|
BESLUIT van 5 september 2007, houdende nadere regels omtrent
gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Besluit
gewasbeschermingsmiddelen en biociden)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer, van 16 april 2007, nr. Trcjz/2007/1198,
Directie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 3, derde lid, 4, eerste tot en met vierde lid,
10, 13, eerste en tweede lid, 16, eerste en derde tot en met vijfde lid,
van Richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van
gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230),
- de artikelen 3, derde lid, onder ii, vijfde en zevende lid, 4,
eerste en tweede lid, 5, eerste en tweede lid, 8, eerste tot en met
vijfde lid, alsmede zevende tot en met negende lid, 20 van Richtlijn
nr. 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PbEG
L 123),
- bijlage V van Richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de
verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196),
- Richtlijn 86/609/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de
bescherming van dieren die voor experimentele en andere
wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEG L 358),
- Richtlijn nr. 2004/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing
van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing
van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de
toepassing ervan voor tests op chemische stoffen (gecodificeerde versie)
(PbEU L 50),
- Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor
communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG 327),
- Verordening 396/2005/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten
en bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders
van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van
Richtlijn 91/414/EG van de Raad (PbEG L 70),
- artikel 44, eerste lid, van de Grondwet met betrekking tot artikel 74
van dit besluit,
- de artikelen 4, eerste lid, onderdeel e, 23, tweede en derde lid, 25,
eerste lid, 28, tweede en derde lid, 29, derde lid, 36, derde lid, 44,
tweede en derde lid, 49, tweede lid, 50, derde lid, 56, derde lid, 71,
derde lid, 74, tweede lid, 75, 76, derde lid, 78 tot en met 81, eerste
lid, 108, derde lid, 123, eerste lid, 124, eerste lid, van de Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden,
- artikel 24, eerste lid en tweede lid, onderdeel b, van de Wet
milieugevaarlijke stoffen,
- artikelen 1, onderdeel i, en 7, van de Algemene wet erkenning
EG-beroepsopleidingen, en
- artikel 16, eerste en zevende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 12 juli 2007,
nr.
W11.07.0110/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit van 29 augustus 2007, nr. Trcjz/2007/2853, Directie
Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en in
overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris
van Verkeer en Waterstaat;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene begrippen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
b. verordening 396/2005/EG: Verordening nr. 396/2005 van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 februari
2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan
bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders
van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van
Richtlijn 91/414/EG van de Raad (PbEU L 70);
c. richtlijn 67/548/EEG: richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de
aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke
stoffen (PbEG L 196);
d. richtlijn 2000/60/EG: richtlijn nr. 2000/60/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober
2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen
betreffende het waterbeleid (PbEG L 327);
e. richtlijn 2004/10/EG: richtlijn nr. 2004/10/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari
2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing van de
beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de
toepassing ervan voor tests op chemische stoffen (gecodificeerde
versie) (PbEU L 50);
f. bodem: bodem als bedoeld in artikel 1 van de Wet
bodembescherming;
g. gasvormende toestand: toestand van een gewasbeschermingsmiddel
of biocide waarin het middel of de biocide na gasvorming zijn
werking verkrijgt;
h. maximumresidugehalte (MRL): het hoogste wettelijk toegestane
concentratieniveau van een residu van gewasbeschermingsmiddelen of
biociden in of op een levensmiddel of diervoeder op basis van goede
landbouwpraktijken en de laagste blootstelling van consumenten die
noodzakelijk is met het oog op de bescherming van kwetsbare
consumenten;
i. richtlijn 1999/45/EG: richtlijn nr. 1999/45/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999
betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling,
de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG
1999, L 200);
j. uitvoeringsverordening (EU) 545/2011: Verordening (EU) nr.
545/2011 van de Commissie van 10 juni 2011 tot uitvoering van
Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad
wat de gegevensvereisten voor gewasbeschermingsmiddelen betreft (PbEU
2011, L 155);
k. uitvoeringsverordening (EU) 546/2011: Verordening (EU) nr.
546/2011 van de Commissie van 10 juni 2011 tot uitvoering van
Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad
wat uniforme beginselen voor de evaluatie en de toelating van
gewasbeschermingsmiddelen betreft (PbEU 2011, L 155).
Artikel 1a
Dit besluit berust mede op artikel 9.2.2.1, eerste en tweede lid,
onder b, van de Wet milieubeheer.
Hoofdstuk 2. Taken van het college
Artikel 2. Andere taken van het college
Het college is belast met:
a. alle werkzaamheden die voortvloeien uit de aanwijzing als
autoriteit voor de beoordeling van werkzame stoffen als bedoeld in
de artikelen 10, 11 en 16, tweede lid, van richtlijn 98/8/EG, met
uitzondering van werkzame stoffen die op 14 mei 2000 reeds op de
markt zijn als een werkzame stof van een biocide, bestemd voor
doeleinden als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen c en d,
van richtlijn 98/8/EG;
b. het doen van mededelingen als bedoeld in artikel 18 van
richtlijn 98/8/EEG;
c. de aan Nederland opgedragen werkzaamheden, bedoeld in de
artikelen 6 tot en met 9 van hoofdstuk II van verordening
396/2005/EG alsmede het doen van voorstellen voor het vaststellen
van het maximaal toelaatbare residugehalte (MRL) door Onze Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, voor zover deze niet
communautair zijn vastgesteld;
d. het vaststellen van het maximaal toelaatbaar risiconiveau van
gewasbeschermingsmiddelen voor bodem of waterorganismen op verzoek
van de houder van een toelating, bedoeld in artikel 3, onderdeel 24,
van verordening (EG) 1107/2009 of op verzoek van Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu, indien dit risiconiveau niet reeds bij een
toelating door het college is vastgesteld;
e. het vaststellen of ambtshalve wijzigen van de wijze waarop op
een etiket de voorschriften worden vermeld die bij of krachtens dit
besluit zijn vastgesteld voor het gebruik van
gewasbeschermingsmiddelen of biociden.
Hoofdstuk 3. Aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen en biociden
§ 1. Te leveren gegevens
Artikel 3. Bij de aanvraag te leveren gegevens
1. Een dossier als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel a,
van de wet voldoet in het licht van de wetenschappelijke en technische
kennis aan de voorschriften van bijlagen IIB of IVB alsmede de
toepasselijke gedeelten van bijlage IIIB bij richtlijn 98/8/EG.
2. Een dossier als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel b,
van de wet voldoet voor de in een biocide opgenomen werkzame stof in
het licht van de wetenschappelijke en technische kennis aan de
voorschriften van bijlagen IIA of IVA alsmede de toepasselijke
gedeelten van bijlage IIIA van richtlijn 98/8/EG.
3. Een dossier als bedoeld in het eerste en tweede lid bevat tevens
een gedetailleerde en volledige beschrijving van de uitgevoerde
onderzoeken en van de gebruikte methoden of een verwijzing naar de
literatuur voor die methoden.
4. Bij een onderzoek, bedoeld in het derde lid, dat is verricht
overeenkomstig goede laboratoriumpraktijken, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, van richtlijn 2004/10/EG, is een verklaring van het
desbetreffende laboratorium aanwezig.
5. In de onderzoeken moet voor een stof als naam worden opgegeven:
a. de in de lijst van bijlage VI bij verordening (EG) nr.
1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en
verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van
de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van
Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PbEU L 353) vermelde naam,
b. indien de stof niet voorkomt in de lijst, bedoeld onder a,
de naam vermeld in de Europese inventaris van in de handel
bestaande chemische stoffen (Einecs),
c. indien de stof niet voorkomt in de inventaris onder b, de
gebruikelijke naam volgens de International Organisation for
Standardisation (ISO), of
d. indien geen naam als bedoeld in onderdeel c bestaat, de
chemische benaming volgens de regels van de International Union of
Pure and Applied Chemistry (Iupac).
6. Onze Minister kan bij ministeriėle regeling nadere regels
stellen inzake gegevens die in een dossier bij de aanvraag worden
geleverd en onder meer vaststellen welke gegevens bij aanvragen voor
een bijzondere vorm van toelating als bedoeld in hoofdstuk 4,
paragraaf 3, of hoofdstuk 5, paragraaf 3, alsmede de artikelen 121 tot
en met 128 van de wet in verband met de bijzondere aard van die
toelatingen in afwijking van het eerste tot en met vierde lid door de
aanvrager achterwege gelaten kunnen worden of op een andere wijze
kunnen worden ingediend.
Artikel 4. Onderzoeksmethode
1. De onderzoeken, bedoeld in artikel 3, derde lid, worden:
a. uitgevoerd volgens de methoden beschreven in bijlage V bij
richtlijn 67/548/EEG en
b. voor zover van toepassing, uitgevoerd overeenkomstig
richtlijn 86/609/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lidstaten
betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en
andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEG L 358).
2. Indien het college de methoden, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, ongeschikt acht of in bijlage V bij richtlijn 67/548/EEG
geen geschikte methoden worden beschreven, kan het college andere
internationaal erkende methoden aanvaarden, indien het college
alvorens een besluit te nemen Onze Minister tijdig van de toepassing
van een andere onderzoeksmethode op de hoogte stelt.
