Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. Naar de regels bij of krachtens dit besluit wordt vergoeding
verleend van reis- en verblijfkosten in verband met dienstreizen
binnen Nederland.
2. Dienstreizen, die in Nederland zijn begonnen en waarbij het
reisgedeelte buiten Nederland beperkt is of waarbij de
grensoverschrijding niet noodzakelijkerwijs leidt tot uitgaven voor
maaltijden of overnachting in het buitenland, worden voor de toepassing
van dit besluit aangemerkt als dienstreizen binnen Nederland.
3. Indien van derden een vergoeding wordt ontvangen voor de in
het eerste lid bedoelde kosten, wordt deze in mindering gebracht op de
vergoeding waarop ingevolge dit besluit aanspraak bestaat.
Artikel 2. Begripsomschrijvingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister:
het hoofd van het betrokken ministerie;
b. betrokkene:
1e. degene die op basis van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement, Ambtenarenreglement Staten-Generaal of
Reglement Dienst Buitenlandse Zaken in burgerlijke rijksdienst
werkzaam is;
2e. hij, die op verzoek of met goedvinden van het bevoegde
gezag zich ten behoeve van het rijk met enige dienstverrichting
belast;
c. standplaats:
de gemeente of het met name bekende afzonderlijk liggend deel van de
gemeente, waar de plaats van tewerkstelling van de betrokkene is
gelegen;
d. plaats van tewerkstelling:
1e. het gebouw, gebouwencomplex, terrein of vaartuig waar of
van waaruit de betrokkene naar het oordeel van het bevoegde gezag
gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht;
2e. voor de betrokkene bedoeld onder b ten tweede: zijn
woning;
e. dienstreis:
een naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijke
verplaatsing van een betrokkene tot het verrichten van dienst buiten
de plaats van tewerkstelling, alsmede het hiermee verband houdende
verblijf buiten deze plaats.
Artikel 3. Hoge Colleges van Staat
Voor de toepassing van dit besluit worden, behoudens voor de
toepassing van artikel 18a, met Onze Minister gelijkgesteld: het tot
aanstelling bevoegd gezag bij elk der beide Kamers der Staten-Generaal,
de vice-president van de Raad van State, het College van de Algemene
Rekenkamer, de Nationale ombudsman en de directeur van het Kabinet der
Koningin.
Artikel 4. Tijdelijke tewerkstelling elders
1. Indien en zodra is te voorzien dat de betrokkene tijdelijk,
voor een periode van ten minste vier weken, gedurende meer dan de
helft van de voor hem gebruikelijke werkdagen zijn werkzaamheden in of
vanuit één bepaalde plaats buiten zijn standplaats, of binnen zijn
standplaats voor zover de reisbestemming op één of meer kilometer
van de plaats van tewerkstelling ligt, moet gaan verrichten, heeft
hij, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 6 tot en met 13 van
dit besluit, voor het afleggen van het traject tussen zijn woning en
de plaats van de tijdelijke tewerkstelling alsmede voor eventuele
pensionkosten die hij vanwege die tijdelijke tewerkstelling maakt,
aanspraak op een vergoeding voor reis- en pensionkosten op de voet van
de bepalingen van of krachtens het Verplaatsingskostenbesluit 1989.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan in de
gevallen waarin het bevoegde gezag van oordeel is dat daartoe aanleiding
bestaat voor het afleggen van het traject tussen de woning en de plaats
van de tijdelijke tewerkstelling vergoeding voor reiskosten worden
verleend volgens het bepaalde bij of krachtens de artikelen 6 tot en met
12 van dit besluit.
Artikel 5. Begin en einde der dienstreizen
1. Voor de vergoeding van reis- en verblijfkosten geldt dat de
plaats van tewerkstelling het beginpunt en het eindpunt is van de
dienstreis.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan de woning
van de betrokkene of een andere plaats als beginpunt respectievelijk
eindpunt van de dienstreis worden aangemerkt, tenzij op de heenreis
onderscheidenlijk de terugreis de plaats van tewerkstelling wordt
bezocht.
Hoofdstuk II. Vergoedingen wegens reiskosten
Artikel 6. Openbaar vervoer
1. Wegens reiskosten per openbaar vervoer worden vergoed de
kosten van het openbaar vervoer die in verband met de dienstreis
blijkens overgelegde bewijsstukken zijn gemaakt.
