|
BESLUIT van 16 juli 2001, houdende vaststelling van het Besluit
stralingsbescherming
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 20 december
2000, Directie Arbeidsomstandigheden, nr. Arbo/Amil/00/84346, gedaan
mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in
overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken;
Gelet op de artikelen, 28, 29, eerste lid, 30,
31, 32, eerste en vierde lid, 34, 35, 37, eerste lid, 37a, 38a,
67, 69, vierde en vijfde lid, 69a, 69b, 73 en 76 van de
Kernenergiewet, artikel 16 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, artikel
37, tweede lid, van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg alsmede op Richtlijn nr. 96/29/Euratom van de Raad van
de Europese Unie van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen
voor de bescherming van de gezondheid van de bevolking en der werkers
tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren (PbEG L 159)
en Richtlijn nr. 97/43/Euratom van de Raad van de Europese Unie van 30
juni 1997 betreffende de bescherming van personen tegen de gevaren van
ioniserende straling in verband met medische blootstelling en tot
intrekking van richtlijn 84/466/Euratom (PbEG L 180);
De Raad van State gehoord (advies van 27 maart
2001, nr. W12.01.0024/IV);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst,
van 2 juli 2001, Directie Arbeidsomstandigheden, nr. Arbo/Amil/01/41134,
gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Definities en toepassingsgebied
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
aanwijsinstrument: instrument voor tijd- of plaatsbepaling, dan wel
voor het meten, bepalen of aangeven van andere grootheden, bestemd
voor gebruik op of in de directe omgeving van personen;
activiteit: activiteit als bedoeld in bijlage 2;
activiteitsconcentratie: activiteitsconcentratie als bedoeld in
bijlage 2;
afgedankte hoogactieve bron: hoogactieve bron die niet langer wordt
gebruikt, noch bestemd is om te worden gebruikt voor de handeling
waarvoor een vergunning is verleend;
arbodienst: een dienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;
A-werknemer: de blootgestelde werknemer, bedoeld in artikel 79,
tweede lid;
besmetting: de aanwezigheid van radioactieve stoffen in een
materiaal, in of op een oppervlak, in een omgeving, of uitwendig op of
inwendig in een persoon;
blootgestelde werknemer: werknemer die gedurende zijn werktijd ten
gevolge van handelingen een blootstelling ondergaat die kan leiden tot
een dosis die hoger is dan een der in artikel 76 genoemde
dosislimieten;
blootstelling: het blootgesteld zijn aan ioniserende straling;
bron: toestel dan wel radioactieve stof;
broncontainer: insluiting van een bron die geen geïntegreerd
onderdeel van die bron is, maar uitsluitend is bedoeld voor tijdelijke
behuizing van die bron voor transport, verlading en dergelijke;
bronhouder: behuizing van een ingekapselde bron, die ter plaatse
van het uittredevenster van de bronhouder is voorzien van een
voorziening, waarmee de uittredende stralenbundel kan worden
onderbroken en waaruit de bron niet zonder hulpgereedschap kan worden
verwijderd;
B-werknemer: andere blootgestelde werknemer dan een A-werknemer;
bijlage: bij dit besluit behorende bijlage;
deskundige: een persoon, die met het oog op de betrokken taak als
deskundige is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 7,
tweede lid;
dosisbeperking: dosiswaarde die bij de planning van handelingen
wordt vastgesteld als plafondwaarde voor het optimaliseringsproces van
de bescherming tegen ioniserende straling bij een handeling, taak of
beroep of een categorie daarvan;
effectieve dosis: effectieve dosis als bedoeld in bijlage 2;
effectieve volgdosis: effectieve volgdosis als bedoeld in bijlage
2;
equivalente dosis: equivalente dosis als bedoeld in bijlage 2;
externe werknemer: A-werknemer die onder verantwoordelijkheid van
een ondernemer die in een andere lidstaat van de Europese Unie is
gevestigd, werkzaam is op Nederlands grondgebied in een zone als
bedoeld in artikel 83, eerste lid, onder a, onderdeel 1°;
gezondheidsschade: de geschatte kans op een kortere levensduur en
verminderde kwaliteit van leven voor een persoon door de negatieve
effecten van lichamelijke afwijkingen, kanker, en ernstige genetische
effecten als gevolg van blootstelling aan ioniserende straling;
handeling: het bereiden, voorhanden hebben, toepassen of zich
ontdoen van een kunstmatige bron of van een natuurlijke bron, voor
zover deze natuurlijke bron is of wordt bewerkt met het oog op zijn
radioactieve eigenschappen dan wel het gebruiken of voorhanden hebben
van een toestel, uitgezonderd bij een interventie, een ongeval of een
radiologische noodsituatie;
hoogactieve bron: ingekapselde bron die een radionuclide bevat
waarvan de activiteit op het tijdstip waarop de bron is gefabriceerd,
of indien dit niet bekend is, voor het eerst op de markt wordt
gebracht, gelijk is aan of hoger is dan het desbetreffende
activiteitsniveau in bijlage 5, zolang de activiteit van dat
radionuclide niet lager is dan het activiteitsniveau dat voor dat
nuclide is opgenomen in bijlage 1, tabel 1;
ingekapselde bron: radioactieve stoffen die zijn ingebed in of
gehecht aan vast dragermateriaal of zijn omgeven door een omhulling
van materiaal met dien verstande dat hetzij het dragermateriaal hetzij
de omhulling voldoende weerstand biedt om onder normale
gebruiksomstandigheden elke verspreiding van radioactieve stoffen te
voorkomen;
inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aangewezen ambtenaar;
kunstmatige bron: bron, niet zijnde een natuurlijke bron en niet
zijnde een toestel;
leverancier: natuurlijke of rechtspersoon die een hoogactieve bron
levert of ter beschikking stelt;
lid van de bevolking: een persoon uit de bevolking binnen of buiten
een locatie, niet zijnde een werknemer gedurende zijn werktijd of een
persoon die een radiologische verrichting ondergaat;
locatie: inrichting als aangewezen krachtens artikel 1.1, derde
lid, van de Wet milieubeheer of plaats, waar een handeling of
werkzaamheid wordt verricht;
lozing: lozing in de bodem, in de lucht, in het openbare riool of
in het oppervlaktewater;
lozing in de bodem: het definitief in de bodem brengen of doen
brengen teneinde deze aldaar te laten, van vloeibare of in water
opgeloste radioactieve stoffen dan wel van in een waterstroom
meegevoerde deeltjes van radioactieve stoffen, of het op de bodem
brengen van deze stoffen indien daarbij de vloeistof voor een deel in
de bodem treedt, met uitzondering van meststoffen in de zin van de
Meststoffenwet;
lozing in het openbare riool: het in het openbare riool ontsnappen
of laten ontsnappen van vloeibare of in water opgeloste radioactieve
stoffen dan wel van in een waterstroom meegevoerde deeltjes van
radioactieve stoffen;
lozing in de lucht: het in de lucht ontsnappen van of laten
ontsnappen van gasvormige radioactieve stoffen dan wel van in een
luchtstroom meegevoerde deeltjes van radioactieve stoffen;
lozing in het oppervlaktewater: het in het oppervlaktewater
ontsnappen of laten ontsnappen van vloeibare of in water opgeloste
radioactieve stoffen dan wel van in een waterstroom meegevoerde
deeltjes van radioactieve stoffen;
mijnbouw: handelingen of werkzaamheden in het kader van het
verrichten van verkenningsonderzoek, het opsporen of het winnen van
delfstoffen of aardwarmte, dan wel het opslaan van stoffen;
natuurlijke bron: kosmische straling of bron van natuurlijke
oorsprong, niet zijnde een toestel;
omgevingsdosisequivalent: omgevingsdosisequivalent als bedoeld in
bijlage 2;
omgevingsdosisequivalenttempo: omgevingsdosisequivalenttempo als
bedoeld in bijlage 2;
ondernemer: degene onder wiens verantwoordelijkheid een handeling
of werkzaamheid wordt verricht;
Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie;
Onze Ministers: Onze Ministers van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie, en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
open bron: bron, niet zijnde een ingekapselde bron en niet zijnde
een toestel;
oppervlaktebesmetting: oppervlaktebesmetting als bedoeld in bijlage
2;
potentiële blootstelling: blootstelling die niet met zekerheid zal
optreden maar waarvan de waarschijnlijkheid van optreden en de grootte
van de daarbij eventueel optredende blootstelling van tevoren kunnen
worden geschat;
radioactieve afvalstof: radioactieve stof die krachtens artikel 38
als zodanig is aangemerkt en die niet wordt geloosd;
radiologische verrichting: medische handeling met gebruikmaking van
ioniserende straling als bedoeld in artikel 53, eerste lid;
radiotoxiciteitsequivalent: de activiteit die bij inname leidt tot
een effectieve volgdosis van 1 sievert voor een volwassen
referentiepersoon;
bedrijfstakdirecteur: bevoegde bedrijfstakdirecteur van de
Arbeidsinspectie;
schade: nadelige gevolgen van ioniserende straling voor mensen,
dieren, planten en goederen;
stralingsarts: een persoon, die als stralingsarts is ingeschreven
in het register, bedoeld in artikel 7, eerste lid;
werknemer: persoon die, hetzij in dienst of onder gezag van een
ondernemer, hetzij als zelfstandige, arbeid verricht;
werkzaamheid: het bereiden, voorhanden hebben, toepassen van of
zich ontdoen van een natuurlijke bron voor zover die niet wordt of is
bewerkt wegens zijn radioactieve eigenschappen, uitgezonderd bij een
interventie, een ongeval of een radiologische noodsituatie;
wet: Kernenergiewet.
2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder
«voorhanden hebben» mede verstaan: het vervaardigen,
bewerken,hanteren en opslaan, met uitzondering van opslag in verband
met vervoer.
3. Met betrekking tot dit besluit en de daarop berustende
bepalingen worden bij de bepaling van wat «redelijkerwijs mogelijk»
is de economische en sociale factoren in aanmerking genomen. Daarnaast
wordt ingeval van blootstelling in aanmerking genomen de mate waarin
een blootstelling en de kans van optreden van die blootstelling kunnen
worden beperkt.
Artikel 2
Dit besluit is niet van toepassing op:
a. lozing of het zich ontdoen van radioactieve stoffen waarvoor
de in de artikelen 35, 37 en 108 gestelde verboden niet gelden;
b. het vervoeren van radioactieve stoffen en het binnen of buiten
Nederlands grondgebied brengen of doen brengen daarvan;
c. het vervoeren van toestellen, die tijdens vervoer niet
gebruikt worden;
d. handelingen met een toestel met een maximale hoogspanning van
5 kV;
e. blootstelling aan radon en dochternucliden, afkomstig uit de
onverstoorde aardkorst of uit bouwmaterialen gebruikt in gebouwen;
f. bovengrondse blootstelling aan radionucliden die zich bevinden
in de onverstoorde aardkorst of in bouwmaterialen gebruikt in
gebouwen;
g. straling ten gevolge van radionucliden die van nature in het
menselijk lichaam aanwezig zijn;
h. kosmische straling ter hoogte van het aardoppervlak;
i. kosmische straling in een vliegtuig voor leden van de
bevolking en voor werknemers, die niet behoren tot de
vliegtuigbemanning;
j. blootstelling aan radon en dochternucliden die vrijkomen bij
het verbranden of afblazen van aardgas.
Artikel 3
1. De bepaling van de omgevingsdosisequivalenten, de equivalente en
de effectieve doses geschiedt op de wijze, vermeld in de bijlagen 2, 3
en 4.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld voor
methoden van bepaling van de doses, bedoeld in het eerste lid, die
gelijkwaardig zijn aan die bedoeld in het eerste lid en in plaats
daarvan kunnen worden toegepast.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen:
a. regels worden gesteld voor de bepaling van de in het eerste
lid bedoelde doses;
b. methoden worden aangewezen voor de wijze waarop deze doses
worden getoetst aan de in dit besluit genoemde doses.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld voor
de meetmethoden van activiteit, activiteitsconcentratie of
oppervlaktebesmetting.
5. Ten behoeve van de bepaling van doses worden alle effectieve of
equivalente doses gesommeerd die een persoon ontvangt ten gevolge van
handelingen en werkzaamheden, voor zover geregeld bij of krachtens dit
besluit, met uitzondering van een radiologische verrichting, bij of
krachtens het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen en bij
of krachtens het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve
stoffen.
6. Ten behoeve van de toetsing aan de in bijlage 1, tabel 1 en
tabel 2, vermelde waarden worden alle activiteiten die zich op enig
moment binnen een locatie bevinden gewogen en gesommeerd voor zover
geregeld bij of krachtens dit besluit, bij of krachtens het Besluit
kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen en bij of krachtens het
Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen.
7. In afwijking van het zesde lid worden de activiteiten of
activiteitsconcentraties in natuurlijke bronnen niet gesommeerd met de
activiteiten of activiteitsconcentraties in kunstmatige bronnen.
Hoofdstuk 2. Rechtvaardiging en optimalisatie
Artikel 4
1. Een handeling is slechts toegestaan indien zij door Onze
Minister is gerechtvaardigd, dan wel behoort tot een categorie van
handelingen die door Onze Minister is gerechtvaardigd. Onze Minister
rechtvaardigt een handeling of een categorie van handelingen slechts
indien de economische, sociale en andere voordelen van de betrokken
handeling of categorie van handelingen opwegen tegen de
gezondheidsschade die hierdoor kan worden toegebracht.
2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met
betrekking tot de bekendmaking van:
a. welke handelingen of categorieën daarvan overeenkomstig het
eerste lid zijn gerechtvaardigd, en
b. welke handelingen of categorieën daarvan overeenkomstig het
eerste lid niet zijn gerechtvaardigd.
3. Indien nieuwe, belangrijke gegevens over de doeltreffendheid of
de gevolgen van de daarin opgenomen handelingen daartoe aanleiding
geven kan de rechtvaardiging van de handeling worden herzien. Een
wijziging als bedoeld in de vorige volzin wordt zo spoedig als
redelijkerwijs mogelijk is van kracht.
4. Indien een vergunning wordt aangevraagd of een melding wordt
gedaan voor een handeling die als gerechtvaardigd is bekendgemaakt,
wordt in de melding of de vergunningaanvraag verwezen naar die
bekendmaking.
5. Indien een vergunning wordt aangevraagd of een melding wordt
gedaan voor een handeling die niet of als niet-gerechtvaardigd is
bekendgemaakt, omvat de vergunningsaanvraag, onderscheidenlijk de
melding tevens een verzoek om rechtvaardiging van die handeling. De
vergunningsaanvraag of de melding bevat dan tevens de gegevens met
betrekking tot de economische, sociale en andere voordelen van de
betrokken handeling en met betrekking tot de gezondheidsschade die
erdoor kan worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de
beoordeling van de gerechtvaardigdheid van de handeling.
6. Dit artikel is niet van toepassing op de rechtvaardiging,
bedoeld in de artikelen 55, 56 en 57.
7. Naast de handelingen of categorieën van handelingen die door
Onze Minister volgens het eerste lid zijn gerechtvaardigd, kan Onze
Minister van Defensie, met het oog op het belang dat de krijgsmacht
dient, een andere handeling of categorie van handelingen
rechtvaardigen. Deze handeling of categorie van handelingen wordt door
Onze Minister van Defensie bekendgemaakt op een bij regeling van deze
Minister bepaalde wijze.
8. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van
de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing op het verzoek om rechtvaardiging als bedoeld in
het eerste en zevende lid.
Artikel 5
1. De ondernemer zorgt ervoor dat de effectieve of equivalente
doses van individuele personen, in samenhang met het aantal
blootgestelde personen, ten gevolge van een handeling zo laag zijn als
redelijkerwijs mogelijk is.
2. De ondernemer zorgt ervoor dat met betrekking tot potentiële
blootstellingen zowel de dosis bij een blootstelling als de kans op
een blootstelling zo laag als redelijkerwijs mogelijk is.
Artikel 6
1. Onverminderd artikel 48, zorgt de ondernemer ervoor dat plaatsen
binnen een locatie waar handelingen worden verricht, zodanig zijn
ingericht dat voor personen die zich daarbuiten bevinden, ten gevolge
van de handelingen tezamen een dosisbeperking van 1 mSv effectieve
dosis in een kalenderjaar wordt gehanteerd.
2. Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is met bouwkundige
voorzieningen te voldoen aan de verplichting, bedoeld in het eerste
lid, wordt deze verkregen door middel van organisatorische
maatregelen.
3. De ondernemer zorgt ervoor dat bij het verrichten van
handelingen die overeenkomstig artikel 21 worden gemeld, voor personen
op enig punt buiten de locatie ten gevolge van die handelingen tezamen
een dosisbeperking van 10 µSv effectieve dosis in een kalenderjaar
wordt gehanteerd.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen andere dosisbeperkingen
worden vastgesteld voor daarbij aangegeven categorieën van
handelingen, taken of functies.
Hoofdstuk 3. Algemene voorschriften
§ 3.1. bevoegdheden deskundige
Artikel 7
1. De ingevolge dit besluit door een stralingsarts te verrichten
taken worden slechts uitgevoerd door een persoon die als stralingsarts
is ingeschreven in het door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aan te wijzen register en zijn taken uitvoert in
overeenstemming met een persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid,
van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de taken, bedoeld in
artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet of de
arbodienst.
