|
BESLUIT van 27 augustus 1966, houdende vaststelling van een nieuwe
regeling tot toekenning van uitkeringen bij ontslag aan enige groepen
van rijkspersoneel
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Ministers van
Binnenlandse Zaken en van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 1 juli
1966, nr. AW66/U 1355, Directie Overheidspersoneelsbeleid, Hoofdafdeling
Overheidspersoneelszaken, Afdeling Pensioenen en Wachtgelden;
Overwegende dat de totstandkoming van de
Algemene burgerlijke pensioenwet het wenselijk maakt de
Uitkeringsregeling 1952 te vervangen;
Gelet op de artikelen 125, eerste lid, en 134,
eerste lid, van de Ambtenarenwet 1929;
De Raad van State gehoord (advies van 27 juli
1966, nr. 53);
Gezien het nader rapport van Onze Ministers van
Binnenlandse Zaken a.i. en van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 15
augustus 1966, nr. AW66/U1718, Directie Overheidspersoneelsbeleid,
Hoofdafdeling Overheidspersoneelszaken, Afdeling Pensioenen en
Wachtgelden;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt
verstaan onder:
- a.
- Onze Minister:
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
- b.
- Stichting
Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld
in artikel 6 van de Wet
privatisering ABP;
- c.
- pensioenreglement:
het pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP;
- d.
- pensioen: een
pensioen krachtens het pensioenreglement;
- e.
- invaliditeitspensioen:
een invaliditeitspensioen krachtens het pensioenreglement;
- f.
- arbeidsongeschiktheid:
arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel
18, eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
- g.
- WAO-uitkering:
uitkering op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
- h.
- suppletie: een
suppletie krachtens de Suppletieregeling
gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector rijk;
- i.
- lichamen:
rechtspersonen, maat- en vennootschappen,
samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met
verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld,
ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen.
Artikel 2
- 1.
- Dit besluit verstaat onder
betrokkene, hij die in burgerlijke Rijksdienst werkzaam is:
- a.
- als
ambtenaar in vaste dienst, die uit hoofde van zijn
ontslag geen aanspraak op wachtgeld kan ontlenen aan bij
de wet of door Ons vastgestelde bepalingen;
- b.
- als
ambtenaar in tijdelijke dienst, die uit hoofde van zijn
ontslag geen aanspraak op wachtgeld kan ontlenen aan bij
de wet of door Ons vastgestelde bepalingen;
- 2.
- Tenzij het tegendeel blijkt
wordt onder betrokkene gewezen betrokkene begrepen.
- 3.
- Onder betrokkene wordt mede
begrepen de ambtenaar die op zijn aanvraag ontslag is
verleend in verband met de aanvaarding van een functie
buiten de overheid. Een en ander uitsluitend indien de
ambtenaar is aangewezen als herplaatsingskandidaat als
bedoeld in artikel 49d
of 49e
van het Algemeen Rijksambtenarenreglement danwel als
bedoeld in de artikelen 84d
of 84e
van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal en hij
binnen twee jaar nadat hij een functie heeft aanvaard buiten
de overheid, buiten zijn schuld of toedoen wordt ontslagen.
- 4.
- Geen betrokkene in de zin van
dit besluit is degene die uit hoofde van zijn ontslag recht
heeft op een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet of het Besluit
bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector
Rijk.
Artikel 3
- 1.
- Dit besluit verstaat onder
diensttijd,
voorzover gelegen
vóór 1 januari 1996:
de tijd zoals die
voor betrokkene per 31 december 1995 meetelt voor de
pensioenberekening, met uitzondering van de militaire
diensttijd, bedoeld in de Algemene burgerlijke pensioenwet;
voorzover gelegen
op of na 1 januari 1996:
de tijd gedurende
welke de betrokkene overheidswerknemer is in de zin van de Wet
privatisering ABP;
in beide gevallen
met uitzondering van de tijd:
- a.
- die
voorafgaat aan een ontslag uit een betrekking waaraan
een functioneel leeftijdsontslag is verbonden, mits uit
hoofde van dat ontslag een uitkering is toegekend;
- b.
- die in
aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van
een wachtgeld of van een uitkering ter zake van
onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid;
- c.
- die
voorafgaat aan een onderbreking in de diensttijd door
ontslag van langer dan een maand;
- d.
- bedoeld in
artikel 5.4 van het pensioenreglement;
- e.
- in een
aangehouden betrekking.
- 2.
- Voor de toepassing van het
eerste lid, wordt in voorkomend geval diensttijd bedoeld in
artikel D1, tweede lid, van de Algemene burgerlijke
pensioenwet zoals deze luidde op 31 december 1995, mede in
aanmerking genomen. Het verzoek als bedoeld in artikel D2
van genoemde wet wordt daarbij geacht te zijn gedaan.
Artikel 3a
- 1.
- Dit besluit verstaat onder
dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of
privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van
een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden tegen
bezoldiging of loon worden verricht.
- 2.