2. De betrokkene die tijdens een dienstreis gebruik maakt van
vervoer per trein, is gerechtigd om voor rijksrekening in de eerste
klasse te reizen.
3. Indien de betrokkene voor de dienstreis gebruik maakt van een
niet van rijkswege verstrekt abonnement wordt, in afwijking van het
bepaalde in het eerste lid, voor vergoeding wegens reiskosten uitgegaan
van de kosten zonder gebruikmaking van het abonnement. De vergoeding
wordt aan de betrokkene toegekend voor zover daarmee, de voor hem ten
laste blijvende kosten niet worden overschreden. Voor het bepalen van de
voor de betrokkene ten laste blijvende kosten wordt rekening gehouden
met:
- eventuele tegemoetkomingen die krachtens de bepalingen van het
Verplaatsingskostenbesluit 1989 voor het dagelijks reizen tussen de
woning en de plaats van tewerkstelling over de periode van geldigheid
van het abonnement aan betrokkene zijn verstrekt;
- eventuele reeds aan betrokkene verstrekte reiskostenvergoedingen
voor andere dienstreizen, waarbij gebruik is gemaakt van het
abonnement.
Artikel 7. Eigen motorvoertuig of bromfiets indien openbaar vervoer
niet mogelijk of niet doelmatig is
Indien de dienstreis naar het oordeel van het bevoegde gezag niet of
niet op doelmatige wijze per openbaar vervoer kan worden ondernomen, kan
het bevoegde gezag aan de betrokkene toestemming verlenen voor de
dienstreis gebruik te maken van een eigen motorvoertuig of bromfiets, in
welk geval hem een vergoeding wordt verleend volgens door Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te stellen regels.
Artikel 8. Eigen motorvoertuig of bromfiets indien openbaar vervoer
wel doelmatig is
Indien de dienstreis op doelmatige wijze per openbaar vervoer kan
worden ondernomen, kan het bevoegde gezag in bijzondere gevallen de
betrokkene toestemming geven voor de dienstreis gebruik te maken van een
eigen motorvoertuig of bromfiets, in welk geval aan de betrokkene een
vergoeding wordt verleend volgens door Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties te stellen regels.
Artikel 9. Fiets
Indien voor de dienstreis gebruik wordt gemaakt van een eigen fiets
wordt hiervoor een vergoeding verleend volgens door Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te stellen regels.
Artikel 10. Taxi
Indien naar het oordeel van het bevoegde gezag het dienstbelang er
mee is gebaat dat tijdens een dienstreis naast openbaar vervoer tevens
gebruik wordt gemaakt van een taxi, worden de aan dat taxigebruik
verbonden kosten volledig vergoed.
Artikel 11. Bijkomende kosten
Indien naar het oordeel van het bevoegde gezag het gebruik van een
eigen motorvoertuig of bromfiets voor het vervoer tussen de woning en de
plaats van tewerkstelling noodzakelijk is voor het op doelmatige wijze
uitvoeren van een op die dag voorkomende dienstreis, kan daarvoor per
kilometer een vergoeding worden verleend tot ten hoogste de
kilometervergoeding die geldt voor de dienstreis met dat vervoermiddel.
Artikel 12. Carpoolregeling
1. Onze Minister kan, in afwijking van het bepaalde in de
artikelen 6 tot en met 8, regels stellen krachtens welke voor een
betrokkene een tegemoetkoming in reiskosten en andere kosten die
rechtstreeks verband houden met het carpoolen wordt verstrekt, indien
de betrokkene voor het ondernemen van de dienstreis:
a. gebruik maakt van een eigen motorvoertuig te zamen met één of
meer anderen of
b. meerijdt in een motorvoertuig van een ander.
2. De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in het eerste lid
bedraagt ten hoogste het bedrag van de vergoeding dat is bepaald volgens
de krachtens artikel 7 gestelde regels.
Hoofdstuk III. Vergoedingen wegens verblijfkosten
Artikel 13. Verblijfkosten
1. De in verband met een dienstreis noodzakelijk gemaakte
kosten voor maaltijden en logies en voor kleine uitgaven overdag en
’s avonds worden vergoed volgens door Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties te stellen regels.
2. Geen aanspraak op vergoeding wegens verblijfkosten bestaat
voor een dienstreis korter dan vier uur en voor een dienstreis binnen de
standplaats voor zover de reisbestemming op minder dan 1 kilometer van
de plaats van tewerkstelling ligt.
