| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet milieugevaarlijke
stoffen (Wms)
VUURWERKBESLUIT
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking
tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 20 september 2001, nr. MJZ2001102504,
Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan in
overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, Onze Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Staatssecretaris van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Gelet op de artikelen 24, 32, tweede en vierde lid, en artikel 39,
derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen, artikel 3 van de Wet
vervoer gevaarlijke stoffen, artikel 2c, derde lid, van de Wet rampen en
zware ongevallen, de artikelen 16 en 20 van de
Arbeidsomstandighedenwet 1998, artikel 74c van het Wetboek van
Strafrecht, artikel 18, derde lid, van de Wet politieregisters en artikel
9, vijfde lid, onderdeel b, van de Wet wapens en munitie, voor zover het betreft artikel 5.1.3, gelet op de artikelen 8.2,
tweede lid, 8.5 en 8.7 van de Wet milieubeheer, voor zover het betreft de artikelen 1.1.4, 1.2.2, eerste lid, onderdeel
b,
1.4.3, 2.1.2, 2.2.1, 2.2.3, 2.2.4 en 5.1.9 tot en met 5.1.14, gelet op
de artikelen 8.19, 8.40 en 8.41 van de Wet milieubeheer, voor zover het betreft de artikelen 1.1.4, 1.2.2, eerste lid, onderdeel
b,
en tweede lid, onderdeel b, 1.4.3, 2.1.2, 2.2.2, 2.2.3, 3.2.1, 3.2.2 en
3.2.3, gelet op artikel 8.44 van de Wet milieubeheer, voor zover het betreft de artikelen 4.1 tot en met 4.4,
gelet op de
artikelen 5.1 en 5.3 van de Wet milieubeheer, en voor zover het betreft artikel 5.1.6, gelet op artikel 18.4 van de
Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 13 december 2001, nr.
W08.01.0495/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21 januari 2002, nr.
MJZ2002005975, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving,
uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de
Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemeen
§ 1. Begripsomschrijvingen en reikwijdte
Artikel 1.1.1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
ADR: de op 30 september 1957 te Genève tot stand gekomen
Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van
gevaarlijke goederen over de weg (Trb. 1959, 171);
bijlage: bij dit besluit behorende bijlage;
bedrijfsmatig: in de uitoefening van een beroep of bedrijf of
tegen vergoeding;
bestemmingsgrens: grens van het perceel waarop de bouw,
vestiging of plaatsing van een kwetsbaar object op grond van het
voor het betrokken gebied geldende bestemmingsplan dan wel de
daarvoor geldende beheersverordening geëffectueerd of toelaatbaar
is;
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is of zou zijn een
omgevingsvergunning voor een inrichting te verlenen, waar
consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk of pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik worden opgeslagen of bewerkt;
bouwstrook: gedeelte van het perceel dat op grond van het voor
het betrokken gebied geldende bestemmingsplan dan wel de daarvoor
geldende beheersverordening voor de bouw van een kwetsbaar object
is bestemd;
categorie 1, 2, 3 en 4: categorie 1, 2, 3 onderscheidenlijk 4
als bedoeld in artikel 1A.1.3;
categorie T1 en T2: categorie T1 onderscheidenlijk T2 als
bedoeld in artikel 1A.1.3;
CE-markering: CE-markering, bedoeld in artikel 11 en bijlage IV
van de EG-richtlijn pyrotechnische artikelen;
consumentenvuurwerk: vuurwerk dat is ingedeeld in categorie 1,
2 of 3 en dat bij of krachtens dit besluit is aangewezen als
vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier
gebruik;
distributeur: natuurlijke of rechtspersoon in de leveringsketen
die in de uitoefening van zijn bedrijf een pyrotechnisch artikel
op de markt beschikbaar maakt;
EG-richtlijn pyrotechnische artikelen: richtlijn nr. 2007/23/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 betreffende
het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen (PbEU L
154);
fabrikant: natuurlijke of rechtspersoon die een pyrotechnisch
artikel ontwerpt, fabriceert of laat ontwerpen of fabriceren, met
de bedoeling het in de handel brengen, onder zijn eigen naam of
handelsmerk;
fop- en schertsvuurwerk: consumentenvuurwerk dat is ingedeeld
in categorie 1 alsmede ander, als zodanig bij ministeriële
regeling aangewezen consumentenvuurwerk;
geprojecteerd kwetsbaar object: nog niet aanwezig kwetsbaar
object dat op grond van het voor het betrokken gebied geldende
bestemmingsplan dan wel de daarvoor geldende beheersverordening
toelaatbaar is;
importeur: in de Europese Gemeenschap gevestigde natuurlijke of
rechtspersoon die in de uitoefening van zijn bedrijf een uit een
derde land afkomstig pyrotechnisch artikel voor het eerst op de
gemeenschapsmarkt beschikbaar maakt;
in de handel brengen: voor de eerste keer in de handel van de
Europese Gemeenschap beschikbaar stellen, al dan niet tegen
betaling, van een afzonderlijk product, met het oog op distributie
of gebruik ervan;
inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister
aangewezen ambtenaar;
kwetsbare objecten:
a. woningen: gebouwen of afzonderlijke gedeelten van een
gebouw die voor bewoning bestemd zijn, met uitzondering van
dienst- en bedrijfswoningen die binnen inrichtingen als
bedoeld in de artikelen 2.2.1, 2.2.2, 3.2.1 of3A.2.1 zijn
gelegen;
b. loodsen, keten of andere soortgelijke bouwwerken,
bestemd om te voorzien in een tijdelijke behoefte aan
woongelegenheid, dan wel woonwagens als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;
c. woonschepen die uitsluitend of in hoofdzaak voor
bewoning bestemd zijn;
d. gebouwen waar dagopvang van minderjarigen plaatsvindt;
e. gebouwen die gebruikt worden door een
onderwijsinstelling;
f. ziekenhuizen, verpleeginrichtingen en zorginstellingen;
g. gebouwen of terreinen die in verband met het verrichten
van arbeid worden of plegen te worden gebruikt of die daartoe
bestemd zijn;
h. winkels, hotels, restaurants en cafés;
i. gebouwen ten behoeve van het belijden van godsdienst of
levensovertuiging;
j. gebouwen die worden of plegen te worden gebruikt voor
sportieve of recreatieve doeleinden;
k. een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als
zodanig wordt geëxploiteerd;
l. andere objecten en terreinen die met die onder a tot en
met j gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de aard van
hun functie of de gemiddelde tijd per dag gedurende welke
personen daar verblijven;
m. rijkswegen en spoorwegen;
NEM: netto explosieve massa, zijnde de totale hoeveelheid
pyrotechnische stof of preparaat, met eventuele toevoegingen, in
professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik;
persoon met gespecialiseerde kennis: persoon, aangewezen
bijartikel 1.1.2a;
primaire verpakking: verpakking waarin zich meer dan één
exemplaar bevindt van eenzelfde type vuurwerk, bedoeld om in zijn
geheel aan de particulier ter beschikking te worden gesteld;
professioneel vuurwerk: vuurwerk dat is ingedeeld in categorie
4 alsmede vuurwerk dat is ingedeeld in categorie 2 of 3 en dat
niet bij of krachtens dit besluit is aangewezen als vuurwerk dat
ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik;
pyrotechnisch artikel: artikel dat explosieve stoffen of een
explosief mengsel van stoffen bevat die tot doel hebben warmte,
licht, geluid, gas of rook dan wel een combinatie van dergelijke
verschijnselen te produceren door middel van zichzelf
onderhoudende exotherme chemische reacties;
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: pyrotechnische
artikelen die bestemd zijn voor binnenshuis of buitenshuis
plaatsvindend podiumgebruik, met inbegrip van film- en
TV-producties of soortgelijke vormen van gebruik;
theatervuurwerk: met het oog op de opslag ervan door Onze
Minister aangewezen pyrotechnische artikelen voor theatergebruik,
ingedeeld in categorie T1 of categorie T2;
veiligheidsafstand: afstand die met het oog op de kwaliteit van
het milieu voor zover het betreft externe veiligheid tenminste
moet zijn gelegen tussen een inrichting als bedoeld in de
artikelen 2.2.1, 2.2.2 en 3.2.1, of een onderdeel van een zodanige
inrichting, dan wel een zodanige inrichting waarvoor het geldende
bestemmingsplan dan wel de daarvoor geldende beheersverordening
verlening van een vergunning voor het bouwen daarvan als bedoeld
in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht toelaat enerzijds en kwetsbare objecten
en geprojecteerde kwetsbare objecten anderzijds;
vuurwerk: pyrotechnische artikelen ter vermaak;
werkdag: dag, niet zijnde een zondag of algemeen erkende
feestdag.
2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. bewerken van professioneel vuurwerk: bewerken, verwerken,
verpakken, herverpakken, voormonteren, monteren en assembleren;
b. bewerken van consumentenvuurwerk: handelingen gericht op het
positief beïnvloeden van de stabiliteit, waardoor de kans op
omvallen of afbreken tijdens het afsteken wordt verkleind, waarbij
geen pyrotechnische stof wordt verwijderd of toegevoegd.
3. Onder professioneel vuurwerk wordt mede verstaan: een door Onze
Minister aangewezen stof of een preparaat, een voorwerp of een
onderdeel van een voorwerp dan wel een stof of een preparaat, een
voorwerp of een onderdeel van een voorwerp dat behoort tot een door
Onze Minister bij ministeriële regeling aangewezen categorie, voor
zover die stof of dat preparaat, dat voorwerp of dat onderdeel van een
voorwerp kennelijk is bestemd of wordt gebruikt om voor
vermakelijkheidsdoeleinden effecten te bewerkstelligen.
4. Voor de toepassing van de artikelen 1.2.2, eerste tot en met
derde lid, 2.1.2, eerste lid 2.3.2, 2.3.3, 2.3.4 wordt onder het
begrip particulier mede verstaan een exploitant van een bedrijf zonder
rechtspersoonlijkheid of een rechtspersoon die:
a. geen inrichting drijft als bedoeld in de artikelen 1.1.4,
2.2.1, 2.2.2 of 3.2.1;
b. geen houder is van een vergunning als bedoeld in artikel
3B.1, eerste lid;
c. in het buitenland is gevestigd en wiens bedrijfsmatige
activiteit niet bestaat uit het verhandelen van of het tot
ontbranding brengen van vuurwerk.
5. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. verpakt vuurwerk: vuurwerk inclusief het omhulsel en
eventuele verpakking, detailhandelsverpakking of
assortimentverpakking en inclusief de transportverpakking als
bedoeld in het ADR;
b. onverpakt vuurwerk: vuurwerk inclusief het omhulsel en
eventuele verpakking, detailhandelsverpakking of
assortimentverpakking doch exclusief de transportverpakking als
bedoeld in het ADR;
c. hoeveelheid consumentenvuurwerk in de bewaarplaats: massa
verpakt consumenten-vuurwerk, uitgedrukt in kilogrammen;
d. hoeveelheid consumentenvuurwerk in de bufferbewaarplaats of
verkoopruimte: massa verpakt en onverpakt vuurwerk, uitgedrukt in
kilogrammen onverpakt vuurwerk;
e. hoeveelheid consumentenvuurwerk in de inrichting: sommatie
van de aanwezige hoeveelheid consumentenvuurwerk in de
bewaarplaats, de bufferbewaarplaats en de verkoopruimte,
uitgedrukt in kilogrammen.
6. Door de fabrikant voor eigen gebruik vervaardigd vuurwerk
waarvan het gebruik op zijn grondgebied door een lidstaat van de
Europese Unie is goedgekeurd, wordt niet geacht in de handel te zijn
gebracht.
Artikel 1.1.2a
1. Als een persoon met gespecialiseerde kennis worden aangewezen:
a. een persoon die een inrichting drijft als bedoeld in artikel
3.2.1 of3A.2.1;
b. een houder van een vergunning als bedoeld in artikel 3B.1,
eerste lid;
c. medewerkers van de politie in de uitoefening van hun
functie;
d. medewerkers van de brandweer in de uitoefening van hun
functie;
e. personen die in de uitoefening van hun functie vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding
brengen bij een instelling die de genoemde producten bedrijfsmatig
en uitsluitend ten behoeve van onderzoek tot ontbranding brengt;
f. medewerkers van de krijgsmacht in de uitoefening van hun
functie.
2. Als een persoon met gespecialiseerde kennis wordt tevens
aangewezen een persoon die als zodanig met betrekking tot vuurwerk en
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik is aangewezen in een
andere lidstaat van de Europese Unie.
Artikel 1.1.2 [Vervallen per 04-07-2010]
Artikel 1.1.3
Dit besluit is van toepassing op vuurwerk en pyrotechnische artikelen
voor theatergebruik, met uitzondering van:
a. in beslag genomen vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik die in beheer zijn bij de overheid;
b. vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
waarover door de krijgsmacht, de politie of de brandweer wordt
beschikt ten behoeve van instructiedoeleinden;
c. vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die
in het kader van internationaal vervoer per zeeschip of vliegtuig
binnen het grondgebied van Nederland worden gebracht en niet in
Nederland worden gelost of rechtstreeks worden overgeladen naar een
ander zeeschip onderscheidenlijk vliegtuig;
d. vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit
Speelgoed.
Artikel 1.1.4
1. Deartikelen 2.2.1 tot en met 2.2.4 en de artikelen 3.2.1, 3.2.2
en 3A.2.1 zijn niet van toepassing op de opslag van vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in inrichtingen waarvoor
een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag
van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, voor
zover deze plaatsvindt gedurende ten hoogste 48 uur te rekenen vanaf
het moment van opslaan en in afwachting van aansluitend vervoer naar
een vooraf bekende ontvanger, met inbegrip van het laden en lossen van
de artikelen en de overbrenging daarvan naar een andere tak van
vervoer, voor zover daadwerkelijk in aansluitend vervoer is voorzien
en het betrokken artikel in de oorspronkelijke verpakking blijft.
2. Voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde termijn van
48 uur worden zaterdagen, zondagen en officieel erkende feestdagen
niet meegerekend.
3. In afwijking van het eerste lid wordt indien sprake is van
opslag van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in
containers voor vervoer in een inrichting die is gelegen op een
haventerrein van de zeehaven van Amsterdam, Eemshaven, Rotterdam of
Vlissingen en waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die
betrekking heeft op de opslag van vuurwerk of pyrotechnische artikelen
voor theatergebruik en voor zover aan de voorwaarden van het eerste
lid is voldaan, in plaats van «48 uur»gelezen: twee weken.
Artikel 1.1.5
De artikelen 2.3.6, 3.3.1, 3A.3.1 en 3B.1 zijn niet van toepassing op
instellingen die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik bedrijfsmatig en uitsluitend ten behoeve van onderzoek
tot ontbranding brengen.
Artikel 1.1.6 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor inrichtingen voor het opslaan of bewerken van professioneel
vuurwerk als bedoeld in artikel 3.2.1, en voor inrichtingen voor het
opslaan of bewerken van consumentenvuurwerk als bedoeld in de artikelen
2.2.1 en 2.2.2, voor zover deze zijn gelegen in gebieden die in het
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer zijn aangewezen,
blijven de in bijlage 1 en 2 opgenomen voorschriften en de in bijlage 3
opgenomen veiligheidsafstanden ten opzichte van deze inrichtingen
onderling, buiten toepassing.
Artikel 1.1.7
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot:
a. de invoering van een traceerbaarheidssysteem als bedoeld in
artikel 18, tweede lid onder a, van de EG-richtlijn pyrotechnische
artikelen;
b. het aanleggen van gemeenschappelijke criteria voor het
regelmatig verzamelen en bijwerken van gegevens over ongevallen in
verband met pyrotechnische artikelen, als bedoeld in artikel 18,
tweede lid onder b, van de EG-richtlijn pyrotechnische artikelen.
Artikel 1.1.8
1. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder «een lidstaat
van de Europese Unie» mede begrepen een andere staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
2. Voor de toepassing van dit besluit worden begrepen onder
«Europese Gemeenschap»: het grondgebied van de lidstaten van de
Europese Unie alsmede het grondgebied van de andere staten die partij
zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
§ 2. Algemene bepalingen
Artikel 1.2.1 [Vervallen per 04-07-2010]
Artikel 1.2.2
1. Het is verboden professioneel vuurwerk of pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik, indien bestemd voor particulier
gebruik, binnen het grondgebied van Nederland te brengen, op te slaan,
te vervaardigen, voorhanden te hebben of aan een ander ter beschikking
te stellen.
2. Het is verboden aan een ander dan een persoon met
gespecialiseerde kennis professioneel vuurwerk of pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik ter beschikking te stellen.
3. Het is verboden als een ander dan een persoon met
gespecialiseerde kennis professioneel vuurwerk of pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik op te slaan, voorhanden te hebben of tot
ontbranding te brengen.
4. Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik binnen het grondgebied van Nederland te brengen, op te
slaan, te vervaardigen, toe te passen, voorhanden te hebben, aan een
ander ter beschikking te stellen of tot ontbranding te brengen indien
dit niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens dit besluit.
5. Van bestemd voor particulier gebruik als bedoeld in het eerste
lid is in ieder geval sprake indien:
a. het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier,
b. het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt
gesteld aan, gekocht of besteld door een particulier,
c. het aangetroffen wordt bij een particulier,
d. het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of
voorhanden wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren
ter beschikking te stellen, of
e. het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier
gebruik.
Artikel 1.2.2a
Het is verboden, behoudens het bepaalde in deartikelen 1.3.1, derde
lid, 2.1.2, tweede lid, en 2.1.3, zesde lid, dan wel 3.1.1, zesde lid,
en 3A.1.1, zesde lid, vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik op te slaan of te bewerken indien niet wordt voldaan aan
de voorschriften die zijn gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, derde lid,
van de Wet milieubeheer, dan wel krachtens dit besluit.
Artikel 1.2.3
Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik buiten een daartoe bestemde inrichting te vervaardigen
of, behoudens het bepaalde in artikel 3B.1, eerste lid, te bewerken.
Artikel 1.2.4
1. Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik voorhanden te hebben buiten een inrichting als bedoeld
in:
a. artikel 1.1.4;
b. artikel 2.2.2, 3.2.1 of 3A.2.1 waarvoor een
omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag
van vuurwerk;
c. artikel 2.2.1 waarvoor een melding is gedaan krachtens
artikel 2.2.4.
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. tijdens de perioden dat consumentenvuurwerk ingevolge
artikel 2.3.2 ter beschikking mag worden gesteld of ingevolge
artikel 2.3.6 tot ontbranding mag worden gebracht, indien niet
meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk voorhanden is;
b. buiten de perioden, bedoeld onder a, indien niet meer dan
tien kilogram consumentenvuurwerk voorhanden is op een plaats die
niet voor het publiek toegankelijk is;
c. tijdens het tot ontbranding brengen van professioneel
vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
overeenkomstig artikel 3B.1, alsmede gedurende ten hoogste zestien
uur daaraan voorafgaand, met dien verstande dat niet meer vuurwerk
of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voorhanden zijn
dan redelijkerwijs tot ontbranding zullen worden gebracht;
d. gedurende ten hoogste 12 uur nadat is of zou worden
aangevangen met het tot ontbranding van professioneel vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik overeenkomstig
artikel 3B.1 en het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik voorhanden zijn op een plaats die niet voor het
publiek toegankelijk is en op een zodanige wijze dat geen gevaar
voor personen is te duchten, met dien verstande dat niet meer
vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
voorhanden zijn dan redelijkerwijs tot ontbranding zouden worden
gebracht.
3. Gedeputeerde staten van de provincie waarin het professioneel
vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot
ontbranding zullen worden gebracht kunnen bij de toestemming, bedoeld
in artikel 3B.1, derde lid, onder a, in plaats van de tijdsduur,
genoemd in het tweede lid, onder c, een andere tijdsduur vaststellen.
4. Het eerste lid is tevens niet van toepassing indien het vuurwerk
of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden vervoerd
overeenkomstig de eisen gesteld bij of krachtens de Wet vervoer
gevaarlijke stoffen en met inachtneming van artikel 1.2.5.
Artikel 1.2.5
1. Het is verboden handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste
lid, onder c, d en e, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen te
verrichten, voor zover het betreft handelingen met vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, anders dan:
a. het laten staan en het laten liggen van een vervoermiddel
waarin of waarop zich vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik bevinden, in verband met:
1°. de toepassing van artikel 1.2.4, tweede lid, onder c,
2°. een wettelijk voorschrift dat dat voorschrijft in
verband met weersomstandigheden.
b. het ononderbroken beladen van een vervoermiddel met vuurwerk
of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en het
ononderbroken lossen daaruit, of
c. het in inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1.4, eerste
lid:
1°. laten staan en laten liggen van een vervoermiddel
waarin of waarop zich vuurwerk of pyrotechnische artikelen
voor theatergebruik bevinden,
2°. beladen van een vervoermiddel met vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en het lossen
daaruit, of
3°. nederleggen tijdens het vervoer van vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.
2. Het is verboden verpakt of onverpakt consumentenvuurwerk, anders
dan voor eigen gebruik, in een hoeveelheid van meer dan 10 kilogram
per vervoermiddel dan wel professioneel vuurwerk of pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik te vervoeren, tenzij degene die vervoert
tijdens dat vervoer schriftelijk kan aantonen door middel van een
inschrijvingsbewijs of een vrachtbrief als bedoeld in de artikelen 20
onderscheidenlijk 29 van de Wet goederenvervoer over de weg, dan wel
door middel van een cognossement als bedoeld in boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek, dat de artikelen zijn bestemd voor een natuurlijk
persoon of een rechtspersoon:
a. die ingevolge het bij of krachtens dit besluit bepaalde, dit
vuurwerk of deze pyrotechnische artikelen voor theatergebruik mag
opslaan,
b. die houder is van een vergunning als bedoeld in artikel
3B.1, eerste lid, of
c. wiens gegevens, als het vuurwerk of pyrotechnische artikelen
voor theatergebruik buiten het grondgebied van Nederland worden
gebracht, zijn verstrekt bij de melding, bedoeld in artikel 1.3.2,
derde lid, onder f.
Artikel 1.2.6
1. Het is een ieder verboden ander vuurwerk dan consumentenvuurwerk
dat voldoet aan de bij dit besluit gestelde eisen of de ter uitwerking
van dit besluit krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer
gestelde regels met betrekking tot consumentenvuurwerk, aan te prijzen
of aan te bevelen:
a. als consumentenvuurwerk, of
b. indien hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit
vuurwerk zal worden aangewend voor een ander gebruik dan waartoe
het gelet op de samenstelling of eigenschappen of de bijbehorende
gebruiksaanwijzing, kennelijk is geschikt.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.
Artikel 1.2.7
Het is een ieder die anders dan beroepshalve vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding brengt,
verboden handelingen te verrichten of na te laten waarvan hij weet of
redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor gevaren kunnen optreden
voor mens of milieu.
§ 3. Binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen
Artikel 1.3.1
1. Degene die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik binnen het grondgebied van Nederland brengt, draagt
ervoor zorg dat:
a. op de verpakking waarin het vuurwerk of de pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik zich tijdens het vervoer bevinden,
is aangeduid de klasse waarin het vuurwerk of de pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik volgens bijlage A van het ADR zijn
ingedeeld als vuurwerk, en de aanduiding van de klasse
overeenstemt met de eigenschappen van dat verpakte vuurwerk,
b. het vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
vergezeld gaan van een door of namens hem opgestelde schriftelijke
verklaring waarin per transportverpakking is aangeduid volgens
welke klasse het vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik ingevolge onderdeel a zijn ingedeeld en waarin hij
verklaart dat de aanduiding van die klasse overeenstemt met de
eigenschappen van de verpakte artikelen.
c. aan degene aan wie hij het vuurwerk of pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik na het binnen het grondgebied van
Nederland te hebben gebracht ter beschikking stelt, een
schriftelijke verklaring als bedoeld onder b wordt afgegeven.
2. Degene die het vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik opslaat draagt ervoor zorg dat op artikelen die verpakt
worden opgeslagen de aanduiding van de klasse waarin de artikelen
volgens bijlage A van het ADR zijn ingedeeld als vuurwerk aanwezig is
en blijft en dat hij in het bezit is van de schriftelijke verklaring,
bedoeld in het eerste lid, onder b.
3. Het eerste lid, onder c , is niet van toepassing op vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik waarvan op het moment dat
deze artikelen binnen het grondgebied van Nederland worden gebracht,
naar het oordeel van Onze Minister genoegzaam wordt aangetoond dat zij
binnen 48 uur weer buiten het grondgebied van Nederland zullen worden
gebracht. Indien sprake is van opslag als bedoeld in artikel 1.1.4,
derde lid, wordt in plaats van «48 uur» gelezen: twee weken.
Artikel 1.3.2
1. Degene die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt,
meldt voorafgaand schriftelijk het voornemen hiertoe bij Onze
Minister. De melding wordt ten minste drie werkdagen voorafgaand aan
het binnen of buiten Nederland brengen van de artikelen gedaan. Indien
de melding wordt gedaan op een werkdag voor 12.00 uur wordt in de
vorige volzin in plaats van «drie werkdagen» gelezen: twee
werkdagen.
2. In afwijking van het eerste lid is het degene die
consumentenvuurwerk in de periode van 15 december tot 1 januari binnen
of buiten het grondgebied van Nederland brengt, toegestaan het
voornemen hiertoe ten minste 24 uur van te voren schriftelijk bij Onze
Minister te melden.
3. In afwijking van het eerste lid is het binnen 24 uur nadat is of
zou worden aangevangen met het tot ontbranding brengen van
professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
overeenkomstigartikel 3B.1, toegestaan de resterende artikelen buiten
het grondgebied van Nederland te brengen zonder voorafgaande melding,
met dien verstande dat binnen een werkdag na het buiten het
grondgebied van Nederland brengen van de artikelen, door degene die de
artikelen buiten Nederland heeft gebracht een melding aan Onze
Minister wordt gedaan.
4. Bij de melding worden in ieder geval de volgende gegevens
verstrekt:
a. de naam en het adres van degene die het vuurwerk of de
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik binnen of buiten het
grondgebied van Nederland brengt;
b. de voorziene plaats waar, de datum en het verwachte
tijdstip, waarop het vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik binnen of buiten het grondgebied van Nederland
worden gebracht;
c. of het consumenten- of professioneel vuurwerk dan wel
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik betreft, het door de
fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat dient
ter identificatie van het artikel, de CE-markering, het
productiejaar, het type vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik, de NEM, per artikelnummer de hoeveelheid verpakt
vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in
kilogrammen of het gewicht per verpakkingseenheid in kilogrammen
en indien van toepassing het containernummer waarin het vuurwerk
of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik zich bevinden;
d. de voorziene datum waarop en de plaats waar het vuurwerk of
de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden gelost of
overgeladen en, indien de artikelen aansluitend aan het binnen het
grondgebied van Nederland brengen tot ontbranding worden gebracht,
de plaats van die ontbranding;
e. bij binnen het grondgebied van Nederland brengen het land
van productie, de naam van de onderneming die het vuurwerk of de
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik geproduceerd heeft,
de naam en het adres van degene bij wie de artikelen worden
opgeslagen, en de naam en het adres van degene voor wie de
artikelen zijn bestemd;
f. bij buiten het grondgebied van Nederland brengen de naam en
het adres van degene voor wie het vuurwerk of de pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik zijn bestemd, en het adres van
degene bij wie de artikelen worden afgeleverd in het buitenland.
5. De melding dient te worden gedaan op een formulier waarvan het
model wordt vastgesteld door Onze Minister.
6. Afwijking van de gemelde gegevens wordt voorafgaand aan het
binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van vuurwerk of
de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik terstond aan Onze
Minister gemeld.
§ 4. Ter beschikking stellen en registreren
Artikel 1.4.1
1. Degene die:
a. consumentenvuurwerk aan een groothandelaar ter beschikking
stelt, of
b. professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik aan een ander ter beschikking stelt,
meldt voordat de terbeschikkingstelling plaatsvindt schriftelijk
het voornemen hiertoe bij Onze Minister. De melding wordt gedaan op
een werkdag en ten minste drie werkdagen voorafgaand aan de
terbeschikkingstelling van het de artikelen. Indien de melding wordt
gedaan op een werkdag voor 12.00 uur wordt in de vorige volzin in
plaats van «drie werkdagen» gelezen: twee werkdagen.
2. In afwijking van het eerste lid is het degene die
consumentenvuurwerk in de periode van 15 december tot 1 januari ter
beschikking stelt toegestaan het voornemen hiertoe ten minste 24 uur
van te voren schriftelijk bij Onze Minister te melden.
3. Bij de melding worden in ieder geval de volgende gegevens
verstrekt:
a. de naam en het adres van degene die ter beschikking stelt,
b. de naam en het adres van degene aan wie ter beschikking
wordt gesteld,
c. de datum waarop de artikelen ter beschikking worden gesteld,
en de plaats waar deze worden opgeslagen, en
d. of het consumenten- of professioneel vuurwerk dan wel
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik betreft, het door de
fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat dient
ter identificatie van het artikel, de CE-markering, het
productiejaar, het type vuurwerk of pyrotechnisch artikel voor
theatergebruik, de NEM en per artikelnummer de hoeveelheid
vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in
kilogrammen.
4. De melding dient te worden gedaan op een formulier waarvan het
model wordt vastgesteld door Onze Minister.
Artikel 1.4.2
1. Degene die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik vervaardigt, binnen het grondgebied van Nederland
brengt, of voor handelsdoeleinden voorhanden heeft, registreert:
a. of het consumenten- of professioneel vuurwerk dan wel
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik betreft, het door de
fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat dient
ter identificatie van het artikel, en het productiejaar;
b. de hoeveelheid verpakt vuurwerk of pyrotechnische artikelen
voor theatergebruik in kilogrammen die per afnemer ter beschikking
is gesteld.
2. Artikel 3, eerste en derde lid, van het Administratiebesluit
milieugevaarlijke stoffen en preparaten is van overeenkomstige
toepassing op de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a en b.
3. In afwijking van het eerste lid, onder b, registreert degene die
bedrijfsmatig consumentenvuurwerk ter beschikking stelt aan
particulieren, de totale hoeveelheid vuurwerk uitgedrukt in
kilogrammen verpakt vuurwerk die per dag aan particulieren ter
beschikking is gesteld.
Artikel 1.4.3
1. Degene die een inrichting drijft als bedoeld in artikel 1.1.4,
2.2.1, 2.2.2,3.2.1 of 3A.2.1 draagt er zorg voor dat burgemeester en
wethouders en de burgemeester van de gemeente waarin de inrichting is
gelegen, en de commandant van de regionale brandweer, bij de toegang
tot de inrichting direct toegang hebben tot in ieder geval de volgende
actuele gegevens:
a. de classificatie van het vuurwerk of de pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik volgens het ADR en de opgeslagen
hoeveelheid verpakt en onverpakt vuurwerk of pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik in kilogrammen;
b. informatie over de mate waarin de opgeslagen artikelen
gevoelig zijn voor blusmiddelen;
c. de plaats waar de artikelen binnen de inrichting zijn
opgeslagen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
degene die in een inrichting professioneel vuurwerk of pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik voorhanden heeft die zijn aangewezen
ingevolge artikel 1.1.1, derde lid.
Hoofdstuk 1a. In de handel brengen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1A.1.1
1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
aangemelde instantie: aangemelde instantie als bedoeld in
artikel 10 van de EG-richtlijn pyrotechnische artikelen;
bijlage I van de EG-richtlijn pyrotechnische artikelen: bijlage
I bij de EG-richtlijn pyrotechnische artikelen, naar de tekst
zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld;
bijlage II van de EG-richtlijn pyrotechnische artikelen:
bijlage II bij de EG-richtlijn pyrotechnische artikelen, naar de
tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld, voor zover het
betreft de in het tweede lid genoemde onderdelen van de bijlage,
en bijlage II bij de EG-richtlijn pyrotechnische artikelen voor de
overige onderdelen van de bijlage;
conformiteitsbeoordelingsprocedure: procedure als bedoeld in
bijlage II van de EG-richtlijn pyrotechnische artikelen;
fundamentele veiligheidseisen: fundamentele veiligheidseisen,
bedoeld in bijlage I van de EG-richtlijn pyrotechnische artikelen;
geharmoniseerde norm: Europese norm die op basis van een
mandaat van de Commissie van de Europese Gemeenschappen door een
Europees normalisatie-instituut is goedgekeurd overeenkomstig de
in richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22
juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van
normen en technische voorschriften (PB L 204) vastgestelde
procedures;
module B, C, D, E, G en H: module B, C, D, E, G en H als
bedoeld in bijlage II van de EG-richtlijn pyrotechnische
artikelen.
2. De in het eerste lid, in de begripsomschrijving van bijlage II
van de EG-richtlijn pyrotechnische artikelen, bedoelde onderdelen van
die bijlage zijn:
a. Module B, de onderdelen 6 tot en met 9;
b. Module C, de onderdelen 2 tot en met 4;
c. Module D, de onderdelen 3.4, 4.2 tot en met 4.4, 5 en 6;
d. Module E, de onderdelen 3.4, 4.2 tot en met 4.4, 5 en 6;
e. Module H, de onderdelen 3.4, 4.2 tot en met 4.4, 5 en 6.
Artikel 1A.1.2
1. Een wijziging van artikel 10 of 11 van de EG-richtlijn
pyrotechnische artikelen, van bijlage II van de EG-richtlijn
pyrotechnische artikelen, met uitzondering van de onderdelen, genoemd
in artikel 1A.1.1, tweede lid, en van bijlage III of IV van de
EG-richtlijn pyrotechnische artikelen gaat voor de toepassing van dit
besluit en de daarop berustende bepalingen gelden met ingang van de
dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn of het betrokken
wijzigingsbesluit uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
2. Onze Minister doet meteen na het van kracht worden van een
wijziging als bedoeld in het eerste lid, daarvan mededeling in de
Staatscourant.
Artikel 1A.1.3
1. De fabrikant brengt vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik in een bepaalde categorie onder op grond van
toepassing, doel en gevaar, met inbegrip van hun geluidniveau.
2. Een aangemelde instantie bevestigt de categorisering als
onderdeel van de conformiteitsbeoordelingsprocedure.
3. De categorieën luiden als volgt:
a) vuurwerk
Categorie 1: vuurwerk dat zeer weinig gevaar en een te
verwaarlozen geluidsniveau oplevert en bestemd is voor gebruik in
een besloten ruimte, inclusief vuurwerk dat bestemd is voor
gebruik binnenshuis;
Categorie 2: vuurwerk dat weinig gevaar en een laag
geluidsniveau oplevert en bestemd is voor gebruik buitenshuis in
een afgebakende plaats;
Categorie 3: vuurwerk dat middelmatig gevaar oplevert en
bestemd is voor gebruik buitenshuis in een grote open ruimte, en
waarvan het geluidsniveau niet schadelijk is voor de menselijke
gezondheid;
Categorie 4: vuurwerk dat veel gevaar oplevert en uitsluitend
bestemd is voor gebruik door personen met gespecialiseerde kennis,
en waarvan het geluidsniveau niet schadelijk is voor de menselijke
gezondheid.
b) pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
Categorie T1: pyrotechnische artikelen voor podiumgebruik met
gering gevaar;
Categorie T2: pyrotechnische artikelen voor podiumgebruik die
uitsluitend bestemd zijn om door personen met gespecialiseerde
kennis te worden gebruikt.
Artikel 1A.1.4
De fabrikant zorgt ervoor dat vuurwerk of pyrotechnische artikelen
voor theatergebruik voldoen aan de fundamentele veiligheidseisen.
Artikel 1A.1.5
1. De importeur van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik zorgt ervoor dat de fabrikant aan zijn verplichtingen
uit hoofde van dit besluit heeft voldaan of neemt deze verplichtingen
op zich.
2. Het eerste lid is van toepassing wanneer de fabrikant niet is
gevestigd in de Europese Gemeenschap.
Artikel 1A.1.6
Distributeurs nemen de nodige zorgvuldigheid in acht. Met name
vergewissen zij zich ervan dat het pyrotechnische artikel is voorzien
van de vereiste CE-markering en vergezeld gaat van de vereiste
documenten.
Artikel 1A.1.7
1. Bij regeling van Onze Minister worden de geharmoniseerde normen
aangewezen die in Nederland worden erkend en overgenomen.
2. Bij de regeling stelt Onze Minister voor elke erkende en
overgenomen geharmoniseerde norm een referentienummer vast.
3. Vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die
voldoen aan de in Nederland erkende en overgenomen geharmoniseerde
normen, worden geacht in overeenstemming te zijn met de fundamentele
veiligheidseisen.
§ 2. Verbodsbepalingen
Artikel 1A.2.1
1. Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik in de handel te brengen, voorhanden te hebben of aan
een ander ter beschikking te stellen die niet voldoen aan de
fundamentele veiligheidseisen.
2. Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik in de handel te brengen voorhanden te hebben of aan een
ander ter beschikking te stellen indien die niet zijn onderworpen aan
de conformiteitsbeoordelingsprocedure.
3. Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik in de handel te brengen, voorhanden te hebben, aan een
ander ter beschikking te stellen of te gebruiken anders dan met
inachtneming van de voorschriften gesteld bij of krachtens de
artikelen 1A.4.1, 2.1.3,3.1.1 en 3A.1.1 met betrekking tot de
aanduiding en het bezigen van vermeldingen.
4. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 1A.3.3,
1A.3.5, 1A.3.7, eerste en tweede lid, 1A.3.8 en 1A.3.9.
Artikel 1A.2.2
1. Artikel 1A.2.1 is niet van toepassing op vuurwerk en
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die niet in
overeenstemming zijn met de bepalingen van EG-richtlijn pyrotechnische
artikelen en die worden getoond en gebruikt op handelsbeurzen,
tentoonstellingen en demonstraties voor de marketing van
pyrotechnische artikelen, mits is voldaan aan het bepaalde in het
derde lid.
2. Pyrotechnische artikelen als bedoeld in het eerste lid mogen pas
verkocht worden nadat ze door de fabrikant, wanneer die is gevestigd
in de Europese Gemeenschap, of door de importeur in overeenstemming
zijn gebracht met de bepalingen van de in het eerste lid genoemde
richtlijn.
3. Op pyrotechnische artikelen als bedoeld in het eerste lid:
a. wordt een zichtbaar teken aangebracht waaruit duidelijk de
naam en de datum van de handelsbeurs, tentoonstelling of
demonstratie blijken;
b. is aangegeven dat de artikelen niet in overeenstemming zijn
met de bepalingen van de EG-richtlijn pyrotechnische artikelen, en
niet verkocht mogen worden.
Artikel 1A.2.3
1. Artikel 1A.2.1 is niet van toepassing op vuurwerk en
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die voor onderzoeks-,
ontwikkelings- en testdoeleinden zijn geproduceerd en niet met de
bepalingen van de EG-richtlijn pyrotechnische artikelen in
overeenstemming zijn. Deze artikelen mogen vrij circuleren en worden
gebruikt, mits is voldaan aan het bepaalde in het derde lid.
2. Pyrotechnische artikelen als bedoeld in het eerste lid mogen
niet beschikbaar worden gesteld of worden gebruikt voor andere
doeleinden dan voor ontwikkeling, tests en onderzoek.
3. Op pyrotechnische artikelen als bedoeld in het eerste lid wordt
een zichtbaar teken aangebracht waaruit duidelijk blijkt dat ze niet
in overeenstemming zijn met de bepalingen van de EG-richtlijn
pyrotechnische artikelen en niet beschikbaar zijn voor andere
doeleinden dan voor ontwikkeling, tests en onderzoek.
§ 3. Conformiteitsbeoordelingsprocedure
Artikel 1A.3.1
Vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden
onderworpen aan een conformiteitsbeoordelingsprocedure overeenkomstig
deze paragraaf.
Artikel 1A.3.2
De fabrikant kiest een van de navolgende
conformiteitsbeoordelingsprocedures, volgens welke de door hem gekozen
aangemelde instantie de conformiteitsbeoordelingsprocedure uitvoert:
a) het EG-typeonderzoek (module B), en naar keuze van de
fabrikant hetzij:
1°. de overeenstemming met het type (module C),
2°. de productiekwaliteitsborging (module D), of,
3°. de productkwaliteitsborging (module E);
b) de eenheidskeuring (module G), of,
c) de algehele productkwaliteitsborging (module H), voor zover
het gaat om vuurwerk van categorie 4.
Artikel 1A.3.3
1. Indien module B is toegepast, brengt de fabrikant de aangemelde
instantie die de technische documentatie betreffende de verklaring van
EG-typeonderzoek in haar bezit heeft, op de hoogte van alle
wijzigingen van het goedgekeurde artikel die aanvullend moeten worden
goedgekeurd als die wijzigingen invloed hebben op de overeenstemming
met de fundamentele voorschriften of de voorgeschreven
gebruiksvoorwaarden van het artikel. Deze aanvullende goedkeuring
wordt gegeven in de vorm van een bijvoegsel bij de oorspronkelijke
verklaring van EG-typeonderzoek.
2. Samen met de technische documentatie houdt de fabrikant kopieën
van de verklaringen van EG-typeonderzoek en de bijvoegsels bij
gedurende ten minste tien jaar vanaf de laatste fabricagedatum van het
desbetreffende artikel. Indien de fabrikant niet in de Europese
Gemeenschap is gevestigd, rust de verplichting om de technische
documentatie ter beschikking te houden bij de importeur of een andere
persoon die het product in de handel brengt.
Artikel 1A.3.4
1. Indien module B is toegepast, brengt de aangemelde instantie de
andere aangemelde instanties op de hoogte van de relevante informatie
betreffende de verklaringen van EG-typeonderzoek en de bijvoegsels die
zijn afgegeven of ingetrokken.
2. De andere aangemelde instanties kunnen een kopie van de
verklaringen van EG-typeonderzoek of de bijvoegsels krijgen. De
bijlagen bij de verklaringen worden ter beschikking van de andere
aangemelde instanties gehouden.
Artikel 1A.3.5
1. Indien module C is toegepast, neemt de fabrikant de nodige
maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces garandeert dat
het gefabriceerde artikel overeenstemt met het type dat is beschreven
in de verklaring van EG-typeonderzoek en met de fundamentele
veiligheidseisen van de richtlijn.
2. De fabrikant houdt een kopie van de verklaring van
overeenstemming bij gedurende ten minste tien jaar vanaf de laatste
fabricagedatum van het desbetreffende artikel. Indien de fabrikant
niet in de Europese Gemeenschap is gevestigd, rust de verplichting om
de technische documentatie ter beschikking te houden bij de persoon
die het artikel in de handel brengt.
Artikel 1A.3.6
1. Indien module C is toegepast, onderzoekt de door de fabrikant
gekozen aangemelde instantie het artikel met willekeurige intervallen,
of laat deze instantie het artikel onderzoeken.
2. De aangemelde instantie neemt ter plekke een geschikt monster
van de gefabriceerde artikelen, en onderzoekt dit of laat dit
onderzoeken. Aan de hand van passende tests zoals gedefinieerd in de
toepasselijke geharmoniseerde norm of een gelijkwaardige norm, wordt
gecontroleerd of het artikel met de voorschriften van de EG-richtlijn
pyrotechnische artikelen overeenstemt. Wanneer een of meer stalen van
de onderzochte artikelen niet in overeenstemming blijken te zijn,
neemt de aangemelde instantie passende maatregelen.
3. Onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie brengt de
fabrikant tijdens het fabricageproces het identificatienummer van die
instantie aan.
Artikel 1A.3.7
1. Indien module D, E of H is toegepast, verbindt de fabrikant zich
ertoe de verplichtingen die uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem
voortvloeien, na te komen en ervoor te zorgen dat het goed en
efficiënt blijft werken.
2. Indien module D of E is toegepast, informeert de fabrikant de
aangemelde instantie die het kwaliteitssysteem heeft goedgekeurd over
voorgenomen wijzigingen van het kwaliteitssysteem.
3. Indien module H is toegepast, houdt de fabrikant de aangemelde
instantie die het kwaliteitssysteem heeft goedgekeurd voortdurend op
de hoogte van elke beoogde bijwerking van het kwaliteitssysteem.
4. De aangemelde instantie beoordeelt de voorgestelde wijzigingen
en beslist of het gewijzigde kwaliteitssysteem aan de in bijlage II
van de EG-richtlijn pyrotechnische artikelen, punt 3.2 van module D, E
onderscheidenlijk H, bedoelde voorschriften zal blijven voldoen dan
wel of het systeem opnieuw moet worden beoordeeld.
5. De fabrikant wordt in kennis gesteld van het met redenen omklede
beoordelingsbesluit. De kennisgeving bevat de resultaten van het
onderzoek.
Artikel 1A.3.8
1. Indien module D of E is toegepast, verleent de fabrikant de
aangemelde instantie voor inspectiedoeleinden toegang tot de
fabricage-, inspectie-, test- en opslagruimten en verstrekt haar de
voor die doeleinden nodige informatie, met name:
a. de documentatie met betrekking tot het kwaliteitssysteem;
b. de kwaliteitsgegevens, zoals inspectieverslagen en
testgegevens, ijkgegevens, en kwalificatierapporten van het
betrokken personeel.
2. Indien module D of E is toegepast, houdt de fabrikant de
volgende elementen gedurende ten minste tien jaar vanaf de laatste
fabricagedatum van het artikel ter beschikking van de nationale
autoriteiten:
a. het in bijlage II van de EG-richtlijn pyrotechnische
artikelen, punt 3.1, onder b, van module D en module E, bedoelde
document;
b. de documenten betreffende de wijzigingen als bedoeld in
artikel 1A.3.7, tweede en derde lid;
c. de in artikel 1A.3.7, vijfde lid, en in artikel 1A.3.10
bedoelde besluiten en verslagen van de aangemelde instantie.
Artikel 1A.3.9
1. Indien module H is toegepast, verleent de fabrikant de
aangemelde instantie voor inspectiedoeleinden toegang tot de
fabricage-, inspectie-, test- en opslagruimten en verstrekt haar de
voor die doeleinden nodige informatie, met name:
a. de documentatie met betrekking tot het kwaliteitssysteem;
b. de door het kwaliteitssysteem voor de ontwikkeling verlangde
kwaliteitsrapporten, zoals de resultaten van analyses,
berekeningen, testgegevens;
c. de door het kwaliteitssysteem voor de fabricage verlangde
kwaliteitsrapporten, zoals inspectieverslagen en testgegevens,
ijkgegevens, en kwalificatierapporten van het betrokken personeel.
2. Indien module H is toegepast, houdt de fabrikant de volgende
elementen gedurende ten minste tien jaar vanaf de laatste
fabricagedatum van het artikel ter beschikking van de nationale
autoriteiten:
a. het in bijlage II van de EG-richtlijn pyrotechnische
artikelen, punt 3.1, onder b, van module H bedoelde document;
b. de documenten betreffende de bijwerking als bedoeld in
artikel 1A.3.7, derde lid;
c. de inartikel 1A.3.7, vijfde lid en in artikel 1A.3.10
bedoelde besluiten en verslagen van de aangemelde instantie.
Artikel 1A.3.10
1. Indien module D, E of H is toegepast, voert de aangemelde
instantie periodiek controles uit om ervoor te zorgen dat de fabrikant
het kwaliteitssysteem handhaaft en toepast en verstrekt de fabrikant
een controleverslag.
2. De aangemelde instantie kan bovendien onaangekondigde bezoeken
aan de fabrikant brengen. Tijdens dergelijke bezoeken kan de
aangemelde instantie, indien noodzakelijk, tests (laten) uitvoeren om
na te gaan of het kwaliteitssysteem naar behoren functioneert; de
aangemelde instantie verstrekt de fabrikant een verslag van het bezoek
en, indien tests zijn uitgevoerd, een testverslag.
3. De aangemelde instantie verstrekt de andere aangemelde
instanties de relevante informatie betreffende de goedkeuringen van
het kwaliteitssysteem die zijn afgegeven of ingetrokken.
§ 4. CE-markering
Artikel 1A.4.1
1. Nadat de conformiteitsbeoordelingsprocedure met succes is
uitgevoerd, worden de pyrotechnische artikelen zichtbaar, leesbaar en
onuitwisbaar voorzien van de CE-markering.
2. Het eerste lid geldt niet voor vuurwerk en pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik van geringe afmeting, mits
a. aan deze artikelen een identificatieplaatje is bevestigd
waarop de in het eerste lid bedoelde gegevens zijn aangebracht, of
b. deze artikelen zich in een primaire verpakking bevinden
waarop de in het eerste lid bedoelde gegevens zijn aangebracht.
3. Het identificatieplaatje, bedoeld in het tweede lid, onder a,
moet zodanig zijn ontworpen dat hergebruik onmogelijk is.
4. Het is verboden andere markeringen op pyrotechnische artikelen
aan te brengen indien:
a. zij tot onduidelijkheid kunnen leiden ten aanzien van de
betekenis en de vorm van de CE-markering, en
b. de zichtbaarheid en de leesbaarheid van de CE-markering
daardoor in het gedrang komen.
5. Indien de pyrotechnische artikelen onderworpen zijn aan andere
wetgeving van de Europese Gemeenschap die betrekking heeft op andere
aspecten van de CE-markering en een CE-markering voorschrijft, geeft
deze markering aan dat deze artikelen ook geacht worden aan de
bepalingen van de andere toepasselijke wetgeving te voldoen.
§ 5. Aangewezen instantie
Artikel 1A.5.1
1. Onze Minister kan een instantie aanwijzen die bevoegd is tot het
uitvoeren van de conformiteitsbeoordelingsprocedures. Onze Minister
meldt de aangewezen instantie aan overeenkomstig artikel 10 van de
EG-richtlijn pyrotechnische artikelen.
2. De aan te wijzen instantie moet ten minste voldoen aan de
minimumcriteria, opgenomen in bijlage III van de EG-richtlijn
pyrotechnische artikelen. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften
worden verbonden ter uitvoering van de minimumcriteria als bedoeld in
bijlage III van de EG-richtlijn pyrotechnische artikelen.
3. Indien de aan te wijzen instantie voldoet aan de
beoordelingscriteria die in de geharmoniseerde normen voor aangewezen
instanties zijn vastgesteld, wordt zij geacht aan de desbetreffende
minimumcriteria te voldoen.
Artikel 1A.5.2
1. In het kader van de beoordeling van de conformiteit is de
aangewezen instantie in elk geval bevoegd tot het nemen van de
volgende besluiten:
a. het beslissen omtrent de afgifte van een verklaring van
EG-typeonderzoek in het kader van de toepassing van module B, als
bedoeld in bijlage II van de EG-richtlijn pyrotechnische
artikelen, onderdeel 1, onder 5;
b. het beslissen omtrent de afgifte van een aanvullende
goedkeuring in het kader van de toepassing van module B, als
bedoeld in bijlage II van de EG-richtlijn pyrotechnische
artikelen, onderdeel 1, onder 6;
c. het beslissen omtrent het beoordelen of opnieuw beoordelen
van het kwaliteitssysteem in het kader van de toepassing van
module D, als bedoeld in bijlage II van de EG-richtlijn
pyrotechnische artikelen, onderdeel 3, onder 3.3 en 3.4.
2. Een goedkeurende beoordeling kan door de aangewezen instantie
worden ingetrokken indien de fabrikant niet langer voldoet aan de
vereisten voor een goedkeurende beoordeling.
Artikel 1A.5.3
Onze Minister ziet toe op de rechtmatige en doeltreffende uitvoering
van het bepaalde bij of krachtens dit besluit door de aangewezen
instantie.
Artikel 1A.5.4
De aangewezen instantie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de
voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister
kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat
voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 1A.5.5
De aangewezen instantie beschikt over een behoorlijke administratie
waarin de gegevens die samenhangen met en betrekking hebben op de
uitvoering van haar taken, op een systematische wijze zijn vastgelegd.
Aan de hand van deze gegevens zijn de beoordeelde pyrotechnische
artikelen afdoende te identificeren.
Artikel 1A.5.6
1. Indien een wijziging optreedt in de gegevens op grond waarvan de
instantie is aangewezen, doet de instantie hiervan terstond mededeling
aan Onze Minister.
2. Indien de aangewezen instantie voornemens is een of meer van de
taken waarvoor zij is aangewezen, te beëindigen, doet de instantie
hiervan terstond mededeling aan Onze Minister. In dat geval worden
door de instantie de gegevens, bedoeld in artikel 1A.5.5 overgedragen
aan Onze Minister.
Artikel 1A.5.7
1. Onze Minister kan de aanwijzing wijzigen of intrekken.
2. Onze Minister trekt de aanwijzing in elk geval in indien is
gebleken dat de instantie niet of niet langer voldoet aan de
minimumcriteria, opgenomen in bijlage III van de EG-richtlijn
pyrotechnische artikelen.
3. Onze Minister stelt de andere lidstaten van de Europese Unie en
de Commissie van de Europese Gemeenschappen onverwijld op de hoogte
van het intrekken van de aanwijzing.
Artikel 1A.5.8
1. Indien de aanwijzing van de instantie wordt ingetrokken,
behouden de door deze instantie afgegeven certificaten van
overeenstemming en bijbehorende documenten hun geldigheid.
2. Indien er een dreigend of rechtstreeks gevaar is voor de
gezondheid of de veiligheid, kan Onze Minister, in afwijking van het
eerste lid, verklaren dat een of meer certificaten van overeenstemming
en bijbehorende documenten hun geldigheid hebben verloren.
Hoofdstuk 2. Consumentenvuurwerk
§ 1. Eisen aan consumentenvuurwerk
Artikel 2.1.1
Bij regeling van Onze Minister wordt vuurwerk aangewezen als
consumentenvuurwerk. De aanwijzing geschiedt aan de hand van de aard,
samenstelling, constructie en eigenschappen van het vuurwerk.
Artikel 2.1.2
1.Verpakt consumentenvuurwerk is bij het opslaan en het voorhanden
hebben anders dan door particulieren, op zodanige wijze verpakt dat
het volgens bijlage A van het ADR, uitsluitend kan worden aangemerkt
als vuurwerk behorende tot klasse 1.4G of 1.4S.
2.Dit artikel is niet van toepassing op vuurwerk waarvan op het
moment dat het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht,
naar het oordeel van Onze Minister genoegzaam wordt aangetoond dat het
binnen 48 uur weer buiten het grondgebied van Nederland zal worden
gebracht. Indien sprake is van opslag als bedoeld in artikel 1.1.4,
derde lid, wordt in plaats van «48 uur» gelezen: twee weken.
Artikel 2.1.3
1. Consumentenvuurwerk is voorzien van:
a. de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik;
b. een vermelding of afbeelding van de soort van het vuurwerk
waaruit duidelijk blijkt wat de te verwachten effecten tijdens het
functioneren zijn;
c. de naam, de handelsnaam of het handelsmerk en de naam en de
plaats van vestiging van de fabrikant;
d. indien de fabrikant niet is gevestigd in de Europese
Gemeenschap: de naam, de handelsnaam of het handelsmerk en de naam
en de plaats van vestiging van de importeur;
e. indien de importeur niet in Nederland is gevestigd: de naam,
de handelsnaam of het handelsmerk en de naam en de plaats van
vestiging van de distributeur;
f. de naam en het type van het artikel, het door de fabrikant
bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat dient ter
identificatie van het vuurwerk en het productiejaar van het
vuurwerk;
g. de minimumleeftijd voor het verkopen of anderszins ter
beschikking stellen van het consumentenvuurwerk, bedoeld in
artikel 2.3.5;
h. de categorie, bedoeld in artikel 1A.1.3, waartoe het
consumentenvuurwerk behoort;
i. de NEM;
j. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en
waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel
of schade bij de gebruiker en omstanders kan ontstaan.
2. Consumentenvuurwerk is voorts voorzien van de volgende
informatie:
voor zover het betreft categorie 1: in voorkomend geval:
«uitsluitend buitenshuis te gebruiken» en de minimale
veiligheidsafstand;
voor zover het betreft categorie 2: «uitsluitend buitenshuis te
gebruiken» en, in voorkomend geval, de minimale
veiligheidsafstand(en);
voor zover het betreft categorie 3: «uitsluitend buitenshuis te
gebruiken» en de minimale veiligheidsafstand(en).
3. Het eerste en tweede lid gelden niet voor consumentenvuurwerk
van geringe afmeting, mits dat vuurwerk zich in een primaire
verpakking bevindt waarop de in het eerste en tweede lid bedoelde
gegevens zijn aangebracht.
4. De aanduiding en de gegevens, bedoeld in het eerste en tweede
lid, zijn in de Nederlandse taal gesteld, zichtbaar, leesbaar en
onuitwisbaar.
5. In afwijking van het vierde lid worden de aanduiding en de
gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, op consumentenvuurwerk
dat zal worden verkocht in een andere lidstaat van de Europese Unie
gesteld in de officiële taal of talen van het desbetreffende land.
6. Dit artikel is niet van toepassing op vuurwerk waarvan op het
moment dat het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht,
naar het oordeel van Onze Minister genoegzaam wordt aangetoond dat het
binnen 48 uur weer buiten het grondgebied van Nederland zal worden
gebracht. Indien sprake is van opslag als bedoeld in artikel 1.1.4,
derde lid, wordt in plaats van «48 uur» gelezen: twee weken.
7. Consumentenvuurwerk is voorts voorzien van de informatie waartoe
met betrekking tot vuurwerk is besloten met toepassing van artikel 18,
eerste lid, onder c, van de EG-richtlijn pyrotechnische artikelen.
Indien de informatie, bedoeld in de eerste volzin, zou afwijken van
het bepaalde in het eerste of tweede lid, blijft het in die leden
bepaalde in zoverre buiten toepassing. Het derde tot en met zesde lid
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.1.4
Het is verboden vuurwerk dat niet voldoet aan de ter uitwerking van
dit besluit krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer gestelde
regels met betrekking tot consumentenvuurwerk, te voorzien van de
aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik.
§ 2. Opslaan en bewerken van consumentenvuurwerk
Artikel 2.2.1
1. Degene die een inrichting drijft, waar ten hoogste 1 000
kilogram consumentenvuurwerk wordt opgeslagen of herverpakt, voldoet
aan de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1, onder A, B en C,
en aan de veiligheidsafstanden die van toepassing zijn ingevolge
bijlage 3. Degene die de inrichting drijft draagt er zorg voor dat de
voorschriften worden nageleefd.
2. Indien een inrichting tot een krachtens artikel 1.1, derde lid,
van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort, niet uitsluitend
omdat daarin vuurwerk wordt opgeslagen, geldt een voor de inrichting
krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleende vergunning ook
voor het oprichten, in werking hebben of veranderen van de inrichting,
dan wel het veranderen van de werking daarvan, voor zover dit
oprichten, in werking hebben of veranderen dan wel veranderen van de
werking betrekking heeft op het opslaan van vuurwerk.
Artikel 2.2.2
1.Degene die een inrichting drijft waar:
a. meer dan 1 000 kilogram consumentenvuurwerk wordt opgeslagen
of herverpakt, of
b. consumentenvuurwerk wordt bewerkt,
voldoet aan de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1 onder
A, B en D en aan de veiligheidsafstanden die van toepassing zijn
ingevolge bijlage 3.
2.Degene die de inrichting drijft draagt er zorg voor dat de
voorschriften worden nageleefd.
Artikel 2.2.3
1.Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot de
in bijlage 1, onder B, opgenomen voorschriften ten aanzien van:
a. de bereikbaarheid en de toegankelijkheid van ruimten waar
consumentenvuurwerk aanwezig mag zijn, als bedoeld in voorschrift
1.8;
b. de wijze waarop verpakt of onverpakt vuurwerk wordt
opgeslagen, bedoeld in voorschrift 5.6;
c. bouwkundige voorzieningen als bedoeld in voorschrift 6.3;
d. de interne afstanden binnen de inrichting teneinde
domino-effecten te voorkomen, bedoeld in voorschrift 6.4.
2.De nadere eisen gelden voor een ieder die de inrichting drijft.
Deze draagt er zorg voor dat de nadere eisen worden nageleefd.
3.Het bevoegd gezag kan nadere eisen wijzigen of aanvullen in het
belang van de bescherming van het milieu, of wijzigen of intrekken
indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen
niet verzet.
4.Het bevoegd gezag stelt de commandant van de regionale brandweer
binnen wiens gebied de inrichting geheel of in hoofdzaak is gelegen,
in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van de
beschikking waarbij de nadere eis wordt gesteld.
5.Van de beschikking wordt mededeling gedaan door kennisgeving in
één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
6.Een afschrift van de beschikking wordt door het bevoegd gezag
gezonden aan Onze Minister.
Artikel 2.2.4
1.Degene die een inrichting, als bedoeld in artikel 2.2.1, opricht,
meldt dit ten minste vier weken voor de oprichting schriftelijk aan
het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag zendt onverwijld een afschrift
van de melding aan de commandant van de regionale brandweer.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot het veranderen van een inrichting, als bedoeld in artikel 2.2.1,
en het veranderen van de werking daarvan.
3.Bij de melding worden vermeld:
a. het adres van de inrichting;
b. de naam en het adres van degene die de inrichting opricht
dan wel verandert of de werking daarvan verandert, en, indien dit
iemand anders is, van degene die de inrichting drijft of zal
drijven;
c. de aard en omvang van de activiteiten of processen in de
inrichting;
d. de indeling en de uitvoering van de inrichting;
e. het tijdstip waarop de inrichting of de verandering daarvan
in werking zal worden gebracht, dan wel de verandering van de
werking daarvan verwezenlijkt zal zijn.
4.De in het derde lid vermelde gegevens behoeven niet te worden
verstrekt indien degene die de inrichting drijft, deze gegevens reeds
aan het bevoegd gezag heeft verschaft en het bevoegd gezag geacht kan
worden over die gegevens te beschikken.
5.Degene die de melding doet, geeft in voorkomend geval bij de
melding aan welke van de ingevolge dit artikel te verstrekken gegevens
hij reeds aan het bevoegd gezag heeft verschaft.
Artikel 2.2.5
Het bevoegd gezag zendt een afschrift van een melding als bedoeld in
artikel 2.2.4, eerste lid, onderscheidenlijk een afschrift van een
verleende omgevingsvergunning aan Onze Minister.
§ 3. Verkoop en tot ontbranding brengen van consumentenvuurwerk
Artikel 2.3.1
Het is verboden consumentenvuurwerk voor handelsdoeleinden ter
beschikking te stellen aan een ander dan:
a. degene die een inrichting drijft als bedoeld in de artikelen
2.2.1 en 2.2.2;
b. een in het buitenland gevestigde ondernemer wiens
bedrijfsmatige activiteit bestaat uit het verhandelen van vuurwerk.
Artikel 2.3.2
1.Het is verboden consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen
aan een particulier.
2.Het verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande
dat als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die
zondag geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te
stellen dan niet geldt op 28 december.
Artikel 2.3.3
Het is verboden per levering meer dan tien kilogram
consumentenvuurwerk aan een particulier ter beschikking te stellen.
Artikel 2.3.4
Het is verboden consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig
ter beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte
die voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het
bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen.
Artikel 2.3.5
Het is verboden consumentenvuurwerk te verkopen of anderszins ter
beschikking te stellen aan particulieren jonger dan:
Voor zover het betreft categorie 1: 12 jaar;
Voor zover het betreft categorie 2: 16 jaar;
Voor zover het betreft categorie 3: 18 jaar.
Artikel 2.3.6
Het is verboden consumentenvuurwerk, anders dan bedrijfsmatig, tot
ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan tussen 31 december
10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar.
Artikel 2.3.7
De artikelen 1.2.4, 1.2.5, 2.3.2, 2.3.3 en 2.3.6 gelden niet ten
aanzien van fop- en schertsvuurwerk.
Hoofdstuk 3. Professioneel vuurwerk
§ 1. Eisen aan professioneel vuurwerk
Artikel 3.1.1
1. Professioneel vuurwerk is voorzien van:
a. de aanduiding: Niet geschikt voor particulier gebruik;
b. een vermelding of afbeelding van de soort van het vuurwerk
waaruit duidelijk blijkt wat de te verwachten effecten tijdens het
functioneren zijn;
c. de naam, de handelsnaam of het handelsmerk en de naam en de
plaats van vestiging van de fabrikant;
d. indien de fabrikant niet is gevestigd in de Europese
Gemeenschap: de naam, de handelsnaam of het handelsmerk en de naam
en de plaats van vestiging van de importeur;
e. indien de importeur niet in Nederland is gevestigd: de naam,
de handelsnaam of het handelsmerk en de naam en de plaats van
vestiging van de distributeur;
f. de naam en het type van het artikel, het door de fabrikant
bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat dient ter
identificatie van het vuurwerk en het productiejaar van het
vuurwerk;
g. de categorie, bedoeld in artikel 1A.1.3, waartoe het
professionele vuurwerk behoort;
h. de NEM;
i. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en
waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel
of schade bij de gebruiker en omstanders kan ontstaan.
2. De verpakking van professioneel vuurwerk is voorts voorzien van
de volgende informatie:
voor zover het betreft categorie 2: „uitsluitend buitenshuis te
gebruiken» en, in voorkomend geval, de minimale
veiligheidsafstand(en);
voor zover het betreft categorie 3: «uitsluitend buitenshuis te
gebruiken» en de minimale veiligheidsafstand(en);
voor zover het betreft categorie 4: «uitsluitend door personen met
gespecialiseerde kennis te gebruiken» en de minimale
veiligheidsafstand(en).
3. Het eerste en tweede lid gelden niet voor professioneel vuurwerk
van geringe afmeting, mits dat vuurwerk zich in een verpakking bevindt
waarop de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens zijn
aangebracht.
4. De aanduiding en de gegevens, bedoeld in het eerste en tweede
lid, zijn in de Nederlandse taal gesteld, zichtbaar, leesbaar en
onuitwisbaar.
5. In afwijking van het vierde lid worden de aanduiding en de
gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, op professioneel
vuurwerk dat zal worden verkocht in een andere lidstaat van de
Europese Unie, gesteld in de officiële taal of talen van het
desbetreffende land.
6. Dit artikel is niet van toepassing op vuurwerk waarvan op het
moment dat het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht,
naar het oordeel van Onze Minister genoegzaam wordt aangetoond dat het
binnen 48 uur weer buiten het grondgebied van Nederland zal