|
BESLUIT van 27 oktober 1997, houdende regeling tot toekenning van
suppletie bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van gewezen
defensiepersoneel (Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten
sector Defensie)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van
Defensie van 24 juli 1997, nr. P/97004787;
Gelet op de artikelen 125, eerste lid, van de
Ambtenarenwet en 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931;
De Raad van State gehoord (advies van 27
augustus 1997, nr. W07.97.0496);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Defensie van 20 oktober 1997, nr. P97006643;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Paragraaf
1. Algemeen
Artikel
1
In dit besluit
en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
| a. |
Onze
Minister: Onze
Minister van Defensie;
|
| b. |
betrokkene:
| 1°. |
de
ambtenaar die op basis van het Burgerlijke
ambtenarenreglement defensie
werkzaam is geweest, en aan wie ontslag is
verleend op grond van ongeschiktheid tot
het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte als bedoeld in artikel
121, eerste lid, onderdeel f, van het
Burgerlijk ambtenarenreglement defensie,
en die ten tijde van dat ontslag minder
dan 80% arbeidsongeschikt is,
|
| 2°. |
de
beroepsmilitair, die ter zake van ziekten
of gebreken is ontslagen, ten tijde van
het ontslag minder dan 80%
arbeidsongeschikt is, en uit dien hoofde
aanspraak heeft op een pensioen ingevolge
de bij of krachtens de Kaderwet
militaire pensioenen vastgestelde
bepalingen;
|
| 3°. |
de
zonder aanspraak op een uitkering
krachtens de Uitkeringswet
gewezen militairen ontslagen
beroepsmilitair, die binnen een maand na
zijn ontslag of indien dat ontslag is
gevolgd door een pensioengevende
ontslaguitkering, binnen een maand volgend
op die ontslaguitkering, recht heeft op
een pensioen ingevolge de bij of krachtens
de Kaderwet
militaire pensioenen vastgestelde
bepalingen, en met ingang van het tijdstip
waarop hij uit hoofde van ziekten of
gebreken blijvend ongeschikt is geworden
voor het vervullen van de militaire dienst
minder dan 80% arbeidsongeschikt is;
|
| 4°. |
de
beroepsmilitair:
| a. |
die
anders dan ter zake van ziekten of
gebreken is ontslagen;
|
| b. |
voor
wie ten tijde van dat ontslag en
niet reeds ten tijde van een
eerder ontslag sprake was van
invaliditeit met dienstverband;
|
| c. |
die
recht heeft op pensioen ter zake
van ziekten of gebreken ingevolge
de bij of krachtens de Kaderwet
militaire pensioenen
vastgestelde bepalingen;
|
| d. |
ten
tijde van dat ontslag minder dan
80% arbeidsongeschikt is en;
|
| e. |
het
resterende verdienvermogen in een
of meer aangehouden
dienstbetrekkingen niet volledig
benut.
|
|
|
| c. |
arbeidsongeschiktheid:
arbeidsongeschiktheid
als bedoeld in artikel
18, eerste lid, van de WAO;
|
| d. |
uitkering
ter zake van arbeidsongeschiktheid: een
periodieke uitkering ter zake van
arbeidsongeschiktheid, die voortvloeit uit enige
dienstbetrekking van de betrokkene;
|
| e. |
berekeningsgrondslag
van de suppletie: het
dagloon van de betrokkene op de dag voorafgaande
aan het ontslag ter zake waarvan hem recht op
suppletie wordt toegekend, voor zover dat
betrekking heeft op het inkomen uit het
dienstverband waaraan het recht op suppletie wordt
ontleend;
|
| f. |
dagloon:
het dagloon in de zin van artikel
14 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel
13 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
zonder toepassing van het bedrag, bedoeld in artikel
17, eerste lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen met betrekking tot een
loontijdvak van een dag, vermeerderd met het
bedrag aan pensioenbijdrageverhaal op grond van de
overeenkomst naar burgerlijk recht, bedoeld in artikel
4 van de Wet privatisering ABP, waarin de
aanspraken van overheidswerknemers in de zin van
die wet, gewezen overheidswerknemers en hun
nagelaten betrekkingen ter zake van pensioenen,
alsmede hun daarmee samenhangende verplichtingen,
zijn neergelegd;
|
| g. |
suppletie:
de suppletie, bedoeld in artikel 6;
|
| h. |
Suppletieregeling:
Suppletieregeling
gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Defensie;
|
| i. |
werkloosheidsuitkering:
een
periodieke uitkering ter zake van ontslag of
werkloosheid, die voortvloeit uit enige
dienstbetrekking van de betrokkene;
|
| j. |
WAO:
de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
|
| k. |
gangbare
arbeid:
alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de
betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in
staat is;
|
| l. |
ZW-uitkering:
ziekengeld als bedoeld in artikel
19 van de Ziektewet.
