| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Arbeidsomstandighedenwet
(Arbowet)
ARBEIDSOMSTANDIGHEDENBESLUIT
(Arbobesluit)
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
BESLUIT van 15 januari 1997, houdende regels in het belang van de
veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid (Arbeidsomstandighedenbesluit)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en Onze Ministers van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen, van Binnenlandse Zaken, van Verkeer en Waterstaat en van Justitie en de
Staatssecretaris van Defensie van 12 juli 1996, Directie Wetgeving,
Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden, nr. WBJA/W2/96/0407, gedaan
mede namens de Minister-President, Minister van Algemene Zaken en in
overeenstemming met de Minister van Economische Zaken;
Gelet op de artikelen 1, 2, 4, 5, 6, 10, 20, 23a, 24,
24a, 25, 26,
27, 28, 30, 31a, 35, 36, en 41 van de Arbeidsomstandighedenwet en de
artikelen 5 en 8 van de Winkeltijdenwet;
Gezien het advies van de Sociaal-Economische Raad van 9 februari
1995, nr. 95/31 I en II;
De Raad van State gehoord (advies van 24 september 1996,
nr. W12.960298);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en Onze Ministers van Onderwijs, van Cultuur en
Wetenschappen, van Binnenlandse Zaken, van Verkeer en Waterstaat en van Justitie en de
Staatssecretaris van Defensie van 18 december 1996, Directie Wetgeving,
Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden, nr. WBJA/W2/96/1537,
uitgebracht mede namens de Minister-President, Minister van Algemene
Zaken en in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Definities en toepassingsgebied
Afdeling 1. Definities
Artikel 1.1. Definities algemeen
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder wet: Arbeidsomstandighedenwet.
2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. bouwplaats: elke tijdelijke of mobiele arbeidsplaats waar
civieltechnische werken of bouwwerken tot stand worden gebracht,
waarvan een niet-uitputtende lijst is opgenomen in bijlage I bij
de richtlijn, bedoeld in artikel 2.23, onder a;
b. bouwwerk: een civieltechnisch werk of bouwwerk als bedoeld
onder a;
c. opdrachtgever:
1°. voor de toepassing van hoofdstuk 2, afdeling 5, en
artikel 9.6: degene voor wiens rekening een bouwwerk tot stand
wordt gebracht;
2°. voor de toepassing van artikel 9.5: degene voor wiens
rekening een zelfstandige of werkgever als bedoeld in artikel
16, zevende lid, onderdeel b, van de wet, arbeid verricht;
d. opdrachtgever-consument: de natuurlijke persoon die niet
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, voor wiens
rekening een bouwwerk tot stand wordt gebracht;
e. ontwerpende partij: degene die zich jegens de opdrachtgever,
bedoeld in onderdeel c, sub 1° of de opdrachtgever-consument
verbonden heeft om in het bouwproces de ontwerpende functie te
vervullen;
f. uitvoerende partij: degene die zich jegens de opdrachtgever,
bedoeld in onderdeel c, sub 1° of de opdrachtgever-consument
verbonden heeft om in het bouwproces de uitvoerende functie te
vervullen.
3. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. arbeidsplaats in de winningsindustrie: iedere arbeidsplaats
die direkt of indirekt verband houdt met de winningsindustrie in
dagbouw, de ondergrondse winningsindustrie of de winningsindustrie
die delfstoffen wint met behulp van boringen;
b. delfstoffen: een natuurlijke concentratie of afzetting van
ertsen, mineralen of substanties van organische oorsprong in of op
de bodem, in vaste, vloeibare of gasvormige toestand, met inbegrip
van op de bodem of onmiddellijk onder de oppervlakte daarvan
aanwezige schelpen, grind, zand en klei;
c. winningsindustrie in dagbouw: elke industrie die:
1°. delfstoffen wint in de open lucht;
2°. prospectiewerkzaamheden verricht met het oog op de
winning van delfstoffen in de open lucht, of
3°. delfstoffen gereed maakt voor de verkoop, met
uitzondering van werkzaamheden in verband met de verwerking
van deze delfstoffen;
d. ondergrondse winningsindustrie: elke industrie die:
1°. ondergronds delfstoffen wint anders dan door middel
van boorgaten;
2°. prospectiewerkzaamheden verricht met het oog op deze
winning;
3°. delfstoffen gereed maakt voor de verkoop, met
uitzondering van werkzaamheden in verband met de verwerking
van deze delfstoffen, of
4°. stoffen opslaat als bedoeld in artikel 1, onder i, van
de Mijnbouwwet.
e. winningsindustrie die delfstoffen wint met behulp van
boringen:elke industrie die:
1°. delfstoffen wint door middel van boorgaten;
2°. prospectiewerkzaamheden verricht met het oog op deze
winning;
3°. delfstoffen gereed maakt voor de verkoop, met
uitzondering van werkzaamheden in verband met de verwerking
van deze delfstoffen;
4°. stoffen opslaat als bedoeld in artikel 1, onder i, van
de Mijnbouwwet, of
5°. aardwarmte opspoort of wint als bedoeld in artikel 1,
onder g en h, van de Mijnbouwwet.
f. mijnbouwinstallatie: een installatie als bedoeld in artikel
1, onder o, van de Mijnbouwwet.
4. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. fysieke belasting: de door een werknemer in verband met de
arbeid in te nemen werkhouding, uit te voeren bewegingen of uit te
oefenen krachten, onder meer bestaande uit het tillen, neerzetten,
duwen, trekken, dragen of op een andere wijze verplaatsen of
ondersteunen van een of meer lasten;
b. persoonlijk beschermingsmiddel: iedere uitrusting die
bestemd is om door de werknemer gedragen of vastgehouden te worden
teneinde hem te beschermen tegen een of meer gevaren die zijn
veiligheid of gezondheid op het werk kunnen bedreigen alsmede alle
aanvullingen of accessoires die daartoe kunnen bijdragen met
uitzondering van:
1°. gewone en uniforme werkkleding die niet specifiek
bedoeld is om de veiligheid en de gezondheid van de werknemer
te beschermen;
2°. sportuitrusting;
3°. zelfverdedigings- of afschrikkingsmateriaal, en
4°. draagbare apparaten voor het opsporen en signaleren
van gevaren en belastingsfactoren;
c. veiligheids- of gezondheidssignalering: een signalering die,
toegepast op een bepaald object, een bepaalde activiteit of een
bepaalde situatie door middel van een bord, een kleur, een
lichtsignaal, een akoestisch signaal, een mondelinge mededeling of
een hand- of armsein een aanwijzing of een voorschrift verstrekt
met betrekking tot de veiligheid of gezondheid op het werk.
5. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. jeugdige werknemer: een werknemer jonger dan 18 jaar;
b. zwangere werknemer: de werknemer die zwanger is en de
werkgever hiervan in kennis heeft gesteld;
c. werknemer tijdens de lactatie: de werknemer die haar kind
borstvoeding geeft en haar werkgever hiervan in kennis heeft
gesteld.
6. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder certificerende instelling: een door Onze Minister krachtens
artikel 20, tweede lid, van de wet aangewezen instelling die beslist
over de afgifte van een certificaat als bedoeld in artikel 20, eerste
lid, van de wet.
Artikel 1.2 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 1.3. Definities onderwijs
1.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder onderwijsinrichting: een bekostigde of een aangewezen
onderwijsinrichting.
2.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder bekostigde onderwijsinrichting:
a. een openbare of een geheel of gedeeltelijk uit de openbare
kas bekostigde bijzondere school als bedoeld in de Wet op het
primair onderwijs;
b. een openbare of een geheel of gedeeltelijk uit de openbare
kas bekostigde bijzondere school als bedoeld in de Wet op de
expertisecentra;
c. een openbare of een geheel of gedeeltelijk uit de openbare
kas bekostigde bijzondere school, cursus of inrichting als bedoeld
in en onder de werking van de Wet op het voortgezet onderwijs;
d. een openbare of een geheel of gedeeltelijk uit de openbare
kas bekostigde bijzondere instelling, genoemd in de bijlage
behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, onder a en b;
e. een openbare of een geheel of gedeeltelijk uit de openbare
kas bekostigde bijzondere instelling, genoemd in de bijlage
behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, onder c tot en met g;
f. de Open Universiteit te Heerlen, genoemd in de bijlage
behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, onder h;
g. een school als bedoeld in de Experimentenwet onderwijs;
h. een openbare of een geheel of gedeeltelijk uit openbare kas
bekostigde bijzondere instelling voor educatie en beroepsonderwijs
als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs.
3.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder aangewezen onderwijsinrichting:
a. een school als bedoeld in artikel 56 van de Wet op het
voortgezet onderwijs;
b. een instelling als bedoeld in artikel 6.9 van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. een instelling als bedoeld in artikel 1.4.1 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs.
4.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder medezeggenschapsraad:
a. een medezeggenschapsraad als bedoeld in de Wet
medezeggenschap onderwijs 1992 of in artikel 10.17 van de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
b. de studentenraad van de Open Universiteit, bedoeld in
artikel 11.13 van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 1.4. Definities justitiėle inrichtingen
1.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. justitieel personeel:
1°. degenen, die krachtens publiekrechtelijke aanstelling
in burgerlijke openbare dienst jegens het Rijk gehouden zijn
tot het verrichten van arbeid in justitiėle inrichtingen;
2°. degenen die onder gezag van het Rijk arbeid in een
justitiėle inrichting verrichten, met uitzondering van
gedetineerden, verpleegden en jeugdigen;
b. gedetineerden, verpleegden en jeugdigen: degenen, die
krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking of door het
openbaar gezag rechtens van hun vrijheid zijn beroofd en
verblijven in een justitiėle inrichting met uitzondering van de
in het Militair Penitentiair Centrum Stroe gedetineerde
militairen;
c. justitiėle inrichting: een gevangenis of huis van bewaring
als bedoeld in de Penitentiaire beginselenwet, een justitiėle
inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden als
bedoeld in de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden
of een inrichting als bedoeld in de Beginselenwet justitiėle
jeugdinrichtingen.
2.Onder justitiėle inrichting wordt mede verstaan: het vervoer van
gedetineerden, verpleegden en jeugdigen van en naar de justitiėle
inrichting alsmede alle andere arbeid die justitieel personeel
verricht met gedetineerden, verpleegden en jeugdigen buiten de
justitiėle inrichting.
Artikel 1.5. Definities defensie
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. militair personeel:
1°. de in werkelijke dienst zijnde militaire ambtenaren in
de zin van artikel 1, eerste en tweede lid, van de Militaire
Ambtenarenwet 1931;
2°. de in werkelijke dienst zijnde dienstplichtigen in de
zin van de artikelen 18, 19 en 21 van de Kaderwet dienstplicht;
b. burgerpersoneel bij het Ministerie van Defensie:
1°. degenen die krachtens publiekrechtelijke aanstelling in
burgerlijke openbare dienst jegens het Rijk, vertegenwoordigd
door de Minister van Defensie, gehouden zijn tot het verrichten
van arbeid, behalve indien betrokkenen aan een derde ter
beschikking worden gesteld voor het verrichten van arbeid, welke
die derde gewoonlijk doet verrichten;
2°. degenen die onder gezag van het Rijk, vertegenwoordigd
door de Minister van Defensie, arbeid verrichten;
c. defensiepersoneel: militair personeel en burgerpersoneel bij
het Ministerie van Defensie;
d. oefening: iedere door defensiepersoneel onder
oorlogsnabootsende omstandigheden in praktijk brengen van
theoretisch onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid
in het uitvoeren van oorlogstaken te verwerven, op te voeren of te
onderhouden;
e. militair vaartuig: een Nederlands oorlogsschip,
marinehulpschip of een ander schip dat in gebruik is voor de
uitvoering van de militaire taak;
f. militair luchtvaartuig: een luchtvaartuig in beheer bij het
Ministerie van Defensie;
g. bemand wapensysteem: ieder al dan niet voortbewogen
wapensysteem, dat tijdens het gebruik wordt bemand of bediend met
uitzondering van een licht persoonlijk wapen;
h. eenheid met gereedstelling: eenheid die, daartoe aangewezen,
ingezet is dan wel gereed is of zich gereed moet houden voor inzet
in krijgsmachtverband.
Afdeling 1A. Certificatie
§ 1. Aanwijzing certificerende instelling op verzoek
Artikel 1.5a. Criteria voor aanwijzing
1. Als certificerende instelling kan worden aangewezen de
instelling die:
a. rechtspersoonlijkheid heeft;
b. onafhankelijk is;
c. beschikt over de deskundigheid en outillage die nodig zijn
om de uitvoering van de taken waarvoor zij aangewezen wil worden,
naar behoren te kunnen vervullen;
d. beschikt over een registratiesysteem waarin de gegevens die
samenhangen met en betrekking hebben op de uitvoering van de taken
waarvoor zij aangewezen wil worden, naar behoren vastgelegd kunnen
worden;
e. verzekerd is tegen wettelijke aansprakelijkheid voor de
risicos die voortvloeien uit de uitoefening van de taken
waarvoor zij aangewezen wil worden;
f. een overeenkomst heeft gesloten met de in voorkomend geval
aanwezige beheerstichting, die de krachtens dit besluit geregelde
certificatieschemas voor het werkveld waarop de instelling
werkzaam wil zijn als certificerende instelling, beheert; en
g. naar behoren functioneert.
2. Bij ministeriėle regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het eerste lid.
Artikel 1.5b. De aanvraag tot aanwijzing
1. De instelling, bedoeld in artikel 1.5a, dient de aanvraag tot
aanwijzing in bij Onze Minister.
2. De instelling doet de aanvraag vergezellen van een beoordeling
door de Stichting Raad voor Accreditatie te Utrecht, waaruit blijkt
dat zij voldoet aan de criteria, genoemd in artikel 1.5a.
3. Bij ministeriėle regeling kunnen, zo nodig uitgesplitst naar
werkveld, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de indiening
van de aanvraag, de beoordeling en de afhandeling van de aanvraag.
4. De kosten van de beoordeling zijn voor rekening van de
aanvragende instelling.
5. In afwijking van het tweede en derde lid geldt voor bij
ministeriėle regeling aan te wijzen werkvelden dat de instelling de
aanvraag niet hoeft te doen vergezellen van een beoordeling door de in
het tweede lid genoemde Stichting Raad voor de Accreditatie.
6. In afwijking van het vierde lid geldt voor bij ministeriėle
regeling aan te wijzen werkvelden dat de kosten van de beoordeling
niet voor rekening van de aanvragende instelling zijn.
Artikel 1.5c. De weigering, schorsing, wijziging of intrekking van
een aanwijzing
1. Een aanwijzing als certificerende instelling wordt geweigerd
indien:
a. de aanvragende instelling niet heeft voldaan aan het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 1.5a of 1.5b; of
b. ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan de datum van
indiening van de aanvraag, sprake was van een weigering om de
aanvragende instelling aan te wijzen als certificerende instelling
dan wel van een intrekking van een aanwijzing als certificerende
instelling en de weigering of intrekking is geschied op grond van
aan de aanvragende instelling toe te rekenen feiten of
omstandigheden.
2. De aanvraag wordt in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder
b, eerst in behandeling genomen nadat twaalf maanden, te rekenen vanaf
de dag na de datum van de weigering respectievelijk van de intrekking,
zijn verstreken.
3. Een aanwijzing kan worden geschorst, ten nadele van de
certificerende instelling worden gewijzigd of ingetrokken:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister
bij de aanwijzing redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op
grond waarvan hij de aanwijzing niet of alleen met beperkingen of
voorschriften, bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de wet, zou
hebben gegeven;
b. op grond van door de certificerende instelling verstrekte
onjuiste inlichtingen over feiten of omstandigheden, mits de
onjuistheid daarvan aan de instelling bekend was of kon zijn;
c. indien de certificerende instelling niet meer voldoet aan
het bepaalde bij of krachtens artikel 1.5a;
d. indien de certificerende instelling gedurende een
aaneengesloten periode van twee jaren geen werkzaamheden waarvoor
zij is aangewezen, heeft uitgevoerd; of
e. indien de certificerende instelling haar wettelijke
verplichtingen niet meer naar behoren nakomt of de taken waarvoor
zij is aangewezen, niet meer naar behoren uitvoert.
Artikel 1.5d. Periodieke controle van een certificerende instelling
1. Tijdens de looptijd van de aanwijzing als certificerende
instelling stelt Onze Minister periodiek vast of de instelling:
a. nog voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 1.5a;
en
b. haar wettelijke verplichtingen naar behoren nakomt en de
taken waarvoor zij is aangewezen, naar behoren uitvoert.
2. Ten behoeve van de periodieke vaststelling laat Onze Minister de
Stichting Raad voor Accreditatie te Utrecht een beoordeling ter zake
doen.
3. Bij ministeriėle regeling kunnen, zonodig uitgesplitst naar
werkveld, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
periodieke vaststelling en de beoordeling.
4. De kosten van de beoordeling zijn voor rekening van de
instelling.
5. In afwijking van het tweede en derde lid geldt voor bij
ministeriėle regeling aan te wijzen werkvelden dat de instelling niet
zelf hoeft te vragen om een beoordeling door de in het tweede lid
genoemde Stichting Raad voor de Accreditatie.
6. In afwijking van het vierde lid geldt voor bij ministeriėle
regeling aan te wijzen werkvelden dat de kosten van de beoordeling
niet voor rekening van de instelling zijn.
Artikel 1.5e. Verstrekken van gegevens
1. De certificerende instelling stelt jaarlijks voor 1 maart een
verslag op van de door haar in verband met haar taak verrichte
werkzaamheden, de rechtmatigheid en doeltreffendheid van haar
werkzaamheden en werkwijze in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag
wordt Onze Minister toegezonden. Bij ministeriėle regeling kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de onderwerpen die in
het verslag worden behandeld.
2. De certificerende instelling verstrekt de Stichting Raad voor
Accreditatie te Utrecht desgevraagd kosteloos alle informatie die deze
nodig heeft bij de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens
artikel 1.5d.
3. Bij ministeriėle regeling worden nadere regels gesteld
betreffende het kosteloos verstrekken van gegevens en inlichtingen
door een certificerende instelling aan Onze Minister of de
toezichthouder respectievelijk door Onze Minister of de toezichthouder
aan een certificerende instelling of de in het tweede lid genoemde
Stichting Raad voor Accreditatie, die zijn verkregen door de
uitvoering of het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens de wet, welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun
wettelijke taken.
§ 2. Algemene bepalingen inzake certificaten
Artikel 1.5f. Verzoek tot afgifte van een certificaat
1. Een certificaat als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de
wet, wordt door Onze Minister of, indien Onze Minister een
certificerende instelling heeft aangewezen, deze instelling, op
verzoek afgegeven indien is voldaan aan de bij of krachtens dit
besluit met betrekking tot het certificaat gestelde eisen.
2. Bij ministeriėle regeling kunnen, zonodig uitgesplitst naar
werkveld, nadere regels worden gesteld met betrekking tot het doen van
een verzoek als bedoeld in het eerste lid, en de behandeling ervan.
3. De kosten van het afgeven van een certificaat zijn voor rekening
van de verzoeker tot afgifte van het certificaat.
Artikel 1.5g. De weigering, schorsing, wijziging of intrekking van
een certificaat
1. De afgifte van een certificaat wordt geweigerd indien:
a. de verzoeker niet heeft voldaan aan de bij of krachtens dit
besluit met betrekking tot het certificaat gestelde eisen; of
b. ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan de datum van het
verzoek tot afgifte van het certificaat, sprake was van een
weigering tot het afgeven van eenzelfde certificaat dan wel van
een intrekking van eenzelfde certificaat en de weigering of
intrekking is geschied op grond van aan de verzoeker toe te
rekenen feiten of omstandigheden.
2. Het verzoek wordt in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder
b, eerst in behandeling genomen nadat twaalf maanden, te rekenen vanaf
de dag na de datum van de weigering respectievelijk van de intrekking,
zijn verstreken.
3. Een certificaat kan worden geschorst, ten nadele van de
certificaathouder worden gewijzigd of ingetrokken:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister
of, indien Onze Minister een certificerende instelling heeft
aangewezen, deze instelling, bij de afgifte van het certificaat
redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan hij
respectievelijk zij het certificaat niet of alleen met beperkingen
of voorschriften, bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de wet,
zou hebben gegeven;
b. op grond van door de certificaathouder verstrekte onjuiste
inlichtingen over feiten en omstandigheden, mits de onjuistheid
daarvan aan de certificaathouder bekend was of kon zijn;
c. indien de certificaathouder niet meer voldoet aan de bij of
krachtens dit besluit met betrekking tot het certificaat gestelde
eisen of zijn wettelijke verplichtingen niet meer naar behoren
nakomt; of
d. indien de certificaathouder met zijn werkzaamheden, voor
zover die door het certificaat worden gereguleerd, of door de
wijze waarop hij de werkzaamheden verricht, ernstig gevaar
veroorzaakt of kan veroorzaken voor personen.
Artikel 1.5h. Buitenlandse getuigschriften en kwalificaties van
vakbekwaamheid
1. Onze Minister of, indien Onze Minister een certificerende
instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, verstrekt
op aanvraag een certificaat van vakbekwaamheid aan een persoon die
onderdaan is van een betrokken staat als bedoeld in artikel 1 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, indien op grond van
artikel 6 van die wet is aangetoond dat deze persoon over
gelijkwaardige kwalificaties beschikt als de houder van een krachtens
dit besluit verstrekt certificaat van vakbekwaamheid.
2. De houder van een certificaat van vakbekwaamheid, bedoeld in het
eerste lid, beheerst de Nederlandse taal op een zodanig niveau dat
voorschriften en aanwijzingen op bij of krachtens dit besluit vereiste
etiketten van stoffen, arbeidsmiddelen en persoonlijke
beschermingsmiddelen, alsmede andere voor de toepassing van en de
omgang met stoffen, arbeidsmiddelen en persoonlijke
beschermingsmiddelen bij of krachtens dit besluit gestelde regels,
begrepen en uitgevoerd kunnen worden.
3. Deartikelen 1.5f en 1.5g zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.5i. Periodieke controle van de certificaathouder
1. Tijdens de looptijd van het certificaat stelt Onze Minister of,
indien Onze Minister een certificerende instelling heeft aangewezen,
deze instelling, periodiek vast of de certificaathouder nog voldoet
aan de bij of krachtens de wet met betrekking tot het certificaat
gestelde eisen.
2. Bij ministeriėle regeling kunnen, zonodig uitgesplitst naar
werkveld, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
periodieke vaststelling.
3. De kosten van de periodieke vaststelling zijn voor rekening van
de certificaathouder.
4. De certificaathouder verstrekt Onze Minister of, indien Onze
Minister een certificerende instelling heeft aangewezen, deze
instelling, desgevraagd kosteloos alle informatie die nodig is voor de
uitvoering van het bepaalde bij of krachtens dit artikel.
Afdeling 2. Samenwerking, overleg en ontslag- en
benadelingsbescherming
Artikel 1.6. Definities samenwerking en overleg
1.In afwijking van de wet, dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt voor de toepassing daarvan ten aanzien van arbeid
verricht in bekostigde onderwijsinrichtingen als bedoeld in artikel
1.3, tweede lid, onder d en f, voor zover de Wet op de
ondernemingsraden niet van toepassing is, voor «de ondernemingsraad»
en de«personeelsvertegenwoordiging» gelezen «de
universiteitsraad», «de dienstraad» of de«medezeggenschapsraad»,
en wordt ten aanzien van arbeid verricht door defensiepersoneel, voor
zover de Wet op de ondernemingsraden niet van toepassing is, voor «de
ondernemingsraad» en de «personeelvertegenwoordiging» gelezen «de
medezeggenschapscommissie» of «het overlegorgaan».
2.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. universiteitsraad: een universiteitsraad als bedoeld in
artikel 9.31 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek;
b. dienstraad: een dienstraad als bedoeld in artikel 9.50 van
de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. medezeggenschapscommissie: een medezeggenschapscommissie als
bedoeld in artikel 3 van het Besluit medezeggenschap defensie;
d. overlegorgaan: een overlegorgaan ingesteld krachtens artikel
23 van de Kaderwet dienstplicht.
Artikel 1.7. Aard en inhoud van het overleg
1.Ten aanzien van de aard en inhoud van het overleg en de wijze
waarop het overleg wordt gevoerd met een universiteitsraad, een
dienstraad of een medezeggenschapsraad respectievelijk een
medezeggenschapscommissie of een overlegorgaan en ten aanzien van de
bevoegdheden van een universiteitsraad, een dienstraad of een
medezeggenschapsraad respectievelijk een medezeggenschapscommissie of
een overlegorgaan is van toepassing:
a. de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
of
b. het Besluit medezeggenschap defensie of de krachtens artikel
23 van de Kaderwet dienstplicht door Onze Minister van Defensie te
stellen regels.
2.Voor zover de wet bepalingen bevat omtrent rechten van de
ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of leden daarvan
waaromtrent de regelingen, bedoeld in het eerste lid, geen bepalingen
bevatten, is de wet van toepassing.
Artikel 1.8. Ontslagbescherming
1.Ten aanzien van degene op wie het Algemeen
Rijksambtenarenreglement onderscheidenlijk het Burgerlijk
ambtenarenreglement defensie van toepassing is en die als deskundige
werknemer als bedoeld in artikel 13, eerste lid en tweede lid, of als
deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet
werkzaam is, is artikel 95, zevende lid, van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement onderscheidenlijk artikel 115, zesde lid, van
het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie van overeenkomstige
toepassing.
2.Ten aanzien van degenen, bedoeld in het eerste lid, op wie een
overeenkomstige regeling als het Algemeen Rijksambtenarenreglement van
toepassing is, is voor zover nodig het eerste lid van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 1.9. Benadelingsbescherming
In afwijking van artikel 13, vijfde lid, tweede en derde zin, van de
wet is ten aanzien van degene op wie de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek van toepassing is en die als deskundige
werknemer als bedoeld in artikel 13, eerste lid en tweede lid, of als
deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet
werkzaam is, artikel 9.32, achtste lid, van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van overeenkomstige toepassing.
Ten aanzien van degene op wie het Algemeen militair ambtenarenreglement
of het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie van toepassing is en die
als deskundige werknemer of persoon als bedoeld in de vorige zin
werkzaam is, is artikel 20 van het Besluit medezeggenschap defensie van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3. Onderwijs
Artikel 1.10. Toepasselijkheid
Tenzij hierna anders is bepaald, zijn de wet en dit besluit van
toepassing op werknemers in onderwijsinrichtingen en op overeenkomstige
wijze van toepassing op leerlingen en studenten in onderwijsinrichtingen
die handelingen verrichten die vergelijkbaar zijn met arbeid in de
beroepspraktijk.
Artikel 1.11. Samenwerking en overleg; onderwijsinrichtingen met een
medezeggenschapsraad
1.Voor bekostigde onderwijsinrichtingen als bedoeld in artikel 1.3,
tweede lid, onder a tot en met c, en onder g en h, komen de rechten,
bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de wet, voor zover van
toepassing, toe aan de leden van de medezeggenschapsraad.
2.Voor de in het eerste lid genoemde bekostigde
onderwijsinrichtingen treedt voor de toepassing van artikel 12, vijfde
en zesde lid, van de wet de medezeggenschapsraad in de plaats van de
ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging.
3.Voor de in het eerste lid genoemde bekostigde
onderwijsinrichtingen worden de in de wet en dit besluit toekomende
rechten en bevoegdheden met inachtneming van artikel 1.13, uitgeoefend
door de leden van de medezeggenschapsraad of, indien het betreft
aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand
van het personeel, door het overlegorgaan van het decentraal
georganiseerd overleg respectievelijk van de instelling.
Artikel 1.12. Samenwerking en overleg; universiteiten en hogescholen
Voor de in artikel 1.3, tweede lid, onder d tot en met f, genoemde
bekostigde onderwijsinrichting worden de in de wet en dit besluit
toekomende rechten en bevoegdheden, met inachtneming van artikel 1.13,
uitgeoefend door de universiteitsraad, de dienstraad, de
medezeggenschapsraad of de studentenraad, bedoeld in de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of, indien het betreft
aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand
van het personeel, door het overlegorgaan van het decentraal
georganiseerd overleg respectievelijk van de instelling.
Artikel 1.13. Uitzonderingen arbobeleid en horen
1.Artikel 3, eerste lid, onder c, van de wet met uitzondering van
de ergomische aspecten van de arbeid, en d, voor zover niet betrekking
hebbend op de veiligheid en de gezondheid, is niet van toepassing op
leerlingen respectievelijk studenten in onderwijsinrichtingen.
2.Afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht geldt niet ten
aanzien van leerlingen respectievelijk studenten in
onderwijsinrichtingen.
Artikel 1.14. Uitzondering werknemersverplichtingen
Waar in de wet bepaalde verplichtingen worden opgelegd aan
werknemers, zijn deze bepalingen niet van toepassing op leerlingen
respectievelijk studenten in onderwijsinrichtingen.
Artikel 1.15. Uitzondering arbeidsgezondheidskundig onderzoek
Artikel 18 van de wet is niet van toepassing op leerlingen
respectievelijk studenten in onderwijsinrichtingen.
Afdeling 4. Burgerlijke openbare dienst
Artikel 1.16. Toepasselijkheid
Deze afdeling is van toepassing op arbeid verricht in de burgerlijke
openbare dienst met uitzondering van arbeid:
a. verricht in onderwijsinrichtingen;
b. verricht in justitiėle inrichtingen;
c. verricht door burgerpersoneel, werkzaam bij het Ministerie van
Defensie, met inbegrip van de daaronder ressorterende diensten en
instellingen.
Artikel 1.17. Politie en brandweer
Op arbeid verricht in de burgerlijke openbare dienst, welke gericht
is op het daadwerkelijk uitoefenen van de taken, bedoeld in artikel 3
van de Politiewet 2012, artikel 141 of 142 van het Wetboek van
Strafvordering, of artikel 3, eerste lid, van de Wet veiligheidsregios
voor zover deze taak betrekking heeft op het repressief optreden bij
brand, ongevallen en rampen, zijn de artikelen 10, 27, 28, 28a en 29 van
de wet van toepassing voor zover door de toepassing van deze artikelen
een goede taakuitoefening niet wordt belemmerd.
Artikel 1.18. Veiligheid van de staat
1.Ten aanzien van arbeid verricht in de burgerlijke openbare
dienst, welke gericht is op het daadwerkelijk uitoefenen van taken,
bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a, van de Wet op de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002, zijn de artikelen 27, 28,
28a en 29 van de wet van toepassing voor zover door de toepassing van
deze artikelen een goede taakuitoefening niet wordt belemmerd.
2.Op arbeid verricht in rijksdienst geschiedt de toepassing van de
wet met inachtneming van de voor de rijksdienst geldende nationale en
internationale voorschriften ter beveiliging van gegevens, waarvan de
geheimhouding door het belang van de staat of van zijn bondgenoten
wordt geboden.
3.Op arbeid verricht in de burgerlijke openbare dienst door of ten
behoeve van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten geschiedt de
toepassing van de wet bovendien met inachtneming van de aan de hoofden
van deze diensten opgedragen zorg voor geheimhouding van de door hen
verkregen gegevens en van de bronnen waaruit zij afkomstig zijn en
voor het naar behoren waarborgen van de veiligheid van de personen van
wier diensten bij het inwinnen van gegevens gebruik wordt gemaakt.
Afdeling 5. Vervoer
Artikel 1.19. Toepasselijkheid
1. De wet is niet van toepassing op arbeid verricht in
respectievelijk op een zeeschip dat niet op grond van Nederlandse
rechtsregels gerechtigd is de Nederlandse vlag te voeren en dat zich
bevindt in de exclusieve economische zone, in de territoriale zee, op
een van de in artikel 10, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet
bedoelde scheepvaartwegen, op de Westerschelde, haar mondingen of op
het in Nederland gelegen gedeelte van het Kanaal van Gent naar
Terneuzen, of in de haven van Scheveningen.
2. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van aanbouw, verbouwing,
herstelling of sloping dan wel onderhouds- of reinigingswerkzaamheden
en hiermee verband houdende andere werkzaamheden aan de in het eerste
lid bedoelde schepen die zich in Nederland bevinden alsmede ten
aanzien van laden en lossen, tenzij deze arbeid wordt verricht door
een werknemer die behoort tot de bemanning van een zeeschip als
bedoeld in het eerste lid.
3. De wet is niet van toepassing op arbeid verricht in
respectievelijk op een luchtvaartuig als bedoeld in artikel 1.1,
eerste lid, van de Wet Luchtvaart, dat ter beschikking is gesteld aan
een niet in Nederland gevestigde werkgever, tenzij:
a. deze werkgever daarin of daarop door in meerderheid in
Nederland woonachtige werknemers arbeid doet verrichten;
b. het betreft laden en lossen, aanbouw, verbouwing,
herstelling of sloping dan wel onderhouds- of
reinigingswerkzaamheden en hiermee verband houdende andere
werkzaamheden aan bedoelde luchtvaartuigen die zich in Nederland
bevinden.
4. De wet is niet van toepassing op arbeid verricht in
respectievelijk op een luchtvaartuig als bedoeld in artikel 1, aanhef
en onder f, van de Luchtvaartwet.
5. Het vierde lid geldt niet ten aanzien van laden en lossen,
aanbouw, verbouwing, herstelling of sloping dan wel onderhouds- of
reinigingswerkzaamheden en hiermee verband houdende andere
werkzaamheden aan de in het vierde lid bedoelde luchtvaartuigen die
zich in Nederland bevinden.
Artikel 1.20. Beperking recht op werkonderbreking
1. Op arbeid verricht in respectievelijk op een zeeschip of een
luchtvaartuig is artikel 29 van de wet niet van toepassing, voor zover
de toepassing van dat artikel in strijd komt met de verplichtingen die
voortvloeien uit de uitoefening van de bevoegdheden van de kapitein
respectievelijk de gezagvoerder, bedoeld in artikel 341 van het
Wetboek van Koophandel respectievelijk het Besluit vluchtuitvoering
dan wel een bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en
Milieu aangewezen EG-verordening voor de luchtvaart.
2. Op arbeid verricht door de kapitein respectievelijk de
gezagvoerder, bedoeld in het eerste lid, in respectievelijk op een
zeeschip of een luchtvaartuig, is artikel 29 van de wet niet van
toepassing voor zover de toepassing van dat artikel in strijd komt met
de verplichtingen die voortvloeien uit het Wetboek van Koophandel
respectievelijk het Besluit vluchtuitvoering dan wel een bij regeling
van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen
EG-verordening voor de luchtvaart.
Artikel 1.21 [Vervallen per 01-01-2005]
Afdeling 6. Justitiėle inrichtingen
Artikel 1.22. Veiligheid in justitiėle inrichtingen
1.De artikelen 10, 27, 28, 28a en 29 van de wet zijn van toepassing
op de in de justitiėle inrichting door het justitieel personeel
verrichte arbeid voor zover geen inbreuk wordt gemaakt op de orde, de
veiligheid of de goede gang van zaken in de inrichting of op het
ongestoord verloop van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming
en andere beperkingen die krachtens enige wettelijke bepaling door de
daartoe bevoegde autoriteiten zijn opgelegd.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op
gedetineerden, verpleegden en jeugdigen met dien verstande, dat in
plaats van de artikelen 10, 27, 28 en 29 van de wet wordt gelezen de
artikelen 24, zevende lid, 27, 28, 28a en 29 van de wet.
Artikel 1.23. Veiligheid van de staat
Ten aanzien van arbeid verricht door het justitieel personeel in de
justitiėle inrichtingen geschiedt de toepassing van de wet met
inachtneming van de voor de rijksdienst geldende nationale en
internationale voorschriften ter beveiliging van gegevens, waarvan de
geheimhouding door het belang van de staat of van zijn bondgenoten wordt
geboden.
Artikel 1.24. Kennisneming risico-inventarisatie en -evaluatie
In afwijking van artikel 5, zesde lid, van de wet kan een
gedetineerde, verpleegde of jeugdige kennisnemen van de
risico-inventarisatie en -evaluatie, voor zover de orde of de veiligheid
in de justitiėle inrichting daardoor niet in gevaar wordt gebracht.
Artikel 1.25. Samenwerking
In afwijking van artikel 12, eerste lid, van de wet werken de
directeur van de inrichting en de gedetineerden, verpleegden of
jeugdigen zoveel mogelijk samen bij de uitvoering van het
arbeidsomstandighedenbeleid van gedetineerden, verpleegden en jeugdigen
binnen de justitiėle inrichting.
Afdeling 7. Defensie
Artikel 1.26. Toepasselijkheid
Tenzij in deze afdeling anders is bepaald is de wet van toepassing op
arbeid verricht door defensiepersoneel.
Artikel 1.27. Veiligheid van de Staat
1.De toepassing van de wet met betrekking tot arbeid verricht door
defensiepersoneel geschiedt met inachtneming van de voor het
Ministerie van Defensie geldende nationale en internationale
voorschriften ter beveiliging van gegevens, waarvan de geheimhouding
door het belang van de staat of van zijn bondgenoten wordt geboden.
2.De toepassing van de wet met betrekking tot arbeid in de openbare
dienst verricht door of ten behoeve van de militaire inlichtingen- en
veiligheidsdiensten geschiedt bovendien met inachtneming van de aan de
hoofden van deze diensten opgedragen zorg voor geheimhouding van de
door hen verkregen gegevens en van de bronnen waaruit zij afkomstig
zijn en voor het naar behoren waarborgen van de veiligheid van de
personen van wier diensten bij het inwinnen van die gegevens gebruik
wordt gemaakt.
Artikel 1.28. Internationale verplichtingen
De toepassing van de wet met betrekking tot arbeid verricht door
defensiepersoneel geschiedt met inachtneming van internationale
verplichtingen.
Artikel 1.29. Algehele uitzondering
De wet is niet van toepassing op arbeid verricht door
defensiepersoneel:
a. ten tijde van oorlog, oorlogsgevaar of andere daaraan verwante
of daarmee verband houdende buitengewone omstandigheden, waaronder
begrepen de gevallen als opgesomd in artikel 71 van het Wetboek van
Militair Strafrecht;
b. in door Onze Minister van Defensie te bepalen andere gevallen
waarin de krijgsmacht wordt ingezet, waaronder begrepen de verlening
van bijstand op grond van de artikelen 57, 58 of 59 van de
Politiewet 2012 of op grond van artikel 146, tweede lid, van het
Wetboek van Strafvordering en de verlening van steun in het openbaar
belang.
Artikel 1.30. Partiėle uitzondering artikelen 3 en 16 van de wet
Artikel 3, eerste lid, van de wet en de op artikel 16 van de wet
gebaseerde artikelen 1.37 en 1.41, de afdelingen 5, 6, 6A en 8 van
hoofdstuk 2, en de hoofdstukken 3 tot en met 8 van dit besluit zijn niet
van toepassing:
a. tijdens, direct voor en direct na oefeningen;
b. ten aanzien van militaire vaartuigen, militaire
luchtvaartuigen, bemande wapensystemen en eenheden met
gereedstelling:
1°. voor zover afwijking van deze artikelen, hoofdstukken of
afdelingen naar het oordeel van Onze Minister van Defensie
noodzakelijk is in verband met de bouw, de constructie, de
inrichting of de uitrusting van deze vaartuigen en
wapensystemen;
2°. indien oorlogsschepen varen en indien militaire
luchtvaartuigen en bemande wapensystemen als zodanig in gebruik
zijn;
3°. voor zover de operationele taakuitvoering van deze
vaartuigen en wapensystemen of van de eenheden met
gereedstelling naar het oordeel van Onze Minister van Defensie
door de toepassing van deze artikelen, hoofdstukken of
afdelingen wordt belemmerd.
Artikel 1.31. Partiėle uitzondering artikel 10 van de wet
Voor zover de wet van toepassing is op arbeid verricht door
defensiepersoneel is artikel 10 van de wet op arbeid verricht door
defensiepersoneel:
a. dat belast is met enige politietaak of met bewakings- of
beveiligingstaken, of
b. dat wachtdiensten verricht, of
c. dat is ingezet ter verlening van de bijstand, bedoeld in
artikel 1.29, onder b, aan de politie, van toepassing, voor zover
een goede taakuitoefening door de toepassing van genoemd artikel
niet wordt belemmerd.
Artikel 1.32. Partiėle uitzondering artikel 12 van de wet
Artikel 12 van de wet is van toepassing behoudens:
a. tijdens oefeningen;
b. op aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op het
houden van oefeningen;
c. op aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op de
arbeid, bedoeld in artikel 1.29.
Artikel 1.33. Partiėle uitzondering artikelen 27, 28 en 28a van de
wet
1. De artikelen 27, 28 en 28a van de wet zijn niet van toepassing:
a. tijdens, direct voor en direct na oefeningen;
b. op eenheden met gereedstelling.
2. De artikelen 27, 28 en 28a van de wet zijn niet van toepassing
op militaire vaartuigen, militaire luchtvaartuigen en bemande
wapensystemen:
a. indien oorlogsschepen varen en indien militaire
luchtvaartuigen en bemande wapensystemen als zodanig in gebruik
zijn;
b. in de gevallen, bedoeld in artikel 1.30, onder b, sub 3°.
3. De artikelen 27, 28 en 28a van de wet zijn van toepassing op het
personeel van de Koninklijke Marechaussee, behoudens indien dit
personeel daadwerkelijk bezig is met de uitvoering van de specifieke
taken, die de Koninklijke Marechaussee in artikel 4, eerste lid, van
de Politiewet 2012 zijn opgedragen.
4. In aanvulling op het derde lid, zijn de artikelen 27, 28 en 28a
van de wet van toepassing op de arbeid verricht door personeel van de
Koninklijke Marechaussee in geval van de verlening van bijstand,
bedoeld in artikel 1.29, onder b, voor zover door de toepassing van
die artikelen een goede uitoefening van die bijstandsverlening niet
wordt belemmerd.
Artikel 1.34. Uitzondering artikel 29 van de wet
Artikel 29 van de wet is niet van toepassing op militair personeel.
Afdeling 8. Jeugdigen
Artikel 1.35. Definitie
In deze afdeling wordt verstaan onder richtlijn: Richtlijn nr. 94/33/EEG
van de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1994 betreffende de
bescherming van jongeren op het werk (PbEG L 216).
Artikel 1.36. Nadere voorschriften risico-inventarisatie en
-evaluatie
1.Indien in een bedrijf of inrichting een of meer jeugdige
werknemers werkzaam zijn of plegen te zijn wordt in de
risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet,
in het bijzonder aandacht besteed aan:
a. de specifieke gevaren op het gebied van
arbeidsomstandigheden als gevolg van een gebrek aan werkervaring,
het niet goed kunnen inschatten van gevaren en het niet voltooid
zijn van de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de
jeugdige werknemer;
b. de uitrusting en inrichting van de arbeidsplaats;
c. de aard, de mate en de duur van de blootstelling aan
stoffen, agentia en fysische factoren;
d. de keuze en het gebruik van arbeidsmiddelen en persoonlijke
beschermingsmiddelen;
e. het geheel van werkzaamheden in het bedrijf of de inrichting
en de organisatie daarvan, en
f. het opleidingsniveau van de jeugdige werknemers en de aan
hen te geven voorlichting.
2.Voorts wordt in de risico-inventarisatie en -evaluatie bijzondere
aandacht besteed aan de niet-volledige lijst van agentia, procédés
en werkzaamheden, opgenomen in de bijlage bij de richtlijn.
Artikel 1.37. Deskundig toezicht
1.Indien in een bedrijf of inrichting jeugdige werknemers arbeid
verrichten, wordt op die arbeid adequaat deskundig toezicht
uitgeoefend. De inhoud en de mate van het toezicht is afhankelijk van
de uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5
van de wet, gebleken gevaren die kunnen ontstaan, indien deskundig
toezicht ontbreekt.
2.Indien uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in
artikel 1.36, blijkt, dat jeugdige werknemers arbeid moeten verrichten
waaraan specifieke gevaren, met name voor arbeidsongevallen als gevolg
van een gebrek aan werkervaring, het niet goed kunnen inschatten van
gevaren en het niet voltooid zijn van de geestelijke en lichamelijke
ontwikkeling van de jeugdige werknemer, zijn verbonden, mag die arbeid
slechts worden verricht, indien het deskundig toezicht zodanig is
georganiseerd dat die gevaren worden voorkomen. Indien dat niet
mogelijk is, mag die arbeid niet door jeugdige werknemers worden
verricht.
Artikel 1.38. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
In aanvulling op artikel 18 van de wet worden jeugdige werknemers in
de gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te
ondergaan, zodra uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in
artikel 1.36, blijkt, dat jeugdige werknemers arbeid moeten verrichten
waaraan specifieke gevaren, met name voor arbeidsongevallen als gevolg
van het gebrek aan werkervaring, het niet goed kunnen inschatten van
gevaren en het niet voltooid zijn van de geestelijke en lichamelijke
ontwikkeling van de jeugdige werknemer, zijn verbonden.
Artikel 1.39. Uitzonderingen leerlingen en studenten in
onderwijsinrichtingen
Deze afdeling en paragraaf 4 van afdeling 5 van hoofdstuk 3,
paragraaf 2 van afdeling 10 van hoofdstuk 4, paragraaf 3 van afdeling 6
van hoofdstuk 6 en paragraaf 2 van afdeling 6 van hoofdstuk 7, zijn niet
van toepassing op leerlingen en studenten in onderwijsinrichtingen.
Afdeling 9. Zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie
Artikel 1.40. Definitie
In deze afdeling wordt verstaan onder richtlijn: Richtlijn nr. 92/85/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 oktober 1992
betreffende maatregelen ter bevordering van de verbetering van de
veiligheid en de gezondheid van werkneemsters tijdens de zwangerschap,
na de bevalling en tijdens de lactatie (PbEG L 348).
Artikel 1.41. Risico-inventarisatie en -evaluatie
Indien in een bedrijf of inrichting een zwangere werknemer of een
werknemer tijdens de lactatie werkzaam is of pleegt te zijn, wordt in de
risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, in
het bijzonder aandacht besteed aan de niet-limitatieve lijst van
agentia, procédés en arbeidsomstandigheden, opgenomen in bijlage I bij
de richtlijn
Artikel 1.42. Organisatie van de arbeid
1. Onverminderd artikel 4:5 van de Arbeidstijdenwet, organiseert de
werkgever de arbeid van een zwangere werknemer en een werknemer
tijdens de lactatie zodanig, richt de arbeidsplaats zodanig in, past
een zodanige productie- en werkmethode toe en laat zodanige
arbeidsmiddelen gebruiken, dat de arbeid voor die werknemer geen
gevaren met zich kan brengen voor haar veiligheid en gezondheid en
geen terugslag kan veroorzaken op de zwangerschap of lactatie.
2. Indien nakoming van het eerste lid redelijkerwijs niet mogelijk
is, wordt door een tijdelijke aanpassing van de arbeid of door een
tijdelijke aanpassing van de arbeids- en rusttijden voorkomen dat
gevaar voor de veiligheid en gezondheid van de zwangere werknemer en
de werknemer tijdens de lactatie wordt veroorzaakt, en wordt voorkomen
dat een terugslag kan worden veroorzaakt op de zwangerschap of
lactatie.
3. Indien nakoming van het tweede lid redelijkerwijs niet mogelijk
is, wordt aan de zwangere werknemer en de werknemer tijdens de
lactatie tijdelijk andere arbeid gegeven.
4. Indien nakoming van het derde lid redelijkerwijs niet mogelijk
is, worden de zwangere werknemer en de werknemer tijdens de lactatie
tijdelijk vrijgesteld van het verrichten van arbeid.
Artikel 1.42a. Voorlichting
De werkgever zorgt voor doeltreffende voorlichting over de risicos
van de arbeid tijdens zwangerschap en lactatie en de maatregelen die
zijn genomen om de risicos te voorkomen. De voorlichting vindt plaats
binnen twee weken nadat de zwangere werknemer of werknemer tijdens de
lactatie aan de werkgever heeft gemeld zwanger te zijn dan wel werkzaam
te zijn tijdens de lactatie.
Afdeling 10. Plaatsonafhankelijke arbeid
Artikel 1.43. Definities
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder
plaatsonafhankelijke arbeid verstaan:
a. arbeid die een werkgever als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel a, sub 1°, van de wet,
door een werknemer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel
b, van de wet, dan wel een werknemer als bedoeld in artikel 1,
tweede lid, onderdeel b, van de wet voor zover die werknemer
arbeid verricht voor een werkgever als bedoeld in artikel 1,
tweede lid, onderdeel a, sub 1°, van de wet, doet verrichten in
een woning of op een andere door die werknemer gekozen plaats
buiten het bedrijf of de inrichting, die niet de arbeidsplaats van
die werkgever is; of
b. arbeid die een werkgever als bedoeld in artikel 1, tweede
lid, onderdeel a, sub 2°, van de wet, in het kader van de
uitoefening van een beroep of bedrijf, krachtens een overeenkomst
tot aanneming van werk of krachtens een overeenkomst van opdracht,
door een werknemer als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel
b, van de wet, doet verrichten in een woning, tenzij die ander
zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefent waarin hij zich in de
regel ook tegenover derden tot het verrichten van dergelijke
arbeid verplicht.
2. Onder plaatsonafhankelijke arbeid als bedoeld in het eerste lid,
wordt niet verstaan:
a. arbeid verricht aan of ten behoeve van het vervaardigen,
veranderen, herstellen, versieren, afwerken dan wel op andere
wijze tot gebruik geschikt maken of meer geschikt maken of
geschikt houden van de woning; of
b. arbeid van verplegende, verzorgende of huishoudelijke aard,
geboden aan personen in verband met ziekte, herstel, ouderdom,
gehandicapt zijn, overlijden dan wel psychosociale of relationele
problemen.
Artikel 1.44. Toepasselijkheid algemeen
1. Op plaatsonafhankelijke arbeid is dit besluit en de daarop
berustende bepalingen alleen van toepassing voor zover zulks in dit
hoofdstuk is bepaald en met in achtneming van de in dit en hoofdstuk 9
gestelde regels.
2. Indien bij plaatsonafhankelijke arbeid de betrokken werknemer
tevens een jeugdige werknemer is, zijn de bepalingen die voor de
jeugdige werknemer zijn vastgesteld niet van toepassing.
Artikel 1.45. Toepasselijkheid hoofdstuk 2
Op plaatsonafhankelijke arbeid zijn van overeenkomstige toepassing de
afdelingen 3 en 4 van hoofdstuk 2.
Artikel 1.46. Toepasselijkheid hoofdstuk 4
1. Het verrichten van plaatsonafhankelijke arbeid met gevaarlijke
stoffen is alleen toegestaan met de volgende stoffen:
a. stoffen die bij uitsluiting voldoen aan de krachtens
artikel 9.2.3.1 van de Wet milieubeheer vastgestelde criteria
voor indeling in de categorieėn «schadelijk», «irriterend»,
«ontvlambaar» en «milieugevaarlijk», tenzij deze stoffen
voldoen aan de bij of krachtens die wet vastgestelde criteria
voor toekenning van de R-zinnen 1, 4, 5, 6, 14, 19, 29, 30, 31,
32, 33, 40, 44, 48, 64 of 68;
b. stoffen die aan geen van de krachtens artikel 9.2.3.1 van
de Wet milieubeheer vastgestelde criteria voor indeling voldoen,
tenzij deze stoffen de bijzondere gevaaraanduidingen dragen,
genoemd in bijlage V, deel B, onderdeel 2 of 6 bij richtlijn nr.
1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten
inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van
gevaarlijke preparaten (PbEG 1999 L 200).
2. Met betrekking tot de in het eerste lid, onder a, genoemde
stoffen, met uitzondering van stoffen die alleen voldoen aan de
krachtens artikel 9.2.3.1 van de Wet milieubeheer vastgestelde
criteria voor indeling in de categorie «milieugevaarlijk», wordt
in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in
artikel 5 van de wet, in ieder geval vastgesteld aan welke stoffen
de werknemers worden of kunnen worden blootgesteld en welke de
gevaren zijn die aan die stoffen zijn verbonden.
3. Met betrekking tot de verpakking van een stof die gevaar voor
de veiligheid of gezondheid kan opleveren alsmede met betrekking tot
de sluiting van die verpakking, is artikel 9.2.3.3, eerste tot en
met derde lid, van de Wet milieubeheer van overeenkomstige
toepassing.
4. Op de verpakking van een stof, bedoeld in het derde lid,
worden de aanduidingen die voor die stof op grond van het voldoen
aan de criteria voor indeling in de categorieėn, bedoeld in het
eerste lid, onder a, ten behoeve van de aflevering van die stof bij
of krachtens de Wet milieubeheer zijn voorgeschreven, opvallend en
goed leesbaar vermeld, met uitzondering van de aanduidingen die
betrekking hebben op de categorie «milieugevaarlijk».
5. Doeltreffende maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat de
werknemers bij hun arbeid kunnen worden blootgesteld aan stoffen in
zodanige mate dat schade kan worden toegebracht aan hun gezondheid.
6. Huidcontact is voorkomen of geminimaliseerd door het dragen
van doelmatige persoonlijke beschermingsmiddelen bij mogelijke
blootstelling aan een enkelvoudige of samengestelde stof:
a. die voldoet aan de criteria voor classificatie met een
effect op de huid of de ogen, inclusief de classificatie
kankerverwekkend voor de huid, volgens Richtlijn 67/548/EEG van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967
betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking
en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG 1967, 196) of
Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge
aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het
kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG 1999, L 200); of
b. als bedoeld in artikel 4.3, eerste of tweede lid, of 4.16,
eerste of tweede lid.
7. Indien met brandgevaarlijke stoffen wordt gewerkt, zijn aan de
werknemer deugdelijke en doelmatige middelen voor het blussen of
doven van een brand ter beschikking gesteld.
8. Indien stoffen aanwezig zijn die gevaar voor de veiligheid of
de gezondheid van de werknemer kunnen opleveren, zijn zodanige
maatregelen getroffen dat het gevaar, dat zich met betrekking tot
die stoffen een ongewilde gebeurtenis voordoet, zoveel mogelijk is
vermeden.
9. Bij het verrichten van arbeid met stoffen als bedoeld in het
achtste lid, zijn zodanige maatregelen getroffen dat het gevaar, dat
zich bij die arbeid een ongewilde gebeurtenis voordoet, zoveel
mogelijk is vermeden.
10. Voorts zijn zodanige maatregelen getroffen dat, in geval zich
een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in het achtste of negende lid
voordoet, de gevolgen daarvan zoveel mogelijk worden beperkt.
11. In alle gevallen waarin arbeid wordt verricht waarbij
werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke
stoffen, wordt in overeenstemming met artikel 8 van de wet
voorlichting en onderricht gegeven waarbij ten minste aandacht wordt
besteed aan:
a. de uitkomsten van de risico-inventarisatie en -evaluatie,
bedoeld in het tweede lid;
b. de maatregelen die zijn getroffen op grond van het vijfde
lid; en
c. de maatregelen die zijn getroffen voor het voorkomen of
beperken van ongewilde gebeurtenissen overeenkomstig het
zevende, achtste, negende of tiende lid.
Artikel 1.47. Toepasselijkheid hoofdstuk 5
1. Op plaatsonafhankelijke arbeid zijn van overeenkomstige
toepassing de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk 5.
2. Indien de werknemer plaatsonafhankelijke arbeid verricht in de
eigen woning, dan wordt door de werkgever, tenzij de werknemer daar
reeds uit eigen hoofde over beschikt, een werkplek als bedoeld in
artikelen 5.4 en 5.12 ter beschikking gesteld.
Artikel 1.48. Toepasselijkheid hoofdstuk 6
Indien de werknemer plaatsonafhankelijke arbeid verricht in de eigen
woning, dan worden door de werkgever, tenzij de werknemer daar reeds uit
eigen hoofde over beschikt, voorzieningen voor kunstverlichting als
bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, ter beschikking gesteld.
Artikel 1.49. Toepasselijkheid hoofdstuk 7
1. Op plaatsonafhankelijke arbeid zijn van overeenkomstige
toepassing de afdelingen 1, 2 en 3 van hoofdstuk 7.
2. De voor de arbeid benodigde arbeidsmiddelen zijn, voor zover
zij gevaar voor personen opleveren, voorzien van een doelmatige
afscherming.