- Het bepaalde bij of krachtens
de artikelen 4, 5 en 6 van
de Werkloosheidswet is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 4
| 1. |
Dit besluit
verstaat onder bezoldiging: de bezoldiging in de zin van
het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 vermeerderd met
de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering,
berekend over een maand, waarop de betrokkene op de dag
voorafgaande aan zijn ontslag aanspraak had of bij
waarneming van zijn functie zou hebben gehad.
|
| 2. |
In afwijking
van het in het eerste lid bepaalde gelden de toelagen,
bedoeld in de artikelen 14 en 18, eerste lid, van
voornoemd besluit en de over die toelagen berekende
vakantie-uitkering niet als deel van de bezoldiging.
|
| 3. |
Als
bezoldiging gelden mede de aanspraken die de betrokkene
op de dag voorafgaande aan zijn ontslag ontleende aan de
Overgangsregeling
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984,
indien en voor zover de betrokkene die aanspraken
eveneens zou hebben ontleend aan het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 indien dat
besluit, zoals dat laatstelijk luidde, op dat tijdstip
nog zou hebben gegolden.
|
| 4. |
Indien de
betrokkene geen ambtenaar is in de zin van het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt als
bezoldiging hetgeen met het in het eerste tot en met het
derde lid daaromtrent bepaalde overeenkomt.
|
| 5. |
Indien de door
een betrokkene over de laatste aan het ontslag
voorafgaande twaalf volle kalendermaanden genoten
bezoldiging in de zin van het in het eerste lid genoemde
besluit, dan wel hetgeen daarmee overeenkomt, alsmede de
over die maanden genoten vakantie-uitkering dan wel
verkregen aanspraken daarop geheel of gedeeltelijk uit
wisselende inkomsten waaronder begrepen de evengenoemde
aanspraken bestonden, geldt in zoverre in afwijking van
het eerste lid als bezoldiging, met inachtneming van het
in het tweede, derde en vierde lid bepaalde, het
gemiddelde van die inkomsten.
|
| 6. |
De
bezoldiging, omschreven in het eerste tot en met vijfde
lid, wordt aangepast overeenkomstig een algemene
wijziging van het salaris, van de vakantie-uitkering en
van de eindejaarsuitkering van het burgerlijk
rijkspersoneel, met ingang van de dag waarop die
wijziging van het salaris, de vakantie-uitkering
respectievelijk de eindejaarsuitkering van kracht wordt.
|
| 7. |
Voor
betrekkingen die geleidelijk worden opgeheven, alsmede
in bijzondere gevallen, kan Onze Minister van het
hiervoren bepaalde ten gunste van de betrokkene
afwijken.
|
Artikel 5
Voor de toepassing van
dit besluit wordt onder ontslag mede verstaan: beëindiging van
een dienstbetrekking op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
recht.
Artikel 6.
Inschrijvingsplicht
- 1.
- Zolang de betrokkene de
leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt is hij verplicht
zich bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie van zijn
woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven uiterlijk op
de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag
ingaat, dan wel het recht op uitkering ontstaat.
- 2.
- De betrokkene, die op de dag
van het ontslag metterwoon verblijf houdt in het buitenland
dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het
buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als
werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van
arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die
naar het oordeel van Onze Minister vergelijkbaar is met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
- 3.
- Onze Minister kan bepalen dat
de in het eerste en tweede lid omschreven verplichting niet
geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van betrokkenen
die de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt.
Artikel 7.
Recht op uitkering
- 1.
- Met ingang van de dag waarop
het ontslag ingaat, bestaat recht op een uitkering waarvan
de duur wordt vastgesteld:
- a.
- voor de
betrokkene die in de periode van 12 maanden onmiddellijk
voorafgaande aan het ontslag in ten minste 26 weken als
werknemer als bedoeld in artikel
3 van de Werkloosheidswet werkzaam is geweest,
ingevolge artikel 8;
- b.
- voor de
betrokkene die een diensttijd heeft van ten minste drie
jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag,
ingevolge artikel 8, dan wel - wanneer het bepaalde in
artikel 8a, eerste lid,
daartoe aanleiding geeft - ingevolge artikel 8a,
tweede lid, en, indien van toepassing, artikel 8a,
vierde lid.
- 2.
- Indien het ontslag ingaat
binnen 12 maanden na afloop van perioden waarin de
betrokkene ten gevolge van arbeidsongeschiktheid verhinderd
was werkzaamheden te verrichten, of werkzaamheden heeft
verricht als bedoeld in artikel
8 van de Werkloosheidswet en hij de hoedanigheid van
werknemer heeft herkregen, wordt de in het eerste lid, onder
a, bedoelde periode van 12 maanden
verlengd met de duur van de perioden van de bedoelde
verhindering.
- 3.
- De in een week verrichte
werkzaamheden worden slechts in aanmerking genomen, voor
zover zij betrekking hebben op de dienstbetrekking waaruit
de betrokkene is ontslagen en op een of meer
dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking
in de plaats is gekomen, en voor zover deze niet reeds
eerder in aanmerking zijn genomen voor een recht op
uitkering.
- 4.
- Met weken, bedoeld in het
eerste tot en met derde lid, worden gelijkgesteld weken,
waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft
ontvangen.
- 5.
