| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Arbeidsomstandighedenwet
(Arbowet)
ARBEIDSOMSTANDIGHEDENREGELING
(Arboregeling)
Tekst zoals deze geldt op
20 januari 2012
|
|
|
REGELING houdende bepalingen ter uitvoering van bij en krachtens de
Arbeidsomstandighedenwet en enige andere wetten gestelde regels
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 7, vierde lid, onderdeel b, 9, vierde en zesde lid,
10, vijfde lid, 41, eerste lid, en 42, tweede lid, van de
Arbeidsomstandighedenwet, artikel 6 van de Wet arbeid gehandicapte
werknemers en artikel 11 van de Algemene wet erkenning
EG-hogeronderwijsdiploma's;
Voorts gelet op de artikelen 2.7, tweede en derde lid, 2.8, 2.15,
eerste en derde lid, 2.24, eerste lid, 4.7, eerste, derde en vijfde lid,
4.8, tweede tot en met vijfde lid, 4.9, zevende lid, 4.10, tweede en derde
lid, 4.14, vijfde lid, 4.16, eerste lid, 4.42, vijfde lid, 4.50, tweede
lid, 4.54, derde en vijfde lid, 4.60, vierde en vijfde lid, 4.65, eerste
lid, onderdeel a en b, 4.66, onderdeel a en b, 4.67, eerste en vijfde lid, 4.68,
eerste lid, 4.7.0, derde en vijfde lid, 4.71, eerste lid, 4.72, eerste
lid, 4.73, 5.12, 6.17, derde lid, 7.19, achtste tot en met negende en
elfde lid, 7.29, zesde en zevende lid, 7.32, tweede lid, en vierde tot
en met zevende lid, 8.4, tweede lid, van het
Arbeidsomstandighedenbesluit;
Gezien de adviezen van de Sociaal-Economische Raad van 28 juli 1995,
kenmerk 95/35, en 28 maart 1996, kenmerk 96/31;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen
Paragraaf 1.1. Definities
Artikel 1.1. Definities algemeen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. besluit:
het Arbeidsomstandighedenbesluit;
b. de minister:
de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Paragraaf 1.1a. Certificatie
Artikel 1.1a. Jaarverslag
In het jaarverslag van een certificerende
instelling, bedoeld in artikel 1.5b, eerste lid, van het besluit worden
ten minste de volgende onderwerpen behandeld:
a. de door de instelling afgegeven,
ingetrokken, geschorste dan wel geweigerde certificaten;
b. wijzigingen in de op het werkveld
van de instelling betrekking hebbende accreditaties, reglementen en
procedures;
c. wijzigingen in de op het werkveld
van de instelling betrekking hebbende taakverdeling;
d. wijzigingen in de
bestuurssamenstelling;
e. wijzigingen in de statuten of het
huishoudelijk reglement;
f. aan derden uitbestede
werkzaamheden;
g. structurele knelpunten op het
werkveld van de instelling die zich in de uitvoeringspraktijk hebben
voorgedaan;
h. het gevoerde overleg en de
samenwerking op het werkveld met andere certificerende instellingen;
i. door de instelling ontvangen
klachten en de wijze van afhandeling daarvan;
j. tegen de beslissingen van de
instelling ingediende bezwaren en ingestelde beroepen en de wijze
van afhandeling daarvan;
k. een financieel verslag betreffende
de activiteiten waarvoor de instelling is aangewezen.
Artikel 1.1b. Vergoeding extra kosten
certificatie en wijze van betalen
1. Voor zover ten gevolge van een
verzoek of handeling dan wel nalaten van de aanvrager van een
certificaat als bedoeld in deze regeling, extra kosten worden gemaakt
in verband met de afgifte van het certificaat, worden deze kosten
doorberekend aan de aanvrager.
2. De kosten verbonden aan de afgifte
van een certificaat worden bij de aanvraag voldaan overeenkomstig de
aanwijzingen van de instelling.
Paragraaf 1.2. Algemene bepalingen over
opleidingen
Artikel 1.2. Algemeen
Voor zover in deze regeling regels zijn
gesteld over opleidingen zijn de artikelen 1.3 tot en met 1.8 van
toepassing.
Artikel 1.3. Materiaal
De opleiding wordt gegeven aan de hand
van aan de cursisten ter beschikking gesteld overzichtelijk schriftelijk
opleidingsmateriaal van voldoende didactische kwaliteit.
Artikel 1.4. Docenten
De docenten beschikken voor de
onderwerpen die zij tijdens de opleiding behandelen aantoonbaar over
ruime theoretische, praktische en didactische kennis of vaardigheden.
Artikel 1.5. Faciliteiten
1.De opleidingsinstelling beschikt over
adequate opleidingsfaciliteiten.
2.De opleidingsinstelling biedt de
opleiding ten minste twee maal per jaar aan en voert haar ten minste
eenmaal per jaar uit.
3.De opleidingsinstelling legt de
verantwoordelijkheden en bevoegdheden van alle betrokkenen bij de
opleiding schriftelijk vast.
4.De opleidingsinstelling treft
adequate maatregelen om de veiligheid van de cursisten zoveel mogelijk
te waarborgen.
Artikel 1.6. Toetsing eindtermen
1.De toetsing van de eindtermen vindt
plaats door middel van een examen.
2.De opleidingsinstelling neemt de
examens af aan de hand van een deugdelijk en op schrift gesteld
examenreglement.
Artikel 1.7. Diploma
De opleidingsinstelling overhandigt de
cursist die het examen met goed gevolg heeft afgelegd, een op naam
gesteld schriftelijk bewijs, getekend door twee leden van de
examencommissie dan wel het hoofd van de opleidingsinstelling.
Artikel 1.7a. Buitenlandse
getuigschriften en kwalificaties van vakbekwaamheid
1. De aanvraag van een certificaat van
vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 1.5f, eerste lid, van het besluit,
wordt ingediend bij de Minister of, indien de Minister een
certificerende instelling heeft aangewezen, bij de certificerende
instelling onder overlegging van de volgende bescheiden:
a. een naar behoren ingevuld en
ondertekend aanvraagformulier;
b. een goed leesbare kopie van het
identiteitsbewijs van aanvrager;
c. een in een betrokken land,
bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties, behaald getuigschrift van een in dat land
erkende opleiding en gewaarmerkt door de daartoe bevoegde
instantie in dat land;
d. voor zover van toepassing, een
bewijsstuk gewaarmerkt door de daartoe bevoegde instantie in het
betrokken land, bedoeld onder c, waar het getuigschrift is
behaald, dat aan het vereiste aantal jaren beroepservaring is
voldaan.
e. indien de aanvraag en de in de
onderdelen c en d bedoelde documenten in een andere dan de
Nederlandse, Duitse of Engelse taal zijn gesteld, een, zo
mogelijk, door een beëdigd tolk vertaler opgestelde vertaling van
die documenten in één van die talen.
2. Het vaststellen dat de aanvrager
beschikt over gelijkwaardige kwalificaties als de houder van een
krachtens het besluit verstrekt certificaat, bedoeld in artikel 1.5e,
eerste lid, van het besluit, en dat sprake is van voldoende beheersing
van de Nederlandse taal, bedoeld in artikel 1.5f, tweede lid, van het
besluit, geschieden aan de hand van de procedure inzake het beoordelen
van buitenlandse opleidingen, zoals opgenomen in bijlage 0 bij deze
regeling.
3. Met inachtneming van artikel 11 van
de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties stelt de
certificerende instelling de aanvrager op de hoogte van de eis van het
met goed gevolg afleggen van een compenserende maatregel met een
bepaalde duur of inhoud.
4. De compenserende maatregel bestaat
uit een aanpassingsstage dan wel een proeve van bekwaamheid.
5. De kosten verbonden aan het in
behandeling nemen van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, en
aan een compenserende maatregel als bedoeld in het vierde lid, worden,
met inachtneming van artikel 20, zevende lid, van de wet, doorberekend
aan de aanvrager. Artikel 1.1b is van overeenkomstige toepassing op de
aanvraag en de compenserende maatregel.
Artikel 1.8. Administratie
De opleidingsinstelling voert een
deugdelijke administratie waarin de persoonlijke gegevens van de cursist
en de datum waarop het schriftelijk bewijs, bedoeld in artikel 1.7 is
uitgereikt in ieder geval zijn opgenomen en waarin de periode is bepaald
gedurende welke de examenopgaven en de uitwerkingen daarvan worden
bewaard.
Paragraaf 1.3. [Vervallen]
Artikel 1.9 [Vervallen per 01-11-1999]
Paragraaf 1.4. Melding beroepsziekten
Artikel 1.10 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 1.11. Gegevens beroepsziekten
1.In dit artikel wordt verstaan onder
beroepsziekte: een ziekte of aandoening als gevolg van een belasting
die in overwegende mate in arbeid of arbeidsomstandigheden heeft
plaatsgevonden.
2.De mededeling van een beroepsziekte,
bedoeld in artikel 9, derde lid, van de wet omvat ten minste de
volgende, niet tot een individuele natuurlijke persoon herleidbare,
gegevens:
a. de diagnose;
b. het geslacht en het geboortejaar
van de werknemer;
c. de aard en de mate van de
belasting in arbeid of arbeidsomstandigheden;
d. de aard van de werkzaamheden ten
tijde van het ontstaan van de beroepsziekte;
e. het beroep van de werknemer ten
tijde van de blootstelling, en
f. de economische activiteit van de
werkgever ten tijde van de blootstelling.
3.De in het tweede lid bedoelde
gegevens worden verstrekt overeenkomstig de aanwijzingen van de
instelling, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de wet.
Paragraaf 1.5 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 1.12 [Vervallen per 01-01-2007]
Paragraaf 1.6 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 1.16 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 1.17 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 1.18 [Vervallen per 01-01-2005]
Hoofdstuk 2. Aanvullende voorschriften
risico-inventarisatie en -evaluatie, deskundigen en arbodiensten
Paragraaf 2.1. Nadere voorschriften
risico-inventarisatie en -evaluatie
Artikel 2.0. Veiligheidsbeheerssysteem
In het veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld
in artikel 2.5a, tweede lid, van het besluit komen ten minste de
elementen aan de orde, genoemd in bijlage I bij deze regeling.
Artikel 2.0a. Procedures
risico-inventarisatie en -evaluatie
1.De procedures voor de systematische
identificatie van de ongewenste gebeurtenissen en de evaluatie van de
risico’s van zware ongevallen, bedoeld in artikel 2.5b, eerste lid,
onder a, van het besluit, hebben betrekking op:
a. het verrichten van systematisch
onderzoek naar de aan een installatie verbonden risico’s van een
zwaar ongeval tijdens het ontwerp, de bouw, het gebruik en het
onderhoud van de installatie, alsmede bij voorgenomen wijzigingen
daarvan;
b. de criteria voor het bepalen van
de methoden voor het onderzoek als bedoeld onder a;
c. de methode voor de evaluatie van
de risico’s van zware ongevallen.
2.De in het eerste lid, onderdeel b,
bedoelde onderzoeksmethode is afgestemd op de in dat lid, onderdeel a,
bedoelde fasen.
3.De methode, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel c, is geschikt om vast te stellen welke maatregelen
nodig zijn ter voorkoming van zware ongevallen of ter beperking van de
gevolgen daarvan.
Artikel 2.0b. Beschrijving van scenario’s
1.De beschrijving van de scenario’s,
bedoeld in artikel 2.5b, eerste lid, onder b, van het besluit, heeft
betrekking op de onderdelen van installaties die de grootste risico’s
van een zwaar ongeval met zich meebrengen. De identificatie van de
betreffende onderdelen van de installaties vindt plaats op basis van
een gedocumenteerde methode.
2.Bij de beschrijving van de scenario’s,
bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste in aanmerking genomen
welke van de volgende voorvallen deze scenario’s op gang kunnen
brengen: corrosie, erosie, externe belasting, impact, overdruk,
onderdruk, lage temperatuur, hoge temperatuur, trillingen, menselijke
fouten tijdens gebruik, wijziging of onderhoud.
3.Van elk scenario wordt aangegeven wat
de waarschijnlijkheid en het effect is en welke maatregelen getroffen
zijn om te voorkomen dat het scenario zich voordoet.
4.Voorts wordt van elk scenario, met
inachtneming van de reeds getroffen maatregelen, een samenhangend
inzicht geboden in:
a. de resterende kans dat een zwaar
ongeval geschiedt;
b. de ernst van de gevolgen die het
ongeval in dat geval zal hebben;
c. welke verdere maatregelen
technisch mogelijk zijn om de kans op een zwaar ongeval verder te
verkleinen tot een daarbij aan te geven niveau;
d. een indicatie van de kosten die
verbonden zouden zijn aan het treffen van de maatregelen, bedoeld
in onderdeel c.
Artikel 2.0c. Intern noodplan
Het intern noodplan, bedoeld in artikel
2.5c van het besluit, bevat ten minste de gegevens en de beschrijvingen,
bedoeld in bijlage II bij deze regeling.
Paragraaf 2.2. Taken van deskundigen en
arbodiensten
Artikel 2.1. Risico-inventarisatie en
-evaluatie
1. Bij de uitvoering van de taken,
bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a, van de wet verricht de
deskundige of de bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, eerste lid,
van het besluit of de arbodienst de volgende werkzaamheden:
a. het toetsen of de
risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de
wet, volledig en betrouwbaar is;
b. het toetsen of in de
risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld onder a, de actuele
inzichten op het terrein van arbeidsomstandigheden zijn verwerkt;
c. het op basis van de
risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld onder a, uitbrengen
van een advies aan de werkgever. Dit advies heeft mede betrekking
op de in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 5, derde lid, van
de wet, voorgestelde wijze waarop de geconstateerde tekortkomingen
kunnen worden verholpen en de prioriteiten en de volgorde waarin
de maatregelen worden genomen.
2. Bij de uitvoering van de taak,
bedoeld in artikel 2.14b, tweede en derde lid, onder b, van het
besluit verricht de deskundige of de bedrijfarts, bedoeld in artikel
2.14a, eerste lid, van het besluit of de arbodienst de volgende
werkzaamheden:
a. het toetsen of het model,
bedoeld in artikel 14, twaalfde lid, onderdeel b, onder 1°, van
de wet of het instrument, bedoeld in artikel 14, twaalfde lid,
onderdeel b, onder 2°, van de wet, volledig en betrouwbaar is;
b. het toetsen of in het model of
het instrument, bedoeld onder a, de actuele inzichten op het
terrein van arbeidsomstandigheden in de desbetreffende branche
zijn verwerkt;
c. het toetsen of het model of het
instrument, bedoeld onder a, adequate aanwijzingen bevat voor het
kunnen opstellen van een plan van aanpak, bedoeld in artikel 5,
derde lid, van de wet.
3. De Stichting van de Arbeid, te Den
Haag, wordt aangewezen als de instelling waar een instrument als
bedoeld in artikel 14, twaalfde lid, onderdeel b, onder 2°, van de
wet kan worden aangemeld.
4. De Stichting van de Arbeid draagt
zorg voor plaatsing van een aangemeld instrument als bedoeld in
artikel 14, twaalfde lid, onderdeel b, onder 2°, van de wet op de
website www.rie.nl.
Artikel 2.2. Ziekteverzuimbegeleiding
Bij de uitvoering van de taken, bedoeld
in artikel 14, eerste lid, onder b, van de wet ondersteunt de
bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de
arbodienst de werkgever bij het adequaat begeleiden van werknemers die
door ziekte niet in staat zijn om hun arbeid te verrichten teneinde een
verantwoorde werkhervatting te bevorderen. Voor het uitvoeren van deze
taak legt de bedrijfarts of de arbodienst vast:
a. op welke wijze deze taak wordt
uitgevoerd en welke procedures daarbij worden gevolgd;
b. op welke wijze wordt omgegaan met
de gegevens over het verzuim van werknemers;
c. op welke wijze de persoonlijke
levenssfeer van individuen is gewaarborgd.