|
Paragraaf
2. Recht op suppletie
Artikel
2
- 1.
- De betrokkene heeft
recht op suppletie met ingang van het tijdstip waarop
aan hem ontslag is verleend.
- 2.
- Het eerste lid is niet
van toepassing indien het in dat lid bedoelde ontslag
wordt verleend nadat de arbeidsongeschiktheid 90
maanden onafgebroken heeft geduurd. Voor het bepalen
van genoemde periode van 90 maanden worden perioden
van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien die
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen.
- 3.
- In afwijking van het
eerste lid heeft de betrokkene, bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, onder 3°,
recht op suppletie met ingang van het tijdstip waarop
hij uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend
ongeschikt is geworden voor het vervullen van de
militaire dienst.
Artikel
3
- 1.
- Het verplichtingen- en
sanctieregime van de Werkloosheidswet
zijn van overeenkomstige toepassing.
- 2.
- Onverminderd het eerste
lid omvat passende arbeid in de zin van de Werkloosheidswet
voor de toepassing van de Suppletieregeling mede
gangbare arbeid.
Artikel
4
Het recht op
suppletie komt niet tot uitbetaling zolang:
- a.
- de
betrokkene een uitkering op grond van de WAO
ontvangt, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
- b.
- de
betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij
recht kan ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld
in paragraaf 9 van het pensioenreglement Stichting
Pensioenfonds ABP of de bij of krachtens de Kaderwet
militaire pensioenen vastgestelde bepalingen.
Artikel
5
Het recht op
suppletie eindigt:
- a.
- na
ommekomst van de duur van de suppletie;
- b.
- met
ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene
is overleden;
- c.
- met
ingang van de eerste dag van de maand waarin de
betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.
Paragraaf
3. Suppletie
Artikel
6
- 1.
- De suppletie bedraagt
een percentage van de berekeningsgrondslag van de
suppletie.
- 2.
- De berekeningsgrondslag
van de suppletie wordt in voorkomende gevallen
gewijzigd overeenkomstig een algemene
salariswijziging.
- 3.
- Het in het eerste lid
bedoelde percentage bedraagt:
- a.
- gedurende
de eerste 33 maanden 80%; en
- b.
- gedurende
de daaropvolgende 33 maanden 70%.
Artikel
7
- 1.
- In afwijking van artikel
6, derde lid, wordt, indien het in artikel 2, eerste
en tweede lid, bedoelde ontslag is verleend op een
latere datum dan het moment waarop de
arbeidsongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft
geduurd, de in artikel 6, derde lid, genoemde periode
verminderd met de periode die gelegen is tussen het
moment waarop de arbeidsongeschiktheid 24 maanden
onafgebroken heeft geduurd en het ontslag. Deze
vermindering wordt ten eerste toegepast op de in
onderdeel a van het derde
lid van artikel 6 genoemde periode gedurende welke de
betrokkene recht heeft op 80% van de
berekeningsgrondslag van de suppletie.
- 2.
- Voor het bepalen van de
in het eerste lid bedoelde periode van 24 maanden
worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld
indien die elkaar met een onderbreking van minder dan
vier weken opvolgen.
- 3.