- De regels die gesteld zijn
krachtens artikel 17a,
derde en vierde lid van de Werkloosheidswet, zijn van
overeenkomstige toepassing.
- 6.
- In bijzondere gevallen kan
Onze Minister bepalen dat, wanneer niet aan de verplichting
bedoeld in artikel 6, eerste lid, is voldaan, het recht op
uitkering ingaat met de dag waarop de inschrijving bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie van zijn woonplaats heeft
plaatsgehad.
- 7.
- Geen recht op uitkering
bestaat:
- a.
- indien de
betrokkene ter zake van het ontslag recht heeft op een
WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van 80% of meer;
- b.
- indien de
betrokkene op grond van het ontslag recht heeft op een
suppletie;
- c.
- indien de
betrokkene op de dag van het ontslag de leeftijd van 65
jaar heeft bereikt;
- d.
- indien het
ontslag aan eigen schuld of toedoen is te wijten;
- e.
- indien het
ontslag naar het oordeel van Onze Minister geacht moet
worden niet te leiden tot onvrijwillige werkloosheid;
- f.
- voor de
betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat hem
eervol ontslag zal worden verleend en die na die
mededeling een hem aangeboden betrekking, welke mede in
verband met zijn persoonlijkheid en zijn omstandigheden
voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te
aanvaarden.
- 8.
- De betrokkene, bedoeld in het
zevende lid, onderdeel a, heeft
recht op uitkering met ingang van de dag waarop de mate van
arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt
vastgesteld dan 80%. De hoogte van deze uitkering wordt
vastgesteld te rekenen van de datum van ontslag wegens
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte. Ter bepaling van de duur van de uitkering wordt:
- a.
- voor de
toepassing van artikel 8 als ingangsdatum uitgegaan van
de datum met ingang waarvan de mate van
arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt
vastgesteld, waarbij voor de toepassing van het vierde
lid tevens een WAO-uitkering eventueel vermeerderd met
een invaliditeitspensioen, vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking
wordt genomen;
- b.
- voor de
toepassing van artikel 8a als
uitgangsdatum uitgegaan van de datum op grond waarvan
het recht op WAO-uitkering, eventueel vermeerderd met
een invaliditeitspensioen, is ontstaan.
- 9.
- Onze Minister beslist over de
toekenning van uitkering op schriftelijke aanvraag door de
betrokkene. De stukken die Onze Minister nodig acht voor de
behandeling van de aanvraag dienen door of vanwege de
betrokkene te worden overgelegd.
Artikel 8.
Duur van de uitkering
| 1. |
De
uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag
waarop het ontslag ingaat.
|
| 2. |
Indien de
betrokkene in de periode van 5 jaar onmiddellijk
voorafgaande aan het ontslag ten minste gedurende 3 jaar
als werknemer als bedoeld in artikel
3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking
van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest, wordt
de duur van het wachtgeld verlengd met:
|
3
maanden
|
bij
een arbeidsverleden van ten minste
|
5
jaar;
|
|
0,5
jaar
|
bij
een arbeidsverleden van ten minste
|
10
jaar;
|
|
1 jaar
|
bij
een arbeidsverleden van ten minste
|
15
jaar;
|
|
1,5
jaar
|
bij
een arbeidsverleden van ten minste
|
20
jaar;
|
|
2 jaar
|
bij
een arbeidsverleden van ten minste
|
25
jaar;
|
|
2,5
jaar
|
bij
een arbeidsverleden van ten minste
|
30
jaar;
|
|
3,5
jaar
|
bij
een arbeidsverleden van ten minste
|
35
jaar, en
|
|
4,5
jaar
|
bij
een arbeidsverleden van ten minste
|
40
jaar.
|
|
| 3. |
Het
arbeidsverleden bedoeld in het tweede lid, wordt
vastgesteld door samentelling van:
| a. |
perioden,
gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande
aan het ontslag, waarover de betrokkene aantoont
als werknemer als bedoeld in artikel
3 van de Werkloosheidswet en in
dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
werkzaam te zijn geweest, en
|
| b. |
de
periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het
ontslag.
|
|
| 4. |
Perioden,
waarin een betrokkene:
| a. |
recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten
minste 80%;
|
| b. |
ter
zake van een dienstbetrekking op grond waarvan
hem door het Rijk invaliditeitspensioen was
verzekerd, recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar
een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of
een toelage ontvangt die naar aard en strekking
overeenkomt met een toelage als bedoeld onder a,
die al dan niet vermeerderd met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer
bedraagt van het dagloon in de zin van de Suppletieregeling
gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector rijk,
waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
of zou zijn berekend;
|
| c. |
een
uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk
III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een
toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan
niet vermeerderd met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer
bedraagt van het dagloon, waarnaar de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
berekend;
|
| d. |
na beëindiging
van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt
op grond van de Ziektewet
over de maximale duur, bedoeld in artikel 29,
tweede lid, van die wet;
|
| e. |
een
uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a
of d;
|
worden, indien
deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een
gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in
aanmerking genomen voor de periode van drie jaar bedoeld
in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de
vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag
bedoeld in het derde lid.
|
| 5. |
Voor de
periode van drie jaar bedoeld in het tweede lid, en voor
de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk
voorafgaande aan het ontslag bedoeld in het derde lid,
worden perioden waarin een persoon een tot zijn
huishouden behorend kind:
| a. |
beneden
de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren
per week werkzaam is geweest of een uitkering
heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid,
volledig, en
|
| b. |
vanaf
de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd
van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
werkzaam is geweest of een uitkering heeft
ontvangen als bedoeld in het vierde lid, voor de
helft in aanmerking genomen.
|
|
| 6. |
Voor de
toepassing van het vijfde lid worden als perioden van
verzorging niet meegeteld de periode waarin:
| a. |
de
verzorgende persoon als werknemer in de zin van
een wettelijke regeling inzake werkloosheid
recht heeft op een uitkering ter zake van
werkloosheid; en
|
| b. |
de
verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders
dan tijdens vakantie.
|
|
| 7. |
Indien er in
een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen
zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de
toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het
kind beschouwd, degene van deze personen die zij als
zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen verzorgende
persoon wordt aangewezen, is Onze Minister bevoegd een
van hen die naar zijn oordeel als verzorgende persoon
moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.
|
| 8. |
Voor de
toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:
| a. |
een
kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;
|
| b. |
een
pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind
wordt onderhouden en opgevoed.
|
|
| 9. |
De regels die
gesteld zijn krachtens artikel
17b, zevende lid, van de
Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
toepassing.
|
| 10. |
In bijzondere
gevallen kan Onze Minister na afloop van de in het
eerste en tweede lid bedoelde termijnen de duur van de
uitkering verlengen.
|
Artikel 8a
- 1.
- In afwijking van artikel 8,
eerste en tweede lid, wordt voor de betrokkene, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onderdeel a,
indien dit leidt tot een langere uitkeringsduur, waarin
tevens voor zover van toepassing de bijzondere verlenging
bedoeld in het vierde lid is begrepen, de duur van de
uitkering vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.
- 2.
- De duur van de uitkering wordt
vastgesteld op een aantal maanden, gelijk aan 1/6 deel van
de diensttijd, waarna de uitkomst naar boven wordt afgerond
op hele maanden.
- 3.
- De ingevolge het tweede lid
berekende uitkeringsduur wordt ten hoogste vastgesteld op 24
maanden.
- 4.
- In bijzondere gevallen kan
Onze Minister na afloop van de in het eerste en tweede lid
bedoelde termijnen de duur van de uitkering verlengen.
Artikel 8b.
Vervolguitkering
- 1.
- De betrokkene, die het einde
van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 8, tweede lid,
heeft bereikt, heeft in aansluiting op die uitkering recht
op een vervolguitkering.
- 2.
- De betrokkene die
- a.
- het einde
van de uitkeringsduur bedoeld in artikel 8, eerste lid,
heeft bereikt, en
- b.
- voldoet
aan de voorwaarde bedoeld in artikel 8, tweede lid,
onderdeel a of b,
doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen recht
heeft op verlenging van de uitkeringsduur, heeft recht
op een vervolguitkering.
- 3.
- Behoudens het gestelde in de
volgende leden is de duur van de vervolguitkering een jaar.
- 4.
- De duur van de
vervolguitkering voor de betrokkene die op de dag van zijn
ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half
jaar.
- 5.
- De betrokkene aan wie
ingevolge artikel 8a een uitkering
is toegekend, heeft aansluitend recht op een
vervolguitkering indien de toegekende uitkering eindigt op
een tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn
uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn
toegekend ingevolge artikel 8. De vervolguitkering eindigt
op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin
bedoelde datum.
- 6.
- De betrokkene die op de dag
van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is en aan wie ingevolge
artikel 8a een uitkering is
toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguitkering
indien de toegekende uitkering eindigt op een tijdstip
gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn
uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn
toegekend ingevolge artikel 8. De vervolguitkering eindigt
op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de
vorige volzin bedoelde datum.
- 7.
- Tenzij uitdrukkelijk anders is
bepaald, zijn bepalingen van de uitkering van
overeenkomstige toepassing op de vervolguitkering.
Artikel 8c
- 1.
- Het bedrag van de uitkering is
voor de betrokkene, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel a, gedurende de eerste twaalf maanden gelijk aan
80% van de bezoldiging, gedurende de volgende zes maanden
gelijk aan 75% van de bezoldiging en vervolgens gelijk aan
70% van de bezoldiging.
- 2.
- Het bedrag van de uitkering is
voor de betrokkene, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdelen b en c, gelijk aan 70% van de bezoldiging.
Artikel 8d.
Bedrag van de vervolguitkering
- 1.
- Het bedrag van de
vervolguitkering is gelijk aan het minimumloon, met dien
verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van
de bezoldiging.
- 2.
- Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder minimumloon verstaan het maandbedrag van
het minimumloon bedoeld in artikel
8, eerste lid, onder a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het
een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn
leeftijd geldende minimumloon bedoeld in artikel 7, derde
lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide
vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag
bedoeld in artikel 15 van die wet.
Artikel 9.