2. De ingevolge dit besluit door een deskundige te verrichten taken
worden slechts uitgevoerd door een persoon die als deskundige voor de
uitvoering van de betrokken taak is ingeschreven in een door Onze
Ministers aan te wijzen register.
3. Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid worden eisen vastgesteld met betrekking tot de kennis
en bekwaamheden, waaraan moet worden voldaan om als stralingsarts in
het register, bedoeld in het eerste lid, te worden ingeschreven.
4. Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid worden eisen vastgesteld met betrekking tot
vaardigheden en bekwaamheden, waaraan moet worden voldaan om als
deskundige in een register als bedoeld in het tweede lid, te worden
ingeschreven. De eisen kunnen verschillend worden vastgesteld voor de
verschillende taken.
5. Een inschrijving in een register als bedoeld in het eerste en
tweede lid, kan worden geweigerd of ingetrokken, indien niet of niet
volledig voldaan is aan de bij of krachtens de wet of dit besluit
gestelde eisen.
6. Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid worden regels gesteld voor:
a. de aanwijzing en het beheer van het register, bedoeld in het
eerste lid;
b. de wijze van inschrijving;
c. de gegevens en bescheiden die bij een aanvraag tot
inschrijving worden verstrekt;
d. de vergoeding die ten hoogste voor de inschrijving is
verschuldigd;
e. de gronden waarop en de gevallen waarin de inschrijving kan
worden geweigerd of doorgehaald.
7. Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld voor:
a. de aanwijzing en het beheer van het register, bedoeld in het
tweede lid;
b. de wijze van inschrijving;
c. de gegevens en bescheiden die bij een aanvraag tot
inschrijving worden verstrekt;
d. de vergoeding die ten hoogste voor de inschrijving is
verschuldigd;
e. de gronden waarop en de gevallen waarin de inschrijving kan
worden geweigerd of doorgehaald.
8. Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld
voor:
a. de aanwijzing van een instelling als bedoeld in artikel 69a
van de wet;
b. de gronden waarop die instelling kan worden aangewezen of de
aanwijzing kan worden gewijzigd of ingetrokken;
c. de gegevens en het verslag, bedoeld in artikel 69b van de
wet, die de instelling aan Onze Ministers verstrekt en de wijze
waarop die informatie wordt verstrekt.
9. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van
de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing op de aanvraag tot inschrijving als bedoeld in het
eerste en tweede lid.
Artikel 7a. Buitenlandse getuigschriften en kwalificaties van
vakbekwaamheid
1. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of, indien
sprake is van een krachtens artikel 69a, eerste lid, van de
Kernenergiewet aangewezen instelling, de aangewezen instelling,
schrijft op aanvraag een persoon, die onderdaan is van een betrokken
staat, bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties, in het register, genoemd in artikel 7, eerste
respectievelijk tweede lid, indien op grond van artikel 6 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties is aangetoond dat deze
persoon over gelijkwaardige kwalificaties beschikt als de
stralingsarts respectievelijk deskundige, bedoeld in artikel 1.
Artikel 7, negende lid, is van overeenkomstige toepassing op de
aanvraag tot inschrijving als bedoeld in de eerste volzin.
2. De krachtens het eerste lid ingeschreven persoon beheerst de
Nederlandse taal op een zodanig niveau dat voorschriften en
aanwijzingen op bij of krachtens de Kernenergiewet vereiste etiketten
van bronnen, instrumenten, technieken, beveiligingsmiddelen of
materialen, alsmede andere voor de toepassing van en de omgang met
bronnen, instrumenten, technieken, beveiligingsmiddelen of materialen
bij of krachtens de Kernenergiewet gestelde regels, begrepen en
uitgevoerd kunnen worden.
Artikel 8
1. Een dosimetrische dienst heeft tot taak het verstrekken van
persoonlijke controlemiddelen aan de ondernemer ten behoeve van A- of
B-werknemers en het, door het uitlezen van deze controlemiddelen,
bepalen in welke mate de A- of B-werknemers aan ioniserende straling
blootgesteld zijn geweest. Deze taak wordt slechts verricht door een
dienst die als zodanig is erkend door Onze Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste
zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een erkenning als
bedoeld in de tweede volzin.
2. Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid worden eisen vastgesteld met betrekking tot de
kwaliteit van de dienstverlening, de werkwijze en de deskundigheid van
de dienst, waaraan moet worden voldaan om krachtens het eerste lid te
kunnen worden erkend.
Artikel 9
1. De ondernemer zorgt ervoor dat een handeling wordt uitgevoerd
door of onder toezicht van een deskundige.
2. Bij regeling van Onze Ministers kan voor bepaalde handelingen
een bepaald niveau van deskundigheid worden geëist.
3. De bepalingen in dit besluit met betrekking tot de deskundigheid
gelden niet voor handelingen die volgens dit besluit niet
meldingsplichtig of vergunningplichtig zijn.
4. De ondernemer legt de toedeling van bevoegdheden en
verantwoordelijkheden met betrekking tot de bescherming tegen
ioniserende straling schriftelijk vast.
Artikel 10
1.De ondernemer zorgt ervoor dat door of onder toezicht van een
deskundige, met het oog op de bescherming tegen ioniserende straling,
ten minste:
a. de plannen voor handelingen voorafgaand aan de uitvoering
ervan kritisch worden bestudeerd, de risico's ervan
geïnventariseerd en geëvalueerd en toestemming verleend, voordat
met de handeling wordt aangevangen;
b. wordt geadviseerd over de beveiligingsmiddelen en technieken
ter waarborging van een doelmatige bescherming van personen;
c. regelmatig, maar ten minste eenmaal per jaar de
doeltreffendheid en het juiste gebruik van de beveiligingsmiddelen
en technieken worden geverifieerd;
d. regelmatig, maar ten minste eenmaal per jaar de goede
werking en het juiste gebruik van bronnen en instrumenten voor
meting van ioniserende straling worden gecontroleerd;
e. deze instrumenten regelmatig worden gekalibreerd.
2.De ondernemer zorgt ervoor dat een nieuwe of gewijzigde bron niet
in gebruik wordt genomen dan na een acceptatietest door de deskundige,
gevolgd door diens toestemming om de bron in gebruik te nemen.
3.Voor zover het de bescherming van de blootgestelde werknemer
betreft worden de bevindingen van de deskundige vastgelegd in het
kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5
van de Arbeidsomstandighedenwet.
Artikel 11
1. De ondernemer stelt, na overleg met de deskundige, maatregelen
vast om schade tegen te gaan en zorgt ervoor dat deze worden
uitgevoerd.
2. De ondernemer zorgt ervoor ten aanzien van bronnen,
beveiligingsmiddelen en meetinstrumenten dat:
a. daaraan het noodzakelijke onderhoud wordt verricht;
b. de noodzakelijke maatregelen worden genomen om inadequate of
defecte onderdelen daarvan te verbeteren of te vervangen, en
c. indien nodig, tot buitengebruikstelling van bronnen wordt
overgegaan.
3. De ondernemer zorgt ervoor dat de integriteit van hoogactieve
bronnen door of onder toezicht van een deskundige wordt gecontroleerd:
a. ten minste een maal per jaar en
b. na elke gebeurtenis waarbij de bron of bronhouder beschadigd
kan zijn.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de controle van de integriteit van hoogactieve bronnen.
5. De ondernemer zorgt er ten aanzien van een hoogactieve bron en
haar toebehoren voor dat, door of onder toezicht van een deskundige:
a. wordt gecontroleerd of de bron aanwezig is op de plaats waar
deze wordt toegepast of is opgeslagen:
1°. elke twee maanden, indien de bron minder dan een keer
per twee maanden wordt toegepast;
2°. een maal per jaar, indien de bron een keer of meer dan
een keer per twee maanden wordt toegepast;
b. een maal per jaar wordt gecontroleerd of de bron en de
bronhouder nog in goede staat zijn.
6. Een ondernemer zendt een afgedankte hoogactieve bron, tenzij dit
anders met Onze Minister is overeengekomen, onmiddellijk naar:
a. de leverancier van de bron die bevoegd is de bron te
ontvangen,
b. een krachtens artikel 37, achtste lid, daartoe aangewezen
instelling voor de ontvangst van radioactieve afvalstoffen, of
c. een andere ondernemer die bevoegd is de bron te ontvangen.
7. De ondernemer stelt financiële middelen en faciliteiten voor
een passende bescherming tegen ioniserende straling ter beschikking
aan de personen of de stralingsbeschermingseenheid, bedoeld in artikel
12, die met de uitvoering van die bescherming zijn belast.
Artikel 12
1. Bij regeling van Onze Minister worden ondernemers, soorten
ondernemingen of locaties aangewezen, waarin een
stralingsbeschermingseenheid, waarin tevens de deskundige werkzaam is,
aanwezig is en worden regels gesteld voor de taken, bevoegdheden en
werkwijze van een stralingsbeschermingseenheid.
2. Indien een stralingsbeschermingseenheid op grond van het eerste
lid is voorgeschreven, zorgt de ondernemer ervoor dat de
stralingsbeschermingseenheid operationeel is en in ieder geval:
a. daarin voldoende deskundige personen werkzaam zijn;
b. functioneel en organisatorisch gescheiden is van productie-
en technische eenheden;
c. aan hem adviezen verstrekt met betrekking tot de bescherming
tegen ioniserende straling;
d. toestemming geeft voor een handeling.
3. Onze Minister kan toestaan dat een stralingsbeschermingseenheid
als bedoeld in het eerste lid, voor verscheidene ondernemers taken
verricht. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede,
van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een beschikking
als bedoeld in de eerste volzin.
Artikel 13
1. De ondernemer zorgt ervoor dat een handeling waarbij het
voorzienbaar is dat personen onbedoeld aan overmatige uitwendige
bestraling of overmatige inwendige besmetting kunnen worden
blootgesteld, slechts wordt verricht nadat een deskundige is
geraadpleegd.
2. Indien naar het oordeel van een deskundige de blootstelling,
bedoeld in het eerste lid, zich voordoet of dreigt voor te doen, zorgt
de ondernemer ervoor dat onmiddellijk:
a. de handeling wordt gestaakt;
b. de gevaarlijke plaatsen worden ontruimd;
c. worden verwittigd:
1°. de betrokken stralingsarts, indien overmatige
uitwendige bestraling of overmatige inwendige besmetting van
een werknemer heeft plaatsgevonden;
2°. indien het een radiologische verrichting betreft, de
ter plaatse bevoegde Inspecteur voor de Gezondheidszorg;
3°. indien het arbeidsaspecten betreft, de
bedrijfstakdirecteur;
4°. indien het milieuaspecten betreft, de inspecteur;
5°. indien het mijnbouw betreft, de Inspecteur-Generaal
der Mijnen.
3. De ondernemer beëindigt een maatregel als bedoeld in het tweede
lid, onder a of b, niet dan in overeenstemming met de deskundige of
met toestemming van de in het tweede lid, onder c, bedoelde personen.
Artikel 14
1.De ondernemer zorgt ervoor dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk
wordt voorkomen dat radioactieve stoffen of toestellen zoekraken,
worden ontvreemd of ongewild worden verspreid.
2.De ondernemer stelt schriftelijke instructies vast ter voorkoming
van:
a. ongeoorloofde toegang tot een hoogactieve bron,
b. verlies of diefstal van een hoogactieve bron, of
c. beschadiging door brand van een hoogactieve bron.
3.De ondernemer doet onmiddellijk mededeling aan in ieder geval de
inspecteur en de bedrijfstakdirecteur en, indien het mijnbouw betreft,
tevens aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen, van:
a. het zoekraken, de ontvreemding of de ongewilde verspreiding
van een bron;
b. een ongeoorloofde handeling met een hoogactieve bron;
c. de getroffen maatregelen na:
1°. het zoekraken, de ontvreemding of een ongeoorloofde
handeling met een hoogactieve bron, of
2°. elke gebeurtenis waarbij een hoogactieve bron kan zijn
beschadigd;
d. elk incident of ongeval met een hoogactieve bron dat leidt
tot onopzettelijke blootstelling van een werknemer of een lid van
de bevolking.
4.De ondernemer zorgt ervoor dat radioactieve stoffen of toestellen
zoveel als redelijkerwijs mogelijk zijn beveiligd tegen brand.
§ 3.2. Voorlichting en instructie
Artikel 15
1.De ondernemer zorgt ervoor dat degene die een handeling verricht,
en degene die daaraan leiding geeft of daarop toezicht houdt, met
betrekking tot de werkplek:
a. voldoende is onderricht met betrekking tot de risico's die
verbonden zijn aan ioniserende straling;
b. is geïnformeerd over de algemeen gangbare methoden ter
bescherming tegen ioniserende straling en de te nemen
voorzorgsmaatregelen zowel voor de handeling in het algemeen, als
voor de taak die hem wordt toegewezen en voor elke werkplek waar
de handeling wordt verricht;
c. is geïnformeerd over het belang zich aan de technische,
gezondheids- en administratieve voorschriften te houden.
2.Indien de in het eerste lid bedoelde handeling betrekking heeft
op een hoogactieve bron, wordt tevens onderricht gegeven over:
a. de voorschriften voor het veilig beheer van hoogactieve
bronnen;
b. de noodzakelijke veiligheidsvoorschriften;
c. de mogelijke gevolgen van het wegvallen van een passende
controle op hoogactieve bronnen.
3.De in het tweede lid genoemde onderwerpen worden beschreven. Deze
documentatie wordt ter beschikking gesteld aan degene die een
handeling met een hoogactieve bron verricht en aan degene die daaraan
leiding geeft of daarop toezicht houdt.
4.Het onderricht over de in het tweede lid genoemde onderwerpen
wordt ten minste elke twee jaar herhaald.
5.De ondernemer stelt met betrekking tot de in het eerste lid
genoemde onderwerpen schriftelijke instructies vast en verstrekt deze
instructies aan personen als bedoeld in het eerste lid en aan anderen
die kunnen worden blootgesteld door de handelingen.
Artikel 16
De ondernemer zorgt ervoor dat vrouwen die ten gevolge van een
handeling kunnen worden blootgesteld aan ioniserende straling voor
aanvang van het verrichten van handelingen zijn geïnformeerd over:
a. de noodzaak om een zwangerschap in een vroeg stadium te
melden;
b. de risico's van blootstelling aan ioniserende straling voor
het ongeboren kind door uitwendige bestraling of besmetting;
c. de risico's die een kind dat borstvoeding krijgt, loopt bij
besmetting van de moeder.
Artikel 17
De ondernemer zorgt ervoor dat de werknemers meewerken aan het voor
hen georganiseerde onderricht en de instructies naleven die hen
ingevolge dit besluit worden verstrekt.
§ 3.3. Voorschriften voor toestellen en radioactieve stoffen
Artikel 18
1. De ondernemer zorgt ervoor dat met betrekking tot toestellen:
a. een zodanige afscherming is aangebracht dat de straling die
naar buiten treedt, uitgezonderd op de plaats van de opening
bestemd voor het naar buiten treden van de nuttige stralenbundel,
zo weinig als redelijkerwijs mogelijk schade kan toebrengen. Deze
afschermingseisen gelden niet:
1°. voor het testen van een toestel;
2°. voor röntgenbuizen tot een maximale hoogspanning van
meer dan 300 kV, indien deze worden gebruikt in een speciaal
daarvoor ingerichte plaats, of
3°. tijdens reparatie, onderhoud of onderzoek met
röntgenbuizen opgesteld in laboratoria of beproevingsruimten,
mits maatregelen zijn genomen waardoor schade ten gevolge van
uitwendige bestraling zoveel als redelijkerwijs mogelijk wordt
voorkomen;
b. een tubus of een ander middel dat de grootte van de nuttige
stralenbundel bepaalt, dezelfde mate van bescherming tegen
straling waarborgt als het omhulsel van een toestel;
c. een toestel en de bijbehorende hulp- en beveiligingsmiddelen
zodanig zijn opgesteld en afgeschermd dat personen zich niet aan
de primaire stralenbundel behoeven bloot te stellen, tenzij bij
het ondergaan van een radiologische verrichting;
d. tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd,
maatregelen worden getroffen ten aanzien van de opstelling en
werkwijze van een toestel om te voorkomen dat door verstrooide
straling schade wordt toegebracht;
e. een toestel niet door onbevoegden in werking kan worden
gesteld;
f. regelmatig van ieder toestel de goede werking met het oog op
de bescherming tegen ioniserende straling wordt gecontroleerd;
2. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het
bepaalde in dit artikel.
Artikel 19
1. Onverminderd artikel 18 zorgt de ondernemer er ter bescherming
van werknemers en van leden van de bevolking voor dat toestellen voor
diagnostisch of therapeutisch gebruik voor radiologische verrichtingen
of in de veterinaire praktijk voldoen aan de eis dat bij gesloten
opening het omgevingsdosisequivalenttempo van de door het omhulsel
naar buiten tredende straling, gemeten bij een maximale hoogspanning
en de daarbij behorende continu toelaatbare stroom op een meter
afstand van het focus, niet meer bedraagt dan 1 mSv per uur bij
toestellen voor diagnostisch gebruik of 10 mSv per uur bij toestellen
voor therapeutisch gebruik.