Artikel 2.3. Arbeidsgezondheidskundig
onderzoek
Bij de uitvoering van de taak, bedoeld in
artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de wet legt de
bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de
arbodienst vast:
a. op welke wijze deze taak wordt
uitgevoerd en welke procedures daarbij worden gevolgd;
b. op welke wijze de periodiciteit en
de inhoud van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek zijn geregeld;
c. hoe met bedrijven afspraken worden
gemaakt over de wijze waarop werknemers van het recht op het
arbeidsgezondheidskundig onderzoek gebruik kunnen maken;
d. op welke indicaties groepsgewijze
arbeidsgezondheidskundige onderzoeken plaats kunnen vinden;
e. op welke wijze wordt omgegaan met
de gegevens die uit arbeidsgezondheidskundige onderzoeken
voortvloeien;
f. op welke wijze de persoonlijke
levenssfeer van individuen is gewaarborgd.
Artikel 2.4. Aanstellingskeuring
Bij de uitvoering van de taak, bedoeld in
artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de wet legt de
bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de
arbodienst vast:
a. op welke wijze de
aanstellingskeuring wordt uitgevoerd en welke procedures daarbij
worden gevolgd;
b. op welke wijze wordt omgegaan met
de gegevens die uit het onderzoek in het kader van de
aanstellingskeuring voortvloeien;
c. op welke wijze de persoonlijke
levenssfeer van individuen wordt gewaarborgd.
Artikel 2.5 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.6. Melding gegevens
1.De arbodienst meldt een wijziging van
zijn organisatievorm terstond aan de minister of, indien de minister
een certificerende instelling heeft aangewezen, aan de certificerende
instelling, bedoeld in artikel 2.7.
2.Indien zich een wijziging voordoet in
de gegevens, bedoeld in de artikelen 2.12, eerste lid, onder a of b,
of 2.13, eerste lid, onder a, meldt de arbodienst onderscheidenlijk de
werkgever dit zo spoedig mogelijk aan de minister of, indien de
minister een certificerende instelling heeft aangewezen, aan de
certificerende instelling, bedoeld in het eerste lid.
Paragraaf 2.3. Certificatie
Artikel 2.7. Aanwijzing certificerende
instelling
Als certificerende instelling als bedoeld
in artikel 2.14, eerste en tweede lid, van het besluit kan worden
aangewezen een instelling die voldoet aan de criteria, opgenomen in de
Regeling Certificatie Arbodiensten, 7e versie, d.d. 1 juli 2008, van de
Stichting Beheer Certificatieregeling Arbodiensten.
Artikel 2.8 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 2.9. Klachtenprocedure
Een certificerende instelling als bedoeld
in artikel 2.7 heeft een procedure voor het behandelen van klachten
aangaande de dienstverlening door arbodiensten. Vastgelegd wordt op
welke wijze deze taak wordt uitgevoerd, welke procedures daarbij worden
gevolgd en op welke wijze klachten zo nodig zullen leiden tot correcties
en preventieve maatregelen.
Artikel 2.10. Verrichten controle
Een certificerende instelling als bedoeld
in artikel 2.7 verricht jaarlijks controle bij de arbodienst ten behoeve
waarvan door de instelling een certificaat arbodienst is afgegeven.
Artikel 2.11. Afgifte certificaat
arbodienst
1.Een certificaat arbodienst als
bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, van het besluit wordt door de
minister of, indien de minister een certificerende instelling als
bedoeld in artikel 2.7 heeft aangewezen, de certificerende instelling,
afgegeven indien de bijstand bij de taken, bedoeld in artikel 14,
eerste lid, van de wet naar behoren kan worden uitgevoerd, en wordt
voldaan aan de artikelen 13, zesde lid, 14, derde lid en 14a, vierde
lid, van de wet, de artikelen 2.7 en 2.9 tot en met 2.12 van het
besluit, de artikelen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.12, eerste lid, en
bij de uitvoering van taken een kwaliteitssysteem wordt gehanteerd,
dat bewerkstelligt dat aan deze wettelijke vereisten wordt voldaan en
dat voldoet aan normen, waarmee de belanghebbende groeperingen hebben
ingestemd.
2.Een certificaat arbodienst als
bedoeld in artikel 2.14, tweede lid, van het besluit wordt door de
minister of, indien de minister een certificerende instelling als
bedoeld in artikel 2.7 heeft aangewezen, de certificerende instelling,
afgegeven indien de bijstand bij de taken, bedoeld in artikel 14,
eerste lid, van de wet naar behoren kan worden uitgevoerd, en wordt
voldaan aan de artikelen 13, zesde lid, 14, derde lid en 14a, vierde
lid, van de wet, de artikelen 2.7, 2.9, 2.11 en 2.12 van het besluit,
de artikelen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.13, eerste lid, en bij de
uitvoering van taken een kwaliteitssysteem wordt gehanteerd, dat
bewerkstelligt dat aan deze wettelijke vereisten wordt voldaan en dat
voldoet aan normen waarmee de belanghebbende groeperingen hebben
ingestemd.
3.Een certificaat als bedoeld in het
eerste en tweede lid, wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste
vier jaar.
Artikel 2.12. Verstrekken gegevens bij
aanvraag certificaat externe arbodienst
1.Een externe arbodienst verstrekt aan
de minister dan wel, indien de minister een certificerende instelling
als bedoeld in artikel 2.7 heeft aangewezen, aan de certificerende
instelling, bij de aanvraag van een certificaat arbodienst als bedoeld
in artikel 2.11, eerste lid, de volgende gegevens:
a. met betrekking tot de
deskundigen die voor de arbodienst werkzaam zijn:
1º. een overzicht van het
aantal deskundigen, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van
het besluit;
2º. een overzicht van het
aantal bedrijfartsen, bedoeld in artikel 14, eerste lid,
aanhef van de wet en het aantal deskundigen dat per vakgebied,
bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit, aan de
arbodienst verbonden zijn, waarbij tevens het aantal
formatieplaatsen en de wijze waarop de bedrijfartsen en de
deskundigen aan de dienst verbonden zijn, worden vermeld;
3°. Van elk van de
bedrijfartsen een afschrift van hun bewijs van inschrijving in
het register, bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef, van
de wet;
4º. van elk van de deskundigen
een afschrift van het certificaat van vakbekwaamheid, bedoeld
in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit of een
EG-verklaring als bedoeld in artikel 2.8 van het besluit, en
5º. het aantal deskundigen op
andere vakgebieden en de aard van die deskundigheden;
b. met betrekking tot de
organisatie-eisen, bedoeld in artikel 2.10 van het besluit:
1º. een actueel bewijs van
inschrijving bij de Kamer van Koophandel en de statuten van de
arbodienst, en
2º. een afschrift van de
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd dan wel van de
publiekrechtelijke aanstelling van de bedrijfartsen en de
deskundigen in vaste dienst, waarbij de omvang van het
dienstverband wordt vermeld;
c. met betrekking tot de werkgevers
aan wie bijstand wordt verleend:
1º. een lijst van verzorgde
bedrijven, waarin opgenomen zijn de namen, adressen en
telefoonnummers van die bedrijven en hun vestigingen, de
economische hoofdactiviteit en het aantal werknemers per
bedrijf of vestiging, en
2º. een overzicht van het
totaal aantal verzorgde werknemers.
2.Indien een externe arbodienst niet de
in het eerste lid, onder a tot en met c, bedoelde gegevens verstrekt,
wordt de aanvraag van het certificaat arbodienst niet in behandeling
genomen.
Artikel 2.12a [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 2.12b [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 2.13. Verstrekken gegevens bij
aanvraag certificaat interne arbodienst
1.De werkgever verstrekt aan de
minister of, indien de minister een certificerende instelling als
bedoeld in artikel 2.7 heeft aangewezen, aan de certificerende
instelling, bij de aanvraag van een certificaat arbodienst als bedoeld
in artikel 2.11, tweede lid, de volgende gegevens:
a. met betrekking tot de
deskundigen die voor de arbodienst werkzaam zijn:
1º. een overzicht van het
aantal deskundigen, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van
het besluit;
2º. een overzicht van het
aantal bedrijfartsen, bedoeld in artikel 14, eerste lid,
aanhef van de wet en het aantal deskundigen dat per vakgebied,
bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit, binnen de
arbodienst werkzaam zijn;
3º. een afschrift van de
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of publiekrechtelijke
aanstelling in vaste dienst van de bedrijfartsen en de
deskundigen in vaste dienst, waarbij de omvang van het
dienstverband en het aantal formatieplaatsen worden vermeld;
4°. Van elk van de
bedrijfartsen een afschrift van hun bewijs van inschrijving in
het register, bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef, van
de wet;
5º. van elk van de deskundigen
een afschrift van het certificaat van vakbekwaamheid, bedoeld
in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit of een
EG-verklaring als bedoeld in artikel 2.8 van het besluit, en
6º. het aantal deskundigen op
andere vakgebieden en de aard van die deskundigheden;
b. met betrekking tot zijn bedrijf
of de vestigingen van zijn bedrijf:
1º. naam, adres en
telefoonnummer van het bedrijf of vestigingen, de economische
hoofdactiviteit en het aantal werknemers van het bedrijf of
van elke vestiging, en
2º. een overzicht van het
totaal aantal verzorgde werknemers;
2.Indien de werkgever niet de in het
eerste lid, onder a en b, bedoelde gegevens verstrekt, wordt de
aanvraag van het certificaat arbodienst niet in behandeling genomen.
Artikel 2.14 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.15. Afgifte certificaat van
vakbekwaamheid arbeidshygiëne
Een certificaat van vakbekwaamheid
arbeidshygiëne als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit
wordt door de minister of, indien de minister een certificerende
instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven
indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in versie 1 van de
Regelingen SAH, SVK ref.nr. SKO/03034S van de Stichting voor de
Certificatie van Vakbekwaamheid SKO, ten aanzien van
arbeidshygiënisten, vastgesteld per 19 november 2003.
Artikel 2.16. Afgifte certificaat van
vakbekwaamheid veiligheidskunde
Een certificaat van vakbekwaamheid
veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit
wordt door de minister of, indien de minister een certificerende
instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven
indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in versie 2 van de
Regelingen SAH, SVK ref. nr. SKO/03034/S, van de Stichting voor de
Certificatie van Vakbekwaamheid SKO, ten aanzien van veiligheidskundigen,
vastgesteld per 2 november 2006.
Artikel 2.17. Afgifte certificaat van
vakbekwaamheid arbeids- en organisatiekunde
Een certificaat arbeids- en
organisatiekunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van het besluit,
wordt door de minister of, indien de minister een certificerende
instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven
indien de aanvrager voldoet aan de certificatie-eisen voor arbeids- en
organisatiekundigen, bedoeld in versie 3.0 van het Certificatieschema
Persoonscertificatie Arbeids- en Organisatiedeskundigen van de Stichting
Registratie Arbeids- en Organisatiedeskundigen, vastgesteld per 26 april
2005.
Artikel 2.18 [Vervallen per 03-12-2004]
Paragraaf 2.4 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 2.19 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 2.20 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 2.21 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 2.22 [Vervallen per 01-01-2009]
Paragraaf 2.5 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 2.23 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 2.24 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 2.25 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 2.26 [Vervallen per 01-11-1999]
Hoofdstuk 3. Bouwproces en
winningsindustrieën met behulp van boringen
Paragraaf 3.1. Bouwproces
Artikel 3.1. Model kennisgeving
Als model van de kennisgeving, bedoeld in
artikel 2.27, eerste lid, van het besluit wordt vastgesteld het model
dat als bijlage III bij deze regeling is gevoegd.
Paragraaf 3.2. Winningsindustrieën met
behulp van boringen
Artikel 3.2. Definities
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. risico-analyse:
systematisch onderzoek van risico's
voor de veiligheid en de gezondheid op basis waarvan een beoordeling
van die risico's wordt gemaakt als bedoeld in artikel 5 van de wet;
b. acceptatiecriteria:
de grenzen waarbinnen risico's
aanvaardbaar zijn;
c. prestatienormen:
duidelijke en meetbare parameters ten
aanzien van die prestaties van een procesinstallatie of componenten
daarvan, van apparatuur en van beheerssystemen, die direct bijdragen
aan de verwezenlijking van veiligheids- en gezondheidsdoelstellingen;
d. mijnbouwwerk:
een werk als bedoeld in artikel 1,
onderdeel n, van de Mijnbouwwet;
e. mijnbouwinstallatie:
een installatie als bedoeld in artikel
1.1, derde lid, onderdeel f, van het besluit;
f. veiligheids- en
gezondheidszorgsysteem:
een systeem als bedoeld in artikel
2.42e van het besluit;
g. veiligheids- en gezondheidsdocument:
een document als bedoeld in artikel
2.42f van het besluit.
Artikel 3.2a. Bepaling risico’s en
grenzen
1.De risico’s in het kader van de
risico-analyse, bedoeld in artikel 3.2, onderdeel a, worden
kwalitatief en, voor zover mogelijk, kwantitatief bepaald.
2.De grenzen in het kader van bepaling
van de acceptatiecriteria, bedoeld in artikel 3.2, onderdeel b,
worden, voor zover mogelijk, kwantitatief bepaald. Voor zover dit niet
mogelijk is, worden deze grenzen kwalitatief bepaald.
Artikel 3.3. Veiligheids- en
gezondheidszorgsysteem
Het veiligheids- en
gezondheidszorgsysteem is gebaseerd op een procesgerichte internationaal
erkende norm voor de beheersing van veiligheid, gezondheid,
kwaliteitszorg of milieu.
Artikel 3.4. Vastlegging veiligheids- en
gezondheidszorgsysteem
1.Het veiligheids- en
gezondheidszorgsysteem wordt schriftelijk vastgelegd.
2.In de beschrijving van het
veiligheids- en gezondheidszorgsysteem wordt aangegeven wat de
onderdelen van dit systeem inhouden en hoe de samenhang is tussen deze
onderdelen.
Artikel 3.5. Doorlichting veiligheids- en
gezondheidszorgsysteem
1.Het veiligheids- en
gezondheidszorgsysteem wordt regelmatig doorgelicht op basis van
internationaal erkende normen voor het doorlichten van zorgsystemen.
2.De aard en de frequentie van de
doorlichting wordt zodanig gekozen dat de doeltreffendheid van het
veiligheids- en gezondheidszorgsysteem telkens na een periode van drie
jaar kan worden bepaald.
Artikel 3.6. Veiligheids- en
gezondheidsdocument
1.Er wordt een veiligheids- en
gezondheidsdocument opgesteld voor de volgende mijnbouwwerken:
a. ieder mijnbouwwerk op het land;
b. iedere vast opgestelde
mijnbouwinstallatie;
c. iedere als een geheel
verplaatsbare mijnbouwinstallatie, en
d. iedere andere verplaatsbare
installatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of
werkzaamheden in of aan een bestaand boorgat worden uitgevoerd;
2.Het veiligheids- en
gezondheidsdocument, bedoeld in het eerste lid, is op de
mijnbouwwerken, bedoeld in het eerste lid, aanwezig.
Artikel 3.7. Veiligheids- en
gezondheidsdocument voor werkzaamheden
1.Voor zover niet reeds bij het
opstellen van het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in
artikel 3.6, hiermee rekening is gehouden, wordt er een veiligheids-
en gezondheidsdocument opgesteld voor de volgende bijzondere
werkzaamheden:
a. het boren van een boorgat;
b. het uitvoeren van werkzaamheden
in of aan een bestaand boorgat, en
c. het gelijktijdig uitvoeren van
werkzaamheden op een mijnbouwwerk of op of in de nabijheid van een
mijnbouwinstallatie, indien het gelijktijdig uitvoeren van deze
werkzaamheden een gevaar voor de veiligheid en de gezondheid
vormt.
2.Het veiligheids- en
gezondheidsdocument, bedoeld in het eerste lid, is bij de uit te
voeren werkzaamheden aanwezig.
Artikel 3.8. Onderdelen veiligheids- en
gezondheidsdocument voor mijnbouwwerken
1.Het veiligheids- en
gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.6, onderdelen a en b,
bestaat uit de volgende onderdelen:
a. het voorontwerprapport;
b. het gedetailleerd ontwerp,
opstarten en gebruik;
c. het addendum gebruik;
d. het addendum grote wijzigingen,
en
e. het addendum verlaten en
verwijderen.