3. Indien de onderzoeken, bedoeld in het artikel 3, derde lid, zijn
verricht voor 16 februari 1998 door middel van andere methoden dan die
van bijlage V bij richtlijn 67/548/EEG beslist het college per geval
of die gegevens toereikend zijn, dan wel nieuwe onderzoeken moeten
worden uitgevoerd overeenkomstig bijlage V van die richtlijn, onder
meer rekening houdend met de noodzaak proeven met gewervelde dieren
tot een minimum te beperken.
4. Onze Minister kan bij ministeriėle regeling nadere regels
stellen inzake onderzoeksmethoden en daarbij afwijken van het eerste
lid met betrekking tot onderzoeksmethoden voor aanvragen omtrent een
bijzondere vorm van toelating als bedoeld in hoofdstuk 4, paragraaf 3,
of hoofdstuk 5, paragraaf 3, alsmede artikel 121 tot en met 128 van de
wet.
Artikel 5. Achterwege laten van gegevens
1. De aanvrager kan met redenen omkleed het overleggen van gegevens
inzake een dossier als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdelen a
en b, van de wet achterwege laten voorzover:
a. de gegevens niet noodzakelijk zijn wegens de aard van de
biocide,
b. de gegevens niet noodzakelijk zijn wegens de voorgestelde
toepassing van de biocide, of
c. het wetenschappelijk niet nodig of technisch niet mogelijk
is deze gegevens te verstrekken.
2. Het college beoordeelt of de aanvrager gegevens als bedoeld in
het eerste lid, onderdelen a tot en met c, achterwege kan laten.
§ 2. Beslistermijnen
Artikel 6 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 7. Beslistermijnen voor aanvragen inzake biociden
1. De termijn, bedoeld in artikel 44, tweede lid, eerste volzin,
van de wet inzake een besluit omtrent toelating bedraagt voor:
a. een toelating op grond van de artikelen 49 of 121 van de
wet: 66 weken;
b. een afgeleide toelating als bedoeld in artikel 52 van de
wet: 10 weken;
c. een parallelle toelating als bedoeld in artikel 53 van de
wet: 14 weken;
d. een voorlopige toelating als bedoeld in artikel 54 van de
wet: 66 weken;
e. een toelating op aanvraag van Onze minister als bedoeld in
artikel 55 van de wet: 39 weken;
f. een registratie als bedoeld in artikel 59, eerste lid, van
de wet: 60 dagen;
g. een toelating die berust op een kaderformulering als bedoeld
in artikel 62 van de wet: 60 dagen;
h. een dringend vereist biocide als bedoeld in artikel 123,
eerste lid, van de wet: 24 weken;
i. een biocide met een gewijzigde samenstelling als bedoeld in
artikel 125, eerste lid, van de wet: 20 weken;
j. een vereenvoudigde uitbreidingstoelating als bedoeld in
artikel 126 van de wet: 39 weken.
2. De termijn, bedoeld in artikel 44, tweede lid, eerste volzin,
van de wet inzake een besluit omtrent toelating bedraagt voor een
wederzijdse erkenning van:
a. een toelating als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de
wet: 29 weken en
b. een registratie als bedoeld in artikel 60 van de wet: 144
dagen,
met dien verstande dat als het dossier, bedoeld inartikel 3, eerste
en tweede lid, reeds volledig is bij de indiening van de aanvraag, het
college een besluit neemt binnen 120 dagen na ontvangst van de
aanvraag tot toelating, bedoeld in onderdeel a, onderscheidenlijk
binnen 60 dagen na ontvangst van de aanvraag tot registratie, bedoeld
in onderdeel b.
3. De termijn, bedoeld in artikel 44, tweede lid, eerste volzin,
van de wet is voor een besluit tot verlenging of wijziging van een
besluit omtrent toelating als bedoeld in artikel 66, eerste lid,
onderscheidenlijk artikel 68, tweede, vierde en zesde lid, van de wet
overeenkomstig de termijn die in het eerste lid is genoemd voor het
besluit omtrent toelating.
4. Onze Minister kan in afwijking van het eerste en tweede lid
indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van een communautaire
maatregel inzake de opneming of niet opneming van een werkzame stof op
bijlage I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG als bedoeld in artikel 44,
tweede lid, van de wet bij ministeriėle regeling een andere
beslistermijn vaststellen.
Hoofdstuk 4. Beoordeling van aanvragen
§ 1. Beoordeling van aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen
Artikel 8. Toelating niet-professioneel gebruik
Het college verleent geen toelating voor niet-professioneel gebruik
van een gewasbeschermingsmiddel dat overeenkomstig richtlijn 1999/45/EG
is ingedeeld als giftig, zeer giftig, kankerverwekkend, mutageen of
vergiftig voor de voortplanting.
Artikel 8a. Beoordelingsmethoden
1. Het college hanteert in het kader van de beoordeling van
gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van
verordening (EG) 1107/2009, slechts de in de artikelen 8b tot en met
8gen de in bijlage 1 bedoelde beoordelingsmethoden, voor zover een
Europees richtsnoer dat is vastgesteld volgens de procedure, bedoeld
in artikel 77 van die verordening, geen beoordelingsmethode over
hetzelfde onderwerp bevat.
2. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie doet
mededeling in de Staatscourant van de vaststelling of wijziging van
een in een Europees richtsnoer opgenomen beoordelingsmethode als
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8b. Blootstelling als gevolg van professioneel gebruik
1. Het college schat de kwantitatieve blootstelling aan het
gewasbeschermingsmiddel, bedoeld in uitvoeringsverordening (EU)
545/2011, bijlage, deel A, punt 7.2.1.1, zonder rekening te houden met
het effect van persoonlijke beschermingsmaatregelen en met
gebruikmaking van de volgende modellen voor blootstellingssituaties:
a. voor het mengen en vullen van apparatuur voor de toepassing
van gewasbeschermingsmiddelen met een:
1°. niet-vast gewasbeschermingsmiddel bij
tractortoepassingen: model EUROPOEM I, bedoeld in bijlage 1
onder 1;
2°. niet-vast middel bij handmatige toepassing: model
EUROPOEM I, bedoeld in bijlage 1 onder 1, voor
huidblootstelling en NL model, bedoeld in bijlage 1 onder 4, 5
en 7, voor inhalatoire blootstelling;
3°. poedervormig middel: NL-model bedoeld in bijlage 1
onder 4, 5 en 7;
4°. granulaatvormig middel: NL-model, bedoeld in bijlage 1
onder 4, 5 en 7, rekening houdend met de poederfractie in het
middel;
b. voor het toepassen van het gewasbeschermingsmiddel:
1°. buiten opwaarts of neerwaarts met grote
spuitapparatuur; model EUROPOEM I, bedoeld in bijlage 1 onder
1;
2°. buiten neerwaarts met handapparatuur: model UK POEM,
bedoeld in bijlage 1onder 9;
3°. buiten opwaarts met handapparatuur: de 90-percentiel
waarde volgens het Duitse blootstellingsmodel, bedoeld in
bijlage 1 onder 6;
4°. binnen met handapparatuur: NL-kasmodel, bedoeld in
bijlage 1 onder 4, 5 en 7;
c. voor degenen die werkzaamheden uitvoeren in ruimten die
behandeld zijn met gewasbeschermingsmiddelen of werkzaamheden
uitvoeren met of aan gewassen die behandeld zijn met middelen:
model EUROPOEM II, bedoeld inbijlage 1 onder 2, voor dermale
blootstelling;
d. voor degenen die werkzaamheden uitvoeren in ruimten die
behandeld zijn met middelen of in ruimten werkzaamheden uitvoeren
met of aan gewassen die behandeld zijn met middelen: NL model voor
inhalatoire blootstelling, bedoeld in bijlage 1 onder 5 en 7.
2. Het college gaat bij de beoordeling van de voorgestelde
beschermende kleding en apparatuur volgens de uniforme beginselen,
bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 546/2011, bijlage, deel I,
onderdeel B Evaluatie, punt 2.4.1.3., uit van beschermingsfactoren
voor deze kleding en apparatuur volgens de tabel, bedoeld in bijlage
2.
Artikel 8c. Blootstelling als gevolg van niet-professioneel gebruik
Het college schat de kwantitatieve blootstelling aan het
gewasbeschermingsmiddel voor de toepasser van een middel bestemd voor
niet-professioneel gebruik, bedoeld in uitvoeringsverordening (EU)
545/2011, bijlage, deel A, punt 7.2.1.1, zonder rekening te houden met
het effect van persoonlijke beschermingsmaatregelen. Het college
gebruikt voor de inschatting van de blootstelling een van de methoden,
bedoeld in artikel 8b.
Artikel 8d. Omstander beroepshalve aanwezig
Het college schat de kwantitatieve blootstelling aan het
gewasbeschermingsmiddel voor de omstander, bedoeld in
uitvoeringsverordening (EU) 545/2011, bijlage, deel A, punt 7.2.1.1,
zonder rekening te houden met het effect van persoonlijke
beschermingsmaatregelen. Het college gebruikt voor de inschatting van de
blootstelling het model EUROPOEM II, bedoeld inbijlage 1 onder 3.
Artikel 8e. Uitspoeling
Het college komt bij de toepassing van het uniforme beginsel, bedoeld
in uitvoeringsverordening (EU) 546/2011, bijlage, deel I, onderdeel C
Besluitvorming, punt 2.5.1.2, tot het oordeel dat een
gewasbeschermingsmiddel geen onaanvaardbaar effect op het milieu heeft
als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel e, van verordening (EG)
1107/2009 indien bij de toepassing van dit beginsel wordt aangetoond
dat:
a. de concentratie van een werkzame stof, een relevant
reactieproduct of een relevant afbraakproduct in het grondwater
gelijk is aan of lager is dan 0,1 μg/liter bij toepassing van
één van de volgende methoden van beoordelen van het
gewasbeschermingsmiddel:
1°. een berekening met het model PEARL voor het FOCUS
Kremsmünster scenario, bedoeld in bijlage 1 onder 12.
2°. een berekening met het model GeoPEARL, bedoeld in
bijlage 1 onder 12.
3°. een toetsing aan metingen van concentraties in het
bovenste grondwater,
4°. een berekening voor de verzadigde zone, bepaald volgens
een rekenvoorschrift waarbij wordt uitgegaan van een
afbraaksnelheid volgens de eerste orde kinetiek na 4 jaren op 10
meter diepte,
5°. een toetsing aan metingen van concentraties in het
diepere grondwater op minimaal 10 meter beneden het maaiveld, of
b. bij het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel in een
grondwaterbeschermingsgebied de maximaal toelaatbare concentratie
van een werkzame stof, een relevant reactieproduct of een relevant
afbraakproduct van 0,01 μg/liter gebaseerd op een berekening of
toetsing als bedoeld in onderdeel a, onder 1 tot en met 3 niet wordt
overschreden, tenzij met nadere gegevens aan de hand van een
berekening of toetsing als bedoeld in onderdeel a, onder 3, 4 of 5,
wordt aangetoond dat in grondwaterbeschermingsgebieden de waarde van
0,1 μg/liter niet wordt overschreden.
Artikel 8f. Driftcijfers
Bij de risicobeoordeling voor waterorganismen, vogels, zoogdieren,
niet-doelwitarthropoden, niet-doelwitplanten of oppervlaktewater bestemd
voor de bereiding van drinkwater, hanteert het college specifieke
driftcijfers. Het college stelt deze cijfers vast en maakt hen bekend op
zijn website.
Artikel 8g. Beoordeling risico drinkwater
Het college beoordeelt bij de toepassing van het uniforme beginsel
als bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 546/2011, deel I, onderdeel C
Besluitvorming, punt 2.5.1.3, aan de hand van de beoordelingsmethoden,
bedoeld in bijlage 1 onder 14 en 15.
Artikel 9. Ontbrekende beoordelingsmethoden
Het college beoordeelt een aanvraag bij het ontbreken van
vastgestelde beoordelingsmethoden aan de hand van de uniforme beginselen
voor het evalueren en toelaten van gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in
artikel 29, zesde lid, van verordening (EG) 1107/2009, voor zover dit
naar zijn oordeel naar wetenschappelijk inzicht redelijkerwijs mogelijk
is.
Artikel 10 [Vervallen per 26-11-2011]
Artikel 11. Voorschriften
1. Het college kan bij de toelating het voorschrift opnemen dat het
gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegepast na een melding bij
Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
2. Het college houdt bij zijn beslissing omtrent voorschriften als
bedoeld in artikel 29, derde lid, van de wet, rekening met onder meer:
a. de resultaten van de risicobeoordeling, met name de relatie
tussen blootstelling en effect;
b. de aard en de ernst van het effect;
c. het risicobeheer dat kan worden toegepast;
d. het toepassingsgebied van het gewasbeschermingsmiddel;
e. de werkzaamheid van het gewasbeschermingsmiddel;
f. de fysische eigenschappen van het gewasbeschermingsmiddel;
g. de naleefbaarheid van het voorschrift;
h. de handhaafbaarheid van het voorschrift; en
i. de geschiktheid voor niet-professionele gebruikers.
3. Onze Minister kan regels stellen voor de wijze waarop het
college uitvoering geeft aan het eerste en tweede lid alsmede de wijze
waarop het college bij de toelating voorschriften geeft voor de
uitvoering van geļntegreerde gewasbescherming, goede
gewasbeschermingspraktijken of het gebruik van voertuigen, werktuigen,
methoden, technieken en materialen.
4. Het college stelt bij iedere toelating voor niet-professioneel
gebruik voorschriften als bedoeld in artikel 29, eerste lid,
onderdelen b en c, van de wet. Deze voorschriften hebben betrekking op
gebruiksklare formuleringen en stellen beperkingen aan het formaat van
de verpakking.
§ 2. Beoordeling van aanvragen inzake biociden
Artikel 12. Toepassing gemeenschappelijke beginselen en
beoordelingsmethoden
1.Onze Minister kan bij ministeriėle regeling voor de toepassing
van gemeenschappelijke beginselen, bedoeld in artikel 49, tweede lid,
van de wet, onder meer nadere regels stellen:
a. voor de indeling van een biocide als bedoeld in punt 24 van
bijlage VI bij richtlijn 98/8/EG,
b. met het oog op de voordelen van het gebruik van het biocide,
c. met het oog op de nationaal specifieke agrarische,
fytosanitaire, of ecologische, waaronder klimatologische
omstandigheden, of
d. die voortvloeien uit communautaire maatregelen die
betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van
distributeurs, gebruikers, werknemers en consumenten, de
gezondheid van dieren of het milieu.
2.Het college hanteert bij de toepassing van gemeenschappelijke
beginselen, bedoeld in artikel 49, tweede lid, van de wet,
beoordelingsmethoden als bedoeld in artikel 49, derde lid, van de wet
die zijn opgenomen in door experts van de lidstaten van de Europese
Unie gezamenlijk vastgestelde richtsnoeren in verband met de
uitvoering van richtlijn 98/8/EG, slechts voor zover deze bij
ministeriėle regeling zijn aangewezen.
3.Onze Minister kan bij ministeriėle regeling andere
beoordelingsmethoden als bedoeld in het tweede lid vaststellen voor de
toepassing van de gemeenschappelijke beginselen, bedoeld in artikel
49, tweede lid van de wet, voor zover deze beoordelingsmethoden
redelijkerwijs bijdragen aan de doelstellingen van:
a. richtlijn 98/8/EG en
b. richtlijn 2000/60/EG,
zoals het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie deze
hebben verwoord in de preambules van deze richtlijnen.
4.Onze Minister kan bij ministeriėle regeling nadere regels
stellen met betrekking tot de beoordelingsmethoden die ingevolge
artikel 49, derde lid, van de wet, worden toegepast bij de beoordeling
van aanvragen voor toelating als bedoeld in artikel 44, eerste lid,
van de wet of een bijzondere vorm van toelating als bedoeld in
hoofdstuk 5, paragrafen 3, 4 en 5, alsmede artikelen 121 tot en met
128 van de wet in verband met de bijzondere aard van die vormen van
toelating.
Artikel 13. Ontbrekende beoordelingsmethoden
Het college beoordeelt een aanvraag bij het ontbreken van
vastgestelde beoordelingsmethoden aan de hand van de gemeenschappelijke
beginselen voor de evaluatie van dossiers voor biociden, bedoeld in
bijlage VI bij richtlijn 98/8/EG, voor zover dit naar zijn oordeel naar
wetenschappelijk inzicht redelijkerwijs mogelijk is, onverminderd
artikel 12.
Artikel 14. Niet toe te laten gebruik van biociden
1. Het college verleent geen toelating voor niet-professioneel
gebruik van een biocide die overeenkomstig artikel 20, eerste lid, van
richtlijn 98/8/EG als vergiftig, zeer vergiftig, kankerverwekkend of
mutageen categorie 1 of 2 of als vergiftig voor de voortplanting
categorie 1 of 2 is ingedeeld.
2. Biociden worden bij de productie en distributie van drinkwater
niet toegepast.
3. In afwijking van het tweede lid mogen biociden bij de productie
en distributie worden toegepast, indien is voldaan aan de bij regeling
van Onze Minister gestelde voorwaarden, waaronder de mogelijkheid van
een melding bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
Artikel 15. Kaderformulering
Het college geeft een toelating op grond van een kaderformulering die
vergeleken met de toelating waarbij de kaderformulering is verstrekt,
bij een wijziging van de samenstelling hetzelfde of een kleiner risico
met zich brengt dan de toelating waarbij de kaderformulering is
verstrekt zonder dat de doeltreffendheid afneemt door:
a. een lager percentage werkzame stoffen,
b. een andere percentuele verhouding van een of meer
niet-werkzame stoffen, of
c. de vervanging van een of meer pigmenten, kleurstoffen of
reukstoffen.
Artikel 16. Voorschriften
1. Het college kan bij de toelating het voorschrift opnemen dat de
biocide slechts wordt toegepast na een melding bij Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu.
2. Het college houdt bij zijn beslissing omtrent voorschriften als
bedoeld in de artikelen 50 en 56, derde lid, van de wet, rekening met
onder meer:
a. de resultaten van de risicobeoordeling, met name de relatie
tussen blootstelling en effect;
b. de aard en de ernst van het effect;
c. het risicobeheer dat kan worden toegepast;
d. het toepassingsgebied van de biocide;
e. de werkzaamheid van de biocide;
f. de fysische eigenschappen van de biocide;
g. de voordelen van het gebruik van de biocide;
h. de naleefbaarheid van het voorschrift;
i. de handhaafbaarheid van het voorschrift; en
j. de geschiktheid voor niet-professionele gebruikers.