2. De ondernemer zorgt ervoor dat personen tijdens een
radiologische verrichting of bij een veterinaire diagnostische of
therapeutische verrichting met ioniserende straling, uitgezonderd
degene die de verrichting ondergaat, zich achter een afscherming van
voldoende stralenverzwakkend vermogen of buiten de ruimte waar het
onderzoek plaatsvindt bevinden of dat aan hen doelmatige persoonlijke
beschermingsmiddelen ter beschikking worden gesteld.
Artikel 20
1. De ondernemer zorgt ervoor dat, in situaties waar ten gevolge
van handelingen of werkzaamheden de in artikel 49 of 76 genoemde doses
kunnen worden overschreden, op daarvoor geschikte plaatsen doelmatige
en duidelijke waarschuwingsborden of -tekens en opschriften worden
aangebracht.
2. De ondernemer zorgt ervoor dat ruimten en plaatsen waar
handelingen met open bronnen worden verricht, de inrichting daarvan of
daarin gebruikte voorwerpen regelmatig volgens door hem schriftelijk
vastgestelde procedures worden gecontroleerd op besmetting.
3. De ondernemer zorgt ervoor dat wanneer open en ingekapselde
bronnen niet worden gebruikt, deze, indien dit redelijkerwijs mogelijk
is, worden opgeborgen in een daartoe geschikte bergplaats.
4. Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het
model, de opschriften en de minimale grootte van de
waarschuwingsborden of -tekens, bedoeld in het eerste lid, en waar en
op welke wijze deze moeten worden aangebracht.
Artikel 20a
1. De fabrikant graveert in of stempelt op elke door hem
gefabriceerde hoogactieve bron een code die als volgt is samengesteld:
a. de aanduiding: NL,
b. gevolgd door een aan de fabrikant door Onze Minister
toegekende vaste code,
c. gevolgd door een door de fabrikant te bepalen voor de bron
onderscheidende code in Romeinse letters of Arabische cijfers.
2. Een aanvraag om de toekenning van de in het eerste lid, onder b,
bedoelde code wordt ingediend bij Onze Minister. De aanvraag bevat de
nummers van de krachtens de artikelen 15, onder a, of 29, eerste lid,
van de wet aan de aanvrager verleende vergunningen.
3. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de afmeting van de
bron voor de in het eerste lid bedoelde handeling te klein is.
4. De fabrikant graveert de in het eerste lid bedoelde code tevens
in de bronhouder van de desbetreffende bron of stempelt die code op
die bronhouder.
5. Het vierde lid is niet van toepassing indien de afmeting van de
bronhouder voor de in het eerste lid bedoelde handeling te klein is,
of indien de bronhouder bedoeld is voor hergebruik als behuizing van
een bron. In dat laatste geval brengt de fabrikant informatie aan over
ten minste de aard van de hoogactieve bron op of aan de bronhouder.
6. De fabrikant brengt op of aan de broncontainer informatie aan
over de aard van de hoogactieve bron.
7. De fabrikant van een hoogactieve bron zorgt ervoor dat:
a. de bron wordt vergezeld van:
1°. schriftelijke informatie die bevestigt dat de bron
voldoet aan het eerste lid en aan de krachtens artikel 20,
vierde lid, met betrekking tot de bron of de bronhouder
gestelde regels;
2°. kleurenfoto’s van het ontwerp van de bron en de
bijbehorende bronhouder, en, voorzover van toepassing, van het
ontwerp van de bijbehorende broncontainer en de bijbehorende
apparatuur;
b. de onder a bedoelde informatie en foto’s bij de levering
van de bron worden verstrekt aan degene aan wie die bron wordt
geleverd;
c. de in het eerste en vierde lid bedoelde code en de krachtens
artikel 20, vierde lid, op de bron, bronhouder of broncontainer
aangebrachte waarschuwingstekens en opschriften leesbaar blijven.
Artikel 20b
1. De leverancier graveert in of stempelt op de bronhouder van elke
door hem te leveren hoogactieve bron een code die als volgt is
samengesteld:
a. de aanduiding: NL,
b. gevolgd door een aan de leverancier door Onze Minister
toegekende vaste code,
c. gevolgd door een door de leverancier te bepalen voor de bron
onderscheidende code in Romeinse letters of Arabische cijfers.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien:
a. op de bronhouder van een hoogactieve bron reeds de in
artikel 20a, eerste lid, bedoelde code, of een andere unieke code
in Romeinse letters of Arabische cijfers is aangebracht;
b. de afmeting van de bronhouder voor de in het eerste lid
bedoelde handeling te klein is, of deze houder bedoeld is voor
hergebruik als behuizing van een bron.
3. In het in het tweede lid, onder b, bedoelde geval is artikel
20a, vijfde lid, tweede volzin, van overeenkomstige toepassing.
4. Artikel 20a, tweede, zesde en zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 20c
Artikel 20b, eerste tot en met derde lid, en artikel 20a, tweede,
zesde en zevende lid, onder a en c, zijn van overeenkomstige toepassing
op de ondernemer die een handeling verricht met een hoogactieve bron.
Artikel 20ca
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer kan regels stellen ten aanzien van de beveiliging van het
voorhanden hebben van radioactieve stoffen, bestemd voor handelingen
waarvoor ingevolge artikel 24 of artikel 25 een vergunning is vereist.
§ 3.4. Financiële zekerheid met betrekking tot hoogactieve bronnen
Artikel 20d
1. De ondernemer stelt financiële zekerheid ter dekking van de
kosten van het nakomen van de voor hem geldende verplichtingen met
betrekking tot het veilig afvoeren van een afgedankte hoogactieve bron
voor het geval:
a. hij failliet gaat of anderszins zijn bedrijfsactiviteiten
beëindigt;
b. degene met wie een overeenkomst was gesloten om de
afgedankte hoogactieve bronnen af te nemen, niet meer tot die
afname in staat is.
2. De financiële zekerheid wordt gesteld op een of meer van de
volgende wijzen:
a. een borgtocht of een bankgarantie;
b. het sluiten van een verzekeringsovereenkomst;
c. het deelnemen aan een daartoe ingesteld fonds dat naar het
oordeel van Onze Minister en van Onze Minister van Financiën
voldoende waarborg biedt dat de in het eerste lid bedoelde kosten
zijn gedekt;
d. het treffen van enige andere voorziening, waarbij de
financiële zekerheid naar het oordeel van Onze Ministers en van
Onze Minister van Financiën voldoende waarborg biedt dat de in
het eerste lid bedoelde kosten zijn gedekt.
3. Bij regeling van Onze Minister wordt een minimumbedrag
vastgesteld waarvoor per volume-eenheid af te voeren bron, de
daarbijbehorende bronhouder en de vaste afscherming financiële
zekerheid wordt gesteld.
4. De financiële zekerheid wordt gesteld ten behoeve van de Staat
der Nederlanden.
Artikel 20e
De financiële zekerheid wordt in stand gehouden tot het moment
waarop de hoogactieve bron waarvoor de financiële zekerheid wordt
gesteld, door de ondernemer:
a. wordt overgedragen aan een andere ondernemer die met
betrekking tot die bron de vereiste financiële zekerheid heeft
gesteld,
b. wordt afgegeven aan een krachtens artikel 37, zevende lid,
erkende ophaaldienst voor radioactieve afvalstoffen, of
c. wordt afgegeven aan een krachtens artikel 37, achtste lid,
daartoe aangewezen instelling voor de ontvangst van radioactieve
afvalstoffen.
Artikel 20f
1. De ondernemer verstrekt voordat hij een hoogactieve bron
verwerft, aan Onze Minister:
a. informatie over het volume van de verworven bron, bronhouder
en vaste afscherming van die bron;
b. schriftelijk bewijs dat de krachtens artikel 20d, eerste
lid, vereiste financiële zekerheid is gesteld.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de daarin bedoelde
gegevens reeds op grond van artikel 44, zevende lid, bij de aanvraag
om een vergunning zijn verstrekt.
3. De ondernemer doet van iedere wijziging met betrekking tot de
gestelde financiële zekerheid uiterlijk vier weken na die wijziging
schriftelijk mededeling aan Onze Minister.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere eisen worden
gesteld met betrekking tot de te verstrekken gegevens.
Hoofdstuk 4. Meldingen, vergunningen, aanvragen en procedures
§ 4.1. Meldingen van handelingen met toestellen
Artikel 21
1. De ondernemer die een handeling verricht met een toestel meldt
dit ten minste drie weken tevoren overeenkomstig de artikelen 40 en
41.
2. Deze verplichting geldt niet indien het een handeling betreft
met:
a. een toestel waarvoor ingevolge dit besluit een vergunning is
vereist;
b. een elektronenstraalbuis voor visuele beeldweergave;
c. een ander toestel dan bedoeld onder a of b met een maximale
hoogspanning van niet meer dan 30 kV, dat onder normale
bedrijfsomstandigheden op 0,1 meter afstand van enig bereikbare
buitenzijde van het toestel geen hoger
omgevingsdosisequivalenttempo veroorzaakt dan 1 µSv per uur;
d. een ander toestel dan bedoeld onder a, b of c, dat onder
normale bedrijfsomstandigheden op 0,1 meter afstand van enig
bereikbare buitenzijde van het toestel geen hoger
omgevingsdosisequivalenttempo veroorzaakt dan 1 µSv per uur en
dat behoort tot een type dat door Onze Minister is goedgekeurd op
grond van bij regeling van Onze Minister gestelde regels.
Artikel 22
Indien met een toestel geen handelingen meer worden verricht die zijn
gemeld overeenkomstig artikel 21, meldt de ondernemer dit overeenkomstig
de artikelen 40 en 42 binnen drie weken na het beëindigen van de
handeling.
§ 4.2. Vergunningen voor handelingen
Artikel 23
1. Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister een
handeling te verrichten met:
a. een toestel voor:
1°. industriële radiografie;
2°. bewerking van producten;
3°. onderwijsdoeleinden;
4°. blootstelling van personen en dieren voor
therapeutische doeleinden;
b. een ander toestel dan bedoeld onder a met een maximale
hoogspanning van 100 kV of meer;
c. een toestel dat deeltjes versnelt en ioniserende straling
met een energie van meer dan 1 MeV kan uitzenden.
2. Het is voorts verboden zonder vergunning van Onze Minister
onderzoeks- en ontwikkelingswerk te verrichten aan een toestel.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor:
a. handelingen met elektronenmicroscopen;
b. het uitsluitend in opslag hebben van toestellen ten behoeve
van de handel in deze toestellen;
c. een toestel dat wordt gebruikt voor onderwijsdoeleinden, dat
onder normale bedrijfsomstandigheden op 0,1 meter afstand van enig
bereikbare buitenzijde van het toestel geen hoger
omgevingsdosisequivalenttempo veroorzaakt dan 1 µSv per uur en
dat behoort tot een type dat door Onze Minister is goedgekeurd op
grond van bij regeling van Onze Minister gestelde regels.
Artikel 24
Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister:
a. radioactieve stoffen toe te dienen aan personen en, voor zover
het de bescherming van mensen tegen ioniserende straling betreft,
aan dieren voor:
1°. het stellen van medische of veterinaire diagnoses;
2°. therapie of (bio)medisch onderzoek;
b. radioactieve stoffen toe te voegen aan producten, bestemd voor
gebruik op of in de directe omgeving van personen;
c. met radioactieve stoffen handelingen te verrichten voor:
1°. industriële radiografie;
2°. bewerking van producten;
3°. onderwijsdoeleinden en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 25
1. Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister een andere
handeling dan bedoeld in artikel 24 of 37, niet zijnde een lozing, met
een radioactieve stof te verrichten.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid en in artikel 24, onder c,
geldt niet indien binnen een locatie:
a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken
radioactieve stof lager is dan de in bijlage 1, tabel 1, genoemde
waarde, of
b. de activiteitsconcentratie van die stof lager is dan de in
bijlage 1, tabel 1, genoemde waarde.
3. Indien een radioactieve stof meer soorten radionucliden bevat,
wordt de activiteitsconcentratie van de radionucliden gewogen
gesommeerd volgens de in bijlage 3 aangegeven methode. Aan het tweede
lid, onder b, wordt voldaan indien de uitkomst van deze sommatie
kleiner of gelijk aan 1 is.
4. Indien binnen een locatie op enig moment meer handelingen
plaatsvinden, worden de activiteiten van de radionucliden in de bij
die handelingen betrokken radioactieve stoffen gewogen gesommeerd
volgens de in bijlage 3 aangegeven methode. Aan het tweede lid, onder
a, wordt voldaan indien de uitkomst van deze sommatie kleiner of
gelijk aan 1 is.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen handelingen met producten
als bedoeld in artikel 24, onder b, worden aangewezen, waarbij de aan
deze producten toegevoegde radionucliden niet worden betrokken bij een
sommatie als bedoeld in het derde lid.
6. De verboden, bedoeld in het eerste lid en in de artikelen 23 en
24, gelden niet voor bij regeling van Onze Minister aangewezen
handelingen die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot
gevolg hebben.
7. Bij regeling van Onze Minister kunnen andere methoden worden
aangewezen voor het bepalen en het toetsen van de schade in gevallen
waarin de in het tweede lid bedoelde activiteitsconcentratie in
combinatie met de in het tweede lid bedoelde activiteit geen juiste
indicatie geeft van de schade die de bij de handeling betrokken
radioactieve stoffen kunnen veroorzaken.
8. Bij regeling van Onze Minister kan in afwijking van het tweede
lid, het eerste lid van toepassing worden verklaard in geval er sprake
is van een te hoog risico van blootstelling van werknemers en leden
van de bevolking.
Artikel 26
1. Het in artikel 25, eerste lid, gestelde verbod geldt tevens niet
voor handelingen met een ingekapselde bron waarbij de in bijlage 1,
tabel 1, genoemde waarden voor de activiteit en de
activiteitsconcentratie worden overschreden, indien:
a. deze van een door Onze Minister goedgekeurd type is, en
b. deze onder normale bedrijfsomstandigheden op 0,1 meter van
enige bereikbare buitenzijde daarvan geen hogere
omgevingsdosisequivalent kan geven dan 1 µSv per uur.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot keuringen als bedoeld in het eerste lid, onder a, en
voor de opslag en de verwijdering van ingekapselde bronnen als bedoeld
in het eerste lid.
§ 4.3. Aanwijsinstrumenten
Artikel 27
In afwijking van de artikelen 24, onder b, en 25 is het verboden:
a. voor verlichtingsdoeleinden radionucliden toe te voegen aan
een aanwijsinstrument;
b. handelingen te verrichten met het aanwijsinstrument waaraan
voor verlichtingsdoeleinden radionucliden zijn toegevoegd.
Artikel 28
De in de artikelen 24, onder b, en 27, gestelde verboden gelden niet
indien:
a. het een aanwijsinstrument betreft;
b. uitsluitend H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende verf
wordt, onderscheidenlijk is toegevoegd voor verlichtingsdoeleinden;
c. het aanwijsinstrument in totaal een lagere activiteit bevat
dan 1 GBq H-3 of 10 MBq Pm-147;
d. het aanwijsinstrument voldoet aan in het belang van de
bescherming tegen ioniserende straling bij regeling van Onze
Minister gestelde voorschriften met betrekking tot de constructie;
e. geen herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht,
waarbij een onderdeel van het aanwijsinstrument, waaraan voor
verlichtingsdoeleinden H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende
verf is toegevoegd, van zijn omhulsel wordt ontdaan; en
f. niet meer dan 100 aanwijsinstrumenten waaraan voor
verlichtingsdoeleinden H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende
verf is toegevoegd, voorhanden zijn.
Artikel 29
1. De in artikel 27 gestelde verboden gelden niet indien:
a. het een aanwijsinstrument betreft;
b. uitsluitend H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende
verf wordt, onderscheidenlijk is toegevoegd voor
verlichtingsdoeleinden;
c. het aanwijsinstrument in totaal een lagere activiteit bevat
dan 3 GBq H-3 of 30 MBq Pm-147, en
d. voldoet aan in het belang van de bescherming tegen
ioniserende straling bij regeling van Onze Minister gestelde
voorschriften met betrekking tot de constructie.
2. Onze Minister van Defensie kan ontheffing verlenen van de in de
artikelen 24, onder b, 25, eerste lid, en 27 gestelde verboden, indien
het aanwijsinstrumenten betreft waaraan voor verlichtingsdoeleinden
radionucliden zijn toegevoegd en die in gebruik zijn dan wel bestemd
zijn voor gebruik bij de krijgsmacht en die zijn bedoeld voor gebruik
onder operationele omstandigheden.
Artikel 30
1. De in de artikelen 25 en 27, onder b, gestelde verboden gelden
niet voor het voorhanden hebben, toepassen of zich ontdoen van een
aanwijsinstrument dat voor verlichtingsdoeleinden minder dan 56 kBq
Ra-226+ of minder dan 0,93 GBq H-3 in lichtgevende verf bevat door
detailhandelaren of particulieren, noch voor het herstellen of
onderhouden van zodanige instrumenten door de ondernemer, voor zover
die instrumenten voor het tijdstip waarop dit verbod in werking
treedt, zijn vervaardigd en in Nederland in de handel zijn gebracht.
