke
diplomatieke zending toegevoegde personen, voor zover het besluiten of
handelingen welke verband houden met hun toevoeging betreft;
5°. werknemers als bedoeld in artikel 115;
6°. honoraire consulaire ambtenaren en honoraire adviseurs, voor zover
het besluiten of handelingen welke verband houden met de
ambtsverrichtingen als honorair consulair ambtenaar onderscheidenlijk de
advieswerkzaamheden als honorair adviseur betreft;
7°. nagelaten betrekkingen en rechtverkrijgenden van de onder ten 1°
tot en met ten 6° genoemden;
b. Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie, van advies dient
over de beslissing op een bezwaarschrift gericht tegen een besluit of
een handeling,
1°. als bedoeld in artikel 8, achtste lid,
2°. genomen ten aanzien van zijn werknemers als bedoeld in artikel 115.
2.De Commissie van Bezwaar brengt geen advies uit over de beslissing op
een bezwaarschrift tegen een van de in het eerste lid bedoelde besluiten
of handelingen, indien daarmee bij of krachtens dit reglement een andere
commissie is belast.
3.De Commissie van Bezwaar zetelt te 's-Gravenhage en houdt zitting in
een door Onze Minister ter beschikking gestelde lokaliteit van het
Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Artikel 145
1.a. De Commissie van Bezwaar bestaat uit de volgende leden:
1°. een voorzitter;
2°. een of meer plaatsvervangende voorzitters;
3°. drie of meer leden-niet-ambtenaren, en
4°. negen of meer leden-ambtenaren.
b. De leden worden door Onze Minister benoemd en ontslagen.
c. De voorzitter en plaatsvervangende voorzitters zijn niet werkzaam
onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister en Onze Minister, hoofd
van het betrokken ministerie, en dienen bij voorkeur te behoren of te
hebben behoord tot de Nederlandse rechterlijke macht. Zij worden
telkenmale voor een periode van vier jaar benoemd.
d. Leden-niet-ambtenaren worden, telkenmale voor een periode van vier
jaar, benoemd op voordracht van, evenwel niet uit, de ondernemingsraad.
e. Geen lid kunnen zijn: ambtenaren die buiten Nederland of bij de
personeelsdienst zijn geplaatst, alsmede degenen die ophouden ambtenaar
te zijn.
f. Indien bezwaar wordt gemaakt door een gedetacheerde ambtenaar als
bedoeld in artikel 8, derde lid, onder a of door een werknemer als
bedoeld inartikel 115 die in dienst is genomen ter ondersteuning van een
gedetacheerde ambtenaar als bedoeld in artikel 8, derde lid, onder a,
wordt door Onze Minister aan de Commissie van Bezwaar een lid toegevoegd
op voordracht van Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie.
2.Met inachtneming van het eerste lid bepaalt Onze Minister:
a. om welke redenen de leden kunnen worden geschorst en ontslagen;
b. de wijze waarop de leden aftreden.
3.De vergoeding van de voorzitter, plaatsvervangende voorzitters en de
leden-niet-ambtenaren wordt door Onze Minister vastgesteld.
4.De leden van de Commissie van Bezwaar, alsmede de in het vijfde lid
genoemde secretarissen, zijn tot geheimhouding verplicht met betrekking
tot de beraadslagingen in de Commissie.
5.Onze Minister voegt een secretaris en zonodig een plaatsvervangend
secretaris aan de Commissie van Bezwaar toe.
6.
a. Voor het behandelen van bezwaren vormt en bezet de Commissie van
Bezwaar op voorstel van de voorzitter meervoudige kamers. Elke kamer
bestaat uit:
1°. de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter;
2°. één lid-niet-ambtenaar en
3°. één of drie leden-ambtenaren.
b. Bij een bezwaar als bedoeld in artikel 147 bestaat de kamer uit:
1°. de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter en
2°. twee of vier leden, waarvan ten minste één lid-ambtenaar.
Artikel 146. Aanvullende bepalingen inzake de bezwaarschriftprocedure
1.Onze Minister geeft aanwijzingen omtrent de wijze waarop het
bezwaarschrift wordt geadresseerd.
2.Het horen door de Commissie van Bezwaar is niet openbaar.