3. De voor de arbeid benodigde arbeidsmiddelen met een
besturingssysteem zijn, zo dicht mogelijk bij de plaats van de
persoon die het arbeidsmiddel bedient, voorzien van een zodanige
inrichting dat het arbeidsmiddel afzonderlijk, veilig en met
zekerheid kan worden stilgezet en niet dan opzettelijk weer in
beweging kan worden gebracht.
4. De benodigde arbeidsmiddelen worden op de juiste wijze
onderhouden en zo nodig gerepareerd.
5. Aan de voor de arbeid benodigde arbeidsmiddelen met een
besturingssysteem die gevaren van elektrische aard met zich brengen,
zijn doeltreffende beveiligingen aangebracht, waarvan de werking
zoveel mogelijk onafhankelijk is van degene die dat arbeidsmiddel
bedient.
6. Indien het in verband met het verrichten van
plaatsonafhankelijke arbeid door de werknemer in een woning
noodzakelijk is dat elektrische apparatuur wordt aangesloten of
anderszins leidingen of kabels worden aangelegd, dan gebeurt dat op
een juiste wijze opdat de werknemer daarvan veilig gebruik kan
maken.
Artikel 1.50. Toepasselijkheid hoofdstuk 8
Op plaatsonafhankelijke arbeid is van overeenkomstige toepassing
afdeling 1 van hoofdstuk 8.
Artikel 1.51. Beschikbaarheid gegevens
In geval van het verrichten van plaatsonafhankelijke arbeid zijn van
de werknemer bij de werkgever gegevens beschikbaar omtrent naam, adres
en woonplaats alsmede van de werkzaamheden die door hem worden verricht
en van de stoffen, hulpmiddelen en werktuigen die daarbij worden
gebruikt.
Artikel 1.52. Voorraad
In geval van het verrichten van plaatsonafhankelijke arbeid is het
niet toegestaan de werknemer een grotere hoeveelheid aan grondstoffen,
halffabricaten of gerede producten in voorraad te geven of te laten
houden dan voor de arbeid noodzakelijk is.
Artikel 1.53. Melding arbeidsongevallen
Indien een werknemer bij het verrichten van plaatsonafhankelijke
arbeid een arbeidsongeval als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de
wet, overkomt doet hij daarvan onverwijld mededeling aan de werkgever.
Hoofdstuk 2. Arbozorg en organisatie van de arbeid
Afdeling 1. Elektronische melding
Artikel 2.1. Melding gegevens
1. Indien een werkgever of opdrachtgever ingevolge het bij of
krachtens de wet bepaalde een melding moet doen aan de toezichthouder,
doet hij dat langs elektronische weg. Indien zich een zodanige storing
van het netwerk voordoet dat de werkgever of opdrachtgever de gegevens
niet binnen de gestelde termijn kan leveren aan de toezichthouder,
vindt de melding op een andere geschikte wijze plaats.
2. In afwijking van het eerste lid doet een werkgever een melding
telefonisch bij de toezichthouder bij arbeidsongevallen die leiden tot
de dood van de werknemer.
Afdeling 1a. Melding beroepsziekten
Artikel 2.1a. Gegevens beroepsziekten
Bij ministeriėle regeling worden regels gesteld met betrekking tot
de gegevens die bij de mededeling van een beroepsziekte, bedoeld in
artikel 9, derde lid, van de wet worden verstrekt.
Afdeling 2. Aanvullende voorschriften risico-inventarisatie en
-evaluatie ter voorkoming en beperking van zware ongevallen met
gevaarlijke stoffen
Artikel 2.2. Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. gevaarlijke stof: brandbare, extreem toxische, toxische of
ontplofbare stof;
b. brandbare stof: een stof die een procestemperatuur heeft
gelijk aan of hoger dan het vlampunt, bepaald met het toestel van
Abel-Pensky voor vlampunten tot en met 65° C of bepaald met het
toestel van Pensky-Martens voor vlampunten boven 65° C;
c. extreem toxische stof:
1°. een stof die acuut giftige eigenschappen bezit en
daardoor gevaar voor de gezondheid kan opleveren bij een
eenmalige betrekkelijk korte blootstelling, al dan niet met
uitgestelde werking, en die als kenmerk heeft
dat de lethale concentratie 50 bij een blootstelling
van de rat gedurende vier uur, kleiner is dan of gelijk is
aan 20 milligram per kubieke meter, of
dat de lethale dosis 50 oraal bij toediening aan de
rat, kleiner is dan of gelijk is aan 1 milligram per
kilogram, of
dat de lethale dosis 50 percutaan bij toediening aan
de rat, kleiner is dan of gelijk is aan 2 milligram per
kilogram;
2°. de volgende voor de mens carcinogene stoffen met een
hoge potentie: 2-acetylaminofluoreen, 4-aminobifenyl, benzidine,
bischloormethylether, dialkylnitrosaminen,
4-dimethylaminoazobenzeen, methylnitroso-ureum, 2-naftylamine,
4-nitrobifenyl en 3-nitronaftylamine;
d. toxische stof: een stof, niet zijnde een extreem toxische
stof, die acuut giftige eigenschappen bezit en daardoor gevaar voor
de gezondheid kan opleveren bij een eenmalige betrekkelijk korte
blootstelling, al dan niet met uitgestelde werking, en die als
kenmerk heeft dat de lethale concentratie 50 bij een blootstelling
van de rat gedurende één uur, kleiner is dan of gelijk is aan 20
000 milligram per kubieke meter;
e. ontplofbare stof: een stof die op grond van de Wet
milieubeheer voldoet aan de criteria voor indeling in de categorie
«ontplofbaar»,bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, onder a, van
die wet;
f. installatie: een installatie voor bewerking of een installatie
voor opslag;
g. installatie voor bewerking: het stelsel van vaten, apparaten
en leidingen dat ten aanzien van de omsloten stof een geheel vormt
of kan vormen en dient voor de vervaardiging, bewerking, verwerking,
verlading of vernietiging van deze stof;
h. installatie voor opslag: de tanks, silo's, bunkers en
verpakkingseenheden die dienen voor opslag met dien verstande, dat
deze eenheden buiten de ruimtelijke begrenzing van een installatie
voor bewerking zijn gelegen en waarbij wat betreft tanks, silos
en bunkers elke eenheid als een op zich zelf staande installatie
voor opslag moet worden beschouwd. Onder een installatie voor opslag
worden mede begrepen voor het vervoer bestemde tanks en voor het
vervoer van gevaarlijke stoffen bestemde verpakkingen;
i. procestemperatuur: de temperatuur die bij opslag of bij
bewerking onder normale bedrijfscondities maximaal kan worden
bereikt;
j. omhulling: een constructie die een installatie voor bewerking
of opslag omsluit, die de natuurlijke ventilatie van de omsloten
installatie bemoeilijkt of verhindert en waarbinnen door werknemers
regelmatig arbeid wordt verricht;
k. grenswaarde: de hoeveelheid van een stof, uitgedrukt in
kilogrammen, die bij plotseling vrijkomen het leven of de gezondheid
van een op globaal 100 meter afstand van het emissiepunt
verblijvende werknemer nog kan bedreigen;
l. zwaar ongeval: gebeurtenis als gevolg van onbeheersbare
ontwikkelingen tijdens de bedrijfsuitoefening in een bedrijf of
inrichting, waardoor hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd
ernstig gevaar voor de gezondheid van werknemers ontstaat en waarbij
een of meer gevaarlijke stoffen zijn betrokken;
m. scenario: de reeks van gebeurtenissen en omstandigheden die
nodig zijn voor of leiden tot het vrijkomen van gevaarlijke stoffen,
alsmede de reeks van gebeurtenissen die het effect weergeeft van het
op deze wijze vrijkomen van gevaarlijke stoffen.
Artikel 2.2a [Vervallen per 25-02-2004]
Artikel 2.2b [Vervallen per 25-02-2004]
Artikel 2.2c [Vervallen per 25-02-2004]
Artikel 2.2d [Vervallen per 25-02-2004]
Artikel 2.2e [Vervallen per 25-02-2004]
Artikel 2.2f [Vervallen per 25-02-2004]
Artikel 2.3. Toepasselijkheid
1.Deze afdeling is, met inachtneming van het derde en vierde lid en
de artikelen 2.3a en 2.3b, van toepassing op bedrijven en inrichtingen
waar één of meerdere installaties aanwezig zijn waarin zich een
hoeveelheid gevaarlijke stoffen, uitgedrukt in kilogrammen, bevindt,
ongeacht de hiermee beoogde handelingen, of door het onbeheersbaar
worden van een industrieel chemisch proces een hoeveelheid van
dergelijke stoffen, uitgedrukt in kilogrammen, kan worden gevormd,
welke, vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde
omstandigheidsfactor of -factoren als bedoeld in artikel 2.5, gelijk
is aan of groter is dan de grenswaarde, bedoeld in artikel 2.4.
2.Indien het eerste lid van toepassing is, is deze afdeling van
overeenkomstige toepassing op arbeidsplaatsen gelegen in de nabijheid
van het bedrijf of de inrichting waarvoor de werkgever
verantwoordelijk is.
3.Voor een installatie als bedoeld in het eerste lid waarin zich
een stof of een groep van stoffen met een identieke grenswaarde onder
verschillende omstandigheden bevindt, wordt elke onder dezelfde
omstandigheden verkerende deelhoeveelheid van de stof of groep van
stoffen vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde
omstandigheidsfactoren. Deze afdeling is van toepassing, indien de som
van de al dan niet gecorrigeerde deelhoeveelheden gelijk is aan of
groter is dan de grenswaarde van de desbetreffende stof of groep van
stoffen.
4.Voor een installatie als bedoeld in het eerste lid waarin zich
stoffen met verschillende grenswaarden bevinden, wordt elke
hoeveelheid van een stof of groep van stoffen met een identieke
grenswaarde vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde
omstandigheidsfactoren. Deze afdeling is van toepassing indien voor
een van de in artikel 2.4, eerste lid, onder a of b, of artikel 2.4,
tweede lid, genoemde categorieėn van stoffen, de som van de
quotiėnten van de desbetreffende al dan niet gecorrigeerde
hoeveelheden en grenswaarden van de tot die categorie behorende
stoffen die in de installatie aanwezig zijn, gelijk is aan of groter
is dan 1.
5.De in dit artikel bedoelde vermenigvuldiging met een
omstandigheidsfactor of -factoren vindt geen toepassing ten aanzien
van ontplofbare stoffen.
Artikel 2.3a. Toepasselijkheid vervoergebonden inrichtingen
1. In dit artikel wordt verstaan onder opslag in verband met
vervoer van gevaarlijke stoffen: opslag van verpakte gevaarlijke
stoffen als bedoeld inartikel 2.2, onderdeel a, gedurende korte tijd
en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende
ontvanger, met inbegrip van het laden en lossen van die stoffen en de
overbrenging daarvan naar of van een andere tak van vervoer, voor
zover daadwerkelijk in aansluitend vervoer is voorzien en de betrokken
gevaarlijke stoffen in hun oorspronkelijke verpakking blijven.
2. Ten aanzien van een inrichting die tot een krachtens artikel
1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort
en bestemd is voor de opslag in verband met vervoer van gevaarlijke
stoffen, al dan niet in combinatie met andere stoffen en producten,
waarin gevaarlijke stoffen krachtens omgevingsvergunning op grond van
artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht aanwezig mogen zijn, kan voor de toepassing
van deze afdeling de berekening van de hoeveelheid gevaarlijke
stoffen, bedoeld in artikel 2.3, achterwege blijven.
Artikel 2.3b. Uitzonderingen toepassingsgebied
1.Deze afdeling is:
a. met uitzondering van artikel 2.5f, niet van toepassing op
bedrijven of inrichtingen waarop paragraaf 3 van het Besluit
risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is;
b. niet van toepassing op bedrijven en inrichtingen waarop het
Besluit opslag- en transportbedrijven van toepassing is;
c. niet van toepassing op arbeid verricht in de ondergrondse
winningsindustrie en de winningsindustrie die delfstoffen wint met
behulp van boringen.
2.De artikelen 2.5a, eerste en tweede lid, en 2.5d, eerste lid,
onder a, zijn niet van toepassing op bedrijven of inrichtingen waarop
paragraaf 2 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van
toepassing is.
Artikel 2.4. Grenswaarden
1.De in artikel 2.3, eerste lid, bedoelde grenswaarde bedraagt:
a. voor brandbare stoffen: 10 000 kilogram;
b. voor extreem toxische stoffen: 1 kilogram;
c. voor ontplofbare stoffen: de hoeveelheid waarvan de
explosie-energie equivalent is aan de explosie-energie van 1000
kilogram trinitrotolueen, waarbij de explosie-energie van
trinitrotolueen wordt gesteld op 4 600 kilojoule per kilogram.
2.Voor toxische stoffen worden de grenswaarden, bedoeld in artikel
2.3, eerste lid, afgeleid op basis van de toxicologische gegevens en
de fysische omstandigheid bij 25° C van de grenswaarde voor chloor,
waarbij de grenswaarde voor chloor op 300 kilogram wordt gesteld. Bij
deze afleiding wordt uitgegaan van een lethale concentratie 50 bij een
blootstelling van de rat gedurende één uur aan de stof.
Artikel 2.5. Omstandigheidsfactoren
De in artikel 2.3, eerste lid, bedoelde omstandigheidsfactoren zijn:
a. voor een stof die zich bevindt in een installatie voor
bewerking: 1;
b. voor een stof die zich bevindt in een installatie voor opslag:
0,01;
c. voor een installatie die is opgesteld in de open lucht: 1;
d. voor een installatie die is opgesteld in een omhulling: 10;
e. voor een stof die in de vloeibare fase verkeert en waarvan de
procestemperatuur gelijk is aan het atmosferisch kookpunt van die
stof: 1; voor elke 10° C dat deze procestemperatuur boven het
atmosferisch kookpunt ligt wordt deze factor verhoogd met 1 tot een
maximum van 10, afgerond op een geheel getal, en voor elke 10° C
dat de procestemperatuur onder het atmosferisch kookpunt ligt, wordt
deze factor verminderd met 0,1 tot een minimum van 0,1, afgerond op
één decimaal;
f. voor een stof die in de vloeibare fase verkeert en waarvan de
procestemperatuur lager is dan de omgevingstemperatuur, zijnde 25°
C: 1; voor elke 50 °C dat het atmosferisch kookpunt van de
desbetreffende stof onder de 25 °C ligt wordt deze factor verhoogd
met 1 tot een maximum van 4, afgerond op hele getallen;
g. voor procesomstandigheden waar zowel de onder e, als de onder
f genoemde factoren van toepassing zijn, geldt een
vermenigvuldigingsfactor die gelijk is aan de som van de
vermenigvuldigingsfactoren e en f, verminderd met 1 en met een
maximum van 10;
h. voor een stof die in de gasfase verkeert: 10;
i. voor een stof die in de vaste fase verkeert: 0,1.
Artikel 2.5a. Nadere voorschriften uitwerking beleid inzake zware
ongevallen
1.De algemene doelstellingen en beginselen van het beleid inzake de
beheersing van de risico's van zware ongevallen, bedoeld in artikel 6,
eerste lid, van de wet, worden schriftelijk vastgelegd.
2.Voor de vaststelling en uitvoering van het beleid, bedoeld in het
eerste lid, wordt een veiligheidsbeheerssysteem ingevoerd, dat mede
wordt gebaseerd op de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in
artikel 2.5b.
3.Bij ministeriėle regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld in het tweede
lid.
Artikel 2.5b. Aanvullende voorschriften risico-inventarisatie en
-evaluatie
1.In de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, van de wet, worden:
a. de risico's van ongevallen met gevaarlijke stoffen
systematisch geļdentificeerd en geėvalueerd aan de hand van
daartoe door de werkgever vastgestelde procedures, zowel bij
normale werking als bij abnormale werking van de installatie of
het industrieel chemisch proces. Hierbij wordt tevens rekening
gehouden met de aanwezigheid van andere stoffen die in een
specifieke situatie bij kunnen dragen aan het risico van een zwaar
ongeval;
b. de scenario's voor mogelijke zware ongevallen beschreven.
Bij de keuze van de scenario's wordt rekening gehouden met externe
gevaren voor de installatie. De kans op het ontstaan van een zwaar
ongeval en het effect van een plaatsgevonden zwaar ongeval worden
in de scenario's zoveel mogelijk gekwantificeerd.
2.Op grond van de risico-inventarisatie en- evaluatie, bedoeld in
het eerste lid, onder a, worden:
a. ter voorkoming van een zwaar ongeval alle technische en
organisatorische maatregelen getroffen die nodig zijn om de
veilige werking van de installaties te garanderen, zowel bij
normaal bedrijf als bij tijdelijke onderbrekingen of onderhoud,
dan wel bij wijziging van bestaande installaties of de bouw van
nieuwe installaties. De eerste volzin is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van alle opslagplaatsen, apparatuur en
infrastructuur die samenhangen met de risico's van een zwaar
ongeval binnen het bedrijf of de inrichting.
b. alle technische en organisatorische maatregelen getroffen om
de gevolgen van een zwaar ongeval zoveel mogelijk te beperken.
3.Een beschrijving van de maatregelen, bedoeld in het tweede lid,
wordt opgenomen in de scenariobeschrijvingen, bedoeld in het eerste
lid, onder b.
4.Met de beschrijving van de scenario's, bedoeld in het eerste lid,
onder b, en de beschrijving van de getroffen maatregelen, bedoeld in
het derde lid, wordt aangetoond dat de risico's met betrekking tot
zware ongevallen op adequate wijze worden beheerst.
5.Bij ministeriėle regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de procedures, bedoeld in het eerste lid, onder a, en
de beschrijving van scenario's, bedoeld in het eerste lid, onder b.
Artikel 2.5c. Intern noodplan
1.Ten behoeve van de planning voor noodsituaties wordt een intern
noodplan opgesteld dat wordt gebaseerd op de risico-inventarisatie en
-evaluatie, bedoeld in artikel 2.5b, eerste lid, en de op grond
hiervan getroffen maatregelen, bedoeld in artikel 2.5b, tweede lid.
2.Bij het opstellen of wijzigen van het intern noodplan wordt, bij
het ontbreken van een ondernemingsraad of
personeelsvertegenwoordiging, overleg gevoerd met de belanghebbende
werknemers. Over het intern noodplan en de wijziging daarvan wordt
tevens overleg gevoerd met de werknemers van andere werkgevers, die op
basis van een langlopende overeenkomst tot aanneming van werk mede in
het bedrijf of de inrichting werkzaam zijn.
3.Het intern noodplan wordt ten minste eenmaal per drie jaar
beproefd, geėvalueerd en indien nodig gewijzigd.
4.De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers, de
bedrijfshulpverleners, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet,
en de externe hulpverleningsorganisaties, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, onderdeel e, van de wet, de deskundigen, genoemd in artikel 13
van de wet, de deskundigen of arbodiensten, genoemd in de artikelen 14
en 14a van de wet, en de werknemers van andere werkgevers, die mede in
het bedrijf of de inrichting werkzaam zijn, desgewenst kennis kunnen
nemen van het intern noodplan.
5.Bij ministeriėle regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de gegevens die in het noodplan worden opgenomen.
Artikel 2.5d. Wijzigingen en periodieke evaluatie
1.Indien in het bedrijf of de inrichting of een onderdeel daarvan
of in de toegepaste werkmethoden en productiemethoden een verandering
van technische of organisatorische aard wordt aangebracht die voor de
risico's van een zwaar ongeval belangrijke gevolgen kan hebben, of
wanneer een verandering in het veiligheidsinzicht daartoe aanleiding
geeft, wordt er voor zorg gedragen dat:
a. het beleid, bedoeld in artikel 2.5a, eerste lid, en het
veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld in artikel 2.5a, tweede lid,
opnieuw worden beoordeeld en indien nodig worden herzien;
b. de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel
2.5b, eerste lid, onder a, en de beschrijving van scenario's,
bedoeld in artikel 2.5b, eerste lid, onder b, opnieuw worden
beoordeeld en indien nodig herzien;
c. de getroffen maatregelen, bedoeld in artikel 2.5b, tweede
lid, en het intern noodplan, bedoeld in artikel 2.5c,
dienovereenkomstig worden aangepast aan de gewijzigde situatie.
2.Onverminderd het eerste lid, wordt de risico-inventarisatie en
-evaluatie, bedoeld in artikel 2.5b, eerste lid, onder a, eenmaal per
vijf jaar uitgevoerd.
Artikel 2.5e. Deskundige bijstand
1.In aanvulling op artikel 14, eerste lid, van de wet laat de
werkgever zich bij de volgende taken bijstaan door de persoon, bedoeld
in artikel 14, eerste lid, van de wet die belast is met de taak,
bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van de wet, die door
de werkgever is ingeschakeld of de arbodienst van de werkgever:
a. de vastlegging van het beleid als bedoeld in artikel 2.5a,
eerste lid;
b. het opstellen van een veiligheidsbeheerssysteem als bedoeld
in artikel 2.5a, tweede lid;
c. het verrichten en opstellen van een aanvullende
risico-inventarisatie en -evaluatie als bedoeld in artikel 2.5b,
eerste lid, onder a, waaronder mede begrepen het toetsen ervan;
d. het opstellen van de beschrijvingen, bedoeld in artikel
2.5b, eerste lid, onder b, en derde lid;
e. het opstellen van een intern noodplan als bedoeld in artikel
2.5c, waaronder mede begrepen het toetsen ervan;
f. het doorvoeren van de wijzigingen, bedoeld in artikel 2.5d,
waaronder mede begrepen, voor zover van toepassing, het toetsen
ervan.
2.Onder de bijstand bij de taken, bedoeld in het eerste lid, wordt
mede begrepen het adviseren over de uitvoering van deze taken.
Artikel 2.5f. Naburige bedrijven of inrichtingen
Indien een zwaar ongeval gevolgen kan hebben voor de veiligheid van
werknemers in naburige bedrijven of inrichtingen verstrekt de werkgever
uit eigen beweging aan de betreffende bedrijven of inrichtingen algemene
gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het risico voor
de veiligheid van de werknemers in het naburige bedrijf of inrichting.
Artikel 2.5g. Melding en doorgeleiding
1. Aan een daartoe aangewezen toezichthouder wordt door de
werkgever gemeld:
a. de naam en het adres van de werkgever en, indien deze anders
zijn, de naam en het adres van het bedrijf of de inrichting waarop
artikel 2.3 van toepassing is;
b. welke installaties onder de verplichting, bedoeld in artikel
2.3, eerste lid, vallen;
c. de naam en het adres van de deskundige persoon, bedoeld in
artikel 14, eerste lid, van de wet of de arbodienst, die
medewerking verleent bij de taken, bedoeld inartikel 2.5e, eerste
lid.
2. Indien in het bedrijf of de inrichting of een onderdeel daarvan
of in de werking van het bedrijf of de inrichting of een onderdeel
daarvan een verandering van technische of organisatorische aard wordt
aangebracht die voor de risico's van een zwaar ongeval met gevaarlijke
stoffen belangrijke gevolgen kan hebben, wordt een nieuwe melding als
bedoeld in het eerste lid gedaan.
3. De toezichthouder, bedoeld in het eerste lid zendt onverwijld
een kopie van de melding aan:
a. het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens
artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht te verlenen;
b. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het
bedrijf of de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen, tenzij
burgemeester en wethouders het bestuursorgaan als bedoeld onder a
zijn;
c. het bestuur van de veiligheidsregio waarin het bedrijf of de
inrichting is gelegen.
Artikel 2.5h. Exploitatieverbod
Het bedrijf, de inrichting of het deel daarvan waarop deze afdeling
van toepassing is of is aangewezen krachtens artikel 6, tweede lid, van
de wet, wordt niet in werking gebracht of gehouden en de verandering,
bedoeld in artikel 2.5d, eerste lid, aanhef, wordt niet doorgevoerd,
alvorens is voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2.5a,
2.5b, 2.5c, 2.5d en 2.5g.
Artikel 2.6 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 3. Arbodiensten en deskundigen
§ 1. Definities
Artikel 2.6a. Definities
1.In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. interne deskundige: deskundige persoon als bedoeld in
artikel 14, eerste lid, aanhef, van de wet en die binnen het
bedrijf of de inrichting werkzaam is krachtens een
arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling;
b. externe deskundige: deskundige persoon als bedoeld in
artikel 14, eerste lid, aanhef, van de wet en die niet binnen het
bedrijf of de inrichting werkzaam is op een wijze als bedoeld in
onderdeel a;
c. interne arbodienst: een dienst als bedoeld in artikel 14a,
tweede lid, van de wet;
d. externe arbodienst: een dienst als bedoeld in artikel 14a,
derde lid, van de wet.
2.Onder een interne arbodienst wordt mede verstaan een
samenwerkingsverband tussen tenminste een interne deskundige en
externe deskundigen die tezamen de taken, bedoeld in artikel 14,
eerste lid, van de wet uitvoeren.
§ 2. Arbodiensten en deskundigen
Artikel 2.7. Deskundigheidseisen
1.Binnen een arbodienst zijn deskundigen werkzaam op het terrein
van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, de arbeidshygiėne, de
veiligheidskunde en de arbeids- en organisatiekunde.
2.Een deskundige beschikt over voldoende deskundigheid en ervaring
op een vakgebied als bedoeld in het eerste lid, met uitzondering van
het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, indien hij in het
bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiėne,
veiligheidskunde dan wel arbeids-en organisatiekunde, dat is afgegeven
door Onze Minister of een certificerende instelling.
Artikel 2.8 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 2.9. Functioneringseisen
1.Een arbodienst:
a. vervult zijn taken met inachtneming van de stand van de
wetenschap en van de professionele dienstverlening;
b. adviseert inzake het voeren van een gestructureerd,
systematisch en adequaat arbeidsomstandighedenen
ziekteverzuimbeleid op een wijze die het meest bijdraagt aan de
effectuering daarvan, waarbij met name rekening wordt gehouden met
bijzondere groepen van werknemers en waarbij tevens binnen het
bedrijf of de inrichting plaatsgevonden gebeurtenissen worden
betrokken;
c. onderkent en beoordeelt de gevaren, zowel van het technisch
systeem als van de organisatie en het menselijk gedrag, waarbij
tevens binnen het bedrijf of de inrichting plaatsgevonden
gebeurtenissen worden betrokken;
d. evalueert de dienstverlening;
e. draagt zorg voor de continuļteit van de dienstverlening, en
f. behandelt klachten over de dienstverlening.
2.Bij ministeriėle regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het functioneren van de arbodienst.
Artikel 2.10. Organisatie-eisen arbodienst
1.Een externe arbodienst bezit rechtspersoonlijkheid.
2.Behoudens ten aanzien van het samenwerkingsverband, bedoeld in
artikel 2.6a, tweede lid, is op elk van de in artikel 2.7, eerste lid,
genoemde vakgebieden ten minste één deskundige werkzaam krachtens
een arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling voor
onbepaalde tijd.
Artikel 2.11. Uitrustingseisen
Een arbodienst beschikt over zodanige huisvesting en outillage dat de
bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de werknemers van de
aangesloten bedrijven is gewaarborgd.
Artikel 2.12. Gegevensverstrekking
1.De externe arbodienst of de werkgever van de interne arbodienst
doet desgevraagd statistische gegevens met betrekking tot de
uitoefening van de taken toekomen aan Onze Minister.
2.Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de aard van de in het eerste lid bedoelde gegevens en
de vorm waarin alsmede de frequentie waarmee deze gegevens worden
toegezonden.
Artikel 2.13. Samenwerkingsverband
1.Het samenwerkingsverband, bedoeld inartikel 2.6a, tweede lid,
wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen de werkgever
en de externe deskundigen of de werkgever van deze deskundigen. In
deze overeenkomst wordt in ieder geval de taakverdeling vastgelegd
tussen de interne deskundige en de externe deskundigen.
2.Het samenwerkingsverband wordt aangegaan voor een periode die in
ieder geval even lang is als de geldigheidsduur van het certificaat
arbodienst, bedoeld in artikel 2.14, tweede lid, dat ten behoeve van
dat samenwerkingsverband wordt verleend.
Artikel 2.14. Certificaat arbodienst
1.Een externe arbodienst is in het bezit van een certificaat
arbodienst dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende
instelling.
2.De werkgever van een interne arbodienst is ten behoeve van zijn
interne arbodienst in het bezit van een certificaat arbodienst dat is
afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling.
3.Indien een aan een externe arbodienst afgegeven certificaat
arbodienst wordt ingetrokken, niet wordt verlengd of indien aan de
verlenging daarvan voorschriften zijn verbonden, doet de dienst
daarvan terstond mededeling aan de werkgever te wiens behoeve de taken
worden uitgeoefend, en aan de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging. Bij het ontbreken van een
ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging zorgt de werkgever
ervoor dat de belanghebbende werknemers zo spoedig mogelijk van deze
mededeling op de hoogte worden gesteld.
4.Indien een ten behoeve van een interne arbodienst afgegeven
certificaat arbodienst wordt ingetrokken, niet wordt verlengd of
indien aan de verlenging daarvan voorschriften zijn verbonden, doet de
werkgever daarvan terstond mededeling aan de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, aan de
belanghebbende werknemers alsmede, ingeval sprake is van een
samenwerkingsverband, aan de betrokken externe deskundigen.
Artikel 2.14a. Taken deskundigen
1.Bij de taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van
de wet wordt bijstand verleend door een deskundige die in het bezit is
van tenminste een van de certificaten, bedoeld in artikel 2.7, tweede
lid, of door een bedrijfsarts als bedoeld in artikel 14, eerste lid,
aanhef, van de wet.
2.Bij de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en
c, van de wet wordt bijstand verleend door een bedrijfsarts als
bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef, van de wet.
3.Ten aanzien van de deskundigen en bedrijfsartsen zijn de
artikelen 2.9, 2.11 en 2.12 van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Uitzonderingen
Artikel 2.14b. Uitzondering bijstand risico-inventarisatie en
-evaluatie
1. Bij de toepassing van artikel 14, twaalfde lid, van de wet wordt
buiten beschouwing gelaten de tijdsduur van arbeid verricht door een
directeur-grootaandeelhouder onderscheidenlijk de persoon van
directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in de Regeling aanwijzing
directeur-grootaandeelhouder.
2. Het model, bedoeld in artikel 14, twaalfde lid, onderdeel b,
onder 1°, van de wet is getoetst door ten minste een deskundige die
in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 2.7, tweede
lid, of door een bedrijfsarts als bedoeld in artikel 14, eerste lid,
aanhef, van de wet.
3. Het instrument, bedoeld in artikel 14, twaalfde lid, onderdeel
b, onder 2°, van de wet:
a. is opgesteld met betrokkenheid van werkgevers- en
werknemersverenigingen op ten minste brancheniveau;
b. is getoetst door ten minste een deskundige die in het bezit
is van een certificaat als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, of
een bedrijfsarts als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef,
van de wet;
c. is door de betrokken werkgevers- en werknemersverenigingen
gezamenlijk aangemeld; en
d. heeft na aanmelding een geldingsduur van ten hoogste drie
jaar.
4. De werkgever houdt bij het gebruikmaken van het model of het
instrument rekening met de specifieke omstandigheden in het bedrijf of
de inrichting.
Artikel 2.14c. Uitzondering bijstand ziekteverzuim
De verplichting een deskundige of een arbodienst in te schakelen bij
de taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van de wet
geldt niet ten aanzien van de werkgever die uitsluitend:
a. personen onder zijn gezag arbeid laat verrichten zonder
arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling;
b. personen arbeid laat verrichten op incidentele oproep, jegens
wie na afloop van de oproep geen loondoorbetalingsplicht bij ziekte
op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
bestaat.
Afdeling 4. Psychosociale arbeidsbelasting
Artikel 2.15. Maatregelen ter voorkoming of beperking van
psychosociale arbeidsbelasting
1.Indien werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan
psychosociale arbeidsbelasting worden in het kader van de
risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet,
de risicos ten aanzien van psychosociale arbeidsbelasting
beoordeeld en worden in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 5 van
de wet, met inachtneming van de stand van de wetenschap maatregelen
vastgesteld en uitgevoerd om psychosociale arbeidsbelasting te
voorkomen of indien dat niet mogelijk is te beperken.
2.Aan werknemers die arbeid verrichten waarbij gevaar bestaat voor
blootstelling aan psychosociale belasting wordt voorlichting en
onderricht gegeven over de risicos voor psychosociale
arbeidsbelasting alsmede over de maatregelen die er op zijn gericht
die belasting te voorkomen of te beperken.
Artikel 2.16 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.17 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.18 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.19 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.20 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.21 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.22 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 5. Bouwproces
Artikel 2.23. Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. richtlijn: Richtlijn nr. 92/57/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 24 juni 1992 betreffende de minimumvoorschriften
inzake veiligheid en gezondheid voor tijdelijke en mobiele
bouwplaatsen (PbEG L 245);
b. ontwerpfase: de studie-, ontwerp- en uitwerkingsfase van het
ontwerp van een bouwwerk;
c. uitvoeringsfase: de fase waarin het bouwwerk materieel tot
stand wordt gebracht.
Artikel 2.24. Aanwijzing
Voor de toepassing van artikel 16, achtste lid, van de wet worden
aangewezen de opdrachtgever, de ontwerpende en de uitvoerende partij.
Artikel 2.25. Toepasselijkheid
Deze afdeling is niet van toepassing op arbeid verricht in de
winningsindustrie in dagbouw, ondergronds of met behulp van boringen als
bedoeld in de afdelingen 6 en 6a van hoofdstuk 2 van dit besluit.
Artikel 2.26. Algemene uitgangspunten inzake veiligheid en gezondheid
bij het ontwerpen van een bouwwerk
De opdrachtgever zorgt ervoor dat in de ontwerpfase rekening wordt
gehouden met de verplichtingen voor de arbeidsomstandigheden die gelden
in de uitvoeringsfase, in het bijzonder de verplichtingen, bedoeld in de
artikelen 3, 5, eerste en derde lid, en 8 van de wet.
Artikel 2.27. Melding
1. De opdrachtgever, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel
c, sub 1°, meldt de toezichthouder voor de aanvang van de
werkzaamheden op de bouwplaats de voorgenomen totstandbrenging van een
bouwwerk, indien:
a. de geraamde duur van de totstandbrenging van het bouwwerk
meer dan 30 werkdagen beslaat en op die bouwplaats meer dan 20
werknemers tegelijkertijd arbeid zullen gaan verrichten, of
b. met de totstandbrenging van het bouwwerk meer dan 500
mensdagen zullen zijn gemoeid.
2. Een afschrift van de melding wordt zichtbaar op de bouwplaats
aangebracht. Indien met betrekking tot de in de melding opgenomen
gegevens een verandering optreedt, wordt deze dienovereenkomstig
gewijzigd.
Artikel 2.28. Veiligheids- en gezondheidsplan
1. De opdrachtgever zorgt ervoor dat ten aanzien van bouwwerken die
voor de veiligheid en gezondheid van werknemers bijzondere gevaren met
zich meebrengen als bedoeld in bijlage II bij de richtlijn of een
bouwwerk ten aanzien waarvan een melding verplicht is, een veiligheids-
en gezondheidsplan wordt opgesteld.
2. Afhankelijk van de voortgang in het bouwproces, worden in het
veiligheids- en gezondheidsplan ten minste vermeld:
a. een beschrijving van het tot stand te brengen bouwwerk, een
overzicht van de betrokken ondernemingen op de bouwplaats, de naam
van de coördinator voor de ontwerp- en uitvoeringsfase;
b. een inventarisatie en evaluatie van de specifieke gevaren
die het gevolg zijn van de gelijktijdige en achtereenvolgende
uitvoering van de bouwwerkzaamheden en in voorkomend geval van de
wisselwerking met doorgaande exploitatiewerkzaamheden;
c. de maatregelen die volgen uit de risico-inventarisatie en
-evaluatie, bedoeld onder b;
d. de afspraken met betrekking tot de uitvoering van de
maatregelen, bedoeld onder c;
e. de wijze waarop toezicht op de maatregelen wordt
uitgeoefend;
f. de bouwkundige, technische en organisatorische keuzen die in
verband met de veiligheid en gezondheid van de werknemers in de
ontwerpfase worden gemaakt;
g. de wijze waarop voorlichting en instructie aan de werknemers
op de bouwplaats wordt gegeven.
Artikel 2.29. Aanstelling coördinatoren
Indien in de uitvoeringsfase werkzaamheden worden verricht door:
a. twee of meer werkgevers;
b. één werkgever en één of meer zelfstandigen of
c. twee of meer zelfstandigen,
stelt de opdrachtgever één of meer coördinatoren voor de
ontwerpfase aan en stelt de uitvoerende partij één of meer
coördinatoren voor de uitvoeringsfase aan.
Artikel 2.30. Taken coördinator voor de ontwerpfase
De coördinator voor de ontwerpfase heeft tot taak om:
a. de uitvoering van artikel 2.26 te coördineren;
b. een veiligheids-en gezondheidsplan als bedoeld in artikel 2.28
op te stellen of te laten opstellen;
c. een dossier samen te stellen dat is bestemd voor degene die
beslist over de uitvoering van latere werkzaamheden aan het
bouwwerk. In dit dossier staan de bouwkundige en technische
kenmerken die van belang zijn voor de veiligheid en gezondheid van
werknemers die latere werkzaamheden verrichten.
Artikel 2.31. Taken coördinator voor de uitvoeringsfase
De coördinator voor de uitvoeringsfase heeft tot taak om:
a. coördinerend op te treden, zodat de maatregelen die
werkgevers en zelfstandigen nemen ter bescherming van de veiligheid
en gezondheid van werknemers op doeltreffende wijze worden
toegepast;
b. de samenwerking met het oog op de bescherming van de
werknemers te organiseren tussen gelijktijdig of achtereenvolgend
aanwezige werkgevers en zelfstandigen op de bouwplaats;
c. de voorlichting van werknemers op de bouwplaats te
coördineren;
d. de nodige maatregelen te nemen opdat alleen bevoegde personen
de bouwplaats kunnen betreden;
e. ervoor te zorgen dat het veiligheids- en gezondheidsplan,
bedoeld in artikel 2.28, en het dossier, bedoeld inartikel 2.30,
onder c, worden aangepast indien de voortgang van het bouwwerk of de
onderdelen daarvan daartoe aanleiding geven;
f. aanwijzingen te geven indien werkgevers of zelfstandigen naar
zijn oordeel niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze
uitvoering geven aan een samenhangende toepassing van hun
verplichtingen als bedoeld onder a en b.
Artikel 2.32. Aanvullende verplichtingen opdrachtgever
1.De opdrachtgever neemt zodanige maatregelen dat:
a. de coördinator de taken, bedoeld inartikel 2.30, naar
behoren kan vervullen;
b. de coördinator de taken, bedoeld inartikel 2.30, naar
behoren uitoefent;
c. het veiligheids- en gezondheidsplan, bedoeld in artikel
2.28, deel uitmaakt van het bestek betreffende het bouwwerk en
vóór aanvang van de werkzaamheden op de bouwplaats beschikbaar
is.
2.De opdrachtgever zorgt ervoor dat de verplichtingen voor de
uitvoerende partij, bedoeld in de artikelen 2.29en 2.33, zijn
vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst met de uitvoerende
partij.
Artikel 2.33. Aanvullende verplichtingen uitvoerende partij
De uitvoerende partij neemt zodanige maatregelen dat:
a. de coördinator de taken, bedoeld inartikel 2.31, naar behoren
kan vervullen;
b. de coördinator de taken, bedoeld inartikel 2.31, naar behoren
uitoefent.
Artikel 2.34. Verplichtingen ontwerpende partij
In het geval van een opdrachtgever-consument zorgt de ontwerpende
partij of, indien er sprake is van meer ontwerpende partijen, zorgen de
ontwerpende partijen ervoor dat aan alle verplichtingen van de
opdrachtgever wordt voldaan.
Artikel 2.35. Verplichtingen werkgever
1.Bij de uitvoering van zijn verplichtingen op grond van de
artikelen 3, 5, 8 en 19, eerste lid, van de wet neemt de werkgever,
die bij de totstandbrenging van een bouwwerk arbeid doet verrichten,
doeltreffende maatregelen ter bescherming van de veiligheid en de
gezondheid van zijn werknemers. Deze maatregelen hebben met name
betrekking op:
a. het in goede orde en met voldoende bescherming van de
veiligheid en gezondheid van de werknemers in stand houden van de
bouwplaats;
b. de veilige plaatsing van de verschillende werkplekken op de
bouwplaats, rekening houdend met de toegangsmogelijkheden tot die
bouwplaats en de verbindingswegen daarop;
c. het interne transport van de verschillende materialen op de
bouwplaats;
d. het onderhoud, de controle vóór inbedrijfstelling en de
periodieke controle van installaties en toestellen, teneinde
gebreken te voorkomen die de veiligheid en gezondheid van
werknemers in gevaar kunnen brengen;
e. de afbakening en inrichting van zones voor definitieve en
tussenopslag van verschillende materialen, met name in geval van
gevaarlijke materialen of stoffen;
f. de voorzieningen voor de verwijdering van gebruikte
gevaarlijke materialen;
g. de opslag en de verwijdering of de afvoer van afval en puin;
h. de aanpassing van de daadwerkelijke duur van de uit te
voeren werkzaamheden of de fasen waarin die werkzaamheden worden
uitgevoerd, afhankelijk van de voortgang van het bouwwerk;
i. de samenwerking met andere werkgevers en zelfstandigen op de
bouwplaats;
j. de wisselwerking met exploitatiewerkzaamheden op of in de
nabijheid van de bouwplaats.
2.De mede op grond van het eerste lid te nemen maatregelen voldoen
in ieder geval aan de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk 3 van dit
besluit.
3.De werkgever is verplicht tot naleving van en medewerking aan het
veiligheids- en gezondheidsplan, bedoeld in artikel 2.28, voor zover
en op de wijze als daarin ten aanzien van de door hem te doen
verrichten werkzaamheden is bepaald en daarbij rekening te houden met
de aanwijzingen van de coördinator voor de uitvoeringsfase.
Artikel 2.36 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.37 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.38 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.39 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 6. Winningsindustrieėn in dagbouw, ondergronds of met
behulp van boringen
Artikel 2.40. Toepasselijkheid
1. Deze afdeling is van toepassing op arbeid verricht in
winningsindustrieėn in dagbouw, ondergronds of met behulp van
boringen.
2. In afwijking van het eerste lid is deze afdeling niet van
toepassing op arbeid verricht in winningsindustrieėn in dagbouw met
behulp van baggermaterieel.
Artikel 2.41. Verplichtingen van de werkgever
1.Indien bemande arbeidsplaatsen in de winningsindustrie in gebruik
zijn wordt toezicht uitgeoefend door een verantwoordelijke persoon.
2.Werkzaamheden waaraan een bijzonder gevaar is verbonden worden
uitsluitend opgedragen aan vakbekwaam personeel met voldoende ervaring
en uitgevoerd overeenkomstig de verstrekte instructies.
3.In verband met het veilig gebruik van een helikopterdek op een
mijnbouwinstallatie worden werknemers aangewezen, die belast zijn met
het toezicht op dit gebruik van het helikopterdek en daartoe over de
noodzakelijke vaardigheid en deskundigheid beschikken.
4.Op arbeidsplaatsen in de winningsindustrie worden met regelmatige
tussenpozen de nodige veiligheidsoefeningen gehouden.
5.Opdat in geval van nood onmiddellijk hulp-, vlucht-, evacuatie-
en reddingsmaatregelen kunnen worden genomen, worden, in aanvulling op
artikel 15 van de wet, de nodige alarm- of andere communicatiesystemen
ter beschikking gesteld.
6.Indien op een arbeidsplaats in de winningsindustrie slechts één
werknemer aanwezig is, beschikt deze over telecommunicatiemiddelen om
zich met anderen in verbinding te kunnen stellen.
Artikel 2.42. Samenwerking, veiligheids- en gezondheidsdocument
1. Voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de wet worden
aangewezen de werkzaamheden verricht in de winningsindustrie in
dagbouw, de ondergrondse winningsindustrie en de winningsindustrie die
delfstoffen wint met behulp van boringen.
2. Voor de aanvang van het werk wordt een veiligheids- en
gezondheidsdocument opgesteld, waarin ten minste vermeld worden:
a. de risico-inventarisatie en -evaluatie van de gevaren,
bedoeld in artikel 5 van de wet;
b. de maatregelen, bedoeld in artikel 5 van de wet, waarbij met
name aandacht is besteed aan de maatregelen die zijn of worden
genomen om aan de voorschriften van deze afdeling en de afdelingen
1, met uitzondering van paragraaf 2a van die afdeling, 3, 3A, 3B
en 3C van hoofdstuk 3 van dit besluit te voldoen;
c. de maatregelen die zijn genomen om herhaling van ongevallen
met ernstig letsel, dodelijke ongevallen of situaties als bedoeld
in artikel 2.42c, eerste lid, onder b, te voorkomen;
d. de wijze waarop voldaan is aan artikel 19, tweede lid, van
de wet, indien op de arbeidsplaats in de winningsindustrie
meerdere werkgevers arbeid doen verrichten;
e. de gegevens waaruit blijkt dat het ontwerp, het gebruik en
het onderhoud van de arbeidsplaats in de winningsindustrie alsmede
de arbeidsmiddelen veilig zijn;
f. de maatregelen ter beperking en bestrijding van brand.
3. In aanvulling op het tweede lid, onder d, coördineert de
werkgever die verantwoordelijk is voor de arbeidsplaats in de
winningsindustrie, de uitvoering van alle maatregelen inzake
veiligheid en gezondheid en geeft hij in het veiligheids- en
gezondheidsdocument het doel, de maatregelen en de wijze van
uitvoering van deze coördinatie aan.
4. Het veiligheids- en gezondheidsdocument wordt herzien bij iedere
belangrijke wijziging, uitbreiding of verbouwing van de arbeidsplaats
in de winningsindustrie.
5. Een afschrift van het veiligheids- en gezondheidsdocument wordt
gezonden aan de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging of
bij het ontbreken daarvan, aan de belanghebbende werknemers.
6. De werkzaamheden worden overeenkomstig het veiligheids- en
gezondheidsdocument uitgevoerd.
Artikel 2.42a. Werkvergunning
1.Wanneer de veiligheid en de gezondheid van de werknemers dat
vereisen, wordt een systeem van werkvergunningen toegepast voor de
uitvoering van gevaarlijke werkzaamheden en voor de uitvoering van
gewoonlijk ongevaarlijke werkzaamheden die in combinatie met andere
werkzaamheden ernstige risico's met zich mee kunnen brengen.
2.De werkvergunning wordt door een verantwoordelijke persoon
gegeven voor de aanvang van de werkzaamheden en daarbij wordt
aangegeven aan welke voorschriften moet worden voldaan en welke
voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen voor, tijdens en na de
werkzaamheden.
Artikel 2.42b. Personenregister
Op doelmatige plaatsen is een register aanwezig waarin van degenen
die werkzaamheden verrichten in de winningsindustrie in dagbouw, de
ondergrondse winningsindustrie en de winningsindustrie met behulp van
boringen zijn vermeld:
a. naam, voornamen, geslacht;
b. aard, nummer en een afschrift van een document als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht;
c. gegevens en data betreffende indiensttreding en
tewerkstelling;
d. de onderscheiden functies, waarin zij zijn tewerkgesteld en de
data van tewerkstelling daarin;
e. data en aard van geneeskundige onderzoeken en geneeskundige
verklaringen, voorzover deze op grond van dit besluit zijn vereist;
f. gegevens van certificaten, voorzover die voor het verrichten
van de werkzaamheden op grond van dit besluit en het Mijnbouwbesluit
zijn vereist.
Artikel 2.42c. Melding van ongevallen en bijna-ongevallen
1. In aanvulling op artikel 9, eerste lid, van de wet doet de
werkgever tevens onverwijld melding aan een daartoe aangewezen
toezichthouder:
a. van alle belangrijke bij het verkeer of vervoer voorgekomen
bijzondere gebeurtenissen die de veiligheid in gevaar hebben
gebracht of hadden kunnen brengen;
b. wanneer de veiligheid op enigerlei wijze wordt bedreigd of
personen zich in levensgevaar bevinden of bevonden hebben;
c. van alle bij het gebruik, het vervoer of de opslag van
ontplofbare stoffen opgetreden voorvallen, die de veiligheid in
gevaar hadden kunnen brengen of hebben gebracht.
2. Eenmaal per maand wordt van alle ongevallen en andere voorvallen
die de veiligheid in gevaar hebben gebracht of hadden kunnen brengen,
melding gedaan aan een daartoe aangewezen toezichthouder, voorzover er
geen melding is gedaan als bedoeld in het eerste lid.
Afdeling 6A. Winningsindustrieėn met behulp van boringen
Artikel 2.42d. Schakelbepaling
Op een arbeidsplaats in de winningsindustrie die delfstoffen wint met
behulp van boringen zijn naast de voorschriften van afdeling 6 van dit
hoofdstuk tevens de voorschriften van deze afdeling van toepassing.
Artikel 2.42e. Veiligheids- en gezondheidszorgsysteem
1.Voor het uitvoeren van een zo goed mogelijk
arbeidsomstandighedenbeleid, bedoeld in artikel 3 van de wet, is een
veiligheids- en gezondheidszorgsysteem aanwezig. Dit systeem omvat het
geheel van beleid, organisatie, planning, uitvoering, monitoring,
evaluatie, doorlichting en verbetering, dat wordt gehanteerd voor de
beheersing van de veiligheid en de gezondheid.
2.Bij ministeriėle regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 2.42f. Veiligheids- en gezondheidsdocument
1.Onverminderd artikel 2.42 blijkt uit het veiligheids- en
gezondheidsdocument dat alle nodige maatregelen zijn genomen om de
veiligheid en de gezondheid van de werknemers zowel in normale
situaties als in noodsituaties te beschermen. Hiertoe bevat het
document het volgende:
a. een opgave van de aan de arbeidsplaats verbonden specifieke
risicobronnen, met inbegrip van elke activiteit op die plaats, die
ongevallen kunnen teweegbrengen met ernstige gevolgen voor de
veiligheid en de gezondheid van de betrokken werknemers;
b. een evaluatie van de risico's van de in onderdeel a bedoelde
specifieke bronnen;
c. het bewijs dat afdoende voorzorgsmaatregelen zijn genomen om
de in onderdeel a bedoelde ongevallen te vermijden, de uitbreiding
van ongevallen te beperken en de arbeidsplaats in noodsituaties op
een doelmatige en beheerste wijze te kunnen evacueren;
d. het bewijs dat er een veiligheids- en gezondheidszorgsysteem
als bedoeld in artikel 2.42e gehanteerd wordt dat adequaat is om
de voorschriften bij of krachtens dit besluit die betrekking
hebben op de veiligheid en de bescherming van de gezondheid van de
werknemers, zowel in gewone situaties als in noodsituaties na te
leven.
2.Bij de planning en tenuitvoerlegging van alle in artikel 3.2,
eerste lid, tweede volzin, bedoelde fasen worden de in het
desbetreffende veiligheids- en gezondheidsdocument vermelde procedures
en uitvoeringsbepalingen in acht genomen.
3.De verschillende werkgevers die verantwoordelijk zijn voor de
verschillende arbeidsplaatsen werken in voorkomend geval samen bij het
opstellen van de veiligheids- en gezondheidsdocumenten, bedoeld in
artikel 2.42, en het voorbereiden van de maatregelen die nodig zijn om
de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te garanderen.
4.Bij ministeriėle regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het eerste, tweede en derde lid.
Artikel 2.42g. Veiligheidsoefeningen
Op alle normaliter bemenste arbeidsplaatsen worden op gezette tijden
veiligheidsoefeningen gehouden die erop gericht zijn:
a. werknemers aan wie in noodgevallen concrete taken worden
opgedragen, waarbij noodapparatuur moet worden gebruikt, gehanteerd
of bediend, hierin te trainen en na te gaan of zij bekwaam zijn die
taken te vervullen;
b. alle bij de oefeningen gebruikte noodapparatuur te
controleren, schoon te maken en zo nodig opnieuw op te laden of te
vervangen en alle gebruikte draagbare apparatuur opnieuw naar de
plaats te brengen waar zij zich normaliter bevindt;
c. na te gaan of de reddingsvaartuigen gebruiksklaar zijn.
Artikel 2.42h. Handelingen in noodgevallen
1.De werknemers worden getraind in het uitvoeren van de handelingen
die in noodgevallen moeten worden verricht.
2.Op mijnbouwinstallaties waar werknemers langere tijd verblijven
zijn bij helikopterbewegingen op het helikopterdek voldoende
werknemers aanwezig die tot taak hebben bij noodgevallen in actie te
komen. Deze werknemers zijn hiertoe voldoende getraind.
3.In aanvulling op het eerste en tweede lid worden werknemers die
werkzaam zijn op mijnbouwinstallaties ook getraind in het uitvoeren
van de handelingen die op een specifieke arbeidsplaats moeten worden
verricht. Deze handelingen worden voor de desbetreffende arbeidsplaats
nader omschreven in het in artikel 2.42 bedoelde veiligheids- en
gezondheidsdocument.
4.Werknemers die werkzaam zijn op mijnbouwinstallaties worden
getraind in de toepassing van overlevingstechnieken, met inachtneming
van de criteria die zijn vastgesteld in het in artikel 2.42 bedoelde
veiligheids- en gezondheidsdocument.
Artikel 2.42i. Raadpleging en deelneming werknemers
Voor zover de Wet op de ondernemingsraden niet van toepassing is,
vindt raadpleging en deelneming van de werknemers plaats overeenkomstig
artikel 11 van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van
maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en
gezondheid van de werknemers op het werk (Pb EG L 183).
Afdeling 7. Nachtarbeid
Artikel 2.43. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
1.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder nachtdienst
verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Arbeidstijdenwet.
2.Iedere werknemer die voor de eerste keer arbeid in nachtdienst
gaat verrichten wordt, in aanvulling op artikel 18 van de wet, in de
gelegenheid gesteld om vóór de aanvang van die arbeid een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.
Afdeling 8. Bijzondere sectoren en bijzondere categorieėn werknemers
§ 1. Vervoer
Artikel 2.44. Uitzonderingen voor vervoermiddelen
De afdelingen 2 en 7 van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op
arbeid verricht in respectievelijk op een luchtvaartuig, een zeeschip of
een binnenvaartuig dan wel een voertuig op een openbare weg of een
spoorweg.
§ 2 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 2.45 [Vervallen per 01-07-2012]
Hoofdstuk 3. Inrichting arbeidsplaatsen
Afdeling 1. Algemene voorschriften
§ 1. Definities en toepasselijkheid
Artikel 3.1. Begrippen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. elektrische installatie: een samenstel van elektrisch
materieel, leidingen en bijbehoren van leidingen;
b. elektrisch materieel: delen of gedeelten van een elektrische
installatie die dienen voor de opwekking, het transport en de
toepassing van elektrische energie;
c. explosieve atmosfeer: een mengsel van lucht en brandbare
stoffen in de vorm van gassen, dampen, nevels of stof, onder
atmosferische omstandigheden waarin de verbranding zich na
ontsteking uitbreidt tot het gehele niet verbrande mengsel;
d. gebruik van elektriciteit: iedere activiteit met betrekking
tot een elektrische installatie waaronder in ieder geval wordt
begrepen de bouw, ingebruikneming of buitengebruikstelling,
bediening, reparatie, ombouwing, onderhoud en inspectie alsmede het
werken in de nabijheid van een elektrische installatie;
e. hoogspanning: een spanning waarvan de waarde bij
wisselspanning hoger is dan 1000 Volt effectief tussen de fasen of
600 Volt effectief tussen een fase en aarde en bij gelijkspanning
hoger is dan 1500 Volt tussen de polen of 900 Volt tussen een van de
polen en aarde;
f. laagspanning: een spanning met een waarde lager dan
hoogspanning.
Artikel 3.1a. Toepasselijkheid
De artikelen 3.3, eerste lid, 3.4, eerste lid, wat betreft het
ontwerp en de inrichting van tot een gebouw als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder c, van de Woningwet behorende elektrische
installaties, 3.6, tweede lid, 3.7, vijfde lid, 3.11, eerste lid, wat
betreft het voorschrift dat vloeren van arbeidsplaatsen zoveel mogelijk
vrij van gevaarlijke hellingen zijn en voorts zoveel mogelijk vast en
stabiel, en derde lid, 3.18, tweede lid, tweede zin, en derde lid, en
3.24, eerste lid, en tweede lid, eerste zin, zijn niet van toepassing op
arbeidsplaatsen in een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder c, van de Woningwet.
§ 2. Algemene verplichtingen van de werkgever
Artikel 3.1b. Gebruiksvoorschrift
Een arbeidsplaats in een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder c, van de Woningwet wordt slechts gebruikt indien het gebouw
voldoet aan de bij of krachtens het Bouwbesluit 2012 gegeven
voorschriften met betrekking tot de van toepassing zijnde
gebruiksfunctie in de zin van dat besluit.
Artikel 3.2. Algemene vereisten
1.Arbeidsplaatsen zijn veilig toegankelijk en kunnen veilig worden
verlaten. Ze worden zodanig ontworpen, gebouwd, uitgerust, in bedrijf
gesteld, gebruikt en onderhouden, dat gevaar voor de veiligheid en de
gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk is voorkomen. Voorts
worden zij zindelijk, zoveel mogelijk vrij van stof en voor zover de
veiligheid van de arbeidsplaats dat vereist, ordelijk gehouden.
2.Regelmatig wordt gecontroleerd of de op de arbeidsplaats ter
bescherming van de werknemers aanwezige voorzieningen en genomen
maatregelen nog adequaat functioneren.
3.Geconstateerde gebreken met betrekking tot de in het tweede lid
bedoelde voorzieningen en maatregelen die de veiligheid of de
gezondheid kunnen beļnvloeden, worden zo snel mogelijk hersteld.
Artikel 3.3. Stabiliteit en stevigheid
1.Gebouwen en andere opstallen bestaan uit deugdelijk materiaal,
zijn van een deugdelijke constructie en verkeren in een zodanige
staat, dat er geen gevaar bestaat voor het geheel of gedeeltelijk
instorten of omvallen.
2.De arbeidsplaats is zodanig ingericht, dat de daar aanwezige
voorwerpen of stoffen geen gevaar voor de veiligheid of de gezondheid
opleveren door instorten, verschuiven, omvallen of kantelen.
Artikel 3.4. Elektrische installaties
1.Elektrische installaties zijn zodanig ontworpen, ingericht,
aangelegd, onderhouden en gekenmerkt, dat een veilig gebruik van
elektriciteit zo goed mogelijk is gewaarborgd. Hiertoe zijn de nodige
voorzieningen en beschermingsmaatregelen aangebracht. Daarbij is
rekening gehouden met bijzondere eisen die kunnen voortkomen uit de
wijze van het gebruik, de gebruiksomstandigheden, de te verwachten
uitwendige invloeden en onderhoudswerkzaamheden.
2.In een elektrische installatie zijn doeltreffende maatregelen
genomen tegen het gevaar van brand, ontploffing, directe en indirecte
aanraking en te dichte nadering.
3.Van iedere elektrische installatie zijn duidelijke, steeds
bijgewerkte schemas beschikbaar alsmede alle overige gegevens die
nodig zijn voor een veilig gebruik van de elektrische installatie.
4.Het derde lid is niet van toepassing op elektrische installaties
voor laagspanning van beperkte omvang.
Artikel 3.5. Elektrotechnische, bedienings- en andere werkzaamheden
aan of nabij een elektrische installatie
1.Elektrotechnische werkzaamheden en bedieningswerkzaamheden die
gevaren kunnen opleveren, worden door deskundige, voldoend onderrichte
en daartoe bevoegde werknemers uitgevoerd.
2.Een ruimte waarin zich een elektrische installatie voor
hoogspanning bevindt waarvan de delen niet of onvoldoende zijn
beschermd tegen direkte of indirekte aanraking dan wel te dichte
nadering, wordt slechts betreden in aanwezigheid van een tweede
daartoe bevoegd persoon.
3.Werkzaamheden aan of in de nabijheid van een elektrische
installatie worden slechts uitgevoerd, indien de installatie of het
gedeelte waaraan of in de nabijheid waarvan wordt gewerkt,
spanningsloos is.
4.De daartoe bevoegde werknemer neemt doeltreffende maatregelen om
een veilig verloop van de werkzaamheden te waarborgen.
5.Het derde lid is niet van toepassing op werkzaamheden die worden
verricht aan of in de nabijheid van een elektrische
laagspanningsinstallatie, indien:
a. de dringende noodzaak van het onder spanning uitvoeren van
die werkzaamheden is aangetoond;
b. tot het uitvoeren van die werkzaamheden door de daartoe
bevoegde werknemer uitdrukkelijk opdracht is gegeven, en
c. de installatie tevens geschikt is voor het onder spanning
uitvoeren van die werkzaamheden en door de daartoe bevoegde
werknemer doeltreffende maatregelen zijn genomen om de aan die
werkzaamheden verbonden gevaren te voorkomen.
6.Het derde lid is niet van toepassing op werkzaamheden die worden
uitgevoerd aan of in de nabijheid van een elektrische installatie voor
hoogspanning, bestaande uit:
a. het nemen en opheffen van veiligheidsmaatregelen, waaronder
begrepen het met geschikt materieel knippen of schieten van
kabels;
b. het uitvoeren van metingen en beproevingen, of
c. het reinigen van elektrisch materieel.
7.Werkzaamheden bestaande uit het reinigen van elektrisch materieel
in een elektrische installatie voor hoogspanning als bedoeld in het
zesde lid, onder c, worden slechts uitgevoerd, indien:
a. tot het uitvoeren van die werkzaamheden door de daartoe
bevoegde werknemer uitdrukkelijk opdracht is gegeven;
b. gebruik wordt gemaakt van de voor deze werkzaamheden
geschikte arbeidsmiddelen, reinigingsmiddelen en persoonlijke
beschermingsmiddelen, en
c. de werknemers zich met de arbeidsmiddelen waarmee zij fysiek
in contact staan, niet behoeven te begeven in de gevarenzone van
de installatie of delen daarvan die onder spanning staan.
§ 2a. Explosieve atmosferen
Artikel 3.5a. Toepasselijkheid
Deze paragraaf is niet van toepassing op:
a. gebieden die direct gebruikt worden voor en gedurende de
medische behandeling van patiėnten;
b. het gebruik van gastoestellen die vallen onder het Besluit
gastoestellen;
c. de vervaardiging, de bewerking, het gebruik, de opslag en het
transport van springstoffen of chemisch instabiele stoffen;
d. de winningsindustrie in dagbouw, de ondergrondse
winningsindustrie en de winningsindustrie die delfstoffen wint met
behulp van boringen;
e. het gebruik van vervoermiddelen over land, over het water en
door de lucht, met uitzondering van de voertuigen bedoeld voor
gebruik op plaatsen waar zich een explosieve atmosfeer kan voordoen.
Artikel 3.5b. Samenwerking en coördinatie
1.Voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de wet worden
aangewezen de werkzaamheden verricht op arbeidsplaatsen waar
explosieve atmosferen heersen of kunnen optreden.
2.In aanvulling op artikel 19, tweede lid, van de wet coördineert
de werkgever die verantwoordelijk is voor de arbeidsplaats, bedoeld in
het eerste lid, de uitvoering van alle maatregelen inzake veiligheid
en gezondheid.
Artikel 3.5c. Nadere voorschriften risico-inventarisatie en
-evaluatie; explosieveiligheidsdocument
1.De gevaren in verband met explosieve atmosferen en de bijzondere
risico's die daaruit kunnen voortvloeien, worden in het kader van de
risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet,
voor de aanvang van de arbeid en bij iedere belangrijke wijziging,
uitbreiding of verbouwing van de arbeidsplaats, de arbeidsmiddelen of
het arbeidsproces, in hun geheel beoordeeld en schriftelijk vastgelegd
in een explosieveiligheidsdocument.
2.Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder
geval rekening gehouden met:
a. de waarschijnlijkheid van het voorkomen en het voortduren
van explosieve atmosferen;
b. de waarschijnlijkheid dat ontstekingsbronnen,
elektrostatische ontladingen daaronder begrepen, aanwezig zijn,
actief worden en daadwerkelijk ontsteken;
c. de aanwezige installaties, de gebruikte stoffen, de
processen en hun mogelijke wisselwerkingen;
d. de omvang van de te verwachten gevolgen.
3.Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, worden tevens
ruimten in aanmerking genomen die via openingen verbonden zijn of
kunnen worden verbonden met ruimten waar explosieve atmosferen kunnen
voorkomen.
4.In het explosieveiligheidsdocument zijn ten minste vermeld:
a. een identificatie en beoordeling van de explosierisico's;
b. de wijze waarop de arbeidsplaatsen en de arbeidsmiddelen,
met inbegrip van de alarminstallaties, met de vereiste aandacht
voor de veiligheid zijn ontworpen, worden gebruikt of bediend en
onderhouden;
c. welke gebieden zijn ingedeeld in zones als bedoeld in
artikel 3.5d, vijfde lid;
d. de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de maatregelen,
bedoeld in de artikelen 3.5d, 3.5e en 3.5f;
e. indien op arbeidsplaatsen als bedoeld in artikel 3.5b,
eerste lid, meerdere werkgevers arbeid doen verrichten, de wijze
waarop voldaan is aan artikel 19, tweede lid, van de wet en het
doel, de maatregelen en de wijze van uitvoering van de
coördinatie, bedoeld in artikel 3.5b, tweede lid.
Artikel 3.5d. Algemene preventieve maatregelen
1.Doeltreffende maatregelen zijn genomen om het ontstaan van een
explosieve atmosfeer op de arbeidsplaats te voorkomen.
2.Indien het voorkomen van het ontstaan van een explosieve
atmosfeer, gezien de aard van het werk niet mogelijk is, worden in de
hieronder aangegeven volgorde de volgende maatregelen genomen:
a. de ontsteking van explosieve atmosferen wordt voorkomen,
waarbij rekening wordt gehouden met elektrostatische ontladingen
die van werknemers of de arbeidsplaats als ladingsdrager of
ladingsproducent kunnen uitgaan;
b. de schadelijke gevolgen van een explosie worden beperkt.
3.In aanvulling op de maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede
lid, wordt de mogelijkheid tot uitbreiding van een explosie beperkt.
4.Indien werknemers of anderen door explosieve atmosferen gevaar
kunnen lopen, wordt, in aanvulling op het eerste tot en met het derde
lid, de arbeidsplaats zodanig ingericht dat veilig kan worden gewerkt
en wordt er op de arbeid passend toezicht, met inbegrip van het
gebruik van passende technische middelen, uitgeoefend. De inhoud en de
mate van het toezicht is afhankelijk van de uit de beoordeling,
bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, gebleken gevaren.
5.Indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid,
is gebleken dat er explosieve atmosferen kunnen voorkomen, worden
gebieden waar deze atmosferen kunnen heersen ingedeeld in gevarenzones
als bedoeld in bijlage I bij richtlijn nr. 1999/92/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 1999 (PbEG
2000, L 23) betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van
de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers die door
explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen (vijftiende bijzondere
richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van richtlijn nr.
89/391/EEG).
6.Gevarenzones worden gemarkeerd door middel van
waarschuwingsborden die voldoen aan de bepalingen, vastgesteld bij of
krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8.
Artikel 3.5e. Maatregelen in gevarenzones
In de gevarenzones, bedoeld in artikel 3.5d, vijfde lid, en met
betrekking tot de installaties in gebieden zonder explosiegevaar die
vereist zijn voor of bijdragen tot het explosieveilig gebruik van
installaties die zich op plaatsen bevinden waar explosiegevaar heerst,
worden in ieder geval de volgende maatregelen genomen:
a. vrijkomende gassen, dampen, nevels of brandbaar stof die
explosiegevaar kunnen doen ontstaan, worden op passende wijze
afgevoerd en onschadelijk gemaakt;
b. indien een explosieve atmosfeer meerdere soorten ontvlambare
of brandbare gassen, dampen, nevels of stoffen bevat, wordt bij de
veiligheidsmaatregelen uitgegaan van het grootste mogelijke risico
op basis van de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid;
c. installaties, apparaten, beveiligingssystemen en het
installatiemateriaal, worden, met inachtneming van onderdeel e,
slechts in gebruik genomen indien uit het
explosieveiligheidsdocument op basis van de beoordeling, bedoeld in
artikel 3.5c, eerste lid, is gebleken dat aan het gebruik ervan geen
explosiegevaar is verbonden;
d. onderdeel c is van overeenkomstige toepassing op
arbeidsmiddelen en de verbindingsstukken ervan die geen apparaten en
beveiligingssystemen zijn als bedoeld in het Warenwetbesluit
explosieveilig materieel, indien hun opneming in de installaties
aanleiding kan geven tot ontstekingsgevaar;
e. voor zover het explosieveiligheidsdocument op basis van de
beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, geen andere eisen
stelt, worden in de gevarenzones apparaten en beveiligingssystemen
gebruikt overeenkomstig de categorieėn als bedoeld in het
Warenwetbesluit explosieveilig materieel en toegepast volgens de
navolgende principes:
1°. gevarenzone 0 of 20: categorie 1-apparatuur;
2°. gevarenzone 1 of 21: categorie 1- of categorie
2-apparatuur;
3°. gevarenzone 2 of 22: categorie 1-, categorie 2- of
categorie 3-apparatuur;
f. de nodige maatregelen worden getroffen ter voorkoming van
verwisseling van installatiemateriaal;
g. in gebieden waar een explosieve atmosfeer kan ontstaan wordt
aan werknemers werkkleding ter beschikking gesteld die voldoet aan
afdeling 1 van hoofdstuk 8 en die door de werknemers bij de arbeid
steeds wordt gedragen;
h. indien een toestand ontstaat waarin een explosie zich kan gaan
voordoen, worden werknemers waar nodig optisch of akoestisch
gewaarschuwd en teruggetrokken;
i. voor de eerste inbedrijfstelling van een arbeidsplaats en bij
iedere belangrijke wijziging, uitbreiding of verbouwing van de
arbeidsplaats, arbeidsmiddelen of het arbeidsproces waarbij
explosieve atmosferen kunnen voorkomen, wordt de explosieveiligheid
van de gehele installatie gecontroleerd door een ter zake deskundig
persoon.
Artikel 3.5f. Bijzondere maatregelen
Voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel
3.5c, eerste lid, hiertoe de noodzaak is gebleken, worden in aanvulling
op artikel 3.5e de volgende maatregelen genomen:
a. schriftelijke instructies worden verstrekt met betrekking tot
de uitvoering van de arbeid;
b. voor de aanvang van arbeid dat gevaar kan opleveren, wordt
toestemming verleend door een daartoe bevoegde persoon om deze
arbeid te verrichten;
c. apparaten en beveiligingssystemen worden, wanneer stroomuitval
extra gevaren teweeg kan brengen, onafhankelijk van de rest van de
installatie, bij stroomuitval in een veilige bedrijfstoestand
gehandhaafd;
d. automatisch gestuurde apparaten en beveiligingssystemen die
van de voorziene bedrijfsomstandigheden afwijken, worden zonder
gevaar manueel uitgeschakeld. Deze ingrepen worden door bevoegde
werknemers uitgevoerd;
e. indien de noodstopinrichtingen in werking worden gesteld,
wordt de opgeslagen energie zo snel en zo veilig mogelijk afgevoerd
of geļsoleerd, zodat zij niet langer een bron van gevaar vormt;
f. vluchtmiddelen worden beschikbaar en gebruiksklaar gehouden
zodat werknemers de gevaarlijke gebieden snel en veilig kunnen
verlaten.
§ 2b. Voor de gezondheid schadelijke atmosferen
Artikel 3.5g. Gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging,
brand of explosie
1. Indien kan worden vermoed dat de atmosfeer op een plaats of in
een ruimte in zodanige mate stoffen bevat dat daardoor gevaar bestaat
voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie, mag de
werknemer zich alleen bevinden op die plaats of in die ruimte indien
uit onderzoek blijkt dat het gevaar niet aanwezig is.
2. Indien uit het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat
gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie
aanwezig is, worden doeltreffende maatregelen genomen, zodat de
werknemer zich zonder gevaren op die plaats of in die ruimte, bedoeld
in het eerste lid, kan bevinden.
3. Er is in ieder geval sprake van:
a. gevaar voor verstikking indien de atmosfeer minder dan 18
volumeprocent zuurstof bevat;
b. gevaar voor bedwelming of vergiftiging indien de
concentratie van de betreffende stoffen in de atmosfeer hoger is
dan de grenswaarden, bedoeld in artikel 4.3;
c. gevaar voor brand of explosie indien in de atmosfeer de
concentratie van zuurstof hoger is dan 21 volumeprocent of de
concentratie van brandbare gassen of dampen hoger is dan 10
volumeprocent van de onderste explosiegrens.
4. Indien het niet mogelijk is om de maatregelen, bedoeld in het
tweede lid, te nemen en het noodzakelijk is om zich in de gevaarlijke
atmosfeer, bedoeld in het eerste lid, te begeven, dan wordt de
werknemer permanent geobserveerd en worden doeltreffende maatregelen
genomen om deze werknemer:
a. te beschermen tegen het gevaar, bedoeld in het tweede lid;
b. bij direct gevaar onmiddellijk op doeltreffende wijze hulp
te bieden.
Artikel 3.5h. Veiligheid aan, op of in tankschepen
1.Artikel 3.5g is niet van toepassing ten aanzien van de volgende
werkzaamheden aan, op of in tankschepen van een bij ministeriėle
regeling aangewezen categorie:
a. het schoonmaken;
b. het onderhouden, herstellen of verbouwen;
c. het geheel of gedeeltelijk slopen, waarbij gevaar bestaat
voor brand, explosie, vergiftiging, verstikking of bedwelming.
2.De in het eerste lid bedoelde werkzaamheden worden op veilige
wijze verricht door of onder toezicht van een persoon die beschikt
over voldoende deskundigheid.
3.Bij ministeriėle regeling worden werkzaamheden aangewezen, die
uitsluitend worden verricht, indien een gasdeskundige vooraf de
gevaren voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers heeft
beoordeeld en een verklaring heeft afgegeven die voldoet aan een bij
ministeriėle regeling vast te stellen model.
4.Een gasdeskundige als bedoeld in het derde lid is in het bezit
van een certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige, dat is afgegeven
door Onze Minister of een certificerende instelling.
5.Het certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige of een afschrift
daarvan is op de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond
aan de toezichthouder.
6.Ten aanzien van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid,
worden bij ministeriėle regeling nadere regels gesteld.
§ 3. Voorzieningen in noodsituaties
Artikel 3.6. Vluchtwegen en nooduitgangen
1.Doeltreffende maatregelen zijn genomen teneinde het mogelijk te
maken dat de werknemer, indien een toestand ontstaat waarin direct
gevaar voor zijn veiligheid of gezondheid aanwezig is, zich snel via
de kortst mogelijke weg in veiligheid kan stellen.
2.Het aantal, de plaats en de afmetingen van de daartoe beschikbare
vluchtwegen en nooduitgangen zijn afhankelijk van het gebruik, de
uitrusting en de afmetingen van de arbeidsplaatsen alsmede van het
maximum aantal werknemers en andere personen dat zich op deze plaatsen
kan ophouden.
Artikel 3.7. Veilig gebruik van vluchtwegen en nooduitgangen
1.Vluchtwegen en nooduitgangen zijn vrij van obstakels.
2.Nooduitgangen kunnen te allen tijde worden geopend.
3.Deuren van nooduitgangen en deuren op het traject van de
vluchtwegen zijn op eenvoudige wijze van binnen- uit naar buiten toe
te openen.
4.Schuif- en draaideuren worden niet als nooduitgang gebruikt.
5.De vluchtwegen en nooduitgangen die bij het uitvallen van de
verlichting slecht zichtbaar zijn, zijn voorzien van een adequate
noodverlichting.
6.De vluchtwegen, de deuren en poorten op het traject van de
vluchtwegen alsmede de nooduitgangen zijn gemarkeerd door signalen die
voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde.
Artikel 3.8. Brandmelding en brandbestrijding
1.In aanvulling op artikel 15 van de wet zijn op arbeidsplaatsen,
afhankelijk van de aard van de arbeid die daar wordt verricht, de
daaraan verbonden gevaren en het maximum aantal werknemers en andere
personen dat zich daar bevindt, voldoende passende
brandbestrijdingsmiddelen aanwezig.
2.Indien nodig zijn, in aanvulling op het eerste lid,
branddetectoren en alarmsystemen aanwezig.
3.Niet-automatische brandbestrijdingsmiddelen zijn gemakkelijk
bereikbaar en gemakkelijk te bedienen.
4.Niet-automatische brandbestrijdingsmiddelen zijn voorzien van een
signalering die voldoet aan het bij of krachtens afdeling 2 van
hoofdstuk 8 bepaalde. De signalering is duurzaam en op de juiste
plaats aangebracht.
Artikel 3.9. Noodverlichting
Arbeidsplaatsen waar werknemers bij het uitvallen van het kunstlicht
aan bijzondere gevaren zijn blootgesteld, zijn voorzien van adequate
noodverlichting. Indien noodverlichting niet mogelijk is, beschikken de
werknemers over individuele verlichting.
Artikel 3.10. Redden van drenkelingen
Op arbeidsplaatsen waar gevaar voor verdrinking bestaat wordt dit
gevaar zoveel mogelijk voorkomen en zijn doelmatige middelen voor het
redden van drenkelingen op een goed zichtbare plaats beschikbaar.
§ 4. Inrichtingseisen
Artikel 3.11. Vloeren, muren en plafonds van arbeidsplaatsen
1.Vloeren van arbeidsplaatsen zijn zo veel mogelijk vrij van
oneffenheden en gevaarlijke hellingen en zijn voorts zo veel mogelijk
vast, stabiel en stroef.
2.Het oppervlak van vloeren, muren en plafonds van arbeidsplaatsen
is zodanig, dat deze ten behoeve van de hygiėne op de arbeidsplaats
kunnen worden schoongemaakt en onderhouden.
3.Besloten ruimten waar arbeid wordt verricht zijn, rekening
houdend met de aard van de werkzaamheden en de te leveren fysieke
belasting, voldoende thermisch geļsoleerd.
4.Transparante of lichtdoorlatende wanden van arbeidsplaatsen zijn,
voor zover mogelijk in verband met de aard van de arbeidsplaats:
a. duidelijk gemarkeerd en van veiligheidsmateriaal
vervaardigd, of
b. op een zodanige wijze aangebracht of afgeschermd dat de
werknemers niet gewond kunnen raken.
Artikel 3.12. Ramen en bovenlichtvoorzieningen van de ruimten
1.Indien ramen, bovenlichtvoorzieningen en ventilatievoorzieningen
geopend en gesloten kunnen worden,
a. kan dit op veilige wijze geschieden,
b. kunnen zij tevens op veilige wijze geregeld en vastgezet
worden, en
c. leveren zij in geopende stand geen gevaar op.
2.Ramen en bovenlichtvoorzieningen kunnen zonder gevaar worden
schoongemaakt.
Artikel 3.13. Deuren, beweegbare hekken en andere doorgangen
1.De plaats, het aantal en de afmeting van deuren, beweegbare
hekken en andere doorgangen alsmede de materialen waarvan zij zijn
vervaardigd, zijn afgestemd op de aard en het gebruik van de
arbeidsplaats.
2.Op transparante deuren is op ooghoogte een markering aangebracht.
3.Afhankelijk van de aard van de arbeidsplaats en de arbeid die
daar wordt verricht, zijn klapdeuren transparant of van transparante
panelen voorzien.
4.Indien deuren of andere doorgangen beschikken over transparante
of lichtdoorlatende oppervlakten, zijn doeltreffende maatregelen
genomen om te voorkomen dat werknemers door ongewild contact met die
oppervlakten gewond raken.
5.Deuren en beweegbare hekken die uit of van hun geleidingen kunnen
raken zijn tegen uitlichten of aflopen dan wel tegen vallen geborgd.
6.Automatische deuren en hekken functioneren zodanig dat zij geen
gevaar opleveren. Zij zijn uitgerust met gemakkelijk herkenbare
beveiligingen die voorkomen dat werknemers gewond raken.
7.Automatische deuren en hekken kunnen met de hand worden geopend,
tenzij ze bij een stroomstoring automatisch opengaan.
8.In de onmiddellijke nabijheid van deuren, beweegbare hekken of
andere doorgangen die hoofdzakelijk voor verkeer van voertuigen of
transportmiddelen zijn bestemd, bevinden zich, tenzij de doorgang voor
voetgangers veilig is, afzonderlijke doorgangen voor voetgangers.
9.De in het achtste lid bedoelde doorgangen voor voetgangers zijn
duidelijk zichtbaar gemarkeerd en vrij van obstakels.
10.Kettingen of soortgelijke voorzieningen die worden gebruikt om
te verhinderen dat een bepaalde ruimte wordt betreden, zijn goed
zichtbaar en op doelmatige wijze voorzien van verbods- of
waarschuwingsborden.
Artikel 3.14. Verbindingswegen
1.De verbindingswegen op de arbeidsplaats zijn zodanig gelegen en
ingericht dat zij op eenvoudige wijze, veilig en overeenkomstig hun
bestemming, door voetgangers en voertuigen of transportmiddelen kunnen
worden gebruikt.
2.Voorkomen wordt dat werknemers die in de nabijheid van de
verbindingswegen arbeid verrichten, gevaar lopen.
3.De afmeting van de verbindingswegen is afgestemd op het aantal
gebruikers en de aard van de arbeid die in het bedrijf of de
inrichting wordt verricht.
4.Indien op de verbindingswegen, voor zover het niet de openbare
weg betreft, voertuigen of transportmiddelen worden gebruikt, zijn de
nodige verkeersregels vastgesteld.
5.In gevallen als bedoeld in het vierde lid, is tevens een veilige
ruimte voor de voetgangers gewaarborgd of zijn andere doeltreffende
maatregelen ter bescherming van de voetgangers genomen.
6.De voor voertuigen of transportmiddelen bestemde verbindingswegen
zijn gelegen op voldoende afstand van de overige verbindingswegen op
de arbeidsplaats.
7.Voor zover het gebruik of de inrichting van de arbeidsplaats
zulks vereist, zijn de verbindingswegen duidelijk afgebakend.
Artikel 3.15. Markering gevaarlijke plaatsen
1.De plaatsen waar door de aard van het werk gevaar, met inbegrip
van valgevaar of gevaar voor vallende voorwerpen voorkomt of waar
obstakels die niet verwijderd kunnen worden een gevaar voor de
veiligheid vormen bij het verplaatsen van voertuigen of personen,
worden duidelijk gemarkeerd door signalen die voldoen aan het bij of
krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde.
2.Alleen werknemers die beroepshalve of uit hoofde van hun functie
de in het eerste lid bedoelde plaatsen moeten betreden, worden daar
toegelaten.
Artikel 3.16. Voorkomen valgevaar
1. Bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat is zo
mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer
aangebracht of is het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van
doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen.
2. Er is in elk geval sprake van valgevaar bij aanwezigheid van
risicoverhogende omstandigheden, openingen in vloeren, of als het
gevaar bestaat om 2,5 meter of meer te vallen.
3. Hekwerken en leuningen worden als doelmatig aangemerkt indien
zij tenminste tot 1 meter boven het werkvlak beveiliging bieden tegen
vallen, dan wel voldoen aan het voor vloerafscheiding bepaalde bij of
krachtens het Bouwbesluit 2003.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op arbeid onder
omstandigheden waarin het gebruik van ladders en trappen is toegestaan
als bedoeld in artikel 7.23, tweede lid.
5. Indien de in het eerste lid genoemde voorzieningen niet of
slechts ten dele kunnen worden aangebracht of indien het aanbrengen of
wegnemen daarvan grotere gevaren meebrengt dan de arbeid ter
beveiliging waarvan zij zouden moeten dienen, zijn ter voorkoming van
het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op
doelmatige plaatsen en wijze aangebracht of worden doelmatige
veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt dan
wel worden andere technische middelen toegepast, die ten minste een
zelfde mate van beveiliging van de in het eerste lid bedoelde arbeid
geven. Daarbij hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming
de voorrang boven maatregelen gericht op individuele bescherming.
Artikel 3.17. Voorkomen gevaar door voorwerpen, producten,
vloeistoffen of gassen
Het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten
of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar
bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan,
wordt voorkomen en indien dat niet mogelijk is zoveel mogelijk beperkt.
Artikel 3.16, vijfde lid, laatste volzin, is van toepassing.
Artikel 3.18. Specifieke maatregelen voor roltrappen, rolpaden en
laadplatforms
1.Roltrappen en -paden functioneren veilig en zijn uitgerust met de
noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen, waaronder begrepen gemakkelijk
herkenbare en toegankelijke noodstopvoorzieningen.
2.Laadplatforms en -hellingen zijn afgestemd op de afmetingen van
de te vervoeren ladingen. Zij beschikken over ten minste één
uitgang.
Artikel 3.19. Afmetingen en luchtvolume van ruimten; bewegingsruimte
op de arbeidsplaats
1.De afmetingen en het luchtvolume van de arbeidsplaats zijn
zodanig dat de werknemer zonder gevaar voor de veiligheid of de
gezondheid zijn arbeid kan verrichten.
2.De afmetingen van de arbeidsplaats zijn zodanig dat de werknemer
bij het verrichten van zijn arbeid over voldoende bewegingsruimte
beschikt.
3.Indien in verband met de aard van de arbeid niet aan het tweede
lid kan worden voldaan, is in de nabijheid een andere open of besloten
ruimte met voldoende bewegingsvrijheid voor de betrokken werknemers
beschikbaar.
§ 5. Ontspanningsruimten en andere voorzieningen
Artikel 3.20. Ontspanningsruimten
In het bedrijf of de inrichting of in de directe nabijheid daarvan is
een gemakkelijk toegankelijke ruimte beschikbaar waar de werknemers de
pauzes kunnen doorbrengen. Deze ruimte is daartoe geschikt alsmede,
afhankelijk van het aantal werknemers, voldoende ruim bemeten en
uitgerust met voldoende tafels en stoelen.
Artikel 3.21. Nachtverblijven
Voor werknemers die gedurende de tijdsruimte, gelegen tussen het
einde en het begin van de dagelijkse arbeidstijd, plegen te verblijven
in het bedrijf of de inrichting waar zij werkzaam zijn, is een
nachtverblijf beschikbaar. Een nachtverblijf is adequaat ingericht en is
uitsluitend bestemd voor personen van gelijk geslacht.
Artikel 3.22. Kleedruimten
1.Iedere werknemer beschikt over een plaats om zijn kleding op te
hangen.
2.Voor werknemers die speciale werkkleding moeten dragen zijn
doelmatige, voldoende ruime, van stoelen of banken voorziene en naar
seksen gescheiden kleedruimten beschikbaar; deze ruimten zijn zoveel
mogelijk gelegen in de nabijheid van de open of besloten ruimten waar
de arbeid pleegt te worden verricht. Natte werkkleding kan zo nodig
worden gedroogd.
3.In de kleedruimten kan kleding die de werknemers tijdens de
arbeid niet dragen, op doelmatige wijze en afgesloten worden bewaard.
4.Indien de omstandigheden zulks vereisen kunnen de speciale
werkkleding en de persoonlijke kleding van de werknemers gescheiden
van elkaar, op doelmatige wijze en afgesloten worden bewaard.
Artikel 3.23. Wasgelegenheden en doucheruimten
1.Indien werknemers bloot staan aan vuil of stof is een wasruimte
met een voldoende aantal wasbakken aanwezig. De wasbakken zijn
functioneel geplaatst en naar seksen gescheiden; ze beschikken over
koud en zonodig warm stromend water.
2.Indien werknemers zodanig bloot staan aan vuil, stof of hoge
temperaturen dat een reiniging van het lichaam nodig is die meer omvat
dan die van handen en gezicht of zulks uit de aard van hun arbeid of
de zorg voor de gezondheid voortvloeit, is tevens een doucheruimte met
een voldoende aantal douches aanwezig. De doucheruimte is voldoende
ruim, doelmatig ingericht en naar seksen gescheiden; de douches
beschikken over warm en koud stromend water.
3.Indien de douche- of wasruimten en de kleedruimten zich niet in
dezelfde ruimte bevinden, zijn deze onderling gemakkelijk en
binnendoor bereikbaar.
Artikel 3.24. Toiletten en wastafels
1.In een bedrijf of inrichting zijn in de nabijheid van de ruimten
waar de werknemers hun werkzaamheden verrichten een voldoende aantal
toiletten aanwezig.
2.In of in de onmiddellijke nabijheid van de ruimten waarin de
toiletten zich bevinden zijn voldoende wastafels.
3.De toiletten of het gebruik van de toiletten zijn naar seksen
gescheiden.
Artikel 3.25. Eerste-hulpposten
1.Indien de aard van de arbeid of de daaraan verbonden gevaren dit
noodzakelijk maken, zijn, in aanvulling op artikel 15 van de wet, in
het bedrijf of de inrichting voldoende eerste-hulpposten aanwezig.
2.In de eerste-hulpposten zijn duidelijk zichtbare instructies voor
eerste hulp bij ongevallen aanwezig.
3.In de eerste-hulpposten is een alarmnummer duidelijk zichtbaar
aangebracht.
4.De eerste-hulpposten zijn voorzien van de noodzakelijke
eerste-hulpuitrusting.
5.De eerste-hulpposten zijn gemakkelijk met brancards bereikbaar.
6.De eerste-hulpposten en de eerste-hulpuitrusting zijn voorzien
van een signalering die voldoet aan het bij of krachtens afdeling 2
van hoofdstuk 8 bepaalde.
Afdeling 2. Aanvullende voorschriften bouwplaatsen
Artikel 3.26. Schakelbepaling
Op een bouwplaats zijn naast de voorschriften van afdeling 1 tevens
de voorschriften van deze afdeling van toepassing.
Artikel 3.27. Algemene vereisten
1.Een bouwplaats is gemarkeerd en afgebakend.
2.Op een bouwplaats is voldoende drinkwater of andere alcoholvrije
drank beschikbaar.
3.Op een bouwplaats zijn zo nodig faciliteiten voor het bereiden
van maaltijden beschikbaar.
Artikel 3.28. Stabiliteit en stevigheid
1.Werkplekken op een bouwplaats die niet op de begane grond zijn
gesitueerd, zijn stabiel en stevig, waarbij rekening wordt gehouden
met het aantal werknemers dat zich daar bevindt, de maximale belasting
en de verdeling daarvan alsmede met externe invloeden. Zonodig zijn
ten behoeve van de stabiliteit doeltreffende bevestigingsmiddelen
aangebracht.
2.De stabiliteit en de stevigheid worden regelmatig en in ieder
geval na iedere relevante verandering van de hoogte of de diepte van
de in het eerste lid bedoelde werkplekken, doeltreffend gecontroleerd.
Artikel 3.29. Elektrische installaties en leidingen
1.Elektrische installaties die voor de aanvang van de werkzaamheden
reeds op de bouwplaats aanwezig zijn, worden geļdentificeerd,
gecontroleerd en duidelijk gekenmerkt.
2.Bovengrondse elektriciteitsleidingen worden zoveel mogelijk
buiten de bouwplaats om geleid of spanningsloos gemaakt. Indien dat
niet mogelijk is worden hekken of waarschuwingsborden geplaatst.
3.Indien voertuigen onder elektriciteitsleidingen door moeten
rijden worden beschermingen onder de leidingen aangebracht.
4.Ondergrondse elektriciteitsleidingen, leidingen voor andere
distributiesystemen en kabels worden voor de aanvang van
grondverzetwerkzaamheden geļdentificeerd.
5.Doeltreffende maatregelen worden genomen om de gevaren voor
werknemers die zijn verbonden aan beschadiging van de in het vierde
lid bedoelde leidingen en kabels, zoveel mogelijk te voorkomen.
Artikel 3.30. Bouwputten, tunnels, uitgravingen en andere
ondergrondse werkzaamheden en grondverzetwerkzaamheden
1.In een bouwput, een tunnel, bij een uitgraving of andere
ondergrondse werkzaamheden worden doeltreffende stut- of
taludvoorzieningen aangebracht ter voorkoming van instorting of
overstroming.
2.Bij grondverzetwerkzaamheden worden de uitgegraven aarde, het
gebruikte materiaal en de daarbij gebruikte voertuigen op veilige
afstand van de uitgraving gehouden. Zonodig wordt rond de uitgraving
doeltreffend hekwerk geplaatst.
Artikel 3.31. Metaal- en betonconstructies, bekistingen en zware
prefab-elementen
1.Metaal- en betonconstructies alsmede de onderdelen daarvan,
bekistingen, prefab-elementen of tijdelijke stutten en schoren worden
slechts gemonteerd of gedemonteerd onder toezicht van een speciaal
daartoe aangewezen persoon.
2.Bekistingen, tijdelijke stutten en schoren kunnen zonder gevaar
voor de werknemers de krachten dragen waaraan zij blootstaan.
Afdeling 3. Aanvullende voorschriften winningsindustrieėn in
dagbouw, ondergronds of met behulp van boringen
Artikel 3.32. Schakelbepaling en toepasselijkheid
1.Op een arbeidsplaats in de winningsindustrie zijn naast de
voorschriften van afdeling 1, met uitzondering van paragraaf 2a van
die afdeling, tevens de voorschriften van deze afdeling van
toepassing.
2.Deze afdeling is niet van toepassing op arbeid verricht in
winningsindustrieėn in dagbouw met behulp van baggermaterieel.
Artikel 3.33. Schriftelijke voorlichting
Voor iedere arbeidsplaats in de winningsindustrie zijn schriftelijke
instructies opgesteld, waarin de regels zijn opgenomen die moeten worden
nageleefd om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers alsmede
het veilig gebruik van de arbeidsmiddelen te garanderen. Deze
instructies bevatten tevens aanwijzingen voor het gebruik van de
noodapparatuur en de te volgen handelwijze in noodsituaties.
Artikel 3.34. Gevaar voor explosie
De maatregelen gericht op het voorkomen van gevaar voor explosie,
bedoeld in artikel 3.5g, tweede lid, worden opgenomen in het veiligheids-
en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 2.42, tweede lid.
Artikel 3.35. Reanimatie-apparatuur
1.In aanvulling op artikel 15 van de wet, zijn in zones waar gevaar
voor verstikking, bedwelming of vergiftiging bestaat, doelmatige
reanimatie-apparaten aanwezig.
2.Op de arbeidsplaats in de winningsindustrie zijn voldoende
werknemers aanwezig die de in het eerste lid genoemde apparaten kunnen
bedienen.
3.De reanimatie-apparaten worden doelmatig onderhouden en
opgeslagen.
Artikel 3.36 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 3A. Aanvullende voorschriften winningsindustrieėn in
dagbouw
Artikel 3.36a. Schakelbepaling
Op een arbeidsplaats in de winningsindustrie in dagbouw zijn naast de
voorschriften van afdeling 3 van dit hoofdstuk tevens de voorschriften
van deze afdeling van toepassing.
Artikel 3.37. Voorkomen instabiliteit
1.Telkens voor de aanvang van werkzaamheden aan afgravings- of
ontginningsfronten boven werkterreinen of verkeerswegen, wordt
nagegaan of er geen instabiele massas of rotsblokken zijn. Losse
steenblokken worden zo nodig verwijderd.
2.Bij het ontginnen van fronten of steenhopen wordt gewaakt voor
het ontstaan van instabiliteit.
Afdeling 3B. Aanvullende voorschriften ondergrondse
winningsindustrieėn
Artikel 3.37a. Schakelbepaling
Op een arbeidsplaats in de ondergrondse winningsindustrie zijn naast
de voorschriften van afdeling 3 van dit hoofdstuk tevens de
voorschriften van deze afdeling van toepassing.
Artikel 3.37b. Plattegronden en bewegwijzering
1.Er worden plattegronden gemaakt en regelmatig bijgewerkt, waarop
de galerijen en de ontginningswerkzaamheden en alle bekende factoren
die van invloed kunnen zijn op de ontginning en de veiligheid daarvan
zijn aangegeven op een schaal die een duidelijke voorstelling mogelijk
maakt. De plattegronden zijn op de arbeidsplaats aanwezig en worden
desgevraagd getoond aan de toezichthouder. De plattegronden zijn
gemakkelijk toegankelijk en worden zolang bewaard als met het oog op
de veiligheid noodzakelijk is.
2.In de galerijen is een bewegwijzering aangebracht, zodat de
werknemers zich gemakkelijk kunnen oriėnteren.
Artikel 3.37c. Uitgangen
1.Iedere ondergrondse ontginning staat via ten minste twee
afzonderlijke uitgangen met de oppervlakte in verbinding. Deze
uitgangen zijn degelijk geconstrueerd en gemakkelijk toegankelijk voor
de werknemers die ondergrondse werkzaamheden verrichten.
2.Wanneer voor het gebruik van deze uitgangen een bijzondere
krachtsinspanning nodig is, zijn zij uitgerust met mechanische
transportmiddelen voor de werknemers.
Artikel 3.37d. Transportinstallaties
1.Transportinstallaties worden zodanig aangelegd, gebruikt en
onderhouden, dat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers die
ze besturen of gebruiken, of zich in de nabijheid daarvan ophouden,
gewaarborgd is.
2.Bij vervoer van werknemers met mechanische transportmiddelen
wordt gezorgd voor passende voorzieningen en speciale schriftelijke
instructies.
Artikel 3.37e. Ondersteuning en stabiliteit
1.Zo spoedig mogelijk na het delven worden er ondersteuningen
aangebracht, tenzij dit vanwege de stabiliteit van het terrein niet
noodzakelijk is voor de veiligheid van de werknemers. Deze
ondersteuningen worden volgens schema's en schriftelijke instructies
aangebracht.
2.Alle voor werknemers toegankelijke werkplekken worden regelmatig
op de stabiliteit van het terrein onderzocht.
3.Bij het onderhoud van de ondersteuningen wordt rekening gehouden
met de uitkomsten van het in het tweede lid bedoelde onderzoek.
Artikel 3.37f. Instortingen en waterdoorbraken
1.In zones waar zich instortingen of waterdoorbraken kunnen
voordoen, wordt een winningsprogramma opgesteld en uitgevoerd dat
zoveel mogelijk gericht is op een veilig werksysteem en op de
bescherming van de werknemers.
2.Er worden maatregelen genomen om de zones, bedoeld in het eerste
lid, te kunnen herkennen, om de werknemers die in of in de nabijheid
van die zones werken te beschermen en om de risico's te beheersen.
Artikel 3.37g. Voorkoming van brand en temperatuurstijging
1.Er worden maatregelen genomen om temperatuurstijgingen te
voorkomen of vroegtijdig te signaleren.
2.Het gebruik van brandbare materialen wordt tot het strikt
noodzakelijke minimum beperkt.
3.De te gebruiken hydraulische vloeistoffen zijn voorzover mogelijk
moeilijk ontvlambaar en voldoen aan specificaties en
beproevingsvoorwaarden betreffende de brandbaarheid ervan alsmede aan
criteria betreffende de hygiėne. Indien de te gebruiken hydraulische
vloeistoffen niet aan de in de eerste volzin gestelde eisen voldoen,
worden aanvullende maatregelen genomen.
Artikel 3.37h. Verlichting
In aanvulling op artikel 3.9 beschikt elke werknemer over een voor
het werk geschikte lamp.
Artikel 3.37i. Aanwezigheidscontrole
Het werk wordt zodanig georganiseerd dat op ieder moment kan worden
vastgesteld wie er ondergronds is.
Afdeling 3C. Aanvullende voorschriften winningsindustrieėn met
behulp van boringen
Artikel 3.37j. Schakelbepaling
Op een arbeidsplaats in de winningsindustrie die delfstoffen wint met
behulp van boringen zijn naast de voorschriften van afdeling 3 van dit
hoofdstuk tevens de voorschriften van deze afdeling van toepassing.
Artikel 3.37k. Vereisten inrichting mijnbouwinstallaties
1.In aanvulling op de artikelen 3.2 en 3.3 zijn
mijnbouwinstallaties zodanig ontworpen, gebouwd, ingericht, bediend,
gecontroleerd en onderhouden dat zij aan de te verwachten
omgevingskrachten weerstand kunnen bieden. Zij dienen een constructie
en stevigheid te hebben die zijn afgestemd op het gebruik dat ervan
wordt gemaakt.
2.Op mijnbouwinstallaties worden zo nodig brandbarričres
aangebracht met het oog op de afscheiding van zones waar brandrisico
bestaat.
Artikel 3.37l [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 3.37m. Onderhoud van veiligheidsapparatuur
Doelmatige veiligheidsapparatuur staat steeds gebruiksklaar en wordt
in goede staat gehouden. Bij het onderhoud daarvan wordt naar behoren
rekening gehouden met de uitgeoefende activiteiten.
Artikel 3.37n. Nooduitgangen
1.Woon- en verblijfruimten op mijnbouwinstallaties hebben op elk
niveau ten minste twee afzonderlijke nooduitgangen, die zo ver
mogelijk van elkaar zijn gelegen en uitkomen in een veilige zone, een
veilig verzamelpunt of een veilig evacuatiestation.
2.In afwijking van artikel 3.7, vierde lid, zijn nooduitgangen op
mijnbouwinstallaties voorzien van deuren die op eenvoudige wijze van
binnenuit naar buiten toe zijn te openen of indien dit niet mogelijk
is, van schuifdeuren.
Artikel 3.37o [Vervallen per 28-12-2009]
Artikel 3.37p. Gevarenzones
1.Arbeidsplaatsen waar door de aard van het werk gevarenzones, met
inbegrip van valgevaar of gevaar voor vallende voorwerpen, voorkomen,
worden zoveel mogelijk uitgerust met voorzieningen die beletten dat
werknemers deze zones zonder toestemming betreden.
2.Er worden doeltreffende maatregelen getroffen om de werknemers
die de gevarenzones mogen betreden te beschermen.
Artikel 3.37q. Afstandsbediening in noodgevallen
1.Indien de veiligheid en de gezondheid van de werknemers dat
vereisen wordt bepaalde apparatuur in geval van nood vanaf geschikte
locaties op afstand bediend.
2.De apparatuur, bedoeld in het eerste lid, omvat systemen voor het
isoleren en afblazen van putten, installaties en pijpleidingen.
3.Ten behoeve van de afstandsbediening, bedoeld in het eerste lid,
zijn er controleposten op geschikte locaties die in geval van nood
kunnen worden gebruikt, indien nodig met inbegrip van controleposten
op veilige verzamelpunten en in evacuatiestations.
4.De apparatuur, bedoeld in het eerste lid, omvat tenminste
systemen voor ventilatie, het in noodgevallen afsluiten van apparatuur
die een ontbranding zou kunnen veroorzaken, het voorkomen van het
ontsnappen van ontvlambare vloeistoffen en gassen, brandbeveiliging en
putbewaking.
Artikel 3.37r. Communicatiesystemen
1.Indien de veiligheid en de gezondheid van de werknemers dat
vereisen wordt iedere bemande arbeidsplaats uitgerust met:
a. een audiovisueel systeem waarmee een alarmmelding zo nodig
kan worden doorgestuurd naar elk bemand deel van de arbeidsplaats;
b. een luidsprekersysteem, dat duidelijk kan worden gehoord in
alle delen van de installatie waar zich vaak werknemers ophouden;
c. een systeem waarmee de verbinding met het vasteland en de
hulpdiensten kan worden onderhouden.
2.Op mijnbouwinstallaties blijven de systemen, bedoeld in het
eerste lid, in geval van nood operationeel. Het luidsprekersysteem
wordt aangevuld met communicatiesystemen die niet afhankelijk zijn van
kwetsbare stroomvoorzieningsinstallaties.
3.De voorzieningen voor het slaan van alarm zijn op doelmatige
plaatsen aangebracht.
4.Indien werknemers aanwezig zijn op arbeidsplaatsen die normaliter
niet door werknemers bemand zijn, is er een doelmatig
communicatiesysteem.
Artikel 3.37s. Verzamelpunten en monsterrol
1.Indien de veiligheid en de gezondheid van de werknemers dat
vereisen worden er verzamelpunten vastgesteld, wordt een monsterrol
bijgehouden en worden de hiervoor noodzakelijke maatregelen getroffen.
2.Doelmatige maatregelen worden genomen om:
a. de evacuatiestations en de veilige verzamelpunten te
beschermen tegen warmte en rook, en, zoveel mogelijk, tegen de
gevolgen van explosies;
b. de vluchtroutes van en naar de evacuatiestations en
verzamelpunten te allen tijde bruikbaar te laten blijven;
c. de evacuatiestations en de veilige verzamelpunten
gemakkelijk bereikbaar te laten zijn vanuit de
verblijfsaccommodatie en de werkruimten.
3.De maatregelen, bedoeld in het tweede lid, zijn zodanig dat ze de
werknemers lang genoeg bescherming bieden om, indien nodig, in alle
veiligheid een evacuatie- en reddingsoperatie te kunnen organiseren en
uitvoeren.
4.Indien de veiligheid en de gezondheid van de werknemers dat
vereisen, is een van de beschermde plaatsen, bedoeld in het eerste
lid, voorzien van afstandbedieningssystemen voor noodgevallen als
bedoeld in artikel 3.37q en van een communicatiesysteem als bedoeld in
artikel 3.37r, eerste lid, onder c.
5.Op een mijnbouwinstallatie wordt voor elk veilig verzamelpunt een
lijst opgesteld, bijgehouden en ter plaatse aangeplakt met de namen
van de werknemers voor wie dat verzamelpunt is bestemd.
6.Een lijst met de namen van de werknemers die in geval van nood
speciale taken hebben wordt opgesteld en bijgehouden en op doelmatige
plaatsen aangeplakt. De namen van deze werknemers worden eveneens
vermeld in de schriftelijke instructies, bedoeld in artikel 3.33.
Artikel 3.37t. Reddingsmiddelen
1.Op een mijnbouwinstallatie zijn voor onmiddellijk gebruik
voldoende geschikte middelen voor redding, evacuatie en voor directe
ontsnapping in zee in noodgevallen beschikbaar.
2.Als evacuatie van werknemers moet geschieden langs moeilijke
vluchtwegen of via plaatsen waar de lucht niet of mogelijk niet
ingeademd kan worden, staat zelfreddingsapparatuur voor onmiddellijk
gebruik op de werkplek ter beschikking van de werknemers.
3.Reddingsmiddelen als bedoeld in het eerste lid voldoen aan de
volgende voorschriften:
a. ze zijn functioneel en zo nodig uitgerust met voorzieningen
om lang genoeg te kunnen overleven;
b. er zijn er voldoende van om alle werknemers die zich in de
installatie kunnen ophouden te kunnen evacueren;
c. het type is afgestemd op de arbeidsplaats;
d. ze zijn van betrouwbare materialen gemaakt, rekening houdend
met de reddingsfunctie en de omstandigheden waarin ze eventueel
zullen worden gebruikt of waarin ze gebruiksklaar worden gehouden;
en
e. ze hebben een kleur die opvalt wanneer ze worden gebruikt en
zijn uitgerust met voorzieningen waarmee de gebruiker de aandacht
van de redders kan trekken.
4.Het materiaal, dat nodig is in geval bij een ongeval vervoer per
helikopter plaatsvindt, ligt gebruiksklaar opgeslagen in de
onmiddellijke nabijheid van de helikopterlandingsplaats.
Artikel 3.37u. Beveiliging noodsystemen
Op mijnbouwinstallaties worden branddetectie- en
brandbeschermingssystemen, inrichtingen voor brandblussing of
branddoving en alarmsystemen afgeschermd tegen ongelukken en wel op
zodanige wijze dat hun functies in noodgevallen operationeel blijven. Zo
nodig worden dergelijke systemen in dubbele uitvoering aangebracht.
Artikel 3.37v. Noodplan
1.Er wordt een noodplan opgesteld voor het geval dat iemand
overboord valt of de arbeidsplaats moet worden geėvacueerd.
2.Het noodplan, dat is gebaseerd op het veiligheids- en
gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 2.42, voorziet in het gebruik
van bijstandsboten en helicopters en bevat criteria voor de capaciteit
en de reactietijd daarvan. De vereiste reactietijd wordt in het
veiligheids- en gezondheidsdocument van elke installatie vermeld.
3.De bijstandsboten zijn doelmatig ontworpen en uitgerust en
voldoen aan de eisen in verband met evacuatie en redding.
4.Bij ministeriėle regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het eerste tot en met derde lid.
Artikel 3.37w. Verblijfsaccommodatie
1.In aanvulling op artikel 3.21 wordt, wanneer de aard, de omvang
en de duur van de werkzaamheden op een mijnbouwinstallatie zulks
vereisen, de nodige verblijfsaccommodatie ter beschikking gesteld.
2.Leidingen die in geval van lekkage direct gevaar voor de
gezondheid kunnen opleveren worden buiten de accommodatie en de
hiermee in verbinding staande gangen gehouden. Deze accommodatie:
a. is afdoende beschermd tegen de gevolgen van explosies,
binnendringen van rook en gas en het uitbreken en de verbreiding
van brand, zoals omschreven in het veiligheids- en
gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 2.42;
b. is beschermd tegen weersomstandigheden en tegen geluids- en
stankhinder en ontwikkeling van rookgassen uit andere ruimten,
welke gevaarlijk voor de gezondheid kunnen zijn;
c. staat niet in rechtstreekse verbinding met besloten ruimten,
waarin machines, ketels, tanks, drukvaten en dergelijke zijn
opgesteld;
d. is afgescheiden van elke werkplek en ligt buiten
gevarenzones;
e. staat, voorzover het een slaapverblijf betreft, niet in
rechtstreekse verbinding met ontspanningsruimten, noch met ruimten
voor het bereiden en bewaren van voedsel.
3.De verblijfsaccommodatie is voorzien van voldoende bedden of
kooien, rekening houdend met het aantal werknemers dat naar
verwachting in de installatie zal slapen. In een slaapverblijf
bevinden zich ten hoogste twee slaapplaatsen.
4.Elke verblijfsaccommodatie beschikt over voldoende plaats voor
het opbergen van kleding.
Artikel 3.37x [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 3.37y. Veiligheid en stabiliteit
Tijdens de plaatsing van een mijnbouwinstallatie worden alle
noodzakelijke maatregelen genomen om de veiligheid en de gezondheid van
de werknemers te waarborgen.
Afdeling 4 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 3.38 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 3.39 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 3.40 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 5. Bijzondere sectoren en bijzondere categorieėn werknemers
§ 1. Onderwijs
Artikel 3.41. Ontspanningsruimten, leerlingen en studenten
Artikel 3.20 is niet van toepassing op leerlingen respectievelijk
studenten in onderwijsinrichtingen.
§ 2. Vervoer
Artikel 3.42. Uitzonderingen voor vervoermiddelen
1.Op luchtvaartuigen, waarvoor vóór 1 januari 1997 een Nederlands
of daaraan gelijk gesteld bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven,
zijn de artikelen 3.4, 3.5, 3.7, vijfde lid, niet van toepassing,
tenzij de naleving daarvan redelijkerwijs kan worden gevergd.
2.Op zeeschepen en binnenvaartuigen, die vóór 1 januari 1994 zijn
gebouwd, zijn de artikelen 3.7, vijfde lid, 3.20, 3.22, 3.23 en 3.24
niet van toepassing, tenzij de naleving daarvan redelijkerwijs kan
worden gevergd.
3.De bouwdatum van een zeeschip wordt bepaald aan de hand van
hetgeen dienaangaande in artikel 2 van het Schepenbesluit 2004 of,
indien het een zeegaand vissersvaartuig betreft, in het
Vissersvaartuigenbesluit of het Vissersvaartuigenbesluit 2002 is
bepaald.
4.Op voertuigen op een openbare weg of spoorweg, die vóór 1
januari 1994 zijn gebouwd, is artikel 3.7, vijfde lid, niet van
toepassing, tenzij de naleving daarvan redelijkerwijs kan worden
gevergd.
5.De artikelen 3.4, 3.5 en 3.7, vijfde lid, zijn niet van
toepassing op het in bedrijven of inrichtingen aanwezige rollende
materieel van spoorwegondernemingen.
6.De artikelen 3.20 tot en met 3.25 zijn niet van toepassing op
luchtvaartuigen.
7.De artikelen 3.4, 3.5, 3.7, derde en vierde lid, 3.21, tweede
volzin, en 3.25 zijn niet van toepassing op zeeschepen en
binnenvaartuigen.
8.De artikelen 3.20 tot en met 3.25 zijn niet van toepassing op
voertuigen op een openbare weg of een spoorweg.
9.Artikel 3.5h is niet van toepassing op tankschepen die zich
buiten Nederland bevinden.
§ 3. Justitiėle inrichtingen
Artikel 3.43. Kleedruimten en enige andere voorzieningen
De artikelen 3.20 tot en met 3.25 zijn niet van toepassing op
arbeidsplaatsen in justitiėle inrichtingen die vóór 1 september 1990
als zodanig in gebruik waren, voor zover de naleving daarvan
redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
Artikel 3.44. Vluchtwegen en nooduitgangen
De artikelen 3.6 en 3.7 zijn van toepassing op arbeid verricht in de
justitiėle inrichting door justitieel personeel, gedetineerden of
jeugdigen, voor zover geen inbreuk wordt gemaakt op de orde, de
veiligheid of de goede gang van zaken in de justitiėle inrichting of
het ongestoord verloop van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming
of andere beperkingen die krachtens enige wet door de daartoe bevoegde
autoriteiten zijn opgelegd. Daarbij worden in ieder geval zodanige
technische en organisatorische maatregelen getroffen dat het justitieel
personeel, de gedetineerden of jeugdigen zich in veiligheid kunnen
stellen.
§ 4. Jeugdigen
Artikel 3.45. Schakelbepaling
In aanvulling op het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk gelden
voor jeugdige werknemers tevens de in deze paragraaf genoemde
voorschriften en verboden.
Artikel 3.46. Deskundig toezicht
Artikel 1.37, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op
jeugdige werknemers die:
a. arbeid verrichten waarbij gevaar voor instorting bestaat;
b. arbeid verrichten aan, met of in de directe nabijheid van
hoogspanningsinstallaties, bedoeld in artikel 3.1.
§ 5. Zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie
Artikel 3.47. Schakelbepaling
In aanvulling op dit hoofdstuk gelden voor zwangere werknemers en
werknemers tijdens de lactatie tevens de in deze paragraaf genoemde
voorschriften.
Artikel 3.48. Rustruimten
Voor zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie is een
geschikte, af te sluiten besloten ruimte beschikbaar, waarin gelegenheid
is of onmiddellijk kan worden gemaakt voor het nemen van rust. In een
zodanige ruimte is een deugdelijk, al of niet opvouwbaar bed of een
deugdelijke rustbank beschikbaar.
Hoofdstuk 4. Gevaarlijke stoffen en biologische agentia
Afdeling 1. Gevaarlijke stoffen
§ 1. Definities en toepasselijkheid
Artikel 4.1. Definities
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. gevaarlijke stoffen: stoffen, mengsels of oplossingen van
stoffen waaraan werknemers bij de arbeid worden of kunnen worden
blootgesteld die vanwege de eigenschappen van of de omstandigheden
waaronder die stoffen, mengsels of oplossingen voorkomen gevaar voor
de veiligheid of gezondheid kunnen opleveren;
b. grenswaarde:
1°. de limiet van de concentratie of van het tijdgewogen
gemiddelde van de concentratie voor een gevaarlijke stof in de
individuele ademhalingszone van een werknemer gedurende een
gespecificeerde referentieperiode;
2°. de limiet van de concentratie in het passende
biologische medium van een gevaarlijke stof, de metabolieten
daarvan of een indicator van het effect van de betreffende stof
gedurende een gespecificeerde referentieperiode;
c. ongewilde gebeurtenis: een plotselinge situatie, ongeval,
voorval of noodsituatie die gevaar oplevert voor veiligheid en
gezondheid van de werknemer of zijn omgeving, en die gelet op de
toegepaste stoffen, procédés en maatregelen niet is voorzien.
Artikel 4.1a. Toepasselijkheid
1.De artikelen 4.1c, eerste lid, onderdeel h, 4.3, 4.4 en 4.10a,
vijfde lid, zijn niet van toepassing op kankerverwekkende of mutagene
stoffen en kankerverwekkende processen als bedoeld in afdeling 2 van
dit hoofdstuk en op asbest of asbesthoudende producten als bedoeld in
afdeling 5 van dit hoofdstuk.
2.Artikel 4.7 is niet van toepassing op bedrijven, inrichtingen of
delen daarvan waarop het Besluit risicos zware ongevallen 1999 of
afdeling 2 van hoofdstuk 2 van toepassing is.
3.Artikel 4.4 is niet van toepassing op loodwit als bedoeld in
artikel 4.61b.
4.Artikel 4.10d is niet van toepassing op asbest of asbesthoudende
producten als bedoeld in afdeling 5 van dit hoofdstuk.
§ 2. Zorgplicht, maatregelen en nadere voorschriften
risico-inventarisatie en-evaluatie
Artikel 4.1b. Zorgplicht van de werkgever
1.In alle gevallen waarin werknemers worden of kunnen worden
blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, zorgt de werkgever voor een
doeltreffende bescherming van de gezondheid en veiligheid van de
werknemer.
2.Aan het bepaalde in het eerste lid wordt voldaan indien:
a. in het kader van de risico-inventarisatie en-evaluatie,
bedoeld in artikel 5 van de wet, de aard, mate en duur van de
blootstelling is beoordeeld in overeenstemming met artikel 4.2;
b. doeltreffende maatregelen zijn getroffen ter voorkoming of
beperking van de blootstelling in overeenstemming met de artikelen
4.1c en 4.4 dan wel in overeenstemming met de artikelen 4.17, 4.18
en 4.19;
c. preventieve maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van
ongewilde gebeurtenissen in overeenstemming met artikel 4.6.
Artikel 4.1c. Beperken van blootstelling; algemene preventieve
maatregelen
1. In alle gevallen waarin arbeid wordt verricht waarbij werknemers
worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, wordt,
in het kader van artikel 3 van de wet, de blootstelling van werknemers
aan gevaarlijke stoffen voorkomen of geminimaliseerd door:
a. het ontwerp en de organisatie van de arbeidssystemen op de
werkplek;
b. gebruik te maken van adequate arbeidsmiddelen;
c. gebruik te maken van adequate voorzieningen bij het
uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden;
d. het aantal werknemers, dat wordt of kan worden blootgesteld
te minimaliseren;
e. de mate en duur van de blootstelling te minimaliseren;
f. huidcontact te voorkomen of te minimaliseren door het dragen
van doelmatige persoonlijke beschermingsmiddelen bij mogelijke
blootstelling aan een enkelvoudige of samengestelde stof:
1°. die voldoet aan de criteria voor classificatie met een
effect op de huid of ogen, inclusief de classificatie
kankerverwekkend voor de huid, volgens Richtlijn 67/548/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967
betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de
verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG
1967, 196) of Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de
onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking
en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG 1999, L
200);
2°. als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, of artikel
4.16, eerste lid, en waarbij is aangegeven dat die door de
huid kan worden opgenomen;
g. de grootst mogelijke zorgvuldigheid, ordelijkheid en
zindelijkheid in acht te nemen;
h. de hoeveelheid gevaarlijke stoffen op de werkplek zoveel
mogelijk te beperken;
i. passende werkmethoden in te voeren, met inbegrip van
regelingen voor de veilige behandeling, opslag en vervoer op de
werkplek van gevaarlijke stoffen en van afvalstoffen die
gevaarlijke stoffen bevatten;
j. arbeid slechts te laten verrichten door personen die in een
zodanige lichamelijke en geestelijke toestand verkeren en op het
gebied van die arbeid over een zodanige basiskennis beschikken,
dat zij voldoende in staat zijn de daaraan verbonden gevaren te
onderkennen en te voorkomen;
k. te zorgen dat op plaatsen waar gevaarlijke stoffen aanwezig
zijn, niet wordt gerookt, gegeten, gedronken, geslapen of voedsel
wordt bewaard.
2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn in
overeenstemming met de stand van de wetenschap en techniek.
Artikel 4.1d. Beperking van blootstelling; werkpleketikettering
1. In alle gevallen waarin arbeid wordt verricht waarbij werknemers
worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, wordt in
het kader van artikel 3 van de wet de blootstelling van werknemers aan
gevaarlijke stoffen voorkomen of geminimaliseerd door op de verpakking
van de gevaarlijke stof opvallend en goed leesbaar te vermelden:
a. de officiėle naam van de gevaarlijke stof en de relevante
gevaarlijke bestanddelen; en
b. de gevaarsymbolen, gevaarbenamingen en de
waarschuwingszinnen.
2. In afwijking van het eerste lid hoeven op
laboratoriumhulpmiddelen die voor steeds wisselende chemicaliėn
worden gebruikt, niet steeds alle verplichte aanduidingen te zijn
aangebracht. Worden deze hulpmiddelen alleen gebruikt voor kortdurende
handelingen dan zijn geen aanduidingen verplicht. Worden deze
hulpmiddelen gebruikt voor andere dan kortdurende handelingen dan zijn
op deze hulpmiddelen opvallend en goed leesbaar vermeld:
a. voor een enkelvoudige stof: de officiėle naam van de
gevaarlijke stof; en
b. voor een meervoudige stof: de officiėle naam of namen van
de relevante gevaarlijke bestanddelen.
3. In het geval van opslag van gevaarlijke stoffen in grotere
hoeveelheden in speciale opslagruimten wordt aan het eerste lid
voldaan als de verplichte aanduidingen voor meerdere identieke
verpakkingen door middel van één etiketafdruk opvallend en goed
leesbaar zijn aangebracht. De aanduidingen zijn zodanig aangebracht
dat voor elke afzonderlijk opgeslagen verpakking te allen tijde ter
plekke duidelijk is dat de aanduidingen van toepassing zijn. Als
gevaarlijke stoffen uitsluitend voor de handel zijn opgeslagen, kan
worden volstaan met het aanbrengen van de bij aflevering in Nederland
wettelijk verplichte aanduidingen.
4. In geval van vervoer en laden en lossen van gevaarlijke stoffen
wordt aan het eerste lid voldaan als de vervoerders en de laders en
lossers tijdens hun werkzaamheden ter plekke beschikken over de
gegevens die op grond van het bij of krachtens de Wet milieubeheer
bepaalde op het etiket zouden moeten worden vermeld.
5. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover de
Wet vervoer gevaarlijke stoffen of de Wet gewasbeschermingsmiddelen en
biociden van toepassing zijn.
6. Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld ter
uitvoering van het eerste, tweede of derde lid.
Artikel 4.2. Nadere voorschriften risico-inventarisatie en
-evaluatie, beoordelen
1.Indien werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan
gevaarlijke stoffen, ongeacht of met deze stoffen daadwerkelijk arbeid
wordt of zal worden verricht, worden, in het kader van de
risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet,
de aard, de mate en de duur van die blootstelling beoordeeld teneinde
de gevaren voor de werknemers te bepalen.
2.Met betrekking tot de aard van de blootstelling wordt in ieder
geval vastgesteld aan welke gevaarlijke stoffen werknemers worden of
kunnen worden blootgesteld, wat de gevaren zijn die aan die stoffen
zijn verbonden, in welke situaties blootstelling zich kan voordoen en
op welke wijze blootstelling kan plaatsvinden.
3.Met betrekking tot de mate van blootstelling aan gevaarlijke
stoffen wordt in ieder geval vastgesteld wat het blootstellingniveau
is.
4.Voor het doeltreffend vaststellen van het blootstellingniveau
wordt gebruik gemaakt van geschikte, genormaliseerde meetmethodes, dan
wel andere voor het doel geschikte meetmethodes of kwantitatieve
evaluatiemethodes.
5.Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder
geval de volgende aspecten betrokken:
a. de informatie over de veiligheid en gezondheid die door de
leverancier van een gevaarlijke stof bij of krachtens wettelijk
voorschrift moet worden verstrekt, alsmede de voor de
risico-evaluatie noodzakelijke aanvullende informatie van de
leverancier of uit andere gemakkelijk toegankelijke bronnen;
b. de omstandigheden tijdens werkzaamheden waarbij gevaarlijke
stoffen zijn betrokken, waaronder begrepen de hoeveelheid
gevaarlijke stoffen waaraan werknemers worden of kunnen worden
blootgesteld;
c. de redelijkerwijs voorzienbare gebeurtenissen die kunnen
leiden tot een aanzienlijke toename van de mate van blootstelling
ook indien er preventieve maatregelen zijn getroffen;
d. de effectiviteit van de genomen of te nemen
preventiemaatregelen;
e. voor zover van toepassing, de resultaten van de
arbeidsgezondheidskundige onderzoeken, bedoeld in de artikelen
4.10a en 4.10b.
6.Indien sprake is van verschillende gevaarlijke stoffen, wordt de
beoordeling, bedoeld in het eerste lid, gebaseerd op het risico dat
die gevaarlijke stoffen in combinatie opleveren.
7.De in het eerste lid bedoelde mate van blootstelling wordt
overeenkomstig het vierde lid getoetst aan de voor de betrokken stof
vastgestelde grenswaarde.
8.De beoordeling, bedoeld in het eerste lid, wordt regelmatig
herzien, in ieder geval indien wordt aangevangen met nieuwe
werkzaamheden waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en voorts
wanneer gewijzigde omstandigheden of de resultaten van de
arbeidsgezondheidskundige onderzoeken, bedoeld in de artikelen 4.10a
en 4.10b, hiertoe aanleiding geven.
9.Bij ministeriėle regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot dit artikel.
Artikel 4.2a. Nadere voorschriften risico-inventarisatie en
-evaluatie, aanvullende registratie
Indien op de arbeidsplaats in verband met de aard van de
werkzaamheden die daar worden uitgevoerd, gevaarlijke stoffen plegen
voor te komen die bij of krachtens de Wet milieubeheer worden ingedeeld
in de categorie «voor de voortplanting vergiftig», bedoeld in artikel
9.2.3.1, tweede lid, onder n, van die wet, alsmede stoffen als bedoeld
in richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Economische
Gemeenschap van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke
en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en
het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196) die met de
waarschuwingszin R64 worden gekenmerkt overeenkomstig de criteria in
paragraaf 3.2.8 van bijlage VI bij deze richtlijn, worden met betrekking
tot die stoffen in de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in
artikel 5 van de wet, in aanvulling op artikel 4.2, de volgende gegevens
vermeld:
a. de hoeveelheid van de stof die per jaar pleegt te worden
vervaardigd of gebruikt dan wel aanwezig pleegt te zijn in verband
met opslag;
b. het aantal werknemers dat arbeid pleegt te verrichten op de
arbeidsplaats waar de stof pleegt voor te komen;
c. de vorm van de arbeid die met de stof pleegt te worden
verricht.
§ 3. Grenswaarden, arbeidshygiėnische strategie en ventilatie
Artikel 4.3. Grenswaarden
1.Bij ministeriėle regeling worden met betrekking tot in die
regeling aangewezen gevaarlijke stoffen grenswaarden vastgesteld.
2.Indien er geen wettelijke grenswaarde voor een bepaalde
gevaarlijke stof is vastgesteld, stelt de werkgever een grenswaarde
voor die stof vast. Deze grenswaarde is op een zodanig niveau
vastgesteld dat er geen schade kan ontstaan aan de gezondheid van de
werknemer.
3.Bij overschrijding van een grenswaarde worden, met inachtneming
van artikel 4.4, onverwijld doeltreffende maatregelen genomen om de
concentratie terug te brengen tot beneden die waarde.
4.Zolang de maatregelen, bedoeld in het derde lid, nog niet
volledig ten uitvoer zijn gelegd of niet tot een doeltreffende
bescherming leiden, wordt de arbeid alleen voortgezet, indien
doeltreffende maatregelen zijn genomen om schade aan de gezondheid van
de werknemers te voorkomen.
Artikel 4.4. Arbeidshygiėnische strategie
1.Voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in
artikel 4.2, blijkt dat er gevaar voor de veiligheid of de gezondheid
van de werknemers bestaat, zijn doeltreffende maatregelen genomen om
te voorkomen dat de werknemers bij hun arbeid kunnen worden
blootgesteld aan gevaarlijke stoffen in zodanige mate, dat hun
veiligheid in gevaar kan worden gebracht of dat schade kan worden
toegebracht aan hun gezondheid.
2.Voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, worden bij de
toepassing van het eerste lid gevaarlijke stoffen vervangen door
stoffen waarbij de werknemers, gelet op de eigenschappen van die
stoffen, de aard van de arbeid, de werkmethoden en de
werkomstandigheden, niet of minder aan gevaar voor hun veiligheid of
gezondheid worden blootgesteld.
3.Indien vervanging redelijkerwijs niet mogelijk is of indien er
nog een gevaar voor de veiligheid of gezondheid van de werknemers
resteert, worden voor de toepassing van het eerste lid, zodanige
technische maatregelen, werkprocessen, uitrustingen en materialen
toegepast, dat het vrijkomen van gevaarlijke stoffen is voorkomen of
zodanig beperkt, dat gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van de
werknemers is voorkomen of zoveel mogelijk verminderd.
4.Voor zover de maatregelen, genoemd in het tweede en derde lid,
redelijkerwijs niet mogelijk zijn of het gevaar voor de veiligheid of
de gezondheid niet volledig wegnemen, worden voor de toepassing van
het eerste lid collectieve beschermingsmaatregelen bij de bron of
organisatorische maatregelen getroffen, zodanig dat gevaar voor de
veiligheid of de gezondheid wordt voorkomen.
5.Voor zover de maatregelen zoals genoemd in het tweede, derde en
vierde lid, redelijkerwijs niet mogelijk zijn of het gevaar voor de
veiligheid of de gezondheid niet volledig wegnemen, worden voor de
toepassing van het eerste lid, daarvoor geschikte persoonlijke
beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld.
6.De duur van het dragen van de persoonlijke beschermingsmiddelen,
bedoeld in het vijfde lid, wordt voor ieder van de werknemers tot het
strikt noodzakelijke beperkt.
Artikel 4.5. Ventilatie
1.Indien verontreinigde lucht wordt afgevoerd, is gelijktijdig
voldoende toevoer van niet-verontreinigde lucht gewaarborgd.
2.Het is verboden lucht die een gevaarlijke stof bevat, opnieuw in
circulatie te brengen naar een arbeidsplaats waar de betreffende stof
niet aanwezig is.
3.Het is verboden de lucht, die een stof bevat als bedoeld in het
vierde lid opnieuw op dezelfde arbeidsplaats in circulatie te brengen,
tenzij de werkgever aantoont dat de concentratie van een stof als
bedoeld in het vierde lid in de lucht die wordt toegevoerd aan die
arbeidsplaats, ten hoogste één tiende deel van de voor die stof
vastgestelde grenswaarde bedraagt.
4.Dit artikel is van toepassing op de volgende stoffen:
a. kankerverwekkende en mutagene stoffen als bedoeld in artikel
4.11, onderdelen b en d;
b. een stof die vrijkomt bij een kankerverwekkend proces als
bedoeld in artikel 4.11, onderdeel c;
c. stoffen die voldoen aan de criteria, vastgesteld op grond
van artikel 9.2.3.1, derde lid, van de Wet milieubeheer voor
toekenning van de R-zin «kan overgevoeligheid veroorzaken bij
inademing (R42)».
§ 4. Maatregelen bij specifieke omstandigheden
Artikel 4.6. Voorkomen van ongewilde gebeurtenissen
1.In alle gevallen waarin werknemers worden of kunnen worden
blootgesteld aan gevaarlijke stoffen zijn zodanige maatregelen
getroffen dat het gevaar, dat zich met betrekking tot die stoffen of
met betrekking tot de arbeid met die stoffen een ongewilde gebeurtenis
voordoet, zoveel mogelijk is vermeden. Met name worden maatregelen
getroffen om:
a. de aanwezigheid van gevaarlijke concentraties van
ontvlambare stoffen of gevaarlijke hoeveelheden chemisch
onstabiele stoffen op de werkplek te voorkomen of, wanneer dat
gezien de aard van de werkzaamheden niet mogelijk is;
b. ervoor te zorgen dat er geen ontbrandingsbronnen aanwezig
zijn die brand en explosies kunnen veroorzaken, of om ongunstige
omstandigheden te vermijden die ertoe kunnen leiden dat chemisch
onstabiele stoffen of mengsels van stoffen ongelukken met ernstige
fysieke gevolgen veroorzaken, en
c. de schadelijke gevolgen voor de gezondheid en de veiligheid
van de werknemers als gevolg van brand en explosies ten gevolge
van het ontbranden van ontvlambare stoffen, of ernstige fysieke
gevolgen ten gevolge van ongelukken veroorzaakt door chemisch
onstabiele stoffen of mengsels van stoffen te verminderen.
2.De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn afgestemd op de
aard van de activiteiten, waaronder begrepen opslag, behandeling en
scheiding van onverenigbare gevaarlijke stoffen, en deze maatregelen
beschermen de werknemers tegen de gevaren van fysisch-chemische
eigenschappen van gevaarlijke stoffen.
3.De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn, voor zover van
toepassing, in overeenstemming met het Warenwetbesluit explosieveilig
materieel.
Artikel 4.7. Maatregelen bij ongewilde gebeurtenissen
1.Voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in
artikel 4.2, blijkt dat er gevaar voor de veiligheid of de gezondheid
van de werknemers bestaat, zijn in aanvulling op artikel 15 van de wet
doeltreffende procedures opgesteld die in werking treden indien zich
een ongewilde gebeurtenis voordoet.
2.Op grond van de procedures, bedoeld in het eerste lid, zijn
zodanige technische of organisatorische maatregelen genomen, dat
wanneer zich een ongewilde gebeurtenis voordoet de gevolgen hiervan
zoveel mogelijk worden beperkt.
3.Ter naleving van het tweede lid worden in ieder geval de volgende
maatregelen genomen:
a. er worden onmiddellijk doeltreffende maatregelen genomen om
de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis zoveel mogelijk te
beperken en er wordt zo spoedig mogelijk zorg gedragen voor het
herstel van de veilige toestand;
b. de werknemers worden onverwijld ingelicht over de ongewilde
gebeurtenis en er wordt zorg voor gedragen dat zij zich
verwijderen uit de getroffen zone;
c. uitsluitend de werknemers of andere personen, belast met het
uitvoeren van de noodzakelijke herstelwerkzaamheden, betreden, met
gebruik van doeltreffende middelen en persoonlijke
beschermingsmiddelen, de getroffen zone;
d. de werknemers en andere personen, bedoeld in onderdeel c,
zijn niet langer dan strikt noodzakelijk voor het herstel van de
veilige toestand in de getroffen zone aanwezig;
e. er zijn in aanvulling op artikel 15 van de wet doeltreffende
waarschuwings- en andere communicatiesystemen beschikbaar ten
behoeve van de signalering van een toegenomen risico voor de
veiligheid en gezondheid en die voldoen aan het bepaalde bij of
krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8;
f. er wordt voorkomen dat anderen dan de werknemers en andere
personen, bedoeld in onderdeel c, de getroffen zone betreden.
4.De werkgever zorgt ervoor dat de bedrijfshulpverleners, bedoeld
in artikel 15 van de wet, en de externe hulpverleningsorganisaties
desgewenst kennis kunnen nemen van de maatregelen, bedoeld in het
derde lid.
5.De informatie over de maatregelen, bedoeld in het vierde lid,
omvat in ieder geval:
a. een beschrijving van de gevaren op grond van de beoordeling,
bedoeld in artikel 4.2;
b. een beschrijving van de redelijkerwijs voorzienbare
specifieke gevaren op grond van de beoordeling, bedoeld inartikel
4.2, die kunnen ontstaan bij een ongewilde gebeurtenis;
c. een beschrijving van de maatregelen die zijn getroffen ter
naleving van artikel 4.6, eerste en tweede lid;
d. een omschrijving van de procedures, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 4.8. Ontplofbare stoffen
1.Arbeid waarbij voor demolitie, zijnde het springen van objecten
of materialen, of voor onderhoud, gebruik wordt gemaakt van stoffen
die op grond van de Wet milieubeheer voldoen aan de criteria voor
indeling in de categorie«ontplofbaar», bedoeld in artikel 9.2.3.1,
tweede lid, onder a, van die wet, wordt verricht volgens een vooraf
opgesteld springplan of, bij de verkenning naar, opsporing of winning
van delfstoffen, een vooraf opgesteld programma. De inhoud van het
springplan of programma bevat een deugdelijke beschrijving van de uit
te voeren werkzaamheden, de daaraan verbonden gevaren en de wijze
waarop deze gevaren zoveel mogelijk voorkomen of beperkt zullen
worden.
2.Demolitie- en onderhoudswerkzaamheden als bedoeld in het eerste
lid worden verricht door of onder voortdurend toezicht van een persoon
die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid
springmeester met betrekking tot de soort arbeid die wordt verricht
dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling.
3.Werkzaamheden bestaande uit het springen van materialen ten
behoeve van de verkenning, opsporing of winning van delfstoffen als
bedoeld in het eerste lid worden verricht door personen die in het
bezit zijn van een getuigschrift van schietmeester dat is afgegeven
door Onze Minister of een door Onze Minister daartoe aangewezen
instelling.
4.Het springplan of programma, bedoeld in het eerste lid, het
certificaat van vakbekwaamheid springmeester, bedoeld in het tweede
lid, dan wel het getuigschrift van schietmeester, bedoeld in het derde
lid, of een afschrift daarvan zijn op de arbeidsplaats beschikbaar en
worden desgevraagd getoond aan de toezichthouder.
Artikel 4.9. Professioneel vuurwerk
1. Arbeid waarbij consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik als bedoeld in artikel
1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit tot ontbranding worden
gebracht, ten behoeve daarvan ter plaatse worden opgebouwd,
geļnstalleerd, gemonteerd, geassembleerd, dan wel na ontbranding
verwijderd, wordt verricht volgens een aanvulling op de
risico-inventarisatie en -evaluatie, die een deugdelijke beschrijving
bevat van de uit te voeren werkzaamheden, de daaraan verbonden gevaren
en de wijze waarop deze gevaren zoveel mogelijk voorkomen of beperkt
zullen worden.
2. De arbeid, bedoeld in het eerste lid, alsmede arbeid bestaande
uit het bewerken van consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in een inrichting als
bedoeld in artikel 3.2.1 of 3A.2.1 van het Vuurwerkbesluit, wordt
verricht door of onder voortdurend toezicht van een persoon, die in
het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid
consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk of pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik dat is afgegeven door Onze Minister of
een certificerende instelling.
3. De in het eerste lid bedoelde aanvulling op de
risico-inventarisatie en -evaluatie en het in het tweede lid bedoelde
certificaat van vakbekwaamheid, of een afschrift daarvan, zijn op de
arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd getoond aan de
toezichthouder.
Artikel 4.10. Conventionele explosieven
1.In dit artikel wordt verstaan onder:
a. conventionele explosieven: elk explosief dat geen
geļmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch explosief is;
b. opsporen: het detecteren, lokaliseren, laagsgewijs
ontgraven, identificeren, tijdelijk veiligstellen van de situatie
en overdragen;
c. detecteren: het vaststellen van de aanwezigheid van een
object dat mogelijk een conventioneel explosief is op basis van de
beoordeling van meetgegevens;
d. lokaliseren: het driedimensionaal vaststellen van de
ligplaats van het gedetecteerde object;
e. identificeren: het vaststellen of het gelokaliseerde object
een conventioneel explosief is en het bepalen van de soort,
subsoort, wapeningstoestand, kaliber en nationaliteit van het
object;
f. tijdelijk veiligstellen van de situatie: de activiteiten die
volgen op het identificeren en die nodig zijn voor het beheersen
van de uitwerkingsrisicos van het conventionele explosief in de
relatie tot de omgeving tot het tijdstip van overdragen;
g. overdragen: het overdragen van de conventionele explosieven
aan een van de explosieven opruimingsdiensten van het ministerie
van Defensie.
2.Arbeid bestaande uit het opsporen van conventionele explosieven
wordt verricht door een bedrijf dat voor de te verrichten arbeid in
het bezit is van een procescertificaat opsporen conventionele
explosieven dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende
instelling.
3.Het certificaat, bedoeld in het tweede lid, of een afschrift
daarvan is op de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond
aan de toezichthouder.
§ 5. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
Artikel 4.10a. Onderzoek
1.Iedere werknemer die voor de eerste keer kan worden blootgesteld
aan gevaarlijke stoffen, wordt, in aanvulling op artikel 18 van de
wet, in de gelegenheid gesteld om vóór de aanvang van de
werkzaamheden waarbij blootstelling kan ontstaan een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.
2.Indien bij een werknemer een schadelijke invloed op de gezondheid
dan wel een aantoonbare ziekte wordt geconstateerd die het gevolg zou
kunnen zijn van blootstelling aan gevaarlijke stoffen, worden
werknemers, die op soortgelijke wijze zijn blootgesteld, tussentijds
in de gelegenheid gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te
ondergaan.
3.Op verzoek van de werkgever of de betrokken werknemer wordt het
arbeidsgezondheidskundig onderzoek opnieuw aangeboden, dan wel opnieuw
uitgevoerd. De resultaten van het hernieuwde onderzoek treden in de
plaats van het daaraan voorafgaande.
4.De werknemer wordt geļnformeerd over de wijze waarop hij na
beėindiging van de blootstelling in de gelegenheid wordt gesteld een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.
5.Alle gegevens die nodig zijn om de blootstelling van de
werknemers aan gevaarlijke stoffen te kunnen beoordelen en te kunnen
adviseren over de periodiciteit en inhoud van de
arbeidsgezondheidskundige onderzoeken, en de te nemen preventieve
maatregelen kunnen worden ingezien door de deskundige persoon, bedoeld
in artikel 2.14a, tweede lid, of de arbodienst.
Artikel 4.10b. Onderzoek en biologische grenswaarden
1.Iedere werknemer die wordt of kan worden blootgesteld aan
gevaarlijke stoffen waarvoor een biologische grenswaarde als bedoeld
in artikel 4.1, tweede lid, onderdeel b, is vastgesteld, wordt in de
gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te
ondergaan:
a. vóór de aanvang van de blootstelling;
b. bij het overschrijden van de biologische grenswaarde.
2.Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, omvat onder meer een
onderzoek naar het gehalte van de betreffende stof in het bij de
biologische grenswaarde vastgestelde biologische medium.
3.Bij ministeriėle regeling kan worden bepaald dat het onderzoek,
bedoeld in het tweede lid, in de in deze regeling bepaalde gevallen
wordt vervangen door een meting van andere biologische indicatoren.
4.Bij ministeriėle regeling worden de methoden vastgesteld,
volgens welke het gehalte van de desbetreffende stof, bedoeld in het
tweede lid, wordt gemeten.
5.Bij ministeriėle regeling wordt de frequentie van het onderzoek
vastgesteld.
Artikel 4.10c. Dossiers en registratie
1.De deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of
de arbodienst houdt van iedere werknemer die een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in de artikelen 4.10a
en 4.10b heeft ondergaan, een persoonlijk medisch dossier bij.
2.Iedere werknemer heeft recht op inzage in het hem betreffende
medisch dossier.
3.De resultaten van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek kunnen,
voorzien van een toelichting, in statistische, niet tot individuen
herleidbare vorm worden ingezien door de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, door de
belanghebbende werknemers.
4.De resultaten van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek worden
in passende vorm geregistreerd en voor iedere werknemer tot ten minste
40 jaar na beėindiging van diens blootstelling aan gevaarlijke
stoffen bewaard, evenals de lijst van werknemers, bedoeld in artikel
4.15, en het register van blootgestelde werknemers, bedoeld in artikel
4.53, eerste lid.
5.In geval de werkzaamheden in het bedrijf of de inrichting van de
werkgever gedurende de termijn van 40 jaar, bedoeld in het vierde lid,
worden gestaakt, worden de documenten, bedoeld in het vierde lid,
overgedragen aan de toezichthouder.
§ 6. Bijzondere bepalingen inzake voorlichting en onderricht
Artikel 4.10d. Voorlichting en onderricht
1.In alle gevallen waarbij arbeid wordt verricht waarbij werknemers
worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, wordt in
overeenstemming met artikel 8 van de wet, voorlichting en onderricht
gegeven, waarbij ten minste aandacht wordt besteed aan:
a. de mogelijke gevaren voor de veiligheid en de gezondheid die
zijn verbonden aan het werken met gevaarlijke stoffen op grond van
de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2;
b. de aard van de blootstelling, bedoeld in artikel 4.2, eerste
lid;
c. de grenswaarden;
d. de te treffen voorzorgsmaatregelen om blootstelling te
voorkomen of te beperken tot een zo laag mogelijk niveau;
e. de te treffen voorzorgsmaatregelen om zoveel mogelijk te
voorkomen dat zich met betrekking tot gevaarlijke stoffen een
ongewilde gebeurtenis voordoet;
f. de hygiėnische maatregelen;
g. het dragen en gebruiken van persoonlijke
beschermingsmiddelen;
h. de te nemen maatregelen in geval zich een ongewilde
gebeurtenis voordoet met gevaarlijke stoffen.
2.De werkgever brengt de werknemers op de hoogte van de informatie
over de veiligheid en gezondheid die door de leverancier van een
gevaarlijke stof wordt verstrekt, waaronder begrepen de verplichte
informatie die bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt verstrekt.
3.De wijze van voorlichting en onderricht is afgestemd op de
resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2.
4.De voorlichting en het onderricht worden geactualiseerd indien
gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
Afdeling 2. Aanvullende voorschriften kankerverwekkende of mutagene
stoffen en kankerverwekkende processen
§ 1. Definities en toepasselijkheid
Artikel 4.11. Definities
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. richtlijn: Richtlijn nr. 2004/37/EG van het Europees Parlement
en de Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van de
werknemers tegen de risicos van blootstelling aan carcinogene of
mutagene agentia op het werk (zesde bijzondere richtlijn in de zin
van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG van de
Raad)(gecodificeerde versie) (Pb EU L 158);
b. kankerverwekkende stof:
1°. een enkelvoudige stof die moet worden geclassificeerd
als een categorie 1 of 2 carcinogeen volgens de criteria van
bijlage VI bij Richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de
onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken
van gevaarlijke stoffen (PbEG 196), alsmede een stof als bedoeld
in bijlage I bij de richtlijn;
2°. een meervoudige stof die bestaat uit een of meer stoffen
als bedoeld onder 1°, waarbij de concentratiegrens is
vastgesteld in bijlage I bij Richtlijn nr. 67/548/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende
de onderlinge aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking
en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG 196) en, voor
zover het een stof betreft die in laatstbedoelde bijlage niet is
opgenomen of zonder concentratiegrens is opgenomen, een stof
waarbij de concentratiegrens is vastgesteld in bijlage II, deel
B, bij richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de
onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en
het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 200) alsmede
een meervoudige stof als bedoeld in bijlage I bij de richtlijn;
c. kankerverwekkend proces:
1°. een proces als bedoeld in bijlage I bij de richtlijn
alsmede een stof die vrijkomt bij een proces als bedoeld in
bijlage I bij de richtlijn;
2°. een bij ministeriėle regeling aan te wijzen proces
waarbij meervoudige stoffen vrijkomen die worden ingedeeld in
één van de in onderdeel b, onder 1°, genoemde categorieėn
waarvoor voor de afzonderlijke stoffen geen concentratiegrenzen
gelden.
d. mutagene stof:
een enkelvoudige stof die moet worden geclassificeerd als een
categorie 1 of 2 mutageen volgens de criteria van bijlage VI bij
richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Economische
Gemeenschap van 27 juni 1967 betreffende de onderlinge
aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van
gevaarlijke stoffen (PbEG L 196);
een meervoudige stof die bestaat uit een of meer stoffen als
bedoeld onder 1°, waarbij de concentratiegrens is vastgesteld
in bijlage I bij richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de
Europese Economische Gemeenschap van 27 juni 1967 betreffende de
onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken
van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196) en, voor zover het een stof
betreft die in laatstbedoelde bijlage niet is opgenomen of
zonder concentratiegrens is opgenomen, een stof waarbij de
concentratiegrens is vastgesteld in bijlage II, deel B, bij
richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge
aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het
kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 200);
e. gevarenzone: plaats binnen een bedrijf of inrichting waar
werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan mutagene of
kankerverwekkende stoffen, of stoffen die vrijkomen bij
kankerverwekkende processen.
Artikel 4.12. Schakelbepaling
In alle gevallen waarin arbeid wordt verricht waarbij werknemers
worden of kunnen worden blootgesteld aan kankerverwekkende of mutagene
stoffen of aan stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen, is
naast afdeling 1 van dit hoofdstuk, met inachtneming vanartikel 4.1a,
eerste lid, tevens deze afdeling van toepassing.
§ 2. Schriftelijke beoordeling en vastlegging van gegevens
Artikel 4.13. Nadere voorschriften risico-inventarisatie en
-evaluatie
In alle gevallen waarin arbeid wordt verricht waarbij werknemers
worden of kunnen worden blootgesteld aan kankerverwekkende of mutagene
stoffen of aan stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen,
worden, met betrekking tot deze stoffen of processen in de
risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet en
in aanvulling op artikel 4.2, in ieder geval de volgende gegevens
opgenomen:
a. de reden waarom het gebruik van een kankerverwekkende stof of
het toepassen van een kankerverwekkend proces voor het verrichten
van de arbeid strikt noodzakelijk is en vervanging technisch niet
uitvoerbaar is;
b. de hoeveelheid van de kankerverwekkende of mutagene stof die
per jaar pleegt te worden vervaardigd of gebruikt dan wel aanwezig
pleegt te zijn in verband met de opslag respectievelijk de
frequentie waarmee een proces per jaar pleegt te worden toegepast;
c. de soort arbeid die met de kankerverwekkende of mutagene stof
pleegt te worden verricht of waarbij het kankerverwekkende proces
pleegt te worden toegepast;
d. het aantal werknemers dat aan een kankerverwekkende of
mutagene stof of een kankerverwekkend proces pleegt te worden
blootgesteld of kan worden blootgesteld;
e. de preventieve maatregelen die zijn genomen om de
blootstelling van werknemers aan kankerverwekkende of mutagene
stoffen of aan stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen
te voorkomen of te minimaliseren;
f. de persoonlijke beschermingsmiddelen die worden gebruikt bij
arbeid waarbij werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan
kankerverwekkende of mutagene stoffen of aan stoffen die vrijkomen
bij kankerverwekkende processen;
g. de gevallen waarin kankerverwekkende of mutagene stoffen of
kankerverwekkende processen worden vervangen door stoffen of
processen waarbij de werknemers niet of minder aan gevaar voor hun
veiligheid of gezondheid worden blootgesteld.
Artikel 4.14 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.15. Lijst van werknemers
1.Er wordt een lijst bijgehouden van werknemers die worden of
kunnen worden blootgesteld aan kankerverwekkende of mutagene stoffen
of stoffen die vrijkomen bij een kankerverwekkend proces, onder
vermelding van de blootstelling die zij hebben ondergaan.
2.Iedere werknemer heeft recht op inzage in de gegevens die in de
lijst, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot hem zijn
opgenomen.
§ 3. Grenswaarden en voorkomen of beperken van blootstelling
Artikel 4.16. Grenswaarden
1.Bij ministeriėle regeling worden met betrekking tot in die
regeling aangewezen kankerverwekkende of mutagene stoffen of stoffen
die vrijkomen bij een kankerverwekkend proces grenswaarden
vastgesteld.
2.Indien er geen wettelijke grenswaarde voor een bepaalde
kankerverwekkende of mutagene stof of stof die vrijkomt bij een
kankerverwekkend proces is vastgesteld, stelt de werkgever een zo laag
mogelijke grenswaarde voor die stof vast.
3.Bij overschrijding van een grenswaarde worden, met inachtneming
van de artikelen 4.17 en 4.18, onverwijld doeltreffende maatregelen
genomen om de concentratie terug te brengen tot beneden die waarde.
4.Zolang de maatregelen, bedoeld in het derde lid, nog niet
volledig ten uitvoer zijn gelegd of niet tot een doeltreffende
bescherming leiden, wordt de arbeid alleen voortgezet, indien
doeltreffende maatregelen zijn genomen om schade aan de gezondheid van
de werknemers te voorkomen, dan wel om het blootstellingniveau tot een
zo laag mogelijk niveau onder de grenswaarde te brengen.
Artikel 4.17. Voorkomen van blootstelling; vervangen
Zodanige technische en organisatorische maatregelen zijn genomen dat
de kans op blootstelling van werknemers aan kankerverwekkende of
mutagene stoffen of stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende
processen zoveel mogelijk bij de bron daarvan wordt voorkomen, met name
door kankerverwekkende of mutagene stoffen en kankerverwekkende
processen, voor zover dit technisch uitvoerbaar is, te vervangen door
stoffen of processen waarbij de werknemers, gelet op de eigenschappen
van die stoffen of processen, de aard van de arbeid, de werkmethoden en
de werkomstandigheden, niet of minder aan gevaar voor hun veiligheid of
gezondheid worden blootgesteld.
Artikel 4.18. Voorkomen of beperken van blootstelling
1.Voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in het
artikel 4.2, eerste lid, blijkt dat er gevaar voor de gezondheid van
de werknemers bestaat en dat het op doeltreffende wijze voorkomen van
blootstelling door het nemen van maatregelen als bedoeld in artikel
4.17 technisch niet uitvoerbaar is, wordt de blootstelling, voor zover
dit technisch uitvoerbaar is, bij de bron voorkomen of teruggebracht
tot een zo laag mogelijk niveau onder de grenswaarde, met name door de
productie en het gebruik van kankerverwekkende of mutagene stoffen of
kankerverwekkende processen plaats te doen vinden in een gesloten
systeem.
2.Indien het voorkomen van blootstelling of het terugbrengen van
blootstelling tot een zo laag mogelijk niveau onder de grenswaarde
technisch niet uitvoerbaar is, worden collectieve maatregelen genomen
om kankerverwekkende of mutagene stoffen of stoffen die vrijkomen bij
kankerverwekkende processen op doeltreffende wijze bij de bron te
verwijderen, onder meer door plaatselijke afvoer van de lucht, zo
nodig aangevuld door algemene ventilatie, waarbij, met inachtneming
van artikel 4.5, gelijktijdig voldoende toevoer van
niet-verontreinigde lucht is gewaarborgd zonder dat hierbij gevaar
ontstaat voor de volksgezondheid en het milieu.
3.Indien het technisch niet uitvoerbaar is om de blootstelling van
werknemers te voorkomen of te beperken tot een zo laag mogelijk niveau
onder de grenswaarde door middel van de maatregelen, bedoeld in het
tweede lid, worden aan de werknemers die worden of kunnen worden
blootgesteld, persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking
gesteld.
4.Indien de werkzaamheden worden verricht met gebruik van
persoonlijke beschermingsmiddelen overeenkomstig het derde lid, wordt
de duur van het dragen daarvan voor ieder van deze werknemers tot het
strikt noodzakelijke beperkt.
Artikel 4.19. Beperken van blootstelling
In alle gevallen waarin arbeid wordt verricht waarbij werknemers
worden of kunnen worden blootgesteld aan kankerverwekkende of mutagene
stoffen of stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen, worden
in aanvulling op de artikelen 4.1c, 4.1d en4.18 de volgende maatregelen
genomen om blootstelling van werknemers te voorkomen of te beperken tot
een zo laag mogelijk niveau onder de grenswaarde:
a. de werknemers zijn voldoende vertrouwd met de aard van hun
werkzaamheden en hebben voldoende kennis van de gevaren die aan de
blootstelling zijn verbonden en van de voorzieningen die getroffen
zijn of door hen moeten worden getroffen om die gevaren te voorkomen
of te beperken, volgens voorlichting of instructie die tenminste
één keer per jaar plaatsvindt;
b. voorkomen wordt dat gevarenzones worden betreden door anderen
dan de werknemers of andere personen die de zones in verband met hun
arbeid moeten betreden;
c. gevarenzones worden gemarkeerd door middel van waarschuwings-
en veiligheidssignalen die voldoen aan het bij of krachtens afdeling
2 van hoofdstuk 8 bepaalde;
d. gebruik wordt gemaakt van doeltreffende middelen voor veilig
opslaan, hanteren en vervoeren van kankerverwekkende of mutagene
stoffen, waarbij zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van
hermetisch gesloten en duidelijk zichtbaar gekenmerkte houders, en
e. gebruik wordt gemaakt van doeltreffende middelen voor het
veilig verzamelen, opslaan en verwijderen van afvalstoffen, waarbij
zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van hermetisch gesloten en
duidelijk zichtbaar gekenmerkte houders.
Artikel 4.20. Hygiėnische beschermingsmaatregelen
1.Zones zijn ingericht waar de werknemers zonder gevaar voor
blootstelling kunnen eten en drinken.
2.Aan werknemers die worden of kunnen worden blootgesteld aan
mutagene of kankerverwekkende stoffen of stoffen die vrijkomen bij
kankerverwekkende processen wordt doeltreffende werkkleding ter
beschikking gesteld die voldoet aan afdeling 1 van hoofdstuk 8 en die
door de werknemers bij de arbeid steeds wordt gedragen.
3.In aanvulling op artikel 3.22 wordt de werkkleding op een andere
plaats opgeborgen dan de overige kleding.
4.In aanvulling op artikel 3.23 zijn voor de werknemers doelmatige
wasgelegenheden en doucheruimten beschikbaar.
5.Persoonlijke beschermingsmiddelen worden volgens instructie op de
daartoe aangewezen plaats bewaard en na ieder gebruik gereinigd en
voor ieder gebruik gecontroleerd.
Artikel 4.21. Abnormaal blootstellingniveau
Indien zich een abnormale toename van het blootstellingniveau,
bedoeld in artikel 4.2, derde lid, voordoet, wordt de ondernemingsraad
of de personeelsvertegenwoordiging of worden, bij het ontbreken daarvan,
de belanghebbende werknemers, onmiddellijk in kennis gesteld van de
oorzaken van de toename en van de maatregelen die zijn of worden genomen
om de oorzaken weg te nemen en blootstelling zoveel mogelijk te
voorkomen of te beperken.
§ 4. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
Artikel 4.22 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.23. Uitvoering en inhoud van onderzoek
1.Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.10a,
vindt plaats met inachtneming van de praktische aanbevelingen,
opgenomen in bijlage II bij de richtlijn.
2.De deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of
de arbodienst heeft recht op inzage in de in artikel 4.15 bedoelde
lijst van blootgestelde werknemers. Hem staan voorts alle gegevens ter
beschikking die hij nodig heeft om de blootstelling van de werknemers
aan kankerverwekkende of mutagene stoffen en stoffen die vrijkomen bij
kankerverwekkende processen te kunnen beoordelen en te kunnen
adviseren over de periodiciteit en inhoud van het
arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in het eerste lid, de te
nemen preventieve maatregelen of persoonlijke beschermende
maatregelen.
Artikel 4.24 [Vervallen per 19-04-2002]
Afdeling 3
Artikel 4.25 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.25a [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.25b [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.26 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.27 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.28 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.29 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.30 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.31 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.32 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.33 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.34 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.35 [Vervallen per 19-04-2002]
Afdeling 4 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 4.36 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 5. Aanvullende voorschriften asbest
§ 1. Definities en toepasselijkheid
Artikel 4.37. Definitie asbest
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. asbest: stoffen die een of meer van de volgende vezelachtige
silicaten bevatten:
1°. actinoliet (Cas-nummer 77536664);
2°. amosiet (Cas-nummer 12172735);
3°. anthofylliet (Cas-nummer 77536675);
4°. chrysotiel (Cas-nummer 12001295);
5°. tremoliet (Cas-nummer 77536686);
6°. crocidoliet (CAS-nummer 12001-28-4);
b. asbesthoudende producten: producten die een of meer van de
onder a genoemde vezelachtige silicaten bevatten;
c. vezel: een deeltje dat langer is dan 5 micrometer, een breedte
heeft van minder dan 3 micrometer en een lengte/breedteverhouding
van meer dan 3/1;
d. object: constructie, installatie, apparaat of transportmiddel,
niet zijnde een bouwwerk.
Artikel 4.37a. Schakelbepaling
Indien arbeid wordt verricht waarbij werknemers worden of kunnen
worden blootgesteld aan asbest of asbesthoudende producten is naast de
afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk, met inachtneming van de artikelen
4.37b en4.37c, tevens deze afdeling van toepassing.
Artikel 4.37b. Afwijkende bepalingen
1.In afwijking van artikel 4.15 wordt artikel 4.53 toegepast.
2.In afwijking van artikel 4.16 worden de artikelen 4.46 en 4.47a
toegepast.
3.In afwijking van artikel 4.19, onderdelen d en e, wordt artikel
4.45, tweede lid, onderdelen c en dtoegepast.
4.In afwijking van artikel 4.20, vijfde lid, wordt artikel 4.51,
derde lid, toegepast.
Artikel 4.37c. Toepasselijkheid
Deze afdeling is van toepassing op werkzaamheden met betrekking tot
asbest of asbesthoudende producten indien de concentratie asbest hoger
is dan honderd milligram per kilogram droge stof als bedoeld in artikel
2, onderdeel b, van het Productenbesluit asbest.
§ 2 [Vervallen per 08-03-2005]
Artikel 4.38 [Vervallen per 08-03-2005]
Artikel 4.39 [Vervallen per 08-03-2005]
Artikel 4.40 [Vervallen per 08-03-2005]
Artikel 4.41 [Vervallen per 08-03-2005]
Artikel 4.42 [Vervallen per 08-03-2005]
§ 3. Voorschriften voor het werken met asbest en asbesthoudende
producten
Artikel 4.43 [Vervallen per 27-06-2000]
Artikel 4.44. Risicoklasse 1
Deze paragraaf is van toepassing, indien uit de beoordeling, bedoeld
in artikel 4.2, eerste lid, blijkt dat de concentratie van asbeststof in
de lucht, waaraan werknemers in verband met de arbeid worden
blootgesteld, lager is dan of gelijk is aan de grenswaarde, bedoeld in
artikel 4.46.
Artikel 4.45. Preventieve maatregelen
1.De concentratie van asbeststof in de lucht wordt zo laag mogelijk
onder de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, gehouden.
2.Ter naleving van het eerste lid worden de volgende maatregelen
genomen:
a. de werkmethoden zijn zo ingericht dat er geen asbeststof
wordt geproduceerd of indien dat technisch niet mogelijk is, dat
geen asbeststof in de lucht vrijkomt;
b. gebouwen, installaties en uitrustingen die dienen voor het
toepassen of het bewerken van asbest of van asbesthoudende
producten worden doeltreffend en regelmatig gereinigd en
onderhouden;
c. asbest, een asbesthoudend product en een product waaruit
asbeststof vrijkomt worden opgeborgen en vervoerd in een daartoe
geschikte en gesloten verpakking;
d. afvalstoffen, ontstaan als gevolg van het toepassen of
bewerken van asbest of van asbesthoudende producten, worden zo
spoedig mogelijk verzameld en afgevoerd in een daartoe geschikte
en gesloten verpakking, voorzien van een etiket met de duidelijke
en goed leesbare vermelding dat de inhoud daarvan asbest bevat.
3.Artikel 4.20, vierde lid, voorzover het de beschikbaarheid van
douches betreft, is niet van toepassing indien de concentratie van
asbeststof in de lucht is ingedeeld in risicoklasse 1.
Artikel 4.45a. Voorlichting
Aan werknemers die arbeid verrichten waarbij gevaar voor
blootstelling aan asbeststof bestaat, wordt doeltreffende voorlichting
gegeven over:
a. mogelijke gevaren voor de gezondheid van blootstelling aan
asbeststof;
b. de noodzaak van het toezicht op het asbestgehalte in de lucht
en de daarvoor geldende grenswaarden;
c. de maatregelen inzake de hygiėne, bedoeld in artikel 4.51;
d. maatregelen om de blootstelling aan asbeststof zo laag
mogelijk te houden;
e. het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen en
kleding.
Artikel 4.45b. Onderricht
1.Voor alle werknemers die werkzaamheden verrichten waarbij zij aan
asbeststof worden of kunnen worden blootgesteld wordt met regelmatige
tussenpozen een passende opleiding verzorgd.
2.Deze opleiding is toegespitst op het kennisniveau en de ervaring
van de werknemers en verschaft hen de nodige kennis en vaardigheden
inzake veiligheid en preventie met name met betrekking tot:
a. eigenschappen van asbest en de invloed van asbest op de
gezondheid, met inbegrip van het synergetische effect van roken;
b. soorten producten en materialen die asbest kunnen bevatten;
c. handelingen die kunnen leiden tot bloostelling aan asbest en
het belang van preventieve controles om blootstelling tot een
minimum te beperken;
d. veilige werkwijzen, controles en beschermingsmiddelen;
e. de keuze en selectie, de beperkingen en het juiste gebruik
van ademhalingsapparatuur;
f. noodprocedures;
g. ontsmettingsprocédés;
h. de wijze waarop de verwijdering van afvalstoffen veilig kan
worden uitgevoerd;
i. de eisen inzake medisch toezicht.
Artikel 4.46. Grenswaarde
De concentratie van asbeststof in de lucht overschrijdt niet de
grenswaarde van 0,01 vezel per kubieke centimeter, berekend over een
referentieperiode van acht uur.
Artikel 4.47. Meten en monsterneming
1.Om de naleving van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, te
kunnen waarborgen, wordt, in het kader van de risicobeoordeling,
bedoeld in artikel 4.2, de concentratie asbeststof in de lucht waaraan
de werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld, gemeten.
2.Het meten geschiedt op gezette tijden, afhankelijk van de
resultaten van de eerste risicobeoordeling, bedoeld in artikel 4.2.
3.De meting wordt uitgevoerd overeenkomstig een bij ministeriėle
regeling vast te stellen methode of een andere methode, indien deze
gelijkwaardige resultaten oplevert.
4.De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij
het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de
gelegenheid gegeven een oordeel over de wijze van monsterneming
kenbaar te maken.
5.De monsterneming is representatief voor de individuele
blootstelling van de werknemers aan asbeststof.
6.De monsterneming wordt zodanig uitgevoerd dat door meting, of
door berekening van deze meting, gewogen in de tijd, de blootstelling
van werknemers aan asbeststof kan worden vastgesteld die
representatief is voor een referentieperiode van 8 uur.
7.Het nemen van monsters wordt uitgevoerd door een persoon die de
daarvoor vereiste deskundigheid bezit.
8.De na het nemen van monsters uit te voeren monsteranalyse wordt
uitgevoerd in een laboratorium dat daarvoor adequaat is toegerust
alsmede ervaring heeft met de vereiste identificatietechnieken.
9.De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij
het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers kunnen de
resultaten van de metingen inzien en kunnen over de betekenis van deze
resultaten uitleg krijgen.
Artikel 4.47a. Maatregelen bij overschrijding van de grenswaarde
1.Bij overschrijding van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46,
worden de oorzaken voor de overschrijding opgespoord en worden zo
spoedig mogelijk doeltreffende maatregelen genomen om de concentratie
terug te brengen tot beneden die waarde.
2.De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij
het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers worden zo spoedig
mogelijk in kennis gesteld van de overschrijding, van de oorzaak
daarvan en de te nemen maatregelen. Daarnaast wordt hen de gelegenheid
gegeven een oordeel kenbaar te maken over de maatregelen, bedoeld in
het eerste lid, tenzij sprake is van spoedeisende redenen om zonder
deze gelegenheid te bieden, deze maatregelen te nemen. In dat geval
worden zij ingelicht over de getroffen maatregelen.
3.Zolang de in het eerste lid bedoelde maatregelen om de
concentratie terug te brengen nog niet volledig ten uitvoer zijn
gelegd, wordt de arbeid op de betreffende arbeidsplaats alleen
voortgezet indien de betrokken werknemers doeltreffend zijn beschermd
tegen blootstelling aan asbeststof.
4.Wanneer in de situatie, bedoeld in het derde lid, de
blootstelling niet met andere middelen kan worden beperkt en de
grenswaarde het dragen van individuele ademhalingsapparatuur vereist,
wordt de duur van het dragen daarvan voor iedere werknemer tot het
strikt noodzakelijke beperkt.
5.Wanneer individuele ademhalingsapparatuur wordt gebruikt, wordt
voorzien in rustpauzes.
6.Het aantal rustpauzes, bedoeld in het vijfde lid, en de duur
daarvan wordt bepaald door de fysieke en klimatologische belasting
waaronder de werknemer de werkzaamheden moet verrichten.
7.Bij het ontbreken van een ondernemingsraad of een
personeelsvertegenwoordiging worden de rustpauzes, bedoeld in het
vijfde lid, zo nodig vastgesteld in samenspraak met de belanghebbende
werknemers.
8.Nadat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn genomen
wordt de concentratie van asbeststof in de lucht gemeten
overeenkomstig artikel 4.47 en wordt de indeling in een risicoklasse
als bedoeld in de artikelen 4.44, 4.48 of 4.53a opnieuw bepaald.
9.Indien uit de meting, bedoeld in het achtste lid, blijkt dat de
concentratie in een hogere risicoklasse wordt ingedeeld, is tevens
paragraaf 4 of 5 van deze afdeling van toepassing.
Artikel 4.47b. Visuele inspectie
1.Na werkzaamheden met asbest wordt, voordat met andere
werkzaamheden een aanvang wordt gemaakt, op de betreffende
arbeidsplaats een eindbeoordeling uitgevoerd.
2.De eindbeoordeling, bedoeld in het eerste lid, betreft een
visuele inspectie waarbij is vastgesteld dat de aanwezigheid van
asbest niet meer visueel waarneembaar is.
Artikel 4.47c. Melding
1. Uiterlijk twee dagen voor aanvang van de werkzaamheden wordt
door de werkgever melding gedaan aan een daartoe aangewezen
toezichthouder. Deze melding bevat tenminste een beknopte beschrijving
van:
a. de plaats waar de werkzaamheden worden verricht;
b. de soorten en hoeveelheden asbesthoudende producten;
c. de werkzaamheden die met asbest of asbesthoudende producten
worden verricht, de werkmethoden alsmede de indeling van de
concentratie asbeststof in de lucht in een risicoklasse;
d. het aantal betrokken werknemers;
e. de datum en het tijdstip waarop de werkzaamheden aanvangen,
alsmede de duur ervan;
f. de maatregelen die zullen worden getroffen om blootstelling
van werknemers aan asbest te beperken.
2. Telkens wanneer een verandering in de arbeidsomstandigheden kan
leiden tot een aanzienlijke toename van de blootstelling aan
asbeststof of asbesthoudende producten, wordt een nieuwe melding
gedaan.
3. De op grond van het eerste en tweede lid gemelde gegevens kunnen
worden ingezien door de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, door de
belanghebbende werknemers.
4. Artikel 4.54b, met uitzondering van onderdeel a, is van
overeenkomstige toepassing.
§ 4. Aanvullende voorschriften voor het werken met asbest en
asbesthoudende producten
Artikel 4.48. Risicoklasse 2
Indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, blijkt
dat de concentratie van asbeststof in de lucht waaraan werknemers in
verband met de arbeid worden blootgesteld, hoger is dan de grenswaarde,
bedoeld in artikel 4.46, maar lager is dan of gelijk is aan 1 vezel per
kubieke centimeter, uitgaande van een referentieperiode van acht uur, is
in aanvulling op paragraaf 3 tevens deze paragraaf van toepassing.
Artikel 4.48a. Aanvullende maatregelen
1.Indien, gelet op de aard van de werkzaamheden, overschrijding van
de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, kan worden verwacht ondanks
preventieve technische maatregelen ter beperking van de
asbestconcentratie in de lucht, neemt de werkgever doeltreffende
maatregelen ter bescherming van de betrokken werknemers.
2.Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder
geval:
a. het ter beschikking stellen en het verplichten te dragen van
passende ademhalingsapparatuur en andere persoonlijke
beschermingsmiddelen;
b. het aanbrengen van waarschuwingsborden die voldoen aan het
bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde, ter
aanduiding dat een overschrijding van de in artikel 4.46 genoemde
grenswaarde kan worden verwacht;
c. het voorkomen van de verspreiding van stof afkomstig van
asbest of asbesthoudende materialen buiten de ruimten waar de
werkzaamheden plaatsvinden.
3.De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij
het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de
gelegenheid gegeven een oordeel kenbaar te maken over de maatregelen,
bedoeld in het eerste lid.
4.Voordat wordt aangevangen met andere werkzaamheden, wordt
respectievelijk worden het aanwezige asbest dan wel de aanwezige
asbesthoudende producten verwijderd, behalve wanneer dit voor de
werknemers een groter gevaar voor de veiligheid en gezondheid zou
inhouden.
Artikel 4.49 [Vervallen per 28-07-2006]
Artikel 4.50. Werkplan
1.Voordat wordt aangevangen met de werkzaamheden wordt door de
werkgever van het bedrijf, bedoeld inartikel 4.54d, eerste lid, een
schriftelijk werkplan opgesteld dat doeltreffende, op de specifieke
situatie van de betreffende arbeidsplaats toegespitste, maatregelen
bevat ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de
betrokken werknemers.
2.Indien een inventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.54a,
derde lid, is opgesteld, worden de resultaten van dat rapport
opgenomen in het werkplan.
3.In het werkplan wordt voorgeschreven dat de werkgever van het
bedrijf, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, zich ervan vergewist
dat na de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 4.51a, er geen risicos
van bloostelling aan asbest of asbesthoudende producten meer zijn.
4.In het werkplan worden de volgende gegevens opgenomen:
a. een beschrijving van de maatregelen, bedoeld in deartikelen
4.1c, eerste lid, aanhef en onderdelen d en g, 4.7, derde lid,
onderdelen b, c en e, 4.18, 4.19, aanhef en onderdelen b en c,
4.20, eerste tot en met vierde lid, 4.45, eerste en tweede lid,
onderdelen a, b, en d, 4.48a, tweede en vierde lid, en 4.51.
b. een beschrijving van de aard, duur en plaats van de
werkzaamheden alsmede van de werkmethode;
c. een beschrijving van de werktuigen, machines, toestellen en
overige hulpmiddelen die bij de werkzaamheden worden gebruikt;
d. de namen van de werknemers en personen, bedoeld in artikel
4.54d, vijfde en zevende lid.
5.De werkzaamheden worden overeenkomstig het opgestelde werkplan
uitgevoerd.
6.Het werkplan of een afschrift daarvan is op de arbeidsplaats
aanwezig en wordt desgevraagd getoond aan de toezichthouder.
Artikel 4.51. Hygiėnische beschermingsmaatregelen
1.De werkkleding mag uitsluitend buiten het bedrijf of de
inrichting worden gebracht indien dit geschiedt met het doel deze te
laten reinigen in daartoe adequaat uitgeruste wasserijen.
2.In gevallen als bedoeld in het eerste lid, wordt de werkkleding
in een daartoe geschikte en gesloten verpakking vervoerd.
3.Wanneer beschermende uitrusting wordt verstrekt, wordt deze op
een daartoe aangewezen plaats bewaard en na ieder gebruik
gecontroleerd en gereinigd. Defecte uitrusting mag niet worden
gebruikt.
Artikel 4.51a. Eindbeoordeling
1.Na de werkzaamheden wordt na reiniging van de arbeidsplaats en
voordat met andere werkzaamheden een aanvang wordt gemaakt, op de
betreffende arbeidsplaats in een binnenruimte een eindbeoordeling
uitgevoerd waarbij de monsterneming wordt uitgevoerd door een persoon
als bedoeld in artikel 4.47, zevende lid, en de monsteranalyse door
een laboratorium als bedoeld in artikel 4.47, achtste lid.
2.De eindbeoordeling, bedoeld in het eerste lid, betreft een
visuele inspectie gevolgd door een eindmeting, teneinde vast te
stellen of de concentratie van asbeststof in de lucht lager is dan
0,01 vezel per kubieke centimeter, uitgaande van een referentieperiode
van twee uur.
3.Na de werkzaamheden wordt na reiniging van de arbeidsplaats en
voordat met andere werkzaamheden een aanvang wordt gemaakt, op de
betreffende arbeidsplaats in de buitenlucht door een bedrijf dat
daartoe adequaat is toegerust een visuele inspectie uitgevoerd,
waarbij is vastgesteld dat de aanwezigheid van asbest niet meer
visueel waarneembaar is.
4.Indien de werkzaamheden in de buitenlucht betrekking hebben op
asbesthoudende grond, wordt na het beėindigen van die werkzaamheden
door een bedrijf dat daartoe adequaat is toegerust, een visuele
inspectie uitgevoerd op de aanwezigheid van asbest teneinde vast te
stellen dat de concentratie asbest niet hoger is dan honderd milligram
per kilogram droge stof als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van het
Productenbesluit asbest.
5.Bij ministeriėle regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de monsterneming, bedoeld in het eerste lid, de
eindmeting, bedoeld in het tweede lid, en de visuele inspectie,
bedoeld in het tweede, derde en vierde lid.
Artikel 4.52. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
1.Zolang de blootstelling aan asbeststof duurt, worden, in
aanvulling op artikel 4.10a, derde lid, de betrokken werknemers ten
minste éénmaal in de drie jaar opnieuw in de gelegenheid gesteld om
een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.10a te
ondergaan.
2.Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.10a,
omvat in ieder geval een specifiek onderzoek van de borstkas.
3.Indien het resultaat van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek,
bedoeld in artikel 4.10a, daartoe aanleiding geeft, worden
doeltreffende maatregelen genomen om schade voor de gezondheid van de
betrokken werknemer door blootstelling aan asbeststof te voorkomen.
4.In aanvulling op artikel 4.10a, vierde lid, kan een deskundige
persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de arbodienst
verklaren dat het medisch toezicht na de beėindiging van de
blootstelling zolang moet worden voortgezet als voor de gezondheid van
de betrokkene noodzakelijk wordt geacht.
Artikel 4.53. Registratie
1.Van iedere werknemer die in verband met de arbeid wordt
blootgesteld aan asbeststof wordt aantekening gehouden in een
register, waarbij de aard en de duur van de arbeid alsmede de mate van
de blootstelling worden vermeld.
2.De gegevens die in het register zijn vermeld kunnen worden
ingezien door de deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede
lid, of de arbodienst.
3.Iedere werknemer krijgt inzage in zijn persoonlijke gegevens in
het register.
4.De gegevens in het register, voorzien van een toelichting, in
statistische niet tot individuen herleidbare vorm, kunnen worden
ingezien door de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging
of, bij het ontbreken daarvan, door de belanghebbende werknemers.
§ 5. Extra aanvullende voorschriften voor het werken met asbest en
asbesthoudende producten
Artikel 4.53a. Risicoklasse 3
Indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, blijkt
dat de concentratie van asbeststof in de lucht waaraan werknemers in
verband met de arbeid worden blootgesteld, hoger is dan 1 vezel per
kubieke centimeter, uitgaande van een referentieperiode van acht uur, is
in aanvulling op de paragrafen 3 en4 tevens deze paragraaf van
toepassing.
Artikel 4.54. Verzwaarde eindbeoordeling
In aanvulling op artikel 4.51a, eerste en tweede lid, wordt er tevens
een eindbeoordeling uitgevoerd in de naast de arbeidsplaats gelegen
ruimten. Artikel 4.51a, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
§ 6. Certificatie
Artikel 4.54a. Asbestinventarisatie
1. In het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, wordt
de aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten volledig
geļnventariseerd voordat wordt aangevangen met de volgende
werkzaamheden:
a. het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van
bouwwerken, met uitzondering van grondwerken, of objecten waarin
asbest of asbesthoudende producten is respectievelijk zijn
verwerkt;
b. het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit
de bouwwerken of objecten, bedoeld in onderdeel a;
c. het opruimen van asbest of asbesthoudende producten die ten
gevolge van een incident zijn vrijgekomen.
2. Op grond van de inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, wordt
in het kader van de risicobeoordeling, bedoeld in artikel 4.2, door
het bedrijf, bedoeld in het vierde lid, bepaald in welke risicoklasse
als bedoeld in de artikelen 4.44, 4.48 of 4.53a de werkzaamheden
vallen.
3. De resultaten van de inventarisatie, bedoeld in het eerste lid,
en de indeling in een risicoklasse, bedoeld in het tweede lid, worden
opgenomen in een inventarisatierapport.
4. De inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, en het
inventarisatierapport, bedoeld in het derde lid, worden uitgevoerd,
onderscheidenlijk opgesteld, door een bedrijf dat in het bezit is van
een certificaat asbestinventarisatie dat is afgegeven door Onze
Minister of een certificerende instelling.
5. Een afschrift van het inventarisatierapport wordt verstrekt aan
het bedrijf dat asbest verwijdert.
6. Het certificaat asbestinventarisatie of een afschrift daarvan is
op de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond aan de
toezichthouder.
Artikel 4.54b. Uitzonderingen asbestinventarisatie
Artikel 4.54a is niet van toepassing indien de werkzaamheden, bedoeld
in artikel 4.54a, eerste lid, betrekking hebben op:
a. handelingen die worden uitgevoerd in of aan bouwwerken of
objecten die op of na 1 januari 1994 zijn vervaardigd;
b. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van
asbestcementhoudende waterleidingbuizen, gasleidingbuizen,
rioolleidingbuizen en mantelbuizen of delen daarvan, voorzover zij
deel uitmaken van het ondergrondse openbare gas-, water-en
rioolleidingnet;
c. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende rem-
en frictiematerialen;
d. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende
geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;
e. het als een geheel verwijderen van asbesthoudende
verwarmingstoestellen;
f. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende
beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen;
g. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende
pakkingen uit verbrandingsmotoren;
h. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende
pakkingen dan wel delen daarvan uit procesinstallaties dan wel
verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen lager dan 2250
kilowatt;
i. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbest of
asbesthoudende producten uit wegen als bedoeld in het Besluit
asbestwegen milieubeheer.
Artikel 4.54c [Vervallen per 28-07-2006]
Artikel 4.54d. Deskundigheid bij het werken met asbest
1.De volgende werkzaamheden, indien de concentratie van asbeststof
is ingedeeld in risicoklasse 2 of 3, worden verricht door een bedrijf
dat in het bezit is van een certificaat asbestverwijdering, dat is
afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling:
a. de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid;
b. het reinigen van de arbeidsplaats nadat een handeling als
bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid, onderdeel a of b, is
uitgevoerd.
2.Artikel 4.54b, met uitzondering van onderdeel a, is van
overeenkomstige toepassing.
3.Voordat wordt aangevangen met het verwijderen van asbest is het
bedrijf, bedoeld in artikel 4.54a, vijfde lid, in het bezit van een
afschrift van een inventarisatierapport als bedoeld inartikel 4.54a,
derde lid, voorzover van toepassing.
4.Bij de uitvoering van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste
lid, wordt in het kader van de risicobeoordeling, bedoeld inartikel
4.2, de indeling van de risicoklasse in het inventarisatierapport als
ondergrens gehanteerd.
5.De werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden verricht door
of onder voortdurend toezicht van een persoon die in het bezit is van
een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het
werken met asbest, dat is afgegeven door Onze Minister of een
certificerende instelling.
6.Bij een bedrijf als bedoeld in het eerste lid is ten minste één
persoon als bedoeld in het vijfde lid werkzaam op basis van een
arbeidsovereenkomst.
7.Voorzover de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, mede
worden verricht door een andere persoon dan de persoon, bedoeld in het
vijfde lid, is deze andere persoon in het bezit van een certificaat
vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest, dat is afgegeven door
Onze Minister of een certificerende instelling.
8.Indien de handelingen, bedoeld in artikel 5, onderdelen e en f,
van het Productenbesluit asbest betrekking hebben op werkzaamheden met
asbesthoudende grond, worden deze werkzaamheden begeleid door een
persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid
arbeidhygiėne of veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede
lid.
9.De certificaten, bedoeld in het eerste, vijfde en zevende lid, of
afschriften daarvan en een afschrift van het inventarisatierapport,
bedoeld in artikel 4.54a, derde lid, zijn op de arbeidsplaats aanwezig
en worden desgevraagd getoond aan de toezichthouder.
Artikel 4.55 [Vervallen per 28-07-2006]
Artikel 4.55a [Vervallen per 28-07-2006]
Artikel 4.56 [Vervallen per 28-07-2006]
§ 7 [Vervallen per 28-07-2006]
Artikel 4.57 [Vervallen per 28-07-2006]
Afdeling 6. Specifieke gezondheidsschadelijke stoffen
Artikel 4.58. Propaansultonverbod
1.Het is verboden propaansulton (CAS-nummer 1120714) te
vervaardigen of te gebruiken.
2.Het is verboden propaansulton, anders dan ten behoeve van
doorvoer, in voorraad te houden.
Artikel 4.59. Specifieke stoffenverbod
1.Het is verboden de volgende stoffen te vervaardigen of te
gebruiken:
a. 2-naftylamine en de zouten daarvan (CAS-nummer 91598);
b. 4-aminodifenyl en de zouten daarvan (CAS-nummer 92671);
c. benzidine en de zouten daarvan (CAS-nummer 92875);
d. 4-nitrodifenyl (CAS-nummer 92933).
2.Het is verboden de in het eerste lid genoemde stoffen, anders dan
ten behoeve van doorvoer, in voorraad te houden.
3.De in het eerste en tweede lid vervatte verboden zijn niet van
toepassing, indien de stoffen in een mengsel of oplossing aanwezig
zijn in een concentratie die kleiner is dan 0,1 gewichtsprocent.
Artikel 4.60. Zandsteenverbod
1.Het is verboden zandsteen te bewerken of te verwerken.
2.Het eerste lid is niet van toepassing:
a. op het bewerken of verwerken van zandsteen indien dit
noodzakelijk is voor het behoud van monumenten als bedoeld in de
Monumentenwet 1988;
b. op het demonteren van zandsteen of zandsteendelen uit
gebouwen, constructies of installaties, en
c. op het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek met
zandsteen.
3.Het is verboden zandsteen in voorraad te houden.
4.Het derde lid is niet van toepassing met betrekking tot:
a. het in voorraad houden van zandsteen ten behoeve van de in
het tweede lid, onder a, bedoelde werkzaamheden;
b. de doorvoer van zandsteen;
c. voorwerpen, welke geheel of ten dele uit zandsteen bestaan
en welke voor hun bestemming gereed en volledig afgewerkt zijn.
Artikel 4.61. Zandstraalverbod
1.In dit artikel wordt verstaan onder:
a. stralen: het met grote snelheid treffen van een voorwerp met
korrels ten einde dat voorwerp te reinigen of te bewerken, met
uitzondering van die bewerkingen waardoor een laag materiaal op
het voorwerp wordt aangebracht;
b. ontzanden: het stralen van een gietstuk ten einde dit te
ontdoen van aanhangend vormzand.
2.Het is verboden te stralen met een stof die aan kwarts of een
andere vorm van vrij kristallijn siliciumdioxyde meer dan 1% bevat.
3.Het ontzanden mag slechts plaatsvinden in voor dat doel bestemde
gesloten toestellen of ruimten.
4.Het bij het ontzanden ontstane stof moet op doelmatige wijze
worden afgezogen, uit de luchtstroom afgescheiden en verzameld.
5.De bij het ontzanden afgezogen lucht mag niet worden afgevoerd
naar een ruimte waarin personen moeten verblijven.
Artikel 4.61a. Verbod van benzeen en gechloreerde koolwaterstoffen
1.Het gebruik van benzeen of van een product waarvan het gehalte
aan benzeen meer dan 1 volumeprocent bedraagt als oplos-, reinigings-
of verdunningsmiddel is niet toegestaan, tenzij zulks geschiedt in een
gesloten systeem of op een andere wijze waardoor in tenminste gelijke
mate bescherming tegen blootstelling daaraan wordt geboden.
2.Indien van benzeen of van een product als bedoeld in het eerste
lid gebruik wordt gemaakt anders dan als oplos-, reinigings- of
verdunningsmiddel, wordt dit zoveel mogelijk uitgevoerd in een
gesloten systeem.
3.Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van tetrachloorkoolstof, pentachloorethaan en 1,1,2,2,-tetrachloorethaan
alsmede ten aanzien van een product waarvan het gehalte aan een van de
vorengenoemde stoffen meer dan 1 volumeprocent bedraagt.
Artikel 4.61b. Loodwitverbod
1.Het is verboden om loodwit, loodsulfaat of producten die een van
deze stoffen als bestanddeel bevatten, te gebruiken bij het schilderen
van binnenwerk van gebouwen of vaartuigen.
2.Als stof in de zin van het eerste lid wordt niet beschouwd het
loodsulfaat, dat bij de bereiding van chroomaatgeel is
medegeprecipiteerd.
3.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op
verven waarvan het pigment in de droge stof ten hoogste 2
gewichtsprocenten aan lood bevat.
Artikel 4.62. Toepasselijkheid
Voor zover de werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 4.59, eerste en
tweede lid, en 4.60, eerste en derde lid, en het gebruik van benzeen,
bedoeld in artikel 4.61a, zijn toegestaan, is daarop, met inachtneming
vanartikel 4.12, afdeling 2 van dit hoofdstuk van toepassing.
Afdeling 7. Vluchtige organische stoffen
Artikel 4.62a. Definitie
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder vluchtige
organische stoffen: organische verbindingen en mengsels hiervan, die bij
293,15 K een dampspanning hebben van ten minste 0,01 kPa dan wel een
overeenkomstige vluchtigheid bij de specifieke gebruiksomstandigheden.
Artikel 4.62b. Voorkomen van blootstelling; vervangen
Ten aanzien van bij ministeriėle regeling aangewezen werkzaamheden
wordt het gevaar van blootstelling van werknemers aan vluchtige
organische stoffen zoveel mogelijk voorkomen door vluchtige organische
stoffen te vervangen door onschadelijke of minder schadelijke stoffen of
door producten die vluchtige organische stoffen bevatten te vervangen
door bij ministeriėle regeling ten aanzien van die werkzaamheden
aangewezen producten.
Artikel 4.63 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.64 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.65 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.66 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.67 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.68 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.69 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.70 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.71 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.72 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.73 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.74 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.75 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.76 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.77 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.78 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 4.79 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 4.80 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 4.81 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 8 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 4.82 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 4.83 [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 9. Biologische agentia
§ 1. Definities en toepasselijkheid
Artikel 4.84. Biologische agentia, celculturen en micro-organismen
1.De afdelingen 1 tot en met 8 van dit hoofdstuk zijn niet van
toepassing op biologische agentia.
2.In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. biologische agentia: al dan niet genetisch gemodificeerde
micro-organismen, celculturen en menselijke endoparasieten die een
infectie, allergie of toxiciteit kunnen veroorzaken;
b. celcultuur: het kunstmatig kweken van cellen van meercellige
organismen;
c. micro-organisme: een cellulaire of niet-cellulaire
microbiologische entiteit met het vermogen tot vermenigvuldiging
of tot overbrenging van genetisch materiaal;
d. richtlijn: richtlijn nr. 2000/54/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000
(Pb EG L 262) betreffende de bescherming van de werknemers tegen
de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk
(zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van
richtlijn nr. 89/391/EEG).
3.Voor de toepassing van deze afdeling worden biologische agentia
in de volgende categorieėn onderscheiden:
a. categorie 1: een agens waarvan het onwaarschijnlijk is dat
het bij de mens een ziekte kan veroorzaken;
b. categorie 2: een agens dat bij de mens een ziekte kan
veroorzaken en een gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van
de werknemers kan opleveren, maar waarvan het onwaarschijnlijk is
dat het zich onder de bevolking verspreidt, terwijl er gewoonlijk
een effectieve profylaxe of behandeling bestaat;
c. categorie 3: een agens dat bij de mens een ernstige ziekte
kan veroorzaken en een groot gevaar voor de veiligheid en de
gezondheid van de werknemers kan opleveren en waarvan er een kans
is dat het zich onder de bevolking verspreidt, terwijl er
gewoonlijk een effectieve profylaxe of behandeling bestaat;
d. categorie 4: een agens dat bij de mens een ernstige ziekte
veroorzaakt en een groot gevaar voor de veiligheid en de
gezondheid van de werknemers oplevert en waarvan het zeer
waarschijnlijk is dat het zich onder de bevolking verspreidt,
terwijl er gewoonlijk geen effectieve profylaxe of behandeling
bestaat.
4.In deze afdeling wordt uitgegaan van de categorie-indeling van
biologische agentia zoals vastgesteld in bijlage III bij de richtlijn.
§ 2. Risico-inventarisatie en -evaluatie en gevolgen
categorie-indeling
Artikel 4.85. Nadere voorschriften risico-inventarisatie en
-evaluatie
1.Indien een werknemer wordt of kan worden blootgesteld aan een of
meer specifiek bij zijn arbeid voorkomende of naar verwachting
voorkomende biologische agentia, wordt, in het kader van de in artikel
5 van de wet bedoelde risico-inventarisatie en -evaluatie, de aard, de
mate en de duur van de blootstelling beoordeeld teneinde het gevaar
voor de werknemer te bepalen. Deze beoordeling geschiedt met
inachtneming van met name:
a. de categorie of categorieėn,waarin de biologische agentia
waaraan werknemers kunnen worden blootgesteld, zijn ingedeeld;
b. informatie over ziekten die werknemers kunnen oplopen of al
hebben opgelopen als gevolg van blootstelling aan biologische
agentia;
c. mogelijke allergische of vergiftigingseffecten die de
werknemers als gevolg van blootstelling aan biologische agentia
ondervinden of kunnen ondervinden;
d. de resultaten van de arbeidsgezondheidskundige onderzoeken,
bedoeld in artikel 4.91, alsmede de ziekten waarvan bekend is dat
een werknemer hieraan lijdt en de medicijnen waarvan bekend is dat
die door een werknemer worden gebruikt, een en ander in
statistische, niet tot individuen herleidbare vorm;
e. de door een daartoe bevoegde instantie verstrekte
aanbevelingen om het biologische agens onder controle te houden
teneinde de gezondheid van de werknemers te beschermen wanneer de
werknemers ten gevolge van hun werk aan een dergelijk agens worden
of kunnen worden blootgesteld.
2.Indien sprake is van verschillende biologische agentia, wordt de
beoordeling, bedoeld in het eerste lid, gebaseerd op het risico dat
die biologische agentia in combinatie opleveren.
3.De beoordeling, bedoeld in het eerste lid, wordt regelmatig
herzien, in ieder geval telkens wanneer er een wijziging plaatsvindt
in de omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de blootstelling
van werknemers aan biologische agentia.
Artikel 4.86. Gevolgen categorie-indeling
1.Indien de arbeid gericht is op het werken met biologische agentia
behorend tot categorie 2, 3 of 4 zijn de artikelen 4.87 tot en met
4.102 van toepassing .
2.Indien uit de resultaten van de risico-inventarisatie en
-evaluatie, bedoeld in artikel 4.85, blijkt, dat werknemers bij het
verrichten van andere arbeid dan die, bedoeld in het eerste lid,
waaronder de in bijlage I bij de richtlijn genoemde werkzaamheden, een
gerede kans lopen aan biologische agentia van categorie 2, 3 of 4 te
worden blootgesteld, zijn de artikelen 4.87, 4.87a,4.87b, 4.89, 4.91,
4.93, 4.95, 4.97, 4.98, 4.99, tweede lid, en 4.102 van toepassing.
3.In alle, niet in het eerste en tweede lid bedoelde gevallen,
wordt bij de arbeid de grootst mogelijke zorgvuldigheid, ordelijkheid
en zindelijkheid in acht genomen en worden de noodzakelijke
hygiėnische voorzieningen getroffen.
§ 3. Maatregelen met betrekking tot de blootstelling
Artikel 4.87. Voorkomen van blootstelling; vervangen
Indien de aard van de arbeid het toelaat, worden schadelijke
biologische agentia vervangen door biologische agentia die, gelet op de
stand van de wetenschap en de techniek en de werkomstandigheden, niet of
minder gevaarlijk zijn voor de veiligheid of gezondheid van de
werknemers.
Artikel 4.87a. Voorkomen of beperken van blootstelling
1.Voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in
artikel 4.85, blijkt dat er risico voor de veiligheid of gezondheid
van de werknemers bestaat en dat het in verband met de aard van de
arbeid niet uitvoerbaar is om biologische agentia te vervangen door
biologische agentia die niet gevaarlijk zijn, worden, voor zover dit
technisch uitvoerbaar is, zodanige andere maatregelen genomen dat
blootstelling van werknemers aan biologische agentia wordt voorkomen
en de risicos beperkt.
2.Voor zover de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, technisch
niet uitvoerbaar zijn, wordt blootstelling van werknemers aan
biologische agentia tot een zodanig laag niveau teruggebracht als voor
een adequate bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de
werknemers noodzakelijk is.
3.Ter uitvoering van het tweede lid worden ten minste de volgende
maatregelen genomen:
a. de kans op blootstelling wordt zoveel mogelijk beperkt;
b. het aantal werknemers dat gevaar loopt aan een of meer
biologische agentia te worden blootgesteld is niet groter dan voor
het verrichten van de arbeid strikt noodzakelijk is;
c. er worden collectieve beschermingsmaatregelen genomen en,
wanneer dit geen of geen afdoende bescherming biedt, worden
persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld;
d. bij de arbeid wordt de grootst mogelijke ordelijkheid en
zindelijkheid betracht om te voorkomen dan wel de kans te beperken
dat een of meer biologische agentia buiten de arbeidsplaats
terecht komen;
e. biologische agentia worden zodanig bewaard en vervoerd en
afvalstoffen worden op zodanige wijze verzameld, opgeslagen en
verwijderd, zo nodig na passende behandeling en voorzien van een
deugdelijk opschrift, dat de kans op blootstelling zoveel mogelijk
wordt voorkomen alsmede wordt voorkomen dat zij in handen van
onbevoegden kunnen geraken;
f. indien noodzakelijk en technisch mogelijk wordt onderzoek
gedaan naar de aanwezigheid op de werkplek van biologische agentia
buiten de eerste fysieke omhulling;
g. op de arbeidsplaats is een doeltreffende schriftelijke
werkinstructie voor de werknemers voorhanden, waarvan ten minste
deel uitmaken de bij de arbeid in acht te nemen procedures,
waaronder een regeling voor het veilig omgaan met en het vervoeren
van biologische agentia binnen het bedrijf of de inrichting
alsmede een doeltreffend noodplan voor het geval zich ongevallen
of incidenten met biologische agentia voordoen.
Artikel 4.87b. Maatregelen ter voorkoming of beperking van
blootstelling aan legionellabacteriėn bij het in bedrijf nemen en
houden van een luchtbevochtigingsinstallatie en een waterinstallatie
1. Bij het in bedrijf nemen en houden van:
a. een luchtbevochtigingsinstallatie anders dan een
stoombevochtiger;
b. een waterinstallatie die water in aėrosolvorm in de lucht
kan brengen, niet zijnde een collectieve watervoorziening of een
collectief leidingnet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
Drinkwaterwet;
zijn de maatregelen, bedoeld in artikel 4.87a, eerste en tweede
lid, ter voorkoming of beperking van de blootstelling aan
legionellabacteriėn, doeltreffend, indien het water in deze
installaties minder dan 100 kolonievormende eenheden
legionellabacteriėn per liter bevat.
2. Het nemen en analyseren van monsters ter controle van de
aanwezigheid van legionellabacteriėn geschiedt overeenkomstig een
geschikte genormaliseerde methode.
3. Dit artikel is niet van toepassing op koeltorens.
Artikel 4.88. Veiligheidssignalering
De plaatsen waar arbeid wordt verricht met biologische agentia worden
duidelijk afgebakend en worden gemarkeerd met een veiligheidssignalering
dat voldoet aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8
bepaalde.
Artikel 4.89. Hygiėnische beschermingsmaatregelen
1.Op plaatsen waar gevaar bestaat voor blootstelling aan
biologische agentia wordt niet gerookt noch wordt daar voedsel of
drank genuttigd.
2.Werkkleding die voldoet aan afdeling 1 van hoofdstuk 8 wordt aan
de werknemers ter beschikking gesteld en wordt bij de arbeid gedragen.
3.In aanvulling op artikel 3.23 zijn voor de werknemers doelmatige
sanitaire voorzieningen beschikbaar met inbegrip van, voor zover
noodzakelijk, douches, oogdouches en huidantiseptica.
4.Indien aan de werknemer persoonlijke beschermingsmiddelen worden
verstrekt, worden deze op een daartoe aangewezen plaats bewaard en na
ieder gebruik gereinigd en voor ieder gebruik gecontroleerd.
5.In aanvulling op artikel 3.22 worden de werkkleding en andere
persoonlijke beschermingsmiddelen waarin of waarop zich biologische
agentia bevinden of kunnen bevinden bij het verlaten van de
arbeidsplaats uitgetrokken en op een andere plaats opgeborgen dan de
overige kleding.
6.De werkkleding en andere persoonlijke beschermingsmiddelen,
bedoeld in het vijfde lid, worden ontsmet, gereinigd of zo nodig
vernietigd.
7.De werkkleding en andere persoonlijke beschermingsmiddelen,
bedoeld in het vijfde lid, worden buiten het bedrijf of de inrichting
gebracht in een daartoe geschikte en gesloten verpakking en
uitsluitend met het doel deze te laten reinigen, ontsmetten of
vernietigen.
Artikel 4.90. Registratie
1.In een register wordt bijgehouden welke werknemers aan
biologische agentia van categorie 3 en 4 worden of kunnen worden
blootgesteld.
2.In dit register wordt tevens per werknemer geregistreerd welke
werkzaamheden hij heeft verricht en, voor zover dit te bepalen is, aan
welk biologisch agens of welke biologische agentia hij als gevolg van
deze werkzaamheden of als gevolg van een incident of ongeval,
eventueel is blootgesteld.
3.Het in het eerste lid bedoelde register wordt ten minste tien
jaar na de laatste blootstelling of mogelijke blootstelling bewaard.
4.In geval een werknemer is blootgesteld of mogelijk is
blootgesteld aan een biologisch agens dat infecties tot gevolg kan
hebben die:
a. naar bekend is hardnekkig of latent kunnen zijn;
b. op basis van de huidige stand van de techniek naar
verwachting eerst jaren later kunnen worden onderkend;
c. een lange incubatietijd hebben;
d. ondanks behandeling steeds weer terugkeren, of
e. ernstige complicaties op lange termijn hebben, wordt het in
het eerste lid bedoelde register een navenant langere tijd doch
niet meer dan veertig jaar na de laatste blootstelling bewaard.
5.Iedere werknemer heeft recht op inzage in de hem betreffende
gegevens uit het register.
6.Aan de bedrijfsarts, bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef,
van de wet, of de arbodienst wordt desgevraagd inzage verschaft in het
register, bedoeld in het eerste lid.
§ 4. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
Artikel 4.91. Onderzoek en vaccins
1.Iedere werknemer die is of kan worden blootgesteld aan
biologische agentia wordt, in aanvulling op artikel 18 van de wet, in
de gelegenheid gesteld bij de aanvang van de arbeid waarbij
blootstelling kan ontstaan, een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te
ondergaan.
2.Iedere werknemer die een infectie of ziekte heeft opgelopen als
gevolg van blootstelling aan een biologisch agens, wordt, in
aanvulling op het eerste lid, tussentijds in de gelegenheid gesteld
een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.
3.Iedere werknemer die aan een zelfde biologisch agens is
blootgesteld als gevolg waarvan een andere werknemer een infectie of
ziekte heeft opgelopen, wordt, in aanvulling op het eerste lid,
tussentijds in de gelegenheid gesteld een arbeidsgezondheidskundig
onderzoek te ondergaan.
4.Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek vindt plaats met
inachtneming van de praktische aanbevelingen, opgenomen in bijlage IV
bij de richtlijn.
5.Indien het resultaat van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek
daartoe aanleiding geeft, worden doeltreffende maatregelen genomen om
schade voor de gezondheid van de betrokken werknemer door
blootstelling aan biologische agentia te voorkomen.
6.Voor zover mogelijk worden aan iedere werknemer die nog niet
immuun is voor de biologische agentia waaraan hij is of kan worden
blootgesteld, doeltreffende vaccins ter beschikking gesteld. Daarbij
wordt bijlage VII bij de richtlijn in acht genomen.
7.Op verzoek van de werkgever of de betrokken werknemer wordt het
in dit artikel bedoelde onderzoek opnieuw uitgevoerd. Het resultaat
van het hernieuwde onderzoek treedt in de plaats van het daaraan
voorafgaande.
8.Iedere werknemer heeft recht op inzage in het hem betreffende
medisch dossier.
9.De resultaten van het in dit artikel bedoelde
arbeidsgezondheidskundig onderzoek worden in passende vorm
geregistreerd en ten minste tien jaar na de laatste blootstelling of
mogelijke blootstelling bewaard. In gevallen als bedoeld in artikel
4.90, vierde lid, worden de resultaten een navenant langere tijd doch
niet meer dan veertig jaar bewaard.
10.Iedere werknemer wordt geļnformeerd over de wijze waarop hij na
beėindiging van de blootstelling in de gelegenheid wordt gesteld een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.
§ 5. De ondernemingsraad
Artikel 4.92. Informatie in verband met ongeval of incident
De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het
ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt respectievelijk
worden op de hoogte gesteld van ieder ongeval of incident dat zich heeft
voorgedaan, zich bijna heeft voorgedaan of zich mogelijkerwijs heeft
voorgedaan met biologische agentia en dat heeft geleid tot het
vrijkomen, net niet vrijkomen of mogelijkerwijs vrijkomen van een agens
of agentia van categorie 2, 3 of 4. Daarbij worden tevens de oorzaken
van het ongeval of incident meegedeeld, alsmede de maatregelen die zijn
genomen of zullen worden genomen om de gevolgen te verhelpen en verdere
ongevallen of incidenten te voorkomen.
Artikel 4.93. Overige informatie
1.Desgevraagd wordt de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging, of worden, bij het ontbreken daarvan, de
belanghebbende werknemers geļnformeerd over:
a. de wijze waarop de risico-inventarisatie en -evaluatie,
bedoeld in artikel 4.85, tot stand is gekomen en over het
resultaat daarvan;
b. de werkzaamheden waarbij de werknemers aan biologische
agentia worden of kunnen worden blootgesteld;
c. het aantal werknemers dat aan biologische agentia wordt of
kan worden blootgesteld;
d. de naam en de functie van de persoon die verantwoordelijk is
voor de veiligheid en de gezondheid op het werk;
e. de genomen preventieve en beschermende maatregelen waaronder
mede wordt verstaan de werkinstructie, bedoeld in artikel 4.87,
vierde lid, de toegepaste arbeidsprocédés en werkmethoden.
2.De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging heeft of,
bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers hebben recht
op inzage in de in dit artikel bedoelde informatie in statistische,
niet tot individuen herleidbare vorm.
§ 6. Toezicht
Artikel 4.94. Melding
1. Ten minste 30 dagen voordat voor de eerste maal arbeid met een
of meer biologische agentia van categorie 2, 3 of 4 wordt verricht,
wordt hiervan melding gedaan aan een daartoe aangewezen
toezichthouder.
2. Deze melding bevat ten minste de volgende gegevens:
a. de naam en het adres van de werkgever;
b. de naam en de functie van de persoon die verantwoordelijk is
voor de veiligheid en de gezondheid op het werk;
c. de resultaten van de in artikel 4.85 bedoelde
risico-inventarisatie en -evaluatie;
d. de categorie of categorieėn en soort of soorten waartoe het
biologische agens of de biologische agentia behoort
respectievelijk behoren;
e. de voorgenomen beschermende en preventieve maatregelen.
3. Met inachtneming van het eerste lid wordt tevens melding gedaan
van arbeid met ieder volgend biologisch agens van categorie 4 en,
wanneer door de werkgever dit agens voorlopig zelf is ingedeeld, van
arbeid met ieder volgend nieuw biologisch agens van categorie 3.
4. In afwijking van het derde lid wordt de in het eerste lid
bedoelde toezichthouder in geval alleen diagnostische arbeid wordt
verricht, hiervan slechts melding gedaan, indien deze arbeid voor de
eerste maal wordt verricht.
5. De in dit artikel bedoelde melding wordt opnieuw gedaan, indien
er in de procédés of procedures wezenlijke veranderingen hebben
plaatsgevonden die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid en de
gezondheid van de werknemers, waardoor eerdere meldingen zijn
achterhaald.
Artikel 4.95. Ongevallen of incidenten
De toezichthouder of een door Onze Minister aan te wijzen andere
instantie wordt zo spoedig mogelijk melding gedaan van ieder ongeval of
incident dat zich heeft voorgedaan en heeft geleid of mogelijkerwijs
heeft geleid tot het vrijkomen van een of meer biologische agentia van
categorie 3 of 4 en dat besmetting van werknemers door deze agentia kan
veroorzaken.
Artikel 4.96. Overdracht gegevens
In geval de werkgever de werkzaamheden beėindigt worden het in
artikel 4.90 bedoelde register en de resultaten van het in artikel 4.91
bedoelde arbeidsgezondheidskundig onderzoek, in geval deze bij de
werkgever berusten, overgedragen aan een daartoe aangewezen
toezichthouder.
§ 7. Bijzondere bepalingen in verband met andere dan microbiologisch
diagnostische arbeid in de gezondheidszorg en in de diergeneeskunde
Artikel 4.97. Gezondheidszorg en diergeneeskunde
1. In aanvulling op artikel 4.85 wordt bij de risico-inventarisatie
en -evaluatie van gevaren, verbonden aan andere dan microbiologisch
diagnostische arbeid in de gezondheidszorg en in de diergeneeskunde,
aandacht besteed aan:
a. de onzekerheid omtrent de aanwezigheid van biologische
agentia en de daaraan verbonden gevaren bij patiėnten of dieren
en in monsters of materiaal van patiėnten of dieren;
b. de aan de aard van het werk verbonden gevaren.
2. Bij de in het eerste lid bedoelde arbeid worden ter bescherming
van de veiligheid en de gezondheid van de betrokken werknemers
doeltreffende maatregelen genomen. Deze bestaan in ieder geval uit:
a. het opstellen en bekend maken van ontsmettings- en
desinfectieprocedures aan de betrokken werknemers;
b. het opstellen en bekend maken van procedures voor een
veilige omgang met en verwijdering van met biologische agentia
besmet afvalmateriaal;
c. het ter beschikking stellen van een medisch hulpmiddel met
ingebouwd veiligheids- en beschermingsmechanisme, indien er gevaar
is voor letsel of infectie door een scherp medisch hulpmiddel;
d. het verbod op het terugzetten van doppen op injectienaalden.
Artikel 4.98. Beschermingsmaatregelen
In isolatieafdelingen met patiėnten of dieren die besmet zijn of
mogelijkerwijs besmet zijn met biologische agentia van categorie 3 of 4,
worden passende beschermingsmaatregelen als bedoeld in bijlage V, kolom
A, bij de richtlijn getroffen.
§ 8. Speciale maatregelen in laboratoria, ruimten voor proefdieren
en industriėle procédés
Artikel 4.99. Beheersingsniveaus laboratoria en ruimten voor
proefdieren
1.In laboratoria en in ruimten waarin zich dieren bevinden die
opzettelijk zijn besmet met biologische agentia van categorie 2, 3 of
4 dan wel dieren die drager zijn of mogelijk zouden kunnen zijn van
biologische agentia van een van deze categorieėn, worden, afhankelijk
van de resultaten van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld
in artikel 4.85, en met inachtneming van artikel 16, eerste lid, van
de richtlijn, ten minste respectievelijk de beheersingsniveaus 2, 3 en
4 van bijlage V bij de richtlijn in acht genomen.
2.Indien in de in het eerste lid bedoelde laboratoria arbeid wordt
verricht met materiaal waarvan onzeker is of zich hierin biologische
agentia van categorie 2, 3 of 4 bevinden en de arbeid niet is gericht
op het werken met biologische agentia, wordt, met inachtneming van
artikel 16, eerste lid, van de richtlijn, ten minste beheersingsniveau
2 van bijlage V bij de richtlijn in acht genomen.
Artikel 4.100. Beheersingsniveaus industriėle procédés
1.In geval biologische agentia van de categorie 2, 3 of 4 worden
gebruikt in industriėle procédés, worden, afhankelijk van de
resultaten van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in
artikel 4.85, en met inachtneming van artikel 16, tweede lid, van de
richtlijn, ten minste respectievelijk de beheersingsniveaus 2, 3 en 4
van bijlage VI bij de richtlijn in acht genomen.
2.Van industriėle procédés, bedoeld in het eerste lid, is sprake
indien de arbeid is gericht op het werken met biologische agentia van
categorie 2, 3 of 4 in reactorvaten van tien liter of meer.
Artikel 4.101. Beheersingsniveau van niet in bijlage III bij de
richtlijn genoemde biologische agentia
Indien arbeid als bedoeld in deze paragraaf wordt verricht met
biologische agentia die niet op grond van bijlage III bij de richtlijn
in een van de in artikel 4.84, derde lid, bedoelde categorieėn zijn
ingedeeld, maar waarvan wel aanwijzingen bestaan dat deze agentia naar
verwachting dienen te worden ingedeeld in categorie 3 of 4, wordt ten
minste beheersingsniveau 3 van bijlage V respectievelijk VI bij de
richtlijn in acht genomen.
§ 9. Bijzondere bepalingen inzake voorlichting en onderricht
Artikel 4.102. Voorlichting en onderricht
1.Aan werknemers die arbeid verrichten als bedoeld in artikel 4.86,
eerste en tweede lid wordt, in aanvulling op artikel 8 van de wet,
voorlichting en onderricht gegeven, waarbij ten minste aandacht wordt
besteed aan:
a. de mogelijke gevaren voor de gezondheid die zijn verbonden
aan het werken met biologische agentia;
b. de te treffen voorzorgsmaatregelen om blootstelling te
voorkomen;
c. de te nemen actie in geval zich een ongeval voordoet met
biologische agentia;
d. de bestaande hygiėnische voorschriften;
e. het dragen en gebruiken van werkkleding en persoonlijke
beschermingsmiddelen.
2.De voorlichting en het onderricht worden geactualiseerd indien
gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
Afdeling 10. Bijzondere sectoren en bijzondere categorieėn
werknemers
§ 1. Vervoer
Artikel 4.103. Uitzonderingen voor vervoermiddelen
Artikel 4.54b, aanhef en onderdeel a, geldt niet ten aanzien van
zeeschepen.
§ 2. Jeugdigen
Artikel 4.104. Schakelbepaling
In aanvulling op het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk, gelden
voor jeugdige werknemers tevens de in deze paragraaf genoemde
voorschriften en verboden.
Artikel 4.105. Arbeidsverboden voor gevaarlijke stoffen en
biologische agentia
1.Jeugdige werknemers verrichten geen arbeid met of worden niet
blootgesteld aan stoffen die voldoen aan de krachtens artikel 9.2.3.1
van de Wet milieubeheer vastgestelde criteria voor indeling in een of
meer van de categorieėn «zeer vergiftig», «vergiftig»,
«sensibiliserend», «kankerverwekkend», «mutageen» en «voor de
voortplanting vergiftig», alsmede stoffen die voldoen aan de bij of
krachtens die wet vastgestelde criteria voor toekenning van de
R-zinnen 33 en 48.
2.Jeugdige werknemers verrichten geen arbeid met of worden niet
blootgesteld aan biologische agentia van categorie 3 of 4, bedoeld in
afdeling 9 van dit hoofdstuk.
3.Voorts verrichten jeugdige werknemers geen arbeid aan of met
kuipen, bassins, leidingen of reservoirs waarin zich een of meer van
de in het eerste of tweede lid bedoelde stoffen of biologische agentia
bevinden.
Artikel 4.106. Deskundig toezicht bij arbeid met gevaarlijke stoffen
Artikel 1.37, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op
jeugdige werknemers die:
a. arbeid verrichten met stoffen die voldoen aan de krachtens
artikel 9.2.3.1 van de Wet milieubeheer vastgestelde criteria voor
indeling:
1. in een of meer van de categorieėn, «ontplofbaar»,
«bijtend» en «irriterend»;
2. in de categorie «schadelijk», indien deze stoffen tevens
voldoen aan de bij of krachtens de Wet milieubeheer vastgestelde
criteria voor toekenning van R-zin 40 of 68;
b. arbeid verrichten met persgassen, onder druk vloeibaar
gemaakte gassen, door sterke temperatuurverlaging vloeibaar gemaakte
gassen en opgeloste gassen;
c. arbeid verrichten aan of met kuipen, bassins, leidingen of
reservoirs waarin zich een of meer van de onder a of b bedoelde
stoffen of gassen bevinden;
d. artikelen die ontplofbare stoffen, bedoeld in artikel 2.2,
onderdeel e, bevatten, vervaardigen of hanteren.
§ 3. Zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie
Artikel 4.107. Schakelbepaling
In aanvulling op het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk gelden
voor zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie tevens de in
deze paragraaf genoemde voorschriften.
Artikel 4.108. Blootstelling aan gevaarlijke stoffen
1. Het is een zwangere werknemer en een werknemer tijdens de
lactatie verboden arbeid te verrichten waarbij zij kunnen worden
blootgesteld aan metallisch lood en zijn verbindingen.
2. Het is een zwangere werknemer en een werknemer tijdens de
lactatie verboden arbeid te verrichten waarbij zij kunnen worden
blootgesteld aan gevaarlijke stoffen die de gezondheid van het
ongeboren kind of de zuigeling schade kunnen toebrengen via een
genotoxisch werkingsmechanisme en die via de moeder het ongeboren kind
of de zuigeling kunnen bereiken.
Artikel 4.109. Arbeidsverboden enkele biologische agentia
Het is een zwangere werknemer verboden arbeid te verrichten waarbij
zij kunnen worden blootgesteld aan de biologische agentia Toxoplasma en
Rubellavirus, bedoeld in afdeling 9 van dit hoofdstuk, tenzij is
gebleken dat zij hiervoor immuun is.
§ 4 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 4.110 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 4.111 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 4.112 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 4.113 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 4.114 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 4.115 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 4.116 [Vervallen per 01-07-2012]
Hoofdstuk 5. Fysieke belasting
Afdeling 1. Fysieke belasting
Artikel 5.1. Definitie richtlijn
In deze afdeling wordt verstaan onder richtlijn: Richtlijn nr.
90/269/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 mei 1990
betreffende de minimum veiligheids- en gezondheidsvoorschriften voor het
handmatig hanteren van lasten met gevaar voor met name rugletsel voor de
werknemers (PbEG L 156).
Artikel 5.2. Voorkomen gevaren
De arbeid wordt zodanig georganiseerd, de arbeidsplaats wordt zodanig
ingericht, een zodanige productieen werkmethode wordt toegepast of
zodanige hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen, worden
gebruikt, dat de fysieke belasting geen gevaren met zich kan brengen
voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemer.
Artikel 5.3. Beperken gevaren en risico-inventarisatie en -evaluatie
Voorzover de gevaren, bedoeld in artikel 5.2, redelijkerwijs niet
kunnen worden voorkomen:
a. wordt met inachtneming van bijlage I bij de richtlijn, de
arbeid zodanig georganiseerd, de arbeidsplaats zodanig ingericht,
een zodanige productie- en werkmethode toegepast of worden zodanige
hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt dat die
gevaren zoveel als redelijkerwijs mogelijk is worden beperkt;
b. worden in de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in
artikel 5 van de wet, met inachtneming van bijlage I bij de
richtlijn, de veiligheids- en gezondheidsaspecten van de fysieke
belasting beoordeeld, waarbij met name wordt gelet op de kenmerken
van de last, de vereiste lichamelijke inspanning, de kenmerken van
de werkomgeving en de eisen van de taak.
Artikel 5.4. Ergonomische inrichting werkplekken
Tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd worden werkplekken
ingericht volgens de ergonomische beginselen.
Artikel 5.5. Voorlichting
1.Aan werknemers die arbeid verrichten waarbij sprake is van het
handmatig hanteren van lasten wordt met inachtneming van de bijlagen I
en II bij de richtlijn doeltreffende voorlichting en doeltreffend
onderricht gegeven over:
a. de wijze waarop lasten gehanteerd worden;
b. de aan het handmatig hanteren van lasten verbonden gevaren
voor hun veiligheid en gezondheid en de te nemen maatregelen om
deze gevaren zo veel mogelijk te beperken.
2.Aan de betrokken werknemers wordt adequate informatie verstrekt
over het gewicht van de te hanteren last en, wanneer het gewicht van
de last niet gelijk verdeeld is, over het zwaartepunt of de zwaarste
kant van die last.
Artikel 5.6. Bijlagen richtlijn
Met betrekking tot fysieke belasting worden de bijlagen I en II bij
de richtlijn in acht genomen.
Afdeling 2. Beeldschermwerk
Artikel 5.7. Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. beeldscherm: een alfanumeriek of grafisch scherm, ongeacht het
gebruikte afbeeldingsprocédé;
b. beeldschermwerkplek: het geheel dat bestaat uit
beeldschermapparatuur, in voorkomend geval voorzien van toetsenbord
of voorziening voor gegevensinvoer en of de interface mens/machine
bepalende software, facultatieve accessoires, nevenapparatuur,
telefoon, modem, printer, documenthouder, stoel, werktafel of
werkvlak alsmede de onmiddellijke werkomgeving.
Artikel 5.8. Toepasselijkheid
1. Deze afdeling is niet van toepassing op:
a. bestuurdersplaatsen op machines;
b. computersystemen die in de eerste plaats bestemd zijn voor
gebruik door het publiek;
c. zogenoemde draagbare systemen die niet aanhoudend worden
gebruikt op een werkplek;
d. rekenmachines, kassas en andere apparatuur die voorzien
zijn van een klein display voor gegevens of hoeveelheden, nodig
voor het directe gebruik van die apparatuur.
2. Voorts is deze afdeling niet van toepassing op arbeid waarbij
een werknemer gewoonlijk minder dan twee uren per etmaal gebruik maakt
van een beeldscherm.
Artikel 5.9. Risico-inventarisatie en -evaluatie
1.In de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5
van de wet, wordt specifiek aandacht besteed aan de gevaren voor het
gezichtsvermogen en die van de fysieke en psychische belasting als
gevolg van arbeid aan een beeldscherm.
2.Op basis van de uitkomsten van de in het eerste lid bedoelde
risico-inventarisatie en -evaluatie worden doeltreffende maatregelen
genomen om de desbetreffende gevaren te ondervangen, rekening houdend
met de gevolgen van die gevaren en de onderlinge samenhang daartussen.
Artikel 5.10. Dagindeling van de arbeid
De arbeid aan een beeldscherm is zodanig georganiseerd dat deze
arbeid telkens na ten hoogste twee achtereenvolgende uren wordt
afgewisseld door andersoortige arbeid of door een rusttijd, zodanig dat
de belasting van het verrichten van de arbeid aan een beeldscherm wordt
verlicht.
Artikel 5.11. Maatregelen met betrekking tot de bescherming van de
ogen en het gezichtsvermogen van de werknemers
1.Iedere werknemer die voor de eerste keer wordt belast met arbeid
aan een beeldscherm wordt, in aanvulling op artikel 18 van de wet, in
de gelegenheid gesteld om voor de aanvang van die arbeid en op gezette
tijden daarna een passend onderzoek van de ogen en het
gezichtsvermogen te ondergaan.
2.De werknemer wordt opnieuw in de gelegenheid gesteld een
onderzoek als bedoeld in het eerste lid, te ondergaan, indien zich bij
hem gezichtsstoornissen voordoen die het gevolg kunnen zijn van het
verrichten van arbeid aan een beeldscherm.
3.Indien de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het eerste en
het tweede lid, dit vereisen, wordt de betrokken werknemer in de
gelegenheid gesteld een oftalmologisch onderzoek te ondergaan.
4.Indien de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het eerste tot
en met het derde lid, dit vereisen en normale oogcorrectiemiddelen
niet kunnen worden gebruikt, worden aan de betrokken werknemer
speciale, met de desbetreffende arbeid verband houdende,
oogcorrectiemiddelen verstrekt.
Artikel 5.12. Voorschriften voor de inrichting van
beeldschermwerkplekken
Onverminderd artikel 5.4 worden bij ministeriėle regeling nadere
regels gesteld met betrekking tot de beeldschermwerkplek en de
wisselwerking tussen de gebruikte apparatuur en de werknemers.
Afdeling 3. Bijzondere sectoren en bijzondere categorieėn werknemers
§ 1. Vervoer
Artikel 5.13. Toepasselijkheid
Afdeling 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
a. bestuurdersplaatsen op een voertuig op een openbare weg of
spoorweg;
b. computersystemen in een luchtvaartuig, een zeeschip of een
binnenvaartuig dan wel een voertuig op een openbare weg of spoorweg.