- In afwijking van artikel
6, derde lid, wordt de in onderdeela
en b van dat lid genoemde
periode verminderd met de periode die gelegen is
tussen de ontslagdatum en het moment waarop het recht
op suppletie op grond van artikel 2, derde lid, is
toegekend. Deze vermindering wordt ten eerste
toegepast op de in onderdeel a
van het derde lid van artikel 6 genoemde periode
gedurende welke de betrokkene recht heeft op 80% van
de berekeningsgrondslag van de suppletie.
- 4.
- In afwijking van artikel
6, derde lid, worden de in dat lid genoemde
percentages verhoogd tot 90,02% ingeval van toekenning
van suppletie aan een betrokkene als bedoeld in
artikel 1, onderdeel b,
onder 2° , 3° en 4°, bij arbeidsongeschiktheid met
dienstverband als bedoeld in de bij of krachtens de Kaderwet
militaire pensioenen vastgestelde bepalingen.
Artikel
8
- 1.
- Indien de betrokkene
gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie,
ter zake van het dienstverband waaruit hij is
ontslagen, een werkloosheidsuitkering, een
ZW-uitkering, dan wel een uitkering ter zake van
arbeidsongeschiktheid ontvangt, wordt het bedrag van
genoemde uitkering of uitkeringen in mindering
gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de
bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer
dienstbetrekkingen recht heeft op uitkering op grond
van de WAO wordt die uitkering voor de toepassing van
de eerste volzin, toegerekend aan het dienstverband
ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend,
naar rato van het feitelijk genoten inkomen uit hoofde
van de desbetreffende dienstbetrekkingen.
- 2.
- Indien de betrokkene
recht heeft op uitkering op grond van de WAO die kan
worden toegerekend aan een dienstbetrekking, waaruit
hij is ontslagen op een datum, gelegen vóór de datum
van ontslag uit het dienstverband ter zake waarvan hem
recht op suppletie is toegekend, welk recht voortduurt
na laatstgenoemde datum, wordt, ingeval van een
verhoging van de mate van de arbeidsongeschiktheid
waardoor het bedrag van die uitkering verhoogd wordt,
uitsluitend het bedrag van die verhoging in mindering
gebracht op het bedrag van de suppletie.
- 3.
- Onze Minister kan ten
gunste van de betrokkene afwijken van de
toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, voor
zover toepassing daarvan gelet op het belang dat dit
artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een
onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel
9
- 1.
- Indien de betrokkene
gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie
inkomen verwerft uit of in verband met arbeid of
bedrijf, anders dan bedoeld in artikel 8, wordt de
berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met
dat inkomen uit of in verband met arbeid of bedrijf.
- 2.
- Onder inkomen uit of in
verband met arbeid of bedrijf als bedoeld in het
eerste lid, wordt begrepen inkomen dat de betrokkene
verwerft
- a.
- met
ingang van of na de dag waarop het ontslag, ter
zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend,
is verleend;
- b.
- gedurende
buitengewoon verlof, vakantieverlof of verlof
onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake
waarvan de betrokkene suppletie is toegekend;
- c.
- vóór
de dag van het ontslag ter zake waarvan de
betrokkene suppletie is toegekend, anders dan
bedoeld in onderdeel a
en b, en artikel 8,
tweede lid, voor zover uit deze arbeid of dit
bedrijf na die dag inkomen of meer inkomen wordt
genoten door de betrokkene, terwijl dat inkomen of
dat meerdere inkomen of een gedeelte daarvan, het
gevolg is van een verhoogde werkzaamheid dan wel
verband houdt met het ontslag.
- 3.
- In bijzondere gevallen
kan Onze Minister ten gunste van de betrokkene
afwijken van het tweede lid, voor zover toepassing
daarvan gelet op het belang dat dit artikel beoogt te
beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van
overwegende aard.
Artikel
10
Voor de
toepassing van de artikelen 8 en 9 worden uitkeringen
steeds geacht onverminderd door de betrokkene te zijn
genoten indien, als gevolg van handelingen van of het
nalaten van handelingen door de betrokkene, één of meer
werkloosheidsuitkeringen, uitkeringen ter zake van
arbeidsongeschiktheid, uitkeringen op grond van de Ziektewet
dan wel uitkeringen die naar aard en strekking
overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop de
betrokkene recht heeft,
- a.