2.Het veiligheids- en
gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.6, onderdelen c en d,
bestaat uit de volgende onderdelen:
a. het gedetailleerd ontwerp,
opstarten en gebruik;
b. het addendum gebruik, en
c. het addendum grote wijzigingen.
Artikel 3.9. Inhoud veiligheids- en
gezondheidsdocument voor mijnbouwwerken
Het veiligheids- en gezondheidsdocument,
bedoeld in artikel 3.6, bevat:
a. een duidelijke en nauwkeurige
beschrijving van het mijnbouwwerk alsmede van de werkzaamheden die
op het mijnbouwwerk worden uitgevoerd, met inbegrip van een
aanduiding van de voorzieningen die in het ontwerp van het
mijnbouwwerk zijn opgenomen ter uitsluiting of vermindering van de
risico's;
b. in aanvulling op onderdeel a, de
informatie, bedoeld in bijlage IV bij deze regeling;
c. de informatie, bedoeld in bijlage
V bij deze regeling, met betrekking tot het brandbestrijdingsplan;
d. de informatie, bedoeld in
onderdeel c, is gebaseerd op de opgave, bedoeld in artikel 2.42f,
eerste lid, onder a, van het besluit;
e. een opgave van de
acceptatiecriteria;
f. een lijst van alle
geïdentificeerde en geanalyseerde risico's, inclusief een
samenvatting van het onderzoek dat in dit kader is verricht voor het
mijnbouwwerk op het land of de vast opgestelde mijnbouwinstallatie
als bedoeld in bijlage VI bij deze regeling of voor de als een
geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie of een andere verplaatsbare
installatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of
werkzaamheden in een bestaand boorgat worden uitgevoerd, bedoeld in
bijlage VII bij deze regeling;
g. een specificatie van de bronnen,
die zijn gebruikt bij het identificeren, analyseren en evalueren van
de risico's, met inbegrip van een beschrijving van de wijze waarop
de geschiktheid en betrouwbaarheid van de bronnen is vastgesteld;
h. een beoordeling van de
doeltreffendheid en geschiktheid van het veiligheids- en
gezondheidszorgsysteem voor het mijnbouwwerk met inbegrip van de
resultaten en de noodzakelijk bevonden wijzigingen of aanvullingen
van dat zorgsysteem;
i. een samenvatting, in
niet-technische terminologie, van het onderzoek, bedoeld in bijlage
VI en VII bij deze regeling, dat is verricht in het kader van het
opstellen van het veiligheids- en gezondheidsdocument;
j. een opgave van de noodzakelijk
geachte risicoverminderende maatregelen, inclusief een samenvatting
van al het onderzoek dat in dit kader is verricht;
k. een opgave van de prestatienormen;
l. de grenzen waarbinnen de op het
mijnbouwwerk gebruikte apparatuur en beheerssystemen normaal kunnen
functioneren;
m. een actieplan met tijdpad voor de
realisatie van de maatregelen, bedoeld in onderdeel j;
n. een toetsing van de vermelde
risico's aan de acceptatiecriteria;
o. een toetsing van de prestaties van
een procesinstallatie of componenten daarvan, van apparatuur en van
beheerssystemen aan de prestatienormen, en
p. een schriftelijke verklaring dat
de risico's ten minste binnen de van tevoren vastgestelde
acceptatiecriteria en prestatienormen vallen.
Artikel 3.10. Inhoud veiligheids- en
gezondheidsdocument voor werkzaamheden
1.Het veiligheids- en
gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.7, bevat:
a. een overzichtstekening waarop de
combinaties, bedoeld in het tweede lid, zijn aangegeven;
b. een opgave van de
acceptatiecriteria;
c. een beoordeling en een evaluatie
van de gevaren en de daarmee samenhangende risico's die specifiek
zijn voor de locatie en voor de werkzaamheden waarop het
veiligheids- en gezondheidsdocument betrekking heeft;
d. een specificatie van de bronnen,
die zijn gebruikt bij het identificeren, analyseren en evalueren
van de risico's, met inbegrip van een beschrijving van de wijze
waarop de geschiktheid en betrouwbaarheid van de bronnen is
vastgesteld;
e. een evaluatie van alle
beheerssystemen die bijdragen aan de vermindering van de risico's;
f. een opgave van de noodzakelijk
geachte risicoverminderende maatregelen, inclusief een
samenvatting van al het onderzoek dat in dit kader is verricht;
g. een opgave van de
prestatienormen;
h. een toetsing van de vermelde
risico's aan de acceptatiecriteria, en
i. een toetsing van de prestaties
van een procesinstallatie of componenten daarvan, van apparatuur
en van beheerssystemen aan de prestatienormen.
2.In het veiligheids- en
gezondheidsdocument, bedoeld in het eerste lid, worden de maatregelen,
die noodzakelijk zijn voor het beheersen van risico's, afgestemd op
het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.6,
indien bij het uitvoeren van werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van
een combinatie van:
a. een vast opgestelde
mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
onderdeel b en een als een geheel verplaatsbare
mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder
c;
b. een andere verplaatsbare
installatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of
werkzaamheden in een bestaand boorgat worden uitgevoerd als
bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel d en een vast
opgestelde mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 3.6, eerste
lid, onderdeel b;
c. een als een geheel verplaatsbare
mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
onderdeel c en een andere verplaatsbare installatie met behulp
waarvan werkzaamheden in een bestaand boorgat worden uitgevoerd
als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel d, of
d. een mijnbouwwerk op het land als
bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a en een andere
verplaatsbare installatie met behulp waarvan boorgaten worden
geboord of werkzaamheden in een bestaand boorgat worden uitgevoerd
als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel d.
Artikel 3.11. Toezenden gegevens
1. Het voorontwerprapport, bedoeld in
artikel 3.8, eerste lid, onder a, wordt voorafgaand aan de aanvraag om
een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef
en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de
aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 40 van de
Mijnbouwwet, in tweevoud toegezonden aan een daartoe aangewezen
toezichthouder.
2. Het gedetailleerd ontwerp, opstarten
en gebruik, bedoeld in artikel 3.8, eerste en tweede lid, wordt acht
weken voor het in gebruik nemen van een mijnbouwwerk in tweevoud
toegezonden aan een daartoe aangewezen toezichthouder.
3. Het addendum gebruik, bedoeld in
artikel 3.8, eerste en tweede lid, wordt voor de eerste maal vijf jaar
na toezending van het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik en
vervolgens eenmaal in de vijf jaar in tweevoud toegezonden aan een
daartoe aangewezen toezichthouder.
4. Het addendum verlaten en
verwijderen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, wordt acht weken voor
het verlaten van een mijnbouwwerk of het verwijderen van een vast
opgestelde mijnbouwinstallatie in tweevoud toegezonden aan een daartoe
aangewezen toezichthouder.
5. De informatie, bedoeld in artikel
3.9, onderdeel c, wordt op verzoek van een daartoe aangewezen
toezichthouder in tweevoud aan hem toegezonden.
Artikel 3.12. Toezenden van het
veiligheids- en gezondheidsdocument voor werkzaamheden
1.Het veiligheids- en
gezondheidsdocument voor de bijzondere werkzaamheden, bedoeld in
artikel 3.7, eerste lid, onderdelen a en b, wordt vier weken voor de
aanvang van de werkzaamheden in tweevoud toegezonden aan een daartoe
aangewezen toezichthouder.
2.Dit veiligheids- en
gezondheidsdocument gaat vergezeld van het werkprogramma, bedoeld in
artikel 74 van het Mijnbouwbesluit indien het de volgende
werkzaamheden betreft:
a. het boren van een boorgat;
b. het uitvoeren van werkzaamheden
in een bestaand boorgat.
Artikel 3.13. Naleving veiligheids- en
gezondheidsdocument
1.De werkgever die verantwoordelijk is
voor het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, gaat na of
het veiligheids- en gezondheidsdocument, met uitzondering van het
voorontwerprapport, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder a, wordt
nageleefd.
2.De werkgever die verantwoordelijk is
voor het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, beoordeelt
regelmatig en systematisch de naleving en de doeltreffendheid van het
veiligheids- en gezondheidsdocument.
3.Indien de resultaten van de
beoordeling, bedoeld in het tweede lid, daartoe aanleiding geven,
herziet de werkgever die verantwoordelijk is voor de arbeidsplaats het
veiligheids- en gezondheidsdocument. De herziene delen van het
veiligheids- en gezondheidsdocument worden, alvorens het gewijzigde
veiligheids- en gezondheidsdocument wordt uitgevoerd, in tweevoud
toegezonden aan een daartoe aangewezen toezichthouder.
Artikel 3.14. Noodplan
1.Het noodplan, bedoeld in artikel
3.37v, van het besluit, bevat in ieder geval de informatie, bedoeld in
bijlage VIII bij deze regeling.
2.Het noodplan is op het mijnbouwwerk,
bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, aanwezig.
Hoofdstuk 4. Veiligheid tankschepen en
gevaarlijke stoffen
Paragraaf 4.1. Veiligheid aan op of in
tankschepen
Artikel 4.1. Definities
Voor de toepassing van deze paragraaf
wordt verstaan onder:
a. brandbare vloeistoffen:
vloeistoffen waarvan het vlampunt niet hoger is dan 100°C;
b. K0-, K1- en K2-vloeistoffen:
brandbare vloeistoffen, met een vlampunt lager of gelijk aan 55°C,
waaronder mede begrepen brandbare gassen, al dan niet in vloeibare
vorm, voor zover niet begrepen onder KT-vloeistoffen;
c. K3-vloeistoffen: brandbare
vloeistoffen, geen KT-vloeistoffen zijnde, waarvan het vlampunt
hoger is dan 55°C;
d. KT-vloeistoffen: brandbare
vloeistoffen, waaronder mede begrepen brandbare gassen, al dan niet
in vloeibare vorm, welke gevaar voor vergiftiging, bedwelming of
verstikking kunnen opleveren;
e. T-vloeistoffen: vloeistoffen, niet
zijnde brandbare vloeistoffen, waaronder mede begrepen gassen, al
dan niet in vloeibare vorm, welke gevaar voor vergiftiging
bedwelming of verstikking kunnen opleveren;
f. K1-ruimte: een tot een schip
behorende ruimte waarin K0-, K1- of K2-vloeistoffen en geen
KT-vloeistoffen of resten daarvan anders dan in verpakking
voorkomen;
g. K3-ruimte: een tot een schip
behorende ruimte waarin geen andere brandbare vloeistoffen dan
K3-vloeistoffen of resten daarvan anders dan in verpakking
voorkomen;
h. KT-ruimte:een tot een schip
behorende ruimte waarin KT-vloeistoffen of resten daarvan anders dan
in verpakking voorkomen;
i. T-ruimte: een tot een schip
behorende ruimte waarin T-vloeistoffen en geen KT-vloeistoffen of
resten daarvan anders dan in verpakking voorkomen;
j. K1-schip: een schip waarvan een of
meer van de ladingtanks een K1-ruimte is of voor het schoonmaken
daarvan was;
k. K3-schip: een schip, in de
ladingtanks waarvan noch andere brandbare vloeistoffen dan
K3-vloeistoffen geen T-vloeistoffen of resten van een van die
vloeistoffen anders dan in verpakking voorkomen;
l. KT-schip: een schip waarvan een of
meer van de ladingtanks een KT-ruimte is of voor het schoonmaken
daarvan was;
m. T-schip: een schip, niet zijnde
een K1- of KT-schip, waarvan een of meer van de ladingtanks een
T-ruimte is of voor het schoonmaken daarvan was;
n. vuur: vuur, vonkvorming, open
licht of elk oppervlak met een temperatuur welke gelijk is aan of
hoger is dan de minimumontstekingstemperatuur van de vloeistoffen of
de gassen die de ladingtanks bevatten of waarvan resten in die tanks
voorkomen;
o. werk met vuur: werkzaamheden
waarbij vuur wordt gebruikt of kan ontstaan;
p. koud werk: werkzaamheden waarbij
geen vuur wordt gebruikt of kan ontstaan;
q. schoonmaken: iedere handeling die
gericht is op of verband houdt met het schoon-, gasvrij- of
droogmaken van een K1-, KT-, K3- of T-ruimte;
r. ladingzone: de ladingtanks en alle
rechtstreeks aan deze tanks grenzende tanks of andere ruimten, welke
als afscheiding dienen tussen de ladingtanks en de overige ruimten
van het schip;
s. gasdeskundige: een deskundig
persoon als bedoeld in artikel 3.5h, derde lid, van het besluit die
voldoet aan artikel 4.14;
t. veiligheids- en
gezondheidsverklaring: een door een gasdeskundige na een
doeltreffend onderzoek afgegeven verklaring als bedoeld in artikel
3.5h, derde lid, van het besluit, overeenkomstig een van de bij
bijlage IX van deze regeling vastgestelde modellen.
Artikel 4.2. Toepassingsgebied
Deze paragraaf is van toepassing op de in
artikel 3.5h, eerste lid, van het besluit bedoelde werkzaamheden op K1-,
K3-, KT- of T-schepen.
Artikel 4.3. Veiligheidsmaatregelen
Indien zich bij of als gevolg van het
verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.5h, eerste lid,
van het besluit gevaarlijke gassen concentreren en deze door onvoldoende
luchtbeweging niet snel genoeg worden verdund of afgevoerd, worden
maatregelen getroffen om deze concentraties te beperken. Indien dit niet
in voldoende mate mogelijk is, worden de tankdeksels gesloten en de
desbetreffende werkzaamheden gestaakt.
Artikel 4.4. Schoonmaken
1.Alvorens werknemers de schoon te
maken ruimten betreden, is vastgesteld dat zulks zonder gevaar voor de
veiligheid en gezondheid kan geschieden.
2.Een schoon te maken ruimte wordt niet
betreden zolang als gevolg van werkzaamheden in een aangrenzende
ruimte de temperatuur van de schotten aanmerkelijk hoger kan worden
dan de omgevingstemperatuur.
3.Een schoon te maken ruimte wordt
evenmin betreden zolang in een aangrenzende ruimte een explosief
mengsel aanwezig is en deze ruimte niet is gesloten.
4.Tijdens het schoonmaken worden aan
dek en in de ladingzone geen andere werkzaamheden verricht dan die
welke verband houden met het schoonmaken, tenzij deze werkzaamheden
plaatsvinden tijdens een gesloten schoonmaakproces en uitsluitend
betrekking hebben op laden en lossen. Het schoonmaken en de laad- en
loswerkzaamheden:
a. vinden volledig gescheiden van
elkaar plaats;
b. beïnvloeden elkaar niet en
c. staan onder voortdurend
toezicht.
Artikel 4.5. Onderzoek
Tijdens het schoonmaken wordt zo dikwijls
als dit nodig is, onderzocht of als gevolg van vrijkomende vloeistoffen,
gassen of dampen gevaar voor brand, ontploffing, bedwelming, verstikking
of vergiftiging ontstaat.
Artikel 4.6. Voorkomen gevaren
1.Het schoonmaken van K1-, K3- en
KT-ruimten is erop gericht de concentratie van gassen en dampen onder
de onderste explosiegrens te houden of op veilige wijze tot onder die
grens terug te brengen. Indien tijdens het schoonmaken een
gassamenstelling optreedt, welke gevaar oplevert voor een ontploffing,
wordt de duur van deze toestand zo kort mogelijk gehouden. Indien het
schoonmaken geschiedt met gebruikmaking van inert gas, wordt dit op
zodanige wijze uitgevoerd, dat een ontplofbaar mengsel niet kan
ontstaan.
2.Het schoonmaken van K1-, K3-, KT- en
T-ruimten wordt zo uitgevoerd, dat binnen en buiten die ruimten naar
redelijke verwachting geen gevaar voor bedwelming, verstikking of
vergiftiging kan ontstaan. Indien het schoonmaken geschiedt met
gebruikmaking van inert gas, wordt dit op zodanige wijze uitgevoerd,
dat een ontplofbaar mengsel niet kan optreden.
Artikel 4.7. Veiligheidsvoorwaarden
1.Het schoonmaken van K1-, K3- of
KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, of KT-schepen vindt slechts plaats
indien binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen vuur
aanwezig is noch naar redelijke verwachting kan ontstaan.
2.Het schoonmaken van K1-, K3- of
KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, of KT-schepen vindt slechts plaats
indien binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen gevaar
bestaat voor vonkvorming of ontstekingsgevaar door elektrostatische
ladingen.
3.Het schoonmaken van K1-, K3- of
KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, of KT-schepen vindt slechts plaats
indien binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone niet gerookt
wordt.
4.Het schoonmaken van K1-, K3- of
KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, of KT-schepen vindt slechts plaats
indien er binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen
onbevoegden kunnen komen.
5.De ladingtanks in de gehele
ladingzone van K1,- K3- en KT-schepen worden niet geopend dan nadat
aan het eerste tot en met vierde lid is voldaan.
6.De ladingtanks in de gehele
ladingzone van T-schepen worden niet geopend dan nadat aan het vierde
lid is voldaan.
Artikel 4.8. Veiligheids- en
gezondheidsverklaring
De artikelen 4.4, vierde lid, en 4.7 zijn
niet van toepassing op K3-ruimten buiten de ladingzone op K1-, KT- en
T-schepen indien met betrekking tot deze schepen een veiligheids- en
gezondheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.1, onder t, is afgegeven.
Artikel 4.9. Onderhouden, verbouwen,
herstellen en slopen
1.Het onderhouden, verbouwen,
herstellen en slopen van K1-, K3-, KT- of T-schepen vindt slechts
plaats nadat een onderzoek, uitgevoerd overeenkomstig de bij artikel
4.10 gestelde regels heeft plaatsgevonden en in verband met dit
onderzoek een volledig en correct ingevulde veiligheids- en
gezondheidsverklaring is uitgereikt aan de werkgever die de
onderhouds-, herstellings-, verbouwings-, of sloopwerkzaamheden zal
uitvoeren.
2.Het onderhouden, verbouwen,
herstellen en slopen van K1-, K3-, KT- of T-schepen vindt voorts
slechts plaats voor zover die werkzaamheden en de ruimten waarin deze
worden uitgevoerd, zijn vermeld in de in het eerste lid bedoelde
veiligheids- en gezondheidsverklaring als zijnde toegestaan.
3.Een veiligheids- en
gezondheidsverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt bij een
gasdeskundige aangevraagd.
4.Bij de aanvraag worden alle
inlichtingen verstrekt, welke met het oog op de afgifte van de
veiligheids- en gezondheidsverklaring van belang zijn, terwijl
desverlangd nadere inlichtingen ter zake worden verstrekt.
Artikel 4.10. Onderzoek gasdeskundige
1.Het in artikel 4.9 bedoelde onderzoek
wordt ingesteld door de gasdeskundige, die de uitslag van dat
onderzoek vermeldt op de door hem uit te reiken veiligheids- en
gezondheidsverklaring.
2.De gasdeskundige strekt dit onderzoek
uit over alle ruimten ten aanzien waarvan hij dit in verband met de
aard van de te verrichten werkzaamheden noodzakelijk acht. Bij het
onderzoek betrekt de gasdeskundige zo nodig een goed geoutilleerd
laboratorium. Hij maakt gebruik van deugdelijke, in goede staat
verkerende meet- en andere hulpapparatuur.
3.Hij stelt vast of de te onderzoeken
ruimten:
a. K1-, KT-, K3- of T-ruimten zijn;
b. veilig voor mensen zijn in die
zin, dat:
1º. werknemers die ruimten
zonder gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen kunnen
betreden, en
2º. geen gevaar voor
bedwelming, verstikking, vergiftiging of letsel bestaat, met
dien verstande dat een ruimte ten aanzien waarvan het
voorgaande niet is gebleken, op de veiligheids- en
gezondheidsverklaring wordt aangeduid als “niet veilig voor
mensen”;
c. veilig voor vuur zijn in die
zin, dat:
1º. de resten van brandbare
vloeistoffen daaruit zijn verwijderd zodat geen gevaar bestaat
voor brand;
2º. eventueel nog aanwezige
brandbare gassen of dampen nergens een concentratie in de
lucht vormen, welke hoger ligt dan 20% van de onderste
explosiegrens;
3º. de aangrenzende ruimten
hetzij voldoen aan het onder 1° en 2° gestelde, hetzij tot
de top zijn gevuld met water waarop zich geen K0-, K1-, K2- of
KT-vloeistoffen bevinden, hetzij op andere wijze brand- en
explosie-veilig zijn gemaakt,
met dien verstande, dat een ruimte
ten aanzien waarvan het voorgaande niet is gebleken, op de
veiligheids- en gezondheidsverklaring wordt aangeduid als “niet
veilig voor vuur”.
4.De gasdeskundige reikt een
veiligheids- en gezondheidsverklaring uit, indien hij heeft
vastgesteld, dat:
a. de ruimten waarin koud werk moet
worden verricht, veilig voor mensen zijn;
b. de ruimten waarin werk met vuur
moet worden verricht, zowel veilig voor mensen als veilig voor
vuur zijn;
c. de toestand waarin andere dan de
onder a en b bedoelde ruimten zich bevinden en de wijze waarop zij
zijn afgesloten, zodanig zijn dat de in de verklaring aangewezen
werkzaamheden zonder gevaar voor de veiligheid en gezondheid van
de werknemers uitgevoerd kunnen worden.
5.Hij reikt een veiligheids- en
gezondheidsverklaring voor het verrichten van werk met vuur in een
deel van de ladingzone van K1- en KT-schepen slechts uit, indien hem
ten minste zes uren na de in het vierde lid bedoelde vaststelling uit
een doeltreffend onderzoek is gebleken, dat de in dat lid vermelde
ruimten nog steeds voldoen aan de daarbij gestelde eisen.
6.In afwijking van het vierde lid reikt
hij een veiligheids- en gezondheidsverklaring voor het verrichten van
werk met vuur in de ladingzone van K1- en KT-schepen slechts uit,
indien hij heeft vastgesteld, dat:
a. de gehele ladingzone veilig voor
mensen als bedoeld in het derde lid, onder b, en veilig voor vuur
als bedoeld in het derde lid, onder c, is, en
b. de toestand waarin andere dan de
onder a bedoelde ruimten zich bevinden en de wijze waarop zij zijn
afgesloten, zodanig zijn dat de in de veiligheids- en
gezondheidsverklaring aangewezen werkzaamheden veilig uitgevoerd
kunnen worden en indien hem ten minste zes uren na die
vaststelling uit een doeltreffend onderzoek is gebleken, dat geen
wijziging heeft plaatsgevonden in de onder a en b bedoelde
toestand.
7.Een veiligheids- en
gezondheidsverklaring is niet van toepassing op leidingen in of buiten
het tankschip en is alleen geldig als zij volledig en juist is
ingevuld en zolang de toestand op grond waarvan de verklaring is
verleend ongewijzigd is.
Artikel 4.11. Werken met vuur zonder
veiligheids- en gezondheidsverklaring
Werk met vuur boven dan wel in een deel
van de ladingzone aan een K1- of KT-schip dat niet veilig voor vuur is
als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder c en waarbij in afwijking
van artikel 4.9 niet de daartoe vereiste veiligheids- en
gezondheidsverklaring is uitgereikt is alleen dan toegestaan indien:
a. de aard van de werkzaamheden, de
plaats of plaatsen waar deze werkzaamheden zullen worden uitgevoerd
en de periode waarin zij zullen worden verricht, nauwkeurig zijn
aangeduid door de reparateur;
b. de plaatsen waar vonken of
gloeiende metaaldelen kunnen neerkomen door de werkzaamheden,
nauwkeurig zijn aangeduid door de reparateur;
c. de plaatsen waar aanmerkelijke
temperatuurverhoging kan optreden als gevolg van de werkzaamheden,
nauwkeurig zijn aangeduid door de reparateur;
d. door een gasdeskundige een
gedagtekende verklaring is uitgereikt waaruit blijkt dat op de onder
a tot en met c bedoelde plaatsen de resten van brandbare
vloeistoffen zijn verwijderd, zodat geen brandgevaar bestaat;
e. door een gasdeskundige een
volledig en juist ingevulde veiligheids- en gezondheidsverklaring is
afgegeven waaruit blijkt dat ruimten waarin gewerkt moet worden en
aangrenzende ruimten veilig voor mensen zijn of geïnertiseerd als
bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder b.
Artikel 4.12. Werken met vuur zonder
veiligheids- en gezondheidsverklaring, binnen 25 meter van de ladingzone
1.Binnen 25 meter van de ladingzone op
een K1, of KT-schip dat niet veilig voor vuur is als bedoeld in
artikel 4.10, derde lid, onder c, en waarvoor, in afwijking van
artikel 4.9 niet de daartoe vereiste veiligheids- en
gezondheidsverklaring is uitgereikt, is de aanwezigheid van vuur
slechts toegestaan indien door een gasdeskundige voor de aanvang van
de werkzaamheden een verklaring is afgegeven waaruit blijkt, dat de
ladingzone veilig voor mensen is als bedoeld in artikel 4.10, derde
lid, onder b.
2.De aanwezigheid van vuur, bedoeld in
het eerste lid, is voorts toegestaan indien blijkt uit de verklaring,
bedoeld in voornoemd lid, dat:
a. de brandbare gassen in de atmosfeer
van de ladingzone nergens een concentratie van meer dan 20% van de
onderste explosiegrens vormen, of
b. de toestand van de in de ladingzone
aanwezige atmosfeer zodanig is dat bij verdunning daarvan met lucht
geen brandbaar of explosief mengsel ontstaat.
Artikel 4.13. Melding werkzaamheden
Indien de situaties, bedoeld in de
artikelen 4.11 en 4.12, zich voordoen ontvangt de daartoe aangewezen
toezichthouder voor de aanvang van de werkzaamheden een volledig en
juist ingevuld meldingsformulier overeenkomstig het bij bijlage X bij
deze regeling vastgestelde model.
Artikel 4.14. Afgifte certificaat van
vakbekwaamheid gasdeskundige
Een certificaat van vakbekwaamheid
gasdeskundige als bedoeld in artikel 3.5h, vierde lid, van het besluit
wordt door de minister of, indien de minister een certificerende
instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven
indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in versie 1 van de
Regeling SGT ref.nr. SKO/03035/S van de Stichting voor de Certificatie
van Vakbekwaamheid SKO, vastgesteld per 19 november 2003.
Artikel 4.15 [Vervallen per 03-12-2004]
Paragraaf 4.2. Veilig werken met
explosieven
Artikel 4.16. Afgifte certificaat van
vakbekwaamheid springmeester
Een certificaat van vakbekwaamheid
springmeester als bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, van het besluit
wordt door de minister of, indien de minister een certificerende
instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven
indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in de regeling SPR ref.
nr. REG/SPR/20/001 van de Stichting voor certificatie van vakbekwaamheid
Hobéon SKO, vastgesteld per 3 juni 2010.
Artikel 4.17 [Vervallen per 03-12-2004]
Paragraaf 4.2a. Veilig werken met
professioneel vuurwerk
Artikel 4.17a. Definities
1.In deze paragraaf wordt verstaan
onder:
a. groot vuurwerk:
professioneel vuurwerk dat bestemd is
voor gebruik buiten tijdens een evenement of voorstelling;
b. pyrotechnische speciale effecten:
professioneel vuurwerk dat bestemd is
voor gebruik tijdens een evenement of voorstelling met geringe
publieksafstanden en waarvan door de fabrikant of importeur is
aangegeven dat het voor dit gebruik geschikt is.
2.Voor de toepassing van deze paragraaf
wordt consumentenvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid,
van het Vuurwerkbesluit, dat wordt bestemd voor gebruik tijdens een
evenement of voorstelling of dat wordt bewerkt ten behoeve van een
evenement of voorstelling aangemerkt als groot vuurwerk.
Artikel 4.17b. Afgifte certificaat van
vakbekwaamheid professioneel vuurwerk
Een certificaat van vakbekwaamheid
professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van het
besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende
instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven
indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in het document
Certificatie-eisen Vuurwerkdeskundige versie 1 van Kiwa Certificatie en
Keuringen N.V, vastgesteld per 14 februari 2002.
Artikel 4.17c [Vervallen per 03-12-2004]
Artikel 4.17d [Vervallen per 01-07-2011]
Paragraaf 4.2b. Opsporen conventionele
explosieven
Artikel 4.17e. Afgifte procescertificaat
opsporen conventionele explosieven
1.Een procescertificaat opsporen
conventionele explosieven als bedoeld in artikel 4.10, tweede lid, van
het besluit wordt door de minister of, indien de minister een
certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende
instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen gesteld
in bijlage XII bij deze regeling.
2.Een certificaat dat, met betrekking
tot het opsporen van conventionele explosieven, door een lidstaat van
de Europese Unie anders dan Nederland of een andere staat die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
de Zwitserse bondsstaat is voorgeschreven en dat naar het oordeel van
de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft
aangewezen, de certificerende instelling, voor wat betreft de aan het
proces van opsporing, de organisatie en het management van personeel
en middelen gestelde eisen ten minste gelijkwaardig is, wordt
gelijkgesteld aan het procescertificaat, bedoeld in het eerste lid.
Paragraaf 4.3. Beoordeling risico van
blootstelling aan gevaarlijke stoffen in combinatie
Artikel 4.18. Beoordeling risico van
blootstelling aan gevaarlijke stoffen in combinatie
Bij de beoordeling van het risico van
blootstelling in de individuele ademhalingszone van de werknemer aan
gevaarlijke stoffen in combinatie, zoals bedoeld in artikel 4.2, zesde
lid, van het besluit, wordt in geval van het risico van blootstelling
aan stoffen waarvan bekend is dat deze stoffen hetzelfde
gezondheidkundige gevolg hebben op hetzelfde orgaansysteem, bijlage XIIA
bij de regeling toegepast.
Paragraaf 4.4. Wettelijke grenswaarden
Artikel 4.19. Gevaarlijke stoffen
1.Als grenswaarden als bedoeld in
artikel 4.3, eerste lid, jo. artikel 4.1, tweede lid, onder a, van het
besluit worden aangewezen de waarden die zijn opgenomen in bijlage
XIII bij deze regeling.
2
De resultaten van de beoordeling, bedoeld
in artikel 4.2, eerste lid, van het besluit worden voor elke stof
waarvoor overeenkomstig het eerste lid en artikel 4.3, tweede lid, van
het besluit een grenswaarde is vastgesteld, getoetst aan die
grenswaarde. De toetsing vindt plaats volgens een voor dat doel
geschikte genormaliseerde methode.
Artikel 4.19a. Biologische grenswaarden
Als grenswaarde als bedoeld in artikel
4.3, eerste lid, jo. artikel 4.1, tweede lid, onder b, van het besluit,
wordt voor lood vastgesteld: 70 µg/100 ml bloed.
Artikel 4.20. Kankerverwekkende en
mutagene stoffen
1.Als grenswaarden als bedoeld in
artikel 4.16, eerste lid, van het besluit worden aangewezen de waarden
die zijn opgenomen in bijlage XIII bij deze regeling.
2.De resultaten van de beoordeling,
bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het besluit worden voor elke
stof waarvoor overeenkomstig het eerste lid en artikel 4.16, tweede
lid, van het besluit een grenswaarde is vastgesteld, getoetst aan die
grenswaarde. De toetsing vindt plaats volgens een voor dat doel
geschikte genormaliseerde methode.
Paragraaf 4.4a. Nadere voorschriften over
het werken met lood
Artikel 4.20a. Meetfrequentie en analyse
van lood in de lucht
1.In het kader van de beoordeling,
bedoeld in artikel 4.2, van het besluit wordt de concentratie van lood
in de lucht om de drie maanden gemeten. Er kan worden volstaan met
eenmaal per jaar meten, indien er geen verandering in de werkmethoden
en de omstandigheden van de blootstelling plaatsvindt, en
a. het loodgehalte in het bloed van
geen enkele werknemer, gemeten overeenkomstig artikel 4.10b van
het besluit, meer bedraagt dan 60 µg/100 ml bloed, of
b. uit twee opeenvolgende
voorafgaande metingen is gebleken, dat de concentratie van lood in
de lucht minder bedraagt dan 100 µg/m3 lucht of dat de
omstandigheden van de blootstelling niet merkbaar variëren.
2.De bepaling van de concentratie van
lood in de lucht, als bedoeld in het eerste lid, geschiedt met behulp
van de atomaire arbsorptiespectrometrie of een andere analysemethode,
die gelijkwaardige resultaten oplevert.
Artikel 4.20b. Controle van lood in het
bloed
1.In het kader van de beoordeling,
bedoeld in artikel 4.2 van het besluit, worden de werknemers ten
minste tweemaal per jaar in de gelegenheid gesteld tot het meten van
het loodgehalte in het bloed.
2.De frequentie van het meten van het
loodgehalte in bloed kan worden teruggebracht tot eenmaal per jaar,
indien het loodgehalte van geen enkele werknemer meer bedraagt dan 50
µg/100 ml bloed en uit de twee opeenvolgende voorafgaande metingen is
gebleken dat de concentratie van lood in de lucht minder bedraagt dan
100 µg/m³ lucht.
3.Het loodgehalte in het bloed als
bedoeld in artikel 4.10b, tweede lid, van het besluit wordt gemeten
met behulp van de atomaire absorptiespectrometrie of een andere
gelijkwaardige methode.
4.De resultaten van de meting, bedoeld
in het eerste lid, worden getoetst aan de grenswaarde, bedoeld in
artikel 4.19a. De toetsing vindt plaats volgens een voor dat doel
geschikte genormaliseerde methode.
5.Het arbeidsgezondheidskundig
onderzoek, bedoeld in artikel 4.10b, eerste lid, van het besluit,
wordt de werknemers ten minste eenmaal per jaar aangeboden.
Paragraaf 4.4b. Kankerverwekkende
processen
Artikel 4.20c. Aanwijzing
Als kankerverwekkende processen, bedoeld
in artikel 4.11, onderdeel c, onder 2°, van het besluit worden de
processen waarbij de volgende mengsels van stoffen vrijkomen aangewezen:
a. dieselmotoremissies;
b. een mengsel van
N-[3-hydroxy-2-(2-methylacryloylaminomethoxy)-propoxymethyl]-2-methylacrylamide
en N-[2,3-bis-(2-methylacryloylaminomethoxy)propoxymethyl]-2-methylacrylamide
en methacrylamide en 2-methyl-N-(2-methylacryloylaminomethoxymethyl)acrylamide
en N-(2,3-dihydroxypropoxymethyl)-2-methylacrylamide, of;
c. C.I. Basic Violet 3 met 0,1% of
meer Michlers keton.
Paragraaf 4.5. Meetmethodes asbest
Artikel 4.21. Algemeen
De metingen, bedoeld in artikel 4.47,
derde lid, van het besluit worden overeenkomstig de artikelen 4.22 tot
en met 4.26 uitgevoerd.
Artikel 4.22. Monsterneming
Monsters worden genomen uit de
individuele ademzone van de werknemers, dat wil zeggen binnen een halve
bol met een straal van 300 mm frontaal voor het gezicht en gemeten vanaf
het midden van een lijn, die de oren verbindt.
Artikel 4.23. Te gebruiken materialen
Bij monsterneming wordt gebruik gemaakt
van:
a. membraanfilters van gemengde
esters van cellulose of cellulosenitraat, met een poriëngrootte van
0,8 tot 1,2 micrometer met gedrukte vierkanten en een doorsnede van
25 mm en een optimale belasting van 100/400 vezels per mm²;
b. een open filterhouder, voorzien
van een cilindervormige kap die zich tussen 33 en 44 mm voor het
filter bevindt, waardoor een cirkelvormig oppervlak van ten minste
20 mm doorsnee wordt blootgesteld, waarvan de kap bij het gebruik
naar beneden is gericht;
c. een draagbaar pompje met
batterijvoeding dat de werknemer tijdens de monsterneming meedraagt,
waarvan de luchtsnelheid regelmatig is en wordt afgesteld op 1 liter
per minuut ± 5%; deze luchtsnelheid blijft tijdens de periode van
de monsterneming gehandhaafd binnen ± 10% van aanvankelijke
stroomsnelheid, waarbij voor de duur van de monsterneming een marge
van 2% is toegestaan.
Artikel 4.24. Vezeltelling
1.De voor de vezeltelling te gebruiken
binoculaire microscoop heeft de volgende kenmerken:
a. Koehler-verlichting;
b. onder de voorwerptafel is een
centreerring, een Abbe- of achromatische fasecontrastcondensor
ingebouwd, waarbij het fasecontrast onafhankelijk van het
mechanisme van de condensorcentrering wordt ingesteld;
c. een positief par-focaal
achromatisch fasecontrastobjectief, met een vergroting van 40 maal
en met een numerieke opening van 0,65 tot 0,70 en een
fase-ring-absorptie van 65 tot 85%;
d. een algeheel gecompenseerd
oculair met een vergroting van 12,5;
e. ten minste één oculair is
geschikt voor een graticule en moet te focussen zijn;
f. een Walton-Beckett ringvormige
oculairgraticule met een zichtbare diameter in het objectvlak van
100 micrometer, ± 2 micrometer, bij gebruik van het
gespecificeerde objectief en oculair, en geverifieerd met een
micrometer op een voorwerptafel.
2.De microscoop wordt aan het begin van
de dag van gebruik opgesteld volgens de voorschriften van de
fabrikant, waarbij de waarnemingsgrens wordt gecontroleerd aan de hand
van een fase-contrastproefplaatje. De codes op de AIA-proefglaasjes of
op de blokken op het HSE/NLP/Mark 2 proefglaasje zijn bij gebruik
volgens de door de fabrikant aangegeven wijze zichtbaar tot aan code 5
respectievelijk blok 5.
Artikel 4.25. Voorschriften bij telling
Telling van de vezels op het filter,
bedoeld in artikel 4.24, vindt plaats volgens de onderstaande
voorschriften:
a. alleen telbare vezels worden
geteld; onder telbare vezel wordt verstaan een vezel die voldoet aan
de definitie van een vezel, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid,
onder c, van het besluit die geen deeltje met een maximum diameter
groter dan 3 micrometer raakt;
b. telbare vezels waarvan de twee
uiteinden zich binnen de graticulezone bevinden, worden als één
vezel geteld;
c. telbare vezels waarvan zich één
uiteinde binnen de graticulezone bevindt, worden als een halve vezel
geteld;
d. een vezelcluster dat over zijn
lengte op één of meer plaatsen stevig en niet gespleten schijnt te
zijn maar dat op andere plaatsen in afzonderlijke vezels uiteen
schijnt te vallen, is één telbare vezel indien het voldoet aan de
definitie van een vezel, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid, onder
c, van het besluit; de diameter wordt gemeten dwars door het
niet-gespleten deel en niet door het gespleten deel;
e. bij vezelclusters in de vorm van
een bundel, waarin de afzonderlijke vezels elkaar raken of kruisen,
worden deze vezels apart geteld indien zij voldoende van elkaar
kunnen worden onderscheiden om vast te stellen dat zij voldoen aan
de definitie van een vezel; wanneer dit niet het geval is, dan is de
bundel een telbare vezel, indien hij als geheel aan de definitie
voldoet;
f. het filter dan wel een deel
daarvan wordt op een voorwerpglaasje geplaatst, doorzichtig gemaakt
volgens de acetontriacetinemethode en met een dekglaasje bedekt;
g. graticulezones waar zal worden
geteld, worden a-select in het hele blootgestelde oppervlak van het
filter gekozen;
h. indien meer dan een achtste van
een graticulezone is bedekt met een vezelcluster dan wel deeltjes
wordt de graticulezone overgeslagen en wordt een andere zone geteld;
i. er worden 100 vezels geteld,
waarbij minimaal 20 graticulezones worden onderzocht of er worden
100 graticulezones onderzocht.
Artikel 4.26. Berekening
1.Het gemiddelde aantal vezels per
graticulezone wordt berekend door het aantal getelde vezels te delen
door het aantal onderzochte graticulezones. De bijdrage tot het tellen
als gevolg van vlekken op het filter en verontreiniging wordt beneden
3 vezels per 100 graticulezones gehouden en wordt gemeten met behulp
van blancofilters.
2.De concentratie van vezels in de
lucht is (het gemiddeld aantal vezels per graticulezone x de gehele
blootgestelde zone van het filter)/(graticulezone x doorgeleid
luchtvolume).
Paragraaf 4.6. Certificatiebepalingen
arbeid met asbest
Artikel 4.27. Afgifte certificaten
Een certificaat wordt door de minister
of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen,
door een certificerende instelling, afgegeven indien:
a. in geval van het certificaat,
bedoeld in artikel 4.54a, vierde lid, van het besluit, de aanvrager
voldoet aan de eisen, vastgelegd in het SCA Certificatieschema
SC-540 /2007 Asbestinventarisatie;
b. in geval van het certificaat,
bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het besluit, de aanvrager
voldoet aan de eisen, vastgelegd in het SCA Certificatieschema
SC-530 /febr. 2008 Asbestverwijdering;
c. in geval van het certificaat,
bedoeld in artikel 4.54d, vijfde lid, van het besluit, de aanvrager
voldoet aan de eisen, vastgelegd in het SCA Certificatieschema
SC-510 ‘Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering’, juli 2005;
d. in geval van het certificaat,
bedoeld in artikel 4.54d, zevende lid, van het besluit, de aanvrager
voldoet aan de eisen, vastgelegd in het SCA Certificatieschema
SC-520 ‘Deskundig Asbestverwijderaar (DAV)’, augustus 2006.
Artikel 4.28. Eisen voor aanwijzing en
(blijven) functioneren als certificerende instelling in het werkveld
asbest
Een aanwijzing als certificerende
instelling kan geschieden indien:
a. in geval van een certificerende
instelling als bedoeld in artikel 4.54a, vierde lid, of artikel
4.45d, eerste lid, van het besluit, de aanvragende instelling
voldoet aan de criteria, vastgelegd in het Werkveldspecifiek
document voor Aanwijzing en Toezicht op de certificatie-instellingen
voor Asbestverwijderingsbedrijven (AVB) en
Asbestinventarisatiebedrijven (AIB), zoals opgenomen in bijlage
XIIIebij de regeling;
b. in geval van een certificerende
instelling als bedoeld in artikel 4.54d, vijfde of zevende lid, van
het besluit de aanvragende instelling voldoet aan de criteria,
vastgelegd in het Werkveldspecifiek document voor Aanwijzing en
Toezicht op de certificatieinstellingen voor Deskundig
Toezichthouder Asbestverwijdering (DTA) en Deskundig
Asbestverwijderaar (DAV), zoals opgenomen in bijlage XIIIf bij de
regeling.
Paragraaf 4.7 [Vervallen per 01-03-2006]
Artikel 4.29 [Vervallen per 05-03-2005]
Artikel 4.30 [Vervallen per 01-03-2006]
Paragraaf 4.8 [Vervallen per 03-12-2004]
Artikel 4.31 [Vervallen per 03-12-2004]
Artikel 4.32 [Vervallen per 03-12-2004]
Paragraaf 4.8a. Vluchtige organische
stoffen
Artikel 4.32a. Lijmen en verven in
binnensituaties
1. In deze paragraaf wordt verstaan
onder:
a. producten: lijmen, verven,
lakken, beitsen, vernissen, vulmiddelen, olie- of wasachtige
producten, impregneermiddelen en vloercoatings die vluchtige
organische stoffen als bedoeld in artikel 4.62a van het besluit
bevatten;
b. bestanddelen van woningen of
andere gebouwen: alle objecten die in woningen of andere gebouwen
aanwezig zijn en die door hun aard, vorm, gewicht of afmetingen
daaruit redelijkerwijs niet kunnen worden verwijderd. Onder
bestanddelen van woningen en andere gebouwen worden niet verstaan
objecten die worden vervaardigd, hersteld of onderhouden in het
kader van een productieproces, onderscheidenlijk reparatie of
onderhoud, voor zover het vervaardigen, herstel of onderhoud wordt
verricht op een daartoe adequaat ingerichte arbeidsplaats.
2. Als werkzaamheden als bedoeld in
artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen handelingen in
woningen of andere gebouwen, bestaande uit:
a. het lijmen van bekleding op
vloeren, trappen, wanden of plafonds van woningen of andere
gebouwen, daaronder mede begrepen de voorbewerking;
b. het aanbrengen van producten in
woningen of andere gebouwen of op bestanddelen van woningen of
andere gebouwen, daaronder mede begrepen de voorbewerking.
3. Het tweede lid, onder b, is niet van
toepassing op:
a. metalen bestanddelen van
gebouwen ten aanzien waarvan toepassing van producten op grond van
de in bijlage XIV bij deze regeling beschreven omstandigheden is
toegestaan;
b. het voorbewerken van muren en
plafonds van woningen of andere gebouwen op plaatsen waar deze
muren en plafonds ernstig verontreinigd zijn door brand- of
rookschade of aanslag als gevolg van het roken van tabakswaren;
c. het voorbewerken in de zin van
versterken van sterk poreuze of poederende bestanddelen van
woningen of andere gebouwen;
d. het repareren met behulp van
verf of lak van beschadigingen aan stalen constructies bij
nieuwbouw van woningen of andere gebouwen;
e. het herstellen van historische
afwerkings- of toplagen in een techniek die gelijk is aan of
overeenkomt met die historische afwerking, waarbij
herstelwerkzaamheden gericht zijn op herstel of instandhouding van
een architectuurhistorische eenheid binnen een beschermd monument
in de zin van de Monumentenwet 1988;
f. het aanbrengen van traditioneel
imitatieschilderwerk, zoals marmer- en houtnerfschilderwerk,
alsmede het vergulden met behulp van goudverf. Onder aanbrengen
wordt niet verstaan de voorbewerking;
g. het aanbrengen van een product
op beglazingskit in gebouwen voor zover deze opgeleverd zijn voor
1 januari 2001, teneinde deze kit geschikt te maken voor de
toepassing van watergedragen verfproducten.
4. Producten die worden gebruikt bij de
werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder a, bevatten ten
hoogste 5 gram vluchtige organische stoffen per kilogram gebruiksklaar
product.
5. Producten die worden gebruikt bij de
werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder b, voor zover het
betreft het aanbrengen van muurverf, bevatten ten hoogste 60 gram
vluchtige organische stoffen per liter gebruiksklaar product.
6. Producten die worden gebruikt bij de
werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder b, voor zover het
andere werkzaamheden betreft dan het aanbrengen van muurverf, bevatten
ten hoogste 100 gram vluchtige organische stoffen per liter
gebruiksklaar product. Indien het bij de producten, bedoeld in de
eerste zin, gaat om producten op epoxybasis, wordt benzylalcohol
uitgezonderd bij het bepalen van het gewicht van de vluchtige
organische stoffen.
Artikel 4.32aa. Tijdelijke regeling
sportvloercoatings
1. In afwijking van artikel 4.32a,
zesde lid, eerste zin, geldt voor niet-gepigmenteerde coatings voor
sportvloeren en belijningsverf voor sportvloeren, dat deze ten hoogste
400 gram vluchtige organische stoffen per liter gebruiksklaar product
mag bevatten.
2. Artikel 4.32a, zesde lid, tweede
zin, is van overeenkomstige toepassing.
3. Dit artikel vervalt met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 4.32ab. Tijdelijke regeling
vloercoatings op basis van MMA
1. In aanvulling op artikel 4.32a,
derde lid, is artikel 4.32a, tweede lid, onder b, niet van toepassing
op het gebruik van vloercoatings op basis van methylmethacrylaat, voor
zover het betreft het repareren en onderhouden van een bestaande vloer
in een woning of een gebouw, mits de ingebruikname en volledige
chemische en mechanische bestendigheid van die vloer noodzakelijk zijn
binnen 7 dagen na het aanbrengen van de vloercoating en dit, onder de
gegeven omstandigheden, niet mogelijk is met producten als bedoeld in
artikel 4.32a, zesde lid.
2. Dit artikel vervalt met ingang van 1
augustus 2015.