3. Aan de betrokkene die tijdens de dienstreis overnachting van
overheidswege ontvangt en daarvoor betaling verschuldigd is, wordt een
vergoeding verleend volgens de door Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties te stellen regels. In geval van de verstrekking
van overheidswege geen gebruik is gemaakt, bestaat geen aanspraak op
vergoeding.
4. Geen aanspraak op vergoeding voor maaltijden bestaat indien
tijdens een dienstreis de gelegenheid bestaat al dan niet tegen betaling
maaltijden van overheidswege te ontvangen, tenzij de betrokkene
aannemelijk maakt dat hij daarvan geen gebruik heeft kunnen maken.
5. Indien veelvuldig dienstreizen moeten worden gemaakt, kan het
bevoegde gezag een lagere vergoeding wegens verblijfkosten vaststellen
dan de vergoeding die wordt vastgesteld volgens de in het eerste lid te
stellen regels.
6. In dit artikel worden onder overnachting van overheidswege en
maaltijden van overheidswege verstaan: overnachting en maaltijden
verstrekt vanwege of voor rekening van het Rijk, een ander Nederlands
publiekrechtelijk lichaam of semi-publiekrechtelijk lichaam, een door
het Rijk gesubsidieerde instelling, dan wel vanwege of voor rekening van
een buitenlandse mogendheid of een internationale organisatie.
Hoofdstuk IV. Diverse bepalingen; slotbepalingen
Artikel 14. Vaste reissommen
1. Ter vervanging van de in dit besluit bedoelde vergoedingen,
kan het bevoegde gezag voor de gemaakte reiskosten en voor de
verblijfkosten, zowel afzonderlijk als tezamen, met inachtneming van
het bepaalde in de volgende leden, vaste reissommen vaststellen in een
bedrag per maand of per kwartaal.
2. Bij de berekening van het bedrag wordt gelet op de
veelvuldigheid en de duur der reizen en de daarmee samenhangende
gemiddelde verblijfkosten die de dienstuitoefening van de betrokkene in
de regel vereist. De vaste reissom bedraagt niet meer dan de vergoeding
die hij vervangt.
3. Een vaste reissom wordt in ieder geval herzien zodra wijziging
van betekenis optreedt in de omstandigheden die tot het toekennen van
die reissom hebben geleid. De betrokkene is verplicht van die wijziging
aan het bevoegde gezag mededeling te doen.
Artikel 15. Reisdeclaraties
1. Het declareren van de reis- en verblijfkosten geschiedt op
een door het bevoegde gezag voorgeschreven wijze, onder overlegging
van de vereiste bewijsstukken.
2. De aanspraak op een vergoeding vervalt, indien de betrokkene
de declaratie niet indient binnen drie maanden na de maand waarop de
declaratie betrekking heeft.
Artikel 16. Hardheidsclausule
Onze Minister kan, voor zover nodig in individuele gevallen en ten
aanzien van een door hem aan te wijzen groep van betrokkenen, in
afwijking van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels besluiten,
indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Artikel 17. Overleg
Over de wijzigingen van de vergoedingen voor reis- en verblijfkosten
krachtens dit besluit wordt overleg gevoerd met de centrales van
overheidspersoneel in de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel voor
zover een lid de behoefte daaraan aan de voorzitter heeft kenbaar
gemaakt.
Artikel 18. Vergoeding reis- en verblijfkosten voor enkele hoge
functionarissen
Aan de vice-president van de Raad van State, het College van de
Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de directeur van het
Kabinet der Koningin, alsmede aan personen die genoemde ambten waarnemen
of de dragers van genoemde ambten vervangen, wordt voor hun binnenlandse
dienstreizen vergoeding verleend tot de bedragen, die volgens hun
opgaven met inachtneming van gepaste zuinigheid in totaal,
onderscheidenlijk voor reiskosten en voor verblijfkosten, zijn
uitgegeven, in voorkomende gevallen daaronder begrepen de uitgaven van
en ten behoeve van de reizigers die hen vergezellen.
Artikel 18a
Van de bevoegdheid tot het stellen van regels met een sterk technisch
karakter krachtens dit besluit, kunnen Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister mandaat verlenen.
Artikel 19 [Vervallen per 23-10-1998]
Artikel 20. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1993.
Artikel 21. Citeertitel
Dit besluit kan worden aangehaald als: Reisbesluit binnenland.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 1 maart 1993
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.I. Dales
Uitgegeven de zestiende maart 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin