|
BESLUIT van 15 januari 1997, houdende regels in het belang van de
veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid (Arbeidsomstandighedenbesluit)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en Onze Ministers van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen, van Binnenlandse Zaken, van Verkeer en Waterstaat en van Justitie en de
Staatssecretaris van Defensie van 12 juli 1996, Directie Wetgeving,
Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden, nr. WBJA/W2/96/0407, gedaan
mede namens de Minister-President, Minister van Algemene Zaken en in
overeenstemming met de Minister van Economische Zaken;
Gelet op de artikelen 1, 2, 4, 5, 6, 10, 20, 23a, 24,
24a, 25, 26,
27, 28, 30, 31a, 35, 36, en 41 van de Arbeidsomstandighedenwet en de
artikelen 5 en 8 van de Winkeltijdenwet;
Gezien het advies van de Sociaal-Economische Raad van 9 februari
1995, nr. 95/31 I en II;
De Raad van State gehoord (advies van 24 september 1996,
nr. W12.960298);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en Onze Ministers van Onderwijs, van Cultuur en
Wetenschappen, van Binnenlandse Zaken, van Verkeer en Waterstaat en van Justitie en de
Staatssecretaris van Defensie van 18 december 1996, Directie Wetgeving,
Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden, nr. WBJA/W2/96/1537,
uitgebracht mede namens de Minister-President, Minister van Algemene
Zaken en in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Definities en toepassingsgebied
Afdeling 1. Definities
Artikel 1.1. Definities algemeen
1.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
wet: Arbeidsomstandighedenwet.
2.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. bouwplaats: elke tijdelijke of mobiele arbeidsplaats waar
civieltechnische werken of bouwwerken tot stand worden gebracht, waarvan
een niet-uitputtende lijst is opgenomen in bijlage I bij de richtlijn,
bedoeld in artikel 2.23, onder a;
b. bouwwerk: een civieltechnisch werk of bouwwerk als bedoeld onder a;
c. opdrachtgever: degene voor wiens rekening een bouwwerk tot stand
wordt gebracht;
d. opdrachtgever-consument: de natuurlijke persoon die niet handelt in
de uitoefening van een beroep of bedrijf, voor wiens rekening een
bouwwerk tot stand wordt gebracht;
e. ontwerpende partij: degene die zich jegens de opdrachtgever of de
opdrachtgever-consument verbonden heeft om in het bouwproces de
ontwerpende functie te vervullen;
f. uitvoerende partij: degene die zich jegens de opdrachtgever of de
opdrachtgever-consument verbonden heeft om in het bouwproces de
uitvoerende functie te vervullen.
3.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. arbeidsplaats in de winningsindustrie: iedere arbeidsplaats die
direkt of indirekt verband houdt met de winningsindustrie in dagbouw, de
ondergrondse winningsindustrie of de winningsindustrie die delfstoffen
wint met behulp van boringen;
b. delfstoffen: een natuurlijke concentratie of afzetting van ertsen,
mineralen of substanties van organische oorsprong in of op de bodem, in
vaste, vloeibare of gasvormige toestand, met inbegrip van op de bodem of
onmiddellijk onder de oppervlakte daarvan aanwezige schelpen, grind,
zand en klei;
c. winningsindustrie in dagbouw: elke industrie die:
1°. delfstoffen wint in de open lucht;
2°. prospectiewerkzaamheden verricht met het oog op de winning van
delfstoffen in de open lucht, of
3°. delfstoffen gereed maakt voor de verkoop, met uitzondering van
werkzaamheden in verband met de verwerking van deze delfstoffen;
d. ondergrondse winningsindustrie: elke industrie die:
1°. ondergronds delfstoffen wint anders dan door middel van boorgaten;
2°. prospectiewerkzaamheden verricht met het oog op deze winning;
3°. delfstoffen gereed maakt voor de verkoop, met uitzondering van
werkzaamheden in verband met de verwerking van deze delfstoffen, of
4°. stoffen opslaat als bedoeld in artikel 1, onder i, van de
Mijnbouwwet.
e. winningsindustrie die delfstoffen wint met behulp van boringen:elke
industrie die:
1°. delfstoffen wint door middel van boorgaten;
2°. prospectiewerkzaamheden verricht met het oog op deze winning;
3°. delfstoffen gereed maakt voor de verkoop, met uitzondering van
werkzaamheden in verband met de verwerking van deze delfstoffen;
4°. stoffen opslaat als bedoeld in artikel 1, onder i, van de
Mijnbouwwet, of
5°. aardwarmte opspoort of wint als bedoeld in artikel 1, onder g en h,
van de Mijnbouwwet.
f. mijnbouwinstallatie: een installatie als bedoeld in artikel 1, onder
o, van de Mijnbouwwet.
4.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. fysieke belasting: de door een werknemer in verband met de arbeid in
te nemen werkhouding, uit te voeren bewegingen of uit te oefenen
krachten, onder meer bestaande uit het tillen, neerzetten, duwen,
trekken, dragen of op een andere wijze verplaatsen of ondersteunen van
een of meer lasten;
b. persoonlijk beschermingsmiddel: iedere uitrusting die bestemd is om
door de werknemer gedragen of vastgehouden te worden teneinde hem te
beschermen tegen een of meer gevaren die zijn veiligheid of gezondheid
op het werk kunnen bedreigen alsmede alle aanvullingen of accessoires
die daartoe kunnen bijdragen met uitzondering van:
1°. gewone en uniforme werkkleding die niet specifiek bedoeld is om de
veiligheid en de gezondheid van de werknemer te beschermen;
2°. sportuitrusting;
3°. zelfverdedigings- of afschrikkingsmateriaal, en
4°. draagbare apparaten voor het opsporen en signaleren van gevaren en
belastingsfactoren;
c. veiligheids- of gezondheidssignalering: een signalering die,
toegepast op een bepaald object, een bepaalde activiteit of een bepaalde
situatie door middel van een bord, een kleur, een lichtsignaal, een
akoestisch signaal, een mondelinge mededeling of een hand- of armsein
een aanwijzing of een voorschrift verstrekt met betrekking tot de
veiligheid of gezondheid op het werk.
5.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. jeugdige werknemer: een werknemer jonger dan 18 jaar;
b. zwangere werknemer: de werknemer die zwanger is en de werkgever
hiervan in kennis heeft gesteld;
c. werknemer tijdens de lactatie: de werknemer die haar kind
borstvoeding geeft en haar werkgever hiervan in kennis heeft gesteld;
d. thuiswerkgever:
1°. de werkgever, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, en tweede
lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet, voor zover hij een ander in een
woning arbeid doet verrichten;
2°. de werkgever, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel a, onder
2°, van de wet, voor zover hij in het kader van de uitoefening van een
beroep of bedrijf een ander krachtens een overeenkomst tot aanneming van
werk of krachtens een overeenkomst van opdracht in een woning arbeid
doet verrichten, tenzij die ander zelfstandig een beroep of bedrijf
uitoefent waarin hij zich in de regel ook tegenover derden tot het
verrichten van dergelijke arbeid verplicht;
e. thuiswerker: de ander, bedoeld onder d;
f. thuiswerk: de arbeid, bedoeld onder d;, met uitzondering van:
1°. arbeid verricht aan of ten behoeve van het vervaardigen,
veranderen, herstellen, versieren, afwerken of op een andere wijze tot
gebruik geschikt maken of meer geschikt maken of geschikt houden van de
woning;
2°. arbeid van verplegende, verzorgende of huishoudelijke aard, geboden
aan personen in verband met ziekte, herstel, ouderdom, gehandicapt zijn,
overlijden, psycho-sociale en relationele problemen.
6.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
certificerende instelling: een door Onze Minister krachtens artikel 20,
tweede lid, van de wet aangewezen instelling die beslist over de afgifte
van een certificaat als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet.
Artikel 1.2 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 1.3. Definities onderwijs
1.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
onderwijsinrichting: een bekostigde of een aangewezen
onderwijsinrichting.
2.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
bekostigde onderwijsinrichting:
a. een openbare of een geheel of gedeeltelijk uit de openbare kas
bekostigde bijzondere school als bedoeld in de Wet op het primair
onderwijs;
b. een openbare of een geheel of gedeeltelijk uit de openbare kas
bekostigde bijzondere school als bedoeld in de Wet op de
expertisecentra;
c. een openbare of een geheel of gedeeltelijk uit de openbare kas
bekostigde bijzondere school, cursus of inrichting als bedoeld in en
onder de werking van de Wet op het voortgezet onderwijs;
d. een openbare of een geheel of gedeeltelijk uit de openbare kas
bekostigde bijzondere instelling, genoemd in de bijlage behorende bij de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, onder a en b;
e. een openbare of een geheel of gedeeltelijk uit de openbare kas
bekostigde bijzondere instelling, genoemd in de bijlage behorende bij de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, onder c tot en
met g;
f. de Open Universiteit te Heerlen, genoemd in de bijlage behorende bij
de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, onder h;
g. een school als bedoeld in de Experimentenwet onderwijs;
h. een openbare of een geheel of gedeeltelijk uit openbare kas
bekostigde bijzondere instelling voor educatie en beroepsonderwijs als
bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs.
3.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
aangewezen onderwijsinrichting:
a. een school als bedoeld in artikel 56 van de Wet op het voortgezet
onderwijs;
b. een instelling als bedoeld in artikel 6.9 van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. een instelling als bedoeld in artikel 1.4.1 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs.
4.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
medezeggenschapsraad:
a. een medezeggenschapsraad als bedoeld in de Wet medezeggenschap
onderwijs 1992 of in artikel 10.17 van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek;
b. de studentenraad van de Open Universiteit, bedoeld in artikel 11.13
van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 1.4. Definities justitiële inrichtingen
1.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. justitieel personeel:
1°. degenen, die krachtens publiekrechtelijke aanstelling in
burgerlijke openbare dienst jegens het Rijk gehouden zijn tot het
verrichten van arbeid in justitiële inrichtingen;
2°. degenen die onder gezag van het Rijk arbeid in een justitiële
inrichting verrichten, met uitzondering van gedetineerden, verpleegden
en jeugdigen;
b. gedetineerden, verpleegden en jeugdigen: degenen, die krachtens
rechterlijke uitspraak of beschikking of door het openbaar gezag
rechtens van hun vrijheid zijn beroofd en verblijven in een justitiële
inrichting met uitzondering van de in het Militair Penitentiair Centrum
Stroe gedetineerde militairen;
c. justitiële inrichting: een gevangenis of huis van bewaring als
bedoeld in de Penitentiaire beginselenwet, een justitiële inrichting
voor verpleging van ter beschikking gestelden als bedoeld in de
Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of een inrichting als
bedoeld in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
2.Onder justitiële inrichting wordt mede verstaan: het vervoer van
gedetineerden, verpleegden en jeugdigen van en naar de justitiële
inrichting alsmede alle andere arbeid die justitieel personeel verricht
met gedetineerden, verpleegden en jeugdigen buiten de justitiële
inrichting.
Artikel 1.5. Definities defensie
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. militair personeel:
1°. de in werkelijke dienst zijnde militaire ambtenaren in de zin van
artikel 1, eerste en tweede lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931;
2°. de in werkelijke dienst zijnde dienstplichtigen in de zin van de
artikelen 18, 19 en 21 van de Kaderwet dienstplicht;
b. burgerpersoneel bij het Ministerie van Defensie:
1°. degenen die krachtens publiekrechtelijke aanstelling in burgerlijke
openbare dienst jegens het Rijk, vertegenwoordigd door de Minister van
Defensie, gehouden zijn tot het verrichten van arbeid, behalve indien
betrokkenen aan een derde ter beschikking worden gesteld voor het
verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;
2°. degenen die onder gezag van het Rijk, vertegenwoordigd door de
Minister van Defensie, arbeid verrichten;
c. defensiepersoneel: militair personeel en burgerpersoneel bij het
Ministerie van Defensie;
d. oefening: iedere door defensiepersoneel onder oorlogsnabootsende
omstandigheden in praktijk brengen van theoretisch onderwezen
bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van
oorlogstaken te verwerven, op te voeren of te onderhouden;
e. militair vaartuig: een Nederlands oorlogsschip, marinehulpschip of
een ander schip dat in gebruik is voor de uitvoering van de militaire
taak;
f. militair luchtvaartuig: een luchtvaartuig in beheer bij het
Ministerie van Defensie;
g. bemand wapensysteem: ieder al dan niet voortbewogen wapensysteem, dat
tijdens het gebruik wordt bemand of bediend met uitzondering van een
licht persoonlijk wapen;
h. eenheid met gereedstelling: eenheid die, daartoe aangewezen, ingezet
is dan wel gereed is of zich gereed moet houden voor inzet in
krijgsmachtverband.
Afdeling 1A. Certificatie
§ 1. Aanwijzing certificerende instelling op verzoek
Artikel 1.5a. Criteria voor aanwijzing
1. Als certificerende instelling kan worden aangewezen de instelling
die:
a. rechtspersoonlijkheid heeft;
b. onafhankelijk is;
c. beschikt over de deskundigheid en outillage die nodig zijn om de
uitvoering van de taken waarvoor zij aangewezen wil worden, naar behoren
te kunnen vervullen;
d. beschikt over een registratiesysteem waarin de gegevens die
samenhangen met en betrekking hebben op de uitvoering van de taken
waarvoor zij aangewezen wil worden, naar behoren vastgelegd kunnen
worden;
e. verzekerd is tegen wettelijke aansprakelijkheid voor de risico’s
die voortvloeien uit de uitoefening van de taken waarvoor zij aangewezen
wil worden;
f. een overeenkomst heeft gesloten met de in voorkomend geval aanwezige
beheerstichting, die de krachtens dit besluit geregelde
certificatieschema’s voor het werkveld waarop de instelling werkzaam
wil zijn als certificerende instelling, beheert; en
g. naar behoren functioneert.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het eerste lid.
Artikel 1.5b. De aanvraag tot aanwijzing
1. De instelling, bedoeld in artikel 1.5a, dient de aanvraag tot
aanwijzing in bij Onze Minister.
2. De instelling doet de aanvraag vergezellen van een beoordeling door
de Stichting Raad voor Accreditatie te Utrecht, waaruit blijkt dat zij
voldoet aan de criteria, genoemd in artikel 1.5a.
3. Bij ministeriële regeling kunnen, zo nodig uitgesplitst naar
werkveld, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de indiening
van de aanvraag, de beoordeling en de afhandeling van de aanvraag.
4. De kosten van de beoordeling zijn voor rekening van de aanvragende
instelling.
5. In afwijking van het tweede en derde lid geldt voor bij ministeriële
regeling aan te wijzen werkvelden dat de instelling de aanvraag niet
hoeft te doen vergezellen van een beoordeling door de in het tweede lid
genoemde Stichting Raad voor de Accreditatie.
6. In afwijking van het vierde lid geldt voor bij ministeriële regeling
aan te wijzen werkvelden dat de kosten van de beoordeling niet voor
rekening van de aanvragende instelling zijn.
Artikel 1.5c. De weigering, schorsing, wijziging of intrekking van een
aanwijzing
1. Een aanwijzing als certificerende instelling wordt geweigerd indien:
a. de aanvragende instelling niet heeft voldaan aan het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 1.5a of 1.5b; of
b. ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan de datum van indiening van
de aanvraag, sprake was van een weigering om de aanvragende instelling
aan te wijzen als certificerende instelling dan wel van een intrekking
van een aanwijzing als certificerende instelling en de weigering of
intrekking is geschied op grond van aan de aanvragende instelling toe te
rekenen feiten of omstandigheden.
2. De aanvraag wordt in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder b,
eerst in behandeling genomen nadat twaalf maanden, te rekenen vanaf de
dag na de datum van de weigering respectievelijk van de intrekking, zijn
verstreken.
3. Een aanwijzing kan worden geschorst, ten nadele van de certificerende
instelling worden gewijzigd of ingetrokken:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister bij de
aanwijzing redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan
hij de aanwijzing niet of alleen met beperkingen of voorschriften,
bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de wet, zou hebben gegeven;
b. op grond van door de certificerende instelling verstrekte onjuiste
inlichtingen over feiten of omstandigheden, mits de onjuistheid daarvan
aan de instelling bekend was of kon zijn;
c. indien de certificerende instelling niet meer voldoet aan het
bepaalde bij of krachtens artikel 1.5a;
d. indien de certificerende instelling gedurende een aaneengesloten
periode van twee jaren geen werkzaamheden waarvoor zij is aangewezen,
heeft uitgevoerd; of
e. indien de certificerende instelling haar wettelijke verplichtingen
niet meer naar behoren nakomt of de taken waarvoor zij is aangewezen,
niet meer naar behoren uitvoert.
Artikel 1.5d. Periodieke controle van een certificerende instelling
1. Tijdens de looptijd van de aanwijzing als certificerende instelling
stelt Onze Minister periodiek vast of de instelling:
a. nog voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 1.5a; en
b. haar wettelijke verplichtingen naar behoren nakomt en de taken
waarvoor zij is aangewezen, naar behoren uitvoert.
2. Ten behoeve van de periodieke vaststelling laat Onze Minister de
Stichting Raad voor Accreditatie te Utrecht een beoordeling ter zake
doen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen, zonodig uitgesplitst naar
werkveld, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de periodieke
vaststelling en de beoordeling.
4. De kosten van de beoordeling zijn voor rekening van de instelling.
5. In afwijking van het tweede en derde lid geldt voor bij ministeriële
regeling aan te wijzen werkvelden dat de instelling niet zelf hoeft te
vragen om een beoordeling door de in het tweede lid genoemde Stichting
Raad voor de Accreditatie.
6. In afwijking van het vierde lid geldt voor bij ministeriële regeling
aan te wijzen werkvelden dat de kosten van de beoordeling niet voor
rekening van de instelling zijn.
Artikel 1.5e. Verstrekken van gegevens
1. De certificerende instelling stelt jaarlijks voor 1 maart een verslag
op van de door haar in verband met haar taak verrichte werkzaamheden, de
rechtmatigheid en doeltreffendheid van haar werkzaamheden en werkwijze
in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt Onze Minister
toegezonden. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de onderwerpen die in het verslag worden
behandeld.
2. De certificerende instelling verstrekt de Stichting Raad voor
Accreditatie te Utrecht desgevraagd kosteloos alle informatie die deze
nodig heeft bij de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens artikel
1.5d.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld betreffende
het kosteloos verstrekken van gegevens en inlichtingen door een
certificerende instelling aan Onze Minister of de toezichthouder
respectievelijk door Onze Minister of de toezichthouder aan een
certificerende instelling of de in het tweede lid genoemde Stichting
Raad voor Accreditatie, die zijn verkregen door de uitvoering of het
toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet, welke
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke taken.
§ 2. Algemene bepalingen inzake certificaten
Artikel 1.5f. Verzoek tot afgifte van een certificaat
1. Een certificaat als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet,
wordt door Onze Minister of, indien Onze Minister een certificerende
instelling heeft aangewezen, deze instelling, op verzoek afgegeven
indien is voldaan aan de bij of krachtens dit besluit met betrekking tot
het certificaat gestelde eisen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen, zonodig uitgesplitst naar
werkveld, nadere regels worden gesteld met betrekking tot het doen van
een verzoek als bedoeld in het eerste lid, en de behandeling ervan.
3. De kosten van het afgeven van een certificaat zijn voor rekening van
de verzoeker tot afgifte van het certificaat.
Artikel 1.5g. De weigering, schorsing, wijziging of intrekking van een
certificaat
1. De afgifte van een certificaat wordt geweigerd indien:
a. de verzoeker niet heeft voldaan aan de bij of krachtens dit besluit
met betrekking tot het certificaat gestelde eisen; of
b. ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan de datum van het verzoek
tot afgifte van het certificaat, sprake was van een weigering tot het
afgeven van eenzelfde certificaat dan wel van een intrekking van
eenzelfde certificaat en de weigering of intrekking is geschied op grond
van aan de verzoeker toe te rekenen feiten of omstandigheden.
2. Het verzoek wordt in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder b,
eerst in behandeling genomen nadat twaalf maanden, te rekenen vanaf de
dag na de datum van de weigering respectievelijk van de intrekking, zijn
verstreken.
3. Een certificaat kan worden geschorst, ten nadele van de
certificaathouder worden gewijzigd of ingetrokken:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister of,
indien Onze Minister een certificerende instelling heeft aangewezen,
deze instelling, bij de afgifte van het certificaat redelijkerwijs niet
op de hoogte kon zijn en op grond waarvan hij respectievelijk zij het
certificaat niet of alleen met beperkingen of voorschriften, bedoeld in
artikel 20, vierde lid, van de wet, zou hebben gegeven;
b. op grond van door de certificaathouder verstrekte onjuiste
inlichtingen over feiten en omstandigheden, mits de onjuistheid daarvan
aan de certificaathouder bekend was of kon zijn;
c. indien de certificaathouder niet meer voldoet aan de bij of krachtens
dit besluit met betrekking tot het certificaat gestelde eisen of zijn
wettelijke verplichtingen niet meer naar behoren nakomt; of
d. indien de certificaathouder met zijn werkzaamheden, voor zover die
door het certificaat worden gereguleerd, of door de wijze waarop hij de
werkzaamheden verricht, ernstig gevaar veroorzaakt of kan veroorzaken
voor personen.
Artikel 1.5h. Buitenlandse getuigschriften en kwalificaties van
vakbekwaamheid
1. Onze Minister of, indien Onze Minister een certificerende instelling
heeft aangewezen, de certificerende instelling, verstrekt op aanvraag
een certificaat van vakbekwaamheid aan een persoon die onderdaan is van
een betrokken staat als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties, indien op grond van artikel 6 van die
wet is aangetoond dat deze persoon over gelijkwaardige kwalificaties
beschikt als de houder van een krachtens dit besluit verstrekt
certificaat van vakbekwaamheid.
2. De houder van een certificaat van vakbekwaamheid, bedoeld in het
eerste lid, beheerst de Nederlandse taal op een zodanig niveau dat
voorschriften en aanwijzingen op bij of krachtens dit besluit vereiste
etiketten van stoffen, arbeidsmiddelen en persoonlijke
beschermingsmiddelen, alsmede andere voor de toepassing van en de omgang
met stoffen, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen bij of
krachtens dit besluit gestelde regels, begrepen en uitgevoerd kunnen
worden.
3. Deartikelen 1.5f en 1.5g zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.5i. Periodieke controle van de certificaathouder
1. Tijdens de looptijd van het certificaat stelt Onze Minister of,
indien Onze Minister een certificerende instelling heeft aangewezen,
deze instelling, periodiek vast of de certificaathouder nog voldoet aan
de bij of krachtens de wet met betrekking tot het certificaat gestelde
eisen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen, zonodig uitgesplitst naar
werkveld, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de periodieke
vaststelling.
3. De kosten van de periodieke vaststelling zijn voor rekening van de
certificaathouder.
4. De certificaathouder verstrekt Onze Minister of, indien Onze Minister
een certificerende instelling heeft aangewezen, deze instelling,
desgevraagd kosteloos alle informatie die nodig is voor de uitvoering
van het bepaalde bij of krachtens dit artikel.
Afdeling 2. Samenwerking, overleg en ontslag- en benadelingsbescherming
Artikel 1.6. Definities samenwerking en overleg
1.In afwijking van de wet, dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt voor de toepassing daarvan ten aanzien van arbeid
verricht in bekostigde onderwijsinrichtingen als bedoeld in artikel 1.3,
tweede lid, onder d en f, voor zover de Wet op de ondernemingsraden niet
van toepassing is, voor «de ondernemingsraad» en
de«personeelsvertegenwoordiging» gelezen «de universiteitsraad»,
«de dienstraad» of de«medezeggenschapsraad», en wordt ten aanzien
van arbeid verricht door defensiepersoneel, voor zover de Wet op de
ondernemingsraden niet van toepassing is, voor «de ondernemingsraad»
en de «personeelvertegenwoordiging» gelezen «de
medezeggenschapscommissie» of «het overlegorgaan».
2.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. universiteitsraad: een universiteitsraad als bedoeld in artikel 9.31
van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
b. dienstraad: een dienstraad als bedoeld in artikel 9.50 van de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. medezeggenschapscommissie: een medezeggenschapscommissie als bedoeld
in artikel 3 van het Besluit medezeggenschap defensie;
d. overlegorgaan: een overlegorgaan ingesteld krachtens artikel 23 van
de Kaderwet dienstplicht.
Artikel 1.7. Aard en inhoud van het overleg
1.Ten aanzien van de aard en inhoud van het overleg en de wijze waarop
het overleg wordt gevoerd met een universiteitsraad, een dienstraad of
een medezeggenschapsraad respectievelijk een medezeggenschapscommissie
of een overlegorgaan en ten aanzien van de bevoegdheden van een
universiteitsraad, een dienstraad of een medezeggenschapsraad
respectievelijk een medezeggenschapscommissie of een overlegorgaan is
van toepassing:
a. de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of
b. het Besluit medezeggenschap defensie of de krachtens artikel 23 van
de Kaderwet dienstplicht door Onze Minister van Defensie te stellen
regels.
2.Voor zover de wet bepalingen bevat omtrent rechten van de
ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of leden daarvan
waaromtrent de regelingen, bedoeld in het eerste lid, geen bepalingen
bevatten, is de wet van toepassing.
Artikel 1.8. Ontslagbescherming
1.Ten aanzien van degene op wie het Algemeen Rijksambtenarenreglement
onderscheidenlijk het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie van
toepassing is en die als deskundige werknemer als bedoeld in artikel 13,
eerste lid en tweede lid, of als deskundige persoon als bedoeld in
artikel 14, eerste lid, van de wet werkzaam is, is artikel 95, zevende
lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement onderscheidenlijk artikel
115, zesde lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie van
overeenkomstige toepassing.
2.Ten aanzien van degenen, bedoeld in het eerste lid, op wie een
overeenkomstige regeling als het Algemeen Rijksambtenarenreglement van
toepassing is, is voor zover nodig het eerste lid van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 1.9. Benadelingsbescherming
In afwijking van artikel 13, vijfde lid, tweede en derde zin, van de wet
is ten aanzien van degene op wie de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek van toepassing is en die als deskundige
werknemer als bedoeld in artikel 13, eerste lid en tweede lid, of als
deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet
werkzaam is, artikel 9.32, achtste lid, van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van overeenkomstige toepassing.
Ten aanzien van degene op wie het Algemeen militair ambtenarenreglement
of het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie van toepassing is en die
als deskundige werknemer of persoon als bedoeld in de vorige zin
werkzaam is, is artikel 20 van het Besluit medezeggenschap defensie van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3. Onderwijs
Artikel 1.10. Toepasselijkheid
Tenzij hierna anders is bepaald, zijn de wet en dit besluit van
toepassing op werknemers in onderwijsinrichtingen en op overeenkomstige
wijze van toepassing op leerlingen en studenten in onderwijsinrichtingen
die handelingen verrichten die vergelijkbaar zijn met arbeid in de
beroepspraktijk.
Artikel 1.11. Samenwerking en overleg; onderwijsinrichtingen met een
medezeggenschapsraad
1.Voor bekostigde onderwijsinrichtingen als bedoeld in artikel 1.3,
tweede lid, onder a tot en met c, en onder g en h, komen de rechten,
bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de wet, voor zover van
toepassing, toe aan de leden van de medezeggenschapsraad.
2.Voor de in het eerste lid genoemde bekostigde onderwijsinrichtingen
treedt voor de toepassing van artikel 12, vijfde en zesde lid, van de
wet de medezeggenschapsraad in de plaats van de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging.
3.Voor de in het eerste lid genoemde bekostigde onderwijsinrichtingen
worden de in de wet en dit besluit toekomende rechten en bevoegdheden
met inachtneming van artikel 1.13, uitgeoefend door de leden van de
medezeggenschapsraad of, indien het betreft aangelegenheden van algemeen
belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel, door het
overlegorgaan van het decentraal georganiseerd overleg respectievelijk
van de instelling.
Artikel 1.12. Samenwerking en overleg; universiteiten en hogescholen
Voor de in artikel 1.3, tweede lid, onder d tot en met f, genoemde
bekostigde onderwijsinrichting worden de in de wet en dit besluit
toekomende rechten en bevoegdheden, met inachtneming van artikel 1.13,
uitgeoefend door de universiteitsraad, de dienstraad, de
medezeggenschapsraad of de studentenraad, bedoeld in de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of, indien het betreft
aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand
van het personeel, door het overlegorgaan van het decentraal
georganiseerd overleg respectievelijk van de instelling.
Artikel 1.13. Uitzonderingen arbobeleid en horen
1.Artikel 3, eerste lid, onder c, van de wet met uitzondering van de
ergomische aspecten van de arbeid, en d, voor zover niet betrekking
hebbend op de veiligheid en de gezondheid, is niet van toepassing op
leerlingen respectievelijk studenten in onderwijsinrichtingen.
2.Afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht geldt niet ten
aanzien van leerlingen respectievelijk studenten in
onderwijsinrichtingen.
Artikel 1.14. Uitzondering werknemersverplichtingen
Waar in de wet bepaalde verplichtingen worden opgelegd aan werknemers,
zijn deze bepalingen niet van toepassing op leerlingen respectievelijk
studenten in onderwijsinrichtingen.
Artikel 1.15. Uitzondering arbeidsgezondheidskundig onderzoek
Artikel 18 van de wet is niet van toepassing op leerlingen
respectievelijk studenten in onderwijsinrichtingen.
Afdeling 4. Burgerlijke openbare dienst
Artikel 1.16. Toepasselijkheid
Deze afdeling is van toepassing op arbeid verricht in de burgerlijke
openbare dienst met uitzondering van arbeid:
a. verricht in onderwijsinrichtingen;
b. verricht in justitiële inrichtingen;
c. verricht door burgerpersoneel, werkzaam bij het Ministerie van
Defensie, met inbegrip van de daaronder ressorterende diensten en
instellingen.
Artikel 1.17. Politie en brandweer
Op arbeid verricht in de burgerlijke openbare dienst, welke gericht is
op het daadwerkelijk uitoefenen van de taken, bedoeld in artikel 2 van
de Politiewet 1993, artikel 141 of 142 van het Wetboek van
Strafvordering, of artikel 3, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s
voor zover deze taak betrekking heeft op het repressief optreden bij
brand, ongevallen en rampen, zijn de artikelen 10, 27, 28, 28a en 29 van
de wet van toepassing voor zover door de toepassing van deze artikelen
een goede taakuitoefening niet wordt belemmerd.
Artikel 1.18. Veiligheid van de staat
1.Ten aanzien van arbeid verricht in de burgerlijke openbare dienst,
welke gericht is op het daadwerkelijk uitoefenen van taken, bedoeld in
artikel 6, tweede lid, onder a, van de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten 2002, zijn de artikelen 27, 28, 28a en 29 van de wet
van toepassing voor zover door de toepassing van deze artikelen een
goede taakuitoefening niet wordt belemmerd.
2.Op arbeid verricht in rijksdienst geschiedt de toepassing van de wet
met inachtneming van de voor de rijksdienst geldende nationale en
internationale voorschriften ter beveiliging van gegevens, waarvan de
geheimhouding door het belang van de staat of van zijn bondgenoten wordt
geboden.
3.Op arbeid verricht in de burgerlijke openbare dienst door of ten
behoeve van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten geschiedt de
toepassing van de wet bovendien met inachtneming van de aan de hoofden
van deze diensten opgedragen zorg voor geheimhouding van de door hen
verkregen gegevens en van de bronnen waaruit zij afkomstig zijn en voor
het naar behoren waarborgen van de veiligheid van de personen van wier
diensten bij het inwinnen van gegevens gebruik wordt gemaakt.
Afdeling 5. Vervoer
Artikel 1.19. Toepasselijkheid
1. De wet is niet van toepassing op arbeid verricht in respectievelijk
op een zeeschip dat niet op grond van Nederlandse rechtsregels
gerechtigd is de Nederlandse vlag te voeren en dat zich bevindt in de
exclusieve economische zone, in de territoriale zee, op een van de in
artikel 10, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet bedoelde
scheepvaartwegen, op de Westerschelde, haar mondingen of op het in
Nederland gelegen gedeelte van het Kanaal van Gent naar Terneuzen, of in
de haven van Scheveningen.
2. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van aanbouw, verbouwing,
herstelling of sloping dan wel onderhouds- of reinigingswerkzaamheden en
hiermee verband houdende andere werkzaamheden aan de in het eerste lid
bedoelde schepen die zich in Nederland bevinden alsmede ten aanzien van
laden en lossen, tenzij deze arbeid wordt verricht door een werknemer
die behoort tot de bemanning van een zeeschip als bedoeld in het eerste
lid.
3. De wet is niet van toepassing op arbeid verricht in respectievelijk
op een luchtvaartuig als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet
Luchtvaart, dat ter beschikking is gesteld aan een niet in Nederland
gevestigde werkgever, tenzij:
a. deze werkgever daarin of daarop door in meerderheid in Nederland
woonachtige werknemers arbeid doet verrichten;
b. het betreft laden en lossen, aanbouw, verbouwing, herstelling of
sloping dan wel onderhouds- of reinigingswerkzaamheden en hiermee
verband houdende andere werkzaamheden aan bedoelde luchtvaartuigen die
zich in Nederland bevinden.
4. De wet is niet van toepassing op arbeid verricht in respectievelijk
op een luchtvaartuig als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, van de
Luchtvaartwet.
5. Het vierde lid geldt niet ten aanzien van laden en lossen, aanbouw,
verbouwing, herstelling of sloping dan wel onderhouds- of
reinigingswerkzaamheden en hiermee verband houdende andere werkzaamheden
aan de in het vierde lid bedoelde luchtvaartuigen die zich in Nederland
bevinden.
Artikel 1.20. Beperking recht op werkonderbreking
1.Op arbeid verricht in respectievelijk op een zeeschip of een
luchtvaartuig is artikel 29 van de wet niet van toepassing, voor zover
de toepassing van dat artikel in strijd komt met de verplichtingen die
voortvloeien uit de uitoefening van de bevoegdheden van de kapitein
respectievelijk de gezagvoerder, bedoeld in artikel 341 van het Wetboek
van Koophandel respectievelijk het Besluit vluchtuitvoering dan wel een
bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen
EG-verordening voor de luchtvaart.
2.Op arbeid verricht door de kapitein respectievelijk de gezagvoerder,
bedoeld in het eerste lid, in respectievelijk op een zeeschip of een
luchtvaartuig, is artikel 29 van de wet niet van toepassing voor zover
de toepassing van dat artikel in strijd komt met de verplichtingen die
voortvloeien uit het Wetboek van Koophandel respectievelijk het Besluit
vluchtuitvoering dan wel een bij regeling van Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat aangewezen EG-verordening voor de luchtvaart.
Artikel 1.21 [Vervallen per 01-01-2005]
Afdeling 6. Justitiële inrichtingen
Artikel 1.22. Veiligheid in justitiële inrichtingen
1.De artikelen 10, 27, 28, 28a en 29 van de wet zijn van toepassing op
de in de justitiële inrichting door het justitieel personeel verrichte
arbeid voor zover geen inbreuk wordt gemaakt op de orde, de veiligheid
of de goede gang van zaken in de inrichting of op het ongestoord verloop
van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming en andere beperkingen
die krachtens enige wettelijke bepaling door de daartoe bevoegde
autoriteiten zijn opgelegd.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op gedetineerden,
verpleegden en jeugdigen met dien verstande, dat in plaats van de
artikelen 10, 27, 28 en 29 van de wet wordt gelezen de artikelen 24,
zevende lid, 27, 28, 28a en 29 van de wet.
Artikel 1.23. Veiligheid van de staat
Ten aanzien van arbeid verricht door het justitieel personeel in de
justitiële inrichtingen geschiedt de toepassing van de wet met
inachtneming van de voor de rijksdienst geldende nationale en
internationale voorschriften ter beveiliging van gegevens, waarvan de
geheimhouding door het belang van de staat of van zijn bondgenoten wordt
geboden.
Artikel 1.24. Kennisneming risico-inventarisatie en -evaluatie
In afwijking van artikel 5, zesde lid, van de wet kan een gedetineerde,
verpleegde of jeugdige kennisnemen van de risico-inventarisatie en
-evaluatie, voor zover de orde of de veiligheid in de justitiële
inrichting daardoor niet in gevaar wordt gebracht.
Artikel 1.25. Samenwerking
In afwijking van artikel 12, eerste lid, van de wet werken de directeur
van de inrichting en de gedetineerden, verpleegden of jeugdigen zoveel
mogelijk samen bij de uitvoering van het arbeidsomstandighedenbeleid van
gedetineerden, verpleegden en jeugdigen binnen de justitiële
inrichting.
Afdeling 7. Defensie
Artikel 1.26. Toepasselijkheid
Tenzij in deze afdeling anders is bepaald is de wet van toepassing op
arbeid verricht door defensiepersoneel.
Artikel 1.27. Veiligheid van de Staat
1.De toepassing van de wet met betrekking tot arbeid verricht door
defensiepersoneel geschiedt met inachtneming van de voor het Ministerie
van Defensie geldende nationale en internationale voorschriften ter
beveiliging van gegevens, waarvan de geheimhouding door het belang van
de staat of van zijn bondgenoten wordt geboden.
2.De toepassing van de wet met betrekking tot arbeid in de openbare
dienst verricht door of ten behoeve van de militaire inlichtingen- en
veiligheidsdiensten geschiedt bovendien met inachtneming van de aan de
hoofden van deze diensten opgedragen zorg voor geheimhouding van de door
hen verkregen gegevens en van de bronnen waaruit zij afkomstig zijn en
voor het naar behoren waarborgen van de veiligheid van de personen van
wier diensten bij het inwinnen van die gegevens gebruik wordt gemaakt.
Artikel 1.28. Internationale verplichtingen
De toepassing van de wet met betrekking tot arbeid verricht door
defensiepersoneel geschiedt met inachtneming van internationale
verplichtingen.
Artikel 1.29. Algehele uitzondering
De wet is niet van toepassing op arbeid verricht door defensiepersoneel:
a. ten tijde van oorlog, oorlogsgevaar of andere daaraan verwante of
daarmee verband houdende buitengewone omstandigheden, waaronder begrepen
de gevallen als opgesomd in artikel 71 van het Wetboek van Militair
Strafrecht;
b. in door Onze Minister van Defensie te bepalen andere gevallen waarin
de krijgsmacht wordt ingezet, waaronder begrepen de verlening van
bijstand op grond van de artikelen 58, 59 of 60 van de Politiewet 1993
of op grond van artikel 146, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering en de verlening van steun in het openbaar belang.
Artikel 1.30. Partiële uitzondering artikelen 3 en 16 van de wet
Artikel 3, eerste lid, van de wet en de op artikel 16 van de wet
gebaseerde artikelen 1.37 en 1.41, de afdelingen 5, 6, 6A en 8 van
hoofdstuk 2, en de hoofdstukken 3 tot en met 8 van dit besluit zijn niet
van toepassing:
a. tijdens, direct voor en direct na oefeningen;
b. ten aanzien van militaire vaartuigen, militaire luchtvaartuigen,
bemande wapensystemen en eenheden met gereedstelling:
1°. voor zover afwijking van deze artikelen, hoofdstukken of afdelingen
naar het oordeel van Onze Minister van Defensie noodzakelijk is in
verband met de bouw, de constructie, de inrichting of de uitrusting van
deze vaartuigen en wapensystemen;
2°. indien oorlogsschepen varen en indien militaire luchtvaartuigen en
bemande wapensystemen als zodanig in gebruik zijn;
3°. voor zover de operationele taakuitvoering van deze vaartuigen en
wapensystemen of van de eenheden met gereedstelling naar het oordeel van
Onze Minister van Defensie door de toepassing van deze artikelen,
hoofdstukken of afdelingen wordt belemmerd.
Artikel 1.31. Partiële uitzondering artikel 10 van de wet
Voor zover de wet van toepassing is op arbeid verricht door
defensiepersoneel is artikel 10 van de wet op arbeid verricht door
defensiepersoneel:
a. dat belast is met enige politietaak of met bewakings- of
beveiligingstaken, of
b. dat wachtdiensten verricht, of
c. dat is ingezet ter verlening van de bijstand, bedoeld in artikel
1.29, onder b, aan de politie, van toepassing, voor zover een goede
taakuitoefening door de toepassing van genoemd artikel niet wordt
belemmerd.
Artikel 1.32. Partiële uitzondering artikel 12 van de wet
Artikel 12 van de wet is van toepassing behoudens:
a. tijdens oefeningen;
b. op aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op het houden
van oefeningen;
c. op aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op de arbeid,
bedoeld in artikel 1.29.
Artikel 1.33. Partiële uitzondering artikelen 27, 28 en 28a van de wet
1.De artikelen 27, 28 en 28a van de wet zijn niet van toepassing:
a. tijdens, direct voor en direct na oefeningen;
b. op eenheden met gereedstelling.
2.De artikelen 27, 28 en 28a van de wet zijn niet van toepassing op
militaire vaartuigen, militaire luchtvaartuigen en bemande
wapensystemen:
a. indien oorlogsschepen varen en indien militaire luchtvaartuigen en
bemande wapensystemen als zodanig in gebruik zijn;
b. in de gevallen, bedoeld in artikel 1.30, onder b, sub 3°.
3.De artikelen 27, 28 en 28a van de wet zijn van toepassing op het
personeel van de Koninklijke Marechaussee, behoudens indien dit
personeel daadwerkelijk bezig is met de uitvoering van de specifieke
taken, die de Koninklijke Marechaussee in artikel 6, eerste lid, van de
Politiewet 1993 zijn opgedragen.
4.In aanvulling op het derde lid, zijn de artikelen 27, 28 en 28a van de
wet van toepassing op de arbeid verricht door personeel van de
Koninklijke Marechaussee in geval van de verlening van bijstand, bedoeld
in artikel 1.29, onder b, voor zover door de toepassing van die
artikelen een goede uitoefening van die bijstandsverlening niet wordt
belemmerd.
Artikel 1.34. Uitzondering artikel 29 van de wet
Artikel 29 van de wet is niet van toepassing op militair personeel.
Afdeling 8. Jeugdigen
Artikel 1.35. Definitie
In deze afdeling wordt verstaan onder richtlijn: Richtlijn nr. 94/33/EEG
van de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1994 betreffende de
bescherming van jongeren op het werk (PbEG L 216).
Artikel 1.36. Nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie
1.Indien in een bedrijf of inrichting een of meer jeugdige werknemers
werkzaam zijn of plegen te zijn wordt in de risico-inventarisatie en
-evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, in het bijzonder aandacht
besteed aan:
a. de specifieke gevaren op het gebied van arbeidsomstandigheden als
gevolg van een gebrek aan werkervaring, het niet goed kunnen inschatten
van gevaren en het niet voltooid zijn van de geestelijke of lichamelijke
ontwikkeling van de jeugdige werknemer;
b. de uitrusting en inrichting van de arbeidsplaats;
c. de aard, de mate en de duur van de blootstelling aan stoffen, agentia
en fysische factoren;
d. de keuze en het gebruik van arbeidsmiddelen en persoonlijke
beschermingsmiddelen;
e. het geheel van werkzaamheden in het bedrijf of de inrichting en de
organisatie daarvan, en
f. het opleidingsniveau van de jeugdige werknemers en de aan hen te
geven voorlichting.
2.Voorts wordt in de risico-inventarisatie en -evaluatie bijzondere
aandacht besteed aan de niet-volledige lijst van agentia, procédés en
werkzaamheden, opgenomen in de bijlage bij de richtlijn.
Artikel 1.37. Deskundig toezicht
1.Indien in een bedrijf of inrichting jeugdige werknemers arbeid
verrichten, wordt op die arbeid adequaat deskundig toezicht uitgeoefend.
De inhoud en de mate van het toezicht is afhankelijk van de uit de
risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet,
gebleken gevaren die kunnen ontstaan, indien deskundig toezicht
ontbreekt.
2.Indien uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel
1.36, blijkt, dat jeugdige werknemers arbeid moeten verrichten waaraan
specifieke gevaren, met name voor arbeidsongevallen als gevolg van een
gebrek aan werkervaring, het niet goed kunnen inschatten van gevaren en
het niet voltooid zijn van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling
van de jeugdige werknemer, zijn verbonden, mag die arbeid slechts worden
verricht, indien het deskundig toezicht zodanig is georganiseerd dat die
gevaren worden voorkomen. Indien dat niet mogelijk is, mag die arbeid
niet door jeugdige werknemers worden verricht.
Artikel 1.38. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
In aanvulling op artikel 18 van de wet worden jeugdige werknemers in de
gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te
ondergaan, zodra uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in
artikel 1.36, blijkt, dat jeugdige werknemers arbeid moeten verrichten
waaraan specifieke gevaren, met name voor arbeidsongevallen als gevolg
van het gebrek aan werkervaring, het niet goed kunnen inschatten van
gevaren en het niet voltooid zijn van de geestelijke en lichamelijke
ontwikkeling van de jeugdige werknemer, zijn verbonden.
Artikel 1.39. Uitzonderingen leerlingen en studenten in
onderwijsinrichtingen
Deze afdeling en paragraaf 4 van afdeling 5 van hoofdstuk 3, paragraaf 2
van afdeling 10 van hoofdstuk 4, paragraaf 3 van afdeling 6 van
hoofdstuk 6 en paragraaf 2 van afdeling 6 van hoofdstuk 7, zijn niet van
toepassing op leerlingen en studenten in onderwijsinrichtingen.
Afdeling 9. Zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie
Artikel 1.40. Definitie
In deze afdeling wordt verstaan onder richtlijn: Richtlijn nr. 92/85/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 oktober 1992
betreffende maatregelen ter bevordering van de verbetering van de
veiligheid en de gezondheid van werkneemsters tijdens de zwangerschap,
na de bevalling en tijdens de lactatie (PbEG L 348).
Artikel 1.41. Risico-inventarisatie en -evaluatie
Indien in een bedrijf of inrichting een zwangere werknemer of een
werknemer tijdens de lactatie werkzaam is of pleegt te zijn, wordt in de
risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, in
het bijzonder aandacht besteed aan de niet-limitatieve lijst van
agentia, procédés en arbeidsomstandigheden, opgenomen in bijlage I bij
de richtlijn
Artikel 1.42. Organisatie van de arbeid
1. Onverminderd artikel 4:5 van de Arbeidstijdenwet, organiseert de
werkgever de arbeid van een zwangere werknemer en een werknemer tijdens
de lactatie zodanig, richt de arbeidsplaats zodanig in, past een
zodanige productie- en werkmethode toe en laat zodanige arbeidsmiddelen
gebruiken, dat de arbeid voor die werknemer geen gevaren met zich kan
brengen voor haar veiligheid en gezondheid en geen terugslag kan
veroorzaken op de zwangerschap of lactatie.
2. Indien nakoming van het eerste lid redelijkerwijs niet mogelijk is,
wordt door een tijdelijke aanpassing van de arbeid of door een
tijdelijke aanpassing van de arbeids- en rusttijden voorkomen dat gevaar
voor de veiligheid en gezondheid van de zwangere werknemer en de
werknemer tijdens de lactatie wordt veroorzaakt, en wordt voorkomen dat
een terugslag kan worden veroorzaakt op de zwangerschap of lactatie.
3. Indien nakoming van het tweede lid redelijkerwijs niet mogelijk is,
wordt aan de zwangere werknemer en de werknemer tijdens de lactatie
tijdelijk andere arbeid gegeven.
4. Indien nakoming van het derde lid redelijkerwijs niet mogelijk is,
worden de zwangere werknemer en de werknemer tijdens de lactatie
tijdelijk vrijgesteld van het verrichten van arbeid.
Artikel 1.42a. Voorlichting
De werkgever zorgt voor doeltreffende voorlichting over de risico’s
van de arbeid tijdens zwangerschap en lactatie en de maatregelen die
zijn genomen om de risico’s te voorkomen. De voorlichting vindt plaats
binnen twee weken nadat de zwangere werknemer of werknemer tijdens de
lactatie aan de werkgever heeft gemeld zwanger te zijn dan wel werkzaam
te zijn tijdens de lactatie.
Afdeling 10. Thuiswerkers
Artikel 1.43. Toepasselijkheid
1.Dit besluit is niet van toepassing op thuiswerk, tenzij uitdrukkelijk
regels voor thuiswerk zijn gesteld. In dat laatste geval wordt onder
werkgever mede verstaan thuiswerkgever en wordt onder werknemer mede
verstaan thuiswerker.
2.Indien een thuiswerker tevens een jeugdige werknemer is, zijn
uitsluitend de bepalingen die voor de thuiswerker zijn vastgesteld van
toepassing.
Artikel 1.44. Beschikbaarheid van gegevens
Van de thuiswerkers zijn gegevens beschikbaar omtrent naam, adres en
woonplaats alsmede van de werkzaamheden die door de betreffende
thuiswerkers worden verricht en van de stoffen, hulpmiddelen en
werktuigen die daarbij worden gebruikt.
Artikel 1.45. Voorraad
Het is niet toegestaan aan de thuiswerker een grotere hoeveelheid aan
grondstoffen, halffabrikaten en gerede producten in voorraad te geven of
te laten houden dan voor de arbeid strikt noodzakelijk is.
Artikel 1.46. Melding van arbeidsongevallen
Indien aan een thuiswerker in verband met het verrichten van arbeid een
arbeidsongeval als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet
overkomt, wordt door de thuiswerker hiervan onverwijld mededeling gedaan
aan de thuiswerkgever.
Hoofdstuk 2. Arbozorg en organisatie van de arbeid
Afdeling 1. Melding beroepsziekten
Artikel 2.1. Gegevens beroepsziekten
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de
gegevens die bij de mededeling van een beroepsziekte, bedoeld in artikel
9, derde lid, van de wet worden verstrekt.
Afdeling 2. Aanvullende voorschriften risico-inventarisatie en
-evaluatie ter voorkoming en beperking van zware ongevallen met
gevaarlijke stoffen
Artikel 2.2. Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. gevaarlijke stof: brandbare, extreem toxische, toxische of
ontplofbare stof;
b. brandbare stof: een stof die een procestemperatuur heeft gelijk aan
of hoger dan het vlampunt, bepaald met het toestel van Abel-Pensky voor
vlampunten tot en met 65° C of bepaald met het toestel van
Pensky-Martens voor vlampunten boven 65° C;
c. extreem toxische stof:
1°. een stof die acuut giftige eigenschappen bezit en daardoor gevaar
voor de gezondheid kan opleveren bij een eenmalige betrekkelijk korte
blootstelling, al dan niet met uitgestelde werking, en die als kenmerk
heeft
– dat de lethale concentratie 50 bij een blootstelling van de rat
gedurende vier uur, kleiner is dan of gelijk is aan 20 milligram per
kubieke meter, of
– dat de lethale dosis 50 oraal bij toediening aan de rat, kleiner is
dan of gelijk is aan 1 milligram per kilogram, of
– dat de lethale dosis 50 percutaan bij toediening aan de rat, kleiner
is dan of gelijk is aan 2 milligram per kilogram;
2°. de volgende voor de mens carcinogene stoffen met een hoge potentie:
2-acetylaminofluoreen, 4-aminobifenyl, benzidine, bischloormethylether,
dialkylnitrosaminen, 4-dimethylaminoazobenzeen, methylnitroso-ureum,
2-naftylamine, 4-nitrobifenyl en 3-nitronaftylamine;
d. toxische stof: een stof, niet zijnde een extreem toxische stof, die
acuut giftige eigenschappen bezit en daardoor gevaar voor de gezondheid
kan opleveren bij een eenmalige betrekkelijk korte blootstelling, al dan
niet met uitgestelde werking, en die als kenmerk heeft dat de lethale
concentratie 50 bij een blootstelling van de rat gedurende één uur,
kleiner is dan of gelijk is aan 20 000 milligram per kubieke meter;
e. ontplofbare stof: een stof die op grond van de Wet milieubeheer
voldoet aan de criteria voor indeling in de categorie
«ontplofbaar»,bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, onder a, van die
wet;
f. installatie: een installatie voor bewerking of een installatie voor
opslag;
g. installatie voor bewerking: het stelsel van vaten, apparaten en
leidingen dat ten aanzien van de omsloten stof een geheel vormt of kan
vormen en dient voor de vervaardiging, bewerking, verwerking, verlading
of vernietiging van deze stof;
h. installatie voor opslag: de tanks, silo's, bunkers en
verpakkingseenheden die dienen voor opslag met dien verstande, dat deze
eenheden buiten de ruimtelijke begrenzing van een installatie voor
bewerking zijn gelegen en waarbij wat betreft tanks, silo’s en bunkers
elke eenheid als een op zich zelf staande installatie voor opslag moet
worden beschouwd. Onder een installatie voor opslag worden mede begrepen
voor het vervoer bestemde tanks en voor het vervoer van gevaarlijke
stoffen bestemde verpakkingen;
i. procestemperatuur: de temperatuur die bij opslag of bij bewerking
onder normale bedrijfscondities maximaal kan worden bereikt;
j. omhulling: een constructie die een installatie voor bewerking of
opslag omsluit, die de natuurlijke ventilatie van de omsloten
installatie bemoeilijkt of verhindert en waarbinnen door werknemers
regelmatig arbeid wordt verricht;
k. grenswaarde: de hoeveelheid van een stof, uitgedrukt in kilogrammen,
die bij plotseling vrijkomen het leven of de gezondheid van een op
globaal 100 meter afstand van het emissiepunt verblijvende werknemer nog
kan bedreigen;
l. zwaar ongeval: gebeurtenis als gevolg van onbeheersbare
ontwikkelingen tijdens de bedrijfsuitoefening in een bedrijf of
inrichting, waardoor hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd
ernstig gevaar voor de gezondheid van werknemers ontstaat en waarbij een
of meer gevaarlijke stoffen zijn betrokken;
m. scenario: de reeks van gebeurtenissen en omstandigheden die nodig
zijn voor of leiden tot het vrijkomen van gevaarlijke stoffen, alsmede
de reeks van gebeurtenissen die het effect weergeeft van het op deze
wijze vrijkomen van gevaarlijke stoffen.
Artikel 2.2a [Vervallen per 25-02-2004]
Artikel 2.2b [Vervallen per 25-02-2004]
Artikel 2.2c [Vervallen per 25-02-2004]
Artikel 2.2d [Vervallen per 25-02-2004]
Artikel 2.2e [Vervallen per 25-02-2004]
Artikel 2.2f [Vervallen per 25-02-2004]
Artikel 2.3. Toepasselijkheid
1.Deze afdeling is, met inachtneming van het derde en vierde lid en de
artikelen 2.3a en 2.3b, van toepassing op bedrijven en inrichtingen waar
één of meerdere installaties aanwezig zijn waarin zich een hoeveelheid
gevaarlijke stoffen, uitgedrukt in kilogrammen, bevindt, ongeacht de
hiermee beoogde handelingen, of door het onbeheersbaar worden van een
industrieel chemisch proces een hoeveelheid van dergelijke stoffen,
uitgedrukt in kilogrammen, kan worden gevormd, welke, vermenigvuldigd
met de van toepassing zijnde omstandigheidsfactor of -factoren als
bedoeld in artikel 2.5, gelijk is aan of groter is dan de grenswaarde,
bedoeld in artikel 2.4.
2.Indien het eerste lid van toepassing is, is deze afdeling van
overeenkomstige toepassing op arbeidsplaatsen gelegen in de nabijheid
van het bedrijf of de inrichting waarvoor de werkgever verantwoordelijk
is.
3.Voor een installatie als bedoeld in het eerste lid waarin zich een
stof of een groep van stoffen met een identieke grenswaarde onder
verschillende omstandigheden bevindt, wordt elke onder dezelfde
omstandigheden verkerende deelhoeveelheid van de stof of groep van
stoffen vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde
omstandigheidsfactoren. Deze afdeling is van toepassing, indien de som
van de al dan niet gecorrigeerde deelhoeveelheden gelijk is aan of
groter is dan de grenswaarde van de desbetreffende stof of groep van
stoffen.
4.Voor een installatie als bedoeld in het eerste lid waarin zich stoffen
met verschillende grenswaarden bevinden, wordt elke hoeveelheid van een
stof of groep van stoffen met een identieke grenswaarde vermenigvuldigd
met de van toepassing zijnde omstandigheidsfactoren. Deze afdeling is
van toepassing indien voor een van de in artikel 2.4, eerste lid, onder
a of b, of artikel 2.4, tweede lid, genoemde categorieën van stoffen,
de som van de quotiënten van de desbetreffende al dan niet
gecorrigeerde hoeveelheden en grenswaarden van de tot die categorie
behorende stoffen die in de installatie aanwezig zijn, gelijk is aan of
groter is dan 1.
5.De in dit artikel bedoelde vermenigvuldiging met een
omstandigheidsfactor of -factoren vindt geen toepassing ten aanzien van
ontplofbare stoffen.
Artikel 2.3a. Toepasselijkheid vervoergebonden inrichtingen
1. In dit artikel wordt verstaan onder opslag in verband met vervoer van
gevaarlijke stoffen: opslag van verpakte gevaarlijke stoffen als bedoeld
inartikel 2.2, onderdeel a, gedurende korte tijd en in afwachting van
aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger, met inbegrip van
het laden en lossen van die stoffen en de overbrenging daarvan naar of
van een andere tak van vervoer, voor zover daadwerkelijk in aansluitend
vervoer is voorzien en de betrokken gevaarlijke stoffen in hun
oorspronkelijke verpakking blijven.
2. Ten aanzien van een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1,
derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en
bestemd is voor de opslag in verband met vervoer van gevaarlijke
stoffen, al dan niet in combinatie met andere stoffen en producten,
waarin gevaarlijke stoffen krachtens omgevingsvergunning op grond van
artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht aanwezig mogen zijn, kan voor de toepassing
van deze afdeling de berekening van de hoeveelheid gevaarlijke stoffen,
bedoeld in artikel 2.3, achterwege blijven.
Artikel 2.3b. Uitzonderingen toepassingsgebied
1.Deze afdeling is:
a. met uitzondering van artikel 2.5f, niet van toepassing op bedrijven
of inrichtingen waarop paragraaf 3 van het Besluit risico's zware
ongevallen 1999 van toepassing is;
b. niet van toepassing op bedrijven en inrichtingen waarop het Besluit
opslag- en transportbedrijven van toepassing is;
c. niet van toepassing op arbeid verricht in de ondergrondse
winningsindustrie en de winningsindustrie die delfstoffen wint met
behulp van boringen.
2.De artikelen 2.5a, eerste en tweede lid, en 2.5d, eerste lid, onder a,
zijn niet van toepassing op bedrijven of inrichtingen waarop paragraaf 2
van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is.
Artikel 2.4. Grenswaarden
1.De in artikel 2.3, eerste lid, bedoelde grenswaarde bedraagt:
a. voor brandbare stoffen: 10 000 kilogram;
b. voor extreem toxische stoffen: 1 kilogram;
c. voor ontplofbare stoffen: de hoeveelheid waarvan de explosie-energie
equivalent is aan de explosie-energie van 1000 kilogram trinitrotolueen,
waarbij de explosie-energie van trinitrotolueen wordt gesteld op 4 600
kilojoule per kilogram.
2.Voor toxische stoffen worden de grenswaarden, bedoeld in artikel 2.3,
eerste lid, afgeleid op basis van de toxicologische gegevens en de
fysische omstandigheid bij 25° C van de grenswaarde voor chloor,
waarbij de grenswaarde voor chloor op 300 kilogram wordt gesteld. Bij
deze afleiding wordt uitgegaan van een lethale concentratie 50 bij een
blootstelling van de rat gedurende één uur aan de stof.
Artikel 2.5. Omstandigheidsfactoren
De in artikel 2.3, eerste lid, bedoelde omstandigheidsfactoren zijn:
a. voor een stof die zich bevindt in een installatie voor bewerking: 1;
b. voor een stof die zich bevindt in een installatie voor opslag: 0,01;
c. voor een installatie die is opgesteld in de open lucht: 1;
d. voor een installatie die is opgesteld in een omhulling: 10;
e. voor een stof die in de vloeibare fase verkeert en waarvan de
procestemperatuur gelijk is aan het atmosferisch kookpunt van die stof:
1; voor elke 10° C dat deze procestemperatuur boven het atmosferisch
kookpunt ligt wordt deze factor verhoogd met 1 tot een maximum van 10,
afgerond op een geheel getal, en voor elke 10° C dat de
procestemperatuur onder het atmosferisch kookpunt ligt, wordt deze
factor verminderd met 0,1 tot een minimum van 0,1, afgerond op één
decimaal;
f. voor een stof die in de vloeibare fase verkeert en waarvan de
procestemperatuur lager is dan de omgevingstemperatuur, zijnde 25° C:
1; voor elke 50 °C dat het atmosferisch kookpunt van de desbetreffende
stof onder de 25 °C ligt wordt deze factor verhoogd met 1 tot een
maximum van 4, afgerond op hele getallen;
g. voor procesomstandigheden waar zowel de onder e, als de onder f
genoemde factoren van toepassing zijn, geldt een
vermenigvuldigingsfactor die gelijk is aan de som van de
vermenigvuldigingsfactoren e en f, verminderd met 1 en met een maximum
van 10;
h. voor een stof die in de gasfase verkeert: 10;
i. voor een stof die in de vaste fase verkeert: 0,1.
Artikel 2.5a. Nadere voorschriften uitwerking beleid inzake zware
ongevallen
1.De algemene doelstellingen en beginselen van het beleid inzake de
beheersing van de risico's van zware ongevallen, bedoeld in artikel 6,
eerste lid, van de wet, worden schriftelijk vastgelegd.
2.Voor de vaststelling en uitvoering van het beleid, bedoeld in het
eerste lid, wordt een veiligheidsbeheerssysteem ingevoerd, dat mede
wordt gebaseerd op de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in
artikel 2.5b.
3.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking
tot het veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 2.5b. Aanvullende voorschriften risico-inventarisatie en
-evaluatie
1.In de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, van de wet, worden:
a. de risico's van ongevallen met gevaarlijke stoffen systematisch
geïdentificeerd en geëvalueerd aan de hand van daartoe door de
werkgever vastgestelde procedures, zowel bij normale werking als bij
abnormale werking van de installatie of het industrieel chemisch proces.
Hierbij wordt tevens rekening gehouden met de aanwezigheid van andere
stoffen die in een specifieke situatie bij kunnen dragen aan het risico
van een zwaar ongeval;
b. de scenario's voor mogelijke zware ongevallen beschreven. Bij de
keuze van de scenario's wordt rekening gehouden met externe gevaren voor
de installatie. De kans op het ontstaan van een zwaar ongeval en het
effect van een plaatsgevonden zwaar ongeval worden in de scenario's
zoveel mogelijk gekwantificeerd.
2.Op grond van de risico-inventarisatie en- evaluatie, bedoeld in het
eerste lid, onder a, worden:
a. ter voorkoming van een zwaar ongeval alle technische en
organisatorische maatregelen getroffen die nodig zijn om de veilige
werking van de installaties te garanderen, zowel bij normaal bedrijf als
bij tijdelijke onderbrekingen of onderhoud, dan wel bij wijziging van
bestaande installaties of de bouw van nieuwe installaties. De eerste
volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van alle
opslagplaatsen, apparatuur en infrastructuur die samenhangen met de
risico's van een zwaar ongeval binnen het bedrijf of de inrichting.
b. alle technische en organisatorische maatregelen getroffen om de
gevolgen van een zwaar ongeval zoveel mogelijk te beperken.
3.Een beschrijving van de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, wordt
opgenomen in de scenariobeschrijvingen, bedoeld in het eerste lid, onder
b.
4.Met de beschrijving van de scenario's, bedoeld in het eerste lid,
onder b, en de beschrijving van de getroffen maatregelen, bedoeld in het
derde lid, wordt aangetoond dat de risico's met betrekking tot zware
ongevallen op adequate wijze worden beheerst.
5.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking
tot de procedures, bedoeld in het eerste lid, onder a, en de
beschrijving van scenario's, bedoeld in het eerste lid, onder b.
Artikel 2.5c. Intern noodplan
1.Ten behoeve van de planning voor noodsituaties wordt een intern
noodplan opgesteld dat wordt gebaseerd op de risico-inventarisatie en
-evaluatie, bedoeld in artikel 2.5b, eerste lid, en de op grond hiervan
getroffen maatregelen, bedoeld in artikel 2.5b, tweede lid.
2.Bij het opstellen of wijzigen van het intern noodplan wordt, bij het
ontbreken van een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging,
overleg gevoerd met de belanghebbende werknemers. Over het intern
noodplan en de wijziging daarvan wordt tevens overleg gevoerd met de
werknemers van andere werkgevers, die op basis van een langlopende
overeenkomst tot aanneming van werk mede in het bedrijf of de inrichting
werkzaam zijn.
3.Het intern noodplan wordt ten minste eenmaal per drie jaar beproefd,
geëvalueerd en indien nodig gewijzigd.
4.De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers, de bedrijfshulpverleners,
bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet, en de externe
hulpverleningsorganisaties, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel
e, van de wet, de deskundigen, genoemd in artikel 13 van de wet, de
deskundigen of arbodiensten, genoemd in de artikelen 14 en 14a van de
wet, en de werknemers van andere werkgevers, die mede in het bedrijf of
de inrichting werkzaam zijn, desgewenst kennis kunnen nemen van het
intern noodplan.
5.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking
tot de gegevens die in het noodplan worden opgenomen.
Artikel 2.5d. Wijzigingen en periodieke evaluatie
1.Indien in het bedrijf of de inrichting of een onderdeel daarvan of in
de toegepaste werkmethoden en productiemethoden een verandering van
technische of organisatorische aard wordt aangebracht die voor de
risico's van een zwaar ongeval belangrijke gevolgen kan hebben, of
wanneer een verandering in het veiligheidsinzicht daartoe aanleiding
geeft, wordt er voor zorg gedragen dat:
a. het beleid, bedoeld in artikel 2.5a, eerste lid, en het
veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld in artikel 2.5a, tweede lid, opnieuw
worden beoordeeld en indien nodig worden herzien;
b. de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 2.5b,
eerste lid, onder a, en de beschrijving van scenario's, bedoeld in
artikel 2.5b, eerste lid, onder b, opnieuw worden beoordeeld en indien
nodig herzien;
c. de getroffen maatregelen, bedoeld in artikel 2.5b, tweede lid, en het
intern noodplan, bedoeld in artikel 2.5c, dienovereenkomstig worden
aangepast aan de gewijzigde situatie.
2.Onverminderd het eerste lid, wordt de risico-inventarisatie en
-evaluatie, bedoeld in artikel 2.5b, eerste lid, onder a, eenmaal per
vijf jaar uitgevoerd.
Artikel 2.5e. Deskundige bijstand
1.In aanvulling op artikel 14, eerste lid, van de wet laat de werkgever
zich bij de volgende taken bijstaan door de persoon, bedoeld in artikel
14, eerste lid, van de wet die belast is met de taak, bedoeld in artikel
14, eerste lid, onderdeel a, van de wet, die door de werkgever is
ingeschakeld of de arbodienst van de werkgever:
a. de vastlegging van het beleid als bedoeld in artikel 2.5a, eerste
lid;
b. het opstellen van een veiligheidsbeheerssysteem als bedoeld in
artikel 2.5a, tweede lid;
c. het verrichten en opstellen van een aanvullende risico-inventarisatie
en -evaluatie als bedoeld in artikel 2.5b, eerste lid, onder a,
waaronder mede begrepen het toetsen ervan;
d. het opstellen van de beschrijvingen, bedoeld in artikel 2.5b, eerste
lid, onder b, en derde lid;
e. het opstellen van een intern noodplan als bedoeld in artikel 2.5c,
waaronder mede begrepen het toetsen ervan;
f. het doorvoeren van de wijzigingen, bedoeld in artikel 2.5d, waaronder
mede begrepen, voor zover van toepassing, het toetsen ervan.
2.Onder de bijstand bij de taken, bedoeld in het eerste lid, wordt mede
begrepen het adviseren over de uitvoering van deze taken.
Artikel 2.5f. Naburige bedrijven of inrichtingen
Indien een zwaar ongeval gevolgen kan hebben voor de veiligheid van
werknemers in naburige bedrijven of inrichtingen verstrekt de werkgever
uit eigen beweging aan de betreffende bedrijven of inrichtingen algemene
gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het risico voor
de veiligheid van de werknemers in het naburige bedrijf of inrichting.
Artikel 2.5g. Melding en doorgeleiding
1. Aan een daartoe aangewezen toezichthouder wordt door de werkgever
schriftelijk gemeld:
a. de naam en het adres van de werkgever en, indien deze anders zijn, de
naam en het adres van het bedrijf of de inrichting waarop artikel 2.3
van toepassing is;
b. welke installaties onder de verplichting, bedoeld in artikel 2.3,
eerste lid, vallen;
c. de naam en het adres van de deskundige persoon, bedoeld in artikel
14, eerste lid, van de wet of de arbodienst, die medewerking verleent
bij de taken, bedoeld inartikel 2.5e, eerste lid.
2. Indien in het bedrijf of de inrichting of een onderdeel daarvan of in
de werking van het bedrijf of de inrichting of een onderdeel daarvan een
verandering van technische of organisatorische aard wordt aangebracht
die voor de risico's van een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen
belangrijke gevolgen kan hebben, wordt een nieuwe melding als bedoeld in
het eerste lid gedaan.
3. De toezichthouder, bedoeld in het eerste lid zendt onverwijld een
kopie van de melding aan:
a. het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel
2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht te verlenen;
b. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het bedrijf of de
inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen, tenzij burgemeester en
wethouders het bestuursorgaan als bedoeld onder a zijn;
c. het bestuur van de veiligheidsregio waarin het bedrijf of de
inrichting is gelegen.
Artikel 2.5h. Exploitatieverbod
Het bedrijf, de inrichting of het deel daarvan waarop deze afdeling van
toepassing is of is aangewezen krachtens artikel 6, tweede lid, van de
wet, wordt niet in werking gebracht of gehouden en de verandering,
bedoeld in artikel 2.5d, eerste lid, aanhef, wordt niet doorgevoerd,
alvorens is voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2.5a,
2.5b, 2.5c, 2.5d en 2.5g.
Artikel 2.6 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 3. Arbodiensten en deskundigen
§ 1. Definities
Artikel 2.6a. Definities
1.In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. interne deskundige: deskundige persoon als bedoeld in artikel 14,
eerste lid, aanhef, van de wet en die binnen het bedrijf of de
inrichting werkzaam is krachtens een arbeidsovereenkomst of
publiekrechtelijke aanstelling;
b. externe deskundige: deskundige persoon als bedoeld in artikel 14,
eerste lid, aanhef, van de wet en die niet binnen het bedrijf of de
inrichting werkzaam is op een wijze als bedoeld in onderdeel a;
c. interne arbodienst: een dienst als bedoeld in artikel 14a, tweede
lid, van de wet;
d. externe arbodienst: een dienst als bedoeld in artikel 14a, derde lid,
van de wet.
2.Onder een interne arbodienst wordt mede verstaan een
samenwerkingsverband tussen tenminste een interne deskundige en externe
deskundigen die tezamen de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van
de wet uitvoeren.
§ 2. Arbodiensten en deskundigen
Artikel 2.7. Deskundigheidseisen
1.Binnen een arbodienst zijn deskundigen werkzaam op het terrein van de
arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, de arbeidshygiëne, de veiligheidskunde
en de arbeids- en organisatiekunde.
2.Een deskundige beschikt over voldoende deskundigheid en ervaring op
een vakgebied als bedoeld in het eerste lid, met uitzondering van het
terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, indien hij in het bezit
is van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne,
veiligheidskunde dan wel arbeids-en organisatiekunde, dat is afgegeven
door Onze Minister of een certificerende instelling.
Artikel 2.8 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 2.9. Functioneringseisen
1.Een arbodienst:
a. vervult zijn taken met inachtneming van de stand van de wetenschap en
van de professionele dienstverlening;
b. adviseert inzake het voeren van een gestructureerd, systematisch en
adequaat arbeidsomstandighedenen ziekteverzuimbeleid op een wijze die
het meest bijdraagt aan de effectuering daarvan, waarbij met name
rekening wordt gehouden met bijzondere groepen van werknemers en waarbij
tevens binnen het bedrijf of de inrichting plaatsgevonden gebeurtenissen
worden betrokken;
c. onderkent en beoordeelt de gevaren, zowel van het technisch systeem
als van de organisatie en het menselijk gedrag, waarbij tevens binnen
het bedrijf of de inrichting plaatsgevonden gebeurtenissen worden
betrokken;
d. evalueert de dienstverlening;
e. draagt zorg voor de continuïteit van de dienstverlening, en
f. behandelt klachten over de dienstverlening.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot het functioneren van de arbodienst.
Artikel 2.10. Organisatie-eisen arbodienst
1.Een externe arbodienst bezit rechtspersoonlijkheid.
2.Behoudens ten aanzien van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel
2.6a, tweede lid, is op elk van de in artikel 2.7, eerste lid, genoemde
vakgebieden ten minste één deskundige werkzaam krachtens een
arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling voor onbepaalde
tijd.
Artikel 2.11. Uitrustingseisen
Een arbodienst beschikt over zodanige huisvesting en outillage dat de
bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de werknemers van de
aangesloten bedrijven is gewaarborgd.
Artikel 2.12. Gegevensverstrekking
1.De externe arbodienst of de werkgever van de interne arbodienst doet
desgevraagd statistische gegevens met betrekking tot de uitoefening van
de taken toekomen aan Onze Minister.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de aard van de in het eerste lid bedoelde gegevens en de vorm waarin
alsmede de frequentie waarmee deze gegevens worden toegezonden.
Artikel 2.13. Samenwerkingsverband
1.Het samenwerkingsverband, bedoeld inartikel 2.6a, tweede lid, wordt
vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen de werkgever en de
externe deskundigen of de werkgever van deze deskundigen. In deze
overeenkomst wordt in ieder geval de taakverdeling vastgelegd tussen de
interne deskundige en de externe deskundigen.
2.Het samenwerkingsverband wordt aangegaan voor een periode die in ieder
geval even lang is als de geldigheidsduur van het certificaat
arbodienst, bedoeld in artikel 2.14, tweede lid, dat ten behoeve van dat
samenwerkingsverband wordt verleend.
Artikel 2.14. Certificaat arbodienst
1.Een externe arbodienst is in het bezit van een certificaat arbodienst
dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling.
2.De werkgever van een interne arbodienst is ten behoeve van zijn
interne arbodienst in het bezit van een certificaat arbodienst dat is
afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling.
3.Indien een aan een externe arbodienst afgegeven certificaat arbodienst
wordt ingetrokken, niet wordt verlengd of indien aan de verlenging
daarvan voorschriften zijn verbonden, doet de dienst daarvan terstond
mededeling aan de werkgever te wiens behoeve de taken worden
uitgeoefend, en aan de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging. Bij het ontbreken van een ondernemingsraad
of personeelsvertegenwoordiging zorgt de werkgever ervoor dat de
belanghebbende werknemers zo spoedig mogelijk van deze mededeling op de
hoogte worden gesteld.
4.Indien een ten behoeve van een interne arbodienst afgegeven
certificaat arbodienst wordt ingetrokken, niet wordt verlengd of indien
aan de verlenging daarvan voorschriften zijn verbonden, doet de
werkgever daarvan terstond mededeling aan de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, aan de
belanghebbende werknemers alsmede, ingeval sprake is van een
samenwerkingsverband, aan de betrokken externe deskundigen.
Artikel 2.14a. Taken deskundigen
1.Bij de taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van de
wet wordt bijstand verleend door een deskundige die in het bezit is van
tenminste een van de certificaten, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid,
of door een bedrijfsarts als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef,
van de wet.
2.Bij de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c,
van de wet wordt bijstand verleend door een bedrijfsarts als bedoeld in
artikel 14, eerste lid, aanhef, van de wet.
3.Ten aanzien van de deskundigen en bedrijfsartsen zijn de artikelen
2.9, 2.11 en 2.12 van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Uitzonderingen
Artikel 2.14b. Uitzondering bijstand risico-inventarisatie en -evaluatie
1. Bij de toepassing van artikel 14, twaalfde lid, van de wet wordt
buiten beschouwing gelaten de tijdsduur van arbeid verricht door een
directeur-grootaandeelhouder onderscheidenlijk de persoon van
directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in de Regeling aanwijzing
directeur-grootaandeelhouder.
2. Het model, bedoeld in artikel 14, twaalfde lid, onderdeel b, onder
1°, van de wet is getoetst door ten minste een deskundige die in het
bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, of
door een bedrijfsarts als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef, van
de wet.
3. Het instrument, bedoeld in artikel 14, twaalfde lid, onderdeel b,
onder 2°, van de wet:
a. is opgesteld met betrokkenheid van werkgevers- en
werknemersverenigingen op ten minste brancheniveau;
b. is getoetst door ten minste een deskundige die in het bezit is van
een certificaat als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, of een
bedrijfsarts als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef, van de wet;
c. is door de betrokken werkgevers- en werknemersverenigingen
gezamenlijk aangemeld; en
d. heeft na aanmelding een geldingsduur van ten hoogste drie jaar.
4. De werkgever houdt bij het gebruikmaken van het model of het
instrument rekening met de specifieke omstandigheden in het bedrijf of
de inrichting.
Artikel 2.14c. Uitzondering bijstand ziekteverzuim
De verplichting een deskundige of een arbodienst in te schakelen bij de
taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van de wet geldt
niet ten aanzien van de werkgever die uitsluitend:
a. personen onder zijn gezag arbeid laat verrichten zonder
arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling;
b. personen arbeid laat verrichten op incidentele oproep, jegens wie na
afloop van de oproep geen loondoorbetalingsplicht bij ziekte op grond
van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bestaat.
Afdeling 4. Psychosociale arbeidsbelasting
Artikel 2.15. Maatregelen ter voorkoming of beperking van psychosociale
arbeidsbelasting
1.Indien werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan
psychosociale arbeidsbelasting worden in het kader van de
risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, de
risico’s ten aanzien van psychosociale arbeidsbelasting beoordeeld en
worden in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 5 van de wet, met
inachtneming van de stand van de wetenschap maatregelen vastgesteld en
uitgevoerd om psychosociale arbeidsbelasting te voorkomen of indien dat
niet mogelijk is te beperken.
2.Aan werknemers die arbeid verrichten waarbij gevaar bestaat voor
blootstelling aan psychosociale belasting wordt voorlichting en
onderricht gegeven over de risico’s voor psychosociale
arbeidsbelasting alsmede over de maatregelen die er op zijn gericht die
belasting te voorkomen of te beperken.
Artikel 2.16 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.17 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.18 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.19 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.20 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.21 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.22 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 5. Bouwproces
Artikel 2.23. Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. richtlijn: Richtlijn nr. 92/57/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 24 juni 1992 betreffende de minimumvoorschriften
inzake veiligheid en gezondheid voor tijdelijke en mobiele bouwplaatsen
(PbEG L 245);
b. ontwerpfase: de studie-, ontwerp- en uitwerkingsfase van het ontwerp
van een bouwwerk;
c. uitvoeringsfase: de fase waarin het bouwwerk materieel tot stand
wordt gebracht.
Artikel 2.24. Aanwijzing
Voor de toepassing van artikel 16, achtste lid, van de wet worden
aangewezen de opdrachtgever, de ontwerpende en de uitvoerende partij.
Artikel 2.25. Toepasselijkheid
Deze afdeling is niet van toepassing op arbeid verricht in de
winningsindustrie in dagbouw, ondergronds of met behulp van boringen als
bedoeld in de afdelingen 6 en 6a van hoofdstuk 2 van dit besluit.
Artikel 2.26. Algemene uitgangspunten inzake veiligheid en gezondheid
bij het ontwerpen van een bouwwerk
De opdrachtgever zorgt ervoor dat in de ontwerpfase rekening wordt
gehouden met de verplichtingen voor de arbeidsomstandigheden die gelden
in de uitvoeringsfase, in het bijzonder de verplichtingen, bedoeld in de
artikelen 3, 5, eerste en derde lid, en 8 van de wet.
Artikel 2.27. Kennisgeving
1.De opdrachtgever zorgt ervoor dat de toezichthouder, overeenkomstig
het bij ministeriële regeling voorgeschreven model, vóór de aanvang
van de werkzaamheden op de bouwplaats in kennis wordt gesteld van de
voorgenomen totstandbrenging van een bouwwerk, indien:
a. de geraamde duur van de totstandbrenging van het bouwwerk meer dan 30
werkdagen beslaat en op die bouwplaats meer dan 20 werknemers
tegelijkertijd arbeid zullen gaan verrichten, of
b. met de totstandbrenging van het bouwwerk meer dan 500 mensdagen
zullen zijn gemoeid.
2.De kennisgeving wordt zichtbaar op de bouwplaats aangebracht. Indien
met betrekking tot de in de kennisgeving vermelde gegevens veranderingen
optreden, wordt deze dienovereenkomstig gewijzigd.
Artikel 2.28. Veiligheids- en gezondheidsplan
1.De opdrachtgever zorgt ervoor dat ten aanzien van bouwwerken die voor
de veiligheid en gezondheid van werknemers bijzondere gevaren met zich
meebrengen als bedoeld in bijlage II bij de richtlijn of een bouwwerk
ten aanzien waarvan een kennisgeving verplicht is, een veiligheids- en
gezondheidsplan wordt opgesteld.
2.Afhankelijk van de voortgang in het bouwproces, worden in het
veiligheids- en gezondheidsplan ten minste vermeld:
a. een beschrijving van het tot stand te brengen bouwwerk, een overzicht
van de betrokken ondernemingen op de bouwplaats, de naam van de
coördinator voor de ontwerp- en uitvoeringsfase;
b. een inventarisatie en evaluatie van de specifieke gevaren die het
gevolg zijn van de gelijktijdige en achtereenvolgende uitvoering van de
bouwwerkzaamheden en in voorkomend geval van de wisselwerking met
doorgaande exploitatiewerkzaamheden;
c. de maatregelen die volgen uit de risico-inventarisatie en -evaluatie,
bedoeld onder b;
d. de afspraken met betrekking tot de uitvoering van de maatregelen,
bedoeld onder c;
e. de wijze waarop toezicht op de maatregelen wordt uitgeoefend;
f. de bouwkundige, technische en organisatorische keuzen die in verband
met de veiligheid en gezondheid van de werknemers in de ontwerpfase
worden gemaakt;
g. de wijze waarop voorlichting en instructie aan de werknemers op de
bouwplaats wordt gegeven.
Artikel 2.29. Aanstelling coördinatoren
Indien in de uitvoeringsfase werkzaamheden worden verricht door:
a. twee of meer werkgevers;
b. één werkgever en één of meer zelfstandigen of
c. twee of meer zelfstandigen,
stelt de opdrachtgever één of meer coördinatoren voor de ontwerpfase
aan en stelt de uitvoerende partij één of meer coördinatoren voor de
uitvoeringsfase aan.
Artikel 2.30. Taken coördinator voor de ontwerpfase
De coördinator voor de ontwerpfase heeft tot taak om:
a. de uitvoering van artikel 2.26 te coördineren;
b. een veiligheids-en gezondheidsplan als bedoeld in artikel 2.28 op te
stellen of te laten opstellen;
c. een dossier samen te stellen dat is bestemd voor degene die beslist
over de uitvoering van latere werkzaamheden aan het bouwwerk. In dit
dossier staan de bouwkundige en technische kenmerken die van belang zijn
voor de veiligheid en gezondheid van werknemers die latere werkzaamheden
verrichten.
Artikel 2.31. Taken coördinator voor de uitvoeringsfase
De coördinator voor de uitvoeringsfase heeft tot taak om:
a. coördinerend op te treden, zodat de maatregelen die werkgevers en
zelfstandigen nemen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van
werknemers op doeltreffende wijze worden toegepast;
b. de samenwerking met het oog op de bescherming van de werknemers te
organiseren tussen gelijktijdig of achtereenvolgend aanwezige werkgevers
en zelfstandigen op de bouwplaats;
c. de voorlichting van werknemers op de bouwplaats te coördineren;
d. de nodige maatregelen te nemen opdat alleen bevoegde personen de
bouwplaats kunnen betreden;
e. ervoor te zorgen dat het veiligheids- en gezondheidsplan, bedoeld in
artikel 2.28, en het dossier, bedoeld inartikel 2.30, onder c, worden
aangepast indien de voortgang van het bouwwerk of de onderdelen daarvan
daartoe aanleiding geven;
f. aanwijzingen te geven indien werkgevers of zelfstandigen naar zijn
oordeel niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze uitvoering
geven aan een samenhangende toepassing van hun verplichtingen als
bedoeld onder a en b.
Artikel 2.32. Aanvullende verplichtingen opdrachtgever
1.De opdrachtgever neemt zodanige maatregelen dat:
a. de coördinator de taken, bedoeld inartikel 2.30, naar behoren kan
vervullen;
b. de coördinator de taken, bedoeld inartikel 2.30, naar behoren
uitoefent;
c. het veiligheids- en gezondheidsplan, bedoeld in artikel 2.28, deel
uitmaakt van het bestek betreffende het bouwwerk en vóór aanvang van
de werkzaamheden op de bouwplaats beschikbaar is.
2.De opdrachtgever zorgt ervoor dat de verplichtingen voor de
uitvoerende partij, bedoeld in de artikelen 2.29en 2.33, zijn vastgelegd
in een schriftelijke overeenkomst met de uitvoerende partij.
Artikel 2.33. Aanvullende verplichtingen uitvoerende partij
De uitvoerende partij neemt zodanige maatregelen dat:
a. de coördinator de taken, bedoeld inartikel 2.31, naar behoren kan
vervullen;
b. de coördinator de taken, bedoeld inartikel 2.31, naar behoren
uitoefent.
Artikel 2.34. Verplichtingen ontwerpende partij
In het geval van een opdrachtgever-consument zorgt de ontwerpende partij
of, indien er sprake is van meer ontwerpende partijen, zorgen de
ontwerpende partijen ervoor dat aan alle verplichtingen van de
opdrachtgever wordt voldaan.
Artikel 2.35. Verplichtingen werkgever
1.Bij de uitvoering van zijn verplichtingen op grond van de artikelen 3,
5, 8 en 19, eerste lid, van de wet neemt de werkgever, die bij de
totstandbrenging van een bouwwerk arbeid doet verrichten, doeltreffende
maatregelen ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van zijn
werknemers. Deze maatregelen hebben met name betrekking op:
a. het in goede orde en met voldoende bescherming van de veiligheid en
gezondheid van de werknemers in stand houden van de bouwplaats;
b. de veilige plaatsing van de verschillende werkplekken op de
bouwplaats, rekening houdend met de toegangsmogelijkheden tot die
bouwplaats en de verbindingswegen daarop;
c. het interne transport van de verschillende materialen op de
bouwplaats;
d. het onderhoud, de controle vóór inbedrijfstelling en de periodieke
controle van installaties en toestellen, teneinde gebreken te voorkomen
die de veiligheid en gezondheid van werknemers in gevaar kunnen brengen;
e. de afbakening en inrichting van zones voor definitieve en
tussenopslag van verschillende materialen, met name in geval van
gevaarlijke materialen of stoffen;
f. de voorzieningen voor de verwijdering van gebruikte gevaarlijke
materialen;
g. de opslag en de verwijdering of de afvoer van afval en puin;
h. de aanpassing van de daadwerkelijke duur van de uit te voeren
werkzaamheden of de fasen waarin die werkzaamheden worden uitgevoerd,
afhankelijk van de voortgang van het bouwwerk;
i. de samenwerking met andere werkgevers en zelfstandigen op de
bouwplaats;
j. de wisselwerking met exploitatiewerkzaamheden op of in de nabijheid
van de bouwplaats.
2.De mede op grond van het eerste lid te nemen maatregelen voldoen in
ieder geval aan de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk 3 van dit besluit.
3.De werkgever is verplicht tot naleving van en medewerking aan het
veiligheids- en gezondheidsplan, bedoeld in artikel 2.28, voor zover en
op de wijze als daarin ten aanzien van de door hem te doen verrichten
werkzaamheden is bepaald en daarbij rekening te houden met de
aanwijzingen van de coördinator voor de uitvoeringsfase.
Artikel 2.36 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.37 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.38 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.39 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 6. Winningsindustrieën in dagbouw, ondergronds of met behulp
van boringen
Artikel 2.40. Toepasselijkheid
1. Deze afdeling is van toepassing op arbeid verricht in
winningsindustrieën in dagbouw, ondergronds of met behulp van boringen.
2. In afwijking van het eerste lid is deze afdeling niet van toepassing
op arbeid verricht in winningsindustrieën in dagbouw met behulp van
baggermaterieel.
Artikel 2.41. Verplichtingen van de werkgever
1.Indien bemande arbeidsplaatsen in de winningsindustrie in gebruik zijn
wordt toezicht uitgeoefend door een verantwoordelijke persoon.
2.Werkzaamheden waaraan een bijzonder gevaar is verbonden worden
uitsluitend opgedragen aan vakbekwaam personeel met voldoende ervaring
en uitgevoerd overeenkomstig de verstrekte instructies.
3.In verband met het veilig gebruik van een helikopterdek op een
mijnbouwinstallatie worden werknemers aangewezen, die belast zijn met
het toezicht op dit gebruik van het helikopterdek en daartoe over de
noodzakelijke vaardigheid en deskundigheid beschikken.
4.Op arbeidsplaatsen in de winningsindustrie worden met regelmatige
tussenpozen de nodige veiligheidsoefeningen gehouden.
5.Opdat in geval van nood onmiddellijk hulp-, vlucht-, evacuatie- en
reddingsmaatregelen kunnen worden genomen, worden, in aanvulling op
artikel 15 van de wet, de nodige alarm- of andere communicatiesystemen
ter beschikking gesteld.
6.Indien op een arbeidsplaats in de winningsindustrie slechts één
werknemer aanwezig is, beschikt deze over telecommunicatiemiddelen om
zich met anderen in verbinding te kunnen stellen.
Artikel 2.42. Samenwerking, veiligheids- en gezondheidsdocument
1. Voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de wet worden
aangewezen de werkzaamheden verricht in de winningsindustrie in dagbouw,
de ondergrondse winningsindustrie en de winningsindustrie die
delfstoffen wint met behulp van boringen.
2. Voor de aanvang van het werk wordt een veiligheids- en
gezondheidsdocument opgesteld, waarin ten minste vermeld worden:
a. de risico-inventarisatie en -evaluatie van de gevaren, bedoeld in
artikel 5 van de wet;
b. de maatregelen, bedoeld in artikel 5 van de wet, waarbij met name
aandacht is besteed aan de maatregelen die zijn of worden genomen om aan
de voorschriften van deze afdeling en de afdelingen 1, met uitzondering
van paragraaf 2a van die afdeling, 3, 3A, 3B en 3C van hoofdstuk 3 van
dit besluit te voldoen;
c. de maatregelen die zijn genomen om herhaling van ongevallen met
ernstig letsel, dodelijke ongevallen of situaties als bedoeld in artikel
2.42c, eerste lid, onder b, te voorkomen;
d. de wijze waarop voldaan is aan artikel 19, tweede lid, van de wet,
indien op de arbeidsplaats in de winningsindustrie meerdere werkgevers
arbeid doen verrichten;
e. de gegevens waaruit blijkt dat het ontwerp, het gebruik en het
onderhoud van de arbeidsplaats in de winningsindustrie alsmede de
arbeidsmiddelen veilig zijn;
f. de maatregelen ter beperking en bestrijding van brand.
3. In aanvulling op het tweede lid, onder d, coördineert de werkgever
die verantwoordelijk is voor de arbeidsplaats in de winningsindustrie,
de uitvoering van alle maatregelen inzake veiligheid en gezondheid en
geeft hij in het veiligheids- en gezondheidsdocument het doel, de
maatregelen en de wijze van uitvoering van deze coördinatie aan.
4. Het veiligheids- en gezondheidsdocument wordt herzien bij iedere
belangrijke wijziging, uitbreiding of verbouwing van de arbeidsplaats in
de winningsindustrie.
5. Een afschrift van het veiligheids- en gezondheidsdocument wordt
gezonden aan de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging of bij
het ontbreken daarvan, aan de belanghebbende werknemers.
6. De werkzaamheden worden overeenkomstig het veiligheids- en
gezondheidsdocument uitgevoerd.
Artikel 2.42a. Werkvergunning
1.Wanneer de veiligheid en de gezondheid van de werknemers dat vereisen,
wordt een systeem van werkvergunningen toegepast voor de uitvoering van
gevaarlijke werkzaamheden en voor de uitvoering van gewoonlijk
ongevaarlijke werkzaamheden die in combinatie met andere werkzaamheden
ernstige risico's met zich mee kunnen brengen.
2.De werkvergunning wordt door een verantwoordelijke persoon gegeven
voor de aanvang van de werkzaamheden en daarbij wordt aangegeven aan
welke voorschriften moet worden voldaan en welke voorzorgsmaatregelen
moeten worden genomen voor, tijdens en na de werkzaamheden.
Artikel 2.42b. Personenregister
Op doelmatige plaatsen is een register aanwezig waarin van degenen die
werkzaamheden verrichten in de winningsindustrie in dagbouw, de
ondergrondse winningsindustrie en de winningsindustrie met behulp van
boringen zijn vermeld:
a. naam, voornamen, geslacht;
b. aard, nummer en een afschrift van een document als bedoeld in artikel
1 van de Wet op de identificatieplicht;
c. gegevens en data betreffende indiensttreding en tewerkstelling;
d. de onderscheiden functies, waarin zij zijn tewerkgesteld en de data
van tewerkstelling daarin;
e. data en aard van geneeskundige onderzoeken en geneeskundige
verklaringen, voorzover deze op grond van dit besluit zijn vereist;
f. gegevens van certificaten, voorzover die voor het verrichten van de
werkzaamheden op grond van dit besluit en het Mijnbouwbesluit zijn
vereist.
Artikel 2.42c. Melding van ongevallen en bijna-ongevallen
1.In aanvulling op artikel 9, eerste lid, van de wet doet de werkgever
tevens onverwijld mededeling aan een daartoe aangewezen toezichthouder:
a. van alle belangrijke bij het verkeer of vervoer voorgekomen
bijzondere gebeurtenissen die de veiligheid in gevaar hebben gebracht of
hadden kunnen brengen;
b. wanneer de veiligheid op enigerlei wijze wordt bedreigd of personen
zich in levensgevaar bevinden of bevonden hebben;
c. van alle bij het gebruik, het vervoer of de opslag van ontplofbare
stoffen opgetreden voorvallen, die de veiligheid in gevaar hadden kunnen
brengen of hebben gebracht.