Samenloop van uitkering met inkomsten uit of in verband met
arbeid of bedrijf
- 1.
- Behoudens het bepaalde in
artikel 25 worden de inkomsten die de betrokkene, aan wie
een uitkering is toegekend, geniet of gaat genieten uit of
in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met
ingang van of na de dag waarop het ontslag, ter zake waarvan
de uitkering is toegekend, hem is aangezegd of door hem is
aangevraagd, worden met de uitkering verrekend over de maand
waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen
worden betrekking te hebben. Deze verrekening geschiedt
aldus:
- a.
- indien de
inkomsten uit enige overheidskas worden genoten, wordt
de uitkering verminderd met het bedrag waarmede de
uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de bezoldiging
overschrijdt;
- b.
- indien de
inkomsten uit anderen hoofde worden genoten, wordt de
uitkering verminderd met het bedrag waarmede de
uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de bezoldiging
met meer dan 20% overschrijdt;
- c.
- bij
gelijktijdig genot van inkomsten, als bedoeld onder a.
en b., wordt de uitkering
eerst verminderd met het bedrag waarmede de onder a.
bedoelde inkomsten en uitkering samen de bezoldiging te
boven gaan; vervolgens worden de onder a.
en b. bedoelde inkomsten bij
de eventueel verminderde uitkering opgeteld en wordt een
tweede vermindering bepaald op het bedrag waarmede de
verkregen som 120% van de bezoldiging te boven gaat.
Voor de bepaling
van het bedrag waarmede de uitkering vermeerderd met
inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin de bezoldiging
overschrijdt, wordt een vermindering van de uitkering
ingevolge artikel 22 niet in aanmerking genomen.
- 2.
- Ten aanzien van de betrokkene
aan wie een uitkering is toegekend en die wegens
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte ontslag is verleend uit de betrekking die hij
gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte tijd
bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin van het
pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste
lid als volgt verrekend. De inkomsten die betrokkene geniet
of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf,
ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop het
ontslag plaatsvond uit de betrekking die door betrokkene
gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte tijd werd
bekleed, worden verrekend over de maand waarop zij
betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te
hebben. In afwijking van het gestelde in het eerste lid,
geschiedt deze verrekening op zodanige wijze dat de
oorspronkelijk toegekende uitkering wordt verminderd met het
bedrag waarmee het pensioen al dan niet aangevuld met een
wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de inkomsten uit of
in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip van de
oorspronkelijk toegekende uitkering de oorspronkelijke
bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een
bedrag aan overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt
het aanvullende wachtgeld of de aanvullende uitkering
verminderd met het resterende bedrag aan overschrijding.
- 3.
- Het voorgaande lid vindt
overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of
in verband met arbeid of bedrijf ter hand genomen gedurende
non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk voorafgaande
aan het ontslag, ter zake waarvan de uitkering is toegekend.
- 4.
- Wanneer de betrokkene arbeid
of bedrijf ter hand heeft genomen vóór de dag van het
ontslag, anders dan bedoeld in het eerste en derde lid, en
na die dag uit die arbeid of dat bedrijf inkomsten of meer
inkomsten gaat genieten, is het eerste lid van toepassing,
tenzij de betrokkene aannemelijk maakt, dat die inkomsten of
vermeerdering van inkomsten of een gedeelte daarvan noch het
gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid noch verband
houden met het ontslag, in welk geval die inkomsten, die
meerdere inkomsten of dat gedeelte daarvan niet in
aanmerking worden genomen voor de toepassing van het eerste
lid.
- 5.
- Met inkomsten, die genoten
worden uit enige overheidskas, worden alle inkomsten
gelijkgesteld, die zijn genoten als deelnemer in de zin van
het pensioenreglement.
- 6.
- In bijzondere gevallen kan
Onze Minister van het hiervoren bepaalde ten gunste van de
betrokkene afwijken.
Artikel 10
Onze Minister kan
bepalen, dat inkomsten, die zijn genoten uit hoofde van
overwerk, bij wijze van gratificatie, ter zake van een
vrijwillige verbintenis bij het Korps Nationale Reserve, als
vrijwillige ambtenaar bij de politie of bij andere door Onze
Minister aan te wijzen reserve-organen, geheel of ten dele niet
worden aangemerkt als inkomsten.
Artikel 10a
- 1.
- Indien de
betrokkene ongeschikt is tot het verrichten van arbeid
wegens ziekte, is hij verplicht daarvan terstond mededeling
te doen aan Onze Minister. De betrokkene is eveneens
verplicht zijn herstel terstond te melden.
- 2.
- De uitkering wordt
niet uitbetaald voor de duur dat de betrokkene de in het
eerste lid bedoelde verplichting niet nakomt.
Artikel 11.
Vermindering van de uitkering
Indien de betrokkene:
- a.
- een hem
aangeboden ambt of betrekking, welke hem in verband met zijn
persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
opgedragen, weigert te aanvaarden;
- b.
- in de
gelegenheid is om op een wijze, die voor hem passend kan
worden geacht, inkomsten te verkrijgen, daarvan geen gebruik
maakt;
- c.