3. Onze Minister kan regels stellen voor de wijze waarop het
college uitvoering geeft aan het eerste en tweede lid alsmede de wijze
waarop het college bij de toelating voorschriften geeft voor juist
gebruik, goede praktijken, of het gebruik van voertuigen, werktuigen,
methoden, technieken en materialen.
Hoofdstuk 5. Handel en gebruik
§ 1. Bewijs van vakbekwaamheid
Artikel 17. Bewijs van vakbekwaamheid inzake
gewasbeschermingsmiddelen
1. Een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 71, tweede
lid, onderdeel a, van de wet, inzake gewasbeschermingsmiddelen kan
worden verstrekt aan de persoon die:
a) een bij regeling van Onze Minister aangewezen opleiding
heeft gevolgd;
b) een bij regeling van Onze Minister aangewezen examen heeft
afgelegd, of
c) een instructie heeft gevolgd waarvan de bij regeling van
Onze Minister aangewezen instantie heeft geoordeeld dat hiermee
voldoende kennis van de in bijlage I bij richtlijn 2009/128/EG
genoemde onderwerpen wordt verkregen, gelet op de taken en
verantwoordelijkheden van die persoon.
2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over het
vereiste kennisniveau voor de onderwerpen, genoemd in bijlage I bij
richtlijn 2009/128/EG, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen
en in voorkomend geval binnen de groepen van distributeurs van
gewasbeschermingsmiddelen, voorlichters en professionele gebruikers
van gewasbeschermingsmiddelen.
3. Het bewijs van vakbekwaamheid vermeldt de volledige naam, het
adres, de woonplaats en de geboortedatum van betrokkene en kan een
opsomming bevatten van onderwerpen waarvan kennis is verworven en op
welk niveau.
4. De gelding van het bewijs van vakbekwaamheid, dat is verkregen
op grond van het eerste lid, onderdeel c, geeft geen recht op het
ontvangen of voorhanden hebben van gewasbeschermingsmiddelen,
toegelaten voor professioneel gebruik.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld over de gelding van het bewijs van vakbekwaamheid, waarbij de
gelding kan worden beperkt tot bepaalde gewasbeschermingsmiddelen,
bepaalde toepassingen of bepaalde ruimten of terreinen.
Artikel 17a. Bewijs van vakbekwaamheid inzake biociden
1. Een bewijs van vakbekwaamheid inzake biociden als bedoeld in
artikel 71, tweede en vierde lid, van de wet wordt verstrekt aan de
persoon die voldoet aan bij regeling van Onze Minister te stellen
voorwaarden inzake:
a. de distributie van gasvormige en gasvormende biociden,
b. de bestrijding van mollen en woelratten,
c. het afweren of bestrijden van een dierplaag,
d. het bestrijden van een houtrotverwekkende schimmel, of
e. het toepassen van gasvormige en gasvormende biociden, met
uitzondering van de bestrijding van mollen en woelratten als
bedoeld in onderdeel b.
2. De ondernemer van een bedrijf of hoofdverantwoordelijke voor een
instelling is vrijgesteld van een bewijs van vakbekwaamheid voor
handelingen met betrekking tot biociden:
a. die niet zijn genoemd in het eerste lid, of
b. die zijn genoemd in het eerste lid en die worden uitgevoerd
door:
1°. een bedrijfsvoerder die in dienst is en die beschikt
over een daartoe verstrekt bewijs van vakbekwaamheid als
bedoeld in het eerste lid, of
2°. een bedrijf dat voor de ondernemer een biocide toepast
en waarvan de persoon die de biocide distribueert aan klanten
of toepast, beschikt over een daartoe verstrekt bewijs van
vakbekwaamheid als bedoeld in het eerste lid.
3. Artikel 71, eerste, tweede en derde lid, van de wet, is van
overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde gevallen.
4. Het bewijs van vakbekwaamheid vermeldt de volledige naam, het
adres, de woonplaats en de geboortedatum van betrokkene en kan een
opsomming bevatten van onderwerpen waarvan kennis is verworven en op
welk niveau.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels of nadere regels
worden gesteld met betrekking tot de onderwerpen, genoemd in de
artikelen 71, tweede lid, van de wet.
Artikel 18. Geldigheid van een bewijs van vakbekwaamheid
1. Een bewijs van vakbekwaamheid wordt verstrekt voor een termijn
van vijf jaar na het tijdstip waarop de opleiding is afgerond, het
examen is afgelegd, of de instructie is verkregen, overeenkomstig
artikel 17, eerste lid, of aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 17a,
eerste lid, is voldaan.
2. De geldigheid van een bewijs van vakbekwaamheid wordt na afloop
van de termijn, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve verlengd onder
door Onze Minister bij ministeriėle regeling vast te stellen
voorwaarden.
3. De vernieuwing van een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in
artikel 17, eerste lid, en 17a, eerste lid, wordt geweigerd indien
niet is voldaan aan bij regeling door Onze Minister vast te stellen
voorwaarden inzake scholing.
4. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,
onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, kan een
bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, onderscheidenlijk
biociden, in een geval als bedoeld in artikel 85, eerste of derde lid,
van de wet, tijdelijk of permanent intrekken. Bij regeling van Onze
Minister worden regels gesteld met betrekking tot de gevallen en de
mate waarin tot intrekking kan worden overgegaan.
5. Onze Minister stelt bij ministeriėle regeling vast wanneer en
op welke wijze na intrekking opnieuw een bewijs van vakbekwaamheid
verkregen kan worden.
Artikel 19. Buitenlandse getuigschriften
1. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,
onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, kan een
bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, onderscheidenlijk
biociden, verstrekken aan een persoon, die onderdaan is van een
lidstaat als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties wanneer op grond van artikel 6 van de Algemene
wet erkenning EG-beroepskwalificaties is aangetoond dat deze persoon
over gelijkwaardige kwalificaties beschikt als de houder van een
bewijs van vakbekwaamheid dat is verkregen op grond vanartikel 17,
eerste lid, of 17a, eerste lid.
2. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,
onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, kan een
bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, onderscheidenlijk
biociden, verstrekken aan een persoon die beschikt over een
getuigschrift niet ouder dan vijf jaar van een door Onze Minister
erkende buitenlandse opleiding buiten een lidstaat als bedoeld in het
eerste lid, wanneer deze persoon door ervaring of opleiding na het
verkrijgen van het getuigschrift nog steeds over een gelijkwaardige
kwalificatie beschikt als de houder van een bewijs van vakbekwaamheid
dat is verkregen op grond vanartikel 17, eerste lid, of 17a, eerste
lid.
3. De houder van een bewijs van vakbekwaamheid beheerst de
Nederlandse taal op een zodanig niveau dat voorschriften op etiketten
van gewasbeschermingsmiddelen en biociden en andere voor de toepassing
van gewasbeschermingsmiddelen en biociden bij of krachtens de wet
geldende voorschriften begrepen en uitgevoerd kunnen worden.
§ 2. Invoer en doorvoer
Artikel 20. Niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen of biociden
1.Iedere importeur, producent of leverancier die een niet
toegelaten gewasbeschermingsmiddel of biocide als bedoeld in artikel
74, eerste lid, van de wet binnen Nederland brengt, zorgt ervoor dat
het middel uiteindelijk feitelijk over de grens wordt geleverd aan een
buitenlandse handelaar of wordt geleverd aan een Nederlandse eigenaar
of houder die het middel op een perceel in het grensgebied van Belgiė
of Duitsland buiten het Nederlands grondgebied toepast.
2.Iedere importeur, producent of leverancier die een middel als
bedoeld in het eerste lid in Nederland verhandelt, komt bij een
overeenkomst die strekt tot levering van het middel aan een opvolgend
eigenaar of houder schriftelijk een beding als bedoeld in artikel 253
van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ten behoeve van de Staat overeen
dat voldoet aan bij ministeriėle regeling te stellen eisen en neemt
een afschrift van deze overeenkomst in de administratie op.
3.Het is verboden zaaizaad op de markt te brengen, te ontvangen, te
gebruiken of voorhanden te hebben dat is behandeld met een werkzame
stof die niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden, bedoeld in artikel
28, eerste lid, onderdelen b tot en met f, van de wet voor zover deze
toelatingsvoorwaarden betrekking hebben op het gebruik van zaaizaad
binnen Nederland.
Artikel 21. Administratie van niet toegelaten
gewasbeschermingsmiddelen of biociden
1.De administratie, bedoeld in artikel 74, tweede lid, van de wet,
bevat ten minste de volgende gegevens:
a. de naam, zoals die op de verpakking is vermeld, en voor
zover van toepassing, het toelatingsnummer of toelatingskenmerk in
het land van bestemming,
b. het aantal verpakkingseenheden per ontvangst of aflevering
alsmede de op de verpakking aangegeven volume- of massa-eenheden,
c. de totale hoeveelheid voorraad en de veranderingen van de
voorraad,
d. de datum van ontvangst, aflevering of verandering als
bedoeld in de onderdelen b en c,
e. de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier of de
afnemer van het gewasbeschermingsmiddel of biocide in Nederland of
het buitenland, en
f. de afschriften van overeenkomsten als bedoeld in artikel 20,
tweede lid.