2. De ondernemer zorgt ervoor dat na herstel- of
onderhoudswerkzaamheden aan een aanwijsinstrument als bedoeld in het
eerste lid:
a. een bij regeling van Onze Minister vast te stellen
waarschuwingsteken voor ioniserende straling is aangebracht op een
vanaf de buitenzijde van het instrument zichtbare plaats;
b. het merkteken T 25 of Ra 1,5 onderscheidenlijk voor H-3 en
Ra-226+ in lichtgevende verf, is aangebracht op een vanaf de
buitenzijde van het instrument zichtbare plaats.
3. Het in artikel 27, onder b, gestelde verbod geldt niet voor
aanwijsinstrumenten, waaraan radioactieve nucliden zijn toegevoegd
voor verlichtingsdoeleinden, indien dit aanwijsinstrument voorhanden
is voor een tentoonstelling of de ondernemer zich ervan ontdoet na een
tentoonstelling.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de voorschriften die kunnen worden verbonden aan een
vergunning voor handelingen als bedoeld in het derde lid.
Artikel 31
1. De ondernemer controleert na het voor verlichtingsdoeleinden
toevoegen van radioactieve stoffen aan aanwijsinstrumenten of deze
aanwijsinstrumenten voldoen aan de bij en krachtens de artikelen 28 of
29 gestelde voorschriften.
2. De ondernemer tekent de uitvoering van de in het eerste lid
bedoelde controles en de resultaten daarvan aan in een daartoe
bestemde administratie.
3. Onze Minister kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
verplichtingen ontheffing verlenen, indien de ondernemer ten genoegen
van Onze Minister aantoont dat de in het eerste en tweede lid bedoelde
controles en administratie door een ander worden uitgevoerd.
4. De in het tweede en derde lid bedoelde administratie wordt ten
minste vijf jaar bewaard.
5. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid.
6. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van
de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in
het derde lid.
Artikel 32
De ondernemer zorgt ervoor dat op een aanwijsinstrument waaraan H-3
in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende verf voor
verlichtingsdoeleinden is toegevoegd, op een vanaf de buitenzijde van
het instrument zichtbare plaats is aangebracht:
a. een waarschuwingsteken als bedoeld in artikel 30, tweede lid,
onder a;
b. indien het betreft een aanwijsinstrument als bedoeld in
artikel 29 het merkteken voor T 3 GBq of Pm 30 MBq onderscheidenlijk
voor H-3 in lichtcellen en Pm-147 in lichtgevende verf.
Artikel 33
De ondernemer zorgt ervoor dat na herstel- of onderhoudswerkzaamheden
aan een aanwijsinstrument waaraan radionucliden voor
verlichtingsdoeleinden zijn toegevoegd:
a. ten gevolge van die herstel- en onderhoudswerkzaamheden geen
afwijkingen van de bij en krachtens de artikelen 28 en 29 gestelde
voorschriften zijn ontstaan;
b. het krachtens artikel 30, tweede lid, onder a, vastgestelde
waarschuwingsteken voor ioniserende straling is aangebracht op een
vanaf de buitenzijde van het instrument zichtbare plaats;
c. het in de artikelen 30, tweede lid, onder b, onderscheidenlijk
32, onder b, genoemde merkteken is aangebracht.
Artikel 34
Het is verboden buiten Nederland vervaardigde aanwijsinstrumenten,
waaraan voor verlichtingsdoeleinden radionucliden zijn toegevoegd,
voorhanden te hebben met het doel deze binnen Nederland in de handel te
brengen, indien deze niet voldoen aan de bij en krachtens de artikelen
28, 29, 31 en 32 gestelde voorschriften.
§ 4.4. Vergunningen en voorschriften inzake zich ontdoen van
radioactieve stoffen
Artikel 35
1. Het is verboden zich zonder vergunning van Onze Minister te
ontdoen van radioactieve stoffen door middel van lozing in de lucht,
in het openbare riool of in het oppervlaktewater.
2. Dit verbod geldt niet indien:
a. bij lozing in de lucht, de activiteit van de in totaal in
een kalenderjaar geloosde hoeveelheid radioactieve stoffen bij het
verlaten van de locatie via een lozingspunt lager is dan 1
radiotoxiciteitsequivalent voor inhalatie als bedoeld in bijlage
2;
b. bij lozing in het openbare riool, de activiteit van de in
totaal in een kalenderjaar geloosde hoeveelheid radioactieve
stoffen bij het verlaten van de locatie via een lozingspunt lager
is dan 10 radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie als bedoeld in
bijlage 2;
c. bij lozing in het oppervlaktewater, de activiteit van de in
totaal in een kalenderjaar geloosde hoeveelheid radioactieve
stoffen bij het verlaten van de locatie via een lozingspunt lager
is dan 0,1 radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie als bedoeld in
bijlage 2.
3. Het is verboden radioactieve stoffen te lozen in de bodem.
4. Het verbod, bedoeld in het derde lid, geldt niet voor het lozen
in de bodem, wanneer de geloosde hoeveelheid radioactieve stoffen bij
het verlaten van het lozingspunt minder bedraagt dan 10-6
radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie als bedoeld in bijlage 2.
5. Het verbod, bedoeld in het derde lid, geldt niet voor het lozen
van productiewater bij mijnbouw, indien dit geschiedt door middel van
injecteren naar een soortgelijke bodemformatie en diepte als waaruit
het water afkomstig is en op zodanige wijze dat het water niet in
andere watervoerende lagen komt.
6. De geloosde hoeveelheden, uitgedrukt in
radiotoxiciteitsequivalenten, worden gecorrigeerd voor fysisch verval
door middel van de correctiefactoren zoals aangegeven in bijlage 2.
Artikel 36
1.De ondernemer die een handeling verricht, zorgt ervoor dat,
zoveel als redelijkerwijs mogelijk is:
a. het ontstaan van radioactieve afvalstoffen wordt voorkomen
of beperkt,
b. bronnen na gebruik als zodanig opnieuw worden gebruikt,
c. radioactieve stoffen en materialen waaruit een bron bestaat,
na gebruik ervan opnieuw worden gebruikt, of
d. voorwerpen, stoffen en materialen die met radioactieve
stoffen zijn besmet of geactiveerd, na gebruik ervan zodanig
worden bewerkt dat ze opnieuw kunnen worden gebruikt.
2.Bij het vervaardigen van bronnen wordt gebruik gemaakt van
stoffen en materialen die na gebruik van de bron geen of zo min
mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken.
3.De ondernemer zorgt er voor dat een handeling zoveel als mogelijk
is wordt verricht op een wijze waardoor de bescherming tegen schade is
gewaarborgd.
Artikel 37
1. Het is verboden zich zonder vergunning van Onze Minister te
ontdoen van radioactieve stoffen voor product- of materiaalhergebruik
of van radioactieve afvalstoffen.
2. Het verbod geldt niet indien:
a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken
radioactieve stoffen in een kalenderjaar in totaal lager is dan de
in bijlage 1, tabel 1, genoemde waarde, of
b. de activiteitsconcentratie van die stof lager is dan de in
bijlage 1, tabel 1, genoemde waarde.
3. Artikel 25, derde, vierde, zesde en zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4. Het verbod geldt tevens niet indien het ingekapselde bronnen
betreft, die worden teruggenomen door degene die de bron heeft
vervaardigd of geleverd.
5. Het verbod geldt tevens niet indien het een feitelijke levering
betreft van radioactieve stoffen door enkele overgave aan een derde
met het oog op:
a. gebruik, product- of materiaalhergebruik van radioactieve
stoffen, of
b. inzameling van radioactieve afvalstoffen.
6. Het verbod geldt tevens niet voor afgifte aan een door Onze
Ministers aangewezen instelling voor ontvangst van in bezit genomen
radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de
wet.
7. Het verbod geldt tevens niet voor het zich ontdoen van
radioactieve afvalstoffen door afgifte aan een door Onze Minister
erkende ophaaldienst voor radioactieve afvalstoffen.
8. Het verbod geldt tevens niet voor afgifte aan door Onze Minister
aangewezen instellingen voor de ontvangst van radioactieve
afvalstoffen.
9. Het vierde tot en met achtste lid gelden alleen indien de
ondernemer zich ervan heeft vergewist dat de ontvanger in het bezit is
van een vergunning voor de desbetreffende handeling of anderszins
gerechtigd is deze stoffen te ontvangen.
10. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede,
van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een aanwijzing als
bedoeld in het zesde en achtste lid en de aanvraag om een erkenning
als bedoeld in het zevende lid.
Artikel 38
1. Een radioactieve stof kan door Onze Minister of de ondernemer
als radioactieve afvalstof worden aangemerkt, indien voor deze stof
geen gebruik of product- of materiaalhergebruik is voorzien door deze
Minister of door de ondernemer en er geen sprake is van lozing van de
stof.
2. Een afvalstof wordt niet als radioactieve afvalstof aangemerkt,
indien artikel 37, tweede lid, van toepassing is.
3. Radioactieve afvalstoffen worden zo snel als redelijkerwijs
mogelijk afgevoerd.
4. De in het derde lid gestelde verplichting geldt niet indien de
radioactieve afvalstoffen een fysische halveringstijd hebben van
minder dan 100 dagen en maximaal 2 jaar worden opgeslagen in een
daartoe geschikte ruimte met het oog op fysisch verval tot
afvalstoffen als bedoeld in artikel 37, tweede lid.
5. Het is verboden radioactieve afvalstoffen te mengen met het doel
de activiteitsconcentratie van de stoffen beneden de in bijlage 1,
tabel 1, bedoelde waarden te brengen.
§ 4.5. Weigering vergunning
Artikel 39
Geen vergunning krachtens dit hoofdstuk wordt verleend indien:
a. niet aan de voorwaarden van de artikelen 4, 5, 6 en 48
betreffende rechtvaardiging, optimalisatie en dosislimieten is
voldaan;
b. voor een lid van de bevolking dat zich buiten de locatie
bevindt, als gevolg van de handeling waarvoor de vergunning is
aangevraagd en ten gevolge van andere handelingen binnen en buiten
deze locatie, een van de volgende doses wordt overschreden:
1°. een effectieve dosis van 1 mSv in een kalenderjaar en
met inachtneming daarvan:
2°. een equivalente dosis van 50 mSv in een kalenderjaar
voor de huid gemiddeld over enig huidoppervlak van 1 cm2;
c. de handeling waarvoor de vergunning is aangevraagd behoort tot
een categorie die op grond van de ministeriële regeling, bedoeld in
artikel 4, tweede lid, als gerechtvaardigd is bekend gemaakt, maar
het specifieke karakter van deze handeling op grond van artikel 4,
eerste lid, niet gerechtvaardigd is;
d. niet is aangetoond dat de krachtens artikel 20d, eerste lid,
vereiste financiële zekerheid is gesteld.
§ 4.6. Procedurele voorschriften voor meldingen
Artikel 40
1. De ondernemer doet de melding, bedoeld in de artikelen 21 en 22,
bij Onze Minister.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de melding, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 41
1. De melding, bedoeld in artikel 21, bevat in ieder geval:
a. de naam en het adres van degene die de melding ondertekent;
b. de naam en het adres van de ondernemer;
c. het adres of de kadastrale gegevens van de locatie;
d. een omschrijving van de handeling, de plaats van de
handeling en van het doel;
e. de maximale effectieve dosis die een persoon in een
kalenderjaar kan ontvangen op enig punt buiten de locatie ten
gevolge van de toestellen die zich binnen twee meter van enig punt
buiten de locatie bevinden.
2. De melding bevat voorts een beschrijving van het toestel waarmee
de gemelde handeling wordt verricht.
3. Indien de in het eerste lid, onder e, bedoelde dosis hoger is
dan 10 µSv, bevat de melding tevens een beschrijving van de
maatregelen ter voorkoming van en bescherming tegen schade in en
buiten de locatie.
4. Indien de handeling uitsluitend het in opslag hebben van een
toestel betreft, worden slechts de in het eerste lid, onder a tot en
met d, genoemde gegevens verstrekt en wordt vermeld welk soort toestel
het betreft.
5. Degene die de handeling meldt, is verplicht aan Onze Minister
kennis te geven van een na de melding opgetreden wijziging in een van
de gegevens die bij de melding zijn vermeld.
6. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de gegevens die een melding bevat en tot de
situaties waarin een nieuwe melding is vereist.
Artikel 42
De melding, bedoeld in artikel 22, bevat in ieder geval:
a. de naam en het adres van degene die de melding ondertekent;
b. de naam en het adres van de ondernemer;
c. het adres of de kadastrale gegevens van de locatie;
d. een aanduiding van de handeling;
e. indien van toepassing de wijze waarop de ondernemer zich van
het toestel heeft ontdaan;
f. indien van toepassing een wijziging van de effectieve dosis
als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder e.
§ 4.7. Procedurele voorschriften voor vergunningen
Artikel 43
1. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld over de aanvraag van een vergunning voor een handeling als
bedoeld in deartikelen 23, eerste en tweede lid, 24, 25, eerste lid,
35, eerste lid, en 37, eerste lid.
2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid betreft niet de
handelingen die binnen de locatie worden verricht door de persoon die
in het bezit is van een vergunning voor het op steeds wisselende
plaatsen verrichten van de betrokken handelingen.
Artikel 44
1. De aanvraag om een vergunning voor een handeling als bedoeld in
dit besluit bevat in ieder geval:
a. de naam en het adres van degene die de aanvraag ondertekent;
b. de naam en het adres van de ondernemer;
c. een omschrijving van de locatie en het adres of de
kadastrale gegevens daarvan, bij wisselende locaties wordt een zo
goed mogelijke aanduiding hiervan gegeven;
d. een omschrijving van de handeling waarvoor vergunning wordt
gevraagd en het doel daarvan;
e. de maximale totale effectieve dosis zowel ten gevolge van
lozingen als ten gevolge van externe straling op basis van
omgevingsdosisequivalenten, die een persoon in een kalenderjaar
kan ontvangen op enig punt buiten de locatie van alle meldings- en
vergunningplichtige handelingen tezamen binnen de locatie waarop
de vergunningaanvraag van toepassing is;
f. de maximale effectieve of equivalente dosis die de bij de
handelingen betrokken werknemers in een kalenderjaar kunnen
ontvangen;
g. een beschrijving van de stralingsbeschermingsorganisatie en
van de aanwezige deskundigheid met betrekking tot de handeling;
h. een opgave van de tijdsduur van de handeling;
i. een overzicht van alle meldingsplichtige en
vergunningplichtige handelingen binnen de locatie, gespecificeerd
naar aard en omvang.
2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een handeling met een
toestel, bevat zij voorts een beschrijving van het toestel onder
vermelding van de gegevens betreffende de ioniserende straling die het
toestel kan uitzenden.
3. Indien de aanvraag betrekking heeft op een handeling met
radioactieve stoffen, bevat zij voorts:
a. een opgave van de radionucliden, waarvoor vergunning wordt
gevraagd;
b. een opgave van de ten gevolge van alle vergunningplichtige
handelingen maximaal in de lucht, in het openbare riool, het
oppervlaktewater, of in de bodem te lozen
radiotoxiciteitsequivalenten voor de locatie waarop de aanvraag
betrekking heeft, uitgedrukt in radiotoxiciteitsequivalenten voor
inhalatie, respectievelijk ingestie en gewogen voor inhalatie en
ingestie;
c. de radiotoxiciteitsequivalenten waarvoor de vergunning om te
lozen wordt aangevraagd.
4. Indien de aanvraag betrekking heeft op een handeling met een
ingekapselde bron, bevat zij voorts een opgave van de chemische en
fysische toestand en vorm waardoor deze radioactieve stoffen een
ingekapselde bron vormen alsmede een aanduiding van de constructie en
de kwaliteit van de bron.
5. Indien het een handeling met radioactieve stoffen betreft, bevat
de aanvraag voorts een opgave van de overeenkomstig bijlage 3 gewogen
en gesommeerde activiteit van de radionucliden in de radioactieve
stoffen, die op de in het eerste lid, onder c, bedoelde locatie ten
hoogste aanwezig zal zijn.
6. Indien de omgevingsdosisequivalent, bedoeld in het eerste lid,
onder e, hoger is dan 10 µSv of de radiotoxiciteitsequivalenten van
de geloosde activiteiten een dosis vertegenwoordigen die gelijk aan of
hoger is dan 1 µSv, in een kalenderjaar op enig punt buiten de
locatie, bevat de aanvraag tevens een beschrijving van de maatregelen
ter voorkoming van en bescherming tegen schade in en buiten de
locatie.
7. Indien het een handeling met een hoogactieve bron betreft, bevat
de aanvraag voorts:
a. informatie over het volume van de bron, de bronhouder en de
vaste afscherming van die bron;
b. schriftelijk bewijs dat de krachtens artikel 20d, eerste
lid, vereiste financiële zekerheid is gesteld.
8. De houder van een vergunning is verplicht aan Onze Minister
kennis te geven van een na het verlenen van de vergunning opgetreden
wijziging in een der gegevens vermeld bij de aanvraag om de
vergunning.
9. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de gegevens van de aanvraag van de
vergunning.