- inkomsten, als
bedoeld in artikel 9, zonder voldoende reden prijs geeft,
dan wel door eigen schuld of toedoen verloren doet gaan;
wordt de uitkering
verminderd met het bedrag, waarmede de uitkering vermeerderd met
de verzuimde, dan wel met de prijsgegeven of verloren gegane
inkomsten de bezoldiging zou hebben overschreden.
Artikel 12.
Afkoop van het recht op uitkering
Op verzoek van de
betrokkene die voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 8,
tweede lid, onderdeel a of b,
kan het recht op de uitkering geheel of ten dele worden
afgekocht.
Artikel 13
Aan de betrokkene die
voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 8, tweede lid,
onder a of b,
en elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, kan ter zake
van de kosten, die voor hem aan een daartoe nodige verhuizing
zijn verbonden, een tegemoetkoming worden toegekend tot ten
hoogste het bedrag van een vergoeding volgens de normen van het Verplaatsingskostenbesluit
1989.
Artikel 14
[Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 15
[Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 16.
Opschorting
- 1.
- Ten aanzien van de betrokkene
aan wie uitkering is toegekend, en die uit hoofde van ziekte
aanspraak heeft of krijgt op doorbetaling van zijn
bezoldiging, wordt de verdere uitvoering van dit besluit
opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die
aanspraak bestaat.
- 2.
- Het eerste lid vindt
overeenkomstige toepassing in het geval doorbetaling van
bezoldiging plaatsvindt op grond van artikel
95, achtste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
- 3.
- Ten aanzien van de betrokkene
aan wie uitkering is toegekend en die zich ingevolge
wettelijke verplichting in militaire dienst bevindt of moet
begeven, wordt de verdere uitvoering van dit besluit voor de
duur van de militaire dienst opgeschort.
- 4.
- Het vorige lid is van
overeenkomstige toepassing ingeval de betrokkene is
tewerkgesteld als gewetensbezwaarde in de zin van artikel
9 van de Wet Gewetensbezwaren militaire dienst.
Artikel 17.
Andere verplichtingen
- 1.
- De betrokkene is verplicht van
het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf terstond
mededeling te doen aan Onze Minister onder opgave, voor
zover mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die
werkzaamheden zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op
te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van
elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij
sinds het ter hand nemen van de werkzaamheden of sinds de
vorige opgave heeft genoten. Onze Minister geeft nadere
regels aangaande het doen van mededelingen door de
betrokkene met betrekking tot de inkomsten uit of in verband
met arbeid of bedrijf.
- 2.
- Brengt de aard van de
werkzaamheden of van de inkomsten mede, dat de inkomsten
over een langere termijn moeten worden berekend, dan
geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de
uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig
vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het
einde van de evenbedoelde termijn. Ten aanzien van deze
verrekening is artikel 9 van toepassing, met dien verstande,
dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde
langere termijn in plaats van over iedere maand van die
termijn afzonderlijk.
- 3.
- Onze Minister kan bij de
vaststelling van het bedrag van de vermindering van de
opgave van de betrokkene afwijken.
- 4.
- Het in de voorgaande leden
bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in
artikel 9, tweede en derde lid.
- 5.
- Zolang de betrokkene de
leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt is hij verplicht
zich te gedragen naar de regels, welke hem door Onze
Minister worden gegeven om tot het verkrijgen van een ambt
of betrekking of andere bron van inkomsten te geraken.
- 6.
- De betrokkene, aan wie
uitkering is toegekend, wordt door het aanvaarden van de
uitkering geacht er in toe te stemmen, dat allen, die
daarvoor naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking
komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven,
welke voor de uitvoering van dit besluit noodzakelijk zijn.
Artikel 18
Indien de betrokkene
ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, kan
hij door Onze Minister worden verplicht zich geneeskundig te
doen onderzoeken.
Artikel 19.
Uitkering bij ziekte
- 1.
- De betrokkene aan wie een
uitkering is toegekend en die, onvrijwillig werkloos zijnde,
binnen de termijn gedurende welke hij daaraan aanspraken kan
ontlenen, dan wel binnen een maand na afloop van deze
termijn, langer dan twee dagen aaneensluitend wegens ziekte
verhinderd wordt arbeid te verrichten, ontvangt van de derde
dag af gedurende de tijd van bedoelde verhindering, doch
hoogstens gedurende een tijdvak van 52 weken een uitkering
ten bedrage van 80% van de bezoldiging. Het bepaalde in artikel
42, vijfde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement
is voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
- 2.
- Voor de uitvoering van het
eerste lid is Hoofdstuk VI
van het Algemeen Rijksambtenarenreglement voor zoveel
mogelijk van overeenkomstige toepassing.
- 3.
- Gedurende het tijdvak dat een
uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend, vindt
artikel 16, eerste en tweede lid, overeenkomstige
toepassing.
- 4.
- Op de uitkering, bedoeld in
het eerste lid, vindt artikel 9 overeenkomstige toepassing.
Artikel 20
[Vervallen per 01-06-1985]
Artikel 21
[Vervallen per 01-01-1980]
Artikel 22
- 1.