- vermindering
ondergaan;
- b.
- blijvend
geheel geweigerd worden;
- c.
- tijdelijk
of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan wel
- d.
- in
uitkeringsduur beperkt worden.
Artikel
11
- 1.
- Zo spoedig mogelijk na
het overlijden van de betrokkene, aan wie een
suppletie is toegekend, wordt een bedrag uitgekeerd,
gelijk aan de berekeningsgrondslag van de suppletie
van de betrokkene over een tijdvak van drie maanden.
- 2.
- Het in het eerste lid
bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:
- a.
- aan
de langstlevende der echtgenoten indien de
overleden betrokkene niet duurzaam van de andere
echtgenoot gescheiden leefde;
- b.
- bij
ontstentenis van de onder a
bedoelde persoon aan de minderjarige wettige of
natuurlijke kinderen van de overleden betrokkene;
- c.
- bij
ontstentenis van de onder a
en b bedoelde personen
aan degenen ten aanzien van wie de overleden
betrokkene grotendeels in de kosten van het
bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband
leefde.
- 3.
- Voor de toepassing van
het tweede lid wordt onder echtgenoot mede verstaan de
geregistreerde partner dan wel de partner die is
aangemeld bij de Stichting Pensioenfonds ABP en door
het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt.
- 4.
- Op het uit te keren
bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in mindering
gebracht het bedrag van de uitkering waarop de
nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van
diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van
een of meer werkloosheidsuitkeringen, uitkeringen ter
zake van arbeidsongeschiktheid, uitkeringen op grond
van de Ziektewet
dan wel uitkeringen die naar aard en strekking
overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop de
betrokkene recht had.
Paragraaf
4. De betaling van de suppletie
Artikel
12
- 1.
- Op aanvraag stelt Onze
Minister het recht op suppletie vast.
- 2.
- Een aanvraag wordt
ingediend door middel van een daartoe beschikbaar
gesteld aanvraagformulier.
- 3.
- De suppletie wordt zo
spoedig mogelijk uitbetaald, doch uiterlijk binnen een
maand nadat het recht op die suppletie is vastgesteld.
Onze Minister betaalt achteraf per maand de suppletie.
- 4.
- De suppletie die niet in
ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen drie
maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet
meer betaald.
- 5.
- In bijzondere gevallen
kan Onze Minister ten gunste van de betrokkene
afwijken van de eerste volzin, voor zover toepassing
daarvan gelet op het belang dat dit artikel beoogt te
beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van
overwegende aard.
Artikel
13
- 1.
- Ambtshalve kan een naar
redelijkheid vast te stellen voorschot op een
suppletie worden betaald indien uitsluitend
onzekerheid bestaat omtrent de hoogte van de
suppletie, omtrent het van de suppletie aan de
betrokkene te betalen bedrag of omtrent het nakomen
van een verplichting als bedoeld in artikel 3.
- 2.
- Op aanvraag van de
betrokkene kan een naar redelijkheid vast te stellen
voorschot op een suppletie worden betaald.
- 3.
- Het voorschot, bedoeld
in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd als een
suppletie.
Paragraaf
5. Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten
Artikel
14
- 1.
- Onze Minister kan regels
stellen op grond waarvan in bij die regels aan te
geven gevallen en met inachtneming van bij die regels
te stellen beperkingen de betrokkene bevoegd is deel
te nemen aan een opleiding of scholing in
dagonderwijs.
- 2.
- Indien de betrokkene die
recht heeft op suppletie gaat deelnemen aan een voor
hem noodzakelijke opleiding of scholing, blijft
volgens door Onze Minister te stellen regels het recht
op suppletie bestaan totdat die opleiding of scholing
is geëindigd.
- 3.
- In de regels, bedoeld in
het tweede lid, worden in ieder geval voorschriften en
beperkingen gegeven met betrekking tot de aard, de
omvang en de duur van de in het tweede lid bedoelde
opleiding of scholing.
Artikel
15
- 1.
- De betrokkene die
onbeloonde activiteiten verricht is verplicht daarvan
mededeling te doen.
- 2.