§ 4.8. Voorbereidingsprocedure
Artikel 45
Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede afdeling 13.2
van de Wet milieubeheer zijn van toepassing op de voorbereiding van een
beschikking ter zake van een vergunning als bedoeld in artikel 23,
eerste lid, onder c, behoudens indien:
a. het toestel uitsluitend voor radiologische verrichtingen is
bestemd;
b. het toestel zich bevindt in een voertuig of aan boord van een
vaartuig of luchtvaartuig, dat als zodanig wordt gebruikt;
c. het toestel zich bevindt op steeds wisselende locaties, en
naar het oordeel van Onze Minister het belang van de toepassing van
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede afdeling
13.2 van de Wet milieubeheer niet opweegt tegen de daaraan verbonden
bezwaren;
d. indien al eerder vergunning voor een toestel van hetzelfde
type met betrekking tot dezelfde plaats is verleend en naar het
oordeel van Onze Minister niet te verwachten is dat door
gebruikmaking van de gevraagde vergunning meer schade kan ontstaan
dan bij de eerder verleende vergunning in aanmerking is genomen.
Artikel 46
1.Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede afdeling
13.2 van de Wet milieubeheer zijn niet van toepassing op de
voorbereiding van een beschikking ter zake van een vergunning voor het
verrichten van handelingen met open bronnen, indien de uitkomst van de
gewogen sommatie van de activiteiten van de op enig moment aanwezige
hoeveelheid radionucliden in de bij die handelingen betrokken
radioactieve stoffen volgens de in bijlage 3 aangegeven methode niet
meer bedraagt dan 104.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor
ingekapselde bronnen met dien verstande dat de uitkomst niet meer
bedraagt dan 107.
Artikel 47
1. Indien op de voorbereiding van een beschikking terzake van een
vergunning voor het verrichten van een handeling met radioactieve
stoffen afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing
is, worden, anders dan als adviseurs, betrokken: het gedeputeerde
staten van de provincie, het college van burgemeester en wethouders
van de gemeente waar de handeling wordt of zal worden verricht of,
indien het een lozing in oppervlaktewateren betreft, het orgaan dat
belast is met het kwalitatieve beheer van het oppervlaktewater waarin
wordt of zal worden geloosd.
2. Indien op de voorbereiding van een beschikking terzake van een
vergunning voor een handeling met een toestel afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt, anders dan als
adviseur, betrokken het college van burgemeester en wethouders van de
gemeente waar de handeling wordt of zal worden verricht.
3. Van de besluiten op aanvragen van vergunningen op de
voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing is, wordt door Onze Minister mededeling gedaan in
de Staatscourant.
Artikel 47a
Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de
Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet
van toepassing op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in de
artikelen 23, eerste en tweede lid, 24, 25, eerste lid,35, eerste lid,
en 37, eerste lid.
Hoofdstuk 5. Bevolkingsblootstelling
Artikel 48
1. De ondernemer zorgt ervoor dat voor een lid van de bevolking als
gevolg van handelingen, die onder zijn verantwoordelijkheid worden
verricht, op enig punt buiten de locatie ten gevolge van die
handelingen een effectieve dosis van 0,1 mSv in een kalenderjaar niet
wordt overschreden.
2. Dit artikel is niet van toepassing voor personen, voor zover zij
hulp en bijstand verlenen als bedoeld in artikel 53, tweede lid.
Artikel 49
1. De ondernemer zorgt ervoor dat voor een lid van de bevolking die
zich binnen de locatie bevindt, als gevolg van handelingen, die onder
zijn verantwoordelijkheid worden verricht, de volgende individuele
doses niet worden overschreden:
a. een effectieve dosis van 1 mSv in een kalenderjaar en met
inachtneming daarvan:
b. een equivalente dosis van:
1°. 15 mSv in een kalenderjaar in de ooglens, of
2°. 50 mSv in een kalenderjaar voor de huid gemiddeld over
enig huidoppervlak van 1 cm2.
2. In het geval van inwendige besmetting wordt de effectieve
volgdosis toegewezen aan het jaar van inname.
3. Dit artikel is niet van toepassing voor personen, voor zover zij
hulp en bijstand verlenen als bedoeld in artikel 53, tweede lid.
Artikel 50
1. De ondernemer zorgt ervoor dat in omstandigheden waar een lid
van de bevolking als gevolg van handelingen, die onder zijn
verantwoordelijkheid worden verricht, aan besmetting of ioniserende
straling binnen of buiten de locatie kan worden blootgesteld, voor de
daarvoor in aanmerking komende plaatsen berekeningen van de effectieve
of equivalente doses worden gemaakt en zo nodig metingen worden
verricht.
2. De ondernemer houdt een administratie bij waarin hij de
resultaten aantekent van de metingen en gebruikt deze, indien nodig,
voor het bepalen van de doses, bedoeld in het eerste lid en de
artikelen 48 en 49.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld voor de inhoud, het beheer en de bewaartermijn van de
administratie.
Artikel 51
Bij een ongeval of radiologische noodsituatie binnen zijn locatie
zorgt de ondernemer ervoor dat, indien een lid van de bevolking, binnen
of buiten de betrokken locatie, ten gevolge daarvan is of kan zijn
blootgesteld, individuele monitoring wordt uitgevoerd of dat de
effectieve of equivalente doses die door de betrokken persoon zijn
ontvangen op een andere wijze worden bepaald.
Hoofdstuk 6. Medische stralingstoepassingen en -bescherming
§ 6.1. Definities en toepassingsgebied
Artikel 52
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. apparatuur: toestellen, ingekapselde bronnen en open bronnen
alsmede bijbehorende apparaten zoals ontwikkelmachines en
gammacamera's;
b. behandelend arts: een arts of een tandarts onder wiens
medische verantwoordelijkheid een blootstelling aan ioniserende
straling plaatsvindt;
c. bevolkingsonderzoek: onderzoek onder risicogroepen van de
bevolking waarbij ioniserende straling wordt toegepast met het doel
een vroegtijdige diagnose te verkrijgen;
d. diagnostische referentieniveaus: dosisniveaus in de medische
radiodiagnostiek en bij gebruik van radiofarmaca, hoeveelheden toe
te dienen radioactiviteit, voor karakteristieke onderzoeken van
groepen patiënten van standaardgrootte of standaardfantomen voor
globaal gedefinieerde soorten toestellen of apparaten;
e. kwaliteitsborging: de geplande en systematische verrichtingen
die noodzakelijk zijn om voldoende zekerheid te geven dat een
structuur, systeem, onderdeel of procedure naar behoren en in
overeenstemming met algemeen aanvaarde normen functioneren;
f. medisch radiologische procedure: de procedure vanaf aanvrage
tot en met uitvoering en resultaatbeschouwing van de radiologische
verrichting;
g. medisch juridisch onderzoek: radiologische verrichting zonder
medische indicatie, uitsluitend ten behoeve van
verzekeringstechnische of juridische doeleinden;
h. medische verantwoordelijkheid: de verantwoordelijkheid van een
arts of tandarts betreffende individuele radiologische
verrichtingen, met name de rechtvaardiging, de optimalisatie en de
klinische evaluatie van het resultaat;
i. patiëntdosis: de dosis die betrekking heeft op een persoon
die een blootstelling als bedoeld in artikel 53, eerste lid,
ondergaat;
j. praktische aspecten: de feitelijke uitvoering van een
blootstelling als bedoeld in artikel 53, eerste lid, waaronder te
verstaan: hanteren en gebruiken van radiologische apparatuur,
beoordelen van technisch, fysische parameters, alsmede het
beoordelen van patiëntdoses, ijking, onderhoud van apparatuur,
bereiding en toediening van radiofarmaceutica en ontwikkeling van
films;
k. radiodiagnostisch: betrekking hebbend op in vivo diagnostische
nucleaire geneeskunde, diagnostische en tandheelkundige radiologie;
l. radiologisch: betrekking hebbend op radiodiagnostische en
radiotherapeutische procedures en interventie-radiologie of andere
plannings- of geleideradiologie;
m. radiotherapeutisch: betrekking hebbend op radiotherapie,
waaronder mede begrepen nucleaire geneeskunde voor therapeutische
doeleinden;
n. verwijzend arts: een arts of een tandarts die een verrichting
aanvraagt waarbij gebruik wordt gemaakt van ioniserende straling.
Artikel 53
1.Dit hoofdstuk is van toepassing op radiologische verrichtingen
voor personen die:
a. als patiënt een blootstelling ondergaan;
b. deelnemen aan een bevolkingsonderzoek;
c. arbeidsgeneeskundig onderzoek ondergaan;
d. medisch juridisch onderzoek ondergaan;
e. vrijwillig deelnemen aan medische of biomedische
onderzoeksprogramma's.
2.Dit hoofdstuk is tevens van toepassing op personen die willens en
wetens- doch niet beroepshalve- hulp en bijstand verlenen aan diegene
die, als bedoeld in het eerste lid, een blootstelling ondergaat.
§ 6.2. Radiologische verrichtingen
Artikel 54
De ondernemer zorgt ervoor dat een radiologische verrichting
uitsluitend geschiedt onder medische verantwoordelijkheid van een
behandelend arts die is ingeschreven in een krachtens artikel 14 van de
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg ingesteld register
en die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde
deskundigheidseisen.
Artikel 55
1. Een type radiologische verrichting is niet gerechtvaardigd,
indien het totale mogelijke diagnostische of therapeutische voordeel,
waaronder begrepen het directe nut voor de gezondheid van de persoon
die de blootstelling ondergaat, en het maatschappelijk nut, niet
opweegt tegen de gezondheidsschade die de persoon die de blootstelling
ondergaat, kan ondervinden, mede in aanmerking genomen de
doeltreffendheid, de voordelen en risico's van de beschikbare
alternatieve technieken die hetzelfde oogmerk hebben maar geen of
minder blootstelling met zich meebrengen.
2. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan in de
Staatscourant bekend maken welke typen van radiologische verrichtingen
die blootstelling ingevolge het eerste lid niet rechtvaardigen,
verboden zijn.
Artikel 56
1. De verwijzend arts en de behandelend arts beoordelen ieder op
grond van hun specifieke verantwoordelijkheid of een individuele
radiologische verrichting gerechtvaardigd is, met inachtneming van de
specifieke oogmerken van de blootstelling en de kenmerken van de
betrokken persoon.
2. In afwijking van artikel 55, tweede lid, kan een radiologische
verrichting die ingevolge dat lid verboden is, onder speciale
omstandigheden, in afzonderlijk te beoordelen gevallen, toch
gerechtvaardigd zijn. De afzonderlijke beoordeling van de hiervoor
genoemde rechtvaardiging wordt geregistreerd in het dossier van
betrokkene.
3. Een behandelend arts laat geen blootstelling van de persoon,
bedoeld in artikel 53, tweede lid, toe indien dit niet voldoende
voordeel oplevert, rekening houdend met de schade voor de gezondheid
van de persoon die de blootstelling ondergaat, het directe nut voor de
gezondheid van de persoon, bedoeld in artikel 53, eerste lid, het
maatschappelijk nut en de gezondheidsschade die de blootstelling kan
veroorzaken.
Artikel 57
De ondernemer zorgt ervoor dat de behandelend arts specifiek aandacht
geeft aan de rechtvaardiging van:
a. medisch juridisch onderzoek;
b. medisch en biomedisch onderzoek.
Artikel 58
De ondernemer zorgt ervoor dat voor blootstelling als bedoeld in
artikel 53, eerste lid, voor radiotherapeutische doeleinden de
patiëntdosis op klinisch fysisch verantwoorde wijze in het doelvolume
individueel wordt berekend en toegediend, in aanmerking nemende dat de
patiëntdosis in het weefsel buiten het doelvolume zo laag mogelijk
dient te zijn, maar zonder aan het beoogde radiotherapeutische effect
van de blootstelling afbreuk te doen.
Artikel 59
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bevordert de
vaststelling en het gebruik van diagnostische referentieniveaus voor
radiodiagnostische verrichtingen als bedoeld in artikel 53, eerste lid,
alsmede het opstellen van protocollen terzake.
Artikel 60
De ondernemer zorgt ervoor dat onverminderd het bepaalde in de Wet
medisch wetenschappelijk onderzoek met mensen:
a. voor proefpersonen die zelf geen direct voordeel kunnen
verwachten van de radiologische verrichting, een
patiëntdosisbeperking wordt vastgesteld;
b. indien de experimentele radiologische verrichting voor
proefpersonen een voordeel beoogt, een op de proefpersoon gerichte
planning van de experimentele verrichting plaatsvindt.
Artikel 61
1. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan
dosisbeperkingen vaststellen voor blootstellingen als bedoeld in
artikel 53, tweede lid.
2. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan regels
geven voor de blootstellingen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 62
De ondernemer zorgt ervoor dat, ingeval een persoon een onderzoek of
behandeling met behulp van toegediende radionucliden ondergaat, aan de
persoon of zijn wettelijk vertegenwoordiger in voorkomende gevallen
schriftelijke instructies worden meegegeven. Tevens worden zij
geïnformeerd over de risico's van de ioniserende straling voordat de
betrokken persoon de locatie verlaat, teneinde de dosis voor anderen in
contact met deze persoon zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te
beperken.
§ 6.3. Voorschriften voor apparatuur
Artikel 63
De ondernemer zorgt ervoor dat:
a. personen die een opleiding volgen op het gebied van
stralingstoepassingen en stralingsbescherming participeren in
onderdelen van praktische aspecten ervan;
b. indien de hiervoor genoemde participatie plaatsvindt onder
verantwoordelijkheid van een arts, dit een arts is als bedoeld in
artikel 54;
c. voorafgaand aan de onder a genoemde participatie,
schriftelijke instructies worden gegeven aan degene die de opleiding
volgt, over de aard en de omvang van de deelname aan de praktische
aspecten.
Artikel 64
1. De ondernemer zorgt ervoor dat de toe te dienen activiteit bij
nucleair geneeskundig onderzoek en therapie wordt gemeten met een
dosiskalibrator.
2. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan normen
aanwijzen voor de nauwkeurigheid van de in het eerste lid bedoelde
kalibrator.
Artikel 65
De ondernemer zorgt ervoor dat voor elke standaard radiologische
verrichting voor elke apparatuuropstelling schriftelijke protocollen
worden opgesteld.
Artikel 66
De ondernemer zorgt ervoor dat:
a. bij radiotherapeutische verrichtingen een klinisch fysicus
nauw wordt betrokken;
b. bij standaard therapeutisch nucleairgeneeskundige
verrichtingen en bij de diagnostische nucleairgeneeskundige
verrichtingen een klinisch fysicus beschikbaar is;
c. bij de overige radiologische verrichtingen een klinisch
fysicus bereikbaar is voor advies over stralingsbeschermingsaspecten
bij radiologische verrichtingen.
Artikel 67
1. De ondernemer zorgt ervoor dat de radiologische apparatuur die
wordt gebruikt bij radiologische verrichtingen op een verantwoorde
wijze wordt gebruikt. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport kan daartoe regels stellen.
2. De ondernemer zorgt ervoor dat op alle radiologische apparatuur
die in gebruik is:
a. streng toezicht wordt uitgeoefend inzake de
stralingsbescherming;
b. programma's voor kwaliteitsborging worden uitgevoerd;
c. noodzakelijke maatregelen worden genomen om inadequate of
defecte onderdelen van radiologische apparatuur te repareren of te
vervangen.
Artikel 68
De ondernemer zorgt ervoor dat:
a. indien nieuwe apparatuur in gebruik wordt genomen, deze,
indien uitvoerbaar, een voorziening heeft die de stralingsdosis
tijdens een radiologische verrichting aangeeft;
b. bij een röntgentoestel waarmee radiodiagnostische
verrichtingen worden toegepast, een filter wordt gebruikt teneinde
de stralingsbelasting van de patiënt te beperken;
c. een röntgentoestel beschikt over een vaste of automatische
diafragma-instelling zodat de randen van de röntgenbundel zichtbaar
zijn op de beelddrager, tenzij het mammografisch of tandheelkundig
onderzoek betreft;
d. een röntgentoestel waarmee radiodiagnostische verrichtingen
worden toegepast is voorzien van een diafragma of tubus met het doel
de röntgenbundel te beperken tot het juiste gebied;
e. het diafragma een middel bevat om afmetingen van de bundel
vooraf te kunnen aangeven.
Artikel 69
De ondernemer zorgt ervoor dat:
a. bij het onderzoeken met gebruikmaking van fluoroscopie een
beeldversterker of gelijkwaardige techniek wordt gebruikt;
b. fluoroscopische onderzoeken zonder voorzieningen voor de
regeling van het dosistempo beperkt blijven tot de gevallen die de
omstandigheden rechtvaardigen;
c. toestellen, geschikt voor doorlichting, na elke vijf minuten
cumulatief doorlichten een akoestisch signaal geven.
Artikel 70
De ondernemer zorgt ervoor dat passende radiologische apparatuur,
technieken en randapparatuur worden gebruikt voor radiologische
verrichtingen bij:
a. kinderen;
b. bevolkingsonderzoek;
c. toediening aan de patiënt van een hoge dosis ioniserende
straling.
Artikel 71
De verwijzende en de behandelend arts informeren bij een vrouw of er
sprake is van zwangerschap en of er borstvoeding wordt gegeven, voordat
een radiologische verrichting wordt uitgevoerd.