2.Eenmaal per maand wordt van alle ongevallen en andere voorvallen die
de veiligheid in gevaar hebben gebracht of hadden kunnen brengen, opgave
gedaan aan een daartoe aangewezen toezichthouder, voorzover er geen
melding is gedaan als bedoeld in het eerste lid.
Afdeling 6A. Winningsindustrieën met behulp van boringen
Artikel 2.42d. Schakelbepaling
Op een arbeidsplaats in de winningsindustrie die delfstoffen wint met
behulp van boringen zijn naast de voorschriften van afdeling 6 van dit
hoofdstuk tevens de voorschriften van deze afdeling van toepassing.
Artikel 2.42e. Veiligheids- en gezondheidszorgsysteem
1.Voor het uitvoeren van een zo goed mogelijk
arbeidsomstandighedenbeleid, bedoeld in artikel 3 van de wet, is een
veiligheids- en gezondheidszorgsysteem aanwezig. Dit systeem omvat het
geheel van beleid, organisatie, planning, uitvoering, monitoring,
evaluatie, doorlichting en verbetering, dat wordt gehanteerd voor de
beheersing van de veiligheid en de gezondheid.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot het eerste lid.
Artikel 2.42f. Veiligheids- en gezondheidsdocument
1.Onverminderd artikel 2.42 blijkt uit het veiligheids- en
gezondheidsdocument dat alle nodige maatregelen zijn genomen om de
veiligheid en de gezondheid van de werknemers zowel in normale situaties
als in noodsituaties te beschermen. Hiertoe bevat het document het
volgende:
a. een opgave van de aan de arbeidsplaats verbonden specifieke
risicobronnen, met inbegrip van elke activiteit op die plaats, die
ongevallen kunnen teweegbrengen met ernstige gevolgen voor de veiligheid
en de gezondheid van de betrokken werknemers;
b. een evaluatie van de risico's van de in onderdeel a bedoelde
specifieke bronnen;
c. het bewijs dat afdoende voorzorgsmaatregelen zijn genomen om de in
onderdeel a bedoelde ongevallen te vermijden, de uitbreiding van
ongevallen te beperken en de arbeidsplaats in noodsituaties op een
doelmatige en beheerste wijze te kunnen evacueren;
d. het bewijs dat er een veiligheids- en gezondheidszorgsysteem als
bedoeld in artikel 2.42e gehanteerd wordt dat adequaat is om de
voorschriften bij of krachtens dit besluit die betrekking hebben op de
veiligheid en de bescherming van de gezondheid van de werknemers, zowel
in gewone situaties als in noodsituaties na te leven.
2.Bij de planning en tenuitvoerlegging van alle in artikel 3.2, eerste
lid, tweede volzin, bedoelde fasen worden de in het desbetreffende
veiligheids- en gezondheidsdocument vermelde procedures en
uitvoeringsbepalingen in acht genomen.
3.De verschillende werkgevers die verantwoordelijk zijn voor de
verschillende arbeidsplaatsen werken in voorkomend geval samen bij het
opstellen van de veiligheids- en gezondheidsdocumenten, bedoeld in
artikel 2.42, en het voorbereiden van de maatregelen die nodig zijn om
de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te garanderen.
4.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot het eerste, tweede en derde lid.
Artikel 2.42g. Veiligheidsoefeningen
Op alle normaliter bemenste arbeidsplaatsen worden op gezette tijden
veiligheidsoefeningen gehouden die erop gericht zijn:
a. werknemers aan wie in noodgevallen concrete taken worden opgedragen,
waarbij noodapparatuur moet worden gebruikt, gehanteerd of bediend,
hierin te trainen en na te gaan of zij bekwaam zijn die taken te
vervullen;
b. alle bij de oefeningen gebruikte noodapparatuur te controleren,
schoon te maken en zo nodig opnieuw op te laden of te vervangen en alle
gebruikte draagbare apparatuur opnieuw naar de plaats te brengen waar
zij zich normaliter bevindt;
c. na te gaan of de reddingsvaartuigen gebruiksklaar zijn.
Artikel 2.42h. Handelingen in noodgevallen
1.De werknemers worden getraind in het uitvoeren van de handelingen die
in noodgevallen moeten worden verricht.
2.Op mijnbouwinstallaties waar werknemers langere tijd verblijven zijn
bij helikopterbewegingen op het helikopterdek voldoende werknemers
aanwezig die tot taak hebben bij noodgevallen in actie te komen. Deze
werknemers zijn hiertoe voldoende getraind.
3.In aanvulling op het eerste en tweede lid worden werknemers die
werkzaam zijn op mijnbouwinstallaties ook getraind in het uitvoeren van
de handelingen die op een specifieke arbeidsplaats moeten worden
verricht. Deze handelingen worden voor de desbetreffende arbeidsplaats
nader omschreven in het in artikel 2.42 bedoelde veiligheids- en
gezondheidsdocument.
4.Werknemers die werkzaam zijn op mijnbouwinstallaties worden getraind
in de toepassing van overlevingstechnieken, met inachtneming van de
criteria die zijn vastgesteld in het in artikel 2.42 bedoelde
veiligheids- en gezondheidsdocument.
Artikel 2.42i. Raadpleging en deelneming werknemers
Voor zover de Wet op de ondernemingsraden niet van toepassing is, vindt
raadpleging en deelneming van de werknemers plaats overeenkomstig
artikel 11 van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van
maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en
gezondheid van de werknemers op het werk (Pb EG L 183).
Afdeling 7. Nachtarbeid
Artikel 2.43. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
1.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder nachtdienst verstaan
hetgeen daaronder wordt verstaan in de Arbeidstijdenwet.
2.Iedere werknemer die voor de eerste keer arbeid in nachtdienst gaat
verrichten wordt, in aanvulling op artikel 18 van de wet, in de
gelegenheid gesteld om vóór de aanvang van die arbeid een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.
Afdeling 8. Bijzondere sectoren en bijzondere categorieën werknemers
§ 1. Vervoer
Artikel 2.44. Uitzonderingen voor vervoermiddelen
De afdelingen 2 en 7 van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op
arbeid verricht in respectievelijk op een luchtvaartuig, een zeeschip of
een binnenvaartuig dan wel een voertuig op een openbare weg of een
spoorweg.
§ 2. Thuiswerkers
Artikel 2.45. Toepasselijkheid
Op thuiswerk zijn de afdelingen 3 en 4 van dit hoofdstuk van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3. Inrichting arbeidsplaatsen
Afdeling 1. Algemene voorschriften
§ 1. Definities en toepasselijkheid
Artikel 3.1. Begrippen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. elektrische installatie: een samenstel van elektrisch materieel,
leidingen en bijbehoren van leidingen;
b. elektrisch materieel: delen of gedeelten van een elektrische
installatie die dienen voor de opwekking, het transport en de toepassing
van elektrische energie;
c. explosieve atmosfeer: een mengsel van lucht en brandbare stoffen in
de vorm van gassen, dampen, nevels of stof, onder atmosferische
omstandigheden waarin de verbranding zich na ontsteking uitbreidt tot
het gehele niet verbrande mengsel;
d. gebruik van elektriciteit: iedere activiteit met betrekking tot een
elektrische installatie waaronder in ieder geval wordt begrepen de bouw,
ingebruikneming of buitengebruikstelling, bediening, reparatie,
ombouwing, onderhoud en inspectie alsmede het werken in de nabijheid van
een elektrische installatie;
e. hoogspanning: een spanning waarvan de waarde bij wisselspanning hoger
is dan 1000 Volt effectief tussen de fasen of 600 Volt effectief tussen
een fase en aarde en bij gelijkspanning hoger is dan 1500 Volt tussen de
polen of 900 Volt tussen een van de polen en aarde;
f. laagspanning: een spanning met een waarde lager dan hoogspanning.
Artikel 3.1a. Toepasselijkheid
De artikelen 3.3, eerste lid, 3.4, eerste lid, wat betreft het ontwerp
en de inrichting van tot een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onder c, van de Woningwet behorende elektrische installaties, 3.6,
tweede lid, 3.7, vijfde lid, 3.11, eerste lid, wat betreft het
voorschrift dat vloeren van arbeidsplaatsen zoveel mogelijk vrij van
gevaarlijke hellingen zijn en voorts zoveel mogelijk vast en stabiel, en
derde lid, 3.18, tweede lid, tweede zin, en derde lid, en 3.24, eerste
lid, en tweede lid, eerste zin, zijn niet van toepassing op
arbeidsplaatsen in een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder c, van de Woningwet.
§ 2. Algemene verplichtingen van de werkgever
Artikel 3.1b. Gebruiksvoorschrift
Een arbeidsplaats in een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder c, van de Woningwet wordt slechts gebruikt indien het gebouw
voldoet aan de bij of krachtens het Bouwbesluit 2003 gegeven
voorschriften met betrekking tot de van toepassing zijnde
gebruiksfunctie in de zin van dat besluit.
Artikel 3.2. Algemene vereisten
1.Arbeidsplaatsen zijn veilig toegankelijk en kunnen veilig worden
verlaten. Ze worden zodanig ontworpen, gebouwd, uitgerust, in bedrijf
gesteld, gebruikt en onderhouden, dat gevaar voor de veiligheid en de
gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk is voorkomen. Voorts worden
zij zindelijk, zoveel mogelijk vrij van stof en voor zover de veiligheid
van de arbeidsplaats dat vereist, ordelijk gehouden.
2.Regelmatig wordt gecontroleerd of de op de arbeidsplaats ter
bescherming van de werknemers aanwezige voorzieningen en genomen
maatregelen nog adequaat functioneren.
3.Geconstateerde gebreken met betrekking tot de in het tweede lid
bedoelde voorzieningen en maatregelen die de veiligheid of de gezondheid
kunnen beïnvloeden, worden zo snel mogelijk hersteld.
Artikel 3.3. Stabiliteit en stevigheid
1.Gebouwen en andere opstallen bestaan uit deugdelijk materiaal, zijn
van een deugdelijke constructie en verkeren in een zodanige staat, dat
er geen gevaar bestaat voor het geheel of gedeeltelijk instorten of
omvallen.
2.De arbeidsplaats is zodanig ingericht, dat de daar aanwezige
voorwerpen of stoffen geen gevaar voor de veiligheid of de gezondheid
opleveren door instorten, verschuiven, omvallen of kantelen.
Artikel 3.4. Elektrische installaties
1.Elektrische installaties zijn zodanig ontworpen, ingericht, aangelegd,
onderhouden en gekenmerkt, dat een veilig gebruik van elektriciteit zo
goed mogelijk is gewaarborgd. Hiertoe zijn de nodige voorzieningen en
beschermingsmaatregelen aangebracht. Daarbij is rekening gehouden met
bijzondere eisen die kunnen voortkomen uit de wijze van het gebruik, de
gebruiksomstandigheden, de te verwachten uitwendige invloeden en
onderhoudswerkzaamheden.
2.In een elektrische installatie zijn doeltreffende maatregelen genomen
tegen het gevaar van brand, ontploffing, directe en indirecte aanraking
en te dichte nadering.
3.Van iedere elektrische installatie zijn duidelijke, steeds bijgewerkte
schema’s beschikbaar alsmede alle overige gegevens die nodig zijn voor
een veilig gebruik van de elektrische installatie.
4.Het derde lid is niet van toepassing op elektrische installaties voor
laagspanning van beperkte omvang.
Artikel 3.5. Elektrotechnische, bedienings- en andere werkzaamheden aan
of nabij een elektrische installatie
1.Elektrotechnische werkzaamheden en bedieningswerkzaamheden die gevaren
kunnen opleveren, worden door deskundige, voldoend onderrichte en
daartoe bevoegde werknemers uitgevoerd.
2.Een ruimte waarin zich een elektrische installatie voor hoogspanning
bevindt waarvan de delen niet of onvoldoende zijn beschermd tegen
direkte of indirekte aanraking dan wel te dichte nadering, wordt slechts
betreden in aanwezigheid van een tweede daartoe bevoegd persoon.
3.Werkzaamheden aan of in de nabijheid van een elektrische installatie
worden slechts uitgevoerd, indien de installatie of het gedeelte waaraan
of in de nabijheid waarvan wordt gewerkt, spanningsloos is.
4.De daartoe bevoegde werknemer neemt doeltreffende maatregelen om een
veilig verloop van de werkzaamheden te waarborgen.
5.Het derde lid is niet van toepassing op werkzaamheden die worden
verricht aan of in de nabijheid van een elektrische
laagspanningsinstallatie, indien:
a. de dringende noodzaak van het onder spanning uitvoeren van die
werkzaamheden is aangetoond;
b. tot het uitvoeren van die werkzaamheden door de daartoe bevoegde
werknemer uitdrukkelijk opdracht is gegeven, en
c. de installatie tevens geschikt is voor het onder spanning uitvoeren
van die werkzaamheden en door de daartoe bevoegde werknemer
doeltreffende maatregelen zijn genomen om de aan die werkzaamheden
verbonden gevaren te voorkomen.
6.Het derde lid is niet van toepassing op werkzaamheden die worden
uitgevoerd aan of in de nabijheid van een elektrische installatie voor
hoogspanning, bestaande uit:
a. het nemen en opheffen van veiligheidsmaatregelen, waaronder begrepen
het met geschikt materieel knippen of schieten van kabels;
b. het uitvoeren van metingen en beproevingen, of
c. het reinigen van elektrisch materieel.
7.Werkzaamheden bestaande uit het reinigen van elektrisch materieel in
een elektrische installatie voor hoogspanning als bedoeld in het zesde
lid, onder c, worden slechts uitgevoerd, indien:
a. tot het uitvoeren van die werkzaamheden door de daartoe bevoegde
werknemer uitdrukkelijk opdracht is gegeven;
b. gebruik wordt gemaakt van de voor deze werkzaamheden geschikte
arbeidsmiddelen, reinigingsmiddelen en persoonlijke
beschermingsmiddelen, en
c. de werknemers zich met de arbeidsmiddelen waarmee zij fysiek in
contact staan, niet behoeven te begeven in de gevarenzone van de
installatie of delen daarvan die onder spanning staan.
§ 2a. Explosieve atmosferen
Artikel 3.5a. Toepasselijkheid
Deze paragraaf is niet van toepassing op:
a. gebieden die direct gebruikt worden voor en gedurende de medische
behandeling van patiënten;
b. het gebruik van gastoestellen die vallen onder het Besluit
gastoestellen;
c. de vervaardiging, de bewerking, het gebruik, de opslag en het
transport van springstoffen of chemisch instabiele stoffen;
d. de winningsindustrie in dagbouw, de ondergrondse winningsindustrie en
de winningsindustrie die delfstoffen wint met behulp van boringen;
e. het gebruik van vervoermiddelen over land, over het water en door de
lucht, met uitzondering van de voertuigen bedoeld voor gebruik op
plaatsen waar zich een explosieve atmosfeer kan voordoen.
Artikel 3.5b. Samenwerking en coördinatie
1.Voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de wet worden
aangewezen de werkzaamheden verricht op arbeidsplaatsen waar explosieve
atmosferen heersen of kunnen optreden.
2.In aanvulling op artikel 19, tweede lid, van de wet coördineert de
werkgever die verantwoordelijk is voor de arbeidsplaats, bedoeld in het
eerste lid, de uitvoering van alle maatregelen inzake veiligheid en
gezondheid.
Artikel 3.5c. Nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie;
explosieveiligheidsdocument
1.De gevaren in verband met explosieve atmosferen en de bijzondere
risico's die daaruit kunnen voortvloeien, worden in het kader van de
risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet,
voor de aanvang van de arbeid en bij iedere belangrijke wijziging,
uitbreiding of verbouwing van de arbeidsplaats, de arbeidsmiddelen of
het arbeidsproces, in hun geheel beoordeeld en schriftelijk vastgelegd
in een explosieveiligheidsdocument.
2.Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval
rekening gehouden met:
a. de waarschijnlijkheid van het voorkomen en het voortduren van
explosieve atmosferen;
b. de waarschijnlijkheid dat ontstekingsbronnen, elektrostatische
ontladingen daaronder begrepen, aanwezig zijn, actief worden en
daadwerkelijk ontsteken;
c. de aanwezige installaties, de gebruikte stoffen, de processen en hun
mogelijke wisselwerkingen;
d. de omvang van de te verwachten gevolgen.
3.Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, worden tevens ruimten
in aanmerking genomen die via openingen verbonden zijn of kunnen worden
verbonden met ruimten waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen.
4.In het explosieveiligheidsdocument zijn ten minste vermeld:
a. een identificatie en beoordeling van de explosierisico's;
b. de wijze waarop de arbeidsplaatsen en de arbeidsmiddelen, met
inbegrip van de alarminstallaties, met de vereiste aandacht voor de
veiligheid zijn ontworpen, worden gebruikt of bediend en onderhouden;
c. welke gebieden zijn ingedeeld in zones als bedoeld in artikel 3.5d,
vijfde lid;
d. de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de maatregelen, bedoeld in
de artikelen 3.5d, 3.5e en 3.5f;
e. indien op arbeidsplaatsen als bedoeld in artikel 3.5b, eerste lid,
meerdere werkgevers arbeid doen verrichten, de wijze waarop voldaan is
aan artikel 19, tweede lid, van de wet en het doel, de maatregelen en de
wijze van uitvoering van de coördinatie, bedoeld in artikel 3.5b,
tweede lid.
Artikel 3.5d. Algemene preventieve maatregelen
1.Doeltreffende maatregelen zijn genomen om het ontstaan van een
explosieve atmosfeer op de arbeidsplaats te voorkomen.
2.Indien het voorkomen van het ontstaan van een explosieve atmosfeer,
gezien de aard van het werk niet mogelijk is, worden in de hieronder
aangegeven volgorde de volgende maatregelen genomen:
a. de ontsteking van explosieve atmosferen wordt voorkomen, waarbij
rekening wordt gehouden met elektrostatische ontladingen die van
werknemers of de arbeidsplaats als ladingsdrager of ladingsproducent
kunnen uitgaan;
b. de schadelijke gevolgen van een explosie worden beperkt.
3.In aanvulling op de maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid,
wordt de mogelijkheid tot uitbreiding van een explosie beperkt.
4.Indien werknemers of anderen door explosieve atmosferen gevaar kunnen
lopen, wordt, in aanvulling op het eerste tot en met het derde lid, de
arbeidsplaats zodanig ingericht dat veilig kan worden gewerkt en wordt
er op de arbeid passend toezicht, met inbegrip van het gebruik van
passende technische middelen, uitgeoefend. De inhoud en de mate van het
toezicht is afhankelijk van de uit de beoordeling, bedoeld in artikel
3.5c, eerste lid, gebleken gevaren.
5.Indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, is
gebleken dat er explosieve atmosferen kunnen voorkomen, worden gebieden
waar deze atmosferen kunnen heersen ingedeeld in gevarenzones als
bedoeld in bijlage I bij richtlijn nr. 1999/92/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 1999 (PbEG
2000, L 23) betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de
gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers die door
explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen (vijftiende bijzondere
richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van richtlijn nr.
89/391/EEG).
6.Gevarenzones worden gemarkeerd door middel van waarschuwingsborden die
voldoen aan de bepalingen, vastgesteld bij of krachtens afdeling 2 van
hoofdstuk 8.
Artikel 3.5e. Maatregelen in gevarenzones
In de gevarenzones, bedoeld in artikel 3.5d, vijfde lid, en met
betrekking tot de installaties in gebieden zonder explosiegevaar die
vereist zijn voor of bijdragen tot het explosieveilig gebruik van
installaties die zich op plaatsen bevinden waar explosiegevaar heerst,
worden in ieder geval de volgende maatregelen genomen:
a. vrijkomende gassen, dampen, nevels of brandbaar stof die
explosiegevaar kunnen doen ontstaan, worden op passende wijze afgevoerd
en onschadelijk gemaakt;
b. indien een explosieve atmosfeer meerdere soorten ontvlambare of
brandbare gassen, dampen, nevels of stoffen bevat, wordt bij de
veiligheidsmaatregelen uitgegaan van het grootste mogelijke risico op
basis van de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid;
c. installaties, apparaten, beveiligingssystemen en het
installatiemateriaal, worden, met inachtneming van onderdeel e, slechts
in gebruik genomen indien uit het explosieveiligheidsdocument op basis
van de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, is gebleken dat
aan het gebruik ervan geen explosiegevaar is verbonden;
d. onderdeel c is van overeenkomstige toepassing op arbeidsmiddelen en
de verbindingsstukken ervan die geen apparaten en beveiligingssystemen
zijn als bedoeld in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel, indien
hun opneming in de installaties aanleiding kan geven tot
ontstekingsgevaar;
e. voor zover het explosieveiligheidsdocument op basis van de
beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, geen andere eisen
stelt, worden in de gevarenzones apparaten en beveiligingssystemen
gebruikt overeenkomstig de categorieën als bedoeld in het
Warenwetbesluit explosieveilig materieel en toegepast volgens de
navolgende principes:
1°. gevarenzone 0 of 20: categorie 1-apparatuur;
2°. gevarenzone 1 of 21: categorie 1- of categorie 2-apparatuur;
3°. gevarenzone 2 of 22: categorie 1-, categorie 2- of categorie
3-apparatuur;
f. de nodige maatregelen worden getroffen ter voorkoming van
verwisseling van installatiemateriaal;
g. in gebieden waar een explosieve atmosfeer kan ontstaan wordt aan
werknemers werkkleding ter beschikking gesteld die voldoet aan afdeling
1 van hoofdstuk 8 en die door de werknemers bij de arbeid steeds wordt
gedragen;
h. indien een toestand ontstaat waarin een explosie zich kan gaan
voordoen, worden werknemers waar nodig optisch of akoestisch
gewaarschuwd en teruggetrokken;
i. voor de eerste inbedrijfstelling van een arbeidsplaats en bij iedere
belangrijke wijziging, uitbreiding of verbouwing van de arbeidsplaats,
arbeidsmiddelen of het arbeidsproces waarbij explosieve atmosferen
kunnen voorkomen, wordt de explosieveiligheid van de gehele installatie
gecontroleerd door een ter zake deskundig persoon.
Artikel 3.5f. Bijzondere maatregelen
Voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel
3.5c, eerste lid, hiertoe de noodzaak is gebleken, worden in aanvulling
op artikel 3.5e de volgende maatregelen genomen:
a. schriftelijke instructies worden verstrekt met betrekking tot de
uitvoering van de arbeid;
b. voor de aanvang van arbeid dat gevaar kan opleveren, wordt
toestemming verleend door een daartoe bevoegde persoon om deze arbeid te
verrichten;
c. apparaten en beveiligingssystemen worden, wanneer stroomuitval extra
gevaren teweeg kan brengen, onafhankelijk van de rest van de
installatie, bij stroomuitval in een veilige bedrijfstoestand
gehandhaafd;
d. automatisch gestuurde apparaten en beveiligingssystemen die van de
voorziene bedrijfsomstandigheden afwijken, worden zonder gevaar manueel
uitgeschakeld. Deze ingrepen worden door bevoegde werknemers uitgevoerd;
e. indien de noodstopinrichtingen in werking worden gesteld, wordt de
opgeslagen energie zo snel en zo veilig mogelijk afgevoerd of
geïsoleerd, zodat zij niet langer een bron van gevaar vormt;
f. vluchtmiddelen worden beschikbaar en gebruiksklaar gehouden zodat
werknemers de gevaarlijke gebieden snel en veilig kunnen verlaten.
§ 2b. Voor de gezondheid schadelijke atmosferen
Artikel 3.5g. Gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand
of explosie
1. Indien kan worden vermoed dat de atmosfeer op een plaats of in een
ruimte in zodanige mate stoffen bevat dat daardoor gevaar bestaat voor
verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie, mag de
werknemer zich alleen bevinden op die plaats of in die ruimte indien uit
onderzoek blijkt dat het gevaar niet aanwezig is.
2. Indien uit het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat
gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie
aanwezig is, worden doeltreffende maatregelen genomen, zodat de
werknemer zich zonder gevaren op die plaats of in die ruimte, bedoeld in
het eerste lid, kan bevinden.
3. Er is in ieder geval sprake van:
a. gevaar voor verstikking indien de atmosfeer minder dan 18
volumeprocent zuurstof bevat;
b. gevaar voor bedwelming of vergiftiging indien de concentratie van de
betreffende stoffen in de atmosfeer hoger is dan de grenswaarden,
bedoeld in artikel 4.3;
c. gevaar voor brand of explosie indien in de atmosfeer de concentratie
van zuurstof hoger is dan 21 volumeprocent of de concentratie van
brandbare gassen of dampen hoger is dan 10 volumeprocent van de onderste
explosiegrens.
4. Indien het niet mogelijk is om de maatregelen, bedoeld in het tweede
lid, te nemen en het noodzakelijk is om zich in de gevaarlijke
atmosfeer, bedoeld in het eerste lid, te begeven, dan wordt de werknemer
permanent geobserveerd en worden doeltreffende maatregelen genomen om
deze werknemer:
a. te beschermen tegen het gevaar, bedoeld in het tweede lid;
b. bij direct gevaar onmiddellijk op doeltreffende wijze hulp te bieden.
Artikel 3.5h. Veiligheid aan, op of in tankschepen
1.Artikel 3.5g is niet van toepassing ten aanzien van de volgende
werkzaamheden aan, op of in tankschepen van een bij ministeriële
regeling aangewezen categorie:
a. het schoonmaken;
b. het onderhouden, herstellen of verbouwen;
c. het geheel of gedeeltelijk slopen, waarbij gevaar bestaat voor brand,
explosie, vergiftiging, verstikking of bedwelming.
2.De in het eerste lid bedoelde werkzaamheden worden op veilige wijze
verricht door of onder toezicht van een persoon die beschikt over
voldoende deskundigheid.
3.Bij ministeriële regeling worden werkzaamheden aangewezen, die
uitsluitend worden verricht, indien een gasdeskundige vooraf de gevaren
voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers heeft beoordeeld en
een verklaring heeft afgegeven die voldoet aan een bij ministeriële
regeling vast te stellen model.
4.Een gasdeskundige als bedoeld in het derde lid is in het bezit van een
certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige, dat is afgegeven door Onze
Minister of een certificerende instelling.
5.Het certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige of een afschrift
daarvan is op de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond aan
de toezichthouder.
6.Ten aanzien van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden
bij ministeriële regeling nadere regels gesteld.
§ 3. Voorzieningen in noodsituaties
Artikel 3.6. Vluchtwegen en nooduitgangen
1.Doeltreffende maatregelen zijn genomen teneinde het mogelijk te maken
dat de werknemer, indien een toestand ontstaat waarin direct gevaar voor
zijn veiligheid of gezondheid aanwezig is, zich snel via de kortst
mogelijke weg in veiligheid kan stellen.
2.Het aantal, de plaats en de afmetingen van de daartoe beschikbare
vluchtwegen en nooduitgangen zijn afhankelijk van het gebruik, de
uitrusting en de afmetingen van de arbeidsplaatsen alsmede van het
maximum aantal werknemers en andere personen dat zich op deze plaatsen
kan ophouden.
Artikel 3.7. Veilig gebruik van vluchtwegen en nooduitgangen
1.Vluchtwegen en nooduitgangen zijn vrij van obstakels.
2.Nooduitgangen kunnen te allen tijde worden geopend.
3.Deuren van nooduitgangen en deuren op het traject van de vluchtwegen
zijn op eenvoudige wijze van binnen- uit naar buiten toe te openen.
4.Schuif- en draaideuren worden niet als nooduitgang gebruikt.
5.De vluchtwegen en nooduitgangen die bij het uitvallen van de
verlichting slecht zichtbaar zijn, zijn voorzien van een adequate
noodverlichting.
6.De vluchtwegen, de deuren en poorten op het traject van de vluchtwegen
alsmede de nooduitgangen zijn gemarkeerd door signalen die voldoen aan
het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde.
Artikel 3.8. Brandmelding en brandbestrijding
1.In aanvulling op artikel 15 van de wet zijn op arbeidsplaatsen,
afhankelijk van de aard van de arbeid die daar wordt verricht, de
daaraan verbonden gevaren en het maximum aantal werknemers en andere
personen dat zich daar bevindt, voldoende passende
brandbestrijdingsmiddelen aanwezig.
2.Indien nodig zijn, in aanvulling op het eerste lid, branddetectoren en
alarmsystemen aanwezig.
3.Niet-automatische brandbestrijdingsmiddelen zijn gemakkelijk
bereikbaar en gemakkelijk te bedienen.
4.Niet-automatische brandbestrijdingsmiddelen zijn voorzien van een
signalering die voldoet aan het bij of krachtens afdeling 2 van
hoofdstuk 8 bepaalde. De signalering is duurzaam en op de juiste plaats
aangebracht.
Artikel 3.9. Noodverlichting
Arbeidsplaatsen waar werknemers bij het uitvallen van het kunstlicht aan
bijzondere gevaren zijn blootgesteld, zijn voorzien van adequate
noodverlichting. Indien noodverlichting niet mogelijk is, beschikken de
werknemers over individuele verlichting.
Artikel 3.10. Redden van drenkelingen
Op arbeidsplaatsen waar gevaar voor verdrinking bestaat wordt dit gevaar
zoveel mogelijk voorkomen en zijn doelmatige middelen voor het redden
van drenkelingen op een goed zichtbare plaats beschikbaar.
§ 4. Inrichtingseisen
Artikel 3.11. Vloeren, muren en plafonds van arbeidsplaatsen
1.Vloeren van arbeidsplaatsen zijn zo veel mogelijk vrij van
oneffenheden en gevaarlijke hellingen en zijn voorts zo veel mogelijk
vast, stabiel en stroef.
2.Het oppervlak van vloeren, muren en plafonds van arbeidsplaatsen is
zodanig, dat deze ten behoeve van de hygiëne op de arbeidsplaats kunnen
worden schoongemaakt en onderhouden.
3.Besloten ruimten waar arbeid wordt verricht zijn, rekening houdend met
de aard van de werkzaamheden en de te leveren fysieke belasting,
voldoende thermisch geïsoleerd.
4.Transparante of lichtdoorlatende wanden van arbeidsplaatsen zijn, voor
zover mogelijk in verband met de aard van de arbeidsplaats:
a. duidelijk gemarkeerd en van veiligheidsmateriaal vervaardigd, of
b. op een zodanige wijze aangebracht of afgeschermd dat de werknemers
niet gewond kunnen raken.
Artikel 3.12. Ramen en bovenlichtvoorzieningen van de ruimten
1.Indien ramen, bovenlichtvoorzieningen en ventilatievoorzieningen
geopend en gesloten kunnen worden,
a. kan dit op veilige wijze geschieden,
b. kunnen zij tevens op veilige wijze geregeld en vastgezet worden, en
c. leveren zij in geopende stand geen gevaar op.
2.Ramen en bovenlichtvoorzieningen kunnen zonder gevaar worden
schoongemaakt.
Artikel 3.13. Deuren, beweegbare hekken en andere doorgangen
1.De plaats, het aantal en de afmeting van deuren, beweegbare hekken en
andere doorgangen alsmede de materialen waarvan zij zijn vervaardigd,
zijn afgestemd op de aard en het gebruik van de arbeidsplaats.
2.Op transparante deuren is op ooghoogte een markering aangebracht.