3.De indiener van het bezwaarschrift die in het buitenland is geplaatst
of gevestigd, ontvangt overeenkomstig de regelen inzake dienstreizen een
vergoeding van reis- en verblijfkosten, indien de Commissie van Bezwaar
het voor haar onderzoek noodzakelijk acht dat betrokkene in persoon
wordt gehoord. De Commissie bericht betrokkene zo spoedig mogelijk, of
zij het voor haar onderzoek al dan niet noodzakelijk acht betrokkene al
dan niet in persoon te horen.
4.Degenen die in het tweede lid van artikel 5 zijn genoemd zijn
verplicht aan een oproep van de Commissie van Bezwaar gehoor te geven en
desgevraagd alle inlichtingen en ter zake dienende bescheiden zonder
voorbehoud te verstrekken. Degene die bezwaar heeft gemaakt en dienst
bloed- en aanverwanten tot de tweede graad kunnen zich echter van het
geven van inlichtingen en het verstrekken van bescheiden onthouden.
5.De Commissie van Bezwaar kan zich door deskundigen schriftelijk van
advies en verslag doen dienen. Getuigen en deskundigen die ambtshalve
zijn opgeroepen of met een opdracht zijn belast, ontvangen een
vergoeding overeenkomstig de Wet tarieven in strafzaken.
6.Worden aan de Commissie van Bezwaar schriftelijk inlichtingen
voorgelegd omtrent degene die het bezwaar heeft ingediend, dan mogen die
niet ten nadele van betrokkene gelden, tenzij deze vóór de melding aan
de Commissie door betrokkene voor gezien zijn getekend, of blijkens een
daarop gestelde verklaring, ondertekend door twee ambtenaren, aan
betrokkene zijn voorgelezen.
7.De Commissie van Bezwaar stelt haar advies in raadkamer vast bij
volstrekte meerderheid van stemmen, waarbij geen der leden zich van
deelneming aan enige stemming onthoudt.
8.De Commissie van Bezwaar adviseert Onze Minister, onderscheidenlijk
Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie, behoudens in het
geval voorzien in artikel 147 binnen acht weken na ontvangst van het
bezwaarschrift. Indien toepassing is gegeven aan artikel 7:10, derde
lid, van de Algemene wet bestuursrecht brengt de Commissie binnen twaalf
weken na ontvangst van het bezwaarschrift haar advies uit. Indien sprake
is van verder uitstel als bedoeld in artikel 7:10, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht brengt de Commissie binnen drie weken na
sluiting van haar onderzoek haar advies uit. Vanwege de voorzitter wordt
in het geval bedoeld in de vorige volzin aan de indiener van het
bezwaarschrift kennis gegeven van het tijdstip waarop de Commissie haar
onderzoek heeft afgesloten. Na het uitbrengen van het advies verleent de
Commissie de indiener van het bezwaarschrift terstond afschrift van dit
advies. Het advies wordt niet openbaar gemaakt.
9.De Commissie van Bezwaar kan Onze Minister, onderscheidenlijk Onze
Minister, hoofd van het betrokken ministerie, daarbij adviseren de
betrokkene bedoeld in het derde lid die in persoon werd gehoord, hoewel
de Commissie het horen in persoon voor haar onderzoek niet nodig
oordeelde, alsnog een vergoeding van reis- en verblijfkosten
overeenkomstig de regelen inzake dienstreizen toe te kennen.
Artikel 147. Versnelde bezwaarschriftprocedure rond plaatsingen van
ambtenaren
1. Bezwaarschriften tegen een besluit tot plaatsing, ter beschikking
houden of wijziging van een plaatsingsduur van de indiener van het
bezwaarschrift worden door de Commissie van Bezwaar versneld behandeld,
met inachtneming van het navolgende:
a. indien Onze Minister de in artikel 27, vijfde lid, genoemde termijn
in acht heeft genomen, adviseert de Commissie van Bezwaar binnen twee
weken na ontvangst van het bezwaarschrift; Onze Minister kan, indien het
dienstbelang zich daartegen niet verzet, de genoemde termijn van twee
weken verlengen;
b. indien Onze Minister de in artikel 27, vijfde lid, genoemde termijn
spoedshalve niet in acht heeft genomen, adviseert de Commissie van
Bezwaar zo spoedig mogelijk na ontvangst van het bezwaarschrift, en wel
op een zodanig korte termijn dat Onze Minister in staat is na ontvangst
van het advies het bestreden besluit in voorkomend geval in te trekken
dan wel te wijzigen.