Artikel 72
Als zwangerschap niet kan worden uitgesloten of als een vrouw
borstvoeding geeft, wordt, afhankelijk van het type blootstelling,
speciale aandacht besteed aan:
a. de rechtvaardiging van de blootstelling, met name in verband
met de urgentie;
b. de optimalisatie van de stralingsbescherming, waarbij rekening
wordt gehouden met de patiëntdosis voor zowel de vrouw als ook voor
het ongeboren kind.
Artikel 73
1.De ondernemer zorgt er voor dat zowel de kans op alsmede de
gevolgen van een ongeval of een onbedoelde dosis van een radiologische
verrichting zo klein als redelijkerwijs mogelijk zijn.
2.De ondernemer zorgt er voor dat ter beperking van risico's als
bedoeld in het eerste lid, bij de apparatuur schriftelijke instructies
en protocollen aanwezig zijn.
Artikel 74
1. De ondernemer verstrekt aan Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport gegevens die nodig zijn om het gemiddelde en de
spreiding van de effectieve of equivalente dosis bij radiologische
verrichtingen voor de bevolking en andere relevante referentiegroepen
te kunnen schatten.
2. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stelt regels
ten aanzien van de verstrekking van de in het eerste lid bedoelde
gegevens.
Artikel 75
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan regels
stellen om onnodige verspreiding van radiologische apparatuur te
voorkomen.
Hoofdstuk 7. Beroepsmatige blootstelling
§ 7.1. Dosislimieten en classificatie van werknemers
Artikel 76
1.De ondernemer zorgt ervoor dat voor werknemers ten gevolge van
handelingen die onder zijn verantwoordelijkheid worden verricht, de
volgende doses niet worden overschreden:
a. een effectieve dosis van 1 mSv in een kalenderjaar, en met
inachtneming daarvan:
b. een equivalente dosis van:
1°. 15 mSv in een kalenderjaar voor de ooglens, of
2°. 50 mSv in een kalenderjaar voor de huid, gemiddeld
over enig blootgesteld huidoppervlak van 1 cm2.
2.In het geval van inwendige besmetting wordt de effectieve
volgdosis toegewezen aan het jaar van inname.
Artikel 77
1.De ondernemer zorgt ervoor dat voor blootgestelde werknemers ten
gevolge van handelingen die onder zijn verantwoordelijkheid worden
verricht, de volgende doses niet worden overschreden:
a. een effectieve dosis van 20 mSv in een kalenderjaar, en met
inachtneming daarvan:
b. een equivalente dosis van:
1°. 150 mSv in een kalenderjaar voor de ooglens,
2°. 500 mSv in een kalenderjaar voor de huid, gemiddeld
over enig blootgesteld huidoppervlak van 1 cm2, of
3°. 500 mSv in een kalenderjaar voor handen, onderarmen,
voeten en enkels.
2.In het geval van inwendige besmetting wordt de effectieve
volgdosis toegewezen aan het jaar van inname.
Artikel 78
1.De ondernemer zorgt ervoor dat werknemers die jonger zijn dan 18
jaar geen werk krijgen toegewezen of verrichten, waardoor zij als
blootgestelde werknemer worden aangemerkt.
2.Het eerste lid geldt niet indien deze werknemers ouder zijn dan
15 jaar en uit hoofde van hun opleiding verplicht zijn handelingen te
verrichten en daarbij een blootstelling ondergaan die hoger is dan een
der in artikel 76 genoemde dosislimieten.
3.De ondernemer zorgt ervoor dat voor de in het tweede lid bedoelde
personen ten gevolge van handelingen die onder zijn
verantwoordelijkheid worden verricht, de volgende individuele doses
niet worden overschreden:
a. een effectieve dosis van 6 mSv per kalenderjaar, en met
inachtneming daarvan:
b. een equivalente dosis van:
1°. 50 mSv in een kalenderjaar voor de ooglens;
2°. 150 mSv in een kalenderjaar voor de huid, gemiddeld
over enig blootgesteld huidoppervlak van 1 cm2, of
3°. 150 mSv in een kalenderjaar voor handen, onderarmen,
voeten en enkels.
Artikel 79
1.De ondernemer deelt ten behoeve van de individuele monitoring en
het toezicht blootgestelde werknemers in als A- of B-werknemer.
2.Een A-werknemer is een blootgestelde werknemer, die een
effectieve dosis kan ontvangen die groter is dan 6 mSv in een
kalenderjaar, of een equivalente dosis die groter is dan drie tiende
van de in artikel 77 genoemde dosislimieten.
Artikel 80
1.De ondernemer zorgt ervoor dat de arbeidsomstandigheden voor de
zwangere werknemer zodanig zijn dat de equivalente dosis ten gevolge
van het werk voor het ongeboren kind zo laag is als redelijkerwijs
mogelijk is en dat het onwaarschijnlijk is dat deze dosis vanaf het
moment van melding van de zwangerschap aan de ondernemer tot aan het
einde van de zwangerschap 1 mSv zal overschrijden.
2.De ondernemer zorgt ervoor dat een werknemer, indien zij
borstvoeding geeft, gedurende de periode dat zij borstvoeding geeft,
vrij van handelingen wordt gesteld waarbij een meer dan gering risico
bestaat op radioactieve besmetting van het lichaam.
Artikel 81
1.In uitzonderlijke omstandigheden, met uitzondering van
radiologische noodsituaties, kan de bedrijfstakdirecteur, of bij
mijnbouw, de Inspecteur-Generaal der Mijnen, op verzoek van de
ondernemer ontheffing van de in artikel 77 genoemde dosislimieten
verlenen, mits
a. het een A-werknemer betreft;
b. de blootstelling geschiedt op basis van vrijwilligheid;
c. de blootstelling beperkt is in tijd;
d. de blootstelling alleen in nader vast te stellen ruimten
plaatsvindt;
e. de mogelijk te ontvangen effectieve of equivalente dosis
niet hoger is dan vijfmaal de in artikel 77, eerste lid, onder a,
respectievelijk tweemaal de in artikel 77, eerste lid, onder b,
vermelde waarden;
f. het geen blootgestelde leerling of studerende, of zwangere
vrouw betreft;
g. het geen vrouw betreft die borstvoeding geeft terwijl er
kans bestaat op besmetting van het lichaam;
h. de blootstelling van te voren door de ondernemer wordt
gemotiveerd en de blootstelling en de risico's van te voren door
de ondernemer worden besproken met de betrokken werknemers, de
ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, de stralingsarts
en de deskundige, en
i. de betrokken werknemers tevoren door de ondernemer worden
geïnformeerd over de tijdens de handelingen te nemen
voorzorgsmaatregelen.
2.In de situatie, bedoeld in het eerste lid, rapporteert de
ondernemer na afloop aan de bedrijfstakdirecteur, of bij mijnbouw aan
de Inspecteur-Generaal der Mijnen, over de uitgevoerde handelingen, de
wijze waarop bescherming tegen ioniserende straling is uitgevoerd en
de door de werknemer ontvangen effectieve of equivalente dosis.
3.De ondernemer verstrekt de uitslag van de in het tweede lid
berekende of bepaalde dosis aan de in artikel 91, tweede lid, bedoelde
instelling en aan de betrokken werknemer.
Artikel 82
1. De ondernemer zorgt ervoor dat een persoon voor wie een
ontheffing, als bedoeld in artikel 81, is verleend indien ten gevolge
van de in dat artikel bedoelde blootstelling een van de in artikel 77
genoemde dosislimieten is overschreden, niet eerder weer aan
ioniserende straling ten gevolge van handelingen die onder zijn
verantwoordelijkheid worden verricht wordt blootgesteld, dan nadat
door een stralingsarts is verklaard dat daartegen geen bezwaar
bestaat.
2. Tenzij de stralingsarts hiertoe adviseert, wordt de werknemer
niet vanwege de in het eerste lid bedoelde overschrijding van de
dosislimieten zonder diens toestemming van zijn normale
beroepsbezigheden uitgesloten of op een andere plaats te werk gesteld.
§ 7.2. Voorschriften voor werkplekken
Artikel 83
1. De ondernemer zorgt ervoor dat, indien dat nodig is met het oog
op de bescherming tegen ioniserende straling:
a. een ruimte wordt aangemerkt als gecontroleerde zone, indien:
1°. de mogelijk door een werknemer te ontvangen dosis
gelijk is aan een effectieve dosis die hoger is dan 6 mSv in
een kalenderjaar of een equivalente dosis die hoger is dan
drie tiende van de dosis, genoemd in artikel 77, eerste lid,
onder b, of
2°. er een mogelijkheid is van verspreiding van
radioactieve stoffen vanuit de ruimte zodanig dat personen een
dosis hoger dan een effectieve of equivalente dosis, genoemd
in artikel 76, kunnen ontvangen;
b. een ruimte wordt aangemerkt als bewaakte zone, indien de
mogelijk door een werknemer te ontvangen effectieve dosis hoger is
dan 1 mSv in een kalenderjaar en lager dan 6 mSv in een
kalenderjaar of de equivalente dosis hoger is dan die genoemd in
artikel 76, onder b, en lager dan die genoemd onder a, ten eerste.
2. De ondernemer houdt in een gecontroleerde en in een bewaakte
zone passend toezicht op de arbeidsomstandigheden met het oog op de
bescherming tegen ioniserende straling.
3. De ondernemer zorgt ervoor dat de omvang en de kwaliteit van de
maatregelen ten behoeve van de bescherming tegen ioniserende straling
zijn afgestemd op de risico's die aan de bronnen en de betrokken
handelingen verbonden zijn.
Artikel 84
1. Met betrekking tot een gecontroleerde zone zorgt de ondernemer
ervoor dat:
a. de zone is afgebakend en de toegang ertoe beperkt blijft tot
door hem daartoe aangewezen personen en dat de zone wordt
gecontroleerd overeenkomstig de door hem daartoe vastgestelde
procedures;
b. maatregelen zijn getroffen voor die gevallen waarin een
aanzienlijk risico van verspreiding van radioactieve stoffen
bestaat; deze maatregelen betreffen ook de toegang tot en het
verlaten van de zone door personen en goederen;
c. met inachtneming van de aard van de aanwezige bronnen en
betrokken handelingen er een systeem van monitoring van de
werkplek is;
d. op de daarvoor geschikte plaatsen duidelijke
waarschuwingsborden en -tekens met betrekking tot de zone en de
risico's van ioniserende straling zijn aangebracht;
e. aan personen die in de zone werkzaam zijn schriftelijke
werkinstructies zijn gegeven, toegesneden op de risico's van
ioniserende straling die aan de binnen de zone aanwezige bronnen
en de aldaar te verrichten handelingen verbonden zijn.
2. Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot
een gecontroleerde zone als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 85
1. Met betrekking tot een bewaakte zone zorgt de ondernemer ervoor
dat:
a. met inachtneming van de aard van de aanwezige bronnen en
betrokken handelingen er een systeem van monitoring van de
werkplek is;
b. op de daarvoor geschikte plaatsen duidelijke
waarschuwingsborden en -tekens en opschriften met betrekking tot
de zone en de risico's van ioniserende straling zijn aangebracht;
c. aan personen die in de zone werkzaam zijn schriftelijke
werkinstructies zijn gegeven, toegesneden op de risico's van
ioniserende straling die aan de bronnen en de betrokken
handelingen verbonden zijn.
2. Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot
een bewaakte zone als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 86
Ten behoeve van de uitvoering van de artikelen 84 en 85 verricht de
ondernemer, indien van toepassing, metingen binnen de bewaakte en
gecontroleerde zone van:
a. de dosistempi, met opgave van de aard en de kwaliteit van de
desbetreffende straling, of
b. bij de aanwezigheid van open bronnen, de
activiteitsconcentratie in de lucht en de oppervlaktebesmetting met
opgave van de aard en de fysische en chemische toestand en vorm
ervan.
§ 7.3. Bepaling van blootstelling
Artikel 87
1.De ondernemer stelt aan een blootgestelde werknemer een passend,
persoonlijk dosiscontrolemiddel ter beschikking, die door de
ondernemer wordt betrokken van een dosimetrische dienst als bedoeld in
artikel 8.
2.De ondernemer zorgt ervoor dat de persoonlijke
dosiscontrolemiddelen door de blootgestelde werknemer gedurende de
tijden van mogelijke blootstelling op de juiste plaats of plaatsen
worden gedragen en dat deze dosiscontrolemiddelen periodiek ter
uitlezing aan de, in het eerste lid bedoelde, dosimetrische dienst
worden gezonden.
3.De ondernemer zorgt ervoor dat de dosimetrische dienst periodiek,
met behulp van de met deze dosiscontrolemiddelen verkregen gegevens,
bepaalt in welke mate deze personen aan ioniserende straling
blootgesteld zijn geweest.
4.De ondernemer zorgt ervoor dat voor gevallen waarin blootgestelde
werknemers onder voor de werksituatie normale condities een relevante
inwendige besmetting kunnen ontvangen, er een passend systeem voor de
dosiscontrole is.
5.De ondernemer doet bij overbestraling van een werknemer
onmiddellijk mededeling aan de bedrijfstakdirecteur en, indien het
mijnbouw betreft, de Inspecteur-Generaal der Mijnen.
6.Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan nadere
regels stellen met betrekking tot het bepaalde in dit artikel.
Artikel 88
1. De bedrijfstakdirecteur of, bij mijnbouw, de Inspecteur-Generaal
der Mijnen, of, indien het de krijgsmacht betreft een door Onze
Minister van Defensie aan te wijzen autoriteit, kan, indien het meten
van blootstelling aan ioniserende straling aan de hand van
persoonlijke controlemiddelen niet of niet goed mogelijk is, of als op
andere wijze de effectieve of equivalente dosis wordt bepaald,
ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 87.
2. Aan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, worden
voorschriften verbonden die inhouden dat de effectieve of equivalente
dosis geschat wordt aan de hand van de individuele metingen bij andere
blootgestelde werknemers, of aan de hand van de in artikel 86 bedoelde
ruimtemonitoring, of in het geval van vliegtuigbemanningen op een
wijze als bedoeld in artikel 111, eerste lid, onder b, of op andere
wijze.
3. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van
de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 89
1.Indien een werknemer bij een ongeval aan ioniserende straling in
het kader van een handeling is of kan zijn blootgesteld, zorgt de
ondernemer ervoor dat de effectieve of equivalente doses worden
bepaald, die door de betrokken werknemer zijn ontvangen.
2.Indien een werknemer bij een radiologische noodsituatie aan
ioniserende straling is of kan zijn blootgesteld, zorgt de ondernemer
die voor de handeling die de radiologische noodsituatie heeft
veroorzaakt verantwoordelijk is, ervoor dat individuele monitoring
wordt uitgevoerd of dat de effectieve of equivalente doses die door de
betrokken werknemer zijn ontvangen, op een andere wijze worden
bepaald.
§ 7.4. Registratie gegevens blootgestelde werknemer
Artikel 90
De ondernemer zorgt ervoor dat afzonderlijk van iedere blootgestelde
werknemer wordt geregistreerd:
a. de naam, de geboortedatum en het geslacht;
b. indeling in categorie A- of B- werknemer;
c. de gemeten of bepaalde doses op grond van de artikelen 87 tot
en met 89;
d. de resultaten van de ruimtemonitoring die zijn gebruikt bij de
berekening van de effectieve of equivalente doses;
e. in het geval van de in de artikelen 81 en 89 bedoelde
blootstelling, de rapporten met betrekking tot de omstandigheden en
de genomen maatregelen.
Artikel 91
1. Er is een dosisregistratiesysteem voor het bewaren van de
uitslagen van de gemeten of bepaalde doses, bedoeld in de artikelen
87, 88 en 89.
2. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wijst een
instelling aan die belast is met het beheer van het in het eerste lid
bedoelde systeem en kan nadere regels stellen met betrekking tot de
inrichting van het systeem.
3. De in het tweede lid bedoelde instelling bewaart de
geregistreerde gegevens in ieder geval totdat de persoon op wie de
gegevens betrekking hebben de leeftijd van vijfenzeventig jaar heeft
bereikt of zou hebben bereikt, maar ten minste dertig jaar nadat deze
persoon de handelingen heeft beëindigd.
4. Bij de verwerking van persoonsgegevens in het systeem, bedoeld
in het eerste lid, kan de in het tweede lid bedoelde instelling
gebruik maken van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, het sociaal-fiscaalnummer met het oog op de vaststelling van
de identiteit van de persoon, bedoeld in het derde lid.
5. Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid kunnen nadere regels worden gesteld voor de
toegankelijkheid en het beheer van het registratiesysteem.
Artikel 92
1. De ondernemer zorgt ervoor dat de uitslag van de individuele
monitoring, bedoeld in de artikelen 87, 88 en 89, onverwijld aan de in
artikel 91 bedoelde instelling wordt gezonden. De ondernemer geeft
daarbij aan waar de individuele dosismeter is gedragen of op welke
wijze de inwendige besmetting is bepaald.
2. De werknemer heeft inzage in de gegevens die zijn blootstelling
betreffen.
Artikel 93
1.De ondernemer zorgt ervoor dat de uitslag van de individuele
monitoring, bedoeld in de artikelen 87, 88 en 89, wordt verstrekt aan:
a. de persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de taken, bedoeld in
artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet of de
arbodienst;
b. de betrokken werknemer;
c. de deskundige;
d. indien het een A-werknemer betreft, de stralingsarts.