§ 2. Zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie
Artikel 5.13a. Fysieke belasting
Het is een zwangere werknemer en een werknemer tijdens de lactatie
verboden om:
a. dagelijks meer dan eenmaal per uur te hurken, knielen, bukken
of staande voetpedalen te bedienen tijdens de laatste drie maanden
van de zwangerschap;
b. meer te tillen dan 10 kilogram in één handeling gedurende de
hele zwangerschap en in de periode tot drie maanden na de bevalling;
c. meer dan 10 keer per dag gewichten van meer dan 5 kilogram te
tillen vanaf de twintigste week van de zwangerschap; of
d. meer dan 5 keer per dag gewichten van meer dan 5 kilogram te
tillen vanaf de dertigste week van de zwangerschap.
§ 3 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 5.14 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 5.15 [Vervallen per 01-07-2012]
Hoofdstuk 6. Fysische factoren
Afdeling 1. Temperatuur en luchtverversing
Artikel 6.1. Temperatuur
1.Rekening houdend met de aard van de werkzaamheden die door de
werknemers worden verricht en de fysieke belasting die daar het gevolg
van is, veroorzaakt de temperatuur op de arbeidsplaats geen schade aan
de gezondheid van de werknemers.
2.Indien door de temperatuur op de arbeidsplaats of door ongunstige
weersomstandigheden toch schade aan de gezondheid van de werknemers
kan ontstaan, worden persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking
gesteld. Indien de ter beschikking gestelde persoonlijke
beschermingsmiddelen schade aan de gezondheid niet kunnen voorkomen,
wordt de duur van de arbeid in een zodanige mate beperkt of wordt de
arbeid met een zodanige frequentie afgewisseld door een tijdelijk
verblijf op een plaats waar een temperatuur heerst als bedoeld in het
eerste lid, dat geen schade aan de gezondheid ontstaat.
Artikel 6.2. Luchtverversing
1. Op de arbeidsplaats is voldoende niet verontreinigde lucht
aanwezig.
2. Luchtverversingsinstallaties zijn altijd bedrijfsklaar.
3. Luchtverversingsinstallaties functioneren zodanig dat werknemers
niet aan hinderlijke tocht worden blootgesteld.
4. Luchtverversingsinstallaties zijn voorzien van een
controlesysteem dat storingen in de installatie signaleert voor zover
dat noodzakelijk is voor de gezondheid van de werknemers.
5. Het eerste lid is niet van toepassing op arbeidsplaatsen in een
gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de
Woningwet.
6. Een arbeidsplaats in een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onder c, van de Woningwet wordt slechts gebruikt indien het
gebouw voldoet aan de bij of krachtens het Bouwbesluit 2012 gegeven
voorschriften met betrekking tot de van toepassing zijnde
gebruiksfunctie in de zin van dat besluit.
Afdeling 2. Verlichting
Artikel 6.3. Daglicht en kunstlicht
1.Arbeidsplaatsen en verbindingswegen zijn zodanig verlicht, dat
het aanwezige licht geen risico oplevert voor de veiligheid en
gezondheid van werknemers.
2.Op arbeidsplaatsen komt, voor zover mogelijk, voldoende daglicht
binnen en zijn voldoende voorzieningen voor kunstverlichting aanwezig.
3.De voorzieningen voor kunstverlichting zijn zodanig aangebracht
dat gevaar voor ongevallen is voorkomen.
4.De voor kunstlicht gebruikte kleur mag de waarneming van de
veiligheids- en gezondheidssignalering, bepaald bij of krachtens
afdeling 2 van hoofdstuk 8, niet wijzigen of beļnvloeden.
Artikel 6.4. Weren van zonlicht
In een besloten ruimte waar arbeid wordt verricht kan rechtstreeks
invallend zonlicht worden geweerd.
Afdeling 3. Lawaai
§ 1. Algemeen
Artikel 6.6. Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. piekgeluidsdruk (Ppiek): maximumwaarde van de «C»-frequentiegewogen
momentane lawaaidruk;
b. dagelijkse blootstelling aan lawaai (LEX,8h) (dB(A) re. 20
μPa): tijdgewogen gemiddelde van de niveaus van blootstelling
aan lawaai op een nominale werkdag van acht uur, zoals gedefinieerd
in de internationale norm ISO 1999:1990, punt 3.6. Dit omvat alle op
het werk aanwezige geluiden, met inbegrip van impulsgeluiden;
c. wekelijkse blootstelling aan lawaai (LEX,8h): tijdgewogen
gemiddelde van de dagelijkse niveaus van blootstelling aan lawaai in
een nominale week van vijf werkdagen van acht uur, zoals
gedefinieerd in de internationale norm ISO 1999:1990, punt 3.6 (noot
2).
§ 2. Voorschriften met betrekking tot lawaai
Artikel 6.7. Nadere voorschriften risico-inventarisatie en
-evaluatie, beoordelen en meten
1.In het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld
in artikel 5 van de wet, worden de lawaainiveaus waaraan de werknemers
zijn blootgesteld, beoordeeld en, indien nodig, gemeten teneinde te
bepalen waar en in welke mate werknemers aan de in artikel 6.8
vastgestelde niveaus van schadelijk lawaai kunnen worden blootgesteld.
2.De beoordeling en de meting worden, in aanvulling op artikel 5
van de wet, volgens een schriftelijk vastgelegd tijdschema periodiek
uitgevoerd door de deskundigen, genoemd in artikel 13 van de wet, of
de deskundigen of arbodiensten, genoemd in de artikelen 14 en 14a van
de wet, en in ieder geval opnieuw uitgevoerd, indien de omstandigheden
ingrijpend zijn gewijzigd, er redenen zijn om aan te nemen dat de
uitgevoerde beoordeling of meting onjuist is of wanneer de resultaten
van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld inartikel 6.10,
eerste tot en met derde lid, dit nodig maken. Bij de beoordeling van
de meetresultaten wordt rekening gehouden met de meetonzekerheden, die
zijn vastgesteld volgens de bij het meten gangbare praktijk.
3.De bij de meting gebruikte methoden en apparaten zijn op de
desbetreffende omstandigheden afgestemd. Met name wordt daarbij gelet
op de kenmerken van het te meten lawaai, de duur van de blootstelling,
de omgevingsfactoren en de kenmerken van de meetapparatuur. De
gebruikte methoden en apparaten zijn geschikt om te bepalen of de in
artikel 6.8, derde, vierde, zevende, negende en tiende lid,
vastgestelde niveaus van schadelijk lawaai al dan niet worden
overschreden. Wanneer gebruik wordt gemaakt van steekproeven zijn die
representatief voor de persoonlijke blootstelling van een werknemer.
4.Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder
geval aandacht besteed aan:
a. het niveau, de aard en de duur van de blootstelling, met
inbegrip van eventuele blootstelling aan impulsgeluid;
b. de in artikel 6.8, derde, vierde, zevende en negende lid
vastgestelde actiewaarden en de in artikel 6.8, tiende lid,
vastgestelde grenswaarden voor de blootstelling;
c. de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van
werknemers die tot bijzonder gevoelige risicogroepen behoren;
d. voorzover dit technisch uitvoerbaar is, de mogelijke
gevolgen voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers van de
wisselwerking tussen lawaai en werkgerelateerde ototoxische
stoffen en tussen lawaai en trillingen;
e. de mogelijke indirecte gevolgen voor de veiligheid en de
gezondheid van werknemers van de wisselwerking tussen lawaai en
waarschuwingssignalen of andere geluiden waarop dient te worden
gelet teneinde het risico op ongelukken te verkleinen;
f. de informatie over de lawaai-emissie die door de fabrikanten
van de arbeidsmiddelen is verstrekt;
g. het bestaan van alternatieve arbeidsmiddelen die ontworpen
zijn om de lawaai-emissie te verminderen;
h. de voortzetting van de blootstelling aan lawaai buiten
normale werktijd onder verantwoordelijkheid van de werkgever;
i. uit arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in
artikel 6.10, eerste tot en met derde lid, verkregen relevante
informatie, met inbegrip van gepubliceerde informatie, voorzover
dat mogelijk is;
j. de beschikbaarheid van individuele gehoorbeschermers met
voldoende dempende werking.
5.De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij
het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de
gelegenheid gegeven een oordeel kenbaar te maken over de wijze van
beoordeling en meting.
6.De resultaten van de op grond van dit artikel uitgevoerde
beoordelingen en metingen worden in passende vorm geregistreerd en
bewaard, zodat latere raadpleging mogelijk is.
7.De resultaten, bedoeld in het zesde lid, worden, voorzien van een
toelichting, ter kennis gebracht van de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, van de
belanghebbende werknemers.
8.De risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in het eerste
lid, wordt adequaat gedocumenteerd en vermeldt de ingevolge de
artikelen 6.8, 6.9en 6.11 genomen maatregelen.
Artikel 6.8. Maatregelen ter voorkoming of beperking van de
blootstelling
1.Ter voorkoming of beperking van de blootstelling aan lawaai
worden zodanige technische of organisatorische maatregelen genomen dat
de risicos van blootstelling worden weggenomen aan de bron of tot
een minimum beperkt, waarbij rekening wordt gehouden met de technische
vooruitgang en de beschikbaarheid van maatregelen.
2.Bij het voorkomen of beperken van de blootstelling, bedoeld in
het eerste lid, wordt in ieder geval rekening gehouden met:
a. alternatieve werkmethoden die leiden tot minder
blootstelling aan lawaai;
b. de keuze van de juiste arbeidsmiddelen, rekening houdend met
het te verrichten werk, die zo weinig mogelijk lawaai maken, met
inbegrip van de mogelijkheid om de werknemers te laten beschikken
over arbeidsmiddelen die een beperking van de blootstelling aan
lawaai tot doel of als gevolg hebben;
c. het ontwerp en de indeling van de werkplek en de
arbeidsplaats;
d. een doeltreffende voorlichting en doeltreffend onderricht om
de werknemers te leren hoe arbeidsmiddelen juist te gebruiken
teneinde de blootstelling aan lawaai tot een minimum te beperken;
e. technische maatregelen ter beperking van lawaai:
i. beperking van het luchtgeluid, bijvoorbeeld door
afscherming, omkasting of afdekking met geluidsabsorberend
materiaal;
ii. beperking van het constructiegeluid, bijvoorbeeld door
demping of isolatie;
f. passende onderhoudsprogrammas voor de arbeidsmiddelen, de
werkplek en de systemen op de werkplek;
g. de organisatie van de werkzaamheden, met het oog op een
beperking van het lawaai:
i. beperking van de duur en intensiteit van de
blootstelling;
ii. passende werkschemas met voldoende rustpauzes.
3.Als de dagelijkse blootstelling aan lawaai hoger is dan 85 dB(A)
of de piekgeluidsdruk hoger is dan 140 Pa, worden op basis van de
beoordeling en meting, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, met
inachtneming van de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, in het
kader van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 5 van de wet
technische of organisatorische maatregelen vastgesteld en uitgevoerd
om de blootstelling tot een minimum te beperken.
4.Werkplekken waar de dagelijkse blootstelling aan lawaai hoger kan
zijn dan 85 dB(A) of de piekgeluidsdruk hoger kan zijn dan 140 Pa,
worden duidelijk aangegeven door middel van passende signaleringen en
doelmatig afgebakend. Indien dit technisch uitvoerbaar is en het
risico van blootstelling dit rechtvaardigt, wordt de toegang ertoe
beperkt.
5.De blootstelling aan lawaai in ontspanningsruimten als bedoeld in
artikel 3.20 en nachtverblijven als bedoeld in artikel 3.21 wordt
beperkt tot een niveau dat verenigbaar is met de functie van de
ruimten en de omstandigheden waarin zij worden gebruikt.
6.De maatregelen, bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid,
worden afgestemd op de behoeften van werknemers die behoren tot
bijzonder gevoelige risicogroepen.
7.In gevallen waarin de dagelijkse blootstelling aan lawaai hoger
is dan 80 dB(A) of de piekgeluidsdruk hoger is dan 112 Pa, worden aan
de werknemers passende, naar behoren aangemeten, individuele
gehoorbeschermers ter beschikking gesteld. De individuele
gehoorbeschermers voorkomen het risico van gehoorbeschadiging of
brengen dit risico tot een minimum terug.
8.De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij
het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de
gelegenheid gegeven een oordeel kenbaar te maken over de maatregelen,
bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid, en over de keuze van de
ter beschikking te stellen individuele gehoorbeschermers, bedoeld in
het zevende lid.
9.Als de dagelijkse blootstelling aan lawaai 85 dB(A) of hoger is
of de piekgeluidsdruk 140 Pa of hoger is worden de individuele
gehoorbeschermers door de werknemers gebruikt.
10.De dagelijkse blootstelling aan lawaai, rekening houdend met de
dempende werking van de door de werknemer gedragen individuele
gehoorbeschermers, mag in geen geval hoger zijn dan 87 dB(A) of de
piekgeluidsdruk mag in geen geval hoger zijn dan 200 Pa.
11.Als ondanks de maatregelen, bedoeld in het eerste tot en met
zevende en negende lid, wordt vastgesteld dat de dagelijkse
blootstelling aan lawaai, rekening houdend met de dempende werking van
de door de werknemer gedragen individuele gehoorbeschermers, hoger is
dan de in het tiende lid vastgestelde grenswaarden worden:
a. onmiddellijk maatregelen genomen om de blootstelling terug
te brengen tot een niveau beneden die grenswaarden;
b. de oorzaken van de overmatige blootstelling vastgesteld en
c. de maatregelen, bedoeld in het eerste tot en met zevende en
negende lid, aangepast om herhaling te voorkomen.
Artikel 6.9. Weekgemiddelde
In gevallen waarin werknemers in verband met het uitvoeren van
bijzondere taken moeten verblijven op een werkplek waar de dagelijkse
blootstelling aan lawaai per werkdag aanmerkelijk verschilt en naleving
van de verplichtingen, genoemd in artikel 6.8, derde, vierde, zevende,
negende, tiende en elfde lid, redelijkerwijs niet gevergd kan worden,
wordt in genoemde artikelleden in plaats van «de dagelijkse
blootstelling aan lawaai» gelezen «de wekelijkse blootstelling aan
lawaai». In dat geval bedraagt de wekelijkse blootstelling, rekening
houdend met de dempende werking van de door de werknemer gedragen
individuele gehoorbeschermers, niet meer dan 87 dB(A) en worden
doeltreffende maatregelen genomen om het aan deze activiteiten verbonden
risico tot een minimum te beperken.
Artikel 6.10. Audiometrisch onderzoek
1.Als uit de resultaten van de beoordeling en meting, bedoeld in
artikel 6.7, eerste lid, blijkt dat er voor een werknemer een
gezondheidsrisico bestaat, wordt deze werknemer, in aanvulling op
artikel 18 van de wet, in de gelegenheid gesteld een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek in de vorm van een audiometrisch
onderzoek te ondergaan.
2.Iedere werknemer waarbij de dagelijkse blootstelling aan lawaai
hoger is dan 85 dB(A) of de piekgeluidsdruk hoger is dan 140 Pa wordt
in de gelegenheid gesteld om periodiek een arbeidsgezondheidskundig
onderzoek in de vorm van een audiometrisch onderzoek te ondergaan.
3.Iedere werknemers waarbij de dagelijkse blootstelling aan lawaai
hoger is dan 80 dB(A) of de piekgeluidsdruk hoger is dan 112 Pa wordt
in de gelegenheid gesteld om periodiek een arbeidsgezondheidskundig
onderzoek in de vorm van een audiometrisch onderzoek te ondergaan,
indien uit de beoordeling en meting, bedoeld in artikel 6.7, eerste
lid, blijkt dat er een gezondheidsrisico bestaat.
4.Het audiometrische onderzoek, bedoeld in het eerste tot en met
het derde lid, is gericht op een vroegtijdige diagnose van een
eventuele achteruitgang van het gehoor ten gevolge van lawaai en op
behoud van het gehoor.
5.De deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of
de arbodienst houdt van iedere werknemer die een audiometrisch
onderzoek als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, heeft
ondergaan, een persoonlijk medisch dossier bij, dat een samenvatting
bevat van de uitslagen van het audiometrisch onderzoek, bedoeld in het
eerste tot en met derde lid.
6.De persoonlijke medische dossiers worden in een zodanige vorm
bewaard dat zij later, met inachtneming van het medisch beroepsgeheim,
kunnen worden geraadpleegd.
7.Iedere werknemer heeft recht op inzage in het hem betreffende
medisch dossier.
8.Een daartoe aangewezen toezichthouder ontvangt desgevraagd een
exemplaar van de medische dossiers, bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 6.10a. Maatregelen bij gehoorbeschadiging
1.Als bij een audiometrisch onderzoek als bedoeld in artikel 6.10,
eerste tot en met derde lid, bij een werknemer een aantoonbare
gehoorbeschadiging wordt vastgesteld, beoordeelt de deskundige
persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of een specialist, als
de deskundige persoon dat noodzakelijk acht, of de beschadiging
vermoedelijk het gevolg is van blootstelling aan lawaai op het werk.
2.Als wordt vastgesteld dat de gehoorbeschadiging is veroorzaakt
door blootstelling aan lawaai op het werk, dan:
a. wordt de beoordeling en de meting, bedoeld inartikel 6.7,
eerste lid, opnieuw uitgevoerd;
b. worden de maatregelen ter voorkoming of beperking van de
blootstelling, bedoeld in artikel 6.8, herzien;
c. wordt bij het nemen van maatregelen ter voorkoming of
beperking van de blootstelling als bedoeld in artikel 6.8, met
inbegrip van het toewijzen van ander werk zonder
blootstellingsrisico, rekening gehouden met het advies van de
deskundige persoon, bedoeld inartikel 2.14a, tweede lid, of de
daartoe aangewezen toezichthouder en
d. wordt iedere werknemer die op soortgelijke wijze is
blootgesteld in de gelegenheid gesteld tussentijds opnieuw een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek in de vorm van een
audiometrisch onderzoek te ondergaan.
Artikel 6.11. Voorlichting en onderricht
Aan werknemers die worden blootgesteld aan een dagelijkse
blootstelling aan lawaai van 80 dB(A) of hoger en een piekgeluidsdruk
van 112 Pa of hoger worden doeltreffende voorlichting en doeltreffend
onderricht gegeven over:
a. de aard van de risicos die voortvloeien uit blootstelling
aan lawaai;
b. de genomen maatregelen, bedoeld in artikel 6.8, om de risicos,
bedoeld onder a, te voorkomen of tot een minimum te beperken;
c. de actiewaarden, bedoeld in artikel 6.8, derde, vierde,
zevende en negende lid, en de grenswaarden, bedoeld in artikel 6.8,
tiende lid;
d. de resultaten van de beoordeling en meting van de
lawaainiveaus waaraan de werknemers zijn blootgesteld, bedoeld
inartikel 6.7, eerste en tweede lid, en een uitleg van de betekenis
en mogelijk daaraan verbonden risicos;
e. het juiste gebruik van individuele gehoorbeschermers;
f. hoe signalen van gehoorbeschadiging zijn op te sporen en
kunnen worden gemeld;
g. de omstandigheden waarin werknemers recht hebben op
arbeidsgezondheidskundig onderzoek en het doel van dit onderzoek en
h. veilige werkmethoden om de blootstelling aan lawaai tot een
minimum te beperken.
Afdeling 3a. Trillingen
§ 1. Algemeen
Artikel 6.11a. Definities, grenswaarden en actiewaarden
1.In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. richtlijn: richtlijn nr. 2002/44/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002
betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en
veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan
de risicos van fysische agentia (trillingen) (PbEG L 177);
b. hand-armtrillingen: mechanische trillingen die, wanneer zij
op het hand-armsysteem van de mens worden overgebracht, risico's
voor de gezondheid en veiligheid van de werknemers inhouden, met
name vaat-, bot- of gewrichts-, zenuw- of spieraandoeningen;
c. lichaamstrillingen: mechanische trillingen die, wanneer zij
op het lichaam in zijn geheel worden overgebracht, risico's voor
de gezondheid en veiligheid van de werknemers inhouden, met name
aandoeningen van de lage rug en beschadigingen van de wervelkolom.
2.Voor de hand-armtrillingen wordt:
a. de grenswaarde voor dagelijkse blootstelling, herleid tot
een standaardreferentieperiode van acht uur, vastgesteld op 5m/s2;
b. de actiewaarde voor dagelijkse blootstelling, herleid tot
een standaardreferentieperiode van acht uur, vastgesteld op
2,5m/s2.
3.Voor lichaamstrillingen wordt:
a. de grenswaarde voor dagelijkse blootstelling, herleid tot
een standaardreferentieperiode van acht uur, vastgesteld op 1,15
m/s2;
b. de actiewaarde voor dagelijkse blootstelling, herleid tot
een standaardreferentieperiode van acht uur, vastgesteld op 0,5
m/s2.
§ 2. Voorschriften met betrekking tot trillingen
Artikel 6.11b. Nadere voorschriften risico-inventarisatie en
-evaluatie, beoordelen en meten
1.In het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld
in artikel 5 van de wet, worden de niveaus van de mechanische
trillingen waaraan de werknemer wordt blootgesteld, beoordeeld en
indien nodig gemeten.
2.De beoordeling en de meting worden op zorgvuldige wijze gepland
en met passende tussenpozen uitgevoerd.
3.De beoordeling en de meting vinden plaats voor hand-armtrillingen
overeenkomstig de punten 1 en 2 van deel A en voor lichaamstrillingen
overeenkomstig de punten 1 en 2 van deel B van de bijlage bij de
richtlijn.
4.De resultaten van de meting worden in een passende vorm bewaard
zodat latere raadpleging mogelijk is.
5.Bij de beoordeling worden in ieder geval de volgende aspecten
betrokken:
a. het niveau, de aard en de duur van de blootstelling, met
inbegrip van eventuele blootstelling aan periodieke trillingen of
herhaalde schokken;
b. de vastgelegde grenswaarden en actiewaarden voor de
blootstelling, bedoeld in artikel 6.11a, tweede en derde lid;
c. mogelijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van
werknemers met een verhoogd risico;
d. mogelijke indirecte gevolgen voor de veiligheid van
werknemers die worden veroorzaakt door de wisselwerking tussen
mechanische trillingen en de arbeidsplaats of andere
arbeidsmiddelen;
e. de informatie die door fabrikanten van de arbeidsmiddelen is
verstrekt;
f. het bestaan van vervangend materieel dat ontworpen is om de
niveaus van blootstelling aan mechanische trillingen te
verminderen;
g. voortzetting van de blootstelling aan lichaamstrillingen
buiten normale werktijd onder verantwoordelijkheid van de
werkgever;
h. bijzondere arbeidsomstandigheden, zoals het werken bij lage
temperaturen;
i. door de arbeidsgezondheidskundige onderzoeken, bedoeld in
artikel 6.11e, verkregen relevante informatie, met inbegrip van
gepubliceerde informatie, voorzover dat mogelijk is.
6.De beoordeling wordt regelmatig herzien, in ieder geval indien
gewijzigde omstandigheden of resultaten van de
arbeidsgezondheidskundige onderzoeken, bedoeld artikel 6.11e, hiertoe
aanleiding geven.
Artikel 6.11c. Voorkomen of beperken van schadelijke trillingen
1.Indien de actiewaarden, bedoeld in artikel 6.11a, tweede lid,
onderdeel b, en derde lid, onderdeel b, worden of kunnen worden
overschreden, wordt, met inachtneming van artikel 3, eerste lid,
onderdeel b, van de wet in de risico-inventarisatie en -evaluatie,
bedoeld in artikel 5 van de wet, en in het daarbij behorende plan van
aanpak aandacht besteed aan:
a. alternatieve werkmethoden die de noodzaak van blootstelling
aan mechanische trillingen verminderen;
b. de keuze van de juiste arbeidsmiddelen, ergonomisch goed
ontworpen en zo weinig mogelijk trillingen veroorzakend, rekening
houdend met het te verrichten werk;
c. de verstrekking van hulpmiddelen om het risico van
gezondheidsschade ten gevolge van trillingen te voorkomen;
d. passende onderhoudsprogramma's voor de arbeidsmiddelen, de
arbeidsplaats en de systemen op de arbeidsplaats;
e. het ontwerp en de indeling van de arbeidsplaats;
f. een adequate voorlichting en opleiding van de werknemers,
opdat zij de arbeidsmiddelen veilig en juist gebruiken, zodanig
dat de blootstelling aan mechanische trillingen zo gering mogelijk
is;
g. beperking van de duur en intensiteit van de blootstelling;
h. passende werkschema's met voldoende rustpauzes;
i. het verschaffen van kleding die de blootgestelde werknemers
beschermt tegen kou en vocht.
2.Werknemers worden niet blootgesteld aan trillingen boven de
grenswaarde voor blootstelling, bedoeld in artikel 6.11a, tweede lid,
onderdeel a, en derde lid, onderdeel a.
3.Indien de grenswaarde toch wordt overschreden:
a. worden onverwijld maatregelen getroffen om de blootstelling
terug te brengen tot onder de grenswaarde voor blootstelling;
b. wordt de oorzaak van de overschrijding van de grenswaarde
onderzocht;
c. worden de beschermings- en preventiemaatregelen aangepast om
te voorkomen dat de grenswaarde opnieuw wordt overschreden.
4.De werkgever stemt de maatregelen af op de behoeften van
werknemers met een verhoogd risico.
Artikel 6.11d. Voorlichting en onderricht
Aan werknemers die aan risicos in verband met mechanische
trillingen op het werk worden blootgesteld, worden doeltreffende
voorlichting en doeltreffend onderricht gegeven over:
a. maatregelen die zijn genomen om de risico's in verband met
mechanische trillingen weg te nemen of tot een minimum te beperken;
b. de grenswaarden en actiewaarden voor blootstelling;
c. de resultaten van de overeenkomstig artikel 6.11b verrichte
beoordelingen en metingen van mechanische trillingen en de
gezondheidsschade die de gebruikte arbeidsmiddelen kunnen
veroorzaken;
d. het nut van en de methode voor het opsporen en melden van
symptomen van gezondheidsschade;
e. de omstandigheden waarin werknemers recht hebben op
arbeidsgezondheidskundig onderzoek;
f. veilige werkmethoden om de blootstelling aan mechanische
trillingen tot een minimum te beperken.
Artikel 6.11e. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek inzake trillingen
1.Iedere werknemer die voor de eerste keer wordt belast met
werkzaamheden die blijkens de beoordeling, bedoeld in artikel 6.11b,
eerste lid, gevaren kunnen opleveren voor de veiligheid of gezondheid,
wordt in aanvulling op artikel 18 van de wet, in de gelegenheid
gesteld om vóór de aanvang van de werkzaamheden een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.
2.Indien bij een werknemer een aandoening wordt geconstateerd die
het gevolg zou kunnen zijn van blootstelling aan mechanische
trillingen, worden werknemers, die op soortgelijke wijze zijn
blootgesteld aan mechanische trillingen, tussentijds in de gelegenheid
gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.
3.Op verzoek van de werkgever of de betrokken werknemer wordt het
arbeidsgezondheidskundig onderzoek opnieuw uitgevoerd. De resultaten
van het hernieuwde onderzoek treden in de plaats van het daaraan
voorafgaande.
4.Wanneer bij een werknemer als gevolg van blootstelling aan
mechanische trillingen een aantoonbare ziekte of een schadelijke
invloed op de gezondheid is vastgesteld, wordt hij door de deskundige
persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de arbodienst,
geļnformeerd over de wijze waarop hij na beėindiging van de
blootstelling in de gelegenheid wordt gesteld een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.
Afdeling 4. Straling
Artikel 6.12. Toestellen
1. Toestellen die schadelijke, niet-ioniserende elektromagnetische
straling kunnen uitzenden bestaan uit deugdelijk materiaal, zijn van
een deugdelijke constructie en verkeren in goede staat.
2. De in het eerste lid bedoelde toestellen bevinden zich in een
zodanige ruimte en zijn voorts zodanig ingericht, opgesteld of
afgeschermd, dat bij het in werking zijn daarvan gezondheidsschade
zoveel mogelijk wordt voorkomen.
3. Indien bij het in werking zijn van een toestel als bedoeld in
het eerste lid, het gevaar van gezondheidsschade ondanks de naleving
van de voorschriften, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet of
niet geheel kan worden voorkomen, worden zodanige maatregelen
getroffen, dat gezondheidsschade zoveel mogelijk wordt voorkomen.
4. Indien de in het derde lid bedoelde maatregelen
gezondheidsschade niet of niet voldoende kunnen voorkomen worden
persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld.
5. De persoonlijke beschermingsmiddelen worden door de werknemers
bij de arbeid gebruikt.
6. Bij ministeriėle regeling kunnen niveaus worden vastgesteld,
waarboven voor de toepassing van dit artikel die straling wordt geacht
schadelijk te zijn.
7. Dit artikel is niet van toepassing op toestellen die optische
straling kunnen uitzenden als bedoeld in afdeling 4a van dit
hoofdstuk.
Afdeling 4a. Kunstmatige optische straling
§ 1. Algemeen
Artikel 6.12a. Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. richtlijn: richtlijn nr. 2006/25/EG van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 5 april 2006 betreffende de
minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking
tot de blootstelling van werknemers aan risicos van fysische
agentia (kunstmatige optische straling) (19e bijzondere richtlijn in
de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (PbEU L
114);
b. optische straling: elektromagnetische straling in het
golflengtegebied tussen 100 nm en 1 mm, waarbij het spectrum van de
optische straling wordt ingedeeld in ultraviolette straling,
zichtbare straling en infrarode straling;
c. ultraviolette straling: optische straling in het
golflengtegebied tussen 100 nm en 400 nm, waarbij het ultraviolette
gebied wordt ingedeeld in UVA (315 nm 400 nm), UVB (280 nm
315 nm) en UVC (100 nm 280 nm);
d. zichtbare straling: optische straling in het golflengtegebied
tussen 380 nm en 780 nm;
e. infrarode straling: optische straling in het golflengtegebied
tussen 780 nm en 1 mm, waarbij het infrarode gebied wordt ingedeeld
in IRA (780 nm 1400 nm), IRB (1400 nm 3000 nm) en IRC (3000
nm 1 mm);
f. kunstmatige optische straling: optische straling die niet
afkomstig is van natuurlijke bronnen;
g. laser: apparaat dat in staat is om elektromagnetische straling
in het golflengtegebied van optische straling te produceren of te
versterken, hoofdzakelijk via gecontroleerde gestimuleerde emissie;
h. laserstraling: optische straling afkomstig van een laser;
i. niet-coherente straling: optische straling die geen
laserstraling is;
j. grenswaarden: grenzen voor de blootstelling aan optische
straling, die direct gebaseerd zijn op bewezen gezondheidseffecten
en biologische overwegingen;
k. bestralingssterkte (E) of vermogensdichtheid: het invallend
vermogen aan straling per eenheid van oppervlakte uitgedrukt in
watts per vierkante meter (Wm-2);
l. bestralingsdosis (H): de tijdsintegraal van de
bestralingssterkte uitgedrukt in joules per vierkante meter (Jm-2);
m. radiantie (L): de stralingsstroom of het vermogen per eenheid
van ruimtehoek uitgedrukt in watts per vierkante meter per
steradiaal (Wm-2sr-1);
n. niveau: de combinatie van bestralingssterkte,
stralingsblootstelling en radiantie waaraan een werknemer is
blootgesteld.
Artikel 6.12b. Toepassingsgebied
Deze afdeling is van toepassing op arbeid waarbij de werknemer wordt
of kan worden blootgesteld aan kunstmatige optische straling in zodanig
mate dat dit een gevaar voor de gezondheid en veiligheid kan opleveren
door het optreden van negatieve effecten op de ogen of de huid.
Artikel 6.12c. Grenswaarden voor blootstelling
Bij de uitvoering van de voorschriften van deze afdeling gelden de
volgende grenswaarden:
a. de grenswaarden voor blootstelling aan incoherente straling,
anders dan die welke worden uitgestraald door natuurlijke bronnen
van optische straling, bedoeld in bijlage I bij de richtlijn;
b. de grenswaarden voor blootstelling aan laserstraling, bedoeld
in bijlage II bij de richtlijn.
§ 2. Voorschriften met betrekking tot kunstmatige optische straling
Artikel 6.12d. Nadere voorschriften risico-inventarisatie en
-evaluatie, beoordelen, meten en berekenen
1. In het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld
in artikel 5 van de wet, worden de niveaus van de optische straling
waaraan de werknemers waarschijnlijk zullen worden blootgesteld,
beoordeeld en, indien nodig, gemeten of berekend.
2. De beoordeling, meting of berekening, bedoeld in het eerste lid,
geschieden volgens de normen van de Internationale Elektrotechnische
Commissie met betrekking tot laserstraling en de aanbevelingen van de
Internationale Commissie voor Verlichtingskunde en de Europese
Commissie voor Normalisatie met betrekking tot incoherente straling.
3. In blootstellingssituaties die niet door de normen en de
aanbevelingen, bedoeld in het tweede lid, worden bestreken, geschiedt
de beoordeling, meting of berekening overeenkomstig de bij
ministeriėle regeling aan te wijzen normen met een wetenschappelijke
grondslag.
4. In de blootstellingssituaties, bedoeld in het tweede en derde
lid, mag bij de beoordeling rekening worden gehouden met door de
producent van de arbeidsmiddelen opgegeven informatie, wanneer die
arbeidsmiddelen onder een toepasselijke communautaire richtlijn
vallen.
5. De beoordeling, meting en berekening, bedoeld in het eerste lid,
worden op deskundige wijze gepland en met passende frequentie
uitgevoerd door de deskundigen, bedoeld in artikel 13 van de wet, of
de deskundigen of arbodiensten, bedoeld in de artikelen 14 en 14a van
de wet, en in ieder geval opnieuw uitgevoerd, indien de omstandigheden
ingrijpend zijn gewijzigd of wanneer de resultaten van het
arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 6.12g, dit
nodig maken.
6. De resultaten van de op grond van dit artikel uitgevoerde
beoordelingen, metingen en berekeningen worden in passende vorm
geregistreerd en bewaard, zodat latere raadpleging mogelijk is.
7. De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij
het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de
gelegenheid gegeven een oordeel kenbaar te maken over de wijze van
beoordeling, meting en berekening, bedoeld in het eerste lid.
8. De resultaten, bedoeld in het zesde lid, worden voorzien van een
toelichting, ter kennis gebracht van de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de
belanghebbende werknemers.
9. Bij de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5
van de wet, wordt in ieder geval aandacht besteed aan:
a. het niveau, de golflengtegebieden en de duur van de
blootstelling aan kunstmatige bronnen van optische straling;
b. de grenswaarden;
c. mogelijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van
werknemers die tot een bijzonder gevoelige risicogroep behoren;
d. mogelijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van
werknemers van de interactie op de arbeidsplaats tussen optische
straling en fotosensibiliserende chemicaliėn;
e. mogelijke indirecte effecten zoals tijdelijke blindheid,
ontploffing, of brand;
f. het bestaan van vervangende arbeidsmiddelen die ontworpen
zijn om de niveaus van blootstelling aan kunstmatige optische
straling te verminderen;
g. de door de arbeidsgezondheidskundige onderzoeken, bedoeld in
artikel 6.12g, verkregen relevante informatie, met inbegrip van
gepubliceerde informatie, voor zover dat mogelijk is;
h. de blootstelling aan verscheidene bronnen van kunstmatige
optische straling;
i. een classificatie die wordt toegepast op lasers die worden
gedefinieerd conform de desbetreffende norm van de Internationale
Elektrotechnische Commissie, alsook soortgelijke classificaties
met betrekking tot kunstmatige bronnen die soortgelijke schade
kunnen toebrengen als lasers van de klasse 3B of 4; en
j. de door de producent van bronnen van optische straling en
aanverwante arbeidsmiddelen opgegeven informatie in
overeenstemming met de toepasselijke communautaire richtlijnen.
10. De risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in het eerste
lid, wordt adequaat gedocumenteerd en vermeldt de ingevolge de
artikelen 6.12e en6.12f genomen maatregelen.
Artikel 6.12e. Maatregelen ter voorkoming of beperking van de
blootstelling
1. Er worden zodanige technische of organisatorische maatregelen
genomen dat de risicos van blootstelling aan kunstmatige optische
straling worden weggenomen of tot een minimum beperkt, waarbij
rekening wordt gehouden met de technische vooruitgang en de
mogelijkheid om maatregelen te nemen om het risico aan de bron te
beheersen.
2. Indien uit de beoordeling of berekening, bedoeld in artikel
6.12d, eerste lid,blijkt dat het op enigerlei wijze mogelijk is dat de
grenswaarden overschreden worden, worden in het kader van het plan van
aanpak, bedoeld in artikel 5 van de wet, technische of
organisatorische maatregelen vastgesteld en uitgevoerd om
overschrijding van de grenswaarden te voorkomen, met inachtneming van
in ieder geval:
a. alternatieve werkmethoden die het risico van optische
straling verminderen;
b. de keuze van arbeidsmiddelen die minder optische straling
uitzenden, rekening houdend met het te verrichten werk;
c. technische maatregelen om de emissie van optische straling
te beperken, waar nodig ook door het gebruik van vergrendeling,
afscherming of soortgelijke mechanismen ter bescherming van de
gezondheid;
d. passende onderhoudsprogrammas voor de arbeidsmiddelen, de
arbeidsplaats en de systemen op de arbeidsplaats;
e. het ontwerp en de indeling van de arbeidsplaats;
f. de beperking van de duur en het niveau van de blootstelling;
g. de beschikbaarheid van passende persoonlijke
beschermingsmiddelen;
h. de aanwijzingen van de fabrikant van de arbeidsmiddelen
wanneer deze onder een desbetreffende communautaire richtlijn
vallen.
3. Arbeidsplaatsen waar werknemers worden of kunnen worden
blootgesteld aan niveaus van optische straling uit kunstmatige bronnen
die de grenswaarden overschrijden, worden duidelijk aangegeven door
middel van passende signaleringen. Indien dit technisch uitvoerbaar is
en indien het risico bestaat dat de grenswaarden worden overschreden,
worden de arbeidsplaatsen afgebakend en wordt de toegang ertoe
beperkt.
4. Werknemers worden niet blootgesteld aan kunstmatige optische
straling boven de grenswaarden. Indien de grenswaarden toch worden
overschreden:
a. neemt de werkgever onmiddellijk maatregelen om de
blootstelling terug te brengen tot onder de grenswaarden;
b. gaat de werkgever na waarom de grenswaarden zijn
overschreden;
c. past de werkgever de maatregelen, bedoeld in het eerste en
tweede lid, aan om te voorkomen dat de grenswaarden opnieuw worden
overschreden.
5. De maatregelen, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid,
worden afgestemd op de behoeften van werknemers die tot een bijzonder
gevoelige risicogroep behoren.
6. De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij
het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de
gelegenheid gegeven een oordeel kenbaar te maken over de maatregelen
die worden genomen ingevolge dit artikel.
Artikel 6.12f. Voorlichting en onderricht
1. Aan werknemers die worden blootgesteld aan risicos in verband
met kunstmatige optische straling, wordt alle in verband met de
resultaten van de beoordeling, meting of berekening, bedoeld in
artikel 6.12d, eerste lid, noodzakelijke voorlichting en onderricht
gegeven.
2. In ieder geval wordt voorlichting en onderricht gegeven over:
a. maatregelen die ingevolge deze afdeling zijn genomen;
b. de grenswaarden voor blootstelling en de gerelateerde
potentiėle gevaren;
c. de resultaten van de beoordeling, meting of berekening,
bedoeld in artikel 6.12d, eerste lid, samen met een toelichting
bij de betekenis en de potentiėle gevaren ervan;
d. de wijze waarop schadelijke effecten van de blootstelling
voor de gezondheid worden opgespoord en gemeld;
e. de omstandigheden waarin werknemers recht hebben op
arbeidsgezondheidskundig onderzoek;
f. veilige werkmethoden om de risico's van blootstelling tot
een minimum te beperken; en
g. goed gebruik van passende persoonlijke beschermingsmiddelen.
Artikel 6.12g. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
1. Indien een werknemer is blootgesteld aan optische straling boven
de grenswaarden wordt hij, in aanvulling op artikel 18 van de wet, in
de gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te
ondergaan. Dit onderzoek wordt ook aangeboden wanneer wordt
geconstateerd dat de werknemer aan een herkenbare ziekte lijdt of
schadelijke effecten voor zijn gezondheid ondervindt die door een
deskundige persoon als bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of een
arbodienst worden aangemerkt als het resultaat van blootstelling aan
kunstmatige optische straling op het werk.
In beide gevallen, wanneer de grenswaarden worden overschreden of
schadelijke gevolgen voor de gezondheid, met inbegrip van ziekte,
worden vastgesteld:
a. wordt de werknemer door de deskundige persoon, bedoeld in
artikel 2.14a, tweede lid, of de arbodienst geļnformeerd over het
resultaat dat hem persoonlijk betreft. Hij ontvangt met name
informatie en advies over het arbeidsgezondheidskundig onderzoek
na het einde van de blootstelling.
b. wordt de werkgever geļnformeerd over significante
bevindingen van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek,
c. is het de taak van de werkgever:
1°. de beoordeling, meting of berekening, bedoeld in
artikel 6.12d, eerste lid, opnieuw uit te voeren;
2°. de door hem op grond van artikel 6.12e genomen
maatregelen opnieuw te bezien;
3°. het advies van de deskundige persoon, bedoeld in
artikel 2.14a, tweede lid, of de arbodienst in aanmerking te
nemen bij de uitvoering van de maatregelen die vereist zijn om
het risico te elimineren of te verminderen overeenkomstig
artikel 6.12e;
4°. te voorzien in voortgezet arbeidsgezondheidskundig
onderzoek en te zorgen voor een evaluatie van de
gezondheidstoestand van alle andere werknemers die op
overeenkomstige wijze zijn blootgesteld aan optische straling.
In die gevallen kan de deskundige persoon, bedoeld in artikel
2.14a, tweede lid, of de arbodienst voorstellen dat de aan
optische straling blootgestelde personen aan een medisch
onderzoek worden onderworpen.
2. Van iedere werknemer die een arbeidsgezondheidskundig onderzoek
als bedoeld in het eerste lid heeft ondergaan, wordt een individueel
medisch dossier opgesteld, dat regelmatig wordt bijgewerkt. De
medische dossiers bevatten een samenvatting van de resultaten van het
uitgevoerde arbeidsgezondheidskundig onderzoek. De medische dossiers
worden in geschikte vorm bewaard, zodat zij later kunnen worden
geraadpleegd.
3. De werkgever neemt passende maatregelen om te waarborgen dat de
deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de
arbodienst toegang heeft tot de resultaten van de beoordeling, meting
of berekening, bedoeld in artikel 6.12d, eerste lid.
4. Iedere werknemer heeft recht op inzage in de hem betreffende
resultaten.
Afdeling 5. Werken onder overdruk
Artikel 6.13. Definities en toepasselijkheid
1.In het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt verstaan
onder:
a. duikarbeid: het verrichten van arbeid in een vloeistof of in
een droge duikklok met inbegrip van het verblijf in die vloeistof
of in die droge duikklok, waarbij voor de ademhaling gebruik wordt
gemaakt van een gas onder een hogere druk dan de atmosferische
druk;
b. caissonarbeid: het verrichten van arbeid in een ruimte die
onder een druk van ten minste 104 Pa boven de atmosferische druk
staat en geheel of gedeeltelijk door een vloeistof wordt omgeven
alsmede het verblijf in en het transport van en naar die ruimte;
c. overige arbeid onder overdruk: het verrichten van andere
arbeid dan duik- of caissonarbeid in een ruimte onder een druk van
ten minste 104 Pa boven de atmosferische druk met inbegrip van het
verblijf in die ruimte.
2.Deze afdeling is mede van toepassing op de arbeid in of op een
zeeschip die in rechtstreeks verband staat met de te verrichten arbeid
onder overdruk.
3.Op duikarbeid met Self-Contained Underwater Breathing Apparatus (SCUBA),
bestaande uit de instructie van sportduikers tot een duikdiepte van
maximaal 50 meter, met een decompressietijd van ten hoogste 20 minuten
en met een partiėle zuurstofdruk in het ademgas van maximaal 1,4.105
PA, zijn uitsluitend de artikelen 6.14 en 6.15, eerste lid, onder a en
b en d, van toepassing.
Artikel 6.14. Geschiktheid
Duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk worden
verricht door een persoon, die in een zodanige lichamelijke en
geestelijke toestand verkeert, dat hij in staat is de gevaren, die zijn
verbonden aan de door hem te verrichten arbeid, te onderkennen en zo
mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 6.14a. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
1.Personen, die worden belast met het verrichten van duikarbeid,
caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk worden voor de aanvang
van die arbeid onderworpen aan een arbeidsgezondheidskundig onderzoek,
dat gericht is op de bijzondere gevaren voor de gezondheid, waaraan
zij bij de uitoefening van die arbeid kunnen blootstaan.
2.Na een periode van ten hoogste twaalf maanden na het onderzoek,
bedoeld in het eerste lid, wordt het arbeidsgezondheidskundig
onderzoek herhaald en vervolgens telkens met een tussenperiode van ten
hoogste twaalf maanden sinds het voorafgaande onderzoek.
3.Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in het eerste en
tweede lid, wordt uitgevoerd door een arts, die in het bezit is van
een certificaat duikerarts, dat is afgegeven door Onze Minister of een
certificerende instelling.
4.Bij ministeriėle regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de uitvoering van het arbeidsgezondheidskundig
onderzoek. Deze regels kunnen betrekking hebben op:
a. de gegevens, die bij het onderzoek worden overgelegd;
b. de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd;
c. de wijze van beoordeling van de geschiktheid of
ongeschiktheid van personen voor het verrichten van duikarbeid,
caissonarbeid of overige arbeid onder overdruk;
d. de wijze van registratie, verwerking en bewaring, alsmede de
tijdsduur van bewaring van de uit het onderzoek verkregen
gegevens.
5.Een persoon verricht slechts duikarbeid, caissonarbeid of overige
arbeid onder overdruk indien uit het arbeidsgezondheidskundig
onderzoek blijkt, dat het verrichten van die arbeid op medische
gronden toelaatbaar is. Indien uit de uitslag van het
arbeidsgezondheidskundig onderzoek blijkt dat het verrichten van
duikarbeid, caissonarbeid of overige arbeid onder overdruk slechts
onder de daarin aangegeven beperkende voorschriften toelaatbaar is,
worden deze voorschriften in acht genomen.
6.Op verzoek van de werkgever of de onderzochte persoon wordt het
in dit artikel bedoelde onderzoek één maal opnieuw uitgevoerd door
een andere arts, die in het bezit is van een certificaat duikerarts
als bedoeld in het derde lid. Het resultaat van het hernieuwde
onderzoek treedt in de plaats van het daaraan voorafgaande.
Artikel 6.14b. Duikerarts
In verband met de uitvoering van arbeidsgezondheidskundige
onderzoeken als bedoeld in artikel 6.14a, eerste en tweede lid, kunnen
voor de afgifte van het certificaat duikerarts, bedoeld in artikel
6.14a, derde lid, bij ministeriėle regeling verschillende
vakbekwaamheids-, opleidings- of registratie-eisen worden gesteld.
Artikel 6.15. Veiligheidsmaatregelen
1.Indien duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk
worden verricht, is met inachtneming van de stand van de techniek en
rekening houdende met de specifiek te verrichten arbeid:
a. nabij de plaats waar de arbeid wordt verricht een
deugdelijke schriftelijke werkinstructie aanwezig die ten minste
de door de werknemers te treffen veiligheidsvoorzieningen alsmede
de noodprocedures bevat;
b. aan de werknemers deugdelijk materieel dat in goede staat
verkeert en voldoende ademgas van goede kwaliteit ter beschikking
gesteld;
c. nabij de plaats waar de arbeid wordt verricht een daartoe
opgeleid persoon aanwezig die de werknemers adequaat medisch
begeleiden kan;
d. nabij de plaats waar de arbeid wordt verricht een adequate
eerste-hulpuitrusting aanwezig.
2.De in het eerste lid, onder c, bedoelde persoon kan terstond in
contact treden met een arts als bedoeld in artikel 6.14a, derde lid.
Artikel 6.15a. Certificering onderhoudssysteem duik- en
caissonmaterieel
1.Duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk worden
verricht door een werkgever die in het bezit is van een certificaat
Onderhoudssysteem duik- en caissonmaterieel, dat is afgegeven door
Onze Minister of een certificerende instelling.
2.Het certificaat, bedoeld in het eerste lid, of een afschrift
daarvan is op de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond
aan de toezichthouder.
Artikel 6.16. Duikarbeid
1.Duikarbeid wordt verricht door een of meer duikers die worden
bijgestaan door een reserveduiker en een ploegleider.
2.De reserveduiker verricht slechts duikarbeid bestaande uit het
verlenen van hulp aan en het redden van in moeilijkheden geraakte
duikers. Bij het gebruik van een duikklok is de reserveduiker in de
klok aanwezig.
3.De ploegleider is in het bezit van een certificaat
duikploegleider met betrekking tot de soort arbeid die hij verricht,
dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling.
4.In afwijking van het eerste lid, mag de ploegleider tevens als
reserveduiker optreden, indien duikarbeid wordt verricht in een
vloeistof die in overwegende mate uit water bestaat met een maximaal
bereikbare diepte van 9 meter en een maximale stroomsnelheid van 0,5
meter per seconde en waarbij geen voorzienbare kans bestaat dat de
duikers in die vloeistof in moeilijkheden raken.
5.Een ieder die duikarbeid heeft verricht, houdt hiervan
aantekening in een persoonlijk duiklogboek. In dit logboek worden,
naast de aard van de duikarbeid, ten minste het gevolgde duikschema
inclusief het gevolgde decompressieverloop alsmede de verblijftijd in
de vloeistof aangetekend.
6.De duikers en de reserveduiker zijn in het bezit van een
certificaat duikarbeid met betrekking tot de soort arbeid die zij
verrichten, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende
instelling.
7.Indien duikarbeid wordt verricht is de persoon, bedoeld in
artikel 6.15, eerste lid, onder c, in het bezit van een certificaat
duikmedische begeleiding met betrekking tot de soort arbeid die hij
verricht, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende
instelling.
8.Het certificaat duikploegleider, het certificaat duikarbeid en
het certificaat duikmedische begeleiding, bedoeld in het derde
respectievelijk het zesde en zevende lid, of afschriften daarvan zijn
op de arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd getoond aan de
toezichthouder.
9.Het zesde lid is niet van toepassing op degene die in het kader
van een opleiding tot duiker duikarbeid verricht, mits dit gebeurt
onder toezicht van een persoon die in het bezit is van een certificaat
als bedoeld in dat lid.
Artikel 6.17. Melding duikarbeid
1. Duikarbeid die wordt verricht,
a. op een diepte groter dan 9 meter;
b. bij een stroomsnelheid groter dan 0,5 meter per seconde;
c. met voorgenomen decompressie;
d. met een ademgas anders dan lucht;
e. over een periode langer dan een week, of
f. ten behoeve van de ondergrondse winningsindustrie of de
winningsindustrie die delfstoffen wint met behulp van boringen,
wordt ten minste vijf werkdagen vóór de aanvang ervan gemeld bij
een daartoe aangewezen toezichthouder onder opgaaf van de plaats
waar de arbeid zal worden verricht, het tijdstip waarop deze zal
aanvangen, het vermoedelijke aantal betrokken werknemers en het
aantal werknemers dat daadwerkelijk duikarbeid zal verrichten.
2. Indien de periode tussen de opdracht tot het verrichten van
duikarbeid als bedoeld in het eerste lid en de uitvoering ervan wegens
het onvoorziene en spoedeisende karakter van de duikarbeid korter is
dan vijf werkdagen, dan wordt de duikarbeid zo spoedig mogelijk bij de
ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, gemeld.
3. De in het eerste lid bedoelde melding gaat in geval van
duikarbeid ten behoeve van de ondergrondse winningsindustrie of de
winningsindustrie die delfstoffen wint met behulp van boringen,
vergezeld van informatie over de veiligheids- en gezondheidsrisico's
van de duiklocatie.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op arbeid die in het kader
van een opleiding tot duiker wordt verricht.
Artikel 6.18. Compressiekamer duikarbeid
1.Bij de plaats waar duikarbeid in water wordt verricht op een
diepte van meer dan 15 m of in een andere vloeistof onder een hogere
druk dan 1,5.105 Pa boven de atmosferische druk, is een geschikte
compressiekamer, voorzien van een personen- en medicijnsluis,
aanwezig.
2.Onverminderd het eerste lid is bij de plaats waar duikarbeid
wordt verricht een compressiekamer aanwezig indien de reistijd tussen
de duiklocatie en de dichtstbijzijnde behandelfaciliteit met
compressiekamer meer dan 2 uur bedraagt.
3.De compressiekamer, bedoeld in het eerste lid:
a. heeft een omvang en een inrichting die zijn afgestemd op het
aantal personen dat duikarbeid verricht en de aard van de
werkzaamheden, en
b. biedt ten minste plaats aan twee personen.
4.De compressiekamer wordt op de juiste wijze gebruikt.
Artikel 6.19. Caissonarbeid
1. Caissonarbeid wordt door ten minste twee personen verricht.
2. Ten minste 30 dagen vóór het verrichten van caissonarbeid
wordt hiervan melding gedaan aan een daartoe aangewezen
toezichthouder, onder overlegging van een deugdelijk werkplan.
3. Een caisson wordt gebouwd, geļnstalleerd, aangepast of
gedemonteerd onder toezicht van een speciaal daarvoor aangewezen
persoon.
4. Caissons worden regelmatig door een speciaal daarvoor aangewezen
persoon geļnspecteerd.
Artikel 6.20. Compressiekamer caissonarbeid
1.Bij de plaats waar caissonarbeid wordt verricht onder een hogere
druk dan 1,5.105 Pa boven de atmosferische druk, is een geschikte
compressiekamer, voorzien van een personen- en medicijnsluis,
aanwezig.
2.Onverminderd het eerste lid is bij de plaats waar caissonarbeid
wordt verricht een compressiekamer aanwezig indien de reistijd tussen
die plaats en de dichtstbijzijnde behandelfaciliteit met
compressiekamer meer dan 2 uur bedraagt.
3.De compressiekamer, bedoeld in het eerste lid:
a. heeft een omvang en een inrichting die zijn afgestemd op het
aantal personen dat caissonarbeid verricht en de aard van de
werkzaamheden, en
b. biedt ten minste plaats aan twee personen.
4.De compressiekamer wordt op de juiste wijze gebruikt.
Afdeling 5A. Aanvullende voorschriften ondergrondse
winningsindustrieėn
Artikel 6.20a. Schakelbepaling
Op een arbeidsplaats in de ondergrondse winningsindustrie zijn naast
de voorschriften van de afdelingen 1 tot en met 5 van dit hoofdstuk
tevens de voorschriften van deze afdeling van toepassing.
Artikel 6.20b. Ventilatie
1.Alle normaal toegankelijke ondergrondse werkterreinen worden
behoorlijk geventileerd. Door middel van een permanente ventilatie
wordt, met een voldoende veiligheidsmarge, gezorgd voor een atmosfeer:
a. die gezond is;
b. waarin het explosiegevaar en het gevaar voor stofdeeltjes
die ingeademd kunnen worden, onder controle wordt gehouden;
c. waarin de arbeidsomstandigheden tijdens de werktijd adequaat
zijn, gelet op de gebruikte werkmethoden en de fysieke belasting
van de werknemers.
2.Indien de natuurlijke ventilatie niet aan het eerste lid voldoet
wordt de hoofdventilatie door een of meer mechanische ventilatoren
verzorgd. Er worden maatregelen getroffen om een constante en continue
ventilatie te garanderen. De onderdruk van de hoofdventilatoren wordt
voortdurend gecontroleerd. Er is een automatische alarmering voor het
geval de hoofdventilatoren onverwacht uitvallen.
3.De parameters van de ventilatie worden:
a. regelmatig gemeten; en
b. de resultaten hiervan worden geregistreerd.
4.Er wordt een plattegrond gemaakt en regelmatig bijgewerkt met
alle nuttige gegevens van het ventilatiesysteem. De plattegrond is op
de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond aan de
toezichthouder.