- Indien de
betrokkene ter zake van dezelfde dienstverhouding aanspraak
heeft op een WAO-uitkering, eventueel vermeerderd met een
invaliditeitspensioen, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende
bedrag van de uitkering met het hierna genoemde percentage
verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een mate van
arbeidsongeschiktheid van
|
65% tot
80%:
|
80%;
|
|
55% tot
65%:
|
60%;
|
|
45% tot
55%:
|
50%;
|
|
35% tot
45%:
|
40%;
|
|
25% tot
35%:
|
30%;
|
|
15% tot
25%:
|
20%;
|
- 2.
- De som van de
uitkering, bedoeld in het eerste lid, eventueel vermeerderd
met het invaliditeitspensioen, en de verminderde uitkering
bedraagt voorts niet meer dan de onverminderde uitkering dat
wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop.
Ingeval van overschrijding van bedoelde onverminderde
uitkering wordt het overschrijdende bedrag op de verminderde
uitkering in mindering gebracht.
Artikel 23.
Betaling
De uitkering, over een
maand berekend, wordt in maandelijkse termijnen uitbetaald. Met
toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling in langere
termijnen geschieden.
Artikel 24.
Uitkering nagelaten betrekkingen van rechthebbenden op uitkering
- 1.
- Zo spoedig mogelijk na het
overlijden van de betrokkene aan wie uitkering is toegekend,
wordt aan de weduwe of weduwnaar, van wie de overledene niet
duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan
de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden. Wordt op
de uitkering een vermindering toegepast krachtens de
artikelen 9, 11, 17 of 26, of wordt artikel 25, vierde lid,
toegepast, dan is de uitkering gelijk aan het bedrag van de
uitkering, dat de betrokkene op de dag van het overlijden
ontving, over een tijdvak van drie maanden. Bij overlijden
in de periode van opschorting van de uitkering krachtens
artikel 16, eerste lid, bestaat geen aanspraak op een
uitkering als in dit artikel bedoeld.
- 2.
- In dit artikel wordt onder
weduwe of weduwnaar mede verstaan de achtergebleven
levenspartner met wie de niet-gehuwde betrokkene samenwoonde
en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een
gemeenschappelijke huishouding voerde op basis van een
notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de
wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die
samenwoning en gemeenschappelijke huishouding en de
achtergebleven geregistreerde partner. Tegelijkertijd kan
slechts één persoon als weduwe of weduwnaar worden
aangemerkt. Onze Minister kan verlangen dat een
schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd
waaruit blijkt dat een samenlevingscontract is gesloten.
- 3.
- Laat de overledene geen weduwe
of geen weduwnaar na van wie hij, onderscheidenlijk zij,
niet duurzaam gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering
van het in het eerste lid bedoelde bedrag ten behoeve van de
minderjarige wettige of natuurlijke kinderen van de
overledene, of minderjarige kinderen waarover de overledene
ten tijde van het overlijden de pleegouderlijke zorg droeg.
Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het
onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een
eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of
van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook
zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering van het in het
eerste lid bedoelde bedrag, aan degenen die geheel of
grotendeels afhankelijk waren van de inkomsten van de
overledene.
- 4.
- Op de uitkering, bedoeld in
het eerste of tweede lid, wordt in mindering gebracht het
bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van
de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen
maken krachtens artikel
102a, van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement, of artikel 32c,
zevende lid, van het Arbeidsovereenkomstenbesluit, indien op
de dag van overlijden artikel 22 van toepassing is.
- 5.
- Laat de overledene geen
betrekkingen als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan
kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele worden
uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste
ziekte en van de lijkbezorging indien zijn nalatenschap voor
de betaling van die kosten ontoereikend is.
Artikel 25.
Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering
- 1.
- Het recht op uitkering dat in
verband met het niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in
artikel 8, tweede lid, onderdeel a
of b, uitsluitend wordt
vastgesteld ingevolge artikel 8, eerste lid, vervalt met
ingang van de dag waarop de werkloosheid eindigt en wordt
bij weer intredende onvrijwillige werkloosheid opnieuw
toegekend voor de resterende duur met ingang van de dag
waarop de laatstbedoelde werkloosheid ingaat, tenzij de
betrokkene ter zake van deze laatstelijk opgetreden
werkloosheid aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet
of krachtens enige publiekrechtelijke regeling inzake
wachtgeld of uitkering.
- 2.
- Voor toepassing van dit
artikel wordt onder beëindiging van de werkloosheid
begrepen:
- a.
- het
aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste
dienstbetrekking;
- b.
- het
gedurende een periode van een maand vervuld hebben van
een naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij
dezelfde werkgever, voor zover de omvang van de nieuwe
dienstbetrekking ten minste gelijk is aan die van de
dienstbetrekking op basis waarvan het recht op uitkering
bestaat.
- 3.
- Een betrokkene die bij afloop
van de opnieuw toegekende uitkering bedoeld in het eerste
lid, nog onvrijwillig werkloos is, heeft opnieuw recht op
een uitkering, mits de betrokkene:
- a.
- binnen 6
maanden na de dag waarop het recht op uitkering ontstond
als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a,
arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard, en
- b.