2.De ondernemer meldt de uitslag van de individuele monitoring,
bedoeld in artikel 89, onverwijld aan de in het eerste lid bedoelde
personen of dienst en aan de bedrijfstakdirecteur of, indien het
mijnbouw betreft, de Inspecteur-Generaal der Mijnen in wiens
werkgebied het ongeval of de noodsituatie is opgetreden.
Artikel 94
1. Het is de ondernemer van een in Nederland gevestigde onderneming
verboden een werknemer, die niet in het bezit is van een geldig
stralingspaspoort en een persoonlijk controlemiddel, in een andere
lidstaat van de Europese Unie handelingen als A-werknemer te laten
verrichten.
2. Het stralingspaspoort wordt op aanvraag door Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, of een door hem daartoe aangewezen
instelling, afgegeven aan een ondernemer ten behoeve van diens
werknemer.
3. Bij terugkeer van de werknemer in Nederland meldt de ondernemer
onverwijld de gegevens uit het stralingspaspoort aan de in artikel 91
bedoelde instelling.
4. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan met
betrekking tot het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen die
onder meer betrekking hebben op het model van het stralingspaspoort en
op de aanvraag, de kosten, het verlies of het in het ongerede raken
van het stralingspaspoort.
Artikel 95
1.Het is de ondernemer verboden om een externe werknemer onder zijn
verantwoordelijkheid in Nederland of op het Nederlands continentaal
plat te laten werken, indien deze werknemer niet in het bezit is van
een geldig stralingspaspoort, verstrekt door een overheidsinstantie
van de lidstaat van de ondernemer van de externe werknemer in wiens
opdracht de externe werknemer handelingen verricht.
2.De ondernemer registreert de uitslag van de individuele
monitoring, bedoeld in de artikelen 81, 87, 88 en 89, onverwijld na
beëindiging van de handelingen of werkzaamheden in het
stralingspaspoort.
§ 7.5. Medisch toezicht
Artikel 96
1. De ondernemer zorgt ervoor dat een stralingsarts het medisch
toezicht op A-werknemers uitoefent.
2. De ondernemer zorgt er voor dat aan de stralingsarts alle tot
zijn beschikking staande gegevens worden verstrekt die deze nodig
heeft om inzicht te krijgen in de gezondheidstoestand van de onder
zijn toezicht staande personen en om zich een oordeel te vormen over
de omstandigheden op de arbeidsplaats voor zover deze van invloed
kunnen zijn op hun gezondheidstoestand.
3. Het in het eerste lid bedoelde medisch toezicht omvat:
a. een medisch onderzoek dat plaatsvindt voor de aanwijzing als
A-werknemer en ten doel heeft na te gaan of de werknemer geschikt
is voor zijn functie;
b. periodieke keuringen waarbij ten minste eenmaal per jaar
wordt nagegaan of de A-werknemer nog geschikt is voor het
uitvoeren van zijn functie;
c. onderzoek van personen die niet langer werkzaam zijn als
A-werknemer, indien en zolang de stralingsarts dit noodzakelijk
acht.
4. Indien de stralingsarts dat noodzakelijk acht, wordt een medisch
onderzoek gevolgd door maatregelen van de ondernemer in verband met de
bescherming van de gezondheid van de werknemer.
Artikel 97
1.De ondernemer zorgt ervoor dat een stralingsarts met betrekking
tot de geschiktheid van A-werknemers voor de aanwijzing als
A-werknemer op basis van het medisch onderzoek de volgende indeling
toepast:
a. geschikt;
b. onder bepaalde omstandigheden geschikt, of
c. ongeschikt.
2.De stralingsarts deelt de indeling van de geschiktheid, bedoeld
in het eerste lid, onverwijld schriftelijk mee aan degene die het
onderzoek heeft ondergaan.
3.Degene die het onderzoek heeft ondergaan kan binnen zes weken na
de ontvangst van de mededeling bedoeld in het tweede lid een nieuw
onderzoek verzoeken aan Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, of bij mijnbouw aan Onze Minister van Economische
Zaken. De betrokken minister deelt de uitslag van het nieuwe onderzoek
schriftelijk mee aan de onderzochte persoon, aan de stralingsarts en
aan de ondernemer.
Artikel 98
Een werknemer wordt niet in een specifieke functie als A-werknemer
tewerkgesteld indien hij blijkens de uitslag van het in artikel 97,
eerste lid, bedoelde medisch onderzoek ongeschikt is voor deze functie.
Artikel 99
Een medisch onderzoek door een stralingsarts vindt voorts plaats
indien daartoe door een blootstelling waarbij dosislimieten zijn
overschreden of door een blootstelling door een ongeval of een
radiologische noodsituatie aanleiding bestaat.
Artikel 100
1.De ondernemer zorgt ervoor dat er een medisch dossier wordt
bijgehouden waarin van elke A-werknemer ten minste wordt
geregistreerd:
a. de aard van het werk;
b. de uitslagen van de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 96
en 97;
c. de resultaten van de individuele monitoring, bedoeld in
artikel 95, tweede lid;
d. indien van toepassing de gegevens met betrekking tot een
radiologische noodsituatie.
2.De ondernemer zorgt ervoor dat het medisch dossier, bedoeld in
het eerste lid, in ieder geval wordt bewaard totdat de persoon op wie
de gegevens betrekking hebben de leeftijd van vijfenzeventig jaar
heeft bereikt of zou hebben bereikt, maar ten minste dertig jaar nadat
deze persoon de handelingen heeft beëindigd.
Hoofdstuk 8. Blootstelling aan natuurlijke bronnen
§ 8.1. Toepassingsgebied
Artikel 101
Met betrekking tot werkzaamheden zijn de bepalingen van dit besluit
die betrekking hebben op handelingen met radioactieve stoffen, met
uitzondering van de artikelen 27 tot en met 34 en hoofdstuk 6, van
overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan in dit hoofdstuk niet
wordt afgeweken.
§ 8.2. Meldingen en vergunningen
Artikel 102
1. Onze Minister maakt in de Staatscourant een lijst van
werkzaamheden bekend, waarvan het mogelijk is dat bij het verrichten
van die werkzaamheden de in bijlage 1, tabel 1 en 2, vermelde waarden
worden overschreden.
2. Voordat een ondernemer een werkzaamheid gaat verrichten die op
de in het eerste lid bedoelde lijst staat vermeld, gaat hij na of deze
werkzaamheid overeenkomstig artikel 103 moet worden gemeld dan wel dat
daarvoor overeenkomstig de artikelen 107 en 108 een vergunning is
vereist.
Artikel 103
1. De ondernemer meldt aan Onze Minister een werkzaamheid, niet
zijnde een lozing, voordat met de uitvoering daarvan wordt begonnen.
2. Deze verplichting geldt niet, indien binnen een locatie:
a. het een werkzaamheid betreft waarbij:
1°. de activiteit van de radionucliden in de betrokken
natuurlijke bronnen steeds lager is dan de in bijlage 1, tabel
1, vermelde waarde, of
2°. de activiteitsconcentratie van de betrokken
natuurlijke bronnen lager is dan de in bijlage 1, tabel 1,
vermelde waarde;
b. het een werkzaamheid betreft waarvoor ingevolge artikel 107
een vergunning is vereist.
3. Artikel 25, derde, vierde, zesde, zevende en achtste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4. Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat in daarbij
aangegeven gevallen met het oog op de stralingsbescherming het tweede
lid niet van toepassing is.
5. De in het eerste lid gestelde verplichting geldt niet voor
werkzaamheden met natuurlijke bronnen indien de aanvraag om een
vergunning als bedoeld in dit besluit gegevens als bedoeld in artikel
105 omtrent deze bronnen bevat.
6. Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald in welke
gevallen vrijstelling geldt van de in het eerste lid gestelde
verplichting met betrekking tot daarbij aangewezen werkzaamheden,
indien een zodanige werkzaamheid al is gemeld door een andere
ondernemer en aan bij de regeling gestelde regels is voldaan.
Artikel 104
Indien een werkzaamheid, die overeenkomstig artikel 103 is gemeld,
niet meer wordt verricht, meldt de ondernemer dit aan Onze Minister
binnen vier weken na het beëindigen van de werkzaamheid.
Artikel 105
1. De melding, bedoeld in artikel 103, bevat in ieder geval:
a. de naam en het adres van degene die de melding ondertekent;
b. de naam en het adres van de ondernemer;
c. het adres of de kadastrale gegevens van de locatie;
d. een omschrijving van de werkzaamheid, de plaats van de
werkzaamheid en van het doel;
e. bij product- of materiaalhergebruik of bestemming als afval
de eindbestemming van het materiaal en een schatting van de
effectieve doses in een kalenderjaar, die personen ten gevolge van
die eindbestemming en van het verwerkingspad kunnen ontvangen;
f. een opgave van de betrokken natuurlijke bronnen en de daarin
voorkomende radionucliden.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de gegevens die een melding bevat en tot de
situaties waarin een nieuwe melding is vereist.
Artikel 106
1. De melding van een werkzaamheid, bedoeld in artikel 104, bevat
in ieder geval:
a. de naam en het adres van degene die de melding ondertekent;
b. de naam en het adres van de ondernemer;
c. het adres of de kadastrale gegevens van de locatie;
d. een aanduiding van de werkzaamheid;
e. indien van toepassing een wijziging van de gegevens als
bedoeld in artikel 105, eerste lid, onder e.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de gegevens die deze melding bevat.
Artikel 107
1. Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister een
werkzaamheid, niet zijnde een lozing, te verrichten.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt binnen een locatie
niet, indien:
a. de activiteit van de radionucliden in de bij die
werkzaamheid betrokken natuurlijke bronnen lager is dan de in
bijlage 1, tabel 1, vermelde waarde, of
b. de activiteitsconcentratie van de bij die werkzaamheid
betrokken natuurlijke bronnen lager is dan tienmaal de in bijlage
1, tabel 1, vermelde waarde.
3. Artikel 25, derde, vierde, zesde, zevende en achtste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4. Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat in daarbij
aangegeven gevallen met het oog op de stralingsbescherming, het tweede
lid niet van toepassing is.
5. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van
de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 108
1. Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister natuurlijke
bronnen te lozen of een werkzaamheid te verrichten ten gevolge waarvan
natuurlijke bronnen worden geloosd.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien de
activiteit van de in een kalenderjaar te lozen radionucliden die in
bijlage 1, tabel 2, zijn vermeld, bij het verlaten van de locatie
lager is dan de daarbij in die tabel aangegeven waarde.
3. Artikel 25, derde, vierde, zesde, zevende en achtste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4. Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat in daarbij
aangegeven gevallen met het oog op de stralingsbescherming, het tweede
lid niet van toepassing is.
5. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van
de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 109
1. Op de aanvraag om een vergunning, bedoeld in de artikelen 107 en
108, is artikel 43 van overeenkomstige toepassing. De aanvraag bevat
in ieder geval:
a. de naam en het adres van degene die de aanvraag ondertekent;
b. de naam en het adres van de ondernemer;
c. het adres of de kadastrale gegevens van de locatie;
d. een omschrijving van de werkzaamheid, de plaats van de
werkzaamheid en van het doel;
e. bij product- of materiaalhergebruik de eindbestemming van
het materiaal en een schatting van de effectieve doses in een
kalenderjaar, die personen ten gevolge van die eindbestemming en
van het verwerkingspad kunnen ontvangen;
f. een opgave van de betrokken natuurlijke bronnen en de daarin
voorkomende radionucliden.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de gegevens die een aanvraag bevat.
Artikel 110
1. Bij regeling van Onze Minister kunnen, indien dat naar het
oordeel van Onze Minister met het oog op rechtvaardiging en
optimalisatie noodzakelijk is, regels worden gesteld met betrekking
tot de uitvoering van daarbij aangegeven werkzaamheden die
overeenkomstig artikel 103 worden gemeld.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot product- of materiaalhergebruik en opslag van afval van
natuurlijke bronnen, voor categorieën van gevallen waarin de
activiteitsconcentratie in combinatie met de totale activiteit van de
betrokken natuurlijke bronnen hoger is dan de in bijlage 1, tabel 1,
aangegeven waarde.
3. Artikel 25, derde, vierde, zevende en achtste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 110a
1. Het is verboden radioactieve afvalstoffen afkomstig van
natuurlijke bronnen te mengen zodanig dat de activiteitsconcentratie
van die afvalstoffen gebracht wordt:
a. beneden tienmaal de in bijlage 1, tabel 1, bedoelde waarden,
of
b. beneden de inbijlage 1, tabel 1, bedoelde waarden.
2. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 103 en 107 geldt het
verbod, bedoeld in het eerste lid, niet, indien wordt aangetoond dat
het mengen geen groter gevaar, grotere schade of meer hinder
veroorzaakt dan in het geval de radioactieve afvalstoffen afkomstig
van natuurlijke bronnen niet zouden worden gemengd.
§ 8.3. Vliegtuigbemanningen
Artikel 111
1.In afwijking van de artikelen 102 tot en met 110 zorgt de
ondernemer ervoor dat met betrekking tot een blootgestelde werknemer
die deel uitmaakt van een vliegtuigbemanning:
a. deze voor zijn indiensttreding of tewerkstelling als zodanig
wordt voorgelicht omtrent de risico's van kosmische straling;
b. de grootte van de door hem ontvangen effectieve dosis ten
gevolge van kosmische straling wordt bepaald door middel van een
door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
vastgestelde methode;
c. indien een effectieve dosis van 6 mSv in een kalenderjaar
kan worden overschreden, ter voldoening aan de in artikel 5
gestelde verplichting een aangepast werkrooster wordt vastgesteld
en uitgevoerd en de desbetreffende werknemer wordt ingedeeld als
A-werknemer;
d. de door hem ten gevolge van kosmische straling ontvangen
effectieve dosis tezamen met de effectieve doses ten gevolge van
handelingen die onder verantwoordelijkheid van de ondernemer
worden verricht, 20 mSv in een kalenderjaar niet overschrijdt.
2.De artikelen 15, eerste en vijfde lid, 16, 79, 80, 90, 91, 92,
tweede lid, en 96 tot en met 100 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 92, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat in plaats van «de uitslag van de individuele
monitoring, bedoeld in de artikelen 87, 88 en 89» wordt gelezen: de
uitslag van de individuele monitoring, bedoeld in artikel 111, eerste
lid.
3.Dit artikel is niet van toepassing op vluchten die uitsluitend op
een hoogte van minder dan acht kilometer plaatsvinden.
4.Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan nadere
regels stellen met betrekking tot het bepaalde in dit artikel.
Hoofdstuk 9. Interventie
Artikel 112
1.Een interventie wordt slechts verricht indien de daarvan
verwachte beperking van de schade en de nadelige sociale en
maatschappelijke gevolgen veroorzaakt door straling, voldoende is om
de schade, de nadelige sociale en maatschappelijke gevolgen en de
kosten van de interventie te rechtvaardigen.
2.De vorm, de omvang en de duur van de interventie zijn zodanig,
dat het voordeel van de daarmee te bereiken beperking van de
gezondheidsschade, rekening houdend met de schade die aan de
interventie is verbonden, zo groot is als redelijkerwijs mogelijk is.
Artikel 113
1. Onze Minister, en:
a. indien het de krijgsmacht betreft, Onze Minister van
Defensie;
b. indien het medische stralingstoepassingen betreft, Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
c. indien het arbeidsbescherming betreft, Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
d. indien het mijnbouw betreft, Onze Minister van Economische
Zaken;
e. indien het lozing in het oppervlaktewater betreft, Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat;
f. indien het lozing in het oppervlaktewater of lozing in de
lucht betreft, Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;
zorgen ervoor dat er teams voor technische en medische interventie
en voor het verwijderen van radioactieve besmetting beschikbaar zijn,
die voor de uitvoering daarvan voldoende zijn toegerust.
2. De leden van deze teams zijn voldoende opgeleid voor de
uitvoering van hun taken.
Artikel 114
De artikelen 87, 89, 90, 92, 93 en 96 zijn van overeenkomstige
toepassing voor de teams bedoeld in artikel 113, eerste lid, met dien
verstande dat de daar bedoelde verplichtingen rusten op degene onder
wiens verantwoordelijkheid de interventie wordt verricht.
Artikel 115
De ondernemer zorgt ervoor dat voorzieningen worden getroffen ter
voorbereiding op het verrichten van een interventie voor het geval dat
zich binnen de locatie een radiologische noodsituatie voordoet. Hij
stelt voor iedere locatie een interventieplan op, dat hij regelmatig
test.
Artikel 116
1. De ondernemer treft, indien zich binnen de locatie een
radiologische noodsituatie voordoet, onverwijld alle passende
maatregelen om de gevolgen daarvan te beperken.
2. De ondernemer brengt de radiologische noodsituatie onverwijld
ter kennis van de burgemeester van de gemeente waar die situatie zich
voordoet.
3. De ondernemer maakt onverwijld een voorlopige beoordeling van de
omstandigheden en de gevolgen van die situatie en meldt deze aan de
burgemeester en aan Onze Minister.