- De betrokkene heeft voor
het verrichten van bijzondere vormen van onbeloonde
activiteiten voorafgaande toestemming nodig.
- 3.
- Onze Minister kan nadere
regels stellen ten aanzien van het in het tweede lid
bepaalde.
Paragraaf
6. Uitvoeringsvoorschriften
Artikel
16
Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld met betrekking
tot:
- a.
- een
doelmatige controle op het naleven door de betrokkene
van de op hem rustende verplichtingen;
- b.
- het
genieten van vakantieverlof tijdens de duur van de
suppletie.
Paragraaf
7. Overige bepalingen
Artikel
17
Indien het
niveau van de uitkering op grond van de WAO een algemene
neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse
wijziging, tenzij door sociale partners in het
sectoroverleg Defensie anders overeengekomen binnen zes
maanden na de datum van het Staatsblad
waarin de maatregel tot wijziging van de uitkering op
grond van de WAO is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze
ten aanzien van de suppletie doorgevoerd. Dat geschiedt
niet eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad,
waarin de betreffende wijzigingsmaatregel wordt
gepubliceerd.
Artikel
18
De in artikel 6,
derde lid, genoemde periode wordt voor de toepassing van
de bij of krachtens de Kaderwet
militaire pensioenen vastgestelde bepalingen inzake
voor pensioen geldige tijd, die is doorgebracht als
beroepsmilitair, reservist of dienstplichtige, gelijk
gesteld met diensttijd die in werkelijke dienst is
doorgebracht.
Paragraaf
8. Overgangsrecht en slotbepalingen
Artikel
19
- 1.
- De betrokkene, bedoeld
in artikel 1, onderdeel b,
onder 1°, die op 31 december 1995 recht had op
herplaatsingswachtgeld als bedoeld in artikel
K 4, tweede lid, juncto artikel
K6 van de Algemene burgerlijke pensioenwet , en
die op de dag voorafgaande aan die waarop de
Suppletieregeling op hem van toepassing wordt nog
recht heeft op suppletie op grond van artikel
17 van de Suppletieregeling burgerlijke ambtenaren
defensie, zoals die regeling luidde op de dag
voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op
hem van toepassing wordt, en waarvan de duur op de
invoeringsdatum van de Suppletieregeling nog niet is
verstreken, heeft recht op suppletie.
- 2.
- Het in het eerste lid
bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een op de dag
voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op
betrokkene van toepassing wordt genoten recht op
suppletie als bedoeld in artikel
17, tweede lid, van de Suppletieregeling burgerlijke
ambtenaren defensie van:
| 1
maand: gedurende de eerste 27 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 2
maanden: gedurende de eerste 26 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 3
maanden: gedurende de eerste 25 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 4
maanden: gedurende de eerste 24 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 5
maanden: gedurende de eerste 22 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 6
maanden: gedurende de eerste 21 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 7
maanden: gedurende de eerste 20 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 8
maanden: gedurende de eerste 19 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 9
maanden: gedurende de eerste 18 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 10
maanden: gedurende de eerste 17 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 11
maanden: gedurende de eerste 16 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 12
maanden: gedurende de eerste 15 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 13
maanden: gedurende de eerste 14 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 14
maanden: gedurende de eerste 13 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 15
maanden: gedurende de eerste 12 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 16
maanden: gedurende de eerste 11 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 17
maanden: gedurende de eerste 10 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 18
maanden: gedurende de eerste 9 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 19