2.De administratie bestrijkt een periode van de laatste vijf jaar.
3.De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, d en e,
worden op de factuur of het afleveringsbewijs aangegeven.
4.Onze Minister kan bij ministeriėle regeling aanvullende
administratievoorschriften stellen voor producenten, importeurs,
handelaren en gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen of biociden.
Onze Minister kan daarbij regels stellen inzake de administratie van
de opslag van behandeld zaaizaad als bedoeld inartikel 10 en artikel
20, derde lid.
Artikel 22. Opslag
1.Een niet toegelaten gewasbeschermingsmiddel of biocide als
bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de wet of een
gewasbeschermingsmiddel of biocide dat niet voldoet aan de bij de
toelating gestelde voorschriften wordt afzonderlijk van een toegelaten
middel opgeslagen.
2.Onze Minister kan bij ministeriėle regeling regels stellen over
de opslag van gewasbeschermingsmiddelen en biociden als bedoeld in het
eerste lid waaronder regels over de opslag van middelen die niet
voldoen aan de bij de toelating gestelde voorschriften inzake het
etiket en in afwijking van het eerste lid tijdelijk met toegelaten
middelen worden opgeslagen.
3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op
behandeld zaaizaad als bedoeld in artikel 10 en artikel 20, derde lid.
§ 3. Aanprijzing en administratie van toegelaten
gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Artikel 23. Aanprijzing
Bij een aanduiding van een productsoort als bedoeld in artikel 72,
vijfde lid, van de wet wordt gebruik gemaakt van het onderscheid in
productsoorten, genoemd in bijlage V bij richtlijn 98/8/EG.
Artikel 24. Administratie toegelaten biociden
1. Een ieder die bedrijfsmatig biociden distribueert, levert of
aflevert houdt een administratie bij.
2. De administratie, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste de
volgende gegevens:
a. de naam, zoals die op de verpakking is vermeld, en het
toelatingsnummer,
b. het aantal verpakkingseenheden per ontvangst of aflevering
alsmede de op de verpakking aangegeven volume- of massa-eenheden,
c. de totale hoeveelheid voorraad en de veranderingen van de
voorraad,
d. de datum van ontvangst, aflevering of verandering als
bedoeld in de onderdelen b en c, en
e. de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier of de
afnemer van de biocide.
3. De administratie bestrijkt een periode van de laatste vijf jaar.
De administratie is op een toegankelijke wijze opgesteld, op
eenvoudige wijze beschikbaar en aanwezig op het bedrijf.
4. Onze Minister kan categorieėn van biociden uitzonderen van het
gebod, bedoeld in het eerste lid.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen aanvullende
administratievoorschriften worden gesteld voor producenten,
distributeurs, importeurs en gebruikers van biociden.
Artikel 25. Administratie van de toepassing van toegelaten biociden
door derden
1. Een ieder die biociden, die niet zijn aangemerkt als geschikt
voor niet-professioneel gebruik, voor gebruikers voorhanden heeft,
ontvangt of toepast, houdt een administratie bij.
2. De administratie, bedoeld in het eerste lid, omvat ten minste de
volgende gegevens:
a. de naam, zoals die op de verpakking is vermeld, en het
toelatingsnummer,
b. de ontvangen of toegepaste hoeveelheden biociden,
c. de voorraad middelen op 1 januari van enig kalenderjaar,
d. de datum van ontvangst of toepassing als bedoeld in
onderdeel b, en
e. de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier of de
gebruiker van de biocide.
3. De administratie bestrijkt een periode van de laatste vijf jaar.
4. Onze Minister kan categorieėn van middelen uitzonderen van het
gebod, bedoeld in het eerste lid.
5. Onze Minister kan bij ministeriėle regeling aanvullende
administratievoorschriften stellen.
Artikel 25a. Bijhouden van registers van gewasbeschermingsmiddelen
Bij regeling van Onze Minister kunnen ter uitvoering van de
verplichtingen, bedoeld in artikel 67 van verordening (EG) 1107/2009,
regels of nadere regels worden gesteld met betrekking tot de registratie
van de productie, de invoer, de uitvoer, het op de markt brengen, de
opslag of het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen.
Artikel 25b. Informatieverstrekking niet-professioneel gebruik
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld ter uitvoering
van artikel 73, vierde lid, van de wet.
§ 4. Goede praktijken, geļntegreerde gewasbescherming en juist
gebruik
Artikel 26. Geļntegreerde gewasbescherming
1. Een ieder die met het oog op gebruik in enig jaar
gewasbeschermingsmiddelen voorhanden of in voorraad heeft, of
voornemens is gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken of onder zijn
verantwoordelijkheid dan wel in zijn opdracht te laten gebruiken,
beschikt over een gewasbeschermingsplan.
2. In het gewasbeschermingsplan wordt vermeld op welke wijze bij de
behandeling van uitgangsmateriaal, tijdens het telen, bij de
behandeling van geoogste planten of ander plantaardig materiaal,
waaronder bij toepassing op verharde oppervlakken, goed invulling en
uitvoering wordt gegeven of zal worden gegeven aan de beginselen van
goede gewasbeschermingspraktijken en geļntegreerde gewasbescherming,
zoals opgenomen in de bijlage III bij richtlijn 2009/128/EG.
3. Onze Minister kan op verzoek van een beroepsinstantie bij
beleidsregel een gids voor goede gewasbeschermingspraktijken
vaststellen.
4. Een gids voor goede gewasbeschermingspraktijken als leidraad
voor een juiste uitvoering van geļntegreerde gewasbescherming kan
onder meer uitgangspunten voor de opstelling van een
gewasbeschermingsplan en handelwijzen voor de teelt bevatten.
5. Onze Minister kan bij ministeriėle regeling teeltvoorschriften
vaststellen die bij de opstelling van een gewasbeschermingsplan in
acht genomen worden.
6. Het eerste lid is niet van toepassing op degene die:
a. uitsluitend een gewasbeschermingsmiddel voor
niet-professioneel gebruik toepast, of
b. onder de verantwoordelijkheid dan wel in opdracht van een
derde een gewasbeschermingsmiddel toepast.
7
Bij ministeriėle regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat
het eerste lid niet van toepassing is op een categorie van gebruikers,
indien een systeem van kwaliteitszorg of andere regelgeving reeds op
vergelijkbare wijze in de toepassing van geļntegreerde gewasbescherming
voorziet.
8. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels of nadere regels
worden gesteld over geļntegreerde gewasbescherming door
professionele gebruikers.
Artikel 27. Toegankelijkheid gewasbeschermingsplan
1.Het gewasbeschermingsplan is op een toegankelijke wijze
opgesteld, op eenvoudige wijze beschikbaar en aanwezig op het bedrijf
van de gebruiker.
2.Onze Minister kan voor een gewasbeschermingsplan als bedoeld in
het eerste lid, een standaardformulier vaststellen.
3.Onze Minister kan regels stellen voor het gebruik van het
standaardformulier, bedoeld in het tweede lid.
4.Onze Minister maakt het standaardformulier, bedoeld in het tweede
lid, bekend in de Staatscourant.
Artikel 27a. Gebruik van prioritaire gevaarlijke stoffen
Een gewasbeschermingsmiddel dat een prioritaire gevaarlijke stof
bevat als bedoeld in artikel 16, derde lid, van richtlijn 2000/60/EG
wordt niet gebruikt in de nabijheid van oppervlaktewater of in gebieden
die zijn aangewezen krachtens artikel 1.2, tweede lid, onderdeel a, van
de Wet milieubeheer.
Artikel 27b. Verharde oppervlakken
Het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel wordt geminimaliseerd of
blijft achterwege op en langs:
a. wegen, spoorwegen en andere infrastructuur in de nabijheid van
oppervlaktewater of grondwater, alsook op verharde oppervlakken waar
een groot risico van afspoeling naar oppervlaktewateren of
rioleringssystemen bestaat;
b. zeer doorlaatbare oppervlakken in de nabijheid van
oppervlaktewater of grondwater.
Artikel 27c. Middelen met laag risico bij het brede publiek of
kwetsbare groepen
1. In niet-landbouwgebieden in gebruik bij het grote publiek of bij
kwetsbare groepen als bedoeld in artikel 3 van verordening (EG)
1107/2009 wordt gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen met een
laag risico als bedoeld in artikel 47 van verordening (EG) 1107/2009
of biologische bestrijdingsmethoden.
2. Indien met de gewasbeschermingsmiddelen of bestrijdingsmethoden,
bedoeld in het eerste lid, onvoldoende resultaat wordt geboekt of zon
resultaat redelijkerwijs te verwachten is, kunnen andere toegelaten
gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast.
3. Degene die voornemens is in de situatie, bedoeld in het tweede
lid, een gewasbeschermingsmiddel te gebruiken, dat overeenkomstig
richtlijn 1999/45/EG is ingedeeld als vergiftig of zeer vergiftig,
meldt zijn voornemen aan Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw
en Innovatie. Artikel 32, vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
4. Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald binnen welke
termijn na ontvangst van de melding Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie kan besluiten het voorgenomen gebruik te
verbieden, dan wel voorschriften en beperkingen te verbinden aan het
gebruik.