- in ten
minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als
werknemer bedoeld in artikel
3 van de Werkloosheidswet.
- 4.
- Voor de toepassing van het
derde lid worden weken waarop de betrokkene zonder te werken
loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met gewerkte weken.
- 5.
- De duur van de uitkering
bedoeld in het derde lid, bedraagt zes maanden, verminderd
met de resterende duur van de opnieuw toegekende uitkering
bedoeld in het eerste lid.
- 6.
- Onze Minister beslist over het
opnieuw toekennen van de uitkering bedoeld in het eerste
lid, en op toekenning van een uitkering bedoeld in het derde
lid, op schriftelijke aanvraag door de betrokkene. De
stukken die Onze Minister nodig acht voor de behandeling van
de aanvraag dienen door of vanwege de betrokkene te worden
overgelegd.
- 7.
- Het recht op uitkering vervalt
wanneer de daartoe strekkende aanvraag, bedoeld in het zesde
lid en in artikel 7, negende lid, niet binnen een termijn
van twee jaren na het ontstaan of het opnieuw ontstaan van
dat recht bij Onze Minister is ingekomen.
Artikel 25a.
Vervallenverklaring van het recht op uitkering
- 1.
- Het recht op uitkering kan
geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien hij die
uitkering geniet:
- a.
- zich
zodanig gedraagt dat hij, ware hij in dienst gebleven,
zou zijn ontslagen;
- b.
- de
gegevens, die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of
de vermindering van de uitkering niet, niet volledig of
onjuist verstrekt;
- c.
- de in
artikel 6, eerste en tweede lid, bedoelde inschrijving
teniet doet of nalaat haar op de door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie dan wel de buitenlandse
instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te
doen verlengen;
- d.
- als
ingeschrevene bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dan
wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling
verzuimt gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing
van die organisatie dan wel die instantie, die kan
leiden tot het verkrijgen van werk, dat voor hem passend
kan worden geacht dan wel weigert dergelijk werk te
aanvaarden;
- e.
- niet
ernstig tracht werk te vinden.
- 2.
- Het voorgaande lid is, voor
zover nodig, van overeenkomstige toepassing op een
uitkering, bedoeld in artikel 19, eerste lid.
Artikel 25b.
Einde van het recht op uitkering
- 1.
- Het recht op uitkering
eindigt:
- a.
- met ingang
van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die
waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft
bereikt;
- b.
- met ingang
van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
overleden;
- c.
- indien het
recht op uitkering geheel wordt afgekocht;
- e.
- op
aanvraag van betrokkene.
- 2.
- Het recht op uitkering eindigt
met ingang van de dag waarop betrokkene recht verkrijgt op
een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van 80% of meer. Artikel 7, achtste lid, is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van deze
uitkering de duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand
van artikel 8a, en de hoogte
worden vastgesteld te rekenen van de datum van ontslag.
- 3.
- Het eerste lid is, voor zover
nodig, van overeenkomstige toepassing op een uitkering
bedoeld in artikel 19, eerste en tweede lid.
Artikel 26.
Niet-uitbetaling van de uitkering
- 1.
- De uitkering wordt niet
uitbetaald voor de duur dat de betrokkene:
- a.
- de hem
opgelegde verplichtingen niet of niet volledig nakomt;
- b.
- metterwoon
verblijf gaat houden in het buitenland tenzij Onze
Minister, op een door betrokkene daartoe gedaan verzoek,
anders beslist;
- c.
- geen
WAO-uitkering aanvraagt dan wel weigert mee te werken
aan een onderzoek tot vaststelling van zijn
arbeidsongeschiktheid ter verkrijging van een
WAO-uitkering.
- d.
- niet als
werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dan
wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling
staat ingeschreven, tenzij hij aantoont dat hij
redelijkerwijs niet in staat is geweest om te voldoen
aan de in artikel 6, eerste en tweede lid, gestelde
verplichting.
Artikel 27
- 1.
- De betrokkene,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b,
kan bezwaar maken tegen een beslissing welke te zijnen
aanzien ter uitvoering van dit besluit is genomen.
- 2.
- Artikel
3:45 van de Algemene wet bestuursrecht
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 28.
Overgangs- en slotbepalingen
De Algemene
Termijnenwet (Stb. 1964, 314)
is niet van toepassing op de termijnen gesteld in artikel 3,
eerste lid, onder c, artikel 8, eerste
en tweede lid, artikel 8a, tweede tot
en met vierde lid, artikel 8b, derde
tot en met zesde lid, artikel 8c,
eerste lid, artikel 19, eerste lid, en artikel 25.
Artikel 29
[Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 30
[Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 31
[Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 32
[Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 33
[Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 34
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad, waarin het wordt
geplaatst en werkt terug tot 1 januari 1966.
Artikel 35
Dit besluit kan worden
aangehaald als "Uitkeringsregeling 1966".
Onze
Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit
besluit, hetwelk in het Staatsblad zal
worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
Porto Ercole, 27 augustus 1966
JULIANA
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Smallenbroek De Minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp Uitgegeven
de dertiende oktober 1966
De Minister van Justitie,
Samkalden
|