Artikel 6.20c [Vervallen per 01-01-2007]
Afdeling 5B. Aanvullende voorschriften winningsindustrieėn met
behulp van boringen
Artikel 6.20d. Schakelbepaling
Op een arbeidsplaats in de winningsindustrie die delfstoffen wint met
behulp van boringen zijn naast de voorschriften van de afdelingen 1 tot
en met 5 van dit hoofdstuk tevens de voorschriften van deze afdeling van
toepassing.
Artikel 6.20e. Verlichting
Verlichtingsinstallaties zijn zodanig ontworpen dat operationele
bedieningsruimten, vluchtwegen, inschepingszones en gevaarlijke zones
gedurende de aanwezigheid van de werknemers verlicht zijn.
Afdeling 6. Bijzondere sectoren en bijzondere categorieėn werknemers
§ 1. Vervoer
Artikel 6.21 [Vervallen per 15-02-2006]
Artikel 6.22 [Vervallen per 15-02-2006]
Artikel 6.23 [Vervallen per 15-02-2006]
Artikel 6.24. Andere uitzonderingen voor vervoermiddelen
1.Op luchtvaartuigen waarvoor vóór 1 januari 1997 een Nederlands
of daaraan gelijkgesteld bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven,
zijn de artikelen 6.3 en 6.4 niet van toepassing, tenzij de naleving
daarvan redelijkerwijs kan worden gevergd.
2.Op zeeschepen die vóór 1 januari 1994 zijn gebouwd, zijn de
artikelen 6.3 en6.4 niet van toepassing, tenzij de naleving daarvan
redelijkerwijs kan worden gevergd.
3.De bouwdatum van een zeeschip wordt bepaald aan de hand van
hetgeen dienaangaande in artikel 2 van het Schepenbesluit 2004 of,
indien het een zeegaand vissersvaartuig betreft, in het
Vissersvaartuigenbesluit of het Vissersvaartuigenbesluit 2002 is
bepaald.
4.Op voertuigen op een openbare weg of spoorweg die vóór 1
januari 1994 zijn gebouwd, zijn de artikelen 6.3 en 6.4 niet van
toepassing, tenzij de naleving daarvan redelijkerwijs kan worden
gevergd.
§ 2. Justitiėle inrichtingen
Artikel 6.25. Klimaat, daglicht en kunstlicht en luchtverversing
De artikelen 6.1, 6.2 en6.3 zijn niet van toepassing op
arbeidsplaatsen in justitiėle inrichtingen die vóór 1 september 1990
als zodanig in gebruik waren, voor zover de naleving daarvan
redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
§ 3. Jeugdigen
Artikel 6.26. Schakelbepaling
In aanvulling op het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk gelden
voor jeugdige werknemers tevens de in deze paragraaf genoemde
voorschriften en verboden.
Artikel 6.27. Arbeidsverboden jeugdige werknemers
1.Jeugdige werknemers mogen geen duikarbeid, caissonarbeid en
overige arbeid onder overdruk, bedoeld in artikel 6.13, verrichten.
2.Jeugdige werknemers mogen geen arbeid verrichten met toestellen
die schadelijke niet-ioniserende elektromagnetische straling kunnen
uitzenden.
3.Jeugdige werknemers mogen geen arbeid verrichten op een
arbeidsplaats waar de dagelijkse blootstelling aan lawaai 85 dB(A) of
hoger is of de piekgeluidsdruk 140 Pa of hoger is.
4.Jeugdige werknemers mogen niet worden blootgesteld aan
schadelijke trillingen.
§ 4. Zwangere werknemers
Artikel 6.28. Schakelbepaling
In aanvulling op het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk gelden
voor zwangere werknemers tevens de in deze paragraaf genoemde
voorschriften.
Artikel 6.29. Arbeidsverboden werken onder overdruk
Het is een zwangere werknemer verboden duikarbeid, caissonarbeid en
overige arbeid onder overdruk als bedoeld in artikel 6.13 te verrichten.
Artikel 6.29a. Werken in ondergrondse winningsindustrie
Het is een zwangere werknemer en een werknemer tijdens de lactatie
verboden arbeid te verrichten in de ondergrondse winningsindustrie.
Artikel 6.29b. Schadelijke trillingen
Het is een zwangere werknemer verboden om op de arbeidsplaats:
a. te worden blootgesteld aan lichaamstrillingen of schokken met
een versnelling van meer dan 0.25 m/s2; of
b. in direct contact te komen met een ultrasonore trillingsbron
met een frequentie boven de 20 kHz waarbij de blootstelling hoger is
dan 110 dB per tertsband.
Artikel 6.29c. Schadelijk geluid
Het is een zwangere werknemer verboden om op de arbeidsplaats te
worden blootgesteld aan equivalente geluidsniveaus boven de 80 dB(A) en
piekgeluiden boven de 112 Pa.
§ 5 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 6.30 [Vervallen per 01-07-2012]
§ 6. Onderwijs
Artikel 6.31. Duikarbeid leerlingen en studenten
1.Artikel 6.16, zesde lid, is niet van toepassing op leerlingen
respectievelijk studenten in onderwijsinrichtingen indien deze
leerlingen respectievelijk studenten duikwerkzaamheden verrichten die:
a. in het kader van wetenschappelijk onderzoek zijn;
b. van lichte aard zijn, en
c. worden uitgevoerd door een duikploeg als bedoeld in artikel
6.16, eerste lid, waarbij de leerling respectievelijk student
functioneert als aanvullend lid van deze duikploeg.
2.De leerlingen respectievelijk studenten zijn bij het uitvoeren
van de duikwerkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, in het bezit van
een bij ministeriėle regeling aan te wijzen sportduikbrevet.
3.Bij ministeriėle regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het eerste lid.
Hoofdstuk 7. Arbeidsmiddelen en specifieke werkzaamheden
Afdeling 1. Toepasselijkheid en definitie
Artikel 7.1. Arbeidsmiddelen buiten gebruik
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op arbeidsmiddelen die op een
zodanige manier zijn gedemonteerd of gesloopt, dat zij niet op
eenvoudige wijze weer in gebruik genomen kunnen worden.
Artikel 7.2. Arbeidsmiddelen met een CE-markering
1.Een door de werkgever aan de werknemer ter beschikking gesteld
arbeidsmiddel voldoet aan de op dat arbeidsmiddel van toepassing
zijnde Warenwetbesluiten.
2.Een arbeidsmiddel wordt vermoed te voldoen aan de artikelen 7.4,
eerste en tweede lid, 7.7, 7.10, 7.13, 7.14, 7.15, 7.16, 7.17a, 7.17b,
met uitzondering van het vierde lid, en 7.18b, eerste lid, onder a,
indien het, overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde
Warenwetbesluiten, is voorzien van een CE-markering, vergezeld van een
EG-verklaring van overeenstemming, en het arbeidsmiddel overeenkomstig
de daarbij behorende gebruiksvoorschriften wordt gebruikt.
3.Indien een arbeidsmiddel slechts voor een of meer onderdelen is
voorzien van een CE-markering, vergezeld van een EG-verklaring van
overeenstemming, wordt slechts ten aanzien van dat onderdeel
respectievelijk die onderdelen vermoed dat het arbeidsmiddel voldoet
aan de in het tweede lid genoemde artikelen.
Artikel 7.2a. Definitie keuring
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder keuring: een onderzoek of een
beproeving.
Afdeling 2. Algemene voorschriften
Artikel 7.3. Geschiktheid arbeidsmiddelen
1.Bij de keuze van de arbeidsmiddelen die de werkgever ter
beschikking stelt, wordt rekening gehouden met de uit de
risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet,
gebleken specifieke kenmerken van de arbeid, met de omstandigheden
waaronder deze wordt verricht, met de op de arbeidsplaats al bestaande
gevaren en met de gevaren die daaraan zouden kunnen worden toegevoegd
door het gebruik van de desbetreffende arbeidsmiddelen.
2.Om te voorkomen dat het gebruik van arbeidsmiddelen gevaren voor
de veiligheid en gezondheid van de werknemers oplevert, worden de
arbeidsmiddelen die op de arbeidsplaats ter beschikking van de
werknemers worden gesteld, uitsluitend gebruikt voor het doel, op de
wijze en op de plaats waarvoor zij zijn ingericht en bestemd.
3.Arbeidsmiddelen zijn voorts geschikt voor het uit te voeren werk
of zijn daartoe behoorlijk aangepast.
4.Voor zover het redelijkerwijs niet mogelijk is de gevaren bij het
gebruik van de arbeidsmiddelen te voorkomen, worden zodanige
maatregelen getroffen dat de gevaren zoveel mogelijk worden beperkt.
Artikel 7.4. Deugdelijkheid arbeidsmiddelen en ongewilde
gebeurtenissen
1.Een arbeidsmiddel bestaat uit deugdelijk materiaal.
2.Een arbeidsmiddel is van een deugdelijke constructie.
3.Een arbeidsmiddel is zodanig geplaatst, bevestigd of ingericht en
wordt zodanig gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde
gebeurtenis voordoet zoals verschuiven, omvallen, kantelen, getroffen
worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, oververhitting,
brand, ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met
elektriciteit zoveel mogelijk is voorkomen.
4.Artikel 3.17 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.4a. Keuringen
1. Een arbeidsmiddel waarvan de veiligheid afhangt van de wijze van
installatie wordt na de installatie en voordat het voor de eerste maal
in gebruik wordt genomen gekeurd op de juiste wijze van installatie en
goed en veilig functioneren.
2. Een arbeidsmiddel als bedoeld in het eerste lid, wordt voorts na
elke montage op een nieuwe locatie of een nieuwe plek gekeurd op de
juiste wijze van installatie en goed en veilig functioneren.
3. Een arbeidsmiddel dat onderhevig is aan invloeden die leiden tot
verslechteringen welke aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van
gevaarlijke situaties wordt, zo dikwijls dit ter waarborging van de
goede staat noodzakelijk is, gekeurd, waarbij het zo nodig wordt
beproefd.
4. Een arbeidsmiddel als bedoeld in het derde lid wordt voorts
gekeurd, waarbij het zo nodig wordt beproefd, telkens wanneer zich
uitzonderlijke gebeurtenissen hebben voorgedaan die schadelijke
gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid van het arbeidsmiddel. Als
uitzonderlijke gebeurtenissen worden in ieder geval aangemerkt:
natuurverschijnselen, veranderingen aan het arbeidsmiddel, ongevallen
met het arbeidsmiddel en langdurige buitengebruikstelling van het
arbeidsmiddel.
5. Keuringen worden uitgevoerd door een deskundige natuurlijke
persoon, rechtspersoon of instelling.
6. Schriftelijke bewijsstukken van de uitgevoerde keuringen zijn op
de arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd getoond aan de
toezichthouder.
7. Dit artikel is niet van toepassing op attractie- en
speeltoestellen waarop het Warenwetbesluit attractie- en
speeltoestellen van toepassing is.
8. Het eerste tot en met het vijfde lid zijn niet van toepassing op
steigers waarop artikel 7.34 van toepassing is.
9. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op:
a. hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen aan
boord van schepen waarop artikel 7.29 van toepassing is;
b. liften waarop het Warenwetbesluit liften van toepassing is.
10. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
11. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op
drukapparatuur waarop artikel 12b van het Warenwetbesluit
drukapparatuur van toepassing is.
12. Het derde lid is niet van toepassing op:
a. hijs- en hefgereedschap waarop artikel 7.20 van toepassing
is;
b. containers waarop het Warenwetbesluit containers van
toepassing is;
c. hijskranen waarop de artikelen 6d tot en met 6f van het
Warenwetbesluit machines van toepassing zijn;
d. drukapparatuur waarop artikel 12c van het Warenwetbesluit
drukapparatuur van toepassing is.
13. Het vierde lid is ten aanzien van wijzigingen of reparaties
niet van toepassing op drukapparatuur waarop artikel 12c van het
Warenwetbesluit drukapparatuur van toepassing is.
14. Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing op
hijs- en hefwerktuigen voor beroepsmatig personenvervoer waarop het
Warenwetbesluit machines van toepassing is.
Artikel 7.5. Montage, demontage, onderhoud, reparatie en reiniging
van arbeidsmiddelen
1.De nodige maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de
arbeidsmiddelen tijdens de gehele gebruiksduur door toereikend
onderhoud in een zodanige staat worden gehouden, dat gevaar voor de
veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk is
voorkomen.
2.Onderhouds-, reparatie- en reinigingswerkzaamheden aan een
arbeidsmiddel worden slechts uitgevoerd indien het arbeidsmiddel is
uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos is gemaakt. Indien dit niet
mogelijk is worden doeltreffende maatregelen genomen om die
werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren.
3.Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op productie- en
afstelwerkzaamheden met of aan een arbeidsmiddel.
4.Een bij een arbeidsmiddel behorend onderhoudsboek wordt goed
bijgehouden.
5.Montage en demontage van een arbeidsmiddel vindt op veilige wijze
plaats, met inachtneming van de eventuele aanwijzingen van de
fabrikant.
Artikel 7.6. Deskundigheid werknemers
1.Met betrekking tot arbeidsmiddelen waarvan het gebruik een
specifiek gevaar voor de veiligheid van de werknemers kan opleveren
blijft het gebruik voorbehouden aan werknemers die met het gebruik
belast zijn.
2.Werknemers die belast zijn met het ombouwen, onderhouden,
repareren of reinigen van arbeidsmiddelen als bedoeld in het eerste
lid, bezitten daartoe een specifieke deskundigheid en ervaring.
Artikel 7.7. Veiligheidsvoorzieningen in verband met bewegende delen
van arbeidsmiddelen
1.Indien bewegende delen van een arbeidsmiddel gevaar opleveren,
zijn zij van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen voorzien,
dat het gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen.
2.De schermen of beveiligingsinrichtingen zijn stevig uitgevoerd.
3.De schermen of beveiligingsinrichtingen leveren geen bijzondere
gevaren op.
4.De schermen of beveiligingsinrichtingen kunnen niet op eenvoudige
wijze worden genegeerd of buiten werking worden gesteld.
5.De schermen of beveiligingsinrichtingen zijn op voldoende afstand
van de gevaarlijke zone van het arbeidsmiddel aangebracht.
6.De schermen of beveiligingsinrichtingen belemmeren het zicht op
de arbeid zo min mogelijk.
7.De schermen of beveiligingsinrichtingen zijn op een zodanige
wijze aangebracht dat de noodzakelijke onderhouds- en
reparatiewerkzaamheden op veilige wijze kunnen worden uitgevoerd.
Daarbij wordt zoveel mogelijk voorkomen dat de schermen of
beveiligingsinrichtingen moeten worden gedemonteerd.
Artikel 7.8. Verlichting
In aanvulling op artikel 6.3 zijn werk- en onderhoudspunten van een
arbeidsmiddel voldoende en doelmatig verlicht.
Artikel 7.9. Hoge en lage temperatuur
Zoveel mogelijk wordt voorkomen dat werknemers in de onmiddellijke
nabijheid komen van een arbeidsmiddel of een onderdeel daarvan met een
zeer hoge of zeer lage temperatuur. Indien dat niet mogelijk is, zijn
doeltreffende maatregelen genomen om aanraking van dat arbeidsmiddel dan
wel van dat onderdeel daarvan te voorkomen.
Artikel 7.10. Alarmsignalen
Alarmsignalen van een arbeidsmiddel zijn gemakkelijk en duidelijk
waarneembaar en als zodanig goed herkenbaar. Zij voldoen aan het bij of
krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde.
Artikel 7.11. Loskoppelen arbeidsmiddel
1.Een arbeidsmiddel beschikt over duidelijk herkenbare
voorzieningen waarmee het van zijn krachtbronnen kan worden
losgekoppeld.
2.Het na loskoppeling opnieuw aansluiten van een arbeidsmiddel op
zijn krachtbron levert geen gevaar op voor de werknemers.
Artikel 7.11a. Voorlichting
1.Een bij een arbeidsmiddel behorende gebruiksaanwijzing wordt in
begrijpelijke vorm ter kennis gebracht van de betrokken werknemers.
2.Indien het gebruik of de aanwezigheid van arbeidsmiddelen in de
onmiddellijke werkomgeving gevaren voor de werknemers kunnen
opleveren, worden zij hierop gewezen, ook indien de werknemers van
deze middelen geen rechtstreeks gebruik maken.
Afdeling 3. Arbeidsmiddelen met een besturingssysteem
Artikel 7.12. Schakelbepaling
Op een arbeidsmiddel met een besturingssysteem zijn naast de
voorschriften van de afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk tevens de
voorschriften van deze afdeling van toepassing.
Artikel 7.13. Besturingssysteem en bedieningsorgaan
1. Een besturingssysteem van een arbeidsmiddel is veilig.
2. Een besturingssysteem levert ook bij onopzettelijke handelingen
geen gevaar op voor de werknemers.
3. Bij de keuze van een besturingssysteem wordt rekening gehouden
met defecten, storingen en belastingen die bij het gebruik van het
besturingssysteem kunnen worden verwacht.
4. Een bedieningsorgaan is duidelijk zichtbaar en herkenbaar en is
daartoe, waar nodig, op passende wijze van functionele aanduidingen
voorzien.
5. Een bedieningsorgaan bevindt zich zoveel mogelijk buiten de
gevaarlijke zone van het arbeidsmiddel.
6. De plaats van het bedieningsorgaan levert geen extra gevaren op
voor de werknemers.
7. Indien een arbeidsmiddel in werking kan worden gesteld of kan
worden gestopt op een plaats van waar dat arbeidsmiddel niet geheel
kan worden gezien, wordt, om de betrokken werknemers te beschermen,
telkens tijdig voor het inwerkingstellen of stoppen van dat
arbeidsmiddel een signaal gegeven dat voldoet aan het bij of krachtens
afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde.
Artikel 7.14. In werking stellen van arbeidsmiddelen
1. Een arbeidsmiddel kan uitsluitend in werking worden gesteld door
een opzettelijk verrichte handeling met een daarvoor bestemd
bedieningsorgaan.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het
opnieuw in werking stellen na stilstand ongeacht de oorzaak daarvan,
alsmede voor het bewerkstelligen van een belangrijke wijziging in de
werking van het arbeidsmiddel, tenzij het opnieuw inwerkingstellen of
deze wijziging geen gevaren voor personen kunnen opleveren.
3. Het tweede lid is niet van toepassing, indien het
inwerkingstellen of wijzigen van de werking van een arbeidsmiddel
behoort tot het normale programma van een automatische cyclus.
Artikel 7.15. Stopzetten van arbeidsmiddelen
1. Een arbeidsmiddel kan op veilige wijze worden stopgezet met een
daarvoor bestemd bedieningsorgaan. Een besturingssysteem stopt naar
gelang het gevaar hetzij het gehele arbeidsmiddel hetzij onderdelen
daarvan, zodanig dat het arbeidsmiddel in een veilige toestand is.
2. Wanneer het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan zijn stopgezet,
wordt de energietoevoer naar het arbeidsmiddel of de onderdelen
daarvan die het gevaar veroorzaken, onderbroken.
3. De opdracht tot het stopzetten van een arbeidsmiddel of een
onderdeel daarvan kan niet worden opgeheven door een opdracht tot
starten van dat arbeidsmiddel of een onderdeel daarvan.
Artikel 7.16. Noodstopvoorziening
Een arbeidsmiddel beschikt over een noodstopvoorziening, indien dit
met het oog op de gevaren van dat arbeidsmiddel en de normale tijd die
nodig is om dat arbeidsmiddel stop te zetten noodzakelijk is.
Afdeling 4. Aanvullende voorschriften specifieke arbeidsmiddelen en
werkzaamheden
§ 1. Afstemming
Artikel 7.17. Schakelbepaling
Op de in deze afdeling genoemde specifieke arbeidsmiddelen en
werkzaamheden zijn naast de voorschriften van de afdelingen 1 tot en met
3 van dit hoofdstuk tevens de voorschriften van deze afdeling van
toepassing.
§ 2. Voorschriften voor mobiele arbeidsmiddelen
Artikel 7.17a. Uitrusting mobiele arbeidsmiddelen
1.Mobiele arbeidsmiddelen waarop een of meer personen kunnen worden
vervoerd, zijn zodanig uitgerust dat het gevaar voor deze personen
tijdens het vervoer zoveel mogelijk wordt beperkt.
2.Mobiele arbeidsmiddelen, met uitzondering van heftrucks, waarmee
een of meer personen kunnen worden vervoerd, zijn zodanig uitgerust
dat onder de feitelijke gebruiksomstandigheden de gevaren als gevolg
van het kantelen of omvallen van het mobiele arbeidsmiddel zoveel
mogelijk worden beperkt door:
a. een beschermingsconstructie die verhindert dat het mobiele
arbeidsmiddel meer dan een kwartslag kantelt;
b. een constructie die ervoor zorgt dat er rond de te vervoeren
personen voldoende vrije ruimte voorhanden is, wanneer het mobiele
arbeidsmiddel zich meer dan een kwartslag kan bewegen, of
c. andere voorzieningen met een gelijk veiligheidsniveau.
3.Het tweede lid is niet van toepassing indien het mobiele
arbeidsmiddel tijdens het gebruik wordt gestabiliseerd of indien het
mobiele arbeidsmiddel zodanig is ontworpen dat het niet kan kantelen
of omvallen.
4.Indien het gevaar bestaat dat de te vervoeren personen bij
kanteling of omslaan bekneld kunnen raken tussen de delen van het
mobiele arbeidsmiddel en de grond, is een systeem geļnstalleerd
waarmee zij kunnen worden tegengehouden.
5.Heftrucks waarmee een of meer personen kunnen worden vervoerd,
zijn zodanig uitgerust, dat het gevaar van kantelen of de gevolgen
daarvan zoveel mogelijk worden beperkt door:
a. een bestuurderscabine;
b. een inrichting die verhindert dat de heftruck kantelt;
c. een inrichting die ervoor zorgt dat, indien de heftruck
kantelt, er voor de te vervoeren personen voldoende vrije ruimte
is tussen de grond en bepaalde delen van de heftruck;
d. een inrichting op elke zitplaats van de heftruck, waarmee de
op de truck aanwezige personen zich op de zitplaats kunnen
vastzetten, of
e. andere voorzieningen met een gelijk veiligheidsniveau.
6.Indien het onverhoeds blokkeren van onderdelen voor de
energie-overbrenging tussen het mobiele arbeidsmiddel en zijn
hulpstukken of aanhangers specifieke gevaren kan opleveren, is dit
arbeidsmiddel uitgerust met een voorziening die deze blokkering
verhindert. Indien een dergelijke blokkering niet kan worden
verhinderd, zijn zodanige maatregelen genomen dat de gevaren zoveel
mogelijk worden beperkt.
7.Mobiele arbeidsmiddelen zijn voorzien van middelen voor de
bevestiging van onderdelen voor de energie-overbrenging, wanneer deze
onderdelen vervuild of beschadigd kunnen raken doordat zij over de
grond slepen.
Artikel 7.17b. Uitrusting mobiele arbeidsmiddelen met eigen
aandrijving
1.In aanvulling op artikel 7.17a is dit artikel van toepassing op
mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving waarvan de verplaatsing
gevaren voor de werknemers kan opleveren.
2.Mobiele arbeidsmiddelen worden uitgerust met:
a. voorzieningen om te vermijden dat zij door onbevoegden in
werking kunnen worden gesteld;
b. doeltreffende voorzieningen ter beperking van de gevolgen
van een eventuele botsing, indien verschillende, op rails rijdende
arbeidsmiddelen tegelijkertijd worden verplaatst;
c. een rem- en stopvoorziening;
d. een noodvoorziening, voorzover die om veiligheidsredenen
noodzakelijk is, welke voorziening bij het uitvallen van het
hoofdsysteem van de rem- en stopvoorziening het mobiele
arbeidsmiddel door gemakkelijk toegankelijke besturingsorganen of
door automatische systemen het mobiele arbeidsmiddel kan afremmen
en tot stilstand brengen;
e. doeltreffende hulpmiddelen die een toereikend zicht voor de
bestuurder mogelijk maken indien het directe gezichtsveld van hem
ontoereikend is om de veiligheid van personen te waarborgen.
3.Indien mobiele arbeidsmiddelen 's nachts of op donkere plaatsen
worden gebruikt, zijn zij voorzien van een verlichtingsinstallatie die
is aangepast aan het uit te voeren werk en die de werknemers voldoende
veiligheid biedt.
4.Indien mobiele arbeidsmiddelen, hun aanhangers, of ladingen
brandgevaar voor personen kunnen opleveren, zijn zij voorzien van
doeltreffende brandbestrijdingsmiddelen, tenzij de arbeidsplaats
hiermee op voldoende korte afstand van deze arbeidsmiddelen, hun
aanhangers of ladingen is uitgerust.
5.Indien mobiele arbeidsmiddelen op afstand worden bediend, komen
zij automatisch tot stilstand wanneer zij het controlegebied verlaten.
6.Indien mobiele arbeidsmiddelen op afstand worden bediend en onder
normale gebruiksomstandigheden werknemers kunnen aan- of klemrijden,
zijn zij uitgerust met voorzieningen die bescherming tegen deze
gevaren bieden, tenzij er andere geschikte voorzieningen aanwezig zijn
om het gevaar van aanrijdingen te beperken.
Artikel 7.17c. Gebruik mobiele arbeidsmiddelen
1.Mobiele arbeidsmiddelen met een eigen aandrijving worden bediend
door werknemers die daartoe een specifieke deskundigheid bezitten.
2.Het meerijden van werknemers op mobiele arbeidsmiddelen met eigen
aandrijving is slechts toegestaan op speciaal daartoe ingerichte
veilige plaatsen.
3.Indien tijdens de verplaatsing van een arbeidsmiddel als bedoeld
in het tweede lid, werkzaamheden worden uitgevoerd, wordt de snelheid
van het arbeidsmiddel zo nodig aangepast.
4.Indien een mobiel arbeidsmiddel zich binnen een werkzone waar
werknemers zich kunnen bevinden, beweegt, worden doeltreffende
verkeersregels vastgesteld.
5.Doeltreffende organisatorische maatregelen worden genomen om te
voorkomen dat werknemers zich bevinden in de werkzone van mobiele
arbeidsmiddelen met eigen aandrijving.
6.Indien voor de goede uitvoering van de werkzaamheden de
aanwezigheid van werknemers in een werkzone als bedoeld in het vijfde
lid, is vereist, worden doeltreffende maatregelen genomen om te
voorkomen dat zij door het mobiele arbeidsmiddel gewond raken.
7.Met een verbrandingsmotor uitgeruste mobiele arbeidsmiddelen
worden op de arbeidsplaats niet gebruikt, tenzij is gezorgd voor
voldoende schone lucht.
8.Een mobiel arbeidsmiddel wordt niet eerder door de bestuurder
verlaten dan nadat het is stilgezet en is zeker gesteld dat het na het
verlaten niet onverhoeds in beweging komt.
Artikel 7.17d. Personentransport over water
Bij transport van werknemers over water worden doeltreffende
maatregelen getroffen om de veiligheid van deze werknemers te
waarborgen.
§ 2a. Voorschriften voor arbeidsmiddelen voor het hijsen en heffen
van lasten of personen
Artikel 7.18. Hijs- en hefwerktuigen
1.Een hijs- of hefwerktuig is op of nabij de bedieningsplaats
voorzien van een goed leesbare aanduiding, die voor elke gebruikelijke
configuratie van dat werktuig de toegelaten bedrijfslast vermeldt.
2.Een hijs- of hefwerktuig wordt, behalve ten behoeve van
beproeving, niet zwaarder belast dan de toegelaten bedrijfslast of
bedrijfslasten noch zwaarder dan een veilig gebruik toelaat.
3.Hijs- en hefwerktuigen worden bediend door personen die daartoe
een specifieke deskundigheid bezitten.
4.Met een hijs-of hefwerktuig dat uitsluitend is bestemd en
ingericht voor het vervoer van goederen, worden in de plaats van of
tezamen met goederen geen personen vervoerd.
5.Een hijs- of hefwerktuig dat niet is bestemd of ingericht voor
het hijsen of heffen van personen en waarbij de kans aanwezig is op
foutief gebruik, wordt voorzien van een goed leesbare waarschuwing
tegen personenvervoer.
6.Hijs- en hefwerktuigen worden zodanig opgesteld dat het gevaar
wordt beperkt dat de lasten de werknemers raken, dan wel ongewild op
gevaarlijke wijze uit hun baan of in een vrije val raken of losraken.
7.Doeltreffende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat
werknemers zich niet ophouden onder hangende lasten.
8.Hangende lasten worden niet verplaatst boven niet beschermde
werkplekken waar zich in de regel werknemers bevinden.
9.Indien bij toepassing van de leden zeven en acht het goede
verloop van de werkzaamheden niet kan worden gegarandeerd, worden
passende procedures vastgesteld en toegepast om de veiligheid van de
betrokken werknemers te waarborgen.
Artikel 7.18a. Hijs- en hefwerktuigen voor niet-geleide lasten
1.In aanvulling op artikel 7.18 is dit artikel van toepassing op
het gebruik van hijs- en hefwerktuigen die dienen voor het hijsen of
heffen van niet-geleide lasten.
2.Wanneer twee of meer hijs- of hefwerktuigen zodanig op een
werkplek worden geļnstalleerd of gemonteerd dat hun werkgebieden
elkaar overlappen, worden doeltreffende maatregelen genomen om
botsingen tussen de lasten of delen van deze werktuigen te voorkomen.
3.Bij het gebruik van een mobiel hijs- of hefwerktuig worden
doeltreffende maatregelen genomen om te voorkomen dat het werktuig
kantelt, ongewild in beweging komt of wegglijdt.
4.Er wordt op toegezien dat de maatregelen, bedoeld in het derde
lid, naar behoren worden uitgevoerd.
5.Wanneer de bediener van een hijs- of hefwerktuig noch
rechtstreeks noch door middel van informatieverstrekkende hulpmiddelen
de volledige baan van de last kan volgen, wordt een werknemer
aangewezen die met de bediener in verbinding staat om deze te leiden.
6.Voorts worden verdere organisatorische maatregelen genomen om
ongewilde botsingen van de last van het hijs- of hefwerktuig te
voorkomen.
7.Wanneer lasten met de hand worden vast- of losgemaakt, zijn de
werkzaamheden zodanig georganiseerd dat de werknemer deze handelingen
veilig kan verrichten en hierover direct of indirect controle behoudt.
8.Alle handelingen voor het hijsen of heffen worden correct gepland
teneinde de veiligheid van de werknemers te garanderen.
9.De handelingen, bedoeld in het achtste lid, worden onder
doeltreffend toezicht uitgevoerd.
10.Met name indien een last gelijktijdig wordt gehesen of geheven
door twee of meer hijs- of hefwerktuigen wordt een procedure
vastgesteld en toegepast om een goede coördinatie van de handelingen
van de bedieners te waarborgen.
11.Indien hijs- of hefwerktuigen bij het geheel of gedeeltelijk
uitvallen van de energietoevoer de lasten niet meer kunnen houden,
zijn doeltreffende maatregelen genomen om te vermijden dat werknemers
aan de daarmee verbonden gevaren worden blootgesteld.
12.Op de lasten, bedoeld in het elfde lid, wordt voortdurend
toezicht gehouden, tenzij de toegang tot de gevarenzone wordt
verhinderd en de lasten volkomen veilig zijn vastgemaakt en worden
vastgehouden.
13.In de open lucht gebruikte hijs- en hefwerktuigen worden
stilgelegd zodra de weersomstandigheden zodanig verslechteren dat de
bedrijfsveiligheid in gevaar komt en de werknemers aan gevaren worden
blootgesteld. In dit geval worden doeltreffende
beschermingsmaatregelen genomen, in het bijzonder om te verhinderen
dat het hijs- of hefwerktuig kantelt.
Artikel 7.18b. Hijs- en hefwerktuigen voor personen
1.In aanvulling op de artikelen 7.18 en 7.18a zijn hijs- en
hefwerktuigen die zijn bestemd en ingericht voor het hijsen of heffen
van personen, met zodanige voorzieningen uitgerust dat zoveel mogelijk
wordt voorkomen dat:
a. het hijs- of hefplatform voor personen naar beneden valt,
b. personen van dit platform vallen,
c. een persoon die van het hijs- of hefwerktuig gebruik maakt
wordt verpletterd, beklemd raakt of wordt aangestoten, in het
bijzonder als gevolg van een onopzettelijk contact met een
voorwerp.
2.Een hijs- of hefwerktuig als bedoeld in het eerste lid, heeft
voorts een zodanige voorziening, dat bij een mankement aan het
werktuig de veiligheid van personen die zich op het hijs- of
hefplatform voor personen bevinden, zoveel mogelijk is gewaarborgd en
dat hun bevrijding mogelijk is.
3.Indien het gevaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, om redenen
in verband met de terreinomstandigheden en het hoogteverschil niet met
behulp van een veiligheidsvoorziening kan worden vermeden, is in de
ophanging van het hijs- of hefplatform een geschikte kabel, ketting of
een andere voorziening met een verhoogde veiligheidscoėfficiėnt
toegepast.
4.In het geval, bedoeld in het derde lid, wordt de goede staat van
de in de ophanging toegepaste kabel, ketting of andere voorziening
elke werkdag gecontroleerd.
Artikel 7.19 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 7.20. Hijs- en hefgereedschap
1.Hijs- en hefgereedschap wordt gekozen op grond van te hanteren
lasten, de aanslagpunten, de haakvoorziening en de
weersomstandigheden, daarbij rekening houdend met de wijze van
aanslaan van de last en het te gebruiken hijs- of hefwerktuig.
2.Hijs- en hefgereedschap, anders dan touwwerk of staalkabels, is
voorzien van een goed leesbare aanduiding die de werklast vermeldt.
3.Samengesteld hijs- en hefgereedschap is duidelijk gemarkeerd om
de gebruiker in staat te stellen de kenmerken ervan te kennen.
4.Hijs- en hefgereedschap wordt, behalve ten behoeve van
beproeving, niet zwaarder belast dan de werklast noch zwaarder dan een
veilig gebruik toelaat.
5.Hijs- en hefgereedschap wordt zodanig opgeslagen dat het niet kan
worden beschadigd of aangetast.
6.Hijs- en hefgereedschap wordt ten minste eenmaal per jaar door
een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling op
zijn goede staat onderzocht waarbij het zo nodig wordt beproefd. Deze
persoon of instelling beschikt over de daarvoor benodigde uitrusting.
7.Bewijsstukken van de onderzoeken en beproevingen, bedoeld in het
zesde lid, zijn op de arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd
getoond aan de toezichthouder.
Artikel 7.21. Werkzaamheden in liftschachten
1.Indien zich in een schacht twee of meer liften bevinden, worden
afdoende technische maatregelen genomen teneinde te voorkomen dat
personen bij werkzaamheden in de schacht aan een van de liften,
getroffen worden door onderdelen van een naastliggende lift.
2.Indien het nemen van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid,
niet mogelijk is, wordt het in het eerste lid bedoelde gevaar
voorkomen door stilzetting van de naastliggende lift.
Artikel 7.22 [Vervallen per 01-01-2007]
§ 2b. Voorschriften betreffende het gebruik van ter beschikking
gestelde arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte
Artikel 7.23. Algemeen
1.Indien tijdelijke werkzaamheden op hoogte niet veilig en onder
passende ergonomische omstandigheden op een daartoe geschikte
werkvloer kunnen worden uitgevoerd, worden de meest geschikte
arbeidsmiddelen gekozen om veilige arbeidsomstandigheden te waarborgen
en te handhaven. Om dit te bereiken:
a. krijgen collectieve veiligheidsmaatregelen voorrang boven
persoonlijke veiligheidsmaatregelen;
b. zijn de afmetingen van de arbeidsmiddelen:
1°. afgestemd op de aard van de te verrichten
werkzaamheden;
2°. afgestemd op de voorzienbare belastingen, en
3°. zodanig dat zonder gevaar doorgang mogelijk is;
c. worden de meest geschikte toegangsmiddelen voor de
tijdelijke arbeidsplaats op hoogte gekozen afhankelijk van het
verkeer, de te overbruggen hoogte en de gebruiksduur;
d. biedt het gekozen toegangsmiddel de mogelijkheid van
ontruiming bij dreigend gevaar;
e. levert het overstappen van een toegangsmiddel op platformen,
vloeren of loopbruggen en omgekeerd geen extra valrisico's op.
2.Met inachtneming van het eerste lid wordt het gebruik van ladders
en trappen als arbeidsplaatsen op hoogte beperkt tot omstandigheden
waarin het gebruik van andere, veiliger arbeidsmiddelen niet
gerechtvaardigd is in verband met het geringe risico, en
a. vanwege de korte gebruiksduur, of
b. de bestaande kenmerken van de locaties die de werkgever niet
kan veranderen.
3.Toegangs- en positioneringstechnieken met lijnen worden alleen
gebruikt onder omstandigheden waarin uit de risico-inventarisatie en
-evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, blijkt dat het werk
veilig kan worden uitgevoerd en waarin het gebruik van andere,
veiliger arbeidsmiddelen redelijkerwijs niet mogelijk is.
4.In het geval, bedoeld in het derde lid, wordt, rekening houdend
met de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van
de wet, en met de duur van de werkzaamheden en met de ergonomische
vereisten, voorzien in een zitje met geschikte toebehoren.
5.Afhankelijk van het te gebruiken arbeidsmiddel worden ter
minimalisering van de aan dit arbeidsmiddel verbonden risico's voor de
werknemers, de nodige maatregelen genomen. Zo nodig worden
valbeveiligingen aangebracht.
6.De valbeveiligingen zijn van een zodanige configuratie en sterkte
dat vallen van hoogte wordt voorkomen of dat een eventuele val wordt
gestopt, zodanig dat letsel bij de werknemers zoveel mogelijk wordt
voorkomen.
7.De collectieve valbeveiligingen worden alleen onderbroken daar
waar zich een toegang tot een ladder of trap bevindt.
8.Wanneer de uitvoering van werkzaamheden vereist dat een
collectieve valbeveiliging tijdelijk wordt verwijderd, wordt gezorgd
voor doeltreffende, vervangende veiligheidsvoorzieningen.
9.De werkzaamheden, bedoeld in het achtste lid, worden niet
uitgevoerd zolang deze vervangende voorzieningen niet zijn getroffen.
10.Na de definitieve of tijdelijke beėindiging van de
werkzaamheden, bedoeld in het achtste lid, worden de collectieve
valbeveiligingen weer aangebracht.
11.Tijdelijke werkzaamheden op hoogte worden slechts uitgevoerd
wanneer de weersomstandigheden de veiligheid en gezondheid van de
werknemers niet in gevaar brengen.
Artikel 7.23a. Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van
ladders en trappen
1.Ladders en trappen worden zodanig geplaatst dat hun stabiliteit
tijdens het gebruik is gewaarborgd. In ieder geval worden hiertoe de
volgende maatregelen genomen:
a. de steunpunten van draagbare ladders en trappen rusten op een
stabiele, stevige en onbeweeglijke ondergrond van voldoende omvang,
zodat de sporten horizontaal blijven;
b. hangladders worden stevig vastgemaakt en, met uitzondering van
touwladders, zodanig dat zij niet kunnen verschuiven en dat heen en
weer zwaaien wordt vermeden.
2.Bij het gebruik van ladders en trappen worden in ieder geval de
volgende maatregelen genomen:
a. het wegglijden van de voet van draagbare ladders en trappen
tijdens het gebruik wordt tegengegaan door de boven of onderkant
van de ladderbomen vast te zetten, of door middel van een
antislipinrichting of een andere, even doeltreffende oplossing;
b. toegangsladders steken tenminste 1 meter uit boven het
toegangsniveau, tenzij andere voorzieningen een veilig houvast
mogelijk maken;
c. meerdelige ladders en schuifladders worden zodanig gebruikt
dat de verschillende delen niet ten opzichte van elkaar kunnen
verschuiven;
d. verrolbare ladders en trappen worden vastgezet voordat zij
worden betreden.
3.Ladders en trappen worden zodanig gebruikt dat de werknemers
steeds veilige steun en houvast hebben. In elk geval mag het met de
hand dragen van lasten op een ladder of een trap niet een veilig
houvast belemmeren.
Artikel 7.23b. Specifieke bepalingen betreffende steigers
1.Wanneer voor de gekozen steiger de sterkte- en
stabiliteitsberekening niet beschikbaar is of de overwogen
structuurconfiguraties in de berekening niet zijn voorzien, wordt
alsnog een sterkte- en stabiliteitsberekening uitgevoerd, tenzij de
steiger wordt opgebouwd volgens een algemeen erkende
standaardconfiguratie.
2.Afhankelijk van de complexiteit van de gekozen steiger wordt door
een daartoe bevoegde persoon een montage-, demontage- en ombouwschema
opgesteld. Dit schema kan de vorm hebben van een algemeen
uitvoeringsschema, dat voor specifieke steigers is aangevuld met
detailtekeningen.
3.De ondersteuningen van een steiger worden beveiligd tegen
wegglijden, hetzij door bevestiging aan het steunvlak, hetzij door een
antislipinrichting of een andere, even doeltreffende oplossing.
4.Het dragende oppervlak van de ondersteuningen heeft een voldoende
capaciteit.
5.De stabiliteit van de steiger is verzekerd. Ongewilde bewegingen
van rolsteigers tijdens werkzaamheden op hoogte worden door een
passende voorziening voorkomen.
6.De afmetingen, de vorm en de ligging van de vloeren van een
steiger worden aan de aard van de te verrichten werkzaamheden en aan
de te dragen lasten aangepast en zijn zodanig dat veilig verkeer kan
plaatsvinden en veilig kan worden gewerkt.
7.De vloeren van steigers zijn zodanig gemonteerd dat hun
onderdelen bij normaal gebruik niet kunnen bewegen. Tussen de
onderdelen van de vloeren en de verticale inrichtingen van de
collectieve valbeveiligingen komen geen gevaarlijke openingen voor.
8.Indien bepaalde gedeelten van een steiger niet gebruiksklaar
zijn, worden deze gedeelten met inachtneming van afdeling 2 van
hoofdstuk 8 gemarkeerd met waarschuwingssignalen en behoorlijk
afgebakend door materiėle elementen die de toegang tot de gevarenzone
beletten.
9.Steigers worden alleen opgebouwd, afgebroken of ingrijpend
veranderd onder leiding van een bevoegde persoon en door werknemers
die voor de beoogde werkzaamheden een toereikende en specifieke
opleiding hebben ontvangen met betrekking tot de specifieke risico's
die in het bijzonder is gericht op:
a. het begrijpen van het montage-, demontage- en ombouwschema
van de betreffende steiger;
b. het veilig monteren, demonteren of ombouwen van de
betreffende steiger;
c. maatregelen ter preventie van het risico dat personen of
voorwerpen vallen;
d. veiligheidsmaatregelen bij veranderende weersomstandigheden
die afbreuk kunnen doen aan de veiligheid van de betrokken
steigers;
e. de toelaatbare belasting, en
f. ieder ander risico dat de montage-, demontage- of
ombouwwerkzaamheden met zich mee kunnen brengen.
10.De persoon die de werkzaamheden leidt en de betrokken werknemers
moeten beschikken over het montage-, demontage- en ombouwschema,
bedoeld in het tweede lid, met inbegrip van eventuele daarbijbehorende
instructies.
Artikel 7.23c. Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van
toegangs- en positioneringstechnieken met lijnen
1.Bij het gebruik van toegangs- en positioneringstechnieken met
lijnen als bedoeld in artikel 7.23, derde lid, wordt aan de volgende
voorwaarden voldaan:
a. het systeem omvat ten minste twee afzonderlijk verankerde
lijnen, te weten:
1°. een werklijn die dient om op of uit de arbeidsplaats
te komen, en
2°. een veiligheidslijn die als reservelijn fungeert;
b. de werknemers beschikken over en maken gebruik van een
geschikt harnas dat voldoet aan de bepalingen, vastgesteld bij of
krachtens afdeling 1 van hoofdstuk 8, waardoor zij verbonden zijn
met de veiligheidslijn;
c. de werklijn is voorzien van:
1°. een veilig stijg- en afdaalmechanisme, en
2°. een zelfblokkerend mechanisme waardoor de gebruiker,
wanneer hij de controle over zijn bewegingen verliest, niet
kan vallen;
d. de veiligheidslijn is uitgerust met een beweegbaar
valbeveiligingsmechanisme dat de werknemer in zijn bewegingen
volgt;
e. de gereedschappen en andere hulpstukken die de werknemer
gebruikt, zijn verbonden met het harnas of het zitje van de
werknemer, bedoeld in artikel 7.23, vierde lid, of op een andere,
passende wijze bevestigd;
f. het werk wordt naar behoren gepland en er wordt toezicht
gehouden opdat zo nodig de werknemer onmiddellijk hulp kan worden
geboden;
g. de betrokken werknemers ontvangen een adequate en specifieke
opleiding voor de beoogde werkzaamheden, in het bijzonder
betreffende de reddingsprocedures.
2.In uitzonderlijke omstandigheden waarin het gebruik van twee
lijnen, gezien de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in
artikel 5 van de wet, het werk gevaarlijker zou maken, kan het gebruik
van één enkele lijn worden toegestaan mits passende maatregelen zijn
genomen om de veiligheid te waarborgen.
Artikel 7.23d. Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van
werkbakken
1.Artikel 7.18, vierde lid, is niet van toepassing op het vervoer
van werknemers met behulp van een werkbak die is gekoppeld aan een
hijs- of hefwerktuig indien vanuit die werkbak werkzaamheden worden
verricht die jaarlijks hooguit enkele keren plaatsvinden en die per
keer niet langer duren dan vier uren, op plaatsen die moeilijk
bereikbaar zijn en indien toepassing van andere, meer geėigende
middelen om die plaatsen te bereiken, grotere gevaren zou meebrengen
dan het vervoer van werknemers met een werkbak als vorenbedoeld, of de
toepassing van zodanige middelen redelijkerwijs niet kan worden
gevergd.
2.Bij toepassing van het eerste lid worden uitsluitend werkbakken
gebruikt waarbij:
a. indien de werkbak is bevestigd aan een heftruck of
soortgelijk mobiel hefwerktuig, de belasting van de volbelaste
werkbak niet méér bedraagt dan de helft van de maximaal
toegestane belasting van het hefwerktuig in zijn meest ongunstige
stand;
b. indien de werkbak is bevestigd aan een hijskraan, de
belasting door de volbelaste werkbak en het bijbehorend
hijsgereedschap niet méér bedraagt dan één kwart van de
toelaatbare werklast van de hijskraan. In afwijking hiervan
bedraagt de belasting bij het gebruik van een werkbak die is
bevestigd aan een vast-opgestelde hijskraan of aan een op een
permanente kraanbaan opgestelde hijskraan niet meer dan driekwart
van de nominale belasting waarvoor deze kranen zijn ontworpen.
3.Bij toepassing van het eerste lid is de bedieningsplaats van het
hijs- of hefwerktuig permanent bemand.
4.Bij toepassing van het eerste lid is bij gebruik van een heftruck
of een soortgelijk mobiel hefwerktuig, de horizontale verplaatsing van
een werkbak die meer dan 0,2 m is geheven, slechts toegestaan indien
wordt gereden met een snelheid van maximaal 2,5 km/uur ten behoeve van
het positioneren van de werkbak.
5.Bij toepassing van het eerste lid gelden ten aanzien van de
hijskraan en het hefgereedschap die in combinatie met een werkbak
worden gebruikt de volgende voorschriften:
a. met een mobiele hijskraan, waaraan een bemande werkbak is
bevestigd, wordt niet gereden;
b. met een op een kraanbaan rijdende hijskraan met bemande
werkbak wordt uitsluitend met een snelheid van maximaal 2,5 km/uur
gereden.
6.Bij toepassing van het eerste lid gelden ten aanzien van de
betrokken werknemers de volgende voorschriften:
a. de werknemers die worden gehesen of geheven beschikken over
een doeltreffend communicatiemiddel, en
b. doeltreffende voorzieningen zijn getroffen om de werknemers
bij gevaar te kunnen evacueren.
§ 3. Voorschriften bij het laden en lossen van schepen
Artikel 7.24. Toegang tot het schip
1.In aanvulling op artikel 3.2 is de toegang tot een ruim van een
schip of dek uitsluitend toegestaan door een vaste trap of, indien dit
niet mogelijk is, een vaste ladder of klampen of voetopeningen van
geschikte afmetingen, van voldoende sterkte en van een behoorlijke
constructie dan wel andere deugdelijke toegangsmiddelen.
2.De in het eerste lid genoemde toegangsmiddelen zijn, indien dit
redelijkerwijs mogelijk is, gescheiden van de luikopeningen.
Artikel 7.25. Luiken
1.Luiken die met behulp van hijs- of hefwerktuigen worden geplaatst
of verwijderd, zijn uitgerust met goed toegankelijke en geschikte
bevestigingen voor het vastmaken van hijsgereedschap.
2.Indien luiken niet onderling verwisselbaar zijn, zijn zij
duidelijk gemerkt om aan te geven tot welke ruimopening alsmede op
welke plaats zij behoren.
3.Motorisch of hydraulisch bediende luiken en overige motorisch of
hydraulisch aangedreven scheepsuitrusting worden uitsluitend geplaatst
of verwijderd door een daartoe bevoegde persoon.
4.De in het derde lid bedoelde luiken en scheepsuitrusting worden
uitsluitend geplaatst of verwijderd indien dit op veilige wijze kan
gebeuren.
5.Luikopeningen die niet zijn uitgerust met een doelmatig luikhoofd
worden gesloten dan wel anderszins beveiligd zodra de laad- en
loswerkzaamheden zijn beėindigd.
6.Luiken worden niet geplaatst of verwijderd, indien er in het ruim
onder de luikopening arbeid wordt verricht.
7.Luiken die niet afdoende tegen verplaatsing zijn geborgd, worden
verwijderd voordat met laad- en loswerkzaamheden wordt begonnen.
Artikel 7.26. Verwerken van goederen of materialen
1.Het opslaan of overslaan, laden of lossen, stuwen of anderszins
verwerken van goederen of materialen op de kade, in loodsen of in het
schip, geschiedt op veilige en ordelijke wijze, rekening houdend met
de aard van die goederen of materialen en de verpakking daarvan.
2.Lasten worden niet opgelicht of neergelaten, tenzij zij op
veilige wijze aan het hijs- of hefwerktuig zijn aangeslagen of
anderszins bevestigd.
Artikel 7.27. Tuigplannen en bind- of hijsmiddelen
1.Voor het veilig tuigen van laadbomen en het bijbehorende gerei
zijn aan boord van het schip tuigplannen en alle daarop betrekking
hebbende gegevens aanwezig. De tuigplannen worden desgevraagd getoond
aan de toezichthouder.
2.Voor eenmalig gebruik bestemde bind- of hijsmiddelen worden niet
opnieuw gebruikt.
Artikel 7.28. Containers
Tijdens het laden en lossen van containers zijn deugdelijke middelen
aanwezig die de veiligheid van de werknemers bij het aanbrengen of
verwijderen van de sjorringen van de containers waarborgen.
Artikel 7.29. Hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen
aan boord van schepen
1.In afwijking van artikel 7.20, zesde en zevende lid, gelden voor
hijs- en hefwerktuigen alsmede hijs- en hefgereedschappen aan boord
van schepen, die gebruikt worden voor het laden en lossen, de volgende
bepalingen.
2.Hijs- en hefwerktuigen met inbegrip van de daarbij behorende
hulpstukken, onderdelen, bevestigingspunten, verankeringen en steunen,
en hijs- en hefgereedschappen worden, voordat zij voor de eerste maal
in gebruik worden genomen, doelmatig beproefd en op hun goede staat
onderzocht.
3.Werktuigen en gereedschappen als bedoeld in het tweede lid,
worden na iedere belangrijke wijziging of herstelling die van invloed
kan zijn op de veiligheid, doelmatig beproefd en op hun goede staat
onderzocht.
4.Werktuigen en gereedschappen als bedoeld in het tweede lid,
worden, afhankelijk van de feitelijke belasting, regelmatig doch in
ieder geval ten minste eenmaal per vijf jaar, doelmatig beproefd en op
hun goede staat onderzocht.
5.Hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen worden,
afhankelijk van de feitelijke belasting, regelmatig doch in ieder
geval ten minste eenmaal per jaar, op hun goede staat onderzocht.
6.Hijs- en hefgereedschappen worden, afhankelijk van het gebruik,
regelmatig op hun goede staat gecontroleerd.
7.Beproevingen en onderzoeken als bedoeld in het tweede tot en met
vierde lid, worden uitgevoerd door Onze Minister of een certificerende
instelling.
8.Onderzoeken en controles als bedoeld in het vijfde en zesde lid,
worden uitgevoerd door een deskundige natuurlijke persoon,
rechtspersoon of instelling.
9.Van de beproevingen en onderzoeken, bedoeld in het tweede tot en
met vierde lid, worden door de certificerende instelling, bedoeld in
het zevende lid, certificaten uitgereikt volgens een bij ministeriėle
regeling vastgesteld model.
10.Aan boord van ieder schip wordt een register van hijs- en
hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen bijgehouden volgens een
bij ministeriėle regeling vastgesteld model, waarin de in het negende
lid bedoelde certificaten worden opgenomen. In het register worden de
bedrijfslast of bedrijfslasten van de hijs- en hefwerktuigen, de
werklast van de hijs- en hefgereedschappen alsmede de tijdstippen en
de resultaten van de in het tweede tot en met vijfde lid, bedoelde
beproevingen en onderzoeken vermeld. De tijdstippen en het resultaat
van de in het zesde lid bedoelde controles worden vermeld, indien bij
de desbetreffende controles een defect is geconstateerd. Het register
wordt desgevraagd getoond aan de toezichthouder.
Artikel 7.30. Gewichtsaanduiding op zware voorwerpen
1.Stukken of voorwerpen die ten minste 1000 kilogram bruto wegen en
die met een schip worden vervoerd zijn aan de buitenzijde op een
duidelijke en duurzame wijze voorzien van een aanduiding van het
gewicht van die stukken of voorwerpen.
2.Bij vervoer van stukken of voorwerpen als bedoeld in het eerste
lid mag, in plaats van het gewicht, zo nauwkeurig mogelijk het gewicht
bij benadering worden aangeduid:
a. indien de aard, samenstelling of afmeting van het stuk of
het voorwerp een beletsel vormen om het juiste gewicht te bepalen;
b. indien het gewicht als gevolg van klimaatsinvloeden aan
aanmerkelijke veranderingen onderhevig is.
Afdeling 5. Aanvullende voorschriften voor bouwplaatsen
§ 1. Afstemming
Artikel 7.31. Schakelbepaling
Op een bouwplaats zijn naast de voorschriften van de afdelingen 1 tot
en met 4 van dit hoofdstuk tevens de voorschriften van deze afdeling van
toepassing.
§ 2. Arbeidsmiddelen op de bouwplaats
Artikel 7.32. Bedienen van torenkranen, mobiele kranen en
funderingsmachines
1.Een torenkraan, mobiele kraan of funderingsmachine die behoort
tot een bij ministeriėle regeling omschreven categorie, mag slechts
worden bediend door een persoon die:
a. in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid dat
is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling;
b. in een zodanige lichamelijke en geestelijke toestand
verkeert, dat hij in staat is de aan de bediening van het
desbetreffende arbeidsmiddel verbonden gevaren te onderkennen en
te voorkomen.
2.Het certificaat van vakbekwaamheid of een afschrift daarvan is op
de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond aan de
toezichthouder.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op degene die in het kader
van een opleiding tot machinist een torenkraan, mobiele kraan of
funderingsmachine bedient, mits dit gebeurt onder toezicht van een
persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid als
bedoeld in het eerste lid, onder a.
Artikel 7.33 [Vervallen per 15-07-2006]
Artikel 7.34. Steigers
1.De veiligheid van de constructie van een steiger wordt regelmatig
door een ter zake deskundig persoon gecontroleerd doch in ieder geval
vóór de ingebruikneming en verder na iedere wijziging in de
constructie van de steiger, na iedere periode waarin de steiger niet
is gebruikt, na abnormale weersomstandigheden alsmede na iedere andere
gebeurtenis waardoor de veiligheid van de constructie van de steiger
mogelijk is aangetast.
2.Een steiger mag niet worden overbelast. Lasten worden zo
gelijkmatig mogelijk over de steiger verdeeld.
3.Verrijdbare steigers zijn beveiligd tegen ongewilde
verplaatsingen.