Artikel 27d. Waarschuwingen in recent behandelde gebieden
Indien een gewasbeschermingsmiddel wordt gebruikt, waarvoor in het
gebruiksvoorschrift bij de toelating een wachttermijn voor herbetreding
is bepaald, zorgt een professionele gebruiker er voor dat andere
personen op het bedrijf weten van die wachtttermijn en voor welke
arealen van het bedrijf die wachttermijn geldt.
Artikel 28. Juist gebruik van biociden
Onze Minister kan bij ministeriėle regeling regels stellen voor een
juist gebruik van biociden.
§ 5. Toepassingsmethoden,-technieken en -materialen
Artikel 29. Toepassing met luchtvaartuigen
1. Het is verboden een gewasbeschermingsmiddel met behulp van een
luchtvaartuig toe te passen, met dien verstande dat Onze Minister van
dit verbod vrijstelling kan verlenen in verband met een bedreiging van
de plantaardige productie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van
de wet. Artikel 38, tweede tot en met vijfde lid, van de wet, is van
overeenkomstige toepassing.
2. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
3. Onze Minister kan bij ministeriėle regeling regels stellen voor
de wijze waarop en de voorwaarden waaronder een
gewasbeschermingsmiddel of een biocide met behulp van een
luchtvaartuig wordt toegepast.
Artikel 30. Gasvormige of gasvormende gewasbeschermingsmiddelen en
biociden in besloten ruimten
1.Degene die een gewasbeschermingsmiddel of biocide in een
gasvormige of gasvormende toestand in een besloten ruimte toepast,
draagt er zorg voor dat:
a. inwerking en verspreiding van het gewasbeschermingsmiddel of
de biocide buiten de ruimte of grond, waarin deze behandeling
plaatsvindt zoveel mogelijk wordt voorkomen;
b. alle toegangen zijn voorzien van een door Onze Minister
vastgesteld waarschuwingssignaal alsmede naar een door Onze
Minister opgesteld model vastgesteld opschrift inzake de aard en
het gevaar van het gewasbeschermingsmiddel of de biocide;
c. de ruimte ontoegankelijk is voor onbevoegden;
d. na de in het gebruiksvoorschrift van het toegepaste
gewasbeschermingsmiddel of biocide opgenomen veiligheidstermijn de
aanwezigheid of de concentratie van het toegepaste
gewasbeschermingsmiddel of de toegepaste biocide wordt gemeten met
een daartoe geschikt instrument;
e. het waarschuwingssignaal en het opschrift, bedoeld in
onderdeel b, worden na de meting, bedoeld in onderdeel d, zo
mogelijk, afhankelijk van het resultaat van de meting, verwijderd.
2.Onze Minister kan bij ministeriėle regeling voor daarbij aan te
wijzen gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen of biociden
nadere regels stellen en vrijstelling verlenen van verplichtingen als
bedoeld in het eerste lid, onder de bij die vrijstelling gegeven
voorwaarden en beperkingen.
Artikel 31. Gasvormige of gasvormende gewasbeschermingsmiddel of
biocide buiten besloten ruimten
1. Degene die een gewasbeschermingsmiddel of biocide in een
gasvormige of gasvormende toestand anders dan voor het bestrijden van
mollen of woelratten buiten een besloten ruimte toepast, meldt het
voornemen tot toepassing bij Onze Minister van Infrastructuur en
Milieu.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien gebruik wordt
gemaakt van een speciale installatie waarvoor ingevolge de Wet
milieubeheer een vergunning is afgegeven voor uitsluitend het gebruik
van gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen of biociden.
3. Degene die een gewasbeschermingsmiddel of biocide in een
gasvormige of gasvormende toestand anders dan voor het bestrijden van
mollen of woelratten buiten een besloten ruimte toepast stelt na de
behandeling een gasvrijverklaring op voor de opdrachtgever.
4. Onze Minister stelt bij ministeriėle regeling regels inzake:
a. de wijze waarop een melding als bedoeld in het eerste lid
wordt gedaan alsmede binnen welke termijn een melding wordt gedaan
of ingetrokken en
b. de geldigheidsduur van de melding.
5. Onze Minister kan bij ministeriėle regeling voor daarbij aan te
wijzen gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen of biociden
nadere regels stellen en vrijstelling geven van verplichtingen als
bedoeld in het eerste tot en met derde lid, onder de bij die
vrijstelling gegeven voorwaarden en beperkingen.
Artikel 32. Periodieke toepassing
1. Degene die een gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk
biocide toepast, meldt het voornemen tot toepassing bij Onze Minister
van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, onderscheidenlijk Onze
Minister van Infrastructuur en Milieu, indien bij de toelating is
bepaald dat voornoemd gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk
biocide niet in twee opeenvolgende jaren mag worden toegepast.
2. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,
onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu,
verstrekt een ontvangstbewijs van de melding aan de melder.
3. Het voornemen tot toepassing van een gewasbeschermingsmiddel,
onderscheidenlijk biocide wordt eveneens bij Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, onderscheidenlijk Onze
Minister van Infrastructuur en Milieu, gemeld, voor zover voor de
toepassing van een gewasbeschermingsmiddel of biocide in afwijking van
de toelating, bedoeld in het eerste lid:
a. een vrijstelling is verleend voor een proef of experiment
als bedoeld in artikel 37, eerste lid, of artikel 64, eerste lid,
van de wet,
b. een vrijstelling is verleend op grond van artikel 38 of
artikel 65 van de wet, of
c. het college een besluit tot toelating heeft genomen op grond
van artikel 123, eerste lid, van de wet.
4. Onze Minister stelt bij ministeriėle regeling regels inzake:
a. de wijze waarop een melding wordt gedaan of ingetrokken;
b. de termijn voorafgaand aan de toepassing van het
gewasbeschermingsmiddel of de biocide waar binnen een melding
wordt gedaan,
c. de geldigheidsduur van de melding, en
d. de gegevens die bij de melding worden verstrekt.
5. De aanvrager verstrekt het ontvangstbewijs, bedoeld in het
tweede lid, aan de leverancier van het gewasbeschermingsmiddel bij de
ontvangst van het gewasbeschermingsmiddel. De distributeur geeft een
getekend afschrift van het ontvangstbewijs aan de melder.
6. De melder, onderscheidenlijk de distributeur, bewaart het
getekende afschrift van het ontvangstbewijs, onderscheidenlijk het
ontvangstbewijs in zijn administratie.
§ 6. Technieken reiniging van verpakkingen
Artikel 32a. Reinigingsplicht verpakkingen in
productschapsverordeningen
1. Ter uitvoering van artikel 80a, tweede lid, van de wet wordt
medewerking gevorderd van de besturen van het Productschap Akkerbouw,
het Productschap Tuinbouw en het Productschap Zuivel.
2. Deze medewerking bestaat uit:
a. het bij verordeningen stellen van regels dan wel nadere
regels inzake de terugwinning of verwijdering van restanten van
gewasbeschermingsmiddelen uit de verpakkingen ervan;
b. het aanwijzen van personen die zijn belast met het toezicht
op de naleving van de verordeningen.
3. De medewerking bestaat voor het Productschap Akkerbouw tevens
uit het bij verordening stellen van regels, inhoudende dat de
krachtens het tweede lid gestelde regels mede andere dan de in artikel
102, eerste lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie bedoelde
natuurlijke personen en rechtspersonen binden, voor zover deze
personen handelingen verrichten met betrekking tot de terugwinning of
verwijdering van restanten van gewasbeschermingsmiddelen uit de
verpakkingen ervan, die bedrijfsmatig in de ondernemingen waarvoor het
productschap is ingesteld, plegen te worden verricht.
4. De in het eerste lid genoemde productschappen kunnen
tuchtrechtelijke maatregelen stellen als bedoeld in artikel 2 van de
Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 die kunnen worden
toegepast bij overtreding van de in het tweede lid bedoelde
verordeningen, behoudens voor de andere natuurlijke personen en
rechtspersonen, bedoeld in het derde lid.
§ 7. Keuring van apparatuur voor de toepassing van
gewasbeschermingsmiddelen
Artikel 32b. Keuring van apparatuur
1. Apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen
wordt uitsluitend gebruikt indien zij voldoet aan de eisen van bijlage
II bij richtlijn 2009/128/EG en daarvan blijkt door middel van een
officieel goedkeuringsbewijs.
2. Ter uitvoering van artikel 80, tweede lid, van de wet wordt
medewerking gevorderd van de besturen van het Productschap Akkerbouw
en het Productschap Tuinbouw.
3. Deze medewerking bestaat uit:
a. het bij verordening stellen van regels dan wel nadere regels
inzake de keuring van in gebruik zijnde apparatuur voor de
toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, waaronder regels omtrent
de keuringsfrequentie, de keuringseisen, de keuringsinstanties,
het in rekening te brengen tarief voor de keuring en voor de
afgifte van het officiėle keuringsbewijs, alsmede de aanwijzing
van apparatuur waarop het eerste lid niet van toepassing is, dan
wel een afwijkende keuringsfrequentie van toepassing is;
b. het aanwijzen van personen die zijn belast met het toezicht
op de naleving van de verordeningen.
4. De medewerking bestaat voor het Productschap Akkerbouw tevens
uit het bij verordening stellen van regels, inhoudende dat de
krachtens het derde lid gestelde regels mede andere dan de in artikel
102, eerste lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie bedoelde
natuurlijke personen en rechtspersonen binden, voor zover deze
personen apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen
gebruiken.