Artikel 4.32b. Offsetdrukken
1.Als werkzaamheden als bedoeld in
artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:
a. het drukken met behulp van een
offsetpers;
b. het dagelijks reinigen van
machines of machineonderdelen, gereedschappen of materialen die
worden gebruikt bij offsetdruk;
c. het niet-dagelijks reinigen van
machines of machineonderdelen, gereedschappen of materialen die
worden gebruikt bij offsetdruk.
2.Het vochtwater dat wordt gebruikt bij
de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, bevat ten
hoogste 8 volumeprocenten isopropylalcohol of andere mono-alcoholen
bij automatische doseersystemen en ten hoogste 10 volumeprocenten bij
handmatige doseersystemen en bij rotatie-offsetpersen die voor het
eerst in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 1985.
3.Producten die worden gebruikt bij de
werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder b, bevatten ten
hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of
monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C
en hebben een vlampunt van ten minste 55 °C.
4.Producten die worden gebruikt bij de
werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder c, bevatten ten
hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of
monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20
°C.
Artikel 4.32c. Zeefdrukken
1.Als werkzaamheden als bedoeld in
artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:
a. het reinigen van machines of
machineonderdelen, gereedschappen of materialen die worden
gebruikt bij zeefdruk;
b. het zeefdrukken van papier en
karton dat is bestemd voor toepassingen in binnenruimten en dat
zwaarder is dan 135 gram per vierkante meter.
2.Producten die worden gebruikt bij de
werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, bevatten ten
hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of
monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C
en hebben een vlampunt van ten minste 21 °C.
3.Producten die worden gebruikt bij de
werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder b, bevatten ten
hoogste 150 gram vluchtige organische stoffen per kilogram product.
Artikel 4.32d. Illustratiediepdrukken
1.Als werkzaamheden als bedoeld in
artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen het reinigen van
vloeren in illustratiediepdrukkerijen.
2.Producten die worden gebruikt bij de
werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, bevatten ten hoogste 0,1
volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of monoaromaten met
een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C en hebben een
vlampunt van ten minste 55 °C.
Artikel 4.32e. Verpakkingsdiepdrukken en
flexodrukken
1.In dit artikel wordt verstaan onder:
a. lakkeren:
het aanbrengen van een lak op een
flexibel materiaal of van een kleefstof op een flexibel materiaal
ten behoeve van de latere afsluiting van dat materiaal;
b. lamineren of cacheren:
het hechten van twee of meer
flexibele materialen tot een laminaat.
2.Als werkzaamheden als bedoeld in
artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:
a. het drukken, lakkeren, lamineren
of cacheren met behulp van een verpakkingsdiepdrukpers, flexopers,
lakkeer-, lamineer- of cacheermachine die niet is aangesloten op
een afzuigsysteem;
b. het reinigen van machines of
machineonderdelen, gereedschappen of materialen die worden
gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld onder a, tenzij deze
werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een afgesloten
installatie of een installatie die wordt afgezogen;
c. het lamineren of cacheren met
behulp van een lamineer- of cacheermachine die niet is aangesloten
op een installatie voor terugwinning of vernietiging van vluchtige
organische stoffen;
d. het drukken of lakkeren van
papier en karton met behulp van een flexodrukpers of
lakkeermachine die niet is aangesloten op een installatie voor
terugwinning of vernietiging van vluchtige organische stoffen;
e. het reinigen van machines of
machineonderdelen, gereedschappen of materialen die worden
gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld onder c en d, tenzij deze
werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een afgesloten
installatie of een installatie die wordt afgezogen.
3.Producten die worden gebruikt bij de
werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, bevatten ten hoogste 50 gram
vluchtige organische stoffen per kilogram product.
4.Het derde lid is niet van toepassing
op de producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in
het tweede lid, onder c, d en e, indien daarbij bijzondere eisen aan
de kwaliteit of bestendigheid van het gefabriceerde product worden
gesteld, mits op jaarbasis het gewicht van de vluchtige organische
stoffen van de producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden,
bedoeld in het tweede lid, onder c, d en e, ten hoogste 80% bedraagt
van het gewicht van de opgebrachte vaste stof.
Artikel 4.32f. Herstellen autoschade
1.In dit artikel wordt verstaan onder
motorrijtuig: een personenauto, een bestelauto, een motorrijwiel, een
autobus of een kampeerauto als bedoeld in artikel 2, onder b, c, d, e
onderscheidenlijk g, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 of
een vrachtauto als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van de
Wet goederenvervoer over de weg.
2.Als werkzaamheden als bedoeld in
artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:
a. het aanbrengen of toepassen van
primer, surfacer, sealer of 1- en 2-laags aflaksystemen of van
speciale dan wel overige producten als bedoeld in bijlage XV bij
deze regeling, ten behoeve van het herstellen van lakschade of
vernieuwing van laklagen op onderdelen van motorrijtuigen;
b. het reinigen van gereedschappen
die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld onder a, of
oppervlakken van onderdelen van motorrijtuigen ten behoeve van de
herstel- of vernieuwingswerkzaamheden, bedoeld onder a.
3.Het tweede lid is niet van toepassing
op werkzaamheden ten behoeve van het herstellen van lakschade of het
vernieuwen van laklagen op onderdelen van motorrijtuigen die zijn
gebouwd vóór 1970;
4.Producten die worden gebruikt bij de
werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, bevatten in gebruiks- of
spuitklare vorm, ten hoogste het gehalte aan vluchtige organische
stoffen dat met betrekking tot deze producten is vastgesteld bij
bijlage XV bij deze regeling.
Artikel 4.32g. Coating van timmerwerk in
binnensituaties
1.In dit artikel wordt verstaan onder
coating: een product dat opgebracht wordt op een oppervlak om een
decoratief, beschermend of ander functioneel effect te verkrijgen.
2.Als werkzaamheden als bedoeld in
artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen werkzaamheden in
binnensituaties bestaande uit:
a. het aanbrengen van een coating
op delen van nieuw vervaardigde buitendeuren, kozijnen, ramen,
binnenspouwbladen, gevelvullende elementen en overig
geveltimmerwerk, voorzover zij zijn vervaardigd van hout of een
daarmee gelijk te stellen of vergelijkbaar materiaal, als
onderdeel van het productieproces;
b. het aanbrengen van een coating
op delen van nieuw vervaardigde binnentrappen, voorzover zij zijn
vervaardigd van hout of een daarmee gelijk te stellen of
vergelijkbaar materiaal, als onderdeel van het productieproces.
3.Coatings die worden gebruikt bij de
werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, bevatten ten
hoogste 150 gram vluchtige organische stoffen per liter gebruiksklaar
product.
Artikel 4.32h. Gelijkstelling vervangende
producten
Met de in de artikelen 4.32a vierde tot
en met zesde lid, 4.32b, tweede tot en met vierde lid, 4.32c, tweede en
derde lid, 4.32d, tweede lid, 4.32e, derde lid, 4.32f, vierde lid en
4.32g, derde lid, bedoelde producten worden gelijkgesteld producten, die
rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel zijn gebracht in een andere
lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een
staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij
de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die voldoen
aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig
is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
Paragraaf 4.9. [Vervallen]
Artikel 4.33 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.34 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.35 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.36 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.37 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.38 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.39 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.40 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.41 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.41a [Vervallen per 01-09-2000]
Artikel 4.41b [Vervallen per 01-09-2000]
Artikel 4.42 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 4.43 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 4.44 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 4.45 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 4.46 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 4.47 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 4.48 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 4.49 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 4.50 [Vervallen per 01-11-1999]
Hoofdstuk 5. Beeldschermarbeid
Artikel 5.1. Apparatuur en meubilair
Apparatuur en meubilair, in gebruik bij
het verrichten van beeldschermwerk, voldoen in ieder geval aan de
volgende voorschriften:
a. de tekens op het beeldscherm zijn
voldoende scherp, duidelijk van vorm en voldoende groot, met
voldoende afstand tussen de tekens en de regels;
b. het beeld op het beeldscherm is
stabiel;
c. de luminantie van of het contrast
tussen de tekens en de achtergrond is gemakkelijk door de gebruiker
bij te stellen;
d. het beeldscherm is vrij te
plaatsen en gemakkelijk verstelbaar en kantelbaar;
e. het beeldscherm is vrij van voor
de gebruiker hinderlijke glans en spiegelingen;
f. het toetsenbord kan hellend worden
geplaatst en vormt geen geheel met het beeldscherm;
g. er is voor het toetsenbord
voldoende ruimte voor handen en armen van de gebruiker;
h. het toetsenbord heeft een mat
oppervlak;
i. de indeling van het toetsenbord en
de vorm van de toetsen zijn gericht op vergemakkelijking van het
gebruik;
j. de symbolen op de toetsen zijn
voldoende contrastrijk en vanuit een normale werkhouding voldoende
leesbaar;
k. de werktafel of het werkvlak maakt
een comfortabele houding van de gebruiker mogelijk en heeft een
reflectiearm oppervlak, is voldoende groot en maakt een flexibele
opstelling van beeldscherm, toetsenbord, documenten en accessoires
mogelijk;
l. een voor het werk noodzakelijke
documenthouder is stabiel en regelbaar en zodanig geplaatst dat
oncomfortabele hoofd- en oogbewegingen tot een minimum zijn beperkt;
m. de werkstoel is stabiel, heeft een
in hoogte verstelbare zitting en een rugleuning, waarvan de hoogte
en hellingshoek verstelbaar zijn en geeft de gebruiker
bewegingsvrijheid en een comfortabele werkhouding;
n. indien de gebruiker dat wenst
wordt een voetensteun aangebracht.
Artikel 5.2. Inrichting van de
beeldschermwerkplek
De omgeving waarin het beeldschermwerk
wordt verricht en de inrichting van de beeldschermwerkplek voldoen in
ieder geval aan de volgende voorschriften:
a. de verlichting van de werkruimte
of de beeldschermwerkplek zorgt voor voldoende licht en een passend
contrast tussen beeldscherm en omgeving, rekening houdende met de
aard van het werk en de visuele behoeften van de gebruiker;
b. mogelijke verblinding en
hinderlijke reflecties op het beeldscherm of op apparaten door
kunstmatige lichtbronnen zijn vermeden;
c. er treden door raam- en andere
openingen, wanden en apparaten geen directe verblinding en
hinderlijke reflecties op het beeldscherm op;
d. de ramen zijn uitgerust met
passende instelbare helderheidswering om de intensiteit van het
licht dat op de beeldschermwerkplek valt te verminderen;
e. het geluid dat de apparatuur
voortbrengt veroorzaakt geen verstoring van de aandacht en het
gesproken woord;
f. de apparatuur brengt geen voor de
werknemers hinderlijke warmte voort;
g. de vochtigheidsgraad is steeds
toereikend.
Artikel 5.3. Programmatuur
De programmatuur die wordt gebruikt bij
het verrichten van beeldschermwerk voldoet in ieder geval aan de
volgende voorschriften:
a. de programmatuur is aangepast aan
de te verrichten taak;
b. de programmatuur is gemakkelijk te
gebruiken en aan te passen aan het kennis- en ervaringsniveau van de
gebruiker;
c. er wordt zonder medeweten van de
gebruiker geen gebruik gemaakt van een kwantitatief of kwalitatief
controlemechanisme;
d. de systemen verschaffen de
gebruiker gegevens over de werking ervan;
e. de systemen maken de informatie
zichtbaar in een vorm en een tempo die zijn aangepast aan de
gebruiker;
f. bij de verwerking van informatie
door de gebruiker worden de beginselen van de ergonomie toegepast.
Hoofdstuk 6. Arbeid onder overdruk
Paragraaf 6.1. Certificatie
Artikel 6.1 Aanwijzingscriteria
certificerende instelling
1.Als certificerende instelling als
bedoeld in artikel 6.14a, derde lid, van het besluit kan worden
aangewezen een opleidingsinstelling die een opleiding verzorgt die tot
doel heeft personen op te leiden die uit hoofde van een bedrijf of
beroep arbeidsgezondheidskundige onderzoeken als bedoeld in artikel
6.14a, eerste en tweede lid, van het besluit uitvoeren of zullen gaan
uitvoeren en die voldoet aan de artikelen 1.3 tot en met 1.8 en de
artikelen 6.2, 6.3a, 6.4, 6.5, en 6.6.
2.Als certificerende instelling als
bedoeld in artikel 6.16, derde lid, zesde lid, onderscheidenlijk
zevende lid, van het besluit, is aangewezen een instelling die:
a. op grond van een daartoe door de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
vastgestelde regeling een examen behorend bij de opleiding
duikploegleider, duiker of duikmedische begeleiding bij de
brandweer afneemt;
b. op grond van een daartoe door de
Minister van Defensie vastgestelde regeling een opleiding
duikploegleider, duiker of duikmedische begeleiding bij het
Ministerie van Defensie verzorgt en de bijbehorende examens
afneemt.
3.Als certificerende instelling als
bedoeld in het tweede lid kan tevens worden aangewezen een
opleidingsinstelling die een opleiding verzorgt die tot doel heeft
personen op te leiden die uit hoofde van een bedrijf of beroep:
a. arbeid als duikploegleider
verrichten of zullen gaan verrichten;
b. duikarbeid verrichten of zullen
gaan verrichten;
c. duikers adequaat medisch
begeleiden of zullen gaan begeleiden,
en die voldoet aan de artikelen 1.3
tot en met 1.8 en de artikelen 6.2, 6.3, 6.4, 6.5, en 6.6
Artikel 6.2. Verstrekken gegevens
Een certificerende instelling als bedoeld
in artikel 6.1, eerste en derde lid verstrekt aan de minister op diens
verzoek alle informatie met betrekking tot de door haar verzorgde
opleiding en stelt hem tijdig op de hoogte van voorgenomen wijzigingen
van de inhoud van de opleiding en het bijbehorende examen.
Artikel 6.3. Afgifte certificaat
duikploegleider, duikarbeid en duikmedische begeleiding
1.Een certificaat duikploegleider,
duikarbeid of duikmedische begeleiding als bedoeld in artikel 6.16,
derde lid, zesde lid, onderscheidenlijk zevende lid, van het besluit
wordt door de instelling, bedoeld in artikel 6.1, tweede lid en derde
lid, afgegeven indien de cursist met goed gevolg het examen, behorend
bij de opleiding, bedoeld in de laatstgenoemde artikelleden, heeft
afgelegd. Het certificaat wordt aangemerkt als een schriftelijk bewijs
als bedoeld in artikel 1.7.
2.Een certificaat als bedoeld in het
eerste lid wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste 2 jaar.
3.Op het certificaat worden de volgende
gegevens vermeld:
a. de categorie duikploegleider,
duikarbeid onderscheidenlijk duikmedische begeleiding;
b. de geldigheidsduur;
c. de geldigheidsvoorwaarden.
Artikel 6.3a. Afgifte certificaat
duikerarts
1.Een certificaat als bedoeld in
artikel 6.14a, derde lid, van het besluit, wordt door de minister of,
indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de
certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager:
a. is ingeschreven als bedrijfarts
als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef van de wet;
b. met goed gevolg het examen,
behorend bij de opleiding, bedoeld in artikel 6.1, eerste lid,
heeft afgelegd, en
c. blijk heeft gegeven over
voldoende relevante en actuele kennis en beroepservaring te
beschikken.
2.Een certificaat als bedoeld in het
eerste lid is geldig voor een periode van ten hoogste twee jaar; na
afloop van die periode kan de geldigheidsduur van een certificaat op
aanvraag telkens met ten hoogste twee jaar worden verlengd, indien de
aanvrager kan aantonen dat hij de noodzakelijke kennis heeft
bijgehouden en in de afgelopen periode nodige ervaring als duikerarts
heeft gehad.
3.De aanvrager van een certificaat
verstrekt aan de minister of, indien de minister een certificerende
instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, de
relevante gegevens met betrekking tot opleiding, diploma's en kennis
en beroepservaring als bedoeld in het eerste lid.
4.Op de certificaten, bedoeld in het
eerste lid, worden de volgende gegevens vermeld:
a. de categorie duikerarts;
b. de geldigheidsduur, en
c. de geldigheidsvoorwaarden.
Artikel 6.4. Vergoeding
Voor de afgifte van een certificaat als
bedoeld in de artikelen 6.3 en 6.3a is een vergoeding verschuldigd van
ten hoogste € 273, bijkomende kosten en BTW alsmede opleidings- en
examenkosten daaronder niet begrepen.