3.Afhankelijk van de aard van de arbeidsplaats en de arbeid die daar
wordt verricht, zijn klapdeuren transparant of van transparante panelen
voorzien.
4.Indien deuren of andere doorgangen beschikken over transparante of
lichtdoorlatende oppervlakten, zijn doeltreffende maatregelen genomen om
te voorkomen dat werknemers door ongewild contact met die oppervlakten
gewond raken.
5.Deuren en beweegbare hekken die uit of van hun geleidingen kunnen
raken zijn tegen uitlichten of aflopen dan wel tegen vallen geborgd.
6.Automatische deuren en hekken functioneren zodanig dat zij geen gevaar
opleveren. Zij zijn uitgerust met gemakkelijk herkenbare beveiligingen
die voorkomen dat werknemers gewond raken.
7.Automatische deuren en hekken kunnen met de hand worden geopend,
tenzij ze bij een stroomstoring automatisch opengaan.
8.In de onmiddellijke nabijheid van deuren, beweegbare hekken of andere
doorgangen die hoofdzakelijk voor verkeer van voertuigen of
transportmiddelen zijn bestemd, bevinden zich, tenzij de doorgang voor
voetgangers veilig is, afzonderlijke doorgangen voor voetgangers.
9.De in het achtste lid bedoelde doorgangen voor voetgangers zijn
duidelijk zichtbaar gemarkeerd en vrij van obstakels.
10.Kettingen of soortgelijke voorzieningen die worden gebruikt om te
verhinderen dat een bepaalde ruimte wordt betreden, zijn goed zichtbaar
en op doelmatige wijze voorzien van verbods- of waarschuwingsborden.
Artikel 3.14. Verbindingswegen
1.De verbindingswegen op de arbeidsplaats zijn zodanig gelegen en
ingericht dat zij op eenvoudige wijze, veilig en overeenkomstig hun
bestemming, door voetgangers en voertuigen of transportmiddelen kunnen
worden gebruikt.
2.Voorkomen wordt dat werknemers die in de nabijheid van de
verbindingswegen arbeid verrichten, gevaar lopen.
3.De afmeting van de verbindingswegen is afgestemd op het aantal
gebruikers en de aard van de arbeid die in het bedrijf of de inrichting
wordt verricht.
4.Indien op de verbindingswegen, voor zover het niet de openbare weg
betreft, voertuigen of transportmiddelen worden gebruikt, zijn de nodige
verkeersregels vastgesteld.
5.In gevallen als bedoeld in het vierde lid, is tevens een veilige
ruimte voor de voetgangers gewaarborgd of zijn andere doeltreffende
maatregelen ter bescherming van de voetgangers genomen.
6.De voor voertuigen of transportmiddelen bestemde verbindingswegen zijn
gelegen op voldoende afstand van de overige verbindingswegen op de
arbeidsplaats.
7.Voor zover het gebruik of de inrichting van de arbeidsplaats zulks
vereist, zijn de verbindingswegen duidelijk afgebakend.
Artikel 3.15. Markering gevaarlijke plaatsen
1.De plaatsen waar door de aard van het werk gevaar, met inbegrip van
valgevaar of gevaar voor vallende voorwerpen voorkomt of waar obstakels
die niet verwijderd kunnen worden een gevaar voor de veiligheid vormen
bij het verplaatsen van voertuigen of personen, worden duidelijk
gemarkeerd door signalen die voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2
van hoofdstuk 8 bepaalde.
2.Alleen werknemers die beroepshalve of uit hoofde van hun functie de in
het eerste lid bedoelde plaatsen moeten betreden, worden daar
toegelaten.
Artikel 3.16. Voorkomen valgevaar
1. Bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat is zo
mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht
of is het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige
hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen.
2. Er is in elk geval sprake van valgevaar bij aanwezigheid van
risicoverhogende omstandigheden, openingen in vloeren, of als het gevaar
bestaat om 2,5 meter of meer te vallen.
3. Hekwerken en leuningen worden als doelmatig aangemerkt indien zij
tenminste tot 1 meter boven het werkvlak beveiliging bieden tegen
vallen, dan wel voldoen aan het voor vloerafscheiding bepaalde bij of
krachtens het Bouwbesluit 2003.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op arbeid onder omstandigheden
waarin het gebruik van ladders en trappen is toegestaan als bedoeld in
artikel 7.23, tweede lid.
5. Indien de in het eerste lid genoemde voorzieningen niet of slechts
ten dele kunnen worden aangebracht of indien het aanbrengen of wegnemen
daarvan grotere gevaren meebrengt dan de arbeid ter beveiliging waarvan
zij zouden moeten dienen, zijn ter voorkoming van het gevaar voldoende
sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze
aangebracht of worden doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van
voldoende sterkte gebruikt dan wel worden andere technische middelen
toegepast, die ten minste een zelfde mate van beveiliging van de in het
eerste lid bedoelde arbeid geven. Daarbij hebben maatregelen gericht op
collectieve bescherming de voorrang boven maatregelen gericht op
individuele bescherming.
Artikel 3.17. Voorkomen gevaar door voorwerpen, producten, vloeistoffen
of gassen
Het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of
onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld
te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, wordt
voorkomen en indien dat niet mogelijk is zoveel mogelijk beperkt.
Artikel 3.16, vijfde lid, laatste volzin, is van toepassing.
Artikel 3.18. Specifieke maatregelen voor roltrappen, rolpaden en
laadplatforms
1.Roltrappen en -paden functioneren veilig en zijn uitgerust met de
noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen, waaronder begrepen gemakkelijk
herkenbare en toegankelijke noodstopvoorzieningen.
2.Laadplatforms en -hellingen zijn afgestemd op de afmetingen van de te
vervoeren ladingen. Zij beschikken over ten minste één uitgang.
Artikel 3.19. Afmetingen en luchtvolume van ruimten; bewegingsruimte op
de arbeidsplaats
1.De afmetingen en het luchtvolume van de arbeidsplaats zijn zodanig dat
de werknemer zonder gevaar voor de veiligheid of de gezondheid zijn
arbeid kan verrichten.
2.De afmetingen van de arbeidsplaats zijn zodanig dat de werknemer bij
het verrichten van zijn arbeid over voldoende bewegingsruimte beschikt.
3.Indien in verband met de aard van de arbeid niet aan het tweede lid
kan worden voldaan, is in de nabijheid een andere open of besloten
ruimte met voldoende bewegingsvrijheid voor de betrokken werknemers
beschikbaar.
§ 5. Ontspanningsruimten en andere voorzieningen
Artikel 3.20. Ontspanningsruimten
In het bedrijf of de inrichting of in de directe nabijheid daarvan is
een gemakkelijk toegankelijke ruimte beschikbaar waar de werknemers de
pauzes kunnen doorbrengen. Deze ruimte is daartoe geschikt alsmede,
afhankelijk van het aantal werknemers, voldoende ruim bemeten en
uitgerust met voldoende tafels en stoelen.
Artikel 3.21. Nachtverblijven
Voor werknemers die gedurende de tijdsruimte, gelegen tussen het einde
en het begin van de dagelijkse arbeidstijd, plegen te verblijven in het
bedrijf of de inrichting waar zij werkzaam zijn, is een nachtverblijf
beschikbaar. Een nachtverblijf is adequaat ingericht en is uitsluitend
bestemd voor personen van gelijk geslacht.
Artikel 3.22. Kleedruimten
1.Iedere werknemer beschikt over een plaats om zijn kleding op te
hangen.
2.Voor werknemers die speciale werkkleding moeten dragen zijn
doelmatige, voldoende ruime, van stoelen of banken voorziene en naar
seksen gescheiden kleedruimten beschikbaar; deze ruimten zijn zoveel
mogelijk gelegen in de nabijheid van de open of besloten ruimten waar de
arbeid pleegt te worden verricht. Natte werkkleding kan zo nodig worden
gedroogd.
3.In de kleedruimten kan kleding die de werknemers tijdens de arbeid
niet dragen, op doelmatige wijze en afgesloten worden bewaard.
4.Indien de omstandigheden zulks vereisen kunnen de speciale werkkleding
en de persoonlijke kleding van de werknemers gescheiden van elkaar, op
doelmatige wijze en afgesloten worden bewaard.
Artikel 3.23. Wasgelegenheden en doucheruimten
1.Indien werknemers bloot staan aan vuil of stof is een wasruimte met
een voldoende aantal wasbakken aanwezig. De wasbakken zijn functioneel
geplaatst en naar seksen gescheiden; ze beschikken over koud en zonodig
warm stromend water.
2.Indien werknemers zodanig bloot staan aan vuil, stof of hoge
temperaturen dat een reiniging van het lichaam nodig is die meer omvat
dan die van handen en gezicht of zulks uit de aard van hun arbeid of de
zorg voor de gezondheid voortvloeit, is tevens een doucheruimte met een
voldoende aantal douches aanwezig. De doucheruimte is voldoende ruim,
doelmatig ingericht en naar seksen gescheiden; de douches beschikken
over warm en koud stromend water.
3.Indien de douche- of wasruimten en de kleedruimten zich niet in
dezelfde ruimte bevinden, zijn deze onderling gemakkelijk en binnendoor
bereikbaar.
Artikel 3.24. Toiletten en wastafels
1.In een bedrijf of inrichting zijn in de nabijheid van de ruimten waar
de werknemers hun werkzaamheden verrichten een voldoende aantal
toiletten aanwezig.
2.In of in de onmiddellijke nabijheid van de ruimten waarin de toiletten
zich bevinden zijn voldoende wastafels.
3.De toiletten of het gebruik van de toiletten zijn naar seksen
gescheiden.
Artikel 3.25. Eerste-hulpposten
1.Indien de aard van de arbeid of de daaraan verbonden gevaren dit
noodzakelijk maken, zijn, in aanvulling op artikel 15 van de wet, in het
bedrijf of de inrichting voldoende eerste-hulpposten aanwezig.
2.In de eerste-hulpposten zijn duidelijk zichtbare instructies voor
eerste hulp bij ongevallen aanwezig.
3.In de eerste-hulpposten is een alarmnummer duidelijk zichtbaar
aangebracht.
4.De eerste-hulpposten zijn voorzien van de noodzakelijke
eerste-hulpuitrusting.
5.De eerste-hulpposten zijn gemakkelijk met brancards bereikbaar.
6.De eerste-hulpposten en de eerste-hulpuitrusting zijn voorzien van een
signalering die voldoet aan het bij of krachtens afdeling 2 van
hoofdstuk 8 bepaalde.
Afdeling 2. Aanvullende voorschriften bouwplaatsen
Artikel 3.26. Schakelbepaling
Op een bouwplaats zijn naast de voorschriften van afdeling 1 tevens de
voorschriften van deze afdeling van toepassing.
Artikel 3.27. Algemene vereisten
1.Een bouwplaats is gemarkeerd en afgebakend.
2.Op een bouwplaats is voldoende drinkwater of andere alcoholvrije drank
beschikbaar.
3.Op een bouwplaats zijn zo nodig faciliteiten voor het bereiden van
maaltijden beschikbaar.
Artikel 3.28. Stabiliteit en stevigheid
1.Werkplekken op een bouwplaats die niet op de begane grond zijn
gesitueerd, zijn stabiel en stevig, waarbij rekening wordt gehouden met
het aantal werknemers dat zich daar bevindt, de maximale belasting en de
verdeling daarvan alsmede met externe invloeden. Zonodig zijn ten
behoeve van de stabiliteit doeltreffende bevestigingsmiddelen
aangebracht.
2.De stabiliteit en de stevigheid worden regelmatig en in ieder geval na
iedere relevante verandering van de hoogte of de diepte van de in het
eerste lid bedoelde werkplekken, doeltreffend gecontroleerd.
Artikel 3.29. Elektrische installaties en leidingen
1.Elektrische installaties die voor de aanvang van de werkzaamheden
reeds op de bouwplaats aanwezig zijn, worden geïdentificeerd,
gecontroleerd en duidelijk gekenmerkt.
2.Bovengrondse elektriciteitsleidingen worden zoveel mogelijk buiten de
bouwplaats om geleid of spanningsloos gemaakt. Indien dat niet mogelijk
is worden hekken of waarschuwingsborden geplaatst.
3.Indien voertuigen onder elektriciteitsleidingen door moeten rijden
worden beschermingen onder de leidingen aangebracht.
4.Ondergrondse elektriciteitsleidingen, leidingen voor andere
distributiesystemen en kabels worden voor de aanvang van
grondverzetwerkzaamheden geïdentificeerd.
5.Doeltreffende maatregelen worden genomen om de gevaren voor werknemers
die zijn verbonden aan beschadiging van de in het vierde lid bedoelde
leidingen en kabels, zoveel mogelijk te voorkomen.
Artikel 3.30. Bouwputten, tunnels, uitgravingen en andere ondergrondse
werkzaamheden en grondverzetwerkzaamheden
1.In een bouwput, een tunnel, bij een uitgraving of andere ondergrondse
werkzaamheden worden doeltreffende stut- of taludvoorzieningen
aangebracht ter voorkoming van instorting of overstroming.
2.Bij grondverzetwerkzaamheden worden de uitgegraven aarde, het
gebruikte materiaal en de daarbij gebruikte voertuigen op veilige
afstand van de uitgraving gehouden. Zonodig wordt rond de uitgraving
doeltreffend hekwerk geplaatst.
Artikel 3.31. Metaal- en betonconstructies, bekistingen en zware
prefab-elementen
1.Metaal- en betonconstructies alsmede de onderdelen daarvan,
bekistingen, prefab-elementen of tijdelijke stutten en schoren worden
slechts gemonteerd of gedemonteerd onder toezicht van een speciaal
daartoe aangewezen persoon.
2.Bekistingen, tijdelijke stutten en schoren kunnen zonder gevaar voor
de werknemers de krachten dragen waaraan zij blootstaan.
Afdeling 3. Aanvullende voorschriften winningsindustrieën in dagbouw,
ondergronds of met behulp van boringen
Artikel 3.32. Schakelbepaling en toepasselijkheid
1.Op een arbeidsplaats in de winningsindustrie zijn naast de
voorschriften van afdeling 1, met uitzondering van paragraaf 2a van die
afdeling, tevens de voorschriften van deze afdeling van toepassing.
2.Deze afdeling is niet van toepassing op arbeid verricht in
winningsindustrieën in dagbouw met behulp van baggermaterieel.
Artikel 3.33. Schriftelijke voorlichting
Voor iedere arbeidsplaats in de winningsindustrie zijn schriftelijke
instructies opgesteld, waarin de regels zijn opgenomen die moeten worden
nageleefd om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers alsmede
het veilig gebruik van de arbeidsmiddelen te garanderen. Deze
instructies bevatten tevens aanwijzingen voor het gebruik van de
noodapparatuur en de te volgen handelwijze in noodsituaties.
Artikel 3.34. Gevaar voor explosie
De maatregelen gericht op het voorkomen van gevaar voor explosie,
bedoeld in artikel 3.5g, tweede lid, worden opgenomen in het veiligheids-
en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 2.42, tweede lid.
Artikel 3.35. Reanimatie-apparatuur
1.In aanvulling op artikel 15 van de wet, zijn in zones waar gevaar voor
verstikking, bedwelming of vergiftiging bestaat, doelmatige
reanimatie-apparaten aanwezig.
2.Op de arbeidsplaats in de winningsindustrie zijn voldoende werknemers
aanwezig die de in het eerste lid genoemde apparaten kunnen bedienen.
3.De reanimatie-apparaten worden doelmatig onderhouden en opgeslagen.
Artikel 3.36 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 3A. Aanvullende voorschriften winningsindustrieën in dagbouw
Artikel 3.36a. Schakelbepaling
Op een arbeidsplaats in de winningsindustrie in dagbouw zijn naast de
voorschriften van afdeling 3 van dit hoofdstuk tevens de voorschriften
van deze afdeling van toepassing.
Artikel 3.37. Voorkomen instabiliteit
1.Telkens voor de aanvang van werkzaamheden aan afgravings- of
ontginningsfronten boven werkterreinen of verkeerswegen, wordt nagegaan
of er geen instabiele massa’s of rotsblokken zijn. Losse steenblokken
worden zo nodig verwijderd.
2.Bij het ontginnen van fronten of steenhopen wordt gewaakt voor het
ontstaan van instabiliteit.
Afdeling 3B. Aanvullende voorschriften ondergrondse winningsindustrieën
Artikel 3.37a. Schakelbepaling
Op een arbeidsplaats in de ondergrondse winningsindustrie zijn naast de
voorschriften van afdeling 3 van dit hoofdstuk tevens de voorschriften
van deze afdeling van toepassing.
Artikel 3.37b. Plattegronden en bewegwijzering
1.Er worden plattegronden gemaakt en regelmatig bijgewerkt, waarop de
galerijen en de ontginningswerkzaamheden en alle bekende factoren die
van invloed kunnen zijn op de ontginning en de veiligheid daarvan zijn
aangegeven op een schaal die een duidelijke voorstelling mogelijk maakt.
De plattegronden zijn op de arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd
getoond aan de toezichthouder. De plattegronden zijn gemakkelijk
toegankelijk en worden zolang bewaard als met het oog op de veiligheid
noodzakelijk is.
2.In de galerijen is een bewegwijzering aangebracht, zodat de werknemers
zich gemakkelijk kunnen oriënteren.
Artikel 3.37c. Uitgangen
1.Iedere ondergrondse ontginning staat via ten minste twee afzonderlijke
uitgangen met de oppervlakte in verbinding. Deze uitgangen zijn degelijk
geconstrueerd en gemakkelijk toegankelijk voor de werknemers die
ondergrondse werkzaamheden verrichten.
2.Wanneer voor het gebruik van deze uitgangen een bijzondere
krachtsinspanning nodig is, zijn zij uitgerust met mechanische
transportmiddelen voor de werknemers.
Artikel 3.37d. Transportinstallaties
1.Transportinstallaties worden zodanig aangelegd, gebruikt en
onderhouden, dat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers die ze
besturen of gebruiken, of zich in de nabijheid daarvan ophouden,
gewaarborgd is.
2.Bij vervoer van werknemers met mechanische transportmiddelen wordt
gezorgd voor passende voorzieningen en speciale schriftelijke
instructies.
Artikel 3.37e. Ondersteuning en stabiliteit
1.Zo spoedig mogelijk na het delven worden er ondersteuningen
aangebracht, tenzij dit vanwege de stabiliteit van het terrein niet
noodzakelijk is voor de veiligheid van de werknemers. Deze
ondersteuningen worden volgens schema's en schriftelijke instructies
aangebracht.
2.Alle voor werknemers toegankelijke werkplekken worden regelmatig op de
stabiliteit van het terrein onderzocht.
3.Bij het onderhoud van de ondersteuningen wordt rekening gehouden met
de uitkomsten van het in het tweede lid bedoelde onderzoek.
Artikel 3.37f. Instortingen en waterdoorbraken
1.In zones waar zich instortingen of waterdoorbraken kunnen voordoen,
wordt een winningsprogramma opgesteld en uitgevoerd dat zoveel mogelijk
gericht is op een veilig werksysteem en op de bescherming van de
werknemers.
2.Er worden maatregelen genomen om de zones, bedoeld in het eerste lid,
te kunnen herkennen, om de werknemers die in of in de nabijheid van die
zones werken te beschermen en om de risico's te beheersen.
Artikel 3.37g. Voorkoming van brand en temperatuurstijging
1.Er worden maatregelen genomen om temperatuurstijgingen te voorkomen of
vroegtijdig te signaleren.
2.Het gebruik van brandbare materialen wordt tot het strikt
noodzakelijke minimum beperkt.
3.De te gebruiken hydraulische vloeistoffen zijn voorzover mogelijk
moeilijk ontvlambaar en voldoen aan specificaties en
beproevingsvoorwaarden betreffende de brandbaarheid ervan alsmede aan
criteria betreffende de hygiëne. Indien de te gebruiken hydraulische
vloeistoffen niet aan de in de eerste volzin gestelde eisen voldoen,
worden aanvullende maatregelen genomen.
Artikel 3.37h. Verlichting
In aanvulling op artikel 3.9 beschikt elke werknemer over een voor het
werk geschikte lamp.
Artikel 3.37i. Aanwezigheidscontrole
Het werk wordt zodanig georganiseerd dat op ieder moment kan worden
vastgesteld wie er ondergronds is.
Afdeling 3C. Aanvullende voorschriften winningsindustrieën met behulp
van boringen
Artikel 3.37j. Schakelbepaling
Op een arbeidsplaats in de winningsindustrie die delfstoffen wint met
behulp van boringen zijn naast de voorschriften van afdeling 3 van dit
hoofdstuk tevens de voorschriften van deze afdeling van toepassing.
Artikel 3.37k. Vereisten inrichting mijnbouwinstallaties
1.In aanvulling op de artikelen 3.2 en 3.3 zijn mijnbouwinstallaties
zodanig ontworpen, gebouwd, ingericht, bediend, gecontroleerd en
onderhouden dat zij aan de te verwachten omgevingskrachten weerstand
kunnen bieden. Zij dienen een constructie en stevigheid te hebben die
zijn afgestemd op het gebruik dat ervan wordt gemaakt.
2.Op mijnbouwinstallaties worden zo nodig brandbarrières aangebracht
met het oog op de afscheiding van zones waar brandrisico bestaat.
Artikel 3.37l [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 3.37m. Onderhoud van veiligheidsapparatuur
Doelmatige veiligheidsapparatuur staat steeds gebruiksklaar en wordt in
goede staat gehouden. Bij het onderhoud daarvan wordt naar behoren
rekening gehouden met de uitgeoefende activiteiten.
Artikel 3.37n. Nooduitgangen
1.Woon- en verblijfruimten op mijnbouwinstallaties hebben op elk niveau
ten minste twee afzonderlijke nooduitgangen, die zo ver mogelijk van
elkaar zijn gelegen en uitkomen in een veilige zone, een veilig
verzamelpunt of een veilig evacuatiestation.
2.In afwijking van artikel 3.7, vierde lid, zijn nooduitgangen op
mijnbouwinstallaties voorzien van deuren die op eenvoudige wijze van
binnenuit naar buiten toe zijn te openen of indien dit niet mogelijk is,
van schuifdeuren.
Artikel 3.37o [Vervallen per 28-12-2009]
Artikel 3.37p. Gevarenzones
1.Arbeidsplaatsen waar door de aard van het werk gevarenzones, met
inbegrip van valgevaar of gevaar voor vallende voorwerpen, voorkomen,
worden zoveel mogelijk uitgerust met voorzieningen die beletten dat
werknemers deze zones zonder toestemming betreden.
2.Er worden doeltreffende maatregelen getroffen om de werknemers die de
gevarenzones mogen betreden te beschermen.
Artikel 3.37q. Afstandsbediening in noodgevallen
1.Indien de veiligheid en de gezondheid van de werknemers dat vereisen
wordt bepaalde apparatuur in geval van nood vanaf geschikte locaties op
afstand bediend.
2.De apparatuur, bedoeld in het eerste lid, omvat systemen voor het
isoleren en afblazen van putten, installaties en pijpleidingen.
3.Ten behoeve van de afstandsbediening, bedoeld in het eerste lid, zijn
er controleposten op geschikte locaties die in geval van nood kunnen
worden gebruikt, indien nodig met inbegrip van controleposten op veilige
verzamelpunten en in evacuatiestations.
4.De apparatuur, bedoeld in het eerste lid, omvat tenminste systemen
voor ventilatie, het in noodgevallen afsluiten van apparatuur die een
ontbranding zou kunnen veroorzaken, het voorkomen van het ontsnappen van
ontvlambare vloeistoffen en gassen, brandbeveiliging en putbewaking.
Artikel 3.37r. Communicatiesystemen
1.Indien de veiligheid en de gezondheid van de werknemers dat vereisen
wordt iedere bemande arbeidsplaats uitgerust met:
a. een audiovisueel systeem waarmee een alarmmelding zo nodig kan worden
doorgestuurd naar elk bemand deel van de arbeidsplaats;
b. een luidsprekersysteem, dat duidelijk kan worden gehoord in alle
delen van de installatie waar zich vaak werknemers ophouden;
c. een systeem waarmee de verbinding met het vasteland en de
hulpdiensten kan worden onderhouden.
2.Op mijnbouwinstallaties blijven de systemen, bedoeld in het eerste
lid, in geval van nood operationeel. Het luidsprekersysteem wordt
aangevuld met communicatiesystemen die niet afhankelijk zijn van
kwetsbare stroomvoorzieningsinstallaties.
3.De voorzieningen voor het slaan van alarm zijn op doelmatige plaatsen
aangebracht.
4.Indien werknemers aanwezig zijn op arbeidsplaatsen die normaliter niet
door werknemers bemand zijn, is er een doelmatig communicatiesysteem.
Artikel 3.37s. Verzamelpunten en monsterrol
1.Indien de veiligheid en de gezondheid van de werknemers dat vereisen
worden er verzamelpunten vastgesteld, wordt een monsterrol bijgehouden
en worden de hiervoor noodzakelijke maatregelen getroffen.
2.Doelmatige maatregelen worden genomen om:
a. de evacuatiestations en de veilige verzamelpunten te beschermen tegen
warmte en rook, en, zoveel mogelijk, tegen de gevolgen van explosies;
b. de vluchtroutes van en naar de evacuatiestations en verzamelpunten te
allen tijde bruikbaar te laten blijven;
c. de evacuatiestations en de veilige verzamelpunten gemakkelijk
bereikbaar te laten zijn vanuit de verblijfsaccommodatie en de
werkruimten.
3.De maatregelen, bedoeld in het tweede lid, zijn zodanig dat ze de
werknemers lang genoeg bescherming bieden om, indien nodig, in alle
veiligheid een evacuatie- en reddingsoperatie te kunnen organiseren en
uitvoeren.
4.Indien de veiligheid en de gezondheid van de werknemers dat vereisen,
is een van de beschermde plaatsen, bedoeld in het eerste lid, voorzien
van afstandbedieningssystemen voor noodgevallen als bedoeld in artikel
3.37q en van een communicatiesysteem als bedoeld in artikel 3.37r,
eerste lid, onder c.
5.Op een mijnbouwinstallatie wordt voor elk veilig verzamelpunt een
lijst opgesteld, bijgehouden en ter plaatse aangeplakt met de namen van
de werknemers voor wie dat verzamelpunt is bestemd.
6.Een lijst met de namen van de werknemers die in geval van nood
speciale taken hebben wordt opgesteld en bijgehouden en op doelmatige
plaatsen aangeplakt. De namen van deze werknemers worden eveneens
vermeld in de schriftelijke instructies, bedoeld in artikel 3.33.
Artikel 3.37t. Reddingsmiddelen
1.Op een mijnbouwinstallatie zijn voor onmiddellijk gebruik voldoende
geschikte middelen voor redding, evacuatie en voor directe ontsnapping
in zee in noodgevallen beschikbaar.
2.Als evacuatie van werknemers moet geschieden langs moeilijke
vluchtwegen of via plaatsen waar de lucht niet of mogelijk niet
ingeademd kan worden, staat zelfreddingsapparatuur voor onmiddellijk
gebruik op de werkplek ter beschikking van de werknemers.
3.Reddingsmiddelen als bedoeld in het eerste lid voldoen aan de volgende
voorschriften:
a. ze zijn functioneel en zo nodig uitgerust met voorzieningen om lang
genoeg te kunnen overleven;
b. er zijn er voldoende van om alle werknemers die zich in de
installatie kunnen ophouden te kunnen evacueren;
c. het type is afgestemd op de arbeidsplaats;
d. ze zijn van betrouwbare materialen gemaakt, rekening houdend met de
reddingsfunctie en de omstandigheden waarin ze eventueel zullen worden
gebruikt of waarin ze gebruiksklaar worden gehouden; en
e. ze hebben een kleur die opvalt wanneer ze worden gebruikt en zijn
uitgerust met voorzieningen waarmee de gebruiker de aandacht van de
redders kan trekken.
4.Het materiaal, dat nodig is in geval bij een ongeval vervoer per
helikopter plaatsvindt, ligt gebruiksklaar opgeslagen in de
onmiddellijke nabijheid van de helikopterlandingsplaats.
Artikel 3.37u. Beveiliging noodsystemen
Op mijnbouwinstallaties worden branddetectie- en
brandbeschermingssystemen, inrichtingen voor brandblussing of
branddoving en alarmsystemen afgeschermd tegen ongelukken en wel op
zodanige wijze dat hun functies in noodgevallen operationeel blijven. Zo
nodig worden dergelijke systemen in dubbele uitvoering aangebracht.
Artikel 3.37v. Noodplan
1.Er wordt een noodplan opgesteld voor het geval dat iemand overboord
valt of de arbeidsplaats moet worden geëvacueerd.
2.Het noodplan, dat is gebaseerd op het veiligheids- en
gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 2.42, voorziet in het gebruik
van bijstandsboten en helicopters en bevat criteria voor de capaciteit
en de reactietijd daarvan. De vereiste reactietijd wordt in het
veiligheids- en gezondheidsdocument van elke installatie vermeld.
3.De bijstandsboten zijn doelmatig ontworpen en uitgerust en voldoen aan
de eisen in verband met evacuatie en redding.
4.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot het eerste tot en met derde lid.
Artikel 3.37w. Verblijfsaccommodatie
1.In aanvulling op artikel 3.21 wordt, wanneer de aard, de omvang en de
duur van de werkzaamheden op een mijnbouwinstallatie zulks vereisen, de
nodige verblijfsaccommodatie ter beschikking gesteld.
2.Leidingen die in geval van lekkage direct gevaar voor de gezondheid
kunnen opleveren worden buiten de accommodatie en de hiermee in
verbinding staande gangen gehouden. Deze accommodatie:
a. is afdoende beschermd tegen de gevolgen van explosies, binnendringen
van rook en gas en het uitbreken en de verbreiding van brand, zoals
omschreven in het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in
artikel 2.42;
b. is beschermd tegen weersomstandigheden en tegen geluids- en
stankhinder en ontwikkeling van rookgassen uit andere ruimten, welke
gevaarlijk voor de gezondheid kunnen zijn;
c. staat niet in rechtstreekse verbinding met besloten ruimten, waarin
machines, ketels, tanks, drukvaten en dergelijke zijn opgesteld;
d. is afgescheiden van elke werkplek en ligt buiten gevarenzones;
e. staat, voorzover het een slaapverblijf betreft, niet in rechtstreekse
verbinding met ontspanningsruimten, noch met ruimten voor het bereiden
en bewaren van voedsel.
3.De verblijfsaccommodatie is voorzien van voldoende bedden of kooien,
rekening houdend met het aantal werknemers dat naar verwachting in de
installatie zal slapen. In een slaapverblijf bevinden zich ten hoogste
twee slaapplaatsen.
4.Elke verblijfsaccommodatie beschikt over voldoende plaats voor het
opbergen van kleding.
Artikel 3.37x [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 3.37y. Veiligheid en stabiliteit
Tijdens de plaatsing van een mijnbouwinstallatie worden alle
noodzakelijke maatregelen genomen om de veiligheid en de gezondheid van
de werknemers te waarborgen.
Afdeling 4 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 3.38 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 3.39 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 3.40 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 5. Bijzondere sectoren en bijzondere categorieën werknemers
§ 1. Onderwijs
Artikel 3.41. Ontspanningsruimten, leerlingen en studenten
Artikel 3.20 is niet van toepassing op leerlingen respectievelijk
studenten in onderwijsinrichtingen.
§ 2. Vervoer
Artikel 3.42. Uitzonderingen voor vervoermiddelen
1.Op luchtvaartuigen, waarvoor vóór 1 januari 1997 een Nederlands of
daaraan gelijk gesteld bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven, zijn de
artikelen 3.4, 3.5, 3.7, vijfde lid, niet van toepassing, tenzij de
naleving daarvan redelijkerwijs kan worden gevergd.