maanden: gedurende de eerste 9 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 20
maanden: gedurende de eerste 8 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 21
maanden: gedurende de eerste 7 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 22
maanden: gedurende de eerste 6 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 23
maanden: gedurende de eerste 5 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 24
maanden: gedurende de eerste 4 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 25
maanden: gedurende de eerste 3 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 26
maanden: gedurende de eerste 2 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 27
maanden: gedurende de eerste maand 80%,
vervolgens 33 maanden 70%; |
| 28
maanden: gedurende 33 maanden 70%; |
| 29
maanden: gedurende 32 maanden 70%; |
| 30
maanden: gedurende 31 maanden 70%; |
| 31
maanden: gedurende 30 maanden 70%; |
| 32
maanden: gedurende 29 maanden 70%; |
| 33
maanden: gedurende 28 maanden 70%; |
| 34
maanden: gedurende 27 maanden 70%; |
| 35
maanden: gedurende 26 maanden 70%; |
| 36
maanden: gedurende 25 maanden 70%; |
| 37
maanden: gedurende 24 maanden 70%; |
| 38
maanden: gedurende 23 maanden 70%; |
| 39
maanden: gedurende 22 maanden 70%; |
| 40
maanden: gedurende 21 maanden 70%; |
| 41
maanden: gedurende 20 maanden 70%; |
| 42
maanden: gedurende 19 maanden 70%; |
| 43
maanden: gedurende 18 maanden 70%; |
| 44
maanden: gedurende 17 maanden 70%; |
| 45
maanden: gedurende 16 maanden 70%; |
| 46
maanden: gedurende 15 maanden 70%; |
| 47
maanden: gedurende 14 maanden 70%; |
| 48
maanden: gedurende 13 maanden 70%; |
| 49
maanden: gedurende 11 maanden 70%; |
| 50
maanden: gedurende 10 maanden 70%; |
| 51
maanden: gedurende 9 maanden 70%; |
| 52
maanden: gedurende 8 maanden 70%; |
| 53
maanden: gedurende 7 maanden 70%; |
| 54
maanden: gedurende 6 maanden 70%; |
| 55
maanden: gedurende 5 maanden 70%; |
| 56
maanden: gedurende 4 maanden 70%; |
| 57
maanden: gedurende 3 maanden 70%; |
| 58
maanden: gedurende 2 maanden 70%; |
| 59
maanden: gedurende 1 maand 70%; |
- 3.
- De artikelen 3 tot en
met 5, 6, tweede lid, 7 tot en met 11, alsmede de
artikelen 12, derde lid, tot en met 16 zijn van
toepassing.
- 4.
- Artikel 6, eerste lid,
is van toepassing, met dien verstande dat het dagloon,
zoals dat op de dag voorafgaande aan die waarop de
Suppletieregeling op betrokkene van toepassing wordt
gold met inachtneming van het bepaalde in artikel
17, vijfde lid, van de Suppletieregeling burgerlijke
ambtenaren defensie, de berekeningsgrondslag is
van de suppletie;
- 5.
- Ambtshalve wordt van
iedere betrokkene als bedoeld in het eerste lid het
recht op suppletie vastgesteld.
Artikel
20
- 1.
- De betrokkene, bedoeld
in artikel 1, onderdeel b,
onder 1°, heeft recht op suppletie indien:
- a.
- het
ontslag ter zake waarvan hem een recht op
suppletie op grond van de Suppletieregeling
burgerlijke ambtenaren defensie is
toegekend, nà 31 december 1995 is verleend, en
- b.
- hij
op de dag voorafgaande aan die waarop de
Suppletieregeling op hem van toepassing wordt nog
recht heeft op suppletie op grond van artikel
2 van de Suppletieregeling burgerlijke ambtenaren
defensie, zoals die regeling luidde op de
dag voorafgaande aan die waarop de
Suppletieregeling op hem van toepassing wordt, en
waarvan de duur op de invoeringsdatum van de
Suppletieregeling nog niet is verstreken.
- 2.
- Het in het eerste lid
bedoelde recht op suppletie geldt voor een periode die
gelijk is aan de resterende duur van het genoten recht
op suppletie op grond van de Suppletieregeling
burgerlijke ambtenaren defensie, berekend aan
de hand van artikel 6, derde lid, met ingang van de
dag waarop de Suppletieregeling op betrokkene van
toepassing wordt.
- 3.
- De artikelen 3 tot en
met 5, 6, eerste en tweede lid, 7 tot en met 11,
alsmede de artikelen 12, derde lid, tot en met 16 zijn
van toepassing.
- 4.
- Ambtshalve wordt van
iedere betrokkene als bedoeld in het eerste lid het
recht op suppletie vastgesteld met inachtneming van
het in dit artikel bepaalde.
- 5.