Paragraaf 6.2. Opleidingen
Artikel 6.5. Categorieën opleidingen
1.Een opleiding als bedoeld in artikel
6.1, eerste lid, leidt op tot het uitvoeren van:
a. arbeidsgezondheidskundige
onderzoeken als bedoeld in artikel 6.14a, eerste lid van het
besluit;
b. arbeidsgezondheidskundige
onderzoeken als bedoeld in artikel 6.14a, tweede lid van het
besluit.
2.Een opleiding als bedoeld in artikel
6.1, tweede en derde lid, omvat:
a. een of meer van de volgende
opleidingen tot duikploegleider:
1° een opleiding
duikploegleider;
2° een opleiding
duikploegleider bij de brandweer;
3° een opleiding
duikploegleider bij duikarbeid als bedoeld in onderdeel b,
onder 4°;
b. een of meer van de volgende
categorieën van duikarbeid:
1° duikarbeid met
Self-contained Underwater Breathing Apparatus (SCUBA), met
uitzondering van duikarbeid als bedoeld onder 4°;
2° duikarbeid met Surface
Supply Equipment;
3° duikarbeid met droge
duikklok;
4° duikarbeid met
Self-contained Underwater Breathing Apparatus (SCUBA) in
aquaria, zwembaden of vergelijkbare omstandigheden als bedoeld
in bijlage XVI bij deze regeling, of
c. een of meer van de volgende
categorieën van duikmedische begeleiding bij duikarbeid:
1º. duikmedische begeleiding
bij duikarbeid als bedoeld in artikel 6.16, vierde lid, van
het besluit;
2º. duikmedische begeleiding
bij duikarbeid als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder
a, van het besluit, met uitzondering van saturatieduiken als
bedoeld onder 3°;
3º. duikmedische begeleiding
bij saturatieduiken.
Artikel 6.6. Eindtermen
Een opleiding als bedoeld in artikel 6.5
leidt ten minste op tot de eindtermen behorende bij de desbetreffende
categorie arbeid als duikploegleider, duikarbeid, duikmedische
begeleiding respectievelijk uitvoering van onderzoeken als bedoeld in
artikel 6.14a, eerste en tweede lid, van het besluit, bedoeld in bijlage
XVI bij deze regeling.
Paragraaf 6.3. Arbeidsgezondheidskundig
onderzoek duikers
Artikel 6.7. Inhoud
arbeidsgezondheidskundig onderzoek
Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek,
bedoeld in artikel 6.14a, eerste en tweede lid, van het besluit, vindt
plaats met inachtneming van het bepaalde in bijlage XVII bij deze
regeling.
Paragraaf 6.4. Vrijstelling
Artikel 6.8 Vrijstelling certificaat
duikarbeid leerlingen
Als sportduikbrevet als bedoeld in
artikel 6.31, tweede lid, van het besluit wordt aangewezen een geldig
brevet NOB**, afgegeven door de Nederlandse onderwatersportbond, dan wel
een naar het oordeel van de minister gelijkwaardig brevet.
Hoofdstuk 7. Arbeidsmiddelen
Paragraaf 7.1 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 7.1 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 7.2 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 7.3 [Vervallen per 01-09-2003]
Paragraaf 7.2. Hijs- en hefwerktuigen en
hijs- en hefgereedschappen aan boord van schepen
Artikel 7.4. Modellen certificaten
beproevingen en onderzoekingen
Als modellen van de certificaten, bedoeld
in artikel 7.29, negende lid, van het besluit worden vastgesteld de
modellen van de certificaten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van het
Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid
(1979).
Artikel 7.5. Model register
Als model van het register, bedoeld in
artikel 7.29, tiende lid, van het besluit wordt vastgesteld het model,
bedoeld in artikel 25, tweede lid, van het Verdrag betreffende de
arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid (1979).
Paragraaf 7.3. Certificatie machinisten
hijskranen en funderingsmachines
Artikel 7.6. Categorieën torenkranen,
mobiele kranen en mobiele hei-installaties
1.Een persoon is in het bezit van een
certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 7.32, eerste
lid, onder a, van het besluit indien hij een torenkraan, mobiele kraan
of mobiele hei-installatie als omschreven in de onderdelen a tot en
met c, bedient:
a. torenkraan:
torenvormige hijskraan waarvan het
maximumbedrijfslastmoment 10 tonmeter of meer bedraagt of de giek 20
meter of hoger boven het vlak van de ondersteuning van de kraan
bevestigd is;
b. mobiele kraan:
verrijdbare, niet aan een vaste baan
gebonden hijskraan die geen torenkraan is en waarvan het
maximumbedrijfslastmoment 10 ton-meter of meer bedraagt, met
uitzondering van:
1º. een op een voertuig
bevestigde laadkraan die uitsluitend ingericht is of althans
uitsluitend wordt gebruikt voor het laden en lossen van de
laadbak van het voertuig of een samenstel van voertuigen;
2º. een grondverzetmachine die
ontgravingen maakt en direct daarop aansluitend leidingwerk in
die ontgravingen legt of ten behoeve van het uitvoeren van
grondverzetwerkzaamheden ondersteuningsschotten plaatst;
c. mobiele hei-installatie:
verrijdbare of verrolbare
funderingsmachine die is ingericht of bestemd om palen of andere
langwerpige voorwerpen in de grond te maken, te drijven of daaruit
te verwijderen alsmede om met een en ander rechtstreeks verband
houdende verrichtingen uit te voeren, met inbegrip van het met een
maximumbedrijfslastmoment van 10 tonmeter of meer verplaatsen van
lasten.
2.Met betrekking tot een certificaat
als bedoeld in het eerste lid, worden onderscheiden
a. een certificaat van
vakbekwaamheid voor machinisten van torenkranen, onderverdeeld in
de categorieën:
1°. mobiele torenkraan;
2°. toptorenkraan;
3°. loopkattorenkraan;
b. een certificaat van
vakbekwaamheid voor machinisten van mobiele kranen, onderverdeeld
in de categorieën:
1°. mobiele kraan op rupsen;
2°. autotruck/ruwterreinkraan/wegterreinkraan;
3°. grondverzetmachine met
hijsfunctie;
4°. autolaadkraan;
5° verreiker met hijsfunctie.
c. een certificaat van
vakbekwaamheid voor machinisten van mobiele hei-installaties,
onderverdeeld in de categorieën:
1°. mobiele hei-installatie
met leiders;
2°. mobiele hei-installatie
met makelaar en tafel;
3°. mobiele hei-installatie
met trilblok;
4°. mobiele hei-installatie
met schroefboorpaalmachine.
Artikel 7.7. Afgifte certificaat van
vakbekwaamheid
1.Een certificaat als bedoeld in
artikel 7.6 wordt door de minister of, indien de minister een
certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende
instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen die,
met betrekking tot de bediening van een kraan of heistelling van een
categorie als genoemd in artikel 7.6, tweede lid zijn opgenomen in de
certificatieschema’s van de Stichting Toezicht Certificatie
Verticaal Transport te Bennekom, bedoeld in het tweede lid.
2.Voor het verkrijgen van een
certificaat als bedoeld in artikel 7.6 zijn de volgende
certificatieschema’s van toepassing:
a. indien het betreft een
certificaat voor de bediening van een mobiele torenkraan van de
categorie, bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel a, onder
1, het certificatieschema ‘Machinist mobiele torenkraan’,
identificatiecode TCVT W4-06/08-080 of het certificatieschema ‘Machinist
Torenkraan’, identificatiecode TCVT W4-02/08-076;
b. indien het betreft een
certificaat voor de bediening van een torenkraan van de
categorieën, bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel a,
onder 2 en 3, het certificatieschema ‘Machinist torenkraan’,
identificatiecode TCVT W4-02/08-076;
c. indien het betreft een
certificaat voor de bediening van een mobiele kraan van de
categorieën, bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b,
onder 1 en 2, het certificatieschema ‘Machinist mobiele kraan’,
identificatiecode TCVT W4-01/07-258;
d. indien het betreft een
certificaat voor de bediening van een mobiele kraan op rupsen van
de categorie, bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b,
onder 1, het certificatieschema ‘Machinist mobiele
hei-installatie’, identificatiecode TCVT W4-03/08-077 of het
certificatieschema ‘Machinist mobiele kraan’,
identificatiecode TCVT W4-01/07-258;
e. indien het betreft een
certificaat voor de bediening van een mobiele kraan, zijnde een
grondverzetmachine met hijsfunctie, van de categorie, bedoeld in
artikel 7.6, tweede lid onderdeel b, onder 3, het
certificatieschema ‘Machinist grondverzetmachine met hijsfunctie’,
identificatiecode TCVT W4-05/08-079 of het certificatieschema ‘Machinist
mobiele kraan’, identificatiecode TCVT W4-01/07-258;
f. indien het betreft een
certificaat voor de bediening van een mobiele kraan, zijnde een
autolaadkraan met hijsfunctie, van de categorie, bedoeld in
artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b, onder 4, het
certificatieschema ‘Machinist autolaadkraan met hijsfunctie’,
identificatiecode TCVT W4-04/08-078 of het certificatieschema ‘Machinist
mobiele kraan’, identificatiecode TCVT W4-01/07-258;
g. indien het betreft een
certificaat voor de bediening van een mobiele kraan, zijnde een
verreiker met hijsfunctie, van de categorie, bedoeld in artikel
7.6, tweede lid, onderdeel b, onder 5, het certificatieschema ‘Machinist
verreiker met hijsfunctie’, identificatiecode TCVT W4-07/08-081
of het certificatieschema ‘Machinist mobiele kraan’,
identificatiecode TCVT W4-01/07-258;
h. indien het betreft een
certificaat voor de bediening van mobiele hei-installaties van de
categorieën, bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel c,
onder 1, 2, 3 en 4, het certificatieschema ‘Machinist mobiele
hei-installatie’, identificatiecode TCVT W4-03/08-077.
Artikel 7.8 [Vervallen per 03-12-2004]
Artikel 7.9 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.10 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.11 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.12 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.13 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.14 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.15 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.16 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.17 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.18 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.19 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.20 [Vervallen per 01-11-1999]
Hoofdstuk 8. Veiligheids- en
Gezondheidssignalering
Artikel 8.1. Vereisten
Veiligheids- of gezondheidssignalering
als bedoeld in artikel 8.2 van het besluit voldoet aan de artikelen 8.2
tot en met 8.29.
Artikel 8.2. Permanente signalering
1.De signalering met betrekking tot een
verbod, een waarschuwing en een gebod, alsmede de signalering met
betrekking tot de lokalisatie en de identificatie van reddings- of
hulpmiddelen geschiedt permanent door middel van borden.
2.De signalering voor de lokalisatie en
identificatie van brandbestrijdingsmateriaal geschiedt permanent door
middel van borden of een veiligheidskleur.
3.De signalering op recipiënten en
leidingen geschiedt overeenkomstig de artikelen 8.12 tot en met 8.15.
4.De signalering van gevaren van stoten
tegen obstakels en van vallen van personen geschiedt permanent door
middel van een veiligheidskleur of borden.
5.De markering van verkeerswegen
geschiedt permanent door middel van een veiligheidskleur.
Artikel 8.3. Occasionele signalering
1.De signalering van gevaarlijke
gebeurtenissen, de oproep van personen voor een specifieke actie,
alsmede de dringende evacuatie van personen geschiedt occasioneel,
door middel van een lichtsignaal, een akoestisch signaal of een
mondelinge mededeling.
2.Het leiden van personen die
handelingen verrichten waarbij een gevaar bestaat, geschiedt
occasioneel door middel van hand- of armseinen of mondelinge
mededelingen.
Artikel 8.4. Vrije keuze van signalering
1.Bij gelijke doeltreffendheid van de
signalering bestaat een vrije keuze tussen:
a. de lichtsignalen, de akoestische
signalen of de mondelinge mededeling;
b. het hand- of armsein of de
mondelinge mededeling;
c. een veiligheidskleur of een bord
voor het signaleren van gevaar van struikelen, of vallen door
hoogteverschil.
2.De volgende signaleringswijzen kunnen
gelijktijdig worden gebruikt:
a. het lichtsignaal en het
akoestisch signaal;
b. het lichtsignaal en de
mondelinge mededeling;
c. het hand- of armsein en de
mondelinge mededeling.
3.De doeltreffendheid van een
signalering mag niet in het gedrang worden gebracht door de
aanwezigheid van een andere signalering of van andere factoren die de
zicht- of hoorbaarheid verstoren, een slecht ontwerp, een ontoereikend
aantal, een slechte plaatsing, een slechte staat of een slechte
werking van de signaleringsmiddelen of signaleringsvoorzieningen.
Artikel 8.5. Gebruik van kleuren
Voor zover signalering geschiedt door
middel van een veiligheidskleur wordt:
a. met de kleur rood aangeduid:
1°. een verbodssignaal;
2°. gevaar of alarm;
3°. identificatie en lokalisatie
van brandbestrijdingsmateriaal en brandweeruitrusting;
b. met de kleur geel of oranje-geel
aangeduid een waarschuwingssignaal;
c. met de kleur blauw aangeduid een
gebodssignaal;
d. met de kleur groen aangeduid:
1°. een reddingssignaal of een
eerste hulp-signaal;
2°. een veilige situatie.
Artikel 8.6. Noodinstallatie
Signaleringen die een energiebron
behoeven, zijn voorzien van een noodinstallatie voor het geval dat deze
energiebron uitvalt, behalve indien het te signaleren gevaar ophoudt te
bestaan bij het uitvallen van de energie.
Artikel 8.7. Controle licht- en
geluidssignalen
1.De licht- en geluidssignalen zijn
voor de ingebruikneming op hun goede werking en reële
doeltreffendheid gecontroleerd. Die controle wordt nadien voldoende
vaak herhaald.
2.Een licht- of geluidssignaal geeft
bij inwerkingstelling het begin van een actie aan: de duur ervan is zo
lang als de actie vereist.
3.De licht- en geluidssignalen worden
na ieder gebruik onmiddellijk opnieuw in werking gesteld.
Artikel 8.8. Bescherming specifieke
werknemers
Indien de betrokken werknemers een
beperkt gehoor- of gezichtsvermogen hebben, onder meer door het dragen
van individuele beschermende uitrusting, dienen adequate aanvullende
maatregelen of vervangingsmaatregelen te worden genomen.
Artikel 8.9. Algemene eisen
veiligheidsborden
1.De pictogrammen waarvan
veiligheidsborden zijn voorzien, zijn zo eenvoudig mogelijk en voor
het begrip overbodige details worden weggelaten.
2.De borden zijn gemaakt van materiaal
met een zo groot mogelijke schokvastheid en weerbestendigheid.
3.De borden bezitten dusdanige
afmetingen en kleur- en lichttechnische eigenschappen dat zij goed
zichtbaar en gemakkelijk te begrijpen zijn.
Artikel 8.10. Soorten borden
1.Verbodsborden kenmerken zich door een
ronde vorm, een zwart pictogram op witte achtergrond, rode rand en
balk die van links naar rechts over het pictogram loopt onder een hoek
van 45° ten opzichte van de horizontale lijn, waarbij de rode kleur
ten minste 35% van het oppervlak van het bord beslaat.
2.Waarschuwingsborden kenmerken zich
door een driehoekige vorm, een zwart pictogram op gele achtergrond en
een zwarte rand, waarbij de gele kleur ten minste 50% van het
oppervlak van het bord beslaat.
3.Gebodsborden kenmerken zich door een
ronde vorm, een wit pictogram op blauwe achtergrond, waarbij de blauwe
kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat.
4.Reddingsborden kenmerken zich door
een rechthoekige of vierkante vorm, wit pictogram op groene
achtergrond, waarbij de groene kleur ten minste 50% van het oppervlak
van het bord beslaat.
5.Borden in verband met het
brandbestrijdingsmateriaal kenmerken zich door een rechthoekige of
vierkante vorm en een wit pictogram op rode achtergrond, waarbij de
rode kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat.
6.De in bijlage XVIII bij deze regeling
opgenomen borden, worden gebruikt in de daarbij vermelde situaties.