2.Op zeeschepen en binnenvaartuigen, die vóór 1 januari 1994 zijn
gebouwd, zijn de artikelen 3.7, vijfde lid, 3.20, 3.22, 3.23 en 3.24
niet van toepassing, tenzij de naleving daarvan redelijkerwijs kan
worden gevergd.
3.De bouwdatum van een zeeschip wordt bepaald aan de hand van hetgeen
dienaangaande in artikel 2 van het Schepenbesluit 2004 of, indien het
een zeegaand vissersvaartuig betreft, in het Vissersvaartuigenbesluit of
het Vissersvaartuigenbesluit 2002 is bepaald.
4.Op voertuigen op een openbare weg of spoorweg, die vóór 1 januari
1994 zijn gebouwd, is artikel 3.7, vijfde lid, niet van toepassing,
tenzij de naleving daarvan redelijkerwijs kan worden gevergd.
5.De artikelen 3.4, 3.5 en 3.7, vijfde lid, zijn niet van toepassing op
het in bedrijven of inrichtingen aanwezige rollende materieel van
spoorwegondernemingen.
6.De artikelen 3.20 tot en met 3.25 zijn niet van toepassing op
luchtvaartuigen.
7.De artikelen 3.4, 3.5, 3.7, derde en vierde lid, 3.21, tweede volzin,
en 3.25 zijn niet van toepassing op zeeschepen en binnenvaartuigen.
8.De artikelen 3.20 tot en met 3.25 zijn niet van toepassing op
voertuigen op een openbare weg of een spoorweg.
9.Artikel 3.5h is niet van toepassing op tankschepen die zich buiten
Nederland bevinden.
§ 3. Justitiële inrichtingen
Artikel 3.43. Kleedruimten en enige andere voorzieningen
De artikelen 3.20 tot en met 3.25 zijn niet van toepassing op
arbeidsplaatsen in justitiële inrichtingen die vóór 1 september 1990
als zodanig in gebruik waren, voor zover de naleving daarvan
redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
Artikel 3.44. Vluchtwegen en nooduitgangen
De artikelen 3.6 en 3.7 zijn van toepassing op arbeid verricht in de
justitiële inrichting door justitieel personeel, gedetineerden of
jeugdigen, voor zover geen inbreuk wordt gemaakt op de orde, de
veiligheid of de goede gang van zaken in de justitiële inrichting of
het ongestoord verloop van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming
of andere beperkingen die krachtens enige wet door de daartoe bevoegde
autoriteiten zijn opgelegd. Daarbij worden in ieder geval zodanige
technische en organisatorische maatregelen getroffen dat het justitieel
personeel, de gedetineerden of jeugdigen zich in veiligheid kunnen
stellen.
§ 4. Jeugdigen
Artikel 3.45. Schakelbepaling
In aanvulling op het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk gelden voor
jeugdige werknemers tevens de in deze paragraaf genoemde voorschriften
en verboden.
Artikel 3.46. Deskundig toezicht
Artikel 1.37, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op jeugdige
werknemers die:
a. arbeid verrichten waarbij gevaar voor instorting bestaat;
b. arbeid verrichten aan, met of in de directe nabijheid van
hoogspanningsinstallaties, bedoeld in artikel 3.1.
§ 5. Zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie
Artikel 3.47. Schakelbepaling
In aanvulling op dit hoofdstuk gelden voor zwangere werknemers en
werknemers tijdens de lactatie tevens de in deze paragraaf genoemde
voorschriften.
Artikel 3.48. Rustruimten
Voor zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie is een
geschikte, af te sluiten besloten ruimte beschikbaar, waarin gelegenheid
is of onmiddellijk kan worden gemaakt voor het nemen van rust. In een
zodanige ruimte is een deugdelijk, al of niet opvouwbaar bed of een
deugdelijke rustbank beschikbaar.
Hoofdstuk 4. Gevaarlijke stoffen en biologische agentia
Afdeling 1. Gevaarlijke stoffen
§ 1. Definities en toepasselijkheid
Artikel 4.1. Definities
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. gevaarlijke stoffen: stoffen, mengsels of oplossingen van stoffen
waaraan werknemers bij de arbeid worden of kunnen worden blootgesteld
die vanwege de eigenschappen van of de omstandigheden waaronder die
stoffen, mengsels of oplossingen voorkomen gevaar voor de veiligheid of
gezondheid kunnen opleveren;
b. grenswaarde:
1°. de limiet van de concentratie of van het tijdgewogen gemiddelde van
de concentratie voor een gevaarlijke stof in de individuele
ademhalingszone van een werknemer gedurende een gespecificeerde
referentieperiode;
2°. de limiet van de concentratie in het passende biologische medium
van een gevaarlijke stof, de metabolieten daarvan of een indicator van
het effect van de betreffende stof gedurende een gespecificeerde
referentieperiode;
c. ongewilde gebeurtenis: een plotselinge situatie, ongeval, voorval of
noodsituatie die gevaar oplevert voor veiligheid en gezondheid van de
werknemer of zijn omgeving, en die gelet op de toegepaste stoffen,
procédés en maatregelen niet is voorzien.
Artikel 4.1a. Toepasselijkheid
1.De artikelen 4.1c, eerste lid, onderdeel h, 4.3, 4.4 en 4.10a, vijfde
lid, zijn niet van toepassing op kankerverwekkende of mutagene stoffen
en kankerverwekkende processen als bedoeld in afdeling 2 van dit
hoofdstuk en op asbest of asbesthoudende producten als bedoeld in
afdeling 5 van dit hoofdstuk.
2.Artikel 4.7 is niet van toepassing op bedrijven, inrichtingen of delen
daarvan waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 of afdeling
2 van hoofdstuk 2 van toepassing is.
3.Artikel 4.4 is niet van toepassing op loodwit als bedoeld in artikel
4.61b.
4.Artikel 4.10d is niet van toepassing op asbest of asbesthoudende
producten als bedoeld in afdeling 5 van dit hoofdstuk.
§ 2. Zorgplicht, maatregelen en nadere voorschriften
risico-inventarisatie en-evaluatie
Artikel 4.1b. Zorgplicht van de werkgever
1.In alle gevallen waarin werknemers worden of kunnen worden
blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, zorgt de werkgever voor een
doeltreffende bescherming van de gezondheid en veiligheid van de
werknemer.
2.Aan het bepaalde in het eerste lid wordt voldaan indien:
a. in het kader van de risico-inventarisatie en-evaluatie, bedoeld in
artikel 5 van de wet, de aard, mate en duur van de blootstelling is
beoordeeld in overeenstemming met artikel 4.2;
b. doeltreffende maatregelen zijn getroffen ter voorkoming of beperking
van de blootstelling in overeenstemming met de artikelen 4.1c en 4.4 dan
wel in overeenstemming met de artikelen 4.17, 4.18 en 4.19;
c. preventieve maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van ongewilde
gebeurtenissen in overeenstemming met artikel 4.6.
Artikel 4.1c. Beperken van blootstelling; algemene preventieve
maatregelen
1. In alle gevallen waarin arbeid wordt verricht waarbij werknemers
worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, wordt, in
het kader van artikel 3 van de wet, de blootstelling van werknemers aan
gevaarlijke stoffen voorkomen of geminimaliseerd door:
a. het ontwerp en de organisatie van de arbeidssystemen op de werkplek;
b. gebruik te maken van adequate arbeidsmiddelen;
c. gebruik te maken van adequate voorzieningen bij het uitvoeren van
reparatie- of onderhoudswerkzaamheden;
d. het aantal werknemers, dat wordt of kan worden blootgesteld te
minimaliseren;
e. de mate en duur van de blootstelling te minimaliseren;
f. huidcontact te voorkomen of te minimaliseren door het dragen van
doelmatige persoonlijke beschermingsmiddelen bij mogelijke blootstelling
aan een enkelvoudige of samengestelde stof:
1°. die voldoet aan de criteria voor classificatie met een effect op de
huid of ogen, inclusief de classificatie kankerverwekkend voor de huid,
volgens Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 27 juni 1967 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke
en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en
het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG 1967, 196) of Richtlijn
1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke
en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling,
de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG 1999, L
200);
2°. als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, of artikel 4.16, eerste
lid, en waarbij is aangegeven dat die door de huid kan worden opgenomen;
g. de grootst mogelijke zorgvuldigheid, ordelijkheid en zindelijkheid in
acht te nemen;
h. de hoeveelheid gevaarlijke stoffen op de werkplek zoveel mogelijk te
beperken;
i. passende werkmethoden in te voeren, met inbegrip van regelingen voor
de veilige behandeling, opslag en vervoer op de werkplek van gevaarlijke
stoffen en van afvalstoffen die gevaarlijke stoffen bevatten;
j. arbeid slechts te laten verrichten door personen die in een zodanige
lichamelijke en geestelijke toestand verkeren en op het gebied van die
arbeid over een zodanige basiskennis beschikken, dat zij voldoende in
staat zijn de daaraan verbonden gevaren te onderkennen en te voorkomen;
k. te zorgen dat op plaatsen waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn,
niet wordt gerookt, gegeten, gedronken, geslapen of voedsel wordt
bewaard.
2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn in overeenstemming
met de stand van de wetenschap en techniek.
Artikel 4.1d. Beperking van blootstelling; werkpleketikettering
1. In alle gevallen waarin arbeid wordt verricht waarbij werknemers
worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, wordt in
het kader van artikel 3 van de wet de blootstelling van werknemers aan
gevaarlijke stoffen voorkomen of geminimaliseerd door op de verpakking
van de gevaarlijke stof opvallend en goed leesbaar te vermelden:
a. de officiële naam van de gevaarlijke stof en de relevante
gevaarlijke bestanddelen; en
b. de gevaarsymbolen, gevaarbenamingen en de waarschuwingszinnen.
2. In afwijking van het eerste lid hoeven op laboratoriumhulpmiddelen
die voor steeds wisselende chemicaliën worden gebruikt, niet steeds
alle verplichte aanduidingen te zijn aangebracht. Worden deze
hulpmiddelen alleen gebruikt voor kortdurende handelingen dan zijn geen
aanduidingen verplicht. Worden deze hulpmiddelen gebruikt voor andere
dan kortdurende handelingen dan zijn op deze hulpmiddelen opvallend en
goed leesbaar vermeld:
a. voor een enkelvoudige stof: de officiële naam van de gevaarlijke
stof; en
b. voor een meervoudige stof: de officiële naam of namen van de
relevante gevaarlijke bestanddelen.
3. In het geval van opslag van gevaarlijke stoffen in grotere
hoeveelheden in speciale opslagruimten wordt aan het eerste lid voldaan
als de verplichte aanduidingen voor meerdere identieke verpakkingen door
middel van één etiketafdruk opvallend en goed leesbaar zijn
aangebracht. De aanduidingen zijn zodanig aangebracht dat voor elke
afzonderlijk opgeslagen verpakking te allen tijde ter plekke duidelijk
is dat de aanduidingen van toepassing zijn. Als gevaarlijke stoffen
uitsluitend voor de handel zijn opgeslagen, kan worden volstaan met het
aanbrengen van de bij aflevering in Nederland wettelijk verplichte
aanduidingen.
4. In geval van vervoer en laden en lossen van gevaarlijke stoffen wordt
aan het eerste lid voldaan als de vervoerders en de laders en lossers
tijdens hun werkzaamheden ter plekke beschikken over de gegevens die op
grond van het bij of krachtens de Wet milieubeheer bepaalde op het
etiket zouden moeten worden vermeld.
5. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover de Wet
vervoer gevaarlijke stoffen of de Wet gewasbeschermingsmiddelen en
biociden van toepassing zijn.
6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter
uitvoering van het eerste, tweede of derde lid.
Artikel 4.2. Nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie,
beoordelen
1.Indien werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke
stoffen, ongeacht of met deze stoffen daadwerkelijk arbeid wordt of zal
worden verricht, worden, in het kader van de risico-inventarisatie en
-evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, de aard, de mate en de duur
van die blootstelling beoordeeld teneinde de gevaren voor de werknemers
te bepalen.
2.Met betrekking tot de aard van de blootstelling wordt in ieder geval
vastgesteld aan welke gevaarlijke stoffen werknemers worden of kunnen
worden blootgesteld, wat de gevaren zijn die aan die stoffen zijn
verbonden, in welke situaties blootstelling zich kan voordoen en op
welke wijze blootstelling kan plaatsvinden.
3.Met betrekking tot de mate van blootstelling aan gevaarlijke stoffen
wordt in ieder geval vastgesteld wat het blootstellingniveau is.
4.Voor het doeltreffend vaststellen van het blootstellingniveau wordt
gebruik gemaakt van geschikte, genormaliseerde meetmethodes, dan wel
andere voor het doel geschikte meetmethodes of kwantitatieve
evaluatiemethodes.
5.Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval
de volgende aspecten betrokken:
a. de informatie over de veiligheid en gezondheid die door de
leverancier van een gevaarlijke stof bij of krachtens wettelijk
voorschrift moet worden verstrekt, alsmede de voor de risico-evaluatie
noodzakelijke aanvullende informatie van de leverancier of uit andere
gemakkelijk toegankelijke bronnen;
b. de omstandigheden tijdens werkzaamheden waarbij gevaarlijke stoffen
zijn betrokken, waaronder begrepen de hoeveelheid gevaarlijke stoffen
waaraan werknemers worden of kunnen worden blootgesteld;
c. de redelijkerwijs voorzienbare gebeurtenissen die kunnen leiden tot
een aanzienlijke toename van de mate van blootstelling ook indien er
preventieve maatregelen zijn getroffen;
d. de effectiviteit van de genomen of te nemen preventiemaatregelen;
e. voor zover van toepassing, de resultaten van de
arbeidsgezondheidskundige onderzoeken, bedoeld in de artikelen 4.10a en
4.10b.
6.Indien sprake is van verschillende gevaarlijke stoffen, wordt de
beoordeling, bedoeld in het eerste lid, gebaseerd op het risico dat die
gevaarlijke stoffen in combinatie opleveren.
7.De in het eerste lid bedoelde mate van blootstelling wordt
overeenkomstig het vierde lid getoetst aan de voor de betrokken stof
vastgestelde grenswaarde.
8.De beoordeling, bedoeld in het eerste lid, wordt regelmatig herzien,
in ieder geval indien wordt aangevangen met nieuwe werkzaamheden waarbij
gevaarlijke stoffen zijn betrokken en voorts wanneer gewijzigde
omstandigheden of de resultaten van de arbeidsgezondheidskundige
onderzoeken, bedoeld in de artikelen 4.10a en 4.10b, hiertoe aanleiding
geven.
9.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot dit artikel.
Artikel 4.2a. Nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie,
aanvullende registratie
Indien op de arbeidsplaats in verband met de aard van de werkzaamheden
die daar worden uitgevoerd, gevaarlijke stoffen plegen voor te komen die
bij of krachtens de Wet milieubeheer worden ingedeeld in de categorie
«voor de voortplanting vergiftig», bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede
lid, onder n, van die wet, alsmede stoffen als bedoeld in richtlijn nr.
67/548/EEG van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap van 27
juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het
kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196) die met de
waarschuwingszin R64 worden gekenmerkt overeenkomstig de criteria in
paragraaf 3.2.8 van bijlage VI bij deze richtlijn, worden met betrekking
tot die stoffen in de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in
artikel 5 van de wet, in aanvulling op artikel 4.2, de volgende gegevens
vermeld:
a. de hoeveelheid van de stof die per jaar pleegt te worden vervaardigd
of gebruikt dan wel aanwezig pleegt te zijn in verband met opslag;
b. het aantal werknemers dat arbeid pleegt te verrichten op de
arbeidsplaats waar de stof pleegt voor te komen;
c. de vorm van de arbeid die met de stof pleegt te worden verricht.
§ 3. Grenswaarden, arbeidshygiënische strategie en ventilatie
Artikel 4.3. Grenswaarden
1.Bij ministeriële regeling worden met betrekking tot in die regeling
aangewezen gevaarlijke stoffen grenswaarden vastgesteld.
2.Indien er geen wettelijke grenswaarde voor een bepaalde gevaarlijke
stof is vastgesteld, stelt de werkgever een grenswaarde voor die stof
vast. Deze grenswaarde is op een zodanig niveau vastgesteld dat er geen
schade kan ontstaan aan de gezondheid van de werknemer.
3.Bij overschrijding van een grenswaarde worden, met inachtneming van
artikel 4.4, onverwijld doeltreffende maatregelen genomen om de
concentratie terug te brengen tot beneden die waarde.
4.Zolang de maatregelen, bedoeld in het derde lid, nog niet volledig ten
uitvoer zijn gelegd of niet tot een doeltreffende bescherming leiden,
wordt de arbeid alleen voortgezet, indien doeltreffende maatregelen zijn
genomen om schade aan de gezondheid van de werknemers te voorkomen.
Artikel 4.4. Arbeidshygiënische strategie
1.Voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel
4.2, blijkt dat er gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van de
werknemers bestaat, zijn doeltreffende maatregelen genomen om te
voorkomen dat de werknemers bij hun arbeid kunnen worden blootgesteld
aan gevaarlijke stoffen in zodanige mate, dat hun veiligheid in gevaar
kan worden gebracht of dat schade kan worden toegebracht aan hun
gezondheid.
2.Voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, worden bij de toepassing
van het eerste lid gevaarlijke stoffen vervangen door stoffen waarbij de
werknemers, gelet op de eigenschappen van die stoffen, de aard van de
arbeid, de werkmethoden en de werkomstandigheden, niet of minder aan
gevaar voor hun veiligheid of gezondheid worden blootgesteld.
3.Indien vervanging redelijkerwijs niet mogelijk is of indien er nog een
gevaar voor de veiligheid of gezondheid van de werknemers resteert,
worden voor de toepassing van het eerste lid, zodanige technische
maatregelen, werkprocessen, uitrustingen en materialen toegepast, dat
het vrijkomen van gevaarlijke stoffen is voorkomen of zodanig beperkt,
dat gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers is
voorkomen of zoveel mogelijk verminderd.
4.Voor zover de maatregelen, genoemd in het tweede en derde lid,
redelijkerwijs niet mogelijk zijn of het gevaar voor de veiligheid of de
gezondheid niet volledig wegnemen, worden voor de toepassing van het
eerste lid collectieve beschermingsmaatregelen bij de bron of
organisatorische maatregelen getroffen, zodanig dat gevaar voor de
veiligheid of de gezondheid wordt voorkomen.
5.Voor zover de maatregelen zoals genoemd in het tweede, derde en vierde
lid, redelijkerwijs niet mogelijk zijn of het gevaar voor de veiligheid
of de gezondheid niet volledig wegnemen, worden voor de toepassing van
het eerste lid, daarvoor geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen ter
beschikking gesteld.
6.De duur van het dragen van de persoonlijke beschermingsmiddelen,
bedoeld in het vijfde lid, wordt voor ieder van de werknemers tot het
strikt noodzakelijke beperkt.
Artikel 4.5. Ventilatie
1.Indien verontreinigde lucht wordt afgevoerd, is gelijktijdig voldoende
toevoer van niet-verontreinigde lucht gewaarborgd.
2.Het is verboden lucht die een gevaarlijke stof bevat, opnieuw in
circulatie te brengen naar een arbeidsplaats waar de betreffende stof
niet aanwezig is.
3.Het is verboden de lucht, die een stof bevat als bedoeld in het vierde
lid opnieuw op dezelfde arbeidsplaats in circulatie te brengen, tenzij
de werkgever aantoont dat de concentratie van een stof als bedoeld in
het vierde lid in de lucht die wordt toegevoerd aan die arbeidsplaats,
ten hoogste één tiende deel van de voor die stof vastgestelde
grenswaarde bedraagt.
4.Dit artikel is van toepassing op de volgende stoffen:
a. kankerverwekkende en mutagene stoffen als bedoeld in artikel 4.11,
onderdelen b en d;
b. een stof die vrijkomt bij een kankerverwekkend proces als bedoeld in
artikel 4.11, onderdeel c;
c. stoffen die voldoen aan de criteria, vastgesteld op grond van artikel
9.2.3.1, derde lid, van de Wet milieubeheer voor toekenning van de R-zin
«kan overgevoeligheid veroorzaken bij inademing (R42)».
§ 4. Maatregelen bij specifieke omstandigheden
Artikel 4.6. Voorkomen van ongewilde gebeurtenissen
1.In alle gevallen waarin werknemers worden of kunnen worden
blootgesteld aan gevaarlijke stoffen zijn zodanige maatregelen getroffen
dat het gevaar, dat zich met betrekking tot die stoffen of met
betrekking tot de arbeid met die stoffen een ongewilde gebeurtenis
voordoet, zoveel mogelijk is vermeden. Met name worden maatregelen
getroffen om:
a. de aanwezigheid van gevaarlijke concentraties van ontvlambare stoffen
of gevaarlijke hoeveelheden chemisch onstabiele stoffen op de werkplek
te voorkomen of, wanneer dat gezien de aard van de werkzaamheden niet
mogelijk is;
b. ervoor te zorgen dat er geen ontbrandingsbronnen aanwezig zijn die
brand en explosies kunnen veroorzaken, of om ongunstige omstandigheden
te vermijden die ertoe kunnen leiden dat chemisch onstabiele stoffen of
mengsels van stoffen ongelukken met ernstige fysieke gevolgen
veroorzaken, en
c. de schadelijke gevolgen voor de gezondheid en de veiligheid van de
werknemers als gevolg van brand en explosies ten gevolge van het
ontbranden van ontvlambare stoffen, of ernstige fysieke gevolgen ten
gevolge van ongelukken veroorzaakt door chemisch onstabiele stoffen of
mengsels van stoffen te verminderen.
2.De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn afgestemd op de aard
van de activiteiten, waaronder begrepen opslag, behandeling en scheiding
van onverenigbare gevaarlijke stoffen, en deze maatregelen beschermen de
werknemers tegen de gevaren van fysisch-chemische eigenschappen van
gevaarlijke stoffen.
3.De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn, voor zover van
toepassing, in overeenstemming met het Warenwetbesluit explosieveilig
materieel.
Artikel 4.7. Maatregelen bij ongewilde gebeurtenissen
1.Voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel
4.2, blijkt dat er gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van de
werknemers bestaat, zijn in aanvulling op artikel 15 van de wet
doeltreffende procedures opgesteld die in werking treden indien zich een
ongewilde gebeurtenis voordoet.
2.Op grond van de procedures, bedoeld in het eerste lid, zijn zodanige
technische of organisatorische maatregelen genomen, dat wanneer zich een
ongewilde gebeurtenis voordoet de gevolgen hiervan zoveel mogelijk
worden beperkt.
3.Ter naleving van het tweede lid worden in ieder geval de volgende
maatregelen genomen:
a. er worden onmiddellijk doeltreffende maatregelen genomen om de
gevolgen van een ongewilde gebeurtenis zoveel mogelijk te beperken en er
wordt zo spoedig mogelijk zorg gedragen voor het herstel van de veilige
toestand;
b. de werknemers worden onverwijld ingelicht over de ongewilde
gebeurtenis en er wordt zorg voor gedragen dat zij zich verwijderen uit
de getroffen zone;
c. uitsluitend de werknemers of andere personen, belast met het
uitvoeren van de noodzakelijke herstelwerkzaamheden, betreden, met
gebruik van doeltreffende middelen en persoonlijke beschermingsmiddelen,
de getroffen zone;
d. de werknemers en andere personen, bedoeld in onderdeel c, zijn niet
langer dan strikt noodzakelijk voor het herstel van de veilige toestand
in de getroffen zone aanwezig;
e. er zijn in aanvulling op artikel 15 van de wet doeltreffende
waarschuwings- en andere communicatiesystemen beschikbaar ten behoeve
van de signalering van een toegenomen risico voor de veiligheid en
gezondheid en die voldoen aan het bepaalde bij of krachtens afdeling 2
van hoofdstuk 8;
f. er wordt voorkomen dat anderen dan de werknemers en andere personen,
bedoeld in onderdeel c, de getroffen zone betreden.
4.De werkgever zorgt ervoor dat de bedrijfshulpverleners, bedoeld in
artikel 15 van de wet, en de externe hulpverleningsorganisaties
desgewenst kennis kunnen nemen van de maatregelen, bedoeld in het derde
lid.
5.De informatie over de maatregelen, bedoeld in het vierde lid, omvat in
ieder geval:
a. een beschrijving van de gevaren op grond van de beoordeling, bedoeld
in artikel 4.2;
b. een beschrijving van de redelijkerwijs voorzienbare specifieke
gevaren op grond van de beoordeling, bedoeld inartikel 4.2, die kunnen
ontstaan bij een ongewilde gebeurtenis;
c. een beschrijving van de maatregelen die zijn getroffen ter naleving
van artikel 4.6, eerste en tweede lid;
d. een omschrijving van de procedures, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4.8. Ontplofbare stoffen
1.Arbeid waarbij voor demolitie, zijnde het springen van objecten of
materialen, of voor onderhoud, gebruik wordt gemaakt van stoffen die op
grond van de Wet milieubeheer voldoen aan de criteria voor indeling in
de categorie«ontplofbaar», bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid,
onder a, van die wet, wordt verricht volgens een vooraf opgesteld
springplan of, bij de verkenning naar, opsporing of winning van
delfstoffen, een vooraf opgesteld programma. De inhoud van het
springplan of programma bevat een deugdelijke beschrijving van de uit te
voeren werkzaamheden, de daaraan verbonden gevaren en de wijze waarop
deze gevaren zoveel mogelijk voorkomen of beperkt zullen worden.
2.Demolitie- en onderhoudswerkzaamheden als bedoeld in het eerste lid
worden verricht door of onder voortdurend toezicht van een persoon die
in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid springmeester met
betrekking tot de soort arbeid die wordt verricht dat is afgegeven door
Onze Minister of een certificerende instelling.
3.Werkzaamheden bestaande uit het springen van materialen ten behoeve
van de verkenning, opsporing of winning van delfstoffen als bedoeld in
het eerste lid worden verricht door personen die in het bezit zijn van
een getuigschrift van schietmeester dat is afgegeven door Onze Minister
of een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling.
4.Het springplan of programma, bedoeld in het eerste lid, het
certificaat van vakbekwaamheid springmeester, bedoeld in het tweede lid,
dan wel het getuigschrift van schietmeester, bedoeld in het derde lid,
of een afschrift daarvan zijn op de arbeidsplaats beschikbaar en worden
desgevraagd getoond aan de toezichthouder.
Artikel 4.9. Professioneel vuurwerk
1. Arbeid waarbij consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik als bedoeld in artikel
1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit tot ontbranding worden
gebracht, ten behoeve daarvan ter plaatse worden opgebouwd,
geïnstalleerd, gemonteerd, geassembleerd, dan wel na ontbranding
verwijderd, wordt verricht volgens een vooraf opgesteld werkplan, dat
een deugdelijke beschrijving bevat van de uit te voeren werkzaamheden,
de daaraan verbonden gevaren en de wijze waarop deze gevaren zoveel
mogelijk voorkomen of beperkt zullen worden.
2. De arbeid, bedoeld in het eerste lid, alsmede arbeid bestaande uit
het bewerken van consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in een inrichting als
bedoeld in artikel 3.2.1 of 3A.2.1 van het Vuurwerkbesluit, wordt
verricht door of onder voortdurend toezicht van een persoon, die in het
bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid consumentenvuurwerk,
professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling.
3. Het in het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde werkplan en
certificaat van vakbekwaamheid of een afschrift daarvan zijn op de
arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd getoond aan de
toezichthouder.
4. Ten aanzien van het werkplan, bedoeld in het eerste lid, worden bij
ministeriële regeling nadere regels gesteld.
Artikel 4.10. Conventionele explosieven
1.In dit artikel wordt verstaan onder:
a. conventionele explosieven: elk explosief dat geen geïmproviseerd,
nucleair, biologisch of chemisch explosief is;
b. opsporen: het detecteren, lokaliseren, laagsgewijs ontgraven,
identificeren, tijdelijk veiligstellen van de situatie en overdragen;
c. detecteren: het vaststellen van de aanwezigheid van een object dat
mogelijk een conventioneel explosief is op basis van de beoordeling van
meetgegevens;
d. lokaliseren: het driedimensionaal vaststellen van de ligplaats van
het gedetecteerde object;
e. identificeren: het vaststellen of het gelokaliseerde object een
conventioneel explosief is en het bepalen van de soort, subsoort,
wapeningstoestand, kaliber en nationaliteit van het object;
f. tijdelijk veiligstellen van de situatie: de activiteiten die volgen
op het identificeren en die nodig zijn voor het beheersen van de
uitwerkingsrisico’s van het conventionele explosief in de relatie tot
de omgeving tot het tijdstip van overdragen;
g. overdragen: het overdragen van de conventionele explosieven aan een
van de explosieven opruimingsdiensten van het ministerie van Defensie.
2.Arbeid bestaande uit het opsporen van conventionele explosieven wordt
verricht door een bedrijf dat voor de te verrichten arbeid in het bezit
is van een procescertificaat opsporen conventionele explosieven dat is
afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling.
3.Het certificaat, bedoeld in het tweede lid, of een afschrift daarvan
is op de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond aan de
toezichthouder.
§ 5. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
Artikel 4.10a. Onderzoek
1.Iedere werknemer die voor de eerste keer kan worden blootgesteld aan
gevaarlijke stoffen, wordt, in aanvulling op artikel 18 van de wet, in
de gelegenheid gesteld om vóór de aanvang van de werkzaamheden waarbij
blootstelling kan ontstaan een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te
ondergaan.
2.Indien bij een werknemer een schadelijke invloed op de gezondheid dan
wel een aantoonbare ziekte wordt geconstateerd die het gevolg zou kunnen
zijn van blootstelling aan gevaarlijke stoffen, worden werknemers, die
op soortgelijke wijze zijn blootgesteld, tussentijds in de gelegenheid
gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.
3.Op verzoek van de werkgever of de betrokken werknemer wordt het
arbeidsgezondheidskundig onderzoek opnieuw aangeboden, dan wel opnieuw
uitgevoerd. De resultaten van het hernieuwde onderzoek treden in de
plaats van het daaraan voorafgaande.
4.De werknemer wordt geïnformeerd over de wijze waarop hij na
beëindiging van de blootstelling in de gelegenheid wordt gesteld een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.
5.Alle gegevens die nodig zijn om de blootstelling van de werknemers aan
gevaarlijke stoffen te kunnen beoordelen en te kunnen adviseren over de
periodiciteit en inhoud van de arbeidsgezondheidskundige onderzoeken, en
de te nemen preventieve maatregelen kunnen worden ingezien door de
deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de
arbodienst.
Artikel 4.10b. Onderzoek en biologische grenswaarden
1.Iedere werknemer die wordt of kan worden blootgesteld aan gevaarlijke
stoffen waarvoor een biologische grenswaarde als bedoeld in artikel 4.1,
tweede lid, onderdeel b, is vastgesteld, wordt in de gelegenheid gesteld
om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan:
a. vóór de aanvang van de blootstelling;
b. bij het overschrijden van de biologische grenswaarde.
2.Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, omvat onder meer een
onderzoek naar het gehalte van de betreffende stof in het bij de
biologische grenswaarde vastgestelde biologische medium.
3.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het onderzoek,
bedoeld in het tweede lid, in de in deze regeling bepaalde gevallen
wordt vervangen door een meting van andere biologische indicatoren.