- Bij de bepaling van de
periode waarover een aanvullende uitkering is
ontvangen wordt deze periode naar beneden afgerond op
een hele maand.
Artikel
21
- 1.
- De betrokkene, bedoeld
in artikel 1, onderdeel b,
onder 2°, 3° en 4°, op wie artikel III van het
Besluit van de Staatssecretaris van Defensie van 30
januari 1996 (Stb.1996, 87)
van toepassing was, en die op de dag voorafgaande aan
die waarop de Suppletieregeling op hem van toepassing
wordt nog recht heeft op aanvullende uitkering op
grond van artikel 2,
tweede lid, onderdeel a en b,
van het Besluit aanvulling
arbeidsongeschiktheidsuitkering militairen,
zoals dat besluit luidde op de dag voorafgaande aan
die waarop de Suppletieregeling op hem van toepassing
wordt, en waarvan de duur op de invoeringsdatum van de
Suppletieregeling nog niet is verstreken, heeft recht
op suppletie.
- 2.
- Het in het eerste lid
bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een op de dag
voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op
betrokkene van toepassing wordt genoten recht op
aanvullende uitkering van:
| 1
maand: gedurende de eerste 26 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 2
maanden: gedurende de eerste 25 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 3
maanden: gedurende de eerste 24 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 4
maanden: gedurende de eerste 23 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 5
maanden: gedurende de eerste 22 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 6
maanden: gedurende de eerste 21 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 7
maanden: gedurende de eerste 20 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 8
maanden: gedurende de eerste 19 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 9
maanden: gedurende de eerste 18 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 10
maanden: gedurende de eerste 17 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 11
maanden: gedurende de eerste 16 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 12
maanden: gedurende de eerste 15 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 13
maanden: gedurende de eerste 14 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 14
maanden: gedurende de eerste 13 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 15
maanden: gedurende de eerste 12 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 16
maanden: gedurende de eerste 11 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 17
maanden: gedurende de eerste 10 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 18
maanden: gedurende de eerste 9 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 19
maanden: gedurende de eerste 8 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 20
maanden: gedurende de eerste 7 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 21
maanden: gedurende de eerste 6 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 22
maanden: gedurende de eerste 5 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 23
maanden: gedurende de eerste 4 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 24
maanden: gedurende de eerste 3 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 25
maanden: gedurende de eerste 2 maanden 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 26
maanden: gedurende de eerste maand 80%,
vervolgens 33 maanden 73%; |
| 27
maanden: gedurende 33 maanden 73%; |
| 28
maanden: gedurende 32 maanden 73%; |
| 29
maanden: gedurende 31 maanden 73%; |
| 30
maanden: gedurende 30 maanden 73%; |
| 31
maanden: gedurende 29 maanden 73%; |
| 32
maanden: gedurende 28 maanden 73%; |
| 33
maanden: gedurende 27 maanden 73%; |
| 34
maanden: gedurende 26 maanden 73%; |
| 35
maanden: gedurende 25 maanden 73%; |
| 36
maanden: gedurende 24 maanden 73%; |
| 37
maanden: gedurende 23 maanden 73%; |
| 38
maanden: gedurende 22 maanden 73%; |
| 39
maanden: gedurende 21 maanden 73%; |
| 40
maanden: gedurende 20 maanden 73%; |
| 41
maanden: gedurende 19 maanden 73%; |
| 42
maanden: gedurende 18 maanden 73%; |
| 43
maanden: gedurende 17 maanden 73%; |
| 44
maanden: gedurende 16 maanden 73%; |
| 45
maanden: gedurende 15 maanden 73%; |
| 46
maanden: gedurende 14 maanden 73%; |
| 47
maanden: gedurende 13 maanden 73%; |
| 48
maanden: gedurende 12 maanden 73%; |
| 49
maanden: gedurende 11 maanden 73%; |
| 50
maanden: gedurende 10 maanden 73%; |
| 51
maanden: gedurende 9 maanden 73%; |
| 52
maanden: gedurende 8 maanden 73%; |
| 52
maanden: gedurende 7 maanden 73%; |
| 54
maanden: gedurende 6 maanden 73%; |
| 55
maanden: gedurende 5 maanden 73%; |
| 56
maanden: gedurende 4 maanden 73%; |
| 57
maanden: gedurende 3 maanden 73%; |
| 58
maanden: gedurende 2 maanden 73%; |
| 59
maanden: gedurende 1 maand 73%; |
- 3.