7.De gebruikte pictogrammen mogen licht
afwijken van of meer gedetailleerd zijn dan de pictogrammen van de
borden, bedoeld in bijlage XVIII bij deze regeling. De betekenis ervan
is dan evenwel dezelfde en verschillen of aanpassingen maken de
betekenis niet onduidelijk.
Artikel 8.11. Plaatsing van borden
1.De borden worden, rekening houdend
met eventuele obstakels, op passende hoogte en op een passende plaats
ten opzichte van het gezichtsveld geïnstalleerd, hetzij bij de
toegang tot een zone waar een algemeen risico bestaat hetzij in de
onmiddellijke nabijheid van een bepaald risico of het te signaleren
object, en wel op een goed verlichte en gemakkelijk toegankelijke en
zichtbare plaats.
2.Bij slechte natuurlijke
verlichtingsomstandigheden worden fluorescerende kleuren,
reflecterende materialen of kunstlicht gebruikt.
3.Een bord wordt verwijderd zodra de
situatie die de aanwezigheid ervan rechtvaardigt, niet meer bestaat.
Artikel 8.12. Reservoirs gevaarlijke
stoffen
1.Reservoirs die gebruikt worden bij
werkzaamheden met dan wel de opslag van:
a. gevaarlijke enkelvoudige stoffen
als omschreven in de richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de onderlinge
aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke
stoffen (PbEG L 196), of
b. gevaarlijke meervoudige stoffen
als omschreven in de richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999
betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de
indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke
preparaten (PbEG L 200), alsmede zichtbare leidingen die de onder
a dan wel b, bedoelde stoffen bevatten of waardoor deze stoffen
worden getransporteerd, zijn voorzien van de in de onder a dan wel
b, bedoelde richtlijnen voorgeschreven gevaarssymbolen.
2.Het vorige lid is niet van toepassing
op reservoirs die worden gebruikt bij werkzaamheden van korte duur of
die vaak wisselen van inhoud mits er toereikende alternatieve
maatregelen worden genomen, met name op het gebied van voorlichting of
opleiding, die hetzelfde beschermingsniveau garanderen.
3.De in het eerste lid bedoelde
gevaarssymbolen kunnen:
a. worden vervangen door
waarschuwingsborden als weergegeven in artikel 8.10 met hetzelfde
pictogram of symbool;
b. worden aangevuld met extra
informatie zoals de naam of de formule van de gevaarlijke stof en
met bijzonderheden over de gevaren;
c. voor het transport van
reservoirs op de arbeidsplaats worden aangevuld met of vervangen
door borden die krachtens de titel 9.2 van de Wet milieubeheer dan
wel de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van toepassing zijn voor
het transport van gevaarlijke stoffen.
Artikel 8.13. Aanbrengen van signalering
op reservoirs
De signalering bedoeld in artikel 8.12
wordt aangebracht op de zichtbare zijden in de vorm van hard materiaal,
zelfklevend materiaal of verf.
Artikel 8.14. Plaatsing op reservoirs
1.Indien gevaarssymbolen of
gevaarsbenamingen als omschreven in de in artikel 8.12 onder a of b
bedoelde richtlijnen op reservoirs en leidingen aangebracht worden,
voldoen deze aanduidingen aan de artikelen 8.9, tweede lid, en 8.11.
2.De op leidingen gebruikte
gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen worden zichtbaar en voldoende
herhaald aangebracht in de nabijheid van de meest gevaarlijke
plaatsen, zoals kleppen en aansluitingspunten.
Artikel 8.15. Signalering bij opslag
gevaarlijke stoffen
1.De signalering van plaatsen, lokalen
of afgesloten ruimten die worden gebruikt voor de opslag van
aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen geschiedt door een
passend waarschuwingsbord als bedoeld in artikel 8.10 of door
gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen als bedoeld 8.12 tenzij, rekening
houdend met artikel 8.9, derde lid, wat de afmeting betreft, de
gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen van de afzonderlijke verpakkingen
of op de reservoirs ter zake volstaan.
2.De in het eerste lid bedoelde borden
of gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen worden bij de opslagruimte of
op de toegangsdeur tot de opslagruimte geplaatst.
Artikel 8.16. Wijze van gebruik
lichtsignalen
Rekening houdend met de
gebruiksomstandigheden veroorzaakt het door een signaal uitgezonden
licht een aan de omgeving aangepast lichtcontrast dat niet tot
verblinding mag leiden maar voldoende zichtbaar is.
Artikel 8.17. Uniformiteit
1.Het lichtoppervlak dat een signaal
uitzendt, is uniform van kleur of bevat een pictogram op een bepaalde
achtergrond.
2.De uniforme kleur voldoet aan artikel
8.5.
3.Wanneer het signaal een pictogram
bevat, voldoet dit aan artikel 8.10.
Artikel 8.18. Bijzondere lichtsignalen
1.Wanneer een voorziening een continu
en een intermitterend signaal kan uitzenden, wordt het intermitterende
signaal gebruikt om ten opzichte van het continue signaal aan te geven
dat het gaat om een situatie die een groter gevaar inhoudt of waarbij
de gewenste of verplichte interventie of actie met grotere spoed moet
worden uitgevoerd.
2.Wanneer een intermitterend
lichtsignaal wordt gebruikt in plaats of ter completering van een
geluidssignaal, is de code van het signaal identiek.
3.Een voorziening om een lichtsignaal
uit te zenden in geval van groot gevaar, wordt speciaal in het oog
gehouden of uitgerust met een reservelamp.
4.De duur en de frequentie van de
flitsen van een intermitterend lichtsignaal zijn zodanig dat:
a. de boodschap van het signaal
goed wordt begrepen, en
b. er voorkomen wordt dat
verwarring ontstaat tussen verschillende lichtsignalen of tussen
een continu en een intermitterend lichtsignaal.
Artikel 8.19. Vereisten geluidssignalen
1.Een geluidssignaal:
a. heeft een geluidsniveau dat
duidelijk hoger is dan het niveau van het omgevingslawaai, zodat
het goed hoorbaar is, doch niet te luid of pijnlijk voor de oren;
b. is gemakkelijk herkenbaar;
c. is gemakkelijk te onderscheiden
van een ander geluidssignaal en andere omgevingsgeluiden.
2.Wanneer een voorziening een
geluidssignaal met een variabele en een vaste frequentie kan
uitzenden, wordt de variabele frequentie gebruikt om ten opzichte van
de vaste frequentie aan te geven dat het gaat om een situatie die een
groter gevaar inhoudt of waarbij de gewenste of verplichte interventie
of actie met grotere spoed moet worden uitgevoerd.
3.Het geluid van een ontruimingssignaal
is continu.
Artikel 8.20. Algemene vereisten inzake
de mondelinge mededeling
1.De mondelinge mededeling vindt plaats
tussen een spreker of zender en een of meer toehoorders, en wel in de
vorm van korte teksten, woordgroepen of afzonderlijke woorden,
eventueel gecodeerd.
2.De mondelinge boodschappen zijn zo
kort, eenvoudig en duidelijk mogelijk.
3.De taalvaardigheid van de spreker en
het gehoorvermogen van de toehoorder zijn voldoende om een
ondubbelzinnige communicatie tot stand te brengen.
4.De mondelinge mededeling is direct
door middel van gebruik van de menselijke stem of indirect door middel
van de menselijke stem of spraaksynthese, verspreid door een middel ad
hoc.
5.Indien de mondelinge mededeling wordt
gebruikt in plaats van of ter aanvulling van hand- of armseinen en er
geen codes worden gebruikt, worden met name de volgende woorden
gebruikt:
a. start, om het begin van een
commando aan te duiden;
b. stop, om een beweging te
onderbreken of te beëindigen;
c. einde, om de werkzaamheden stop
te zetten;
d. hijsen, om een last te doen
hijsen;
e. vieren, om een last te doen
vieren;
f. vooruit, achteruit, naar rechts,
naar links, in combinatie met het juiste hand- of armsein, om een
beweging in een bepaalde richting te doen plaatsvinden;
g. gevaar, om een noodstop af te
dwingen;
h. snel, om een beweging te
versnellen.
Artikel 8.21. Gebruikte taal
De betrokken personen kennen de gebruikte
taal zodanig dat zij de boodschap correct kunnen uitspreken en begrijpen
en zich al naar gelang van de boodschap op passende wijze kunnen
gedragen op het vlak van de veiligheid of de gezondheid.
Artikel 8.22. Algemene vereisten inzake
hand en armseinen
1.Een hand- of armsein is precies en
eenvoudig en bestaat uit een breed gebaar.
2.Het gelijktijdig gebruik van beide
armen verloopt symmetrisch en geeft slechts één enkel signaal weer.
Artikel 8.23. Seingever
1.De seingever geeft met behulp van
hand- en armseinen besturingsinstructies door aan de ontvanger van de
seinen.
2.De seingever wijdt zijn aandacht
uitsluitend aan het geven van de besturingsinstructies en de
veiligheid van de werknemers die zich in de nabijheid bevinden.
3.De seingever kan de gehele
besturingsoperatie zien, zonder daarbij door de handeling gehinderd te
worden.
4.Wanneer niet aan de in het derde lid,
genoemde voorwaarden kan worden voldaan, worden een of meer bijkomende
seingevers ingeschakeld.
Artikel 8.24. Ontvanger van seinen
De ontvanger van de seinen zet de in
uitvoering zijnde transportbeweging stil om nieuwe instructies te
vragen, wanneer hij de ontvangen orders niet met de nodige
veiligheidsgaranties kan uitvoeren.
Artikel 8.25. Kenbaarheid seingever
De seingever is makkelijk herkenbaar voor
de ontvanger van de seinen.
Artikel 8.26. Voorkomen onduidelijkheid
seinen
De in bijlage XIX bij deze regeling
opgenomen hand- en armseinen, worden gebruikt in de daarbij vermelde
situaties, waarbij deze geen afbreuk doen aan het gebruik van andere van
toepassing zijnde codes, met name in bepaalde bedrijvigheidssectoren,
waarmee dezelfde handelingen worden aangeduid.
Artikel 8.27. Signalering van obstakels
en gevaarlijke plaatsen
1.De signalering van gevaar door stoten
tegen obstakels, door vallende voorwerpen of personen, geschiedt door
middel van geel, afgewisseld met zwart, of rood afgewisseld met wit,
binnen de bebouwde zones van het bedrijf of de inrichting waartoe de
werknemer in het kader van zijn werk toegang heeft.
2.De gele en zwarte of rode en witte
banden worden onder een hoek van circa 45° aangebracht en hebben
ongeveer dezelfde afmetingen.
Artikel 8.28. Afstemming signalering op
obstakel of gevaarlijke plaats
De afmetingen van de signalering houden
rekening met de afmeting van het gesignaleerde obstakel of de
gesignaleerde gevaarlijke plaats.
Artikel 8.29. Vereisten inzake markering
van verkeerswegen
1.Wanneer de bescherming van de
werknemers dat vereist, worden de verkeerswegen op de arbeidsplaats
voor voertuigen duidelijk door doorlopende strepen met een goed
zichtbare kleur aangegeven.
2.Bij het aanbrengen van de strepen
wordt rekening gehouden met de nodige veiligheidsafstanden tussen de
voertuigen die er kunnen rijden en elk voorwerp dat zich in de
nabijheid en tussen de voetgangers en de voertuigen kan bevinden.
Hoofdstuk 8a. Strafbare feiten en
overtredingen
Artikel 8.29a. Strafbaar feiten
Als strafbaar feit wordt aangemerkt de
handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften en verboden
welke zijn opgenomen in de artikelen 2.0, 2.0a, 2.0b en 2.0c.
Artikel 8.29b. Overtredingen; eerste
categorie
Als overtreding ter zake waarvan een
bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de eerste categorie, wordt
aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften
welke zijn opgenomen in de artikelen 3.4, 3.5, 3.11, 3.12, 3.13, 3.14,
4.4, vierde lid, 4.5, 4.9, derde en vierde lid, 4.13, 4.19, tweede lid,
4.20, tweede lid, 4.20a, 4.20b, eerste, derde, vierde en vijfde lid,
4.22 tot en met 4.26, 5.1 tot en met 5.3, 8.2, 8.3, 8.4, derde lid, 8.5
tot en met 8.11, 8.12, eerste en tweede lid, 8.13 tot en met 8.29.
Artikel 8.29c. Overtredingen; tweede
categorie
Als overtreding ter zake waarvan een
bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, wordt
aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften
welke zijn opgenomen in de de artikelen 4.3, 4.4, eerste tot en met
derde lid, 4.6, 4.7, 4.9, eerste en tweede lid, 4.11 en 4.12.
Hoofdstuk 9. Overgangs- en Slotbepalingen
Artikel 9.1. Vergoeding
1.Voor de certificatie-onderzoeken in
verband met de afgifte van een certificaat als bedoeld in artikel
2.11, 2.14 tot en met 2.17, 4.14, 4.16 4.17b, 4.17e, 4.27 en 7.7 en
een certificaat als bedoeld in artikel 7.29, negende lid, van het
besluit is een vergoeding verschuldigd van ten hoogste € 182 per
uur, bijkomende kosten en BTW daaronder niet begrepen.
2.Voor het bepalen van het tarief per
certificaat worden de duur van de onderzoeken, bedoeld in het eerste
lid, en het aantal en de soort van de verrichtingen die daarbij worden
uitgevoerd alsmede de aard en de hoogte van de bijkomende kosten zo
nauwkeurig mogelijk omschreven.
Artikel 9.2 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 9.2a
De afgifte van een certificaat van
vakbekwaamheid arbeidshygiëne door de Stichting voor de Certificatie
van Vakbekwaamheid SKO in de periode van 1 november 1999 tot 3 november
2006 wordt aangemerkt als de afgifte van een certificaat van
vakbekwaamheid arbeidshygiëne als bedoeld in artikel 2.15.
Artikel 9.2b [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 9.2c [Vervallen per 03-12-2004]
Artikel 9.2d [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 9.2e [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 9.2f. Overgangsbepaling
certificering arbeid met asbest
1.Certificaten die bij de toepassing
van het Asbest-verwijderingsbesluit zijn afgegeven op basis van de
certificatieschema’s, genoemd in artikel 4.27, onderdeel a of b,
worden voor de geldigheidsduur die is vastgesteld bij de afgifte
ervan, doch maximaal voor een periode van drie jaar, aangemerkt als
een certificaat als bedoeld in artikel 4.54a, vierde lid,
onderscheidenlijk artikel 4.54d, eerste lid, van het besluit.
2.Indien de geldigheidsduur van een
certificaat als bedoeld in het eerste lid is verstreken en de
instelling die het betreffende certificaat heeft afgegeven op grond
van het derde lid is aangewezen als certificerende instelling, kan de
geldigheidsduur door deze instelling worden verlengd voor maximaal een
periode van een jaar.
3.Behalve indien de aanwijzing, bedoeld
in artikel 1.5a van het besluit, is ingetrokken, wordt een instelling
tot uiterlijk 1 juli 2007 aangemerkt als een certificerende instelling
als bedoeld in artikel 4.54a, vierde lid, onderscheidenlijk artikel
4.54d, eerste lid, van het besluit, indien op het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 12 van het Asbestverwijderingsbesluit
2005:
a. een of meer certificaten als
bedoeld in het eerste lid, afgegeven door de betreffende
instelling, van kracht is of zijn;
b. een overeenkomst tussen de
instelling en de Stichting Certificatie Asbest te Bennekom met
betrekking tot de toepassing van een of meer schema’s, bedoeld
in artikel 4.27, onderdeel a of b, van kracht is;
c. de instelling aan de Europese
norm EN 45011 voldoet voor de toepassing van de certificatieschema’s
genoemd in het eerste lid;
d. de instelling de minister heeft
gemeld voor toepassing van dit lid in aanmerking te willen komen
en heeft verklaard te voldoen aan de onderdelen a tot en met c.
Artikel 9.3 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 9.4 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 9.5. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als:
Arbeidsomstandighedenregeling.
Deze regeling zal met de
toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden gepubliceerd.
's-Gravenhage, 12 maart 1997.
De Staatssecretaris voornoemd,
w.g. F.H.G. de Grave.
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|