4.Bij ministeriële regeling worden de methoden vastgesteld, volgens
welke het gehalte van de desbetreffende stof, bedoeld in het tweede lid,
wordt gemeten.
5.Bij ministeriële regeling wordt de frequentie van het onderzoek
vastgesteld.
Artikel 4.10c. Dossiers en registratie
1.De deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de
arbodienst houdt van iedere werknemer die een arbeidsgezondheidskundig
onderzoek als bedoeld in de artikelen 4.10a en 4.10b heeft ondergaan,
een persoonlijk medisch dossier bij.
2.Iedere werknemer heeft recht op inzage in het hem betreffende medisch
dossier.
3.De resultaten van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek kunnen,
voorzien van een toelichting, in statistische, niet tot individuen
herleidbare vorm worden ingezien door de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, door de
belanghebbende werknemers.
4.De resultaten van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek worden in
passende vorm geregistreerd en voor iedere werknemer tot ten minste 40
jaar na beëindiging van diens blootstelling aan gevaarlijke stoffen
bewaard, evenals de lijst van werknemers, bedoeld in artikel 4.15, en
het register van blootgestelde werknemers, bedoeld in artikel 4.53,
eerste lid.
5.In geval de werkzaamheden in het bedrijf of de inrichting van de
werkgever gedurende de termijn van 40 jaar, bedoeld in het vierde lid,
worden gestaakt, worden de documenten, bedoeld in het vierde lid,
overgedragen aan de toezichthouder.
§ 6. Bijzondere bepalingen inzake voorlichting en onderricht
Artikel 4.10d. Voorlichting en onderricht
1.In alle gevallen waarbij arbeid wordt verricht waarbij werknemers
worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, wordt in
overeenstemming met artikel 8 van de wet, voorlichting en onderricht
gegeven, waarbij ten minste aandacht wordt besteed aan:
a. de mogelijke gevaren voor de veiligheid en de gezondheid die zijn
verbonden aan het werken met gevaarlijke stoffen op grond van de
resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2;
b. de aard van de blootstelling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid;
c. de grenswaarden;
d. de te treffen voorzorgsmaatregelen om blootstelling te voorkomen of
te beperken tot een zo laag mogelijk niveau;
e. de te treffen voorzorgsmaatregelen om zoveel mogelijk te voorkomen
dat zich met betrekking tot gevaarlijke stoffen een ongewilde
gebeurtenis voordoet;
f. de hygiënische maatregelen;
g. het dragen en gebruiken van persoonlijke beschermingsmiddelen;
h. de te nemen maatregelen in geval zich een ongewilde gebeurtenis
voordoet met gevaarlijke stoffen.
2.De werkgever brengt de werknemers op de hoogte van de informatie over
de veiligheid en gezondheid die door de leverancier van een gevaarlijke
stof wordt verstrekt, waaronder begrepen de verplichte informatie die
bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt verstrekt.
3.De wijze van voorlichting en onderricht is afgestemd op de resultaten
van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2.
4.De voorlichting en het onderricht worden geactualiseerd indien
gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
Afdeling 2. Aanvullende voorschriften kankerverwekkende of mutagene
stoffen en kankerverwekkende processen
§ 1. Definities en toepasselijkheid
Artikel 4.11. Definities
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. richtlijn: Richtlijn nr. 2004/37/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van de werknemers
tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene
agentia op het werk (zesde bijzondere richtlijn in de zin van artikel
16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad)(gecodificeerde versie)
(Pb EU L 158);
b. kankerverwekkende stof:
1°. een enkelvoudige stof die moet worden geclassificeerd als een
categorie 1 of 2 carcinogeen volgens de criteria van bijlage VI bij
Richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
27 juni 1967 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het
kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG 196), alsmede een stof als
bedoeld in bijlage I bij de richtlijn;
2°. een meervoudige stof die bestaat uit een of meer stoffen als
bedoeld onder 1°, waarbij de concentratiegrens is vastgesteld in
bijlage I bij Richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de onderlinge aanpassing van
de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de
verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG 196) en, voor
zover het een stof betreft die in laatstbedoelde bijlage niet is
opgenomen of zonder concentratiegrens is opgenomen, een stof waarbij de
concentratiegrens is vastgesteld in bijlage II, deel B, bij richtlijn
nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de
indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG
L 200) alsmede een meervoudige stof als bedoeld in bijlage I bij de
richtlijn;
c. kankerverwekkend proces:
1°. een proces als bedoeld in bijlage I bij de richtlijn alsmede een
stof die vrijkomt bij een proces als bedoeld in bijlage I bij de
richtlijn;
2°. een bij ministeriële regeling aan te wijzen proces waarbij
meervoudige stoffen vrijkomen die worden ingedeeld in één van de in
onderdeel b, onder 1°, genoemde categorieën waarvoor voor de
afzonderlijke stoffen geen concentratiegrenzen gelden.
d. mutagene stof:
een enkelvoudige stof die moet worden geclassificeerd als een categorie
1 of 2 mutageen volgens de criteria van bijlage VI bij richtlijn nr.
67/548/EEG van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap van 27
juni 1967 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het
kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196);
een meervoudige stof die bestaat uit een of meer stoffen als bedoeld
onder 1°, waarbij de concentratiegrens is vastgesteld in bijlage I bij
richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Economische
Gemeenschap van 27 juni 1967 betreffende de onderlinge aanpassing van de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de
verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196) en,
voor zover het een stof betreft die in laatstbedoelde bijlage niet is
opgenomen of zonder concentratiegrens is opgenomen, een stof waarbij de
concentratiegrens is vastgesteld in bijlage II, deel B, bij richtlijn
nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de
indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG
L 200);
e. gevarenzone: plaats binnen een bedrijf of inrichting waar werknemers
worden of kunnen worden blootgesteld aan mutagene of kankerverwekkende
stoffen, of stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen.
Artikel 4.12. Schakelbepaling
In alle gevallen waarin arbeid wordt verricht waarbij werknemers worden
of kunnen worden blootgesteld aan kankerverwekkende of mutagene stoffen
of aan stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen, is naast
afdeling 1 van dit hoofdstuk, met inachtneming vanartikel 4.1a, eerste
lid, tevens deze afdeling van toepassing.
§ 2. Schriftelijke beoordeling en vastlegging van gegevens
Artikel 4.13. Nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie
In alle gevallen waarin arbeid wordt verricht waarbij werknemers worden
of kunnen worden blootgesteld aan kankerverwekkende of mutagene stoffen
of aan stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen, worden,
met betrekking tot deze stoffen of processen in de risico-inventarisatie
en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet en in aanvulling op
artikel 4.2, in ieder geval de volgende gegevens opgenomen:
a. de reden waarom het gebruik van een kankerverwekkende stof of het
toepassen van een kankerverwekkend proces voor het verrichten van de
arbeid strikt noodzakelijk is en vervanging technisch niet uitvoerbaar
is;
b. de hoeveelheid van de kankerverwekkende of mutagene stof die per jaar
pleegt te worden vervaardigd of gebruikt dan wel aanwezig pleegt te zijn
in verband met de opslag respectievelijk de frequentie waarmee een
proces per jaar pleegt te worden toegepast;
c. de soort arbeid die met de kankerverwekkende of mutagene stof pleegt
te worden verricht of waarbij het kankerverwekkende proces pleegt te
worden toegepast;
d. het aantal werknemers dat aan een kankerverwekkende of mutagene stof
of een kankerverwekkend proces pleegt te worden blootgesteld of kan
worden blootgesteld;
e. de preventieve maatregelen die zijn genomen om de blootstelling van
werknemers aan kankerverwekkende of mutagene stoffen of aan stoffen die
vrijkomen bij kankerverwekkende processen te voorkomen of te
minimaliseren;
f. de persoonlijke beschermingsmiddelen die worden gebruikt bij arbeid
waarbij werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan
kankerverwekkende of mutagene stoffen of aan stoffen die vrijkomen bij
kankerverwekkende processen;
g. de gevallen waarin kankerverwekkende of mutagene stoffen of
kankerverwekkende processen worden vervangen door stoffen of processen
waarbij de werknemers niet of minder aan gevaar voor hun veiligheid of
gezondheid worden blootgesteld.
Artikel 4.14 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.15. Lijst van werknemers
1.Er wordt een lijst bijgehouden van werknemers die worden of kunnen
worden blootgesteld aan kankerverwekkende of mutagene stoffen of stoffen
die vrijkomen bij een kankerverwekkend proces, onder vermelding van de
blootstelling die zij hebben ondergaan.
2.Iedere werknemer heeft recht op inzage in de gegevens die in de lijst,
bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot hem zijn opgenomen.
§ 3. Grenswaarden en voorkomen of beperken van blootstelling
Artikel 4.16. Grenswaarden
1.Bij ministeriële regeling worden met betrekking tot in die regeling
aangewezen kankerverwekkende of mutagene stoffen of stoffen die
vrijkomen bij een kankerverwekkend proces grenswaarden vastgesteld.
2.Indien er geen wettelijke grenswaarde voor een bepaalde
kankerverwekkende of mutagene stof of stof die vrijkomt bij een
kankerverwekkend proces is vastgesteld, stelt de werkgever een zo laag
mogelijke grenswaarde voor die stof vast.
3.Bij overschrijding van een grenswaarde worden, met inachtneming van de
artikelen 4.17 en 4.18, onverwijld doeltreffende maatregelen genomen om
de concentratie terug te brengen tot beneden die waarde.
4.Zolang de maatregelen, bedoeld in het derde lid, nog niet volledig ten
uitvoer zijn gelegd of niet tot een doeltreffende bescherming leiden,
wordt de arbeid alleen voortgezet, indien doeltreffende maatregelen zijn
genomen om schade aan de gezondheid van de werknemers te voorkomen, dan
wel om het blootstellingniveau tot een zo laag mogelijk niveau onder de
grenswaarde te brengen.
Artikel 4.17. Voorkomen van blootstelling; vervangen
Zodanige technische en organisatorische maatregelen zijn genomen dat de
kans op blootstelling van werknemers aan kankerverwekkende of mutagene
stoffen of stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen zoveel
mogelijk bij de bron daarvan wordt voorkomen, met name door
kankerverwekkende of mutagene stoffen en kankerverwekkende processen,
voor zover dit technisch uitvoerbaar is, te vervangen door stoffen of
processen waarbij de werknemers, gelet op de eigenschappen van die
stoffen of processen, de aard van de arbeid, de werkmethoden en de
werkomstandigheden, niet of minder aan gevaar voor hun veiligheid of
gezondheid worden blootgesteld.
Artikel 4.18. Voorkomen of beperken van blootstelling
1.Voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in het
artikel 4.2, eerste lid, blijkt dat er gevaar voor de gezondheid van de
werknemers bestaat en dat het op doeltreffende wijze voorkomen van
blootstelling door het nemen van maatregelen als bedoeld in artikel 4.17
technisch niet uitvoerbaar is, wordt de blootstelling, voor zover dit
technisch uitvoerbaar is, bij de bron voorkomen of teruggebracht tot een
zo laag mogelijk niveau onder de grenswaarde, met name door de productie
en het gebruik van kankerverwekkende of mutagene stoffen of
kankerverwekkende processen plaats te doen vinden in een gesloten
systeem.
2.Indien het voorkomen van blootstelling of het terugbrengen van
blootstelling tot een zo laag mogelijk niveau onder de grenswaarde
technisch niet uitvoerbaar is, worden collectieve maatregelen genomen om
kankerverwekkende of mutagene stoffen of stoffen die vrijkomen bij
kankerverwekkende processen op doeltreffende wijze bij de bron te
verwijderen, onder meer door plaatselijke afvoer van de lucht, zo nodig
aangevuld door algemene ventilatie, waarbij, met inachtneming van
artikel 4.5, gelijktijdig voldoende toevoer van niet-verontreinigde
lucht is gewaarborgd zonder dat hierbij gevaar ontstaat voor de
volksgezondheid en het milieu.
3.Indien het technisch niet uitvoerbaar is om de blootstelling van
werknemers te voorkomen of te beperken tot een zo laag mogelijk niveau
onder de grenswaarde door middel van de maatregelen, bedoeld in het
tweede lid, worden aan de werknemers die worden of kunnen worden
blootgesteld, persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld.
4.Indien de werkzaamheden worden verricht met gebruik van persoonlijke
beschermingsmiddelen overeenkomstig het derde lid, wordt de duur van het
dragen daarvan voor ieder van deze werknemers tot het strikt
noodzakelijke beperkt.
Artikel 4.19. Beperken van blootstelling
In alle gevallen waarin arbeid wordt verricht waarbij werknemers worden
of kunnen worden blootgesteld aan kankerverwekkende of mutagene stoffen
of stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen, worden in
aanvulling op de artikelen 4.1c, 4.1d en4.18 de volgende maatregelen
genomen om blootstelling van werknemers te voorkomen of te beperken tot
een zo laag mogelijk niveau onder de grenswaarde:
a. de werknemers zijn voldoende vertrouwd met de aard van hun
werkzaamheden en hebben voldoende kennis van de gevaren die aan de
blootstelling zijn verbonden en van de voorzieningen die getroffen zijn
of door hen moeten worden getroffen om die gevaren te voorkomen of te
beperken, volgens voorlichting of instructie die tenminste één keer
per jaar plaatsvindt;
b. voorkomen wordt dat gevarenzones worden betreden door anderen dan de
werknemers of andere personen die de zones in verband met hun arbeid
moeten betreden;
c. gevarenzones worden gemarkeerd door middel van waarschuwings- en
veiligheidssignalen die voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van
hoofdstuk 8 bepaalde;
d. gebruik wordt gemaakt van doeltreffende middelen voor veilig opslaan,
hanteren en vervoeren van kankerverwekkende of mutagene stoffen, waarbij
zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van hermetisch gesloten en
duidelijk zichtbaar gekenmerkte houders, en
e. gebruik wordt gemaakt van doeltreffende middelen voor het veilig
verzamelen, opslaan en verwijderen van afvalstoffen, waarbij zoveel
mogelijk gebruik wordt gemaakt van hermetisch gesloten en duidelijk
zichtbaar gekenmerkte houders.
Artikel 4.20. Hygiënische beschermingsmaatregelen
1.Zones zijn ingericht waar de werknemers zonder gevaar voor
blootstelling kunnen eten en drinken.
2.Aan werknemers die worden of kunnen worden blootgesteld aan mutagene
of kankerverwekkende stoffen of stoffen die vrijkomen bij
kankerverwekkende processen wordt doeltreffende werkkleding ter
beschikking gesteld die voldoet aan afdeling 1 van hoofdstuk 8 en die
door de werknemers bij de arbeid steeds wordt gedragen.
3.In aanvulling op artikel 3.22 wordt de werkkleding op een andere
plaats opgeborgen dan de overige kleding.
4.In aanvulling op artikel 3.23 zijn voor de werknemers doelmatige
wasgelegenheden en doucheruimten beschikbaar.
5.Persoonlijke beschermingsmiddelen worden volgens instructie op de
daartoe aangewezen plaats bewaard en na ieder gebruik gereinigd en voor
ieder gebruik gecontroleerd.
Artikel 4.21. Abnormaal blootstellingniveau
Indien zich een abnormale toename van het blootstellingniveau, bedoeld
in artikel 4.2, derde lid, voordoet, wordt de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging of worden, bij het ontbreken daarvan, de
belanghebbende werknemers, onmiddellijk in kennis gesteld van de
oorzaken van de toename en van de maatregelen die zijn of worden genomen
om de oorzaken weg te nemen en blootstelling zoveel mogelijk te
voorkomen of te beperken.
§ 4. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
Artikel 4.22 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.23. Uitvoering en inhoud van onderzoek
1.Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.10a,
vindt plaats met inachtneming van de praktische aanbevelingen, opgenomen
in bijlage II bij de richtlijn.
2.De deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de
arbodienst heeft recht op inzage in de in artikel 4.15 bedoelde lijst
van blootgestelde werknemers. Hem staan voorts alle gegevens ter
beschikking die hij nodig heeft om de blootstelling van de werknemers
aan kankerverwekkende of mutagene stoffen en stoffen die vrijkomen bij
kankerverwekkende processen te kunnen beoordelen en te kunnen adviseren
over de periodiciteit en inhoud van het arbeidsgezondheidskundig
onderzoek, bedoeld in het eerste lid, de te nemen preventieve
maatregelen of persoonlijke beschermende maatregelen.
Artikel 4.24 [Vervallen per 19-04-2002]
Afdeling 3
Artikel 4.25 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.25a [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.25b [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.26 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.27 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.28 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.29 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.30 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.31 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.32 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.33 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.34 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.35 [Vervallen per 19-04-2002]
Afdeling 4 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 4.36 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 5. Aanvullende voorschriften asbest
§ 1. Definities en toepasselijkheid
Artikel 4.37. Definitie asbest
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. asbest: stoffen die een of meer van de volgende vezelachtige
silicaten bevatten:
1°. actinoliet (Cas-nummer 77536–66–4);
2°. amosiet (Cas-nummer 12172–73–5);
3°. anthofylliet (Cas-nummer 77536–67–5);
4°. chrysotiel (Cas-nummer 12001–29–5);
5°. tremoliet (Cas-nummer 77536–68–6);
6°. crocidoliet (CAS-nummer 12001-28-4);
b. asbesthoudende producten: producten die een of meer van de onder a
genoemde vezelachtige silicaten bevatten;
c. vezel: een deeltje dat langer is dan 5 micrometer, een breedte heeft
van minder dan 3 micrometer en een lengte/breedteverhouding van meer dan
3/1;
d. object: constructie, installatie, apparaat of transportmiddel, niet
zijnde een bouwwerk.
Artikel 4.37a. Schakelbepaling
Indien arbeid wordt verricht waarbij werknemers worden of kunnen worden
blootgesteld aan asbest of asbesthoudende producten is naast de
afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk, met inachtneming van de artikelen
4.37b en4.37c, tevens deze afdeling van toepassing.
Artikel 4.37b. Afwijkende bepalingen
1.In afwijking van artikel 4.15 wordt artikel 4.53 toegepast.
2.In afwijking van artikel 4.16 worden de artikelen 4.46 en 4.47a
toegepast.
3.In afwijking van artikel 4.19, onderdelen d en e, wordt artikel 4.45,
tweede lid, onderdelen c en dtoegepast.
4.In afwijking van artikel 4.20, vijfde lid, wordt artikel 4.51, derde
lid, toegepast.
Artikel 4.37c. Toepasselijkheid
Deze afdeling is van toepassing op werkzaamheden met betrekking tot
asbest of asbesthoudende producten indien de concentratie asbest hoger
is dan honderd milligram per kilogram droge stof als bedoeld in artikel
2, onderdeel b, van het Productenbesluit asbest.
§ 2 [Vervallen per 08-03-2005]
Artikel 4.38 [Vervallen per 08-03-2005]
Artikel 4.39 [Vervallen per 08-03-2005]
Artikel 4.40 [Vervallen per 08-03-2005]
Artikel 4.41 [Vervallen per 08-03-2005]
Artikel 4.42 [Vervallen per 08-03-2005]
§ 3. Voorschriften voor het werken met asbest en asbesthoudende
producten
Artikel 4.43 [Vervallen per 27-06-2000]
Artikel 4.44. Risicoklasse 1
Deze paragraaf is van toepassing, indien uit de beoordeling, bedoeld in
artikel 4.2, eerste lid, blijkt dat de concentratie van asbeststof in de
lucht, waaraan werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld,
lager is dan of gelijk is aan de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46.
Artikel 4.45. Preventieve maatregelen
1.De concentratie van asbeststof in de lucht wordt zo laag mogelijk
onder de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, gehouden.
2.Ter naleving van het eerste lid worden de volgende maatregelen
genomen:
a. de werkmethoden zijn zo ingericht dat er geen asbeststof wordt
geproduceerd of indien dat technisch niet mogelijk is, dat geen
asbeststof in de lucht vrijkomt;
b. gebouwen, installaties en uitrustingen die dienen voor het toepassen
of het bewerken van asbest of van asbesthoudende producten worden
doeltreffend en regelmatig gereinigd en onderhouden;
c. asbest, een asbesthoudend product en een product waaruit asbeststof
vrijkomt worden opgeborgen en vervoerd in een daartoe geschikte en
gesloten verpakking;
d. afvalstoffen, ontstaan als gevolg van het toepassen of bewerken van
asbest of van asbesthoudende producten, worden zo spoedig mogelijk
verzameld en afgevoerd in een daartoe geschikte en gesloten verpakking,
voorzien van een etiket met de duidelijke en goed leesbare vermelding
dat de inhoud daarvan asbest bevat.
3.Artikel 4.20, vierde lid, voorzover het de beschikbaarheid van douches
betreft, is niet van toepassing indien de concentratie van asbeststof in
de lucht is ingedeeld in risicoklasse 1.
Artikel 4.45a. Voorlichting
Aan werknemers die arbeid verrichten waarbij gevaar voor blootstelling
aan asbeststof bestaat, wordt doeltreffende voorlichting gegeven over:
a. mogelijke gevaren voor de gezondheid van blootstelling aan
asbeststof;
b. de noodzaak van het toezicht op het asbestgehalte in de lucht en de
daarvoor geldende grenswaarden;
c. de maatregelen inzake de hygiëne, bedoeld in artikel 4.51;
d. maatregelen om de blootstelling aan asbeststof zo laag mogelijk te
houden;
e. het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen en kleding.
Artikel 4.45b. Onderricht
1.Voor alle werknemers die werkzaamheden verrichten waarbij zij aan
asbeststof worden of kunnen worden blootgesteld wordt met regelmatige
tussenpozen een passende opleiding verzorgd.
2.Deze opleiding is toegespitst op het kennisniveau en de ervaring van
de werknemers en verschaft hen de nodige kennis en vaardigheden inzake
veiligheid en preventie met name met betrekking tot:
a. eigenschappen van asbest en de invloed van asbest op de gezondheid,
met inbegrip van het synergetische effect van roken;
b. soorten producten en materialen die asbest kunnen bevatten;
c. handelingen die kunnen leiden tot bloostelling aan asbest en het
belang van preventieve controles om blootstelling tot een minimum te
beperken;
d. veilige werkwijzen, controles en beschermingsmiddelen;
e. de keuze en selectie, de beperkingen en het juiste gebruik van
ademhalingsapparatuur;
f. noodprocedures;
g. ontsmettingsprocédés;
h. de wijze waarop de verwijdering van afvalstoffen veilig kan worden
uitgevoerd;
i. de eisen inzake medisch toezicht.
Artikel 4.46. Grenswaarde
De concentratie van asbeststof in de lucht overschrijdt niet de
grenswaarde van 0,01 vezel per kubieke centimeter, berekend over een
referentieperiode van acht uur.
Artikel 4.47. Meten en monsterneming
1.Om de naleving van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, te kunnen
waarborgen, wordt, in het kader van de risicobeoordeling, bedoeld in
artikel 4.2, de concentratie asbeststof in de lucht waaraan de
werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld, gemeten.
2.Het meten geschiedt op gezette tijden, afhankelijk van de resultaten
van de eerste risicobeoordeling, bedoeld in artikel 4.2.
3.De meting wordt uitgevoerd overeenkomstig een bij ministeriële
regeling vast te stellen methode of een andere methode, indien deze
gelijkwaardige resultaten oplevert.
4.De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het
ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de gelegenheid
gegeven een oordeel over de wijze van monsterneming kenbaar te maken.
5.De monsterneming is representatief voor de individuele blootstelling
van de werknemers aan asbeststof.
6.De monsterneming wordt zodanig uitgevoerd dat door meting, of door
berekening van deze meting, gewogen in de tijd, de blootstelling van
werknemers aan asbeststof kan worden vastgesteld die representatief is
voor een referentieperiode van 8 uur.
7.Het nemen van monsters wordt uitgevoerd door een persoon die de
daarvoor vereiste deskundigheid bezit.
8.De na het nemen van monsters uit te voeren monsteranalyse wordt
uitgevoerd in een laboratorium dat daarvoor adequaat is toegerust
alsmede ervaring heeft met de vereiste identificatietechnieken.
9.De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het
ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers kunnen de resultaten van
de metingen inzien en kunnen over de betekenis van deze resultaten
uitleg krijgen.
Artikel 4.47a. Maatregelen bij overschrijding van de grenswaarde
1.Bij overschrijding van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, worden
de oorzaken voor de overschrijding opgespoord en worden zo spoedig
mogelijk doeltreffende maatregelen genomen om de concentratie terug te
brengen tot beneden die waarde.
2.De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het
ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers worden zo spoedig
mogelijk in kennis gesteld van de overschrijding, van de oorzaak daarvan
en de te nemen maatregelen. Daarnaast wordt hen de gelegenheid gegeven
een oordeel kenbaar te maken over de maatregelen, bedoeld in het eerste
lid, tenzij sprake is van spoedeisende redenen om zonder deze
gelegenheid te bieden, deze maatregelen te nemen. In dat geval worden
zij ingelicht over de getroffen maatregelen.
3.Zolang de in het eerste lid bedoelde maatregelen om de concentratie
terug te brengen nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd, wordt de
arbeid op de betreffende arbeidsplaats alleen voortgezet indien de
betrokken werknemers doeltreffend zijn beschermd tegen blootstelling aan
asbeststof.
4.Wanneer in de situatie, bedoeld in het derde lid, de blootstelling
niet met andere middelen kan worden beperkt en de grenswaarde het dragen
van individuele ademhalingsapparatuur vereist, wordt de duur van het
dragen daarvan voor iedere werknemer tot het strikt noodzakelijke
beperkt.
5.Wanneer individuele ademhalingsapparatuur wordt gebruikt, wordt
voorzien in rustpauzes.
6.Het aantal rustpauzes, bedoeld in het vijfde lid, en de duur daarvan
wordt bepaald door de fysieke en klimatologische belasting waaronder de
werknemer de werkzaamheden moet verrichten.
7.Bij het ontbreken van een ondernemingsraad of een
personeelsvertegenwoordiging worden de rustpauzes, bedoeld in het vijfde
lid, zo nodig vastgesteld in samenspraak met de belanghebbende
werknemers.
8.Nadat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn genomen wordt de
concentratie van asbeststof in de lucht gemeten overeenkomstig artikel
4.47 en wordt de indeling in een risicoklasse als bedoeld in de
artikelen 4.44, 4.48 of 4.53a opnieuw bepaald.
9.Indien uit de meting, bedoeld in het achtste lid, blijkt dat de
concentratie in een hogere risicoklasse wordt ingedeeld, is tevens
paragraaf 4 of 5 van deze afdeling van toepassing.
Artikel 4.47b. Visuele inspectie
1.Na werkzaamheden met asbest wordt, voordat met andere werkzaamheden
een aanvang wordt gemaakt, op de betreffende arbeidsplaats een
eindbeoordeling uitgevoerd.
2.De eindbeoordeling, bedoeld in het eerste lid, betreft een visuele
inspectie waarbij is vastgesteld dat de aanwezigheid van asbest niet
meer visueel waarneembaar is.
Artikel 4.47c. Melding
1. Uiterlijk twee dagen voor aanvang van de werkzaamheden wordt door de
werkgever elektronisch melding gedaan aan een daartoe aangewezen
toezichthouder. Deze melding bevat tenminste een beknopte beschrijving
van:
a. de plaats waar de werkzaamheden worden verricht;
b. de soorten en hoeveelheden asbesthoudende producten;
c. de werkzaamheden die met asbest of asbesthoudende producten worden
verricht, de werkmethoden alsmede de indeling van de concentratie
asbeststof in de lucht in een risicoklasse;
d. het aantal betrokken werknemers;
e. de datum en het tijdstip waarop de werkzaamheden aanvangen, alsmede
de duur ervan;
f. de maatregelen die zullen worden getroffen om blootstelling van
werknemers aan asbest te beperken.
2. Telkens wanneer een verandering in de arbeidsomstandigheden kan
leiden tot een aanzienlijke toename van de blootstelling aan asbeststof
of asbesthoudende producten, wordt een nieuwe melding gedaan.
3. De op grond van het eerste en tweede lid gemelde gegevens kunnen
worden ingezien door de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, door de
belanghebbende werknemers.
4. Artikel 4.54b, met uitzondering van onderdeel a, is van
overeenkomstige toepassing.
§ 4. Aanvullende voorschriften voor het werken met asbest en
asbesthoudende producten
Artikel 4.48. Risicoklasse 2
Indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, blijkt
dat de concentratie van asbeststof in de lucht waaraan werknemers in
verband met de arbeid worden blootgesteld, hoger is dan de grenswaarde,
bedoeld in artikel 4.46, maar lager is dan of gelijk is aan 1 vezel per
kubieke centimeter, uitgaande van een referentieperiode van acht uur, is
in aanvulling op paragraaf 3 tevens deze paragraaf van toepassing.
Artikel 4.48a. Aanvullende maatregelen
1.Indien, gelet op de aard van de werkzaamheden, overschrijding van de
grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, kan worden verwacht ondanks
preventieve technische maatregelen ter beperking van de
asbestconcentratie in de lucht, neemt de werkgever doeltreffende
maatregelen ter bescherming van de betrokken werknemers.
2.Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval:
a. het ter beschikking stellen en het verplichten te dragen van passende
ademhalingsapparatuur en andere persoonlijke beschermingsmiddelen;
b. het aanbrengen van waarschuwingsborden die voldoen aan het bij of
krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde, ter aanduiding dat een
overschrijding van de in artikel 4.46 genoemde grenswaarde kan worden
verwacht;
c. het voorkomen van de verspreiding van stof afkomstig van asbest of
asbesthoudende materialen buiten de ruimten waar de werkzaamheden
plaatsvinden.
3.De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het
ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de gelegenheid
gegeven een oordeel kenbaar te maken over de maatregelen, bedoeld in het
eerste lid.
4.Voordat wordt aangevangen met andere werkzaamheden, wordt
respectievelijk worden het aanwezige asbest dan wel de aanwezige
asbesthoudende producten verwijderd, behalve wanneer dit voor de
werknemers een groter gevaar voor de veiligheid en gezondheid zou
inhouden.
Artikel 4.49 [Vervallen per 28-07-2006]
Artikel 4.50. Werkplan
1.Voordat wordt aangevangen met de werkzaamheden wordt door de werkgever
van het bedrijf, bedoeld inartikel 4.54d, eerste lid, een schriftelijk
werkplan opgesteld dat doeltreffende, op de specifieke situatie van de
betreffende arbeidsplaats toegespitste, maatregelen bevat ter
bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de betrokken
werknemers.
2.Indien een inventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.54a, derde
lid, is opgesteld, worden de resultaten van dat rapport opgenomen in het
werkplan.
3.In het werkplan wordt voorgeschreven dat de werkgever van het bedrijf,
bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, zich ervan vergewist dat na de
eindbeoordeling, bedoeld in artikel 4.51a, er geen risico’s van
bloostelling aan asbest of asbesthoudende producten meer zijn.
4.In het werkplan worden de volgende gegevens opgenomen:
a. een beschrijving van de maatregelen, bedoeld in deartikelen 4.1c,
eerste lid, aanhef en onderdelen d en g, 4.7, derde lid, onderdelen b, c
en e, 4.18, 4.19, aanhef en onderdelen b en c, 4.20, eerste tot en met
vierde lid, 4.45, eerste en tweede lid, onderdelen a, b, en d, 4.48a,
tweede en vierde lid, en 4.51.
b. een beschrijving van de aard, duur en plaats van de werkzaamheden
alsmede van de werkmethode;
c. een beschrijving van de werktuigen, machines, toestellen en overige
hulpmiddelen die bij de werkzaamheden worden gebruikt;
d. de namen van de werknemers en personen, bedoeld in artikel 4.54d,
vijfde en zevende lid.