4. De ondernemer zorgt ervoor dat alle medewerking wordt verleend
aan een interventie die door een bestuursorgaan wordt verricht.
Artikel 117
1. Onze in artikel 113 genoemde Ministers stellen, ieder voor zover
het het in dat artikel genoemde belang betreft, regels met betrekking
tot de uitvoering van interventies.
2. Degene onder wiens verantwoordelijkheid de interventie wordt
verricht, zorgt ervoor dat de gevolgen en de doeltreffendheid van een
interventie worden bepaald en geregistreerd.
Artikel 118
1. De artikelen 48, 49, 76 en 77 zijn in geval van interventie in
een radiologische noodsituatie niet van toepassing.
2. In geval van interventie in een radiologische noodsituatie
gelden voor werknemers en hulpverleners als dosisbeperking voor de
effectieve dosis voor:
levensreddend werk: 750 mSv
redden van belangrijke materiële belangen: 250 mSv
ondersteuning of uitvoering van metingen, evacuatie,
jodiumprofylaxe, openbare orde en veiligheid: 100 mSv
3. De in het tweede lid aangegeven waarden voor levensreddend werk
worden slechts overschreden, indien dat noodzakelijk is om
mensenlevens te redden of belangrijke materiële belangen veilig te
stellen, de betrokken werknemer of hulpverlener door de ondernemer is
geïnformeerd over de risico's van de interventie en de interventie
vrijwillig wordt uitgevoerd.
4. Artikel 113, tweede lid, en artikel 114, zijn van
overeenkomstige toepassing voor werknemers en hulpverleners die bij
een interventie belast zijn met de in het tweede lid genoemde taken.
Artikel 119
1. Onze in artikel 113 genoemde Ministers, ieder voor zover het het
in dat artikel genoemde belang betreft, of de ondernemer kunnen een
situatie aanmerken als een situatie die leidt tot langdurige
blootstelling als gevolg van een radiologische noodsituatie of van een
vroegere handeling of werkzaamheid.
2. Onze Ministers kunnen in het geval dat de situatie als bedoeld
in het eerste lid onder de verantwoordelijkheid van een ondernemer
valt, de ondernemer verplichten de interventie uit te voeren.
3. In een geval als bedoeld in het eerste lid, draagt degene onder
wiens verantwoordelijkheid de interventie wordt verricht, voor zover
dat nodig is met het oog op het gevaar van blootstelling, zorg voor:
a. de afbakening van het desbetreffende gebied;
b. de invoering van een bewakingssysteem voor de blootstelling;
c. de uitvoering van de interventie, overeenkomstig een door
Onze betrokken Minister goedgekeurd plan van aanpak;
d. het regelen van de toegang tot of het gebruik van de
locaties of gebouwen, die zich in het afgebakende gebied bevinden.
4. Met betrekking tot interventie in een geval als bedoeld in het
eerste lid is dit besluit, met uitzondering van de paragrafen 4.2 tot
en met 4.4 en de artikelen 39, onder b, 48, en 114 tot en met 118, van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 10. Administratie, nadere eisen en ontheffingen
Artikel 120
1. De ondernemer die handelingen verricht, houdt een administratie
bij van die handelingen.
2. De administratie bevat ten minste:
a. de naam van de rechtspersoon en de verantwoordelijke
deskundige;
b. de plaats waar de handelingen worden verricht;
c. een omschrijving van de aard en de omvang van de
handelingen.
3. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels voor de
inhoud en regels voor de bewaartermijnen van de administratie gesteld.
Artikel 120a
1. De ondernemer die handelingen verricht met een hoogactieve bron,
verstrekt Onze Minister schriftelijk de relevante gegevens met
betrekking tot die bron.
2. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met
betrekking tot die gegevens en de tijdstippen waarop deze worden
verstrekt.
Artikel 121
1. Degene die binnen een locatie handelingen verricht als bedoeld
in artikel 43, derde lid, houdt een administratie bij van die
handelingen.
2. De administratie bevat:
a. de naam van de houder van de vergunning en het nummer van de
voor de betrokken handelingen verleende vergunning;
b. het tijdstip waarop of de periode binnen een kalenderjaar
waarin de handelingen zijn verricht;
c. de plaats, de aard en de omvang van de handelingen;
d. de aan de handelingen toe te rekenen maximale toename van de
effectieve dosis die personen op enig punt buiten de locatie
kunnen ontvangen.
3. Indien degene die binnen een locatie handelingen gaat verrichten
als bedoeld in artikel 43, derde lid, opnamen maakt of radioscopie
toepast in het kader van niet destructief onderzoek wordt in de
administratie tevens het totaal aantal opnamen en uren radioscopie
binnen dezelfde locatie vermeld. Voor de toepassing van deze bepaling
wordt het aantal opnamen gelijk gesteld aan het aantal voor dat doel
gebruikte films.
4. Indien degene die binnen een locatie handelingen gaat verrichten
als bedoeld in het derde lid, een redelijk vermoeden heeft dat het
totaal aantal opnamen dat binnen de locatie zal worden gemaakt, het
aantal van 3300 in een kalenderjaar zal overschrijden, meldt hij dit
onverwijld aan Onze Minister en de opdrachtgever. Voor de toepassing
van deze bepaling wordt acht uur radioscopie gelijk gesteld met een
opname.
5. Degene die een administratie als bedoeld in het eerste lid
voert, bewaart de bescheiden waaruit die administratie bestaat, ten
minste gedurende vijf jaar na het kalenderjaar waarop zij betrekking
hebben.
6. In dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder
radioscopie verstaan: het door middel van ioniserende straling vanuit
een toestel of apparaat via een stralingsdetector produceren van een
visueel waarneembaar beeld door het geproduceerde signaal om te zetten
naar een videosignaal, dat wordt weergegeven door een monitor.
7. Het eerste lid geldt niet indien het aantal tevoren geschatte
opnamen per kalenderjaar minder dan 100 is.
Artikel 122
1.Degene die handelingen verricht voldoet aan nadere eisen terzake
van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.
2.Nadere eisen die uitsluitend betrekking hebben op de bescherming
van werknemers tegen ioniserende straling ten gevolge van handelingen
worden gesteld:
a. indien het mijnbouw betreft: door de Inspecteur-Generaal der
Mijnen;
b. indien het andere handelingen betreft: door een daartoe door
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen
ambtenaar.
3.Indien deze nadere eisen die geen betrekking hebben op de
bescherming van werknemers tegen ioniserende straling bij door hen te
verrichten handelingen, worden ze gesteld door de inspecteur, of de
Inspecteur-Generaal voor de Gezondheidszorg, voor zover het de onder
hen ressorterende belangen betreft of indien het de mijnbouw op het
continentaal plat betreft, de Inspecteur-Generaal der Mijnen.
4.Nadere eisen die zowel de in het tweede als in het derde lid
bedoelde belangen betreffen, worden gesteld door de in die leden
genoemde bestuursorganen gezamenlijk.
Artikel 123
1. In bijzondere gevallen kan Onze Minister en Onze Ministers van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, indien het radiologische
verrichtingen betreft, van Defensie, indien het de krijgsmacht betreft
en van Economische Zaken, indien het mijnbouw betreft, ontheffing
verlenen van de voorschriften in paragraaf 3.3, en de artikelen 120 en
121.
2. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
3. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van
de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in
het eerste lid.
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 124
1. Indien dit in het belang van de bescherming tegen ioniserende
straling naar het oordeel van Onze Ministers dringend noodzakelijk is
en naar hun oordeel een wijziging van dit besluit niet kan worden
afgewacht, kunnen bij regeling van Onze Ministers regels worden
gesteld, die van dit besluit afwijken maar met een strekking als
bedoeld in dit besluit. Een zodanige regeling vervalt een jaar nadat
zij in werking is getreden, of, indien binnen die termijn een
wijziging van de betrokken bepaling van dit besluit inwerking is
getreden, op het tijdstip waarop die wijziging in werking treedt. Onze
Ministers kunnen de termijn bij ministeriële regeling eenmaal met ten
hoogste een jaar verlengen.
2. De waarden van bijlage 1, de tabellen 1, 2 en 3, en van bijlage
4 kunnen bij regeling van Onze Minister worden gewijzigd.
Artikel 125
Het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet en het Besluit
registratie radioactieve stoffen en kosten keuringsdiensten
Kernenergiewet worden ingetrokken.
Artikel 126
[Wijzigt het Mijnreglement continentaal plat.]
Artikel 127
1. Een vergunning, die voor de datum van inwerkingtreding van dit
besluit is verleend krachtens:
a. artikel 29 van de wet, juncto artikel 6 en 7 van het Besluit
stralenbescherming Kernenergiewet zoals dat besluit luidde tot de
datum van inwerkingtreding van dit besluit;
b. artikel 34 van de wet, juncto artikel 8 van het Besluit
stralenbescherming Kernenergiewet zoals dat besluit luidde tot de
datum van inwerkingtreding van dit besluit, of
c. artikel 26 van de Mijnwet continentaal plat, juncto artikel
167 van het Mijnreglement continentaal plat, zoals dat besluit
luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, berust
na de datum van inwerkingtreding van dit besluit op de artikelen
23, 24, 25 of 108 van dit besluit.
2. Een handeling met een toestel waarvoor voor de datum van
inwerkingtreding van dit besluit vergunning is verleend bij of
krachtens artikel 34 van de wet, juncto artikel 8, eerste lid, onder
b, van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet zoals dat besluit
luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, wordt geacht
te zijn gemeld overeenkomstig artikel 21 van dit besluit.
3. De ondernemer die een handeling of een werkzaamheid met een
radioactieve stof verricht waarvoor krachtens artikel 29 van de wet,
juncto artikel 6, eerste en tweede lid, en artikel 7, eerste en tweede
lid, van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, zoals dat
besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit of
krachtens artikel 34 van de wet, geen vergunning is vereist maar
waarvoor hij bij of krachtens dit besluit wel een vergunning behoeft,
dient binnen 12 maanden na inwerkingtreding van dit besluit een
aanvraag in overeenkomstig artikel 43 van dit besluit. Totdat Onze
Ministers hebben beslist op die aanvraag, wordt de handeling
aangemerkt te zijn verricht overeenkomstig dit besluit.
4. De ondernemer die een werkzaamheid verricht waarvoor krachtens
de wet tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit geen melding
of vergunning is vereist, maar waarvoor krachtens hoofdstuk 8 van dit
besluit melding is vereist, meldt de werkzaamheid voor een door Onze
Ministers nader te bepalen tijdstip. Tot dat tijdstip wordt de
werkzaamheid geacht te zijn gemeld overeenkomstig dit besluit.
5. De ondernemer die een werkzaamheid verricht waarvoor krachtens
de wet tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit een
vergunning is verleend, maar waarvoor krachtens hoofdstuk 8 van dit
besluit een melding is vereist, wordt geacht de werkzaamheid te hebben
gemeld overeenkomstig artikel 103 van dit besluit. De aan de
vergunning verbonden voorschriften blijven na de datum van
inwerkingtreding van hoofdstuk 8 van dit besluit gelden.
6. Een toestel als bedoeld in artikel 34 van de wet, juncto artikel
4, tweede lid, van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet,
zoals dat besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit
besluit, respectievelijk een handeling met een radioactieve stof als
bedoeld in artikel 29 van de wet, juncto artikel 6, derde lid, van het
Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, zoals dat besluit luidde
tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, worden aangemerkt
als een toestel dat ingevolge artikel 21, tweede lid, onder d, van dit
besluit is goedgekeurd, onderscheidenlijk een handeling van een type,
dat ingevolge artikel 26, eerste lid, onder a, van dit besluit is
goedgekeurd.
7. De handelingen waarvoor het eerste en tweede lid van toepassing
zijn en die op grond van artikel 4 niet-gerechtvaardigd zijn, of
behoren tot een categorie die niet-gerechtvaardigd zijn, worden op de
datum van inwerkingtreding van dit besluit aangemerkt als
gerechtvaardigd.
8. Handelingen die voor het in werking treden van dit besluit zijn
gemeld overeenkomstig het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet,
en die niet overeenkomstig artikel 4 zijn gerechtvaardigd, of behoren
tot een categorie die niet overeenkomstig artikel 4 gerechtvaardigd
is, worden gelijkgesteld met overeenkomstig artikel 4 gerechtvaardigde
handelingen.
Artikel 128
Op de aanvragen voor een vergunning krachtens artikel 29 van de wet,
juncto de artikelen 6 en 7 van het Besluit stralenbescherming
Kernenergiewet, zoals dat besluit luidde tot de datum van
inwerkingtreding van dit besluit, en aangiften van een toestel krachtens
artikel 72 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, die zijn
gedaan voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit wordt beslist
overeenkomstig de regels krachtens het Besluit stralenbescherming
Kernenergiewet, zoals dat besluit luidde tot de datum van
inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 129
Voor de behandeling van bezwaar of beroep, ingesteld voor de datum
van inwerkingtreding van dit besluit tegen vergunningen als bedoeld in
artikel 127, die overeenkomstig de artikelen van het Besluit
stralenbescherming Kernenergiewet, zoals dat besluit luidde tot de datum
van inwerkingtreding van dit besluit, zijn verleend of geweigerd,
blijven die artikelen van dit Besluit stralenbescherming Kernenergiewet
en de krachtens die artikelen gestelde regels van toepassing, met dien
verstande, dat in het geval na de datum van inwerkingtreding van dit
besluit een bezwaar of beroep leidt tot vernietiging van het besluit tot
verlening van een vergunning, een nieuw besluit wordt genomen met
toepassing van dit besluit.
Artikel 130
1.Voor degene voor wie op de datum van inwerkingtreding van dit
besluit een verplichting gold tot het voldoen aan een nadere eis als
bedoeld in artikel 75 juncto artikel 82b van het Besluit
stralenbescherming Kernenergiewet, zoals dat besluit luidde tot de
datum van inwerkingtreding van dit besluit, is artikel 122 van dit
besluit van toepassing; die nadere eis berust na de datum van
inwerkingtreding van dit besluit op artikel 122.
2.Op de ontheffing, die voor de datum van inwerkingtreding van dit
besluit is gegeven krachtens artikel 77 juncto artikel 82d van het
Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, zoals dat besluit luidde
tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, is artikel 123 van
dit besluit van toepassing; die ontheffing berust na de datum van
inwerkingtreding van dit besluit op artikel 123.
Artikel 131
Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten:
a. de beschikking van 31 augustus 1987 inzake erkenning Centrale
Organisatie voor Radioactief Afval N.V. als ophaaldienst, op artikel
37, zevende lid, van dit besluit;
b. het besluit houdende instelling gecentraliseerd systeem voor
opslag radiologische gegevens en vaststelling stralingspaspoort, op
de artikelen 91 en 94 van dit besluit;
c. de beschikkingen krachtens artikel 25, eerste lid, juncto
artikel 81, eerste lid van het Besluit stralenbescherming
Kernenergiewet, zoals dat besluit luidde tot de datum van
inwerkingtreding van dit besluit, op artikel 8, eerste lid, van dit
besluit;
d. de Regeling aanwijzing Elektronenmicroscopen Kernenergiewet
1998 op artikel 21, tweede lid, onder d, van dit besluit;
e. de Regeling aanwijzing rookmelders Kernenergiewet 2000-II op
artikel 26, tweede lid, van dit besluit.
Artikel 132
1. Tot een bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid te bepalen datum wordt een persoon, die krachtens
artikel 34, eerste lid, van het Besluit stralenbescherming
Kernenergiewet, zoals dat besluit luidde tot de datum van
inwerkingtreding van dit besluit, is erkend als arts die belast is met
het medisch toezicht aangemerkt als stralingsarts, die is ingeschreven
in het register, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
2. Tot een bij regeling van Onze Ministers te bepalen datum wordt
een persoon, die in het bezit is van een diploma van een opleiding op
de niveaus, bedoeld in de Regeling erkenning opleidingen deskundigen
radioactieve stoffen en toestellen zoals deze regeling luidde tot de
datum van inwerkingtreding van dit besluit en de richtlijn van 20
november 1984 voor erkenning van opleidingen deskundigen radioactieve
stoffen en toestellen, aangemerkt als een deskundige die is
ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 7, tweede lid.
3. Tot een bij regeling van Onze Ministers te bepalen datum wordt
een opleiding, die overeenkomstig de Regeling erkenning opleidingen
deskundigen radioactieve stoffen en toestellen zoals deze regeling
luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit en de
richtlijn van 20 november 1984 voor erkenning van opleidingen
deskundigen radioactieve stoffen en toestellen is erkend, aangemerkt
als een opleiding als bedoeld in het tweede lid.
4. Tot een bij ministeriële regeling te bepalen datum kunnen Onze
Ministers en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een
opleiding als bedoeld in het tweede lid erkennen.
Artikel 133
[Wijzigt het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen]
Artikel 134
[Wijzigt het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve
stoffen]
Artikel 135
[Wijzigt het Bijdragenbesluit Kernenergiewet 1981]
Artikel 136
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 137
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit stralingsbescherming.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Tavarnelle, 16 juli 2001
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.F.
Hoogervorst
De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J.P.
Pronk
De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,
E.
Borst-Eilers
Uitgegeven de zesde september
2001
De Minister van Justitie,
A.H.
Korthals
Bijlagen
niet opgenomen
|