| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen
REGLEMENT
JUSTITIËLE JEUGDINRICHTINGEN
Tekst zoals deze geldt op
28 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
BESLUIT van 5 juli 2001, houdende vaststelling van het Reglement
justitiële jeugdinrichtingen en daarmee verband houdende wijziging van
enkele besluiten (Reglement justitiële jeugdinrichtingen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 26 februari 2001,
5082413/01/6, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Gelet op de artikelen 3, tweede lid, 7, vijfde lid, 8, derde lid, 20,
tweede lid, 21, tweede lid, 30, vijfde lid, 31, vijfde lid, 37, tweede
lid, 46, vierde lid, 47, vijfde lid, 52, vijfde lid, 63, tweede lid ,
66, vierde lid, 70, tweede lid, en 72, vierde lid, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen, de artikelen 66, tweede lid, 67, eerste
lid en 68 van de Wet op de jeugdhulpverlening, artikel 77ff, tweede lid,
van het Wetboek van Strafrecht, artikel 15 van de Gratiewet, artikel 19b, vierde lid, van de Ziektewet, de artikelen
19a, vijfde lid, en 47b,
vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
artikelen 7b, vijfde lid, en 21b, vierde lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de artikelen 6b, vijfde
lid, en 20a, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, artikel 19, achtste lid, van de Werkloosheidswet,
artikel 32c, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet, artikel 9,
vierde lid, van de Algemene bijstandswet, artikel 6, vierde lid, van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers, artikel 6, zesde lid, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, en artikel 5, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars en artikel 16, zesde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet
1998;
De Raad van State gehoord (advies van 7 mei 2001,
nr. W03.01.0116/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en de
Staatssecretaris van Justitie van 3 juli 2001, 5102134/01/6, uitgebracht
in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. de wet: de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
b. executie-indicator: de aantekening van het openbaar
ministerie bij het aanbieden van een vonnis ter executie aan Onze
Minister waarin wordt aangegeven dat het openbaar ministerie wil
adviseren over te nemen beslissingen inzake de verschillende
vormen van te verlenen vrijheden en deelname aan een scholings- en
trainingsprogramma aan de betrokken jeugdige;
c. jeugdreclassering: een stichting als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, bij de uitvoering van de
taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, van die
wet.
d. reclassering: een reclasseringsinstelling als bedoeld in
artikel 1, onder b, van de Reclasseringsregeling 1995;
e. raad voor de kinderbescherming: de raad, bedoeld in artikel
238, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
f. stichting: een stichting als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, van de Wet op de jeugdzorg.
Hoofdstuk 2. Scholings- en trainingsprogramma
Artikel 2
1. Een scholings- en trainingsprogramma omvat minimaal 26 uur per
week aan activiteiten waaraan door de deelnemer aan dat scholings-
en trainingsprogramma wordt deelgenomen.
2. De activiteiten in een scholings- en trainingsprogramma zijn
gericht op:
a. het aanleren van bepaalde sociale vaardigheden,
b. het bieden van onderwijs,
c. het vergroten van de kans op arbeid na het einde van de
vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel,
d. het bieden van bijzondere zorg aan de deelnemer, zoals
verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg of verstandelijk
gehandicaptenzorg,
e. het invullen van de vrije tijd, of
f. geven op andere wijze invulling aan het met handhaving van
het karakter van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende
maatregel aanwenden van de tenuitvoerlegging daarvan aan de
opvoeding dan wel behandeling van de jeugdige en de
voorbereiding van diens terugkeer in de maatschappij.
3. Van een scholings- en trainingsprogramma wordt een
schriftelijke omschrijving gemaakt. Deze omvat in ieder geval een
beschrijving van de activiteiten, een regeling van de
verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het programma, de
begeleiding van en het toezicht op de deelnemer aan het scholings-
en trainingsprogramma, de melding van bijzondere voorvallen en de
wijze en de frequentie van rapporteren over de deelnemer aan het
scholings- en trainingsprogramma. Wanneer het scholings- en
trainingsprogramma voor meerdere jeugdigen is bedoeld wordt tevens
de doelgroep van het programma omschreven.
4. Onze Minister kan nadere regels stellen over de procedure voor
de erkenning van een scholings- en trainingsprogramma en over de
kwaliteitseisen waaraan een scholings- en trainingsprogramma moet
voldoen.
Artikel 3
Voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma komen niet
in aanmerking:
a. tot vrijheidsstraf veroordeelde jeugdigen ten aanzien van
wie nog een andere strafvervolging is ingesteld, waarbij een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel is gevorderd;
b. tot vrijheidsstraf veroordeelde jeugdigen ten aanzien van
wie de tenuitvoerlegging van een tevens opgelegde maatregel van
plaatsing in een inrichting voor jeugdigen nog moet aanvangen;
c. voorlopig gehechte jeugdigen;
d. jeugdigen ten aanzien van wie vaststaat dat zij, na de
tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel, Nederland dienen te verlaten dan wel zullen worden
uitgezet of uitgeleverd;
e. de jeugdigen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c,
van de wet.
Artikel 4
1. Een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf in de inrichting plaatsvindt, neemt deel aan een
scholings- en trainingsprogramma, indien:
a. de jeugdige tenminste tweederde van de hem opgelegde
onherroepelijke vrijheidsstraf heeft ondergaan, en
b. het strafrestant minimaal drie maanden bedraagt.
2. Het scholings- en trainingsprogramma, bedoeld in het eerste
lid, heeft een maximale duur van drie maanden.
Artikel 5
1. Een tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor
jeugdigen veroordeelde jeugdige kan in aanmerking komen voor
deelname aan een scholings- en trainingsprogramma.
2. Het scholings- en trainingsprogramma, bedoeld in het eerste
lid, neemt op zijn vroegst een aanvang:
a. drie maanden voor het voorwaardelijke einde van de
maatregel die maximaal drie jaren duurt;
b. zes maanden voor het voorwaardelijk einde van de maatregel
die meer dan drie jaar en minder dan vijf jaren duurt, of;
c. een jaar voor het voorwaardelijk einde van de maatregel
die maximaal zeven jaren duurt.
3. In bijzondere gevallen kan voor een langere duur worden
deelgenomen aan een scholings- en trainingsprogramma.
Artikel 6
Jeugdigen die op grond van artikel 29k van de Wet op de jeugdzorg
in een inrichting verblijven komen niet in aanmerking voor deelname
aan een scholings- en trainingsprogramma, tenzij de deelname aan dit
programma reeds een aanvang had genomen voor het tijdstip waarop de in
artikel 29k, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg bedoelde
machtiging werd verleend.
Artikel 7 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 8
1. De directeur vraagt een machtiging tot deelname aan een
scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de wet
schriftelijk aan bij Onze Minister. De directeur doet in zijn
aanvraag verslag van de aspecten, bedoeld in artikel 9, eerste en
tweede lid, en vermeldt de voorwaarden bedoeld in artikel 12, eerste
lid. De aanvraag vermeldt voorts de duur van de deelname aan het
scholings- en trainingsprogramma.
2. De directeur voegt bij de aanvraag het advies van het openbaar
ministerie, indien de aanvraag betrekking heeft op een jeugdige ten
aanzien van wie het openbaar ministerie een executie-indicator heeft
gegeven. De aanvraag wordt opgesteld in samenwerking met de
jeugdreclassering, dan wel de reclassering in het arrondissement
waarin aan het scholings- en trainingsprogramma wordt deelgenomen.
De raad voor de kinderbescherming wordt door de directeur in de
gelegenheid gesteld advies uit te brengen.
3. De directeur overlegt met de jeugdige alvorens hij zijn
aanvraag opstelt.
4. Bij het opstellen van de aanvraag betrekt de directeur zo veel
mogelijk de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, tenzij:
a. deze te kennen geven hierbij geen rol te willen vervullen,
of
b. zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen
verzetten.
5. Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk
binnen vier weken, op de aanvraag van de directeur. Onze Minister
betrekt in zijn beslissing de aspecten, bedoeld in artikel 9, eerste
en tweede lid, en de voorwaarden, bedoeld in artikel 12, eerste lid.
6. Onze Minister kan een machtiging tot deelname aan het
programma weigeren, indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan de eisen gesteld in het
eerste lid;
b. naar zijn oordeel het karakter van vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel met de wijze waarop het programma
is vormgegeven onverenigbaar is, of;
c. dat het programma naar zijn oordeel niet zal bijdragen aan
een geslaagde terugkeer in de samenleving.
7. De beslissing wordt schriftelijk medegedeeld aan de directeur
en de jeugdreclassering, dan wel de reclassering die aan de aanvraag
heeft meegewerkt, alsmede, voor zover het een minderjarige jeugdige
betreft, aan de raad voor de kinderbescherming.
8. Onze Minister kan nadere regels stellen over de procedure voor
het aanvragen en het verlenen van een machtiging tot deelname aan
een scholings- en trainingsprogramma en het intrekken daarvan.
Artikel 9
1. Bij zijn beslissing om een jeugdige in de gelegenheid te
stellen deel te nemen aan een scholings- en trainingsprogramma
betrekt de directeur in ieder geval de volgende aspecten:
a. het gedrag van de jeugdige, het nakomen van afspraken door
de jeugdige en diens gemotiveerdheid om aan een scholings- en
trainingsprogramma deel te nemen;
b. de mate waarin de jeugdige tijdens zijn deelname in staat
kan worden geacht de met de grotere vrijheden gepaard gaande
verantwoordelijkheid te dragen;
c. een aanvaardbaar verblijfadres;
d. de geschiktheid van de jeugdige voor een bepaald scholings-
en trainingsprogramma.
2. Bij jeugdigen die op strafrechtelijke titel in de inrichting
verblijven betrekt de directeur tevens de volgende aspecten:
a. de aard, de zwaarte en de achtergronden van het gepleegde
delict;
b. het huidige detentieverloop;
c. het gevaar voor recidive.
3. De directeur neemt zijn beslissing over deelname aan een
scholings- en trainingsprogramma niet dan nadat de jeugdige zich
schriftelijk bereid heeft verklaard tot deelname aan het programma
en naleving van de daaraan verbonden voorwaarden.
4. De directeur stelt de raad voor de kinderbescherming voor
zover het betreft minderjarige jeugdigen, het openbaar ministerie
bij de rechtbank die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het
misdrijf terzake waarvan de maatregel van plaatsing in een
inrichting voor jeugdigen is gelast, en het openbaar ministerie in
het arrondissement waarin de jeugdige tijdens het scholings- en
trainingsprogramma zal verblijven, schriftelijk in kennis van zijn
beslissing.
5. Bij aanvang van het scholings- en trainingsprogramma ontvangt
de jeugdige van de directeur een schriftelijke verklaring waarin de
activiteiten van het scholings- en trainingsprogramma en de daaraan
verbonden voorwaarden zijn vermeld, benevens de gronden waarop de
deelname aan het scholings- en trainingsprogramma kan worden
beëindigd.
Artikel 10
1. De algemene verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van
een scholings- en trainingsprogramma ligt bij de directeur van de
inrichting waarin de deelnemer aan het scholings- en
trainingsprogramma is ingeschreven.
2. De jeugdreclassering dan wel de reclassering die
verantwoordelijk is voor de feitelijke uitvoering van het programma,
is belast met de begeleiding van de jeugdige en houdt toezicht op
het dagelijkse verloop van het scholings- en trainingsprogramma. Zij
beoordeelt in eerste instantie of de activiteiten naar behoren
worden verricht en de voorwaarden naar behoren worden nageleefd en
kan in dat kader opdrachten geven aan de deelnemer. Zij kan in de
wijze of het tijdstip waarop de activiteiten binnen het scholings-
en trainingsprogramma worden uitgevoerd, wijzigingen aanbrengen. Van
deze wijzigingen stelt zij de directeur onverwijld schriftelijk op
de hoogte. Periodiek rapporteert zij aan de directeur over de
deelname van de jeugdige aan het scholings- en trainingsprogramma.
Artikel 11
De noodzakelijke kosten van bestaan tijdens deelname aan een
scholings- en trainingsprogramma komen niet ten laste van Onze
Minister, tenzij het gaat om de kosten van een pleegkind in het kader
van een uithuisplaatsing en de Regeling vergoeding pleeggezinnen van
toepassing is.
Artikel 12
1. Aan de deelname door een jeugdige aan een scholings- en
trainingsprogramma worden, onverminderd eventuele nader door de
directeur te stellen bijzondere voorwaarden, de volgende algemene
voorwaarden verbonden:
a. de deelnemer aan het scholings- en trainingsprogramma
gedraagt zich overeenkomstig de aanwijzingen van degene die is
belast met zijn begeleiding en het houden van toezicht op hem en
verschaft aan deze alle verlangde inlichtingen;
b. hij doet tevoren melding aan de directeur van een
verandering van zijn verblijfplaats;
c. hij maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2. Aan de deelname aan een scholings- en trainingsprogramma kan
de bijzondere voorwaarde worden gesteld dat de deelnemer zich onder
elektronische controle laat stellen. Onze Minister kan nadere regels
stellen over het elektronische controle.
3. Degene die belast is met de feitelijke uitvoering van het
scholings- en trainingsprogramma rapporteert terstond aan de
directeur in geval van overtreding van de voorwaarden. De directeur
kan, afhankelijk van de ernst van de overtreding, alsdan beslissen
tot:
a. het geven van een waarschuwing aan de deelnemer aan het
scholings- en trainingsprogramma;
b. wijziging of aanvulling van de bijzondere voorwaarden,
gesteld aan deelname aan een scholings- en trainingsprogramma;
c. tijdelijke terugplaatsing van de jeugdige in de
inrichting, met bepaling van de duur daarvan;
d. algehele beëindiging van het scholings- en
trainingsprogramma.
4. De directeur geeft de deelnemer aan een scholings- en
trainingsprogramma van een beslissing als bedoeld in het derde lid
onverwijld schriftelijk en zo veel mogelijk in een voor hem
begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en
ondertekende mededeling.
5. Van het stellen van bijzondere voorwaarden, de overtreding van
de voorwaarden en een beslissing als bedoeld in het derde lid, doet
de directeur mededeling aan Onze Minister, de jeugdreclassering dan
wel de reclassering die de jeugdige begeleidt, het openbaar
ministerie en de raad voor de kinderbescherming.
Artikel 12a
1. Onze Minister kan de machtiging intrekken:
a. bij overtreding van de voorwaarden, bedoeld in artikel 12,
eerste lid;
b. zodra de jeugdige vierentwintig uur ongeoorloofd afwezig
is, tenzij sprake is van overmacht;
c. zodra het openbaar ministerie aan de directeur meldt dat
de jeugdige wordt aangemerkt als verdachte van een strafbaar
feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, begaan tijdens
de deelname aan het scholings-en trainingsprogramma;
d. indien feiten of omstandigheden bekend worden waardoor,
indien deze ten tijde van het verlenen van de machtiging bekend
waren geweest, de machtiging niet of niet in deze vorm zou zijn
verleend.
2. Indien Onze Minister de machtiging tot deelname aan een
scholings- en trainingsprogramma intrekt, geeft hij daarvan terstond
kennis aan de directeur, die daarop de deelname van de jeugdige aan
het programma beëindigt. De kennisgeving wordt, onder vermelding
van de datum van ingang van de beslissing, schriftelijk bevestigd.
Artikel 13
1. De deelnemer aan een scholings- en trainingsprogramma kan bij
de beklagcommissie bij de inrichting waarin hij is ingeschreven een
klacht indienen over de beslissingen, bedoeld in artikel 12, derde
lid.
2. De artikelen 65, tweede en derde lid, 66, 67, 68, 69, 70, 72,
met uitzondering van het derde lid, het vijfde lid, tweede volzin,
en het zesde lid, 73, 74, 75 en 76 van de wet zijn van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3. Commissie van toezicht en beklagcommissie
Artikel 14
1. Bij elke inrichting of afdeling is een commissie van toezicht,
waarvan de leden worden benoemd voor de tijd van vijf jaren. Zij
kunnen tweemaal voor herbenoeming in aanmerking komen.
2. De commissie bestaat uit ten minste zes en ten hoogste een
door Onze Minister vast te stellen aantal leden.
3. De commissie van toezicht is zo breed mogelijk samengesteld.
Van elke commissie maken in elk geval deel uit:
a. een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht;
b. een advocaat;
c. een deskundige op het gebied van de gedragswetenschappen;
d. een deskundige op het gebied van de pedagogische
hulpverlening.
Artikel 15
1. De leden van de commissie van toezicht worden door Onze
Minister benoemd en ontslagen. Onze Minister wijst uit de leden een
voorzitter aan.
2. Aan de commissie is een secretaris verbonden. Deze is geen lid
van de commissie. De secretaris wordt door Onze Minister benoemd en
ontslagen. De secretaris van de commissie van toezicht is tevens
secretaris van de beklagcommissie.
3. De commissie kan uit haar midden een of meer plaatsvervangende
secretarissen aanwijzen om, in overleg met de secretaris, bepaalde
secretariaatswerkzaamheden te verrichten en de secretaris bij diens
afwezigheid te vervangen. Onze Minister kan aan een commissie van
toezicht een of meer plaatsvervangende secretarissen toevoegen die
geen lid zijn van de commissie.
4. Onze Minister beslist binnen drie maanden op een verzoek tot
benoeming als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid.
Artikel 16
Voor benoeming als lid, secretaris of plaatsvervangend secretaris
komen niet in aanmerking:
a. ambtenaren of andere personen, werkzaam onder de
verantwoordelijkheid van Onze Minister op het terrein van de
tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen,
niet zijnde officieren van justitie of advocaten-generaal;
b. personeelsleden of medewerkers, werkzaam bij een inrichting,
dan wel leden van het bestuur of de Raad van Toezicht van de
rechtspersoon die een inrichting beheert;
c. personen, werkzaam bij een door Onze Minister gesubsidieerde
instelling die werkzaam is op het terrein van de tenuitvoerlegging
van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen, indien
zij in het kader van de uitoefening van hun functie te maken
hebben met de personen, ingesloten in de inrichting waarbij de
commissie van toezicht is ingesteld;
d. personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onze
Minister, indien hun onafhankelijkheid of onpartijdigheid hetzij
door hun positie, hetzij door de aard van hun werkzaamheden in het
geding zou kunnen komen;
e. personen tegen wie bezwaren bestaan tegen de vervulling van
de functie die blijken uit de algemene documentatieregisters als
bedoeld in het Besluit inlichtingen justitiële documentatie of de
politiegegevens, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet
politiegegevens. De bezwaren hebben betrekking op het
vertrouwelijk karakter van de functie alsmede de aan de functie
verbonden bevoegdheden;
f. personen werkzaam bij de Raad of de Inspectie jeugdzorg.
Artikel 17
1. Een lid van de commissie van toezicht wordt door Onze Minister
tussentijds ontslagen:
a. op eigen verzoek;
b. bij de aanvaarding van een ambt of betrekking dat
onverenigbaar is met het lidmaatschap van een commissie van
toezicht;
c. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk
een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming
tot gevolg heeft;
d. wanneer hij naar het oordeel van Onze Minister door
handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan het in hem te
stellen vertrouwen.
2. Aan een lid kan door Onze Minister tussentijds ontslag worden
verleend bij het verlies van de hoedanigheid of beëindiging van de
ambtsvervulling in verband waarmede de benoeming heeft
plaatsgevonden.
3. Hangende de procedure voor ontslag kan Onze Minister het lid
in de uitoefening van zijn functie schorsen.
Artikel 18
1. De leden van de commissie van toezicht hebben ten behoeve van
de uitoefening van hun taak te allen tijde toegang tot alle plaatsen
in de inrichting en tot alle plaatsen waar een scholings- en
trainingsprogramma ten uitvoer wordt gelegd.
2. De leden van de commissie van toezicht ontvangen van de
directeur en de personeelsleden of medewerkers bij de inrichting of
afdeling of het scholings- en trainingsprogramma alle door hen
gewenste inlichtingen ten aanzien van de jeugdigen onderscheidenlijk
deelnemers aan een scholings- en trainingsprogramma en kunnen alle
op de wijze van tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en
maatregelen betrekking hebbende stukken inzien, voor zover dit
redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van hun taak. Zij zijn
tot geheimhouding verplicht behoudens voor zover enig wettelijk
voorschrift hen tot bekendmaking verplicht of in verband met de
tenuitvoerlegging van hun taak de noodzaak tot bekendmaking
voortvloeit. Dossiers die jeugdigen dan wel deelnemers aan een
scholings- en trainingsprogramma betreffen kunnen worden ingezien,
tenzij de betrokkene bezwaar maakt.
3. De directeur brengt alle voor de uitoefening van de taak der
commissie belangrijke feiten en omstandigheden ter kennis van de
commissie.
Artikel 19
1. De commissie van toezicht vergadert, in beginsel, eenmaal in
de maand.
2. De directeur woont de vergaderingen van de commissie van
toezicht bij. Hij brengt op iedere vergadering een algemeen verslag
uit over hetgeen sedert de vorige vergadering in de inrichting of
afdeling is geschied.
3. De commissie kan besluiten buiten tegenwoordigheid van de
directeur te vergaderen.
4. Onze Minister is bevoegd vergaderingen van de commissie van
toezicht door een door hem aan te wijzen ambtenaar van zijn
ministerie te doen bijwonen.
5. In iedere vergadering van de commissie van toezicht wordt
mededeling gedaan van de grieven terzake waarvan werd bemiddeld, de
door de beklagcommissie behandelde klaagschriften en de bijzondere
opmerkingen waartoe zij aanleiding geven.
Artikel 20
1. De maandcommissaris, bedoeld in artikel 7, vierde lid, tweede
volzin, van de wet, houdt ten minste tweemaal per maand in de
inrichting of afdeling spreekuur. Dit spreekuur wordt tijdig
bekendgemaakt en kan worden bezocht door elke jeugdige of deelnemer
aan een scholings- en trainingsprogramma die de wens daartoe te
kennen geeft.
2. De maandcommissaris doet van zijn werkzaamheden verslag aan de
commissie van toezicht en informeert tevens de directeur hierover.
Artikel 21
1. De beklagcommissie of, indien artikel 67, tweede lid, van de
wet wordt toegepast, de voorzitter dan wel de door hem aangewezen
persoon, houdt zitting zo dikwijls als een onverwijlde behandeling
en afdoening van de klaagschriften dit noodzakelijk maken. Deze
wordt bijgestaan door een secretaris.
2. Indien de beklagcommissie zitting houdt treedt bij voorkeur
als voorzitter op een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke
macht.
Artikel 22
1. De commissie van toezicht brengt jaarlijks vóór 1 mei aan
Onze Minister en aan de Raad en, voor zover het een particuliere
inrichting betreft, tevens aan het bestuur, verslag uit over haar
werkzaamheden in het voorgaande jaar. Een afschrift van het
jaarverslag wordt aan de Inspectie Jeugdzorg gezonden.
2. Zij schenkt in haar verslag in het bijzonder aandacht zowel
aan de door haar ingevolge artikel 64 van de wet verrichte
bemiddelingen en de uitkomsten daarvan als aan de werkzaamheden van
de beklagcommissie, onder meer door een overzicht van de
klaagschriften en de daarop genomen beslissingen. Onze Minister kan
een model vaststellen omtrent de inrichting van het verslag.
Artikel 23
1. De kosten van de commissie van toezicht worden door de Staat
gedragen.
2. De leden van de commissie van toezicht genieten vergoeding van
reis- en verblijfkosten en een vacatiegeld met betrekking tot hun
werkzaamheden, overeenkomstig de bepalingen welke te dien aanzien
voor de burgerlijke rijksambtenaren zijn vastgesteld.
3. Voor zover de secretaris of de plaatsvervangend secretaris
geen ambtenaar is geniet deze tevens de in het tweede lid bedoelde
vergoeding.
Hoofdstuk 4. De inrichting
Artikel 24
De inrichtingen dragen zorg voor een veilige omgeving voor en een
menswaardige bejegening van de jeugdigen. Zij dragen bij aan een beter
sociaal functioneren van de jeugdige, door middel van een verplicht
gesteld pedagogisch dagprogramma en individueel behandelprogramma.
Voorts dragen zij bij aan een goede voortgang van de rechtsgang. Het
doel van het verblijf in de inrichting is de kans op ontsporing van de
jeugdige na diens terugkeer in de maatschappij te verminderen.
Hoofdstuk 5. Het perspectiefplan
Artikel 25
1. Het perspectiefplan wordt opgesteld onder de
verantwoordelijkheid van de directeur.
2. Bij het opstellen en het wijzigen van het perspectiefplan zijn
in ieder geval betrokken de groepsleider of mentor van de jeugdige,
een leerkracht en een gedragsdeskundige.
3. Bij het opstellen en wijzigen van het perspectiefplan voor
jeugdigen die op strafrechtelijke titel in de inrichting verblijven,
betrekt de inrichting tevens de jeugdreclassering dan wel de
reclassering en de raad voor de kinderbescherming.
4. Bij het opstellen en wijzigen van het perspectiefplan voor
jeugdigen die op grond van artikel 29k, tweede lid, van de Wet op de
jeugdzorg in een inrichting zijn geplaatst, pleegt de inrichting
overleg met de betrokken stichting.
5. Bij het opstellen en wijzigen van het perspectiefplan betrekt
de inrichting zo veel mogelijk de ouders of voogd, stiefouder of
pleegouders, tenzij:
a. deze te kennen geven hierbij geen rol te willen vervullen,
of;
b. zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen
verzetten.
Artikel 26
1. In het perspectiefplan wordt ten minste opgenomen:
a. een diagnose van de problematiek van de jeugdige;
b. een beschrijving van de behandeling;
c. medische gegevens, voor zover deze relevant zijn voor de
behandeling;
d. de gestelde doelen aangaande de ontwikkeling van de
jeugdige;
e. de wijze waarop en de middelen waarmee die doelen bereikt
kunnen worden;
f. de verwachting met betrekking tot de behandelingsduur;
g. een aanduiding van de groep, waarin de jeugdige verblijft;
h. een omschrijving van de toegestane bewegingsvrijheid,
zowel binnen als buiten de inrichting;
i. de soorten activiteiten, waaraan door de jeugdige wordt
deelgenomen;
j. de personen van buiten de inrichting, waarmee de jeugdige
contact mag onderhouden, en;
k. het verplichte programma met betrekking tot onderwijs of
andere pedagogische vorming.
2. Voor zover aan de onderdelen h tot en met k van het eerste lid
voorwaarden verbonden zijn, worden deze opgenomen in het
perspectiefplan en welke consequenties aan het niet naleven van deze
voorwaarden zijn verbonden.
3. Het verlofplan, het scholings- en trainingsprogramma en de
voorbereiding op de nazorg maken, voor zover van toepassing,
onderdeel uit van het perspectiefplan.
Artikel 27
De directeur stelt het perspectiefplan tijdig ter beschikking aan
het trajectberaad, bedoeld in artikel 21a van het Besluit
tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994.
Artikel 28
1. Het perspectiefplan bestrijkt een periode van vier maanden, of
zoveel korter als het strafrestant of het verblijf in de inrichting
is, of zoveel korter als het strafrestant of het verblijf in de
inrichting is.
2. De jeugdige heeft recht op een periodieke evaluatie door de
directeur van het perspectiefplan. Deze evaluatie vindt ten minste
driemaal per jaar plaats, doch in ieder geval tijdig voor de
opmaking van een advies als bedoeld in artikel 77t, vijfde lid, van
het Wetboek van Strafrecht of een verlenging als bedoeld in artikel
262, eerste lid, of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek.
3. De evaluatie van het perspectiefplan vindt plaats op basis van
informatie van ten minste de functionaris en de stichting als
bedoeld in artikel 25. De jeugdige wordt in de gelegenheid gesteld
zijn visie te geven op het verloop van het verblijf in de
inrichting. Tevens worden bij de evaluatie betrokken de ouders of
voogd, stiefouder of pleegouders van de jeugdige, met inachtneming
van artikel 25, vijfde lid, en de betrokken stichting. Van de
evaluatie wordt een verslag opgesteld.
4. Bij de evaluatie worden de volgende aspecten betrokken:
a. het verblijf in de groep;
b. het bereiken van de gestelde doelen en de noodzaak tot
wijziging van de doelen;
c. de veranderingen in het toestandsbeeld van de jeugdige in
het kader van de behandeling;
d. de bewegingsvrijheid binnen en buiten de inrichting;
e. belangrijke voorvallen waarbij de jeugdige betrokken is
geweest;
f. de noodzaak van verlenging van het verblijf in de
inrichting.
Artikel 29
1. Naar aanleiding van een evaluatie of tussentijds kan het
perspectiefplan gewijzigd worden. Daarbij wordt ten minste het meest
recente evaluatieverslag betrokken.
2. Een wijziging in het perspectiefplan wordt zo veel mogelijk in
overleg met de jeugdige vastgesteld. De wijziging wordt hem voor het
ingaan daarvan medegedeeld.
Artikel 30
Kort voor het einde van het verblijf van de jeugdige in de
inrichting wordt ter afsluiting van het perspectiefplan met de
jeugdige nagegaan in hoeverre de doelstellingen van het plan zijn
gerealiseerd. Hiervan wordt een verslag gemaakt.
Hoofdstuk 6. Verlof
Artikel 31
1. Bij de beoordeling van een te verlenen verlof wordt het belang
van de jeugdige afgewogen tegen de risico's voor de continuïteit
van de tenuitvoerlegging en voor de maatschappelijke orde en
veiligheid. Het verlof kan slechts worden verleend indien de
eventuele risico's aanvaardbaar worden geacht.
2. Als risico kunnen worden aangemerkt:
a. onttrekking aan het verblijf in de inrichting,
b. weigering in te stemmen met preventieve maatregelen ter
voorkoming van onttrekking aan de vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel,
c. gevaar voor recidive,
d. maatschappelijke onrust als gevolg van het verlof,
e. vermoeden dat het verlof zal leiden tot alcohol- of
drugsmisbruik dan wel poging tot invoer van ongeoorloofde
voorwerpen in de inrichting,
f. twijfel over het nakomen van afspraken,
g. agressieve gedragskenmerken die een risico kunnen
opleveren voor een ongestoord verloop van het verlof,
h. het bestaan van ernstige spanningsvelden in de leef- of
woonsfeer of rond mogelijk te ontmoeten personen,
i. een mogelijke ongewenste confrontatie van de jeugdige met
een slachtoffer of een anderszins bij het delict betrokkene,
j. het vermoeden dat de jeugdige slachtoffer zal worden van
een wraakactie.
3. Bij de inschatting van de risico's betrekt de directeur in
ieder geval:
a. de aard van het delict, de door het delict veroorzaakte
maatschappelijke onrust en de inschatting van het ontvluchtings-
of recidivegevaar,
b. relevante ervaringen bij eerder genoten verloven,
c. recente rapportage over de jeugdige en zijn gedrag in de
inrichting.
4. De directeur kan bepalen dat het verlof zal plaatsvinden onder
begeleiding of bewaking.
5. De directeur vraagt het openbaar ministerie om advies, indien
het openbaar ministerie een executie-indicator heeft gegeven.
Artikel 32
1. Aan de jeugdige kan incidenteel verlof worden verleend in
verband met onverwachte gebeurtenissen of omstandigheden in de
persoonlijke levenssfeer van de jeugdige waarbij zijn aanwezigheid
noodzakelijk is.
2. Gebeurtenissen of omstandigheden als bedoeld in het eerste lid
zijn onder andere:
a. het in levensgevaar verkeren van een relatie,
b. het overlijden of de begrafenis van een relatie,
c. het niet in staat zijn om naar de inrichting te reizen van
een relatie,
d. de bevalling van de partner.
3. Bij wijze van incidenteel verlof kan worden toegestaan dat de
jeugdige een bezoek brengt aan een gedetineerde relatie.
4. Incidenteel verlof kan voorts worden verleend met het oog op
de deelname aan een examen dat niet in de inrichting kan worden
afgenomen of, ter voorbereiding op de invrijheidstelling, met het
oog op de regeling van praktische zaken buiten de inrichting.
5. De directeur bepaalt de duur van het incidenteel verlof. Deze
duur is niet langer dan drie etmalen. Op grond van dezelfde
gebeurtenis kan de directeur meermalen incidenteel verlof toekennen.
Artikel 33
1. Aan de jeugdige die op strafrechtelijke titel in een
inrichting is geplaatst kan planmatig verlof worden verleend.
Planmatig verlof wordt verleend in het kader van een verlofplan, dat
onderdeel is van het perspectiefplan en dat ten doel heeft de
resocialisatie van de jeugdige.
2. Het verlofplan geldt telkens voor een periode van ten hoogste
zes maanden en bevat:
a. een concrete aanduiding van het voorgenomen verloftraject
in die periode wat betreft de frequentie, de duur, de aard en de
bestemming van het verlof,
b. een motivering van het belang van het verlof met het oog
op de behandeling en resocialisatie,
c. een afweging van de veiligheidsrisico's.
3. Planmatig verlof kan bestaan uit:
a. eendaags begeleid verlof zonder overnachting,
b. eendaags onbegeleid verlof zonder overnachting,
c. onbegeleid verlof met één overnachting,
d. onbegeleid verlof met meerdere overnachtingen.
4. Een voorlopig gehechte jeugdige komt niet in aanmerking voor
planmatig verlof.
5. Een jeugdige ten aanzien van wie vaststaat dat hij, na de
tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel, Nederland zal dienen te verlaten dan wel zal worden
uitgezet of uitgeleverd, komt niet in aanmerking voor planmatig
verlof.
Artikel 34
1. Het incidenteel verlof wordt door de jeugdige schriftelijk
aangevraagd bij de directeur.
2. Indien het verzoek een voorlopig gehechte jeugdige betreft,
vraagt de directeur instemming van het openbaar ministerie.
3. Indien het verzoek een civielrechtelijk geplaatste jeugdige
betreft, vraagt de directeur instemming van de betrokken stichting.
4. Indien het verzoek een jeugdige betreft die na de
tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel Nederland zal dienen te verlaten, of uitgezet of
uitgeleverd zal worden, vraagt de directeur de Immigratie- en
Naturalisatiedienst van het Ministerie van Veiligheid en Justitie om
advies.
Artikel 35
1. Indien de jeugdige wegens ziekte niet in staat is tijdig van
het verlof naar de inrichting terug te keren, meldt hij dit
onverwijld aan de inrichting. Desgevraagd toont de jeugdige aan dat
hij om medische redenen niet in staat is tijdig terug te keren.
2. De directeur neemt, na overleg met de inrichtingsarts, en,
voor zover mogelijk, gehoord de jeugdige, maatregelen met het oog op
een zo spoedig mogelijke voortzetting van de vrijheidsontneming.
Artikel 36
1. Indien zich tijdens het verlof een incident voordoet, kan de
directeur, afhankelijk van de aard van het incident en het verlof,
maatregelen nemen. Van een incident is in ieder geval sprake wanneer
de jeugdige:
a. tijdens het verlof betrokken is bij een verstoring van de
openbare orde of het plegen van een strafbaar feit;
b. verwijtbaar te laat of niet in de inrichting terugkeert;
c. onder invloed van alcohol of verdovende middelen in de
inrichting terugkeert;
d. bij terugkeer in de inrichting contrabande met zich
meevoert.
2. Onverminderd de verplichting van de directeur om het incident
elders te signaleren, worden gegevens over incidenten tijdens het
verlof opgenomen in het dossier.
Artikel 37
1. Aan een jeugdige die zonder begeleiding met verlof gaat, wordt
door de inrichting een verlofpas van een door Onze Minister
vastgesteld model verstrekt, waarop eventuele bijzondere voorwaarden
worden vermeld.
2. De jeugdige draagt de verlofpas tijdens het verlof steeds bij
zich.
Artikel 38
De directeur kan de jeugdige een bijdrage in de reis- en
verblijfkosten verstrekken.
Artikel 39
Op grond van gewijzigde omstandigheden kan de directeur een reeds
verleend verlof of het daarvan nog resterende gedeelte intrekken, naar
een andere tijdstip verplaatsen of er nadere voorwaarden aan
verbinden.
Artikel 40
Onze Minister kan nadere regels stellen over de procedure voor het
aanvragen en het verlenen van verlof.
Hoofdstuk 7 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 41 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 42 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 43 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 44 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 45 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 46 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 47 [Vervallen per 01-07-2011]
Hoofdstuk 8. Gedwongen geneeskundige handelingen
Artikel 48
1. Voordat de directeur beslist dat de door de arts noodzakelijk
geachte geneeskundige handeling onder dwang zal worden toegepast,
pleegt de directeur overleg met die arts en met het hoofd van de
afdeling waar de jeugdige verblijft. Indien de handeling door een
andere arts wordt verricht, wordt bovendien met hem overlegd.
2. Indien de toepassing van een geneeskundige handeling onder
dwang noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar dat
voortvloeit uit een stoornis van de geestvermogens van de jeugdige,
pleegt de directeur bovendien overleg met een psychiater.
3. In het in het eerste en tweede lid bedoelde overleg wordt
nagegaan of het ernstige gevaar voor de gezondheid of de veiligheid
van de jeugdige of van anderen niet op een andere wijze kan worden
afgewend. Bij de keuze voor een bepaalde geneeskundige handeling
wordt steeds gekozen voor de voor de jeugdige minst ingrijpende
handeling.
4. De verantwoordelijke arts draagt zorg dat de melding van de
toepassing van artikel 37 van de wet, de resultaten van het overleg
alsmede de afspraken die daarbij zijn gemaakt worden geregistreerd
in het medisch dossier.
Artikel 49
1. De gedwongen geneeskundige handeling wordt toegepast in een
daartoe geschikte ruimte, onder verantwoordelijkheid van de arts.
2. Van de toepassing van een gedwongen geneeskundige handeling
wordt onverwijld melding gedaan aan Onze Minister en de commissie
van toezicht. Indien de geneeskundige handeling wordt toegepast ter
afwending van ernstig gevaar dat voortvloeit uit een stoornis van de
geestvermogens van de jeugdige wordt tevens onverwijld melding
gedaan aan de bevoegde regionale inspecteur voor de gezondheidszorg.
Onze Minister kan voor de meldingen een model vaststellen.
3. De jeugdige wordt gedurende de periode die volgt op de
gedwongen geneeskundige handeling zo vaak als nodig is bezocht door
een arts dan wel in diens opdracht door een verpleegkundige. Het
verslag van diens bevindingen wordt opgenomen in het medisch
dossier.
Artikel 50
1. Zo spoedig mogelijk na de toepassing van de gedwongen
geneeskundige handeling wordt door of onder verantwoordelijkheid van
de aan de inrichting verbonden arts een plan opgesteld gericht op
een zodanige verbetering van de toestand van de jeugdige dat de
toepassing van de gedwongen geneeskundige handeling kan worden
beëindigd. Dit plan wordt opgenomen in het medisch dossier.
2. Indien de toepassing van een gedwongen geneeskundige handeling
als bedoeld in artikel 48, tweede lid, de duur van twee weken te
boven gaat wordt door de directeur een commissie samengesteld
bestaande uit ten minste een arts of een psychiater en een
psycholoog.
3. De in het tweede lid bedoelde commissie brengt binnen twee
dagen na de in het tweede lid bedoelde termijn en, indien de
gedwongen geneeskundige handeling langer wordt voortgezet, om de
twee weken, advies uit aan de directeur over de voortzetting van de
gedwongen geneeskundige handeling.
Hoofdstuk 8a. Toezicht op telefoongesprekken
Artikel 50a
1. Telefoongesprekken die in verband met het toezicht, bedoeld in
artikel 44, tweede lid, van de wet worden opgenomen, worden bewaard
voor een periode van ten hoogste acht maanden.
2. Na het verstrijken van de periode, genoemd in het eerste lid,
wordt een opgenomen telefoongesprek gewist.
3. Indien bij de uitoefening van het toezicht blijkt dat een
telefoongesprek met een persoon als bedoeld in artikel 42, eerste
lid, van de wet is opgenomen, wordt dit opgenomen gesprek terstond
gewist.
4. De jeugdige wordt van het opnemen van het telefoonverkeer op
de hoogte gesteld.
5. Opgenomen telefoongesprekken worden slechts verstrekt aan
derden die ingevolge de uitvoering van hen bij of krachtens de wet
opgedragen taken, tot kennisneming daarvan bevoegd zijn.
6. De verstrekking, bedoeld in het vijfde lid, kan slechts
geschieden in verband met:
a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de
inrichting;
b. de voorkoming en opsporing van strafbare feiten;
c. de bescherming van slachtoffers van of anderszins
betrokkenen bij misdrijven.
Hoofdstuk 9. Geestelijke verzorging
Artikel 51
Aan een inrichting zijn geestelijk verzorgers van verschillende
godsdiensten of levensovertuigingen verbonden, doch in elk geval een
geestelijk verzorger van protestantse of rooms-katholieke gezindte of
een geestelijk verzorger behorend tot het humanistisch verbond.
Artikel 52
1. Bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie zijn een
hoofdpredikant, een hoofdaalmoezenier en een hoofd humanistische
geestelijke verzorging aangesteld. Zij treden op als
vertegenwoordiging van de zendende instanties en dienen Onze
Minister gevraagd en ongevraagd van advies omtrent de geestelijke
verzorging in de inrichtingen.
2. De hoofden, genoemd in het eerste lid, zijn in ieder geval
belast met het doen van voordrachten voor de aanstelling van
geestelijk verzorgers bij de rijksinrichtingen, behorende tot hun
gezindte of levensovertuiging.
Artikel 53
1. De aanstelling van een geestelijk verzorger van protestantse
of rooms-katholieke gezindte of een geestelijk verzorger, behorend
tot het humanistisch verbond, bij een rijksinrichting geschiedt door
of vanwege Onze Minister op voordracht van de betrokken
hoofdgeestelijke, genoemd in artikel 52, eerste lid.
2. De aanstelling van een geestelijk verzorger van protestantse
of rooms-katholieke gezindte of een geestelijk verzorger, behorend
tot het humanistisch verbond, bij een particuliere inrichting
geschiedt door of vanwege het bestuur van de inrichting gehoord de
betrokken hoofdgeestelijke, genoemd in artikel 52, eerste lid.
Artikel 54
1. Een geestelijk verzorger van een andere dan de in artikel 53
genoemde gezindte of levensovertuiging kan door de directeur van een
rijksinrichting aan diens inrichting worden verbonden anders dan bij
wijze van een aanstelling. De directeur van de rijksinrichting neemt
deze beslissing niet dan na overleg met de reeds aan de inrichting
verbonden geestelijk verzorgers.
2. Onze Minister kan functievereisten vaststellen ten aanzien van
geestelijk verzorgers als bedoeld in de eerste volzin van het eerste
lid.
3. Een geestelijk verzorger die aan een rijksinrichting is
verbonden anders dan bij wijze van aanstelling, ontvangt een bij
regeling van Onze Minister vast te stellen vergoeding voor zijn
werkzaamheden en de door hem gemaakte kosten.
Hoofdstuk 10. Beroep tegen medisch handelen
Artikel 55
1. Een jeugdige kan een beroepschrift indienen tegen het medisch
handelen van de inrichtingsarts. Met de inrichtingsarts wordt in dit
hoofdstuk gelijkgesteld de verpleegkundige dan wel andere
hulpverleners die door de inrichtingsarts bij de zorg aan jeugdigen
in de inrichting zijn betrokken.
2. Onder medisch handelen als bedoeld in het eerste lid wordt
verstaan:
a. enig handelen in het kader van of nalaten in strijd met de
zorg die de in het eerste lid bedoelde personen in die
hoedanigheid behoren te betrachten ten opzichte van de jeugdige,
met betrekking tot wiens gezondheidstoestand zij bijstand
verlenen of hun bijstand is ingeroepen;
b. enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in die
hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening
van de individuele gezondheidszorg.
Artikel 56
1. Alvorens een beroepschrift in te dienen doet de jeugdige een
schriftelijk verzoek aan de Medisch Adviseur bij het Ministerie van
Veiligheid en Justitie om te bemiddelen terzake van de klacht. Dit
verzoek dient uiterlijk op de veertiende dag na die waarop het
medisch handelen waartegen de klacht zich richt heeft plaatsgevonden
te worden ingediend.
2. De Medisch Adviseur stelt de betrokkene in de gelegenheid de
klacht schriftelijk of mondeling toe te lichten, tenzij hij het
aanstonds duidelijk acht dat de klacht zich niet voor bemiddeling
leent. Hij kan ook bij andere personen mondeling of schriftelijk
inlichtingen inwinnen.
3. De Medisch Adviseur is ten behoeve van de bemiddeling bevoegd
het medisch dossier van de jeugdige in te zien.
4. De Medisch Adviseur streeft ernaar binnen vier weken een voor
beide partijen aanvaardbare oplossing te bereiken.
5. De Medisch Adviseur sluit de bemiddeling af met een mededeling
van zijn bevindingen aan de jeugdige en de arts. De jeugdige wordt
gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een beroepschrift
alsmede de termijn waarbinnen en de wijze waarop dit gedaan moet
worden.
6. Een afschrift van de mededeling zendt de Medisch Adviseur aan
de directeur van de inrichting waaraan de arts tegen wiens medisch
handelen de klacht zich richt is verbonden.
7. De Medisch Adviseur is bevoegd een klacht door te verwijzen
naar de beklagcommissie. Hij zendt van de doorverwijzing van een
klacht een bericht aan de klager.
Artikel 57
1. Het beroepschrift wordt ingediend bij en behandeld door een
door en uit de Raad benoemde commissie van drie leden, bestaande uit
één jurist en twee artsen, die wordt bijgestaan door een
secretaris.
2. Het met redenen omklede beroepschrift wordt uiterlijk op de
zevende dag na die van de ontvangst van het afschrift van de
mededeling van de Medisch Adviseur ingediend. De directeur draagt
zorg dat een jeugdige die beroep wenst in te stellen daartoe zo
spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.
3. De indiening van het beroepschrift kan door tussenkomst van de
directeur van de inrichting waar de jeugdige verblijft geschieden.
De directeur draagt in dat geval zorg dat het beroepschrift, of,
indien het beroepschrift zich in een envelop bevindt, de envelop,
van een dagtekening wordt voorzien, welke geldt als dag van
indiening.
4. Het beroepschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk het medisch
handelen waarover wordt geklaagd en de redenen van het beroep.
5. Indien de jeugdige de Nederlandse taal niet voldoende beheerst
kan hij het beroepschrift in een andere taal indienen. De voorzitter
van de beroepscommissie kan bepalen dat het beroepschrift in de
Nederlandse taal wordt vertaald. De vergoeding van de voor de
vertaling gemaakte kosten geschiedt met overeenkomstige toepassing
van artikel 81.
Artikel 58
1. De beroepscommissie en de secretaris zijn ten behoeve van de
behandeling van het beroepschrift bevoegd het medisch dossier van de
klager in te zien.
2. De behandeling van het beroepschrift vindt niet in het
openbaar plaats, behoudens ingeval de beroepscommissie van oordeel
is dat de niet openbare behandeling niet verenigbaar is met enige
een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag.
3. De secretaris van de beroepscommissie zendt de arts een
afschrift van het beroepschrift toe en vraagt het verslag van de
bemiddeling op bij de Medisch Adviseur.
4. De beroepscommissie stelt de klager en de arts in de
gelegenheid omtrent het beroepschrift mondeling of schriftelijk
opmerkingen te maken, tenzij zij het beroep aanstonds kennelijk
niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond acht. De
beroepscommissie kan bepalen dat de mondelinge opmerkingen ten
overstaan van een lid van de commissie kunnen worden gemaakt.
5. De klager en de arts kunnen de voorzitter van de
beroepscommissie de vragen opgeven die zij aan elkaar gesteld wensen
te zien.
6. De beroepscommissie kan de arts en de klager buiten elkaars
aanwezigheid horen. In dat geval worden zij in de gelegenheid
gesteld vooraf de vragen op te geven die zij gesteld wensen te zien
en wordt de zakelijke inhoud van de aldus afgelegde verklaring door
de voorzitter van de beroepscommissie aan de klager
onderscheidenlijk de arts mondeling medegedeeld.
7. De beroepscommissie kan ook bij andere personen mondeling of
schriftelijk inlichtingen inwinnen. Indien mondeling inlichtingen
worden ingewonnen, zijn het vijfde en zesde lid, tweede volzin, van
overeenkomstige toepassing. De beroepscommissie kan bepalen dat
ingeval bij een andere persoon mondeling inlichtingen worden
ingewonnen, de betrokkenen uitsluitend in de gelegenheid worden
gesteld schriftelijk de vragen op te geven die zij aan die persoon
gesteld wensen te zien.
8. De klager heeft het recht zich te doen bijstaan door een
rechtsbijstandverlener of een andere vertrouwenspersoon die daartoe
van de beroepscommissie toestemming heeft gekregen. Indien aan de
klager een advocaat is toegevoegd, geschieden diens beloning en de
vergoeding van de door hem gemaakte kosten volgens het Besluit
vergoedingen rechtsbijstand 2000.
9. Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst,
draagt de voorzitter zorg voor de bijstand van een tolk. De beloning
van de tolk en de vergoeding van de door de tolk gemaakte kosten
geschieden met overeenkomstige toepassing van artikel 81.
10. Tijdens de beroepsprocedure staat de beroepscommissie aan de
klager op diens verzoek toe van de gedingstukken kennis te nemen.
Artikel 59
1. De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak. De
uitspraak is met redenen omkleed en gedagtekend. Zij wordt door de
voorzitter, alsmede door de secretaris ondertekend. Bij verhindering
van één van hen wordt de reden daarvan in de uitspraak vermeld.
Aan de klager, de arts en de directeur wordt onverwijld en kosteloos
een afschrift van de beslissing van de beroepscommissie toegezonden
of uitgereikt.
2. Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst
en niet op andere wijze in een vertaling kan worden voorzien, draagt
de voorzitter van de beroepscommissie zorg voor een vertaling van de
uitspraak, bedoeld in het eerste lid. De vergoeding van de voor de
vertaling gemaakte kosten geschiedt met overeenkomstige toepassing
van artikel 81.
3. De secretaris zendt van alle uitspraken van de
beroepscommissie een afschrift naar Onze Minister. Een ieder heeft
recht op kennisneming van deze uitspraken en het ontvangen van een
afschrift daarvan. Onze Minister draagt zorg dat dit afschrift geen
gegevens bevat waaruit de identiteit van de jeugdige kan worden
afgeleid. Met betrekking tot de kosten van het ontvangen van een
afschrift is het bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken
bepaalde van overeenkomstige toepassing.
Artikel 60
1. De uitspraak van de beroepscommissie strekt tot gehele of
gedeeltelijke:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;
b. ongegrondverklaring van het beroep;
c. gegrondverklaring van het beroep.
2. Indien de klacht door de beroepscommissie geheel of
gedeeltelijk gegrond wordt geacht bepaalt de beroepscommissie of
enige tegemoetkoming aan de klager geboden is. Zij stelt de
tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, vast.
Artikel 61
1. De in de artikelen 55 tot en met 58 aan de jeugdige toegekende
rechten kunnen, behoudens ingeval de Medisch Adviseur of de
beroepscommissie van oordeel is dat zwaarwegende belangen van de
jeugdige zich daartegen verzetten, mede worden uitgeoefend door:
a. de curator, indien de jeugdige onder curatele is gesteld;
b. de mentor, indien ten behoeve van de jeugdige een
mentorschap is ingesteld;
c. de ouders of voogd, indien de jeugdige minderjarig is.
2. De directeur draagt zorg dat de in het eerste lid genoemde
personen op deze rechten opmerkzaam worden gemaakt.
Hoofdstuk 11. Onderwijs en pedagogische activiteiten
Artikel 62
1. Op het onderwijs in particuliere inrichtingen is het bepaalde
bij of krachtens de Wet op de expertisecentra van toepassing.
2. Het onderwijs in de rijksinrichting bestaat uit theoretisch
onderwijs, een beroepsgerichte leerweg of praktijkonderwijs.
3. In ieder geval omvat het onderwijs in de rijksinrichting:
a. rekenen en wiskunde,
b. Nederlandse taal,
c. wereldoriëntatie of maatschappijleer,
d. sociale redzaamheid of zelfredzaamheid,
e. technieken,
f. lichamelijke opvoeding,
g. creatieve vorming.
Artikel 63
1. Elke inrichting beschrijft welk onderwijs door of vanwege de
inrichting wordt aangeboden, met alle bijzonderheden, zoals
leerinhouden, modules, toetsen, certificaten en methodes.
2. Het onderwijs wordt gegeven door een daartoe bevoegde persoon.
3. Het onderwijs maakt deel uit van het perspectiefplan. Het
perspectiefplan is richtinggevend voor het onderwijs.
Artikel 64
1. Ten behoeve van het onderwijs wordt door de leraar van een
rijksinrichting een intake verzorgd, die de basis vormt voor het
onderwijs dat de jeugdige zal gaan volgen. De intake omvat de
nulmeting van de onderwijssituatie.
2. De intake bestaat uit de volgende onderdelen:
a. een intakegesprek dat betrekking heeft op
interessegebieden, werkhouding, zelfbeeld en het niveau van
kennis en vaardigheden,
b. een toets op het gebied van de algemene taalvaardigheid,
c. een toets die de rekenkundige vaardigheden meet,
d. een schoolvragenlijst die betrekking heeft op de
motivatie, het welbevinden en het zelfconcept van de jeugdige,
e. eventuele anderen informatiebronnen.
Artikel 65
1. Voor de jeugdige in een rijksinrichting wordt een
onderwijstrajectkaart opgesteld waarin de onderwijskundige
doelstellingen en resultaten of tussenresultaten zijn vastgelegd.
2. De onderwijstrajectkaart geeft een actueel beeld van het
onderwijsverleden, test- en toetsgegevens, de onderwijsdoelen die
worden gepland, en de doelen of tussendoelen die reeds zijn bereikt.
3. De onderwijstrajectkaart bestaat uit:
a. de intake, waaronder de conclusies en aanbevelingen,
b. de onderwijshistorie van de jeugdige,
c. het onderwijstraject dat door de jeugdige wordt gevolgd,
d. de voortgang van het onderwijstraject,
e. de voortgang van het onderwijs na het verblijf in de
inrichting.
Hoofdstuk 12. Dossiers van jeugdigen
Artikel 66
Het dossier van de jeugdige wordt op zorgvuldige wijze, volgens een
vaste indeling, opgebouwd. In ieder geval worden hierin onderscheiden:
a. persoons- en identificatiegegevens;
b. justitiële gegevens;
c. opvang- of behandelgegevens;
d. gegevens omtrent het verblijf.
Artikel 67
Naast de in artikel 63, eerste lid, van de wet genoemde gegevens
worden in het dossier opgenomen de jeugdige betreffende:
a. afschriften van mededelingen, bedoeld in artikel 62, eerste
en tweede lid, van de wet;
b. uitspraken van de beklagcommissie en de beroepscommissie
alsmede mededelingen, bedoeld in artikel 64, vijfde lid, van de
wet;
c. ontvangen afschriften van rechterlijke beslissingen
betreffende de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
d. kopieën van correspondentie van de inrichting over de
jeugdige;
e. formulieren betreffende verlof en daarop genomen
beslissingen alsmede machtigingen van Onze Minister, bedoeld in de
artikelen 30, eerste lid;
f. verzoeken om strafonderbreking en daarop genomen
beslissingen;
g. gratieverzoeken en daarop genomen beslissingen;
h. mededelingen omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling;
i. gegevens omtrent de gezondheid van de jeugdige en te zijnen
aanzien uitgevoerde verrichtingen, een en ander voor zover de
opname van deze gegevens voor een goede opvang of behandeling van
hem noodzakelijk is.
Artikel 68
1. De jeugdige heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede en
derde lid te stellen beperkingen, recht op inzage van de in zijn
dossier vastgelegde gegevens.
2. De directeur kan de jeugdige die een verzoek doet tot inzage
van zijn dossier of delen daarvan, bepaalde gegevens onthouden,
indien dit noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de
veiligheid in de inrichting, in het belang van de geestelijke of
lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige, ter bescherming van de
persoonlijke levenssfeer van anderen dan de jeugdige voor zover die
niet bij de tenuitvoerlegging betrokken zijn, of wanneer de
uitvoering van het perspectiefplan dit vereist.
3. De directeur kan het recht op inzage van evaluatieverslagen
beperken tot een daarvan gemaakte samenvatting, indien de uitvoering
van het perspectiefplan dit vereist.
4. De directeur kan, in geval van toepassing van het tweede of
derde lid:
a. de jeugdige mondeling kennis geven van de gegevens waarvan
hij inzage verlangt, of
b. een door de jeugdige gemachtigde persoon inzage geven in
de gegevens waarvan de inzage aan de jeugdige wordt onthouden.
5. Voor wat betreft het perspectiefplan en het evaluatieverslag
omvat het recht op inzage tevens het recht op het ontvangen van een
afschrift.
6. Met toepassing van artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek is artikel 456 van dit boek niet van overeenkomstige
toepassing op de dossiers, bedoeld in dit hoofdstuk.
Artikel 69
1. De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders hebben recht op
inzage in het dossier van de jeugdige, tenzij belangen van de
jeugdige zich daartegen verzetten of inzage achterwege dient te
blijven ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen.
Ten aanzien van jeugdigen van 18 jaar en ouder is instemming van de
jeugdige vereist.
2. De stichting, de jeugdreclassering dan wel de reclassering en
de raad voor de kinderbescherming hebben recht op inzage in het
dossier van de betrokken jeugdige voor zover dat redelijkerwijs
nodig is voor de uitoefening van hun taak.
3. Aan Onze Minister, de selectiefunctionaris, de directeur en
door dezen aan te wijzen personeelsleden of medewerkers kunnen
gegevens uit het dossier worden verstrekt voor zover dat
noodzakelijk is voor:
a. de behandeling van verzoeken, de jeugdige betreffende;
b. de behandeling van procedures, de jeugdige betreffende;
c. het beheer van de dossiers;
d. de behandeling van andere beslissingen, de jeugdige
betreffende.
Artikel 70
1. Gedurende het verblijf van een jeugdige in een inrichting
wordt zijn dossier in een afsluitbare ruimte in de inrichting
bewaard.
2. De directeur zendt het dossier gelijktijdig met de
overplaatsing van de jeugdige, bedoeld in artikel 12 van de wet, aan
de directeur van de inrichting waar de jeugdige verder zal
verblijven.
3. Indien de jeugdige in de gelegenheid wordt gesteld deel te
nemen aan een scholings- en trainingsprogramma zendt de directeur
het dossier aan de directeur, bedoeld in artikel 10, eerste lid.
4. Bij invrijheidstelling, ontvluchting of overlijden van de
jeugdige zendt de directeur het dossier aan Onze Minister.
Artikel 71
1. Het dossier wordt gedurende een termijn van tien jaren
bewaard, te rekenen vanaf het tijdstip dat de vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel eindigt.
2. Na de in het eerste lid bedoelde termijn worden de bescheiden,
opgenomen in het dossier, vernietigd, of zodanig bewerkt dat deze
niet meer tot de jeugdige kunnen worden herleid, tenzij de
vernietiging of bewerking in strijd is met een aanmerkelijk belang
van een ander dan de jeugdige.
3. Indien de jeugdige vóór de afloop van de in het eerste lid
bedoelde termijn opnieuw tot een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel wordt veroordeeld wordt de
bewaartermijn geschorst voor de duur van de tenuitvoerlegging van de
nieuwe vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.
Hoofdstuk 13. Aanwijzing van particuliere inrichtingen
Artikel 72
1. Een aanvraag tot aanwijzing als particuliere inrichting kan
slechts worden gedaan door een rechtspersoon die een voorziening van
jeugdhulpverlening als bedoeld in artikel 3b, eerste lid, van de wet
beheert.
2. De aanvraag wordt bij Onze Minister ingediend en gaat
vergezeld van de volgende bescheiden:
a. de statuten of reglementen van de rechtspersoon die de
residentiële voorziening van jeugdhulpverlening beheert;
b. een schriftelijke verklaring, inhoudende dat een
voorgenomen wijziging met betrekking tot een der onderwerpen,
genoemd onder a en in het derde lid, ten minste een maand
voordat de desbetreffende wijziging wordt doorgevoerd ter kennis
van Onze Minister wordt gebracht;
c. een schriftelijke verklaring, inhoudende bereidverklaring
de door de selectiefunctionaris geplaatste jeugdigen op te
nemen.
3. De rechtspersoon die de residentiële voorziening van
jeugdhulpverlening beheert legt tevens over:
a. de door Onze Minister verlangde gegevens over de
bouwkundige voorzieningen die van belang zijn voor de
beoordeling van de veiligheid binnen de voorziening en de
maatschappelijke veiligheid daarbuiten;
b. de door Onze Minister verlangde gegevens over de personele
en materiële toerusting die van belang zijn voor de beoordeling
van de geschiktheid van de voorziening als particuliere
inrichting.
4. Onze Minister beslist binnen zes maanden na ontvangst van een
aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 73
1. De aanwijzing als particuliere inrichting wordt door Onze
Minister ingetrokken:
a. op verzoek van de rechtspersoon die de residentiële
voorziening van jeugdhulpverlening beheert;
b. indien de beveiliging dan wel de personele of materiële
toerusting van de inrichting, bedoeld in artikel 72, derde lid,
niet meer voldoet aan de eisen die daaraan naar het oordeel van
Onze Minister moeten worden gesteld.
2. De aanwijzing als particuliere inrichting kan door Onze
Minister worden ingetrokken, indien de rechtspersoon heeft gehandeld
in strijd met de toepasselijke regelgeving of hetgeen overeenkomstig
artikel 72, tweede lid, onder b of c, is verklaard.
Artikel 74
De particuliere inrichting beschikt over een calamiteitenplan,
waarin is geregeld welke acties dienen te worden ondernomen, en door
wie, in het geval van een calamiteit.
Hoofdstuk 14. Opperbeheer rijksinrichtingen
Artikel 75
1. De directeur van een rijksinrichting brengt jaarlijks vóór 1
oktober aan Onze Minister een jaarplan voor het volgende jaar uit.
Het jaarplan omvat in ieder geval een begroting van de kosten en
opbrengsten voor dat jaar.
2. De directeur van een rijksinrichting brengt jaarlijks vóór 1
maart aan Onze Minister een jaarverslag over het voorgaande jaar
uit. Bij dit verslag wordt een jaarrekening gevoegd. De directeur
zendt een afschrift van het jaarverslag aan de Inspectie Jeugdzorg.
3. Onze Minister kan regels stellen aan de vorm en de inhoud van
de in het eerste en tweede lid genoemde stukken.
Artikel 76
De rijksinrichting beschikt over een calamiteitenplan, waarin is
geregeld welke acties dienen te worden ondernomen, en door wie, in het
geval van een calamiteit.
Hoofdstuk 15. Kwaliteit
Artikel 77
De inrichting biedt passende behandeling aan. Onder passende
behandeling wordt verstaan zorg van goed niveau, die in ieder geval
doeltreffend, doelmatig en gericht op de jeugdige wordt verleend en
die afgestemd is op de reële behoefte van de jeugdige.
Artikel 78
De inrichting organiseert het verblijf op zodanige wijze, voorziet
de instelling zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel
en materieel en draagt zorg voor een zodanige
verantwoordelijkheidsverdeling, dat een en ander leidt of
redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoord verblijf.
Artikel 79
1. Het uitvoeren van artikel 78 omvat mede de systematische
bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van het
verblijf.
2. Ter uitvoering van het eerste lid draagt de inrichting,
afgestemd op de aard en omvang van de instelling, zorg voor:
a. het op systematische wijze verzamelen en registreren van
gegevens betreffende de kwaliteit van het verblijf in een
werkplan;
b. het aan de hand van de gegevens, bedoeld onder a, op
systematische wijze toetsen in hoeverre de wijze van uitvoering
van artikel 78 leidt tot een verantwoord verblijf;
c. het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld
onder b, zo nodig veranderen van de wijze waarop artikel 78
wordt uitgevoerd.
Artikel 80
1. Indien Onze Minister van oordeel is dat de artikelen 77 tot en
met 79 niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze worden
nageleefd, kan hij de directeur een schriftelijke aanwijzing geven.
2. In de aanwijzing omschrijft Onze Minister met redenen omkleed
de punten waarop de artikelen 77 tot en met 79 niet of in
onvoldoende mate of op onjuiste wijze worden nageleefd, alsmede de
in verband daarmee te nemen maatregelen.
3. De aanwijzing bevat een termijn waarbinnen de directeur eraan
moet voldoen. De directeur is verplicht binnen de daartoe gestelde
termijn aan de aanwijzing te voldoen.
Hoofdstuk 16. Vergoedingen beklag- en beroepsprocedures
Artikel 81
1. De beloning van de tolk of vertaler en de vergoeding van de
door hen gemaakte kosten, bedoeld in artikel 66, vierde lid, 70,
tweede lid, en 72, vierde lid, van de wet geschieden volgens het
bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken.
2. De secretaris van de beklag- of beroepscommissie stelt op
basis van de in het eerste lid bedoelde bepalingen de hoogte van de
beloning en vergoeding vast. Met de uitbetaling is de directeur
belast.
Hoofdstuk 17. Aansprakelijkheid directeur
Artikel 82
Buiten geval van opzet of bewuste roekeloosheid is de
aansprakelijkheid van de directeur voor voorwerpen die een jeugdige
ingevolge artikel 50, tweede lid, van de wet onder zich heeft, beperkt
tot vijfhonderd euro per voorwerp, inclusief eventuele gevolgschade.
Hoofdstuk 18. Wijziging andere regelgeving
Artikel 83
[Wijzigt het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994]
Artikel 84
[Wijzigt het Subsidiebesluit justitiële jeugdinrichtingen]
Artikel 85
[Wijzigt de Gratieregeling 1976]
Artikel 86
[Wijzigt het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale
zekerheid]
Hoofdstuk 19. Slotbepalingen
Artikel 87
Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de wet en dit
reglement en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij
het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en
voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk
voorschrift terzake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt,
is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig
wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak
bij de uitvoering van dit reglement de noodzaak tot bekendmaking
voortvloeit.
Artikel 88
[Wijzigt deze wet]
Artikel 89
Het Besluit regels inrichtingen voor justitiële kinderbescherming
wordt ingetrokken.
Artikel 90
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 91
Dit besluit wordt aangehaald als: Reglement justitiële
jeugdinrichtingen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 5 juli 2001
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
De Staatssecretaris van Justitie,
N.A. Kalsbeek
Uitgegeven de zesentwintigste juli 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|