Artikel 7.35. Grondverzet- en materiaalverladingsmachines
1.Bestuurders en bedieners van grondverzet- en
materiaalverladingsmachines bezitten daartoe een specifieke
deskundigheid.
2.Doeltreffende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat
grondverzet- en materiaalverladingsmachines ongewild in uitgravingen
of in het water terechtkomen.
Artikel 7.36 [Vervallen per 05-12-1998]
Afdeling 5A. Aanvullende voorschriften winningsindustrieėn in
dagbouw, ondergronds of met behulp van boringen
Artikel 7.36a. Schakelbepaling
In de winningsindustrie in dagbouw, ondergronds of met behulp van
boringen zijn naast de voorschriften van de afdelingen 1 tot en met 4
van dit hoofdstuk tevens de voorschriften van deze afdeling van
toepassing.
Artikel 7.36b. Arbeidsmiddelen
1.Bij de keuze, de installatie, de ingebruikneming, de werking en
het onderhoud van werktuigbouwkundige en elektrotechnische apparatuur
wordt rekening gehouden met de veiligheid en gezondheid van de
werknemers.
2.Wanneer de apparatuur zich bevindt in een zone waar brand- of
explosiegevaar als gevolg van de ontbranding van gassen, dampen of
vluchtige vloeistoffen bestaat of kan bestaan, is zij aangepast aan
gebruik in een dergelijke zone. Indien nodig wordt zij voorzien van
afdoende beschermingsmiddelen en systemen ter beveiliging bij
defecten.
3.De mechanische apparatuur en installaties bezitten de nodige
sterkte, zijn vrij van zichtbare gebreken en geschikt voor het gebruik
waarvoor zij zijn bestemd. De elektrotechnische apparatuur en
installaties hebben de nodige kracht en vermogen voor het gebruik
waarvoor zij zijn bestemd.
4.Er wordt een doelmatig plan opgesteld voor het systematisch
inspecteren, het onderhouden en, in voorkomend geval, het beproeven
van de apparatuur en installaties. Onderhoud, inspectie en beproeving
van enig onderdeel van de apparatuur en installaties wordt uitgevoerd
door een daartoe aangewezen deskundig persoon. Er worden doelmatige
inspectie- en beproevingsrapporten opgesteld en naar behoren
bijgehouden.
Afdeling 6. Bijzondere sectoren en bijzondere categorieėn werknemers
§ 1. Vervoer
Artikel 7.37. Uitzonderingen voor vervoermiddelen
1.Hoofdstuk 7 is van toepassing op tewaterlatingsmiddelen voor
reddingsmiddelen op zeeschepen voorzover geen afbreuk wordt gedaan aan
het gebruiksdoel van deze middelen.
2.Artikel 7.4a, eerste tot en met derde lid, is, voorzover het
betreft tewaterlatingsmiddelen voor reddingsmiddelen en mechanische
loodsladders, niet van toepassing op zeeschepen.
3.Artikel 7.29 is niet van toepassing op vissersvaartuigen als
bedoeld in artikel 1 van de Schepenwet.
§ 2. Jeugdige werknemers
Artikel 7.38. Schakelbepaling
In aanvulling op het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk gelden
voor jeugdige werknemers tevens de in deze paragraaf genoemde
voorschriften en verboden.
Artikel 7.39. Deskundig toezicht
Artikel 1.37, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op
jeugdige werknemers die:
a. arbeid verrichten, bestaande in het besturen van trekkers en
het in rechtstreeks verband daarmee aan- of afkoppelen van
aanhangwagens of werktuigen;
b. arbeid verrichten met wilde, giftige of andere dieren die
gevaar opleveren;
c. dieren industrieel slachten;
d. op basis van stukloon ongevarieerde, zich in een kort
tijdsbestek herhalende arbeid verrichten, en arbeid verrichten
waarbij het tempo op een zodanige wijze wordt beheerst dat de
jeugdige werknemer zelf verhinderd wordt het tempo van de arbeid te
beļnvloeden.
§ 3 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 7.40 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 7.41 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 7.42 [Vervallen per 01-07-2012]
Hoofdstuk 8. Persoonlijke beschermingsmiddelen en veiligheids- en
gezondheidssignalering
Afdeling 1. Persoonlijke beschermingsmiddelen
Artikel 8.1. Algemene vereisten persoonlijk beschermingsmiddel
1.Een door de werkgever aan de werknemer ter beschikking gesteld
persoonlijk beschermingsmiddel is in overeenstemming met de
betreffende bepalingen inzake ontwerp en constructie op het gebied van
veiligheid en gezondheid, bedoeld in het Warenwetbesluit persoonlijke
beschermingsmiddelen. De vorige volzin is slechts van toepassing voor
zover bedoeld persoonlijk beschermingsmiddel onder het
toepassingsgebied van genoemd besluit valt.
2.In alle gevallen moet een persoonlijk beschermingsmiddel:
a. geschikt zijn voor de te vermijden gevaren, zonder zelf een
vergroot gevaar in te houden;
b. beantwoorden aan de bestaande omstandigheden op de
arbeidsplaats;
c. afgestemd zijn op de ergonomische eisen en de vereisten met
betrekking tot de gezondheid van de werknemers;
d. na de nodige aanpassingen geschikt zijn voor de drager.
3.Indien verschillende gevaren het tegelijkertijd dragen van meer
dan één persoonlijk beschermingsmiddel noodzakelijk maken, zijn deze
persoonlijke beschermingsmiddelen op elkaar afgestemd en blijven zij
doelmatig tegen het betreffende gevaar of de betreffende gevaren.
4.De keuze van het persoonlijk beschermingsmiddel en de wijze
waarop dit gebruikt moet worden, met name wat betreft de duur van het
dragen, worden bepaald afhankelijk van de ernst van het gevaar, de
frequentie van de blootstelling aan het gevaar en de kenmerken van de
arbeidsplaats van iedere werknemer afzonderlijk alsmede van de
doelmatigheid van het persoonlijk beschermingsmiddel.
5.Een persoonlijk beschermingsmiddel is in beginsel bestemd voor
gebruik door één persoon. Indien de omstandigheden vereisen dat een
persoonlijk beschermingsmiddel door meer dan één persoon gebruikt
wordt, worden doeltreffende maatregelen genomen, opdat een dergelijk
gebruik geen gezondheids- of hygiėneproblemen oplevert voor de
onderscheiden gebruikers.
6.Adequate gegevens over ieder persoonlijk beschermingsmiddel,
nodig voor de toepassing van het eerste, tweede, derde en vierde lid,
zijn in het bedrijf of de inrichting beschikbaar en worden zonodig
doorgegeven.
7.Persoonlijke beschermingsmiddelen worden slechts voor de beoogde
doeleinden gebruikt.
8.Persoonlijke beschermingsmiddelen worden overeenkomstig de
gebruiksaanwijzing gebruikt.
Artikel 8.2. Keuze persoonlijk beschermingsmiddel
Alvorens een persoonlijk beschermingsmiddel te kiezen maakt de
werkgever, in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie,
bedoeld in artikel 5 van de wet, een beoordeling van de uitrusting die
hij voornemens is ter beschikking te stellen, teneinde na te gaan in
hoeverre deze voldoet aan de in artikel 8.1, eerste, tweede en derde lid
gestelde voorwaarden. Deze beoordeling omvat:
a. een risico-inventarisatie en -evaluatie van de gevaren die
niet met andere middelen vermeden kunnen worden;
b. een omschrijving van de kenmerken die de persoonlijke
beschermingsmiddelen moeten bezitten om de onder a vermelde gevaren
te kunnen ondervangen, rekening houdend met eventuele gevaarsbronnen
die de persoonlijke beschermingsmiddelen zelf kunnen vormen;
c. een risico-inventarisatie en -evaluatie van de kenmerken van
de betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen die beschikbaar
zijn, vergeleken met de onder b bedoelde kenmerken.
Artikel 8.3. Beschikbaarheid en gebruik persoonlijke
beschermingsmiddelen
1.Indien gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van een
werknemer op de arbeidsplaats aanwezig is of kan ontstaan, zijn voor
de werknemers die aan dat gevaar blootstaan of kunnen blootstaan,
persoonlijke beschermingsmiddelen in voldoende aantal beschikbaar.
2.In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, wordt ervoor gezorgd
dat de werknemers de persoonlijke beschermingsmiddelen gebruiken.
3.Persoonlijke beschermingsmiddelen worden onderhouden, gerepareerd
en zindelijk gehouden.
4.Ten behoeve van het goed functioneren van persoonlijke
beschermingsmiddelen vinden de noodzakelijke vervangingen daarvan
plaats.
Afdeling 2. Veiligheids-en gezondheidssignalering
Artikel 8.4. Algemene vereisten veiligheids- en
gezondheidssignalering
1.Ter voorkoming of beperking van gevaren voor de veiligheid en de
gezondheid van werknemers zorgt de werkgever ervoor dat, indien de
gevaren op de arbeidsplaats of de gevaren van een arbeidsmiddel
daartoe aanleiding geven, doeltreffende veiligheids- of
gezondheidssignalering aanwezig is.
2.Bij ministeriėle regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het eerste lid.
Afdeling 3
Artikel 8.5 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 8.6 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 8.7 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 8.8 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 8.9 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 8.10 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 8.11 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 8.12 [Vervallen per 01-11-1999]
Afdeling 4. Bijzondere sectoren en bijzondere categorieėn werknemers
§ 1
Artikel 8.13 [Vervallen per 01-11-1999]
§ 2. Vervoer
Artikel 8.14. Veiligheids- en gezondheidssignalering
1.Afdeling 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing op de in of
op een luchtvaartuig, een zeeschip of een binnenvaartuig dan wel een
voertuig op de openbare weg, of spoorweg gebruikte veiligheids- of
gezondheidssignalering, voor zover deze signalering op grond van enig
ander wettelijk voorschrift is voorgeschreven.
2.De in artikel 8.4 bedoelde veiligheids- of gezondheidssignalering
wordt, indien daar reden toe is, in of op de vervoermiddelen, genoemd
in het eerste lid, gebruikt, wanneer deze zich bevinden op het terrein
van het bedrijf of de inrichting.
§ 3 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 8.15 [Vervallen per 01-07-2012]
Hoofdstuk 9. Verplichtingen, strafbare feiten, overtredingen,
bestuursrechtelijke bepalingen en overgangs- en slotbepalingen
Afdeling 1. Aanduiding normadressaten van de bij of krachtens dit
besluit vastgestelde verplichtingen
Artikel 9.1. Verplichtingen van de werkgever
De werkgever is verplicht tot naleving van de voorschriften en
verboden welke bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld, met
uitzondering van de artikelen 1.25, 2.6, 2.26 tot en met 2.29, 2.32 tot
en met 2.34 en7.21.
Artikel 9.1a. Verplichtingen van de scheepsbeheerder [Treedt in
werking op een nader te bepalen tijdstip]
De scheepsbeheerder is jegens zeevarenden die geen werkgever hebben,
verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden die op grond van
de wet en bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld voor een
werkgever.
Artikel 9.2. Verplichtingen werkgever bij plaatsonafhankelijke arbeid
De werkgever, die een werknemer plaatsonafhankelijke arbeid laat
verrichten, is ter zake verplicht tot naleving van de voorschriften en
verboden welke zijn opgenomen in de volgende artikelen:
a. van hoofdstuk 1: de artikelen 1.46, 1.47, tweede lid, 1.48,
1.49, tweede tot en met zesde lid, 1.51 en 1.52;
b. van hoofdstuk 2: de artikelen 2.14, eerste lid, en 2.15;
c. van hoofdstuk 5: de artikelen 5.1 tot en met 5.12;
d. van hoofdstuk 7: de artikelen 7.1 tot en met 7.16, met
uitzondering van 7.4a en 7.11a; en
e. van hoofdstuk 8: de artikelen 8.1 tot en met 8.3.
Artikel 9.3. Verplichtingen van de werknemer
1. Indien op grond van het bepaalde bij of krachtens dit besluit
persoonlijke beschermingsmiddelen of hulpmiddelen aan de werknemer ter
beschikking zijn gesteld, is de werknemer verplicht die persoonlijke
beschermingsmiddelen en hulpmiddelen overeenkomstig de daarvoor
geldende voorschriften te gebruiken en zindelijk te houden. De vorige
volzin is niet van toepassing op de gevallen, bedoeld in artikel 6.8,
zevende lid, eerste volzin.
2. Voorts is de werknemer verplicht tot naleving van de
voorschriften en verboden welke zijn opgenomen in de volgende
artikelen:
a. van hoofdstuk 2: artikel 2.42g;
b. van hoofdstuk 3: de artikelen 3.5, 3.5g, eerste lid, en
3.5h, tweede, vierde en vijfde lid;
c. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.1c, eerste lid, onder g, j
en k, 4.7, derde lid, onder c en d, 4.8, tweede, derde en vierde
lid, 4.9, tweede en derde lid, 4.19, onder a, 4.45, eerste lid,
4.47a, derde lid, 4.48a, eerste en vierde lid, 4.50, vijfde en
zesde lid, 4.51, 4.54d, vierde, zesde en achtste lid, voorzover
het de certificaten uit het vierde en zesde lid betreft, 4.58,
eerste lid,4.59, eerste lid, 4.60, eerste lid, 4.61, tweede tot en
met vijfde lid,4.61a, eerste lid, 4.61b, eerste lid, 4.86, derde
lid, 4.87a, derde lid, onder d, 4.89, eerste en vierde lid, 4.97,
tweede lid, onder d, 4.108 en 4.109, alsmede ten aanzien van
arbeid met asbest of asbesthoudende producten, als bedoeld in
artikel 4.37, de artikelen 4.19, aanhef en onder a, en 4.20, derde
lid;
d. van hoofdstuk 6: de artikelen 6.14, 6.14a, vijfde lid, 6.15,
eerste lid, onder c, 6.16, eerste tot en met derde lid en vijfde
tot en met achtste lid, 6.18, vierde lid, 6.19, eerste lid, 6.20,
vierde lid, en 6.29;
e. van hoofdstuk 7: de artikelen 7.5, tweede en derde lid,
7.13, zevende lid, 7.17c, tweede, derde, zevende en achtste
lid,7.18, tweede, vierde, zesde tot en met achtste lid, en negende
lid, wat betreft de toepassing van de vastgestelde procedures,
bedoeld in dit lid, 7.18a, tweede lid, derde lid, tiende lid, wat
betreft de toepassing van de vastgestelde procedure, bedoeld in
dit lid, en dertiende lid, 7.20, vierde lid, 7.21, tweede lid,
7.23c, eerste lid, onderdeel b, 7.23d, eerste, derde en vijfde
lid, 7.24, eerste lid,7.25, zesde lid, en 7.32, eerste en tweede
lid.
3. De in dit artikel genoemde verplichtingen voor werknemers zijn
niet van toepassing op leerlingen en studenten in
onderwijsinrichtingen.
Artikel 9.3a. Verplichtingen van de zeevarende [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
Een zeevarende die geen werknemer is, is verplicht tot naleving van
de voorschriften en verboden die op grond van de wet en bij of krachtens
dit besluit zijn vastgesteld voor een werknemer.
Artikel 9.4. Verplichtingen werknemer bij plaatsonafhankelijke arbeid
De werknemer die plaatsonafhankelijke arbeid verricht, is ter zake
verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke zijn
opgenomen in de artikelen 1.46, eerste lid, en 1.53.
Artikel 9.5. Verplichtingen van zelfstandigen en meewerkende
werkgevers
1. Een zelfstandige en een werkgever als bedoeld in artikel 16,
zevende lid, onderdeel b, van de wet zijn verplicht tot naleving van
de voorschriften en verboden welke zijn opgenomen in de volgende
artikelen:
a. van hoofdstuk 1: artikel 1.42;
b. van hoofdstuk 3: de artikelen 3.2, eerste lid,3.3, 3.4, 3.5,
3.5d, eerste en tweede lid, 3.5e, 3.5g, 3.5h, 3.6, eerste lid,
3.7, eerste lid, 3.16, 3.17, 3.28, eerste lid, 3.29, tweede en
vijfde lid, 3.30, 3.31, tweede lid, en 3.34, eerste lid;
c. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.1c, 4.1d, 4.3, tweede, derde
en vierde lid, 4.5, 4.8, 4.9, 4.10, tweede en derde lid, 4.16,
tweede, derde en vierde lid, 4.17, 4.19, 4.45, 4.46, 4.47b, 4.47c,
eerste lid, onderdelen a en e, 4.48a, tweede lid, onderdelen b en
c, en vierde lid, 4.51a, eerste en derde tot en met vijfde lid,
4.54, 4.54a, met inachtneming van artikel 4.54b, 4.54d, 4.58,
4.59, 4.60, 4.61, 4.61a, 4.61b, 4.62b,4.87, 4.87a, 4.87b, 4.89,
4.94, 4.95, 4.108, 4.109, en 9.15, onder a, sub 1° tot met 4°,
en onder b;
d. van hoofdstuk 6: de artikelen 6.8, negende lid,6.14a, 6.15a,
6.16, 6.17, 6.18, 6.19, eerste lid, 6.20, 6.29 en6.29a;
e. van hoofdstuk 7: de artikelen 7.3, vierde lid, 7.4, eerste
en tweede lid, voor zover het betreft landbouwtrekkers die 800 kg
of meer wegen, derde en vierde lid, 7.5, tweede, derde en vijfde
lid, 7.7, eerste lid, 7.9, 7.11, tweede lid,7.16, 7.17a, eerste,
tweede en vijfde lid, 7.17b, tweede lid, 7.17c, tweede lid, 7.18,
tweede, vierde, zesde en zevende lid, 7.18a, derde en dertiende
lid, 7.18b, eerste lid, 7.20, vierde lid, 7.21, 7.23, 7.23a tot en
met 7.23d, 7.25, eerste, zesde en zevende lid, 7.27, tweede
lid,7.28, 7.32, eerste en tweede lid, en 7.34, tweede en derde
lid;
f. van hoofdstuk 8: artikel 8.3, tweede, derde en vierde lid;
g. van de wet: de artikelen 10, 11 en 32.
2. In aanvulling op het eerste lid zijn een zelfstandige en een
werkgever als bedoeld in artikel 16, zevende lid, onderdeel b, van de
wet, die een inrichting exploiteren waarop artikel 2.3 van toepassing
is, tevens verplicht tot naleving van afdeling 2 van hoofdstuk 2 en
artikel 19, eerste lid, van de wet.
3. In aanvulling op het eerste lid zijn een zelfstandige en een
werkgever als bedoeld in artikel 16, zevende lid, onderdeel b, van de
wet, die met betrekking tot de totstandbrenging van een bouwwerk op
een bouwplaats arbeid verrichten, tevens verplicht tot naleving van:
a. artikel 19, eerste lid, van de wet;
b. artikel 2.35;
c. de artikelen van hoofdstuk 7, voor zover niet genoemd in het
eerste lid, onderdeel e, en
d. de artikelen 8.1, eerste tot en met vijfde en zevende lid,
8.2 en 8.3, eerste lid.
4. In aanvulling op het eerste lid zijn een zelfstandige en een
werkgever als bedoeld in artikel 16, zevende lid, onderdeel b, van de
wet, die bij de werkzaamheden worden blootgesteld aan
gewasbeschermingsmiddelen of biociden als bedoeld in artikel 1 van de
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, tevens verplicht tot
naleving van de volgende artikelen:
a. van hoofdstuk 3: artikel 3.23;
b. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.6 en 4.7, met dien verstande
dat artikel 4.7 van overeenkomstige toepassing is op een
zelfstandige;
c. vanhoofdstuk 8: de artikelen 8.1, zesde lid, en8.4.
5. In aanvulling op het eerste lid zijn een zelfstandige en een
werkgever als bedoeld in artikel 16, zevende lid, onderdeel b, van de
wet tevens verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden
welke zijn vastgesteld bij of krachtens de volgende artikelen, tenzij:
a. het arbeid betreft die hij verricht ten behoeve van een
opdrachtgever, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel c,
sub 2°, met hem als enige opdrachtnemer;
b. het arbeid betreft die hij verricht ten behoeve van een
opdrachtgever, met meerdere opdrachtnemers die niet gelijktijdig
met hem aanwezig zijn op de arbeidsplaats; of
c. het arbeid betreft die wordt verricht ten behoeve van
meerdere opdrachtgevers, met meerdere opdrachtnemers die niet
gelijktijdig met hem aanwezig zijn op de arbeidsplaats:
1°. van hoofdstuk 3: de artikelen 3.1b, 3.2, tweede lid,
3.5d, derde, vierde en zesde lid, 3.7, tweede tot en met zesde
lid, 3.9, 3.11, 3.12, 3.13, 3.14, 3.15, 3.19, 3.27, 3.28,
tweede lid, 3.29, eerste, derde en vierde lid, 3.31, eerste
lid, 3.35, eerste en derde lid, 3.37, 3.37g, 3.37h, 3.37k,
3.37m, 3.37p, 3.37t, eerste lid, 3.37y en 3.48;
2°. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.4, 4.6, 4.7, eerste,
tweede en derde lid, 4.18, tweede, derde en vierde lid, 4.47a,
eerste en derde tot en met achtste lid, 4.47c, eerste lid,
onderdeel a, b, c, e en f, en tweede lid, 4.51, 4.51a, tweede
lid, 4.88, 4.98, 4.99. 4.100, 4.101 en 4.105;
3°. van hoofdstuk 5: de artikelen 5.2, 5.3, onder a, 5.4,
5.6, 5.10 en 5.13a;
4°. van hoofdstuk 6: de artikelen 6.1, 6.2, 6.3, 6.4, 6.8,
eerste tot en met vierde, zesde, zevende, tiende en elfde lid,
6.9, 6.11c, tweede en derde lid, 6.12, 6.12c, 6.12e, eerste,
derde tot en met vijfde lid, 6.14, 6.15, 6.19, tweede tot en
met vierde lid, 6.20b, 6.27, 6.29b en 6.29c;
5°. van hoofdstuk 7: de artikelen 7.3, tweede, derde lid,
7.4, tweede lid, 7.4a, 7.5, eerste lid, 7.6, 7.7, tweede tot
en met zevende lid, 7.8, 7.10, 7.11, eerste lid, 7.13, 7.14,
7.15, 7.17a, derde, vierde, zesde en zevende lid, 7.17b, derde
tot en met zesde lid, 7.17c, eerste, derde tot en met achtste
lid, 7.17d, 7.18, eerste, derde en vijfde lid, 7.18a, eerste,
tweede, vijfde, achtste tot en met twaalfde lid, 7.18b, tweede
tot en met vierde lid, 7.20, eerste tot en met derde, vijfde
tot en met zevende lid, 7.24, 7.25 tweede tot en met vijfde
lid, 7.26, 7.27, eerste lid, 7.29, 7.30, 7.34, eerste lid,
7.35 en 7.36b;
6°. van hoofdstuk 8: de artikelen 8.1, eerste tot en met
vijfde lid, zevende en achtste lid, en 8.4.
Artikel 9.5a. Verplichtingen van degenen bij wie vrijwilligers
werkzaam zijn
1. Degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn is verplicht tot
naleving ten aanzien van die vrijwilligers van de voorschriften en
verboden die zijn opgenomen in de volgende artikelen:
a. van de wet: de artikelen 3, 4, 5 en 18, voor zover het
betreft arbeid met gevaarlijke stoffen en biologische agentia
waarop hoofdstuk 4 van het besluit van toepassing is, 6 tot en met
11, 16 tot en met 44;
b. van hoofdstuk 3: de artikelen 3.2, eerste lid, 3.3, 3.4,
3.5, 3.5d, eerste lid, 3.5g, 3.5h, 3.6, eerste lid, 3.16 en 3.17;
c. van hoofdstuk 4: deartikelen 4.1b tot en met 4.10d, 4.13 tot
en met 4.21, 4.23, 4.44 tot en met 4.54d, 4.58 tot en met 4.61,
4.61a, 4.61b, 4.62b, 4.84 tot en met 4.102, 4.108 en4.109;
d. van hoofdstuk 5: de artikelen 5.2, 5.3, aanhef en onder a,
en 5.13a;
e. vanhoofdstuk 6: de artikelen 6.8, eerste tot en met derde,
zevende, negende, tiende en elfde lid, 6.11c, tweede lid, 6.12,
eerste en tweede lid, 6.12e, eerste, tweede en vierde lid, 6.13,
6.14, 6.14a, 6.14b, 6.15, 6.15a, 6.16, 6.17, 6.18, 6.19 en6.20;
f. van hoofdstuk 7: de artikelen 7.3, tweede tot en met vierde
lid, 7.4, 7.5, tweede, derde en vijfde lid, 7.7, eerste lid, 7.9,
7.11, tweede lid, 7.16, 7.17a, eerste, tweede en vijfde lid,
7.17b, eerste en tweede lid, 7.17c, eerste en tweede lid, 7.18,
tweede, derde, vierde, zesde en zevende lid, 7.18a, derde en
dertiende lid, 7.18b, eerste lid, 7.23, 7.23a tot en met 7.23d, en
7.32 tot en met 7.35;
g. van hoofdstuk 8: de artikelen 8.1, tweede, zevende en
achtste lid, en8.4.
2. De persoon, bedoeld in het eerste lid, is ten aanzien van
vrijwilligers die jonger zijn dan 18 jaar tevens verplicht tot
naleving ten aanzien van die vrijwilligers van de voorschriften en
verboden die zijn opgenomen in deartikelen 1.37, eerste lid, eerste
zin, en tweede lid, 3.46, 6.27 en7.39.
3. De persoon, bedoeld in het eerste lid, is ten aanzien van
zwangere vrijwilligers en vrijwilligers tijdens de lactatie tevens
verplicht tot naleving ten aanzien van die vrijwilligers van de
voorschriften en verboden die zijn opgenomen in deartikelen 1.42,
1.42a, 3.48, 6.29,6.29a, 6.29b en 6.29c.
Artikel 9.5b. Verplichting van degene die arbeid verricht of doet
verrichten in de territoriale zee of de exclusieve economische zone
1.Degene die arbeid verricht of doet verrichten in de territoriale
zee of in de exclusieve economische zone is verplicht de
toezichthouder bij de uitoefening van zijn bevoegdheden te vervoeren
naar door de toezichthouder aan te duiden plaatsen waar deze arbeid
wordt verricht, mits dat vervoer plaatsvindt tussen 07.00 en 20.00
uur.
2.Indien sprake is van arbeidsongevallen die leiden tot de dood,
een blijvend letsel of een ziekenhuisopname of bij het verrichten van
arbeid ernstig gevaar kan ontstaan voor de veiligheid of de gezondheid
van werknemers of zelfstandigen vindt het vervoer op aanwijzing van de
daartoe aangewezen toezichthouder plaats tussen 00.00 uur en 24.00
uur.
Artikel 9.6. Verplichtingen van de opdrachtgever
De opdrachtgever is verplicht tot naleving van de voorschriften welke
zijn opgenomen in de artikelen 2.26 tot en met 2.29 en2.32.
Artikel 9.7. Verplichtingen van de ontwerpende partij
De ontwerpende partij is verplicht tot naleving van de voorschriften
welke zijn opgenomen in artikel 2.34.
Artikel 9.8. Verplichtingen van de uitvoerende partij
De uitvoerende partij is verplicht tot naleving van de voorschriften
welke zijn opgenomen in deartikelen 2.29 en 2.33.
Artikel 9.9. Verplichtingen van de lifteigenaar of -beheerder
De eigenaar of beheerder van een lift is verplicht tot naleving van
de voorschriften welke zijn opgenomen in artikel 7.21.
Afdeling 2. Strafbare feiten en overtredingen
§ 1. Strafbare feiten
Artikel 9.9a. Overtredingen
1. Als een strafbaar feit wordt aangemerkt de handeling of het
nalaten in strijd met de voorschriften en verboden welke zijn
opgenomen in de artikelen 1.46, eerste lid, 2.5a, eerste en tweede
lid, 2.5b, eerste tot en met vierde lid, 2.5c, eerste, derde en vierde
lid, 2.5d, 2.5e, eerste lid, 2.5f, 2.5g, eerste en tweede lid, 2.5h,
en de artikelen van de op grond van de wet en dit besluit vastgestelde
ministeriėle regeling, voor zover en op de wijze als bij die regeling
is bepaald.
2. Voor zover van de artikelen, bedoeld in het eerste lid,
ontheffing onder voorschriften is verleend, wordt de handeling of het
nalaten in strijd met die voorschriften mede aangemerkt als een
strafbaar feit.
§ 2. Overtredingen
Artikel 9.9b. Eerste categorie
1. Als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan
worden opgelegd, wordt aangemerkt de handeling of het nalaten in
strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in de volgende
artikelen:
a. van hoofdstuk 1: de artikelen 1.36, 1.37, eerste en tweede
lid, 1.38, 1.41, 1.42, 1.42a, 1.46, tweede tot en met elfde lid,
1.48, 1.49, tweede tot en met zesde lid, 1.51 tot en met 1.53;
b. van hoofdstuk 2: de artikelen 2.1, 2.13, 2.14a, eerste en
tweede lid, 2.15, 2.26 tot en met 2.29, 2.32 tot en met 2.35,
2.41, 2.42, tweede tot en met vierde en zesde lid, 2.42a tot en
met 2.42c, 2.42e, eerste lid, 2.42f, eerste tot en met derde lid,
2.42g, 2.42h en 2.43, tweede lid;
c. van hoofdstuk 3: de artikelen 3.1b, 3.2, 3.3, 3.4, eerste
tot en met derde lid, 3.5, eerste tot en met vierde en zevende
lid, 3.5b, tweede lid, 3.5c tot en met 3.5g, eerste, tweede en
vierde lid, 3.5h, tweede tot en met vijfde lid, 3.6 tot en met
3.15, 3.16, eerste en vijfde lid, 3.17 tot en met 3.25, 3.27 tot
en met 3.31, 3.33 tot en met 3.35, 3.37 tot en met 3.37t, 3.37u,
3.37v, eerste tot en met derde lid, 3.37w, 3.37y, 3.46 en 3.48;
d. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.1b, 4.1c, 4.1d, 4.2, eerste
tot en met achtste lid, 4.2a, 4.3, tweede tot en met vierde lid,
4.4, 4.5, eerste tot en met derde lid, 4.6, eerste en tweede lid,
4.7, 4.8, eerste tot en met vierde lid, 4.9, eerste tot en met
derde lid, 4.10, tweede en derde lid, 4.10a, eerste, tweede,
vierde en vijfde lid, 4.10b, eerste en tweede lid, 4.10c, vierde
en vijfde, 4.10d, 4.13, 4.15, 4.16, tweede tot en met vierde lid,
4.17, 4.18, 4.19, 4.20, 4.23, tweede lid, 4.45, eerste lid, 4.45a,
4.45b, 4.46, 4.47, eerste, tweede en vijfde tot en met achtste
lid, 4.47a, eerste, derde tot en met zesde en achtste lid, 4.47b,
4.47c, eerste en tweede lid, 4.48a, eerste, tweede en vierde lid,
4.50, 4.51, 4.51a, eerste tot en met vierde lid, 4.52, eerste,
derde en vierde lid, 4.53, eerste tot en met derde lid, 4.54.
4.54a, 4.54d, eerste en derde tot en met negende lid, 4.58, 4.59,
eerste en tweede lid, 4.60, eerste en derde lid, 4.61, tweede tot
en met vijfde lid, 4.61a, eerste en derde lid, 4.61b, eerste lid,
4.62b, 4.85, 4.86, derde lid, 4.87, 4.87a, eerste tot en met derde
lid, 4.87b, 4.88 tot en met 4.90, 4.91, eerste tot en met derde,
vijfde, zesde en tiende lid, 4.94, eerste, derde en vijfde lid,
4.95 tot en met 4.100, eerste lid, 4.101, 4.102, 4.105, 4.106,
4.108 en 4.109;
e. van hoofdstuk 5: de artikelen 5.2 tot en met 5.5, 5.9 tot en
met 5.11, 5.13a;
f. van hoofdstuk 6: de artikelen 6.1, 6.2, eerste tot en met
vier en zesde lid, 6.3, 6.4, 6.7, eerste tot en met vierde lid,
zesde en achtste lid, 6.8, eerste, derde, vierde tot en met
zevende, en negende tot en met elfde lid, 6.9 tot en met, 6.11,
6.11b, eerste tot en met vierde en zesde lid, 6.11c, eerste tot en
met derde lid, 6.11d, 6.11e, eerste, tweede en vierde lid, 6.12,
eerste tot en met vijfde lid, 6.12d, eerste tot en met zesde,
negende en tiende lid, 6.12e, eerste tot en met vijfde lid, 6.12f,
6.12g, 6.14, 6.14a, eerste tot en met derde en vijfde lid, 6.15,
6.15a, 6.16, eerste tot en met derde en vijfde tot en met achtste
lid, 6.17, eerste, tweede en derde lid, 6.18 tot en met 6.20,
6.20b, 6.20e, 6.27, 6.29 tot en met 6.29c;
g. van hoofdstuk 7: de artikelen 7.2, eerste lid, 7.3 tot en
met 7.4a, eerste tot en met zesde lid, 7.5 tot en met 7.11a, 7.13,
7.14, eerste lid, 7.15 tot en met 7.17a, eerste, tweede en vierde
tot en met zevende lid, 7.17b, tweede tot en met zesde lid, 7.17c
tot en met 7.18a, tweede tot en met dertiende lid, 7.18b, 7.20,
7.21, 7.23 tot en met 7.23c, 7.24 tot en met 7.29, tweede tot en
met achtste lid, en tiende lid, 7.30, eerste lid, 7.32, eerste en
tweede lid, 7.34, 7.35, 7.36b en 7.39;
h. van hoofdstuk 8: de artikelen 8.1 tot en met 8.4, eerste
lid;
i. van hoofdstuk 9: artikel 9.36, eerste lid;
j. de artikelen van de op grond van de wet en dit besluit
vastgestelde ministeriėle regeling, voor zover en op de wijze als
bij die regeling is bepaald.
2. Voor zover van de artikelen, bedoeld in het eerste lid,
ontheffing onder voorschriften is verleend, wordt het handelen of
nalaten in strijd met die voorschriften aangemerkt als overtreding ter
zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
Artikel 9.9c [Vervallen per 01-01-2013]
Afdeling 3. Bestuursrechtelijke bepalingen
§ 1. Bestuursdwang en preventieve stillegging van werk
Artikel 9.10. Last onder bestuursdwang
Ter zake van de naleving van de in artikel 9.9b, eerste lid, genoemde
bepalingen, en de in het tweede lid van dat artikel bedoelde
voorschriften kan een last onder bestuursdwang worden opgelegd.
Artikel 9.10a. Stillegging van werk in verband met recidive
1. Na een herhaling van een overtreding of soortgelijke overtreding
wordt een waarschuwing gegeven als bedoeld in artikel 28a, eerste lid,
van de wet en indien een herhaling van die of een soortgelijke
overtreding is geconstateerd als bedoeld in dat artikel van de wet,
wordt een bevel opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de
door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode
worden stilgelegd dan wel niet mogen aanvangen.
2. Indien een ernstige overtreding is geconstateerd, wordt in
afwijking van het eerste lid, een waarschuwing als bedoeld in artikel
28a, eerste lid, van de wet gegeven bij de eerste overtreding en
wordt, indien opnieuw dezelfde of een soortgelijke overtreding is
geconstateerd die eveneens ernstig is, een bevel opgelegd door de
daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden
voor een daarbij aangegeven periode worden stilgelegd dan wel niet
mogen aanvangen.
3. Als een ernstige overtreding als bedoeld in het tweede lid wordt
aangemerkt:
a. een overtreding waarbij de werkgever willens en wetens
handelingen verricht of nalaat in strijd met de wet of de daarop
berustende bepalingen waardoor een arbeidsongeval heeft
plaatsgevonden dat de dood tot vrijwel onmiddellijk gevolg heeft
gehad;
b. een handelen of nalaten in strijd met de volgende artikelen:
1°. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.54d, eerste lid, 4.58,
4.59, eerste en tweede lid, 4.60, eerste en tweede lid, en
4.61, tweede lid, 4.61a, eerst en derde lid, 4.61b, 4.105,
4.108 en 4.109;
2°. van hoofdstuk 6: de artikelen 6:27, 6.29 en 6.29a.
4. Indien de aard van de overtreding of de met de overtreding
samenhangende omstandigheden dan wel de gevolgen van een stillegging
van de werkzaamheden daartoe aanleiding geven, kan worden afgezien van
een waarschuwing als bedoeld in het eerste en tweede lid en kan worden
afgezien van een bevel als bedoeld in het eerste en tweede lid.
5. Een waarschuwing als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt
niet gegeven en een bevel als bedoeld in het eerste en tweede lid
wordt niet opgelegd indien het boetenormbedrag voor de bestuurlijke
boete voor de overtreding, bedoeld in het eerste en tweede lid, op
grond van de beleidsregels, bedoeld in artikel 34, tiende lid, van de
wet lager is dan een bij ministeriėle regeling vast te stellen hoogte
van het boetenormbedrag.
Artikel 9.10b. Aanduiding ernstige overtredingen
Ernstige overtredingen in de zin van artikel 34, zesde en negende
lid, van de wet zijn de overtredingen, genoemd in artikel 9.10a, derde
lid.
Artikel 9.10c. Aanduiding soortgelijke overtreding
De soortgelijke verplichtingen en verboden, bedoeld in artikel 34,
vijfde en zevende lid, van de wet en de soortgelijke overtredingen,
bedoeld in artikel 9.10a, eerste en tweede lid, worden bij ministeriėle
regeling aangewezen.
§ 2. Vrijstelling of ontheffing
Artikel 9.11. Verzoek om vrijstelling of ontheffing
Een verzoek om vrijstelling of ontheffing van het bij of krachtens de
wet bepaalde wordt langs elektronische weg ingediend. Artikel 2.1,
eerste lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9.12 [Vervallen per 08-03-2005]
Artikel 9.13 [Vervallen per 08-03-2005]
Artikel 9.14. Vrijstelling of ontheffing specifieke stoffenverbod
Vrijstelling of ontheffing van het in artikel 4.59, eerste lid,
vervatte verbod kan slechts verleend worden voor:
a. het gebruik van de stoffen voor onderzoek en proeven, met
inbegrip van analyse;
b. werkzaamheden die zijn gericht op de verwijdering van de
stoffen die in een mengsel of oplossing aanwezig zijn in een
concentratie die kleiner is dan 0,1 gewichtsprocent;
c. productieprocessen waarbij de stoffen in een gesloten
procesinstallatie worden vervaardigd en daarin worden omgezet in
andere stoffen, zonder dat de stoffen daarbij, anders dan voor zover
dat noodzakelijk is voor de controle op het productieproces en het
onderhoud van de procesinstallatie, tussentijds uit de
procesinstallatie worden genomen.
Artikel 9.15. Vrijstelling specifieke stoffenverbod
In gevallen waarin van de in artikel 4.59 vervatte verboden
vrijstelling is verleend worden:
a. indien het voornemen bestaat om een in de vrijstelling
genoemde stof te vervaardigen, te gebruiken of in voorraad te
houden, aan een daartoe aangewezen toezichthouder schriftelijk de
volgende gegevens gemeld:
1°. de identiteit van de stof die zal worden vervaardigd of
gebruikt dan wel in voorraad zal worden gehouden;
2°. de hoeveelheid van de stof die per jaar zal worden
vervaardigd of gebruikt dan wel in voorraad zal worden gehouden;
3°. de plaats waar de stof zal worden vervaardigd of
gebruikt dan wel in voorraad zal worden gehouden;
4°. de vormen van arbeid die met de stof zullen worden
verricht;
5°. het aantal werknemers dat bij de arbeid aan de stof zal
kunnen worden blootgesteld;
6°. de wijze waarop en de mate waarin werknemers bij de
arbeid aan de stof zullen kunnen worden blootgesteld;
7°. de maatregelen die zijn genomen om te voorkomen dat
werknemers bij de arbeid aan de stof zullen worden blootgesteld;
b. indien het voornemen bestaat om een belangrijke wijziging aan
te brengen in de omstandigheden die ten grondslag liggen aan de
gegevens die zijn overgelegd op grond van het onder a bedoelde
voorschrift, de daar bedoelde gegevens opnieuw schriftelijk gemeld
aan een daartoe aangewezen toezichthouder.
Artikel 9.16. Ontheffing specifieke stoffenverbod
Bij een verzoek om ontheffing van de in artikel 4.59 vervatte
verboden wordt de reden van het verzoek gegeven en worden de in artikel
9.15, onder a, bedoelde gegevens overlegd.
Artikel 9.16a. Vrijstelling of ontheffing vervangingsplicht vluchtige
organische stoffen
Vrijstelling of ontheffing van artikel 4.62b kan uitsluitend worden
verleend in gevallen waarin het technisch niet uitvoerbaar is om
onschadelijke of minder schadelijke stoffen of producten te gebruiken
dan vluchtige organische stoffen of producten die deze stoffen bevatten.
Artikel 9.17. Vrijstelling of ontheffing lawaaivoorschriften
1.Vrijstelling of ontheffing van artikel 6.8, zevende lid, eerste
zin, negende, tiende en elfde lid, wordt slechts verleend wanneer in
uitzonderlijke omstandigheden het volledige en correcte gebruik van
individuele gehoorbeschermers tot grotere risicos voor de
gezondheid of de veiligheid zou kunnen leiden dan het niet gebruiken
van deze beschermers.
2.Aan een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in het eerste lid
worden voorschriften verbonden om, rekening houdende met de bijzondere
omstandigheden, te waarborgen dat:
a. de daaruit voortvloeiende risicos voor de veiligheid en
de gezondheid tot een minimum worden beperkt en
b. de betrokken werknemers onder verscherpt medisch toezicht
staan.
3.Een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in het eerste lid
wordt slechts verleend voor een periode van ten hoogste vier jaar.
Artikel 9.17a. Ontheffing voorschriften met betrekking tot trillingen
Ontheffing van artikel 6.11c, tweede lid, kan uitsluitend worden
verleend indien:
a. de blootstelling gewoonlijk onder de actiewaarden, bedoeld in
artikel 6.11a, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, onderdeel b,
blijft;
b. de overschrijding incidenteel van aard is;
c. de gemiddelde blootstelling over een periode van 40 uur onder
de grenswaarde voor blootstelling blijft;
d. er bewijzen zijn dat de risico's van het blootstellingspatroon
geringer zijn dan de risico's van blootstelling aan de grenswaarde
voor blootstelling;
e. de hieruit voortvloeiende risicos tot een minimum beperkt
worden;
f. de betrokken werknemers en de ondernemingsraad of
personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de
belanghebbende werknemers vooraf over de aard en inhoud van de
aanvraag tot ontheffing geraadpleegd zijn, en
g. de betrokken werknemers onder verscherpt gezondheidstoezicht
staan.
Artikel 9.17b. Vrijstelling zeeschepen en luchtvaartuigen
Voor zeeschepen en luchtvaartuigen kan vrijstelling van artikel
6.11c, tweede lid, worden verleend, voorzover het betreft de
grenswaarde, bedoeld in artikel 6.11a, derde lid, onderdeel a, indien:
a. het gezien de stand van de techniek en de specifieke kenmerken
van de arbeidsplaats, ondanks de uitvoering van technische en/of
organisatorische maatregelen, niet mogelijk is om te voldoen aan de
grenswaarde voor blootstelling aan lichaamstrillingen;
b. de hieruit voortvloeiende risicos tot een minimum beperkt
worden, en
c. de betrokken werknemers onder verscherpt gezondheidstoezicht
staan.
Artikel 9.18. Vrijstelling of ontheffing laden en lossen van schepen
1.Vrijstelling of ontheffing van de artikelen 7.24 tot en met 7.28
kan uitsluitend worden verleend:
a. ten aanzien van plaatsen waar het verkeer onregelmatig is;
b. ten aanzien van binnenvaartuigen met een lengte van minder
dan 55 meter, zeeschepen kleiner dan 500 GT of vissersvaartuigen
als bedoeld in artikel 1 van de Schepenwet.
2.Vrijstelling of ontheffing van artikel 7.29 kan uitsluitend
worden verleend:
a. ten aanzien van plaatsen waar het verkeer onregelmatig is;
b. ten aanzien van binnenschepen met een lengte van minder dan
55 meter of zeeschepen kleiner dan 500 GT.
Artikel 9.19. Beperking vrijstellings- of ontheffingsmogelijkheid
Geen vrijstelling of ontheffing wordt verleend van de voorschriften
en verboden, bedoeld in de volgende artikelen en de daarop berustende
bepalingen:
a. van hoofdstuk 1: de artikelen van de afdelingen 8 en 9;
b. van hoofdstuk 2: de artikelen van de afdelingen 5, 6 en 6a;
c. van hoofdstuk 3: artikel 3.1b, de artikelen van paragraaf 2a
van afdeling 1 en van de afdelingen 2, 3, 3a, 3b en 3c en de
paragrafen 4 en 5 van afdeling 5;
d. van hoofdstuk 4: de artikelen van afdeling 1, met uitzondering
van de artikelen 4.8, 4.9 en4.10, de artikelen van afdelingen 2, 5,
6, 7, met uitzondering van artikel 4.62b, en 9 en de artikelen van
de paragrafen 2, 3 en 4 van afdeling 10;
e. van hoofdstuk 5: de artikelen van de afdelingen 1 en 2 en
artikel 5.14;
f. van hoofdstuk 6: de artikelen van de afdelingen 1 en 2, 3, met
uitzondering van artikel 6.8, zevende lid, eerste zin, negende,
tiende en elfde lid, afdeling 3a, met uitzondering van artikel
6.11c, tweede lid, afdeling 4a, afdeling 5a, en de artikelen van de
paragrafen 3 en 4 van afdeling 6;
g. van hoofdstuk 7: de artikelen van de afdelingen 1, 2, 3 en 4,
met uitzondering van deartikelen 7.20, zesde lid, en 7.21, en de
artikelen van de afdelingen 5, met uitzondering van artikel 7.32, en
5a en paragraaf 2 van afdeling 6;
h. van hoofdstuk 8: de artikelen van de afdelingen 1 en 2;
i. van hoofdstuk 9: de artikelen 9.15 en 9.16.
Artikel 9.20. Duur van vrijstelling of ontheffing
Vrijstellingen of ontheffingen worden slechts verleend voor beperkte
duur en worden in ieder geval ingetrokken wanneer de redenen waarom zij
zijn verleend, zijn vervallen.
§ 3. Eis tot naleving
Artikel 9.21 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 9.22. Eis tot naleving
1.Omtrent de wijze waarop de voorschriften, gesteld krachtens de
artikelen 6, eerste lid, en 16 van de wet moeten worden nageleefd kan
een eis worden gesteld overeenkomstig artikel 27, eerste lid, van de
wet.
2.Het eerste lid geldt niet in de gevallen, bedoeld in artikel
1.33.
3.Het eerste lid geldt voorts niet ten aanzien van de volgende
artikelen:
a. van hoofdstuk 1: de artikelen 1.26 tot en met 1.32 en 1.34;
b. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.1c, eerste lid, onderdeel k,
4.58, 4.59, 4.60, eerste en derde lid, 4.61, tweede lid, 4.61b,
4.105, 4.108, 4.109 en4.110;
c. van hoofdstuk 6: de artikelen 6.27, 6.29 en 6.29a.
4.Bij het stellen van een eis aan een werkgever of werknemer,
waarop zowel afdeling 2 als afdeling 4 of 6 van hoofdstuk 1 van
toepassing is, wordt het ter zake in afdeling 4 of 6 bepaalde in acht
genomen.
5.Een eis waarop afdeling 2 van hoofdstuk 2 van toepassing is, die
met een voorschrift dat is verbonden aan een op grond van een der
wetten tot bescherming van het milieu verleende vergunning tot het
oprichten, in werking brengen of houden, uitbreiden of wijzigen van
een bedrijf of inrichting dan wel tot het veranderen van een daarin
gebezigde werkwijze één of meer zodanige raakpunten heeft dat hij
met dat voorschrift in strijd kan komen, stelt de de daartoe
aangewezen toezichthouder niet dan na overleg met het gezag dat de
vergunning heeft verleend.
6.Bij het stellen van een eis aan een werkgever of werknemer,
waarop afdeling 4 of 6 van hoofdstuk 1 van toepassing is, wordt het
ter zake in die afdeling bepaalde in acht genomen.
7.Indien ten aanzien van een of meer bepalingen van dit besluit
overeenkomstig artikel 27, eerste lid, van de wet, een eis tot
naleving is gesteld, kan in die situatie van het betreffende
voorschrift respectievelijk de betreffende voorschriften geen
ontheffing meer worden verleend.
Afdeling 4. Overgangs- en slotbepalingen
§ 1 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 9.23 [Vervallen per 01-01-2007]
§ 2 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 9.24 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 9.25 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 9.26 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 9.27 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 9.28 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 9.29 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 9.30 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 9.31 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 9.32 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 9.33 [Vervallen per 01-01-2007]
§ 3. Overgangsrecht
Artikel 9.34. Aanvullende inventarisatie en evaluatie van
veiligheidsrisico's; arbeidsveiligheidsrapportage
1.Artikel I, onderdelen A tot en met I, O, P, T en V van het
Koninklijk besluit van 7 februari 2004 tot wijziging van het
Arbeidsomstandighedenbesluit ter vervanging van de bepalingen met
betrekking tot de arbeidsveiligheidsrapportage door aanvullende
voorschriften met betrekking tot de risico-inventarisatie en
-evaluatie en enige andere wijzigingen (Stb. 2004, 69) is tot twee
jaar na de inwerkingtreding niet van toepassing tenzij dat besluit
voor dat tijdstip wordt toegepast.
2.Ten aanzien van bedrijven of inrichtingen waar op de dag van de
inwerkingtreding van het besluit, bedoeld in het eerste lid, over een
arbeidsveiligheidsrapport als bedoeld in artikel 2.2b, zoals dat
artikel luidde op de dag voor de inwerkingtreding van voornoemd
besluit, wordt beschikt, is, in afwijking van het eerste lid, het
voornoemde besluit niet van toepassing tot het tijdstip waarop het
arbeidsveiligheidsrapport had behoren te worden herzien op grond van
artikel 2.2b, tweede lid, zoals dat artikel luidde op de dag voor de
inwerkingtreding van voornoemd besluit, doch uiterlijk tot vijf jaar
na het tijdstip waarop het arbeidsveiligheidsrapport volledig is
herzien en in zijn geheel aan de daartoe aangewezen toezichthouder is
toegezonden, tenzij dat besluit voor dat tijdstip wordt toegepast.
3.De melding, bedoeld in artikel 2.5g, eerste lid, ten aanzien van
bedrijven of inrichtingen die in bedrijf zijn op de dag waarop het
besluit, bedoeld in het eerste lid, ingevolge het eerste of het tweede
lid wordt toegepast, vindt plaats binnen zes weken na de toepassing
van voornoemd besluit.
4.Het Arbeidsomstandighedenbesluit zoals dat luidde op de dag voor
de inwerkingtreding van het besluit, bedoeld in het eerste lid, is van
toepassing tot het tijdstip waarop ingevolge het eerste of het tweede
lid het laatstgenoemde besluit wordt toegepast.
Artikel 9.35 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 9.35a [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 9.36
1.Indien jeugdige werknemers arbeid verrichten bestaande in het op
de openbare weg besturen van trekkers en het in rechtstreeks verband
daarmee aan- of afkoppelen van aanhangwagens of werktuigen, zijn zij
in aanvulling op artikel 7.39, onder a, in het bezit van een
certificaat van vakbekwaamheid, dat is afgegeven door een door Onze
Minister daartoe aangewezen instelling.
2.Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 9.36a [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 9.37. Explosieve atmosferen
Artikel 3.5e, onder e, is niet van toepassing op arbeidsmiddelen voor
gebruik op plaatsen waar een explosieve atmosfeer kan voorkomen die voor
30 juni 2003 in gebruik zijn genomen.
Artikel 9.37a. Trillingen
1.Artikel 6.11c, tweede en derde lid is tot 6 juli 2010 niet van
toepassing wanneer arbeidsmiddelen worden gebruikt die vóór 6 juli
2007 ter beschikking van de werknemers zijn gesteld en waarbij de
grenswaarden voor blootstelling gezien de laatste technische
ontwikkelingen en ondanks de uitvoering van organisatorische
maatregelen niet in acht kunnen worden genomen.
2.In afwijking van het eerste lid is artikel 6.11c, tweede en derde
lid, tot 6 juli 2014 niet van toepassing op arbeidsmiddelen als
bedoeld in het eerste lid die in de land- en bosbouw worden gebruikt.
3.Bij ministeriėle regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 9.37b. Certificaat
Een certificaat afgegeven op grond van de wet, en geldend op de dag
voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van het besluit van 7
september 2009, Stb. 395, wordt geacht te zijn afgegeven met
inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gestelde bepalingen,
zoals die luiden met ingang van de datum van inwerkingtreding van
evengenoemd besluit, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 1.5g en1.5i.
Artikel 9.37c. Aanwijzing certificerende instelling op verzoek
1. Een aanwijzing als certificerende instelling op verzoek,
afgegeven op grond van de wet, en geldend op de dag, voorafgaand aan
de datum van inwerkingtreding van het besluit van 7 september 2009,
Stb. 395, wordt geacht te zijn afgegeven met inachtneming van de bij
of krachtens dit besluit gestelde bepalingen, zoals die luiden met
ingang van de datum van inwerkingtreding van evengenoemd besluit.
2. Onverminderd het derde en zesde lid, vervalt de aanwijzing,
bedoeld in het eerste lid, van rechtswege vierentwintig maanden na de
datum van inwerkingtreding van de voor het werkveld waarop de
betrokken instelling werkzaam is, geldende ministeriėle regeling,
bedoeld inartikel 1.5a, tweede lid.
3. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, met een vervaldatum,
gelegen voor de in het tweede lid bedoelde vervaldatum, vervalt van
rechtswege op de oorspronkelijke vervaldatum, tenzij de betrokken
instelling binnen vijf maanden na de datum van inwerkingtreding van de
voor het werkveld waarop de instelling werkzaam is, geldende
ministeriėle regeling, bedoeld in artikel 1.5a, tweede lid, en
voorafgaand aan de oorspronkelijke vervaldatum een verzoek tot
beoordeling ten behoeve van een hernieuwde aanwijzing heeft ingediend
bij de Stichting Raad voor Accreditatie te Utrecht. Alsdan blijft de
aanwijzing van kracht tot uiterlijk de in het tweede lid bedoelde
vervaldatum van rechtswege.
4. De instelling waarvan de aanwijzing op grond van het tweede of
derde lid vervalt, kan Onze Minister vragen om hernieuwde aanwijzing
met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gestelde
bepalingen, zoals die zijn komen te luiden met ingang van de datum van
inwerkingtreding van het besluit van 7 september 2009, Stb. 395.
5. In afwijking van artikel 1.5b, vierde lid, zijn de aan de
beoordeling door de in het derde lid genoemde Stichting Raad voor
Accreditatie verbonden kosten voor rekening van Onze Minister, indien
de instelling, bedoeld in het eerste lid, een verzoek tot beoordeling
ten behoeve van een hernieuwde aanwijzing heeft ingediend bij
voornoemde Stichting Raad voor Accreditatie binnen vijf maanden na de
datum van inwerkingtreding van de voor het werkveld, waarop de
instelling werkzaam is, geldende ministeriėle regeling, bedoeld in
artikel 1.5a, tweede lid.
6. Indien Onze Minister op een aanvraag tot hernieuwde aanwijzing
beslist op een tijdstip, gelegen voor de in het tweede lid bedoelde
vervaldatum van rechtswege, vervalt de oorspronkelijke aanwijzing met
ingang van de datum van inwerkingtreding van de hernieuwde aanwijzing.
§ 4. Slotbepalingen
Artikel 9.38 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 9.39. Wijziging bijlagen bij EG-richtlijnen
Een wijziging van een van de bijlagen bij een EG-richtlijn waarnaar
in dit besluit wordt verwezen, gaat voor de toepassing van dit besluit
en de daarop berustende bepalingen gelden met ingang van de dag waarop
aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven,
tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt
bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 9.40 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 9.41. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Arbeidsomstandighedenbesluit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 15 januari 1997
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
J.M.M. Ritzen
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
De Staatssecretaris van Defensie,
J.C. Gmelich Meijling
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
W. Kok
Uitgegeven de vijfentwintigste februari 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|