5. De in het tweede lid genoemde productschappen kunnen
tuchtrechtelijke maatregelen stellen als bedoeld in artikel 2 van de
Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004, die kunnen worden
toegepast bij overtreding van de in het derde lid bedoelde
verordeningen, behoudens voor de andere natuurlijke personen en
rechtspersonen, bedoeld in het vierde lid.
Hoofdstuk 6. Handhaving en overgangsperiode
§ 1. Handhaving
Artikel 33. Kosten dwangbevel
De kosten, bedoeld in artikel 4:120 van de Algemene wet bestuursrecht
die Onze Minister in rekening kan brengen voor het uitvaardigen van een
dwangbevel bedragen ten hoogste een bedrag dat is berekend met
toepassing van artikel 3, eerste lid, van de Kostenwet invordering
rijksbelastingen.
Artikel 33a. Bestuurlijke boetes
1. De bestuurlijke boete bedraagt voor een overtreding uit de
categorie:
|
|
a. zeer geringe overtreding |
50,, |
|
|
b. geringe overtreding |
250,, |
|
|
c. matige overtreding |
500,, |
|
|
d. ernstige overtreding |
1.000, tot 10.000, |
2. Bij ministeriėle regeling stelt Onze Minister regels
omtrent de indeling in categorieėn per overtreding. Daarbij wordt
ten minste onderscheid gemaakt tussen de categorieėn
distributeurs, niet-professionele gebruikers en professionele
gebruikers.
3. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister een hogere
boete vaststellen, indien de omstandigheden van het geval of de
ernst van de overtreding daartoe aanleiding geven.
§ 2. Overgangsperiode
Artikel 34. Behandeling van de aanvraag
1. Het college neemt in verband met de gevolgen van het gebruik,
bedoeld in artikel 121a, vierde lid, van de wet, een aanvraag voor een
besluit inzake een biocide als bedoeld in artikel 121, eerste lid, van
de wet, in behandeling aan de hand van een dossier dat ten minste de
volgende gegevens bevat:
a. alle gegevens waarover het college met betrekking tot de
biocide beschikt;
b. alle gegevens waarover het college met betrekking tot de
werkzame stof in de biocide beschikt;
c. de door het college in verband met de uitvoering van artikel
25d van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 opgestelde risicoprofielen
van werkzame stoffen;
d. de bij het college bekende informatie met betrekking tot
toepassingsgebieden, gebruiksvoorschriften, juist gebruik van
biociden en goede agrarische praktijken;
e. de bij het college bekende openbare, wetenschappelijke
informatie.
2. Aanvragen voor besluiten inzake biociden, die niet zijn
opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van de
wet, worden, onverminderd het eerste lid, behandeld aan de hand van
een dossier dat voldoet aan bij ministeriėle regeling in aanvulling
op het eerste lid te stellen eisen inzake de gegevens die nodig zijn
om vast te stellen of de biocide voldoet aan de voorwaarden, genoemd
in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, subonderdelen 1 tot en met 4,
van de wet.
3. Onze Minister kan bij ministeriėle regeling nadere regels
stellen inzake de gegevens die in een dossier bij de behandeling van
een aanvraag als bedoeld in artikel 121, eerste lid, van de wet ten
minste aanwezig zijn en de door het college te hanteren
beoordelingsmethoden om rekening te houden met de effecten, bedoeld in
artikel 121a, eerste lid, van de wet.
Artikel 35. Vaststelling van een lijst
1. Het college behandelt met het oog op een vaststelling van een
lijst als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van de wet, de aanvraag
tot verlenging van de toelating, bedoeld in artikel 122, eerste lid,
van de wet, aan de hand van het dossier, bedoeld in artikel 34, eerste
lid.
2. Het college selecteert bij de beoordeling van een biocide voor
een opneming als bedoeld in artikel 122, tweede lid, van de wet de
meest kritische toepassingen van een biocide met betrekking tot de te
onderscheiden effecten als bedoeld in artikel 121a, eerste lid, van de
wet. Wanneer het onderscheiden effect van de meest kritische
toepassing onaanvaardbaar is, wordt de daarna meest kritische
toepassing beoordeeld. Indien geen enkele toepassing waarvoor het
middel is toegelaten, aanvaardbaar is, wordt de desbetreffende biocide
niet opgenomen op de lijst, bedoeld in artikel 122, eerste lid, van de
wet.
3. Het college besluit tot een wijziging van een besluit tot
toelating als bedoeld in de artikelen 41, vierde lid, en 68, vierde
lid, van de wet, met betrekking tot het wettelijk gebruiksvoorschrift
of de gebruiksaanwijzing, indien de beoordeling van een biocide,
bedoeld in het tweede lid, daartoe aanleiding geeft.
4. Het college vermeldt in de vaststelling van de lijst, bedoeld in
artikel 122, eerste lid, van de wet, ten minste de volgende gegevens:
a. de biocide;
b. het toelatingsnummer;
c. de werkzame stof of combinatie van werkzame stoffen;
d. het besluit tot toelating dat met toepassing van artikel
122, eerste lid, van de wet wordt verlengd;
e. de termijn, bedoeld in artikel 122, eerste lid, van de wet,
waarmee het besluit tot toelating, bedoeld in onderdeel d van dit
artikel, wordt verlengd;
f. de biociden, die zijn toegelaten op grond van de artikelen
52 en 53 van de wet, met registratienummer en de termijn, bedoeld
in onderdeel e.
5. Onze Minister kan bij ministeriėle regeling nadere regels
stellen inzake de gegevens die in een dossier met het oog op de
vaststelling van een lijst als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van
de wet ten minste aanwezig zijn en de door het college te hanteren
beoordelingsmethoden om rekening te houden met de effecten, bedoeld in
artikel 121a, eerste lid van de wet.
Artikel 36. Dringend vereiste biocide
1. Het college neemt een aanvraag voor een besluit tot toelating
van een biocide als bedoeld in artikel 123, eerste lid, van de wet
niet in behandeling, dan nadat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid
en Milieu heeft vastgesteld dat de biocide bij een juist gebruik
dringend vereist is.
2. Het college besluit slechts tot toelating als bedoeld in artikel
123 van de wet indien de aanvrager aannemelijk maakt dat voor
hetzelfde jaar waarop de aanvraag inzake het besluit tot toelating als
bedoeld in artikel 123 van de wet betrekking heeft:
a. de nodige inspanningen zijn verricht om op een andere wijze
tot een toelating te komen,
b. de toelatinghouder niet bereid is op redelijke termijn een
aanvraag omtrent toelating in te dienen, en
c. het betrokken middel naar verwachting niet op een andere
wijze tijdig op de markt toegelaten kan worden.
3. Het college beoordeelt een aanvraag tot toelating van een
gewasbeschermingsmiddel of biocide als bedoeld in artikel 123, eerste
lid, van de wet volgenshoofdstuk 4 van dit besluit.
4. Het college besluit in afwijking van het vierde lid en in
afwijking van artikel 49, eerste lid, onderdeel b, onder 4, van de wet
tot toelating van een biocide indien er zich alle omstandigheden in
aanmerking genomen, waaronder risicobeperkende effecten van te stellen
voorschriften, naar het oordeel van het college, geen onaanvaardbare
effecten op het milieu voordoen. Onze Minister stelt bij ministeriėle
regeling vast welke omstandigheden in elk geval in aanmerking worden
genomen.
5. Onze minister kan bij ministeriėle regeling nadere regels
stellen voor de behandeling van een aanvraag tot toelating van een
biocide als bedoeld in artikel 123, eerste lid, van de wet.
6. Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op een verlenging, intrekking of wijziging van een besluit
tot toelating als bedoeld in artikel 123, eerste lid van de wet.
Artikel 37. Vierde fase werkprogramma en middelen voor de biologische
landbouw
1. Het college beoordeelt een aanvraag tot toelating van een
biocide als bedoeld in artikel 124, eerste lid, van de wet volgens
hoofdstuk 4van dit besluit.
2. Onze Minister kan bij ministeriėle regeling vaststellen welke
gegevens bij het college bekend moeten zijn om te kunnen komen tot het
oordeel dat een biocide, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, van
de wet, die een bij die ministeriėle regeling te bepalen werkzame
stof bevat, voldoet aan de toelatingsvoorwaarden, genoemd in artikel
49, eerste lid, onderdeel b, onder 4, van de wet.
3. Onze Minister kan bij ministeriėle regeling nadere regels
stellen voor de behandeling van een aanvraag tot toelating van een
biocide als bedoeld in artikel 124, eerste lid, van de wet.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op een verlenging, intrekking of wijziging van een besluit
tot toelating als bedoeld in artikel 124, eerste lid, van de wet.
Artikel 37a. Gegevensbescherming
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over de
duur van de gegevensbescherming bedoeld in artikel 47, vijfde lid, van
de wet.
Hoofdstuk 7. Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen
Artikel 38. Wijziging Arbeidsomstandighedenbesluit
[Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit.]
Artikel 39. Wijziging delegatiegrondslag Lozingenbesluit open teelt
en veehouderij
[Wijzigt het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij.]
Artikel 40. Wijziging delegatiegrondslag Besluit glastuinbouw
[Wijzigt het Besluit glastuinbouw.]
Artikel 41. Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
[Wijzigt het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.]