2. Het bezwaar schorst de werking van het besluit totdat Onze Minister
op het bezwaarschrift heeft beslist, indien het bezwaarschrift binnen
twee weken na de dag waarop het op de voorgeschreven wijze is
bekendgemaakt, is ingediend, dit bezwaarschrift voldoet aan de in
artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde vereisten en het
besluit nog niet ten uitvoer is gelegd.
3. Bij deze bezwaarschriftprocedures kan door Onze Minister en de buiten
Nederland geplaatste, bezwaar makende ambtenaar, alsmede door de
Commissie van Bezwaar en de daaraan toegevoegde secretarissen,
spoedshalve gebruik worden gemaakt van de telecommunicatiemiddelen van
het Ministerie van Buitenlandse Zaken, onder onverwijlde nazending van
schriftelijke bevestigingen.
Hoofdstuk XXIV
Artikel 148 [Vervallen per 29-06-2002]
Hoofdstuk XXV. Slotbepalingen
Artikel 149
Bij algemene maatregel van bestuur, regelende de overgangsbepalingen,
wordt het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit vastgesteld.
Artikel 149a
Onze Minister kan de bevoegdheid tot het stellen van regels met een
sterk technisch karakter krachtens dit besluit mandateren.
Artikel 149b
1. Ten aanzien van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar van wie de
eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte is gelegen voor 1 januari 2004, blijven de artikelen 28, 35, 38,
104, 105a, 108 en109 en hoofdstuk X van het Reglement Dienst
Buitenlandse Zaken van toepassing zoals deze luidden op 30 november
2005, met dien verstande dat voor artikel 54cb in genoemd hoofdstuk X in
de plaats treedt artikel 54g zoals dat thans luidt.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van
ongeschiktheid tot werken geacht eenzelfde, niet onderbroken periode van
ongeschiktheid te vormen, indien zij elkaar met een onderbreking van
minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof
wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede lid en derde lid, van
de Wet arbeid en zorg of een uitkering op grond van artikel 3:8, of
3:10, eerste lid, van die wet, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs
niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
Artikel 149c
De ambtenaar en de gewezen ambtenaar worden geacht een aanvraag te
hebben ingediend als bedoeld in artikel 54c indien de eerste dag van
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens een
dienstongeval of een beroepsziekte is gelegen in de periode van 1
januari 2004 tot en met 30 november 2005.
Artikel 149d
Artikel 77, tweede lid, is niet van toepassing op beroepsincidenten die
zich hebben voorgedaan vóór 1 december 2005.
Artikel 149e
Met uitzondering van de in artikel 22, tweede lid, genoemde ambtenaren,
wordt de ambtenaar die voorafgaand aan 1 maart 2007 op grond van dit
besluit bij Koninklijk Besluit is aangesteld, aangemerkt als te zijn
aangesteld op grond van artikel 22, eerste lid.
Artikel 149f
1. Indien aan de ambtenaar met toepassing vanartikel 34, zevende lid,
zoals dat artikellid luidde op 31 december 2007, een salaris was
toegekend overeenkomstig de bezoldiging van een staatssecretaris, wordt
dat salaris gehandhaafd op het op die dag voor hem geldende niveau, met
dien verstande dat het salaris wordt aangepast overeenkomstig algemene
wijzigingen van het salaris van het burgerlijk rijkspersoneel.
2. Indien het salaris is vastgesteld met toepassing van het eerste lid
en de ambtenaar wordt geplaatst in een functie als bedoeld in artikel
34, zevende lid, zoals dat artikellid luidt met ingang van 1 januari
2008, wordt de ambtenaar een maandelijkse toeslag toegekend ter grootte
van het verschil tussen de som van het salaris en de toeslag,
vastgesteld met toepassing van dat zevende lid, en het met toepassing
van het eerste lid vastgestelde salaris.
Artikel 150
Dit besluit kan worden aangehaald als: Reglement Dienst Buitenlandse
Zaken (afgekort: RDBZ).
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad
van State en aan de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 24 november 1986
BEATRIX
De Minister van Buitenlandse
Zaken,
H. van
den Broek
Uitgegeven de drieëntwintigste
december 1986
De Minister van Justitie,
F.
Korthals Altes
|