- De artikelen 3 tot en
met 5, 6, tweede lid, 7 tot en met 11, alsmede de
artikelen 12, derde lid, tot en met 16 zijn van
toepassing.
- 4.
- Artikel 6, eerste lid,
is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat het naar een jaarbedrag herleide en door het getal
261 gedeelde laatstgenoten inkomen, zoals dat op de
dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling
op betrokkene van toepassing wordt gold, de
berekeningsgrondslag is voor de suppletie.
- 5.
- Ambtshalve wordt van
iedere betrokkene als bedoeld in het eerste lid het
recht op suppletie vastgesteld met inachtneming van
het in dit artikel bepaalde.
- 6.
- Bij de bepaling van de
periode waarover een aanvullende uitkering is
ontvangen wordt deze periode naar beneden afgerond op
een hele maand.
Artikel
22
- 1.
- De betrokkene, bedoeld
in artikel 1, onderdeel b,
onder 2°, 3° en 4°, die op de dag voorafgaande aan
die waarop de Suppletieregeling op hem van toepassing
wordt nog recht heeft op aanvullende uitkering op
grond van artikel 2,
tweede lid, onderdeel a en b,
van het Besluit aanvulling
arbeidsongeschiktheidsuitkering militairen,
zoals dat besluit luidde op die dag voorafgaande aan
die waarop de Suppletieregeling op betrokkene van
toepassing wordt, en waarvan de duur op de
invoeringsdatum van de Suppletieregeling nog niet is
verstreken, heeft recht op suppletie.
- 2.
- Het in het eerste lid
bedoelde recht op suppletie geldt voor een periode die
gelijk is aan de resterende duur van het genoten recht
op aanvullende uitkering op grond van het Besluit
aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering militairen,
berekend aan de hand van artikel 6, derde lid, met
ingang van de dag waarop de Suppletieregeling op
betrokkene van toepassing wordt.
- 3.
- De artikelen 3 tot en
met 5, 6, tweede lid, 7 tot en met 11, alsmede de
artikelen 12, derde lid, tot en met 16 zijn van
overeenkomstige toepassing.
- 4.
- Artikel 6, eerste lid,
is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat het naar een jaarbedrag herleide en door het getal
261 gedeelde laatstgenoten inkomen, zoals dat op de
dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling
op betrokkene van toepassing wordt gold, de
berekeningsgrondslag is van de suppletie.
- 5.
- Ambtshalve wordt van
iedere betrokkene als bedoeld in het eerste lid het
recht op suppletie vastgesteld met inachtneming van
het in dit artikel bepaalde.
- 6.
- Bij de bepaling van de
periode waarover een aanvullende uitkering is
ontvangen wordt deze periode naar beneden afgerond op
een hele maand.
Artikel
23
De betrokkene,
bedoeld in de artikelen 19 tot en met 22, heeft na afloop
van de suppletie recht op uitkering op grond van het Werkloosheidsbesluit
defensiepersoneel indien de duur van de uitkering
langer is dan die van de suppletie. Voor de vaststelling
van de duur en de hoogte van de uitkering is het Werkloosheidsbesluit
defensiepersoneel van toepassing, met dien
verstande dat uitgegaan wordt vanaf het tijdstip waarop
het ontslag is ingegaan.
Artikel
24
Ingetrokken
worden:
- a.
- de Suppletieregeling
burgerlijke ambtenaren defensie;
- b.
- het Besluit
aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering militairen.
Artikel
25
Dit besluit
treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel
26
Dit besluit
wordt aangehaald als: Suppletieregeling gedeeltelijk
arbeidsongeschikten sector Defensie.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 27 oktober 1997
BEATRIX
De Staatssecretaris van Defensie,
J.C.
Gmelich Meijling
Uitgegeven de tweede december
1997
De Minister van Justitie,
W.
Sorgdrager
|