5.De werkzaamheden worden overeenkomstig het opgestelde werkplan
uitgevoerd.
6.Het werkplan of een afschrift daarvan is op de arbeidsplaats aanwezig
en wordt desgevraagd getoond aan de toezichthouder.
Artikel 4.51. Hygiënische beschermingsmaatregelen
1.De werkkleding mag uitsluitend buiten het bedrijf of de inrichting
worden gebracht indien dit geschiedt met het doel deze te laten reinigen
in daartoe adequaat uitgeruste wasserijen.
2.In gevallen als bedoeld in het eerste lid, wordt de werkkleding in een
daartoe geschikte en gesloten verpakking vervoerd.
3.Wanneer beschermende uitrusting wordt verstrekt, wordt deze op een
daartoe aangewezen plaats bewaard en na ieder gebruik gecontroleerd en
gereinigd. Defecte uitrusting mag niet worden gebruikt.
Artikel 4.51a. Eindbeoordeling
1.Na de werkzaamheden wordt na reiniging van de arbeidsplaats en voordat
met andere werkzaamheden een aanvang wordt gemaakt, op de betreffende
arbeidsplaats in een binnenruimte een eindbeoordeling uitgevoerd waarbij
de monsterneming wordt uitgevoerd door een persoon als bedoeld in
artikel 4.47, zevende lid, en de monsteranalyse door een laboratorium
als bedoeld in artikel 4.47, achtste lid.
2.De eindbeoordeling, bedoeld in het eerste lid, betreft een visuele
inspectie gevolgd door een eindmeting, teneinde vast te stellen of de
concentratie van asbeststof in de lucht lager is dan 0,01 vezel per
kubieke centimeter, uitgaande van een referentieperiode van twee uur.
3.Na de werkzaamheden wordt na reiniging van de arbeidsplaats en voordat
met andere werkzaamheden een aanvang wordt gemaakt, op de betreffende
arbeidsplaats in de buitenlucht door een bedrijf dat daartoe adequaat is
toegerust een visuele inspectie uitgevoerd, waarbij is vastgesteld dat
de aanwezigheid van asbest niet meer visueel waarneembaar is.
4.Indien de werkzaamheden in de buitenlucht betrekking hebben op
asbesthoudende grond, wordt na het beëindigen van die werkzaamheden
door een bedrijf dat daartoe adequaat is toegerust, een visuele
inspectie uitgevoerd op de aanwezigheid van asbest teneinde vast te
stellen dat de concentratie asbest niet hoger is dan honderd milligram
per kilogram droge stof als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van het
Productenbesluit asbest.
5.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de monsterneming, bedoeld in het eerste lid, de
eindmeting, bedoeld in het tweede lid, en de visuele inspectie, bedoeld
in het tweede, derde en vierde lid.
Artikel 4.52. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
1.Zolang de blootstelling aan asbeststof duurt, worden, in aanvulling op
artikel 4.10a, derde lid, de betrokken werknemers ten minste éénmaal
in de drie jaar opnieuw in de gelegenheid gesteld om een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.10a te
ondergaan.
2.Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.10a,
omvat in ieder geval een specifiek onderzoek van de borstkas.
3.Indien het resultaat van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek,
bedoeld in artikel 4.10a, daartoe aanleiding geeft, worden doeltreffende
maatregelen genomen om schade voor de gezondheid van de betrokken
werknemer door blootstelling aan asbeststof te voorkomen.
4.In aanvulling op artikel 4.10a, vierde lid, kan een deskundige
persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de arbodienst
verklaren dat het medisch toezicht na de beëindiging van de
blootstelling zolang moet worden voortgezet als voor de gezondheid van
de betrokkene noodzakelijk wordt geacht.
Artikel 4.53. Registratie
1.Van iedere werknemer die in verband met de arbeid wordt blootgesteld
aan asbeststof wordt aantekening gehouden in een register, waarbij de
aard en de duur van de arbeid alsmede de mate van de blootstelling
worden vermeld.
2.De gegevens die in het register zijn vermeld kunnen worden ingezien
door de deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de
arbodienst.
3.Iedere werknemer krijgt inzage in zijn persoonlijke gegevens in het
register.
4.De gegevens in het register, voorzien van een toelichting, in
statistische niet tot individuen herleidbare vorm, kunnen worden
ingezien door de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of,
bij het ontbreken daarvan, door de belanghebbende werknemers.
§ 5. Extra aanvullende voorschriften voor het werken met asbest en
asbesthoudende producten
Artikel 4.53a. Risicoklasse 3
Indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, blijkt
dat de concentratie van asbeststof in de lucht waaraan werknemers in
verband met de arbeid worden blootgesteld, hoger is dan 1 vezel per
kubieke centimeter, uitgaande van een referentieperiode van acht uur, is
in aanvulling op de paragrafen 3 en4 tevens deze paragraaf van
toepassing.
Artikel 4.54. Verzwaarde eindbeoordeling
In aanvulling op artikel 4.51a, eerste en tweede lid, wordt er tevens
een eindbeoordeling uitgevoerd in de naast de arbeidsplaats gelegen
ruimten. Artikel 4.51a, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
§ 6. Certificatie
Artikel 4.54a. Asbestinventarisatie
1. In het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, wordt de
aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten volledig
geïnventariseerd voordat wordt aangevangen met de volgende
werkzaamheden:
a. het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van
bouwwerken, met uitzondering van grondwerken, of objecten waarin asbest
of asbesthoudende producten is respectievelijk zijn verwerkt;
b. het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit de
bouwwerken of objecten, bedoeld in onderdeel a;
c. het opruimen van asbest of asbesthoudende producten die ten gevolge
van een incident zijn vrijgekomen.
2. Op grond van de inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, wordt in
het kader van de risicobeoordeling, bedoeld in artikel 4.2, door het
bedrijf, bedoeld in het vierde lid, bepaald in welke risicoklasse als
bedoeld in de artikelen 4.44, 4.48 of 4.53a de werkzaamheden vallen.
3. De resultaten van de inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, en de
indeling in een risicoklasse, bedoeld in het tweede lid, worden
opgenomen in een inventarisatierapport.
4. De inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, en het
inventarisatierapport, bedoeld in het derde lid, worden uitgevoerd,
onderscheidenlijk opgesteld, door een bedrijf dat in het bezit is van
een certificaat asbestinventarisatie dat is afgegeven door Onze Minister
of een certificerende instelling.
5. Een afschrift van het inventarisatierapport wordt verstrekt aan het
bedrijf dat asbest verwijdert.
6. Het certificaat asbestinventarisatie of een afschrift daarvan is op
de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond aan de
toezichthouder.
Artikel 4.54b. Uitzonderingen asbestinventarisatie
Artikel 4.54a is niet van toepassing indien de werkzaamheden, bedoeld in
artikel 4.54a, eerste lid, betrekking hebben op:
a. handelingen die worden uitgevoerd in of aan bouwwerken of objecten
die op of na 1 januari 1994 zijn vervaardigd;
b. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbestcementhoudende
waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen en mantelbuizen
of delen daarvan, voorzover zij deel uitmaken van het ondergrondse
openbare gas-, water-en rioolleidingnet;
c. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende rem- en
frictiematerialen;
d. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende geklemde
vloerplaten onder verwarmingstoestellen;
e. het als een geheel verwijderen van asbesthoudende
verwarmingstoestellen;
f. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende
beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen;
g. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende pakkingen
uit verbrandingsmotoren;
h. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende pakkingen
dan wel delen daarvan uit procesinstallaties dan wel
verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen lager dan 2250 kilowatt;
i. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbest of asbesthoudende
producten uit wegen als bedoeld in het Besluit asbestwegen milieubeheer.
Artikel 4.54c [Vervallen per 28-07-2006]
Artikel 4.54d. Deskundigheid bij het werken met asbest
1.De volgende werkzaamheden, indien de concentratie van asbeststof is
ingedeeld in risicoklasse 2 of 3, worden verricht door een bedrijf dat
in het bezit is van een certificaat asbestverwijdering, dat is afgegeven
door Onze Minister of een certificerende instelling:
a. de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid;
b. het reinigen van de arbeidsplaats nadat een handeling als bedoeld in
artikel 4.54a, eerste lid, onderdeel a of b, is uitgevoerd.
2.Artikel 4.54b, met uitzondering van onderdeel a, is van
overeenkomstige toepassing.
3.Voordat wordt aangevangen met het verwijderen van asbest is het
bedrijf, bedoeld in artikel 4.54a, vijfde lid, in het bezit van een
afschrift van een inventarisatierapport als bedoeld inartikel 4.54a,
derde lid, voorzover van toepassing.
4.Bij de uitvoering van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid,
wordt in het kader van de risicobeoordeling, bedoeld inartikel 4.2, de
indeling van de risicoklasse in het inventarisatierapport als ondergrens
gehanteerd.
5.De werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden verricht door of
onder voortdurend toezicht van een persoon die in het bezit is van een
certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het werken
met asbest, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende
instelling.
6.Bij een bedrijf als bedoeld in het eerste lid is ten minste één
persoon als bedoeld in het vijfde lid werkzaam op basis van een
arbeidsovereenkomst.
7.Voorzover de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, mede worden
verricht door een andere persoon dan de persoon, bedoeld in het vijfde
lid, is deze andere persoon in het bezit van een certificaat
vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest, dat is afgegeven door
Onze Minister of een certificerende instelling.
8.Indien de handelingen, bedoeld in artikel 5, onderdelen e en f, van
het Productenbesluit asbest betrekking hebben op werkzaamheden met
asbesthoudende grond, worden deze werkzaamheden begeleid door een
persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid
arbeidhygiëne of veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede
lid.
9.De certificaten, bedoeld in het eerste, vijfde en zevende lid, of
afschriften daarvan en een afschrift van het inventarisatierapport,
bedoeld in artikel 4.54a, derde lid, zijn op de arbeidsplaats aanwezig
en worden desgevraagd getoond aan de toezichthouder.
Artikel 4.55 [Vervallen per 28-07-2006]
Artikel 4.55a [Vervallen per 28-07-2006]
Artikel 4.56 [Vervallen per 28-07-2006]
§ 7 [Vervallen per 28-07-2006]
Artikel 4.57 [Vervallen per 28-07-2006]
Afdeling 6. Specifieke gezondheidsschadelijke stoffen
Artikel 4.58. Propaansultonverbod
1.Het is verboden propaansulton (CAS-nummer 1120–71–4) te
vervaardigen of te gebruiken.
2.Het is verboden propaansulton, anders dan ten behoeve van doorvoer, in
voorraad te houden.
Artikel 4.59. Specifieke stoffenverbod
1.Het is verboden de volgende stoffen te vervaardigen of te gebruiken:
a. 2-naftylamine en de zouten daarvan (CAS-nummer 91–59–8);
b. 4-aminodifenyl en de zouten daarvan (CAS-nummer 92–67–1);
c. benzidine en de zouten daarvan (CAS-nummer 92–87–5);
d. 4-nitrodifenyl (CAS-nummer 92–93–3).
2.Het is verboden de in het eerste lid genoemde stoffen, anders dan ten
behoeve van doorvoer, in voorraad te houden.
3.De in het eerste en tweede lid vervatte verboden zijn niet van
toepassing, indien de stoffen in een mengsel of oplossing aanwezig zijn
in een concentratie die kleiner is dan 0,1 gewichtsprocent.
Artikel 4.60. Zandsteenverbod
1.Het is verboden zandsteen te bewerken of te verwerken.
2.Het eerste lid is niet van toepassing:
a. op het bewerken of verwerken van zandsteen indien dit noodzakelijk is
voor het behoud van monumenten als bedoeld in de Monumentenwet 1988;
b. op het demonteren van zandsteen of zandsteendelen uit gebouwen,
constructies of installaties, en
c. op het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek met zandsteen.
3.Het is verboden zandsteen in voorraad te houden.
4.Het derde lid is niet van toepassing met betrekking tot:
a. het in voorraad houden van zandsteen ten behoeve van de in het tweede
lid, onder a, bedoelde werkzaamheden;
b. de doorvoer van zandsteen;
c. voorwerpen, welke geheel of ten dele uit zandsteen bestaan en welke
voor hun bestemming gereed en volledig afgewerkt zijn.
Artikel 4.61. Zandstraalverbod
1.In dit artikel wordt verstaan onder:
a. stralen: het met grote snelheid treffen van een voorwerp met korrels
ten einde dat voorwerp te reinigen of te bewerken, met uitzondering van
die bewerkingen waardoor een laag materiaal op het voorwerp wordt
aangebracht;
b. ontzanden: het stralen van een gietstuk ten einde dit te ontdoen van
aanhangend vormzand.
2.Het is verboden te stralen met een stof die aan kwarts of een andere
vorm van vrij kristallijn siliciumdioxyde meer dan 1% bevat.
3.Het ontzanden mag slechts plaatsvinden in voor dat doel bestemde
gesloten toestellen of ruimten.
4.Het bij het ontzanden ontstane stof moet op doelmatige wijze worden
afgezogen, uit de luchtstroom afgescheiden en verzameld.
5.De bij het ontzanden afgezogen lucht mag niet worden afgevoerd naar
een ruimte waarin personen moeten verblijven.
Artikel 4.61a. Verbod van benzeen en gechloreerde koolwaterstoffen
1.Het gebruik van benzeen of van een product waarvan het gehalte aan
benzeen meer dan 1 volumeprocent bedraagt als oplos-, reinigings- of
verdunningsmiddel is niet toegestaan, tenzij zulks geschiedt in een
gesloten systeem of op een andere wijze waardoor in tenminste gelijke
mate bescherming tegen blootstelling daaraan wordt geboden.
2.Indien van benzeen of van een product als bedoeld in het eerste lid
gebruik wordt gemaakt anders dan als oplos-,reinigings- of
verdunningsmiddel, wordt dit zoveel mogelijk uitgevoerd in een gesloten
systeem.
3.Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van tetrachloorkoolstof, pentachloorethaan en 1,1,2,2,-tetrachloorethaan
alsmede ten aanzien van een product waarvan het gehalte aan een van de
vorengenoemde stoffen meer dan 1 volumeprocent bedraagt.
Artikel 4.61b. Loodwitverbod
1.Het is verboden om loodwit, loodsulfaat of producten die een van deze
stoffen als bestanddeel bevatten, te gebruiken bij het schilderen van
binnenwerk van gebouwen of vaartuigen.
2.Als stof in de zin van het eerste lid wordt niet beschouwd het
loodsulfaat, dat bij de bereiding van chroomaatgeel is
medegeprecipiteerd.
3.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op
verven waarvan het pigment in de droge stof ten hoogste 2
gewichtsprocenten aan lood bevat.
Artikel 4.62. Toepasselijkheid
Voor zover de werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 4.59, eerste en
tweede lid, en 4.60, eerste en derde lid, en het gebruik van benzeen,
bedoeld in artikel 4.61a, zijn toegestaan, is daarop, met inachtneming
vanartikel 4.12, afdeling 2 van dit hoofdstuk van toepassing.
Afdeling 7. Vluchtige organische stoffen
Artikel 4.62a. Definitie
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder vluchtige
organische stoffen: organische verbindingen en mengsels hiervan, die bij
293,15 K een dampspanning hebben van ten minste 0,01 kPa dan wel een
overeenkomstige vluchtigheid bij de specifieke gebruiksomstandigheden.
Artikel 4.62b. Voorkomen van blootstelling; vervangen
Ten aanzien van bij ministeriële regeling aangewezen werkzaamheden
wordt het gevaar van blootstelling van werknemers aan vluchtige
organische stoffen zoveel mogelijk voorkomen door vluchtige organische
stoffen te vervangen door onschadelijke of minder schadelijke stoffen of
door producten die vluchtige organische stoffen bevatten te vervangen
door bij ministeriële regeling ten aanzien van die werkzaamheden
aangewezen producten.
Artikel 4.63 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.64 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.65 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.66 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.67 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.68 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.69 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.70 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.71 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.72 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.73 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.74 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.75 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.76 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.77 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.78 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 4.79 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 4.80 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 4.81 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 8 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 4.82 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 4.83 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 9. Biologische agentia
§ 1. Definities en toepasselijkheid
Artikel 4.84. Biologische agentia, celculturen en micro-organismen
1.De afdelingen 1 tot en met 8 van dit hoofdstuk zijn niet van
toepassing op biologische agentia.
2.In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. biologische agentia: al dan niet genetisch gemodificeerde
micro-organismen, celculturen en menselijke endoparasieten die een
infectie, allergie of toxiciteit kunnen veroorzaken;
b. celcultuur: het kunstmatig kweken van cellen van meercellige
organismen;
c. micro-organisme: een cellulaire of niet-cellulaire microbiologische
entiteit met het vermogen tot vermenigvuldiging of tot overbrenging van
genetisch materiaal;
d. richtlijn: richtlijn nr. 2000/54/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 (Pb EG L 262)
betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van
blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere
richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn nr. 89/391/EEG).
3.Voor de toepassing van deze afdeling worden biologische agentia in de
volgende categorieën onderscheiden:
a. categorie 1: een agens waarvan het onwaarschijnlijk is dat het bij de
mens een ziekte kan veroorzaken;
b. categorie 2: een agens dat bij de mens een ziekte kan veroorzaken en
een gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers kan
opleveren, maar waarvan het onwaarschijnlijk is dat het zich onder de
bevolking verspreidt, terwijl er gewoonlijk een effectieve profylaxe of
behandeling bestaat;
c. categorie 3: een agens dat bij de mens een ernstige ziekte kan
veroorzaken en een groot gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van
de werknemers kan opleveren en waarvan er een kans is dat het zich onder
de bevolking verspreidt, terwijl er gewoonlijk een effectieve profylaxe
of behandeling bestaat;
d. categorie 4: een agens dat bij de mens een ernstige ziekte
veroorzaakt en een groot gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van
de werknemers oplevert en waarvan het zeer waarschijnlijk is dat het
zich onder de bevolking verspreidt, terwijl er gewoonlijk geen
effectieve profylaxe of behandeling bestaat.
4.In deze afdeling wordt uitgegaan van de categorie-indeling van
biologische agentia zoals vastgesteld in bijlage III bij de richtlijn.
§ 2. Risico-inventarisatie en -evaluatie en gevolgen categorie-indeling
Artikel 4.85. Nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie
1.Indien een werknemer wordt of kan worden blootgesteld aan een of meer
specifiek bij zijn arbeid voorkomende of naar verwachting voorkomende
biologische agentia, wordt, in het kader van de in artikel 5 van de wet
bedoelde risico-inventarisatie en -evaluatie, de aard, de mate en de
duur van de blootstelling beoordeeld teneinde het gevaar voor de
werknemer te bepalen. Deze beoordeling geschiedt met inachtneming van
met name:
a. de categorie of categorieën,waarin de biologische agentia waaraan
werknemers kunnen worden blootgesteld, zijn ingedeeld;
b. informatie over ziekten die werknemers kunnen oplopen of al hebben
opgelopen als gevolg van blootstelling aan biologische agentia;
c. mogelijke allergische of vergiftigingseffecten die de werknemers als
gevolg van blootstelling aan biologische agentia ondervinden of kunnen
ondervinden;
d. de resultaten van de arbeidsgezondheidskundige onderzoeken, bedoeld
in artikel 4.91, alsmede de ziekten waarvan bekend is dat een werknemer
hieraan lijdt en de medicijnen waarvan bekend is dat die door een
werknemer worden gebruikt, een en ander in statistische, niet tot
individuen herleidbare vorm;
e. de door een daartoe bevoegde instantie verstrekte aanbevelingen om
het biologische agens onder controle te houden teneinde de gezondheid
van de werknemers te beschermen wanneer de werknemers ten gevolge van
hun werk aan een dergelijk agens worden of kunnen worden blootgesteld.
2.Indien sprake is van verschillende biologische agentia, wordt de
beoordeling, bedoeld in het eerste lid, gebaseerd op het risico dat die
biologische agentia in combinatie opleveren.
3.De beoordeling, bedoeld in het eerste lid, wordt regelmatig herzien,
in ieder geval telkens wanneer er een wijziging plaatsvindt in de
omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de blootstelling van
werknemers aan biologische agentia.
Artikel 4.86. Gevolgen categorie-indeling
1.Indien de arbeid gericht is op het werken met biologische agentia
behorend tot categorie 2, 3 of 4 zijn de artikelen 4.87 tot en met 4.102
van toepassing .
2.Indien uit de resultaten van de risico-inventarisatie en -evaluatie,
bedoeld in artikel 4.85, blijkt, dat werknemers bij het verrichten van
andere arbeid dan die, bedoeld in het eerste lid, waaronder de in
bijlage I bij de richtlijn genoemde werkzaamheden, een gerede kans lopen
aan biologische agentia van categorie 2, 3 of 4 te worden blootgesteld,
zijn de artikelen 4.87, 4.87a,4.87b, 4.89, 4.91, 4.93, 4.95, 4.97, 4.98,
4.99, tweede lid, en 4.102 van toepassing.
3.In alle, niet in het eerste en tweede lid bedoelde gevallen, wordt bij
de arbeid de grootst mogelijke zorgvuldigheid, ordelijkheid en
zindelijkheid in acht genomen en worden de noodzakelijke hygiënische
voorzieningen getroffen.
§ 3. Maatregelen met betrekking tot de blootstelling
Artikel 4.87. Voorkomen van blootstelling; vervangen
Indien de aard van de arbeid het toelaat, worden schadelijke biologische
agentia vervangen door biologische agentia die, gelet op de stand van de
wetenschap en de techniek en de werkomstandigheden, niet of minder
gevaarlijk zijn voor de veiligheid of gezondheid van de werknemers.
Artikel 4.87a. Voorkomen of beperken van blootstelling
1.Voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel
4.85, blijkt dat er risico voor de veiligheid of gezondheid van de
werknemers bestaat en dat het in verband met de aard van de arbeid niet
uitvoerbaar is om biologische agentia te vervangen door biologische
agentia die niet gevaarlijk zijn, worden, voor zover dit technisch
uitvoerbaar is, zodanige andere maatregelen genomen dat blootstelling
van werknemers aan biologische agentia wordt voorkomen en de risico’s
beperkt.
2.Voor zover de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, technisch niet
uitvoerbaar zijn, wordt blootstelling van werknemers aan biologische
agentia tot een zodanig laag niveau teruggebracht als voor een adequate
bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers
noodzakelijk is.
3.Ter uitvoering van het tweede lid worden ten minste de volgende
maatregelen genomen:
a. de kans op blootstelling wordt zoveel mogelijk beperkt;
b. het aantal werknemers dat gevaar loopt aan een of meer biologische
agentia te worden blootgesteld is niet groter dan voor het verrichten
van de arbeid strikt noodzakelijk is;
c. er worden collectieve beschermingsmaatregelen genomen en, wanneer dit
geen of geen afdoende bescherming biedt, worden persoonlijke
beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld;
d. bij de arbeid wordt de grootst mogelijke ordelijkheid en
zindelijkheid betracht om te voorkomen dan wel de kans te beperken dat
een of meer biologische agentia buiten de arbeidsplaats terecht komen;
e. biologische agentia worden zodanig bewaard en vervoerd en
afvalstoffen worden op zodanige wijze verzameld, opgeslagen en
verwijderd, zo nodig na passende behandeling en voorzien van een
deugdelijk opschrift, dat de kans op blootstelling zoveel mogelijk wordt
voorkomen alsmede wordt voorkomen dat zij in handen van onbevoegden
kunnen geraken;
f. indien noodzakelijk en technisch mogelijk wordt onderzoek gedaan naar
de aanwezigheid op de werkplek van biologische agentia buiten de eerste
fysieke omhulling;
g. op de arbeidsplaats is een doeltreffende schriftelijke werkinstructie
voor de werknemers voorhanden, waarvan ten minste deel uitmaken de bij
de arbeid in acht te nemen procedures, waaronder een regeling voor het
veilig omgaan met en het vervoeren van biologische agentia binnen het
bedrijf of de inrichting alsmede een doeltreffend noodplan voor het
geval zich ongevallen of incidenten met biologische agentia voordoen.
Artikel 4.87b. Maatregelen ter voorkoming of beperking van blootstelling
aan legionellabacteriën bij het in bedrijf nemen en houden van een
luchtbevochtigingsinstallatie en een waterinstallatie
1. Bij het in bedrijf nemen en houden van:
a. een luchtbevochtigingsinstallatie anders dan een stoombevochtiger;
b. een waterinstallatie die water in aërosolvorm in de lucht kan
brengen, niet zijnde een collectieve watervoorziening of een collectief
leidingnet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet;
zijn de maatregelen, bedoeld in artikel 4.87a, eerste en tweede lid, ter
voorkoming of beperking van de blootstelling aan legionellabacteriën,
doeltreffend, indien het water in deze installaties minder dan 100
kolonievormende eenheden legionellabacteriën per liter bevat.
2. Het nemen en analyseren van monsters ter controle van de aanwezigheid
van legionellabacteriën geschiedt overeenkomstig een geschikte
genormaliseerde methode.
3. Dit artikel is niet van toepassing op koeltorens.
Artikel 4.88. Veiligheidssignalering
De plaatsen waar arbeid wordt verricht met biologische agentia worden
duidelijk afgebakend en worden gemarkeerd met een veiligheidssignalering
dat voldoet aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8
bepaalde.
Artikel 4.89. Hygiënische beschermingsmaatregelen
1.Op plaatsen waar gevaar bestaat voor blootstelling aan biologische
agentia wordt niet gerookt noch wordt daar voedsel of drank genuttigd.
2.Werkkleding die voldoet aan afdeling 1 van hoofdstuk 8 wordt aan de
werknemers ter beschikking gesteld en wordt bij de arbeid gedragen.
3.In aanvulling op artikel 3.23 zijn voor de werknemers doelmatige
sanitaire voorzieningen beschikbaar met inbegrip van, voor zover
noodzakelijk, douches, oogdouches en huidantiseptica.
4.Indien aan de werknemer persoonlijke beschermingsmiddelen worden
verstrekt, worden deze op een daartoe aangewezen plaats bewaard en na
ieder gebruik gereinigd en voor ieder gebruik gecontroleerd.
5.In aanvulling op artikel 3.22 worden de werkkleding en andere
persoonlijke beschermingsmiddelen waarin of waarop zich biologische
agentia bevinden of kunnen bevinden bij het verlaten van de
arbeidsplaats uitgetrokken en op een andere plaats opgeborgen dan de
overige kleding.
6.De werkkleding en andere persoonlijke beschermingsmiddelen, bedoeld in
het vijfde lid, worden ontsmet, gereinigd of zo nodig vernietigd.
7.De werkkleding en andere persoonlijke beschermingsmiddelen, bedoeld in
het vijfde lid, worden buiten het bedrijf of de inrichting gebracht in
een daartoe geschikte en gesloten verpakking en uitsluitend met het doel
deze te laten reinigen, ontsmetten of vernietigen.
Artikel 4.90. Registratie
1.In een register wordt bijgehouden welke werknemers aan biologische
agentia van categorie 3 en 4 worden of kunnen worden blootgesteld.
2.In dit register wordt tevens per werknemer geregistreerd welke
werkzaamheden hij heeft verricht en, voor zover dit te bepalen is, aan
welk biologisch agens of welke biologische agentia hij als gevolg van
deze werkzaamheden of als gevolg van een incident of ongeval, eventueel
is blootgesteld.
3.Het in het eerste lid bedoelde register wordt ten minste tien jaar na
de laatste blootstelling of mogelijke blootstelling bewaard.
4.In geval een werknemer is blootgesteld of mogelijk is blootgesteld aan
een biologisch agens dat infecties tot gevolg kan hebben die:
a. naar bekend is hardnekkig of latent kunnen zijn;
b. op basis van de huidige stand van de techniek naar verwachting eerst
jaren later kunnen worden onderkend;
c. een lange incubatietijd hebben;
d. ondanks behandeling steeds weer terugkeren, of
e. ernstige complicaties op lange termijn hebben, wordt het in het
eerste lid bedoelde register een navenant langere tijd doch niet meer
dan veertig jaar na de laatste blootstelling bewaard.
5.Iedere werknemer heeft recht op inzage in de hem betreffende gegevens
uit het register.
6.Aan de bedrijfsarts, bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef, van de
wet, of de arbodienst wordt desgevraagd inzage verschaft in het
register, bedoeld in het eerste lid.
§ 4. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
Artikel 4.91. Onderzoek en vaccins
1.Iedere werknemer die is of kan worden blootgesteld aan biologische
agentia wordt, in aanvulling op artikel 18 van de wet, in de gelegenheid
gesteld bij de aanvang van de arbeid waarbij blootstelling kan ontstaan,
een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.
2.Iedere werknemer die een infectie of ziekte heeft opgelopen als gevolg
van blootstelling aan een biologisch agens, wordt, in aanvulling op het
eerste lid, tussentijds in de gelegenheid gesteld een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.
3.Iedere werknemer die aan een zelfde biologisch agens is blootgesteld
als gevolg waarvan een andere werknemer een infectie of ziekte heeft
opgelopen, wordt, in aanvulling op het eerste lid, tussentijds in de
gelegenheid gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.
4.Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek vindt plaats met inachtneming
van de praktische aanbevelingen, opgenomen in bijlage IV bij de
richtlijn.
5.Indien het resultaat van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek
daartoe aanleiding geeft, worden doeltreffende maatregelen genomen om
schade voor de gezondheid van de betrokken werknemer door blootstelling
aan biologische agentia te voorkomen.
6.Voor zover mogelijk worden aan iedere werknemer die nog niet immuun is
voor de biologische agentia waaraan hij is of kan worden blootgesteld,
doeltreffende vaccins ter beschikking gesteld. Daarbij wordt bijlage VII
bij de richtlijn in acht genomen.
7.Op verzoek van de werkgever of de betrokken werknemer wordt het in dit
artikel bedoelde onderzoek opnieuw uitgevoerd. Het resultaat van het
hernieuwde onderzoek treedt in de plaats van het daaraan voorafgaande.
8.Iedere werknemer heeft recht op inzage in het hem betreffende medisch
dossier.
9.De resultaten van het in dit artikel bedoelde arbeidsgezondheidskundig
onderzoek worden in passende vorm geregistreerd en ten minste tien jaar
na de laatste blootstelling of mogelijke blootstelling bewaard. In
gevallen als bedoeld in artikel 4.90, vierde lid, worden de resultaten
een navenant langere tijd doch niet meer dan veertig jaar bewaard.
10.Iedere werknemer wordt geïnformeerd over de wijze waarop hij na
beëindiging van de blootstelling in de gelegenheid wordt gesteld een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.
§ 5. De ondernemingsraad
Artikel 4.92. Informatie in verband met ongeval of incident
De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het
ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt respectievelijk
worden op de hoogte gesteld van ieder ongeval of incident dat zich heeft
voorgedaan, zich bijna heeft voorgedaan of zich mogelijkerwijs heeft
voorgedaan met biologische agentia en dat heeft geleid tot het
vrijkomen, net niet vrijkomen of mogelijkerwijs vrijkomen van een agens
of agentia van categorie 2, 3 of 4. Daarbij worden tevens de oorzaken
van het ongeval of incident meegedeeld, alsmede de maatregelen die zijn
genomen of zullen worden genomen om de gevolgen te verhelpen en verdere
ongevallen of incidenten te voorkomen.
Artikel 4.93. Overige informatie
1.Desgevraagd wordt de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging, of worden, bij het ontbreken daarvan, de
belanghebbende werknemers geïnformeerd over:
a. de wijze waarop de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in
artikel 4.85, tot stand is gekomen en over het resultaat daarvan;
|