Artikel 42. Besluit beheer en schadebestrijding dieren
[Wijzigt het Besluit beheer en schadebestrijding dieren.]
Artikel 43. Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer
[Wijzigt het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer.]
Artikel 44. Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer
[Wijzigt het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer.]
Artikel 45. Besluit EOS: demo en transitie-experimenten
[Wijzigt het Besluit EOS: demo en transitie-experimenten.]
Artikel 46. Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
milieubeheer
[Wijzigt het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
milieubeheer.]
Artikel 47. Besluit implementatie EG-verbodsrichtlijn Wms 1998
[Wijzigt het Besluit implementatie EG-verbodsrichtlijn Wms 1998.]
Artikel 48. Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer
[Wijzigt het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer.]
Artikel 49. Besluit jachthavens
[Wijzigt het Besluit jachthavens.]
Artikel 50. Registratiebesluit externe veiligheid
[Wijzigt het Registratiebesluit externe veiligheid.]
Artikel 51. Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer
[Wijzigt het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer.]
Artikel 52. Besluit ozonlaagafbrekende stoffen Wms 2003
[Wijzigt het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen Wms 2003.]
Artikel 53. Besluit politieregisters
[Wijzigt het Besluit politieregisters.]
Artikel 54. Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer
[Wijzigt het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer.]
Artikel 55. Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen
[Wijzigt het Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen.]
Artikel 56. Registratiebesluit Wet milieugevaarlijke stoffen
[Wijzigt het Registratiebesluit Wet milieugevaarlijke stoffen.]
Artikel 57. Spaanplaatbesluit (Warenwet)
[Wijzigt het Spaanplaatbesluit (Warenwet).]
Artikel 58. Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet
verontreiniging oppervlaktewateren
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet
verontreiniging oppervlaktewateren.]
Artikel 59. Warenwetbesluit deponering informatie preparaten
[Wijzigt het Warenwetbesluit deponering informatie preparaten.]
Artikel 60. Warenwetbesluit Levensmiddelenadditieven
[Wijzigt het Warenwetbesluit Levensmiddelenadditieven.]
Artikel 61. Besluit inbeslaggenomen voorwerpen
[Wijzigt het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen.]
Artikel 62. Besluit kwaliteitseisen en monitoring water
[Wijzigt het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water.]
Artikel 63. Besluit milieu-effectrapportage 1994
[Wijzigt het Besluit milieu-effectrapportage 1994.]
Artikel 64. Besluit externe veiligheid inrichtingen
[Wijzigt het Besluit externe veiligheid inrichtingen.]
Artikel 65. Besluit landbouw milieubeheer
[Wijzigt het Besluit landbouw milieubeheer.]
Artikel 66. Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte
kasbeheerfunctie
[Wijzigt het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte
kasbeheerfunctie.]
Artikel 67. Besluit BIBOB
[Wijzigt het Besluit BIBOB.]
Artikel 68. Besluit milieuverslaglegging
[Wijzigt het Besluit milieuverslaglegging.]
Artikel 69. Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer
[Wijzigt het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer.]
Artikel 70. Besluit financiėle zekerheid milieubeheer
[Wijzigt het Besluit financiėle zekerheid milieubeheer.]
Artikel 71. Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen
[Wijzigt het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen.]
Artikel 72. Besluit vervoer gevaarlijke stoffen
[Wijzigt het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen.]
Artikel 73. Lozingenbesluit bodembescherming
[Wijzigt het Lozingenbesluit bodembescherming.]
Artikel 74. Besluit overdracht zorg voor beleid inzake biociden
Het koninklijk besluit van 14 december 2004, houdende de overdracht
van de zorg voor het beleid inzake biociden (Stb. 2004, 696) wordt
ingetrokken.
Artikel 75. Overgangsrecht bewijs van vakbekwaamheid
Bij ministeriėle regeling worden regels gesteld voor de
gelijkstelling van vergunningen verstrekt ingevolge het Besluit
vakkennis- en vakbekwaamheidseisen bestrijdingsmiddelen zoals dit
besluit bij inwerkingtreding van de wet bestond aan bewijzen van
vakbekwaamheid verstrekt op grond van de artikelen 71, derde lid, en 76,
derde lid, van de wet.
Artikel 76. Overgangsrecht Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties
[Wijzigt dit besluit]
Artikel 77. Inwerkingtreding
1. Indien het bij koninklijke boodschap van 1 maart 2006 ingediende
voorstel van wet regeling voor de toelating, het op de markt brengen
en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden) (Kamerstukken II 2005/06,
30474, nr. 2), nadat het tot wet is verheven, in werking treedt,
treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking met uitzondering
van:
a. artikel 29, eerste en tweede lid, dat vijf jaar na dat
tijdstip in werking treedt en
b. artikel 20, derde lid, dat in werking treedt op 1 september
2009.
2. In afwijking van het eerste lid kan artikel 29, eerste en tweede
lid, op een eerder bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in
werking treden indien een communautaire maatregel dit vereist.
Artikel 78. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gewasbeschermingsmiddelen
en biociden.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 5 september 2007
BEATRIX
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
G. Verburg
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
J.M. Cramer
Uitgegeven de vijfentwintigste september 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage 1, behorende bij artikel 8a,
eerste lid
|
Methoden voor de
beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen |
|
|
Humane toxicology |
|
|
1. |
EUROPOEM I. (1996). The development,
maintenance and dissemination of a European Predictive Operator
Exposure Model (EUROPOEM) database. Draft final report,
Commissie-document 7857/VI/97. |
|
2. |
EUROPOEM Re-entry: Post application
exposure to pesticides of workers in agriculture, Report of the
re-entry workgroup, EUROPOEM II project, 2002; FAR3, CT96-1406,
Draft Report. |
|
3. |
EUROPOEM Bystander: Bystander
working group report. EUROPOEM II project, 2002, Draft report. |
|
4. |
Van Hemmen, JJ. (1992) Assessment
of occupational exposure to pesticides in agriculture. Part I
General aspects. Part II Mixing and loading. Part III Application.
S-reeks S141 1/3, Ministerie SZW, Den Haag. |
|
5. |
Van Goldstein Brouwers, YGC,
Marquart, J, Van Hemmen, JJ. (1996) Assessment of occupational
exposure to pesticides in Agriculture. Part IV Protocol for the
use of generic exposure data. TNO Voeding, Rijswijk, Nederland,
TNO report V 96.120. |
|
6. |
Lundehn, J. R., Westphal, D.,
Kieczka, D., Krebs, B., Löcher-Bolz, S.,& Maasfeld, W.
(1992). Uniform principles for safeguarding the health of
applicators of plant protection products (Uniform principles for
operator protections); Mitteilungen aus der Biologischen
Bundesanstalt für Land- und Forstwirschaft Bundesrepubliek
Deutschland, Heft no. 277, Berlin, Germany. |
|
7. |
Snippe R.J., Drooge H.L. van,
Schipper H.J., Pater A.J. de, Hemmen J.J. van, (2002). Pesticide
exposure assessment for registration purposes. TNO-report V3642.
(2002) |
|
8. |
RIVM CONSEXPO 4.1 |
|
9. |
UK-POEM 07. www.pesticides.gov.uk |
|
10. |
L.C.H. Prudhomme de Lodder et al
(2006). Assessment of secondary exposure to lawn pesticides. RIVM
SIR report 09709A00. |
|
11. |
Duyzer, J., , van der Staay, M.,
Weststrate, H., Boertjes, B., Hollander, K. and Verhagen, H.,
2004. De blootstelling van omwonenden van kassen aan
gewasbeschermingsmiddelen via de lucht. TNO-rapport, R 2004/517:
72 pp. |
|
Residuen |
|
| |
|
|
Milieu |
|
|
12. |
Van der Linden, A.M.A et al (2004).
The new decision tree for the evaluation of pesticide leaching
from soils., RIVM report 601450019/2004. |
|
13. |
Adriaanse, P.I. et al, (1996). Fate
of pesticides in field ditches: the TOXSWA simulation model.
Alterra-rapport nr. 023. |
|
14. |
Adriaanse, P.I. et al (2008).
Development of an assessment methodology to evaluate agricultural
use of plant protection products for drinking water production
from surface waters a proposal for the registration procedure
in the Netherlands. Alterra-rapport nr. 1635, ISSN 1566-7197. |
|
15. |
Ctb (2005) Tijdelijke
beoordelingsmethodiek drinkwatercriterium |
Bijlage 2, behorend bij artikel 8b,
tweede lid
Beschermingsfactoren van persoonlijke
beschermingsmiddelen
| Persoonlijke
beschermingsmaatregel |
Toegekende
beschermingsfactor |
|
Halfgelaatsmasker en
volgelaatsmasker met filtertype 2 |
10 |
|
Aangedreven volgelaatsmasker met
filtertype 2 |
20 |
|
Aangedreven volgelaatsmasker met
filtertype 3 |
40 |
|
Lichaamsbedekking toepasser
materiaaltype CEN 3 of 4 (niet voor handen, hoofd en nek) |
10 |
|
Lichaamsbedekking werkenden in /
aan gewas / behandelde ruimte (niet voor handen, hoofd en nek) |
5 |
|
Handschoenen, niet-vaste middelen |
10 |
|
Handschoenen, vaste middelen |
20 |
|
Laarzen (chemisch resistent) |
10 |
|
Gesloten spuitcabines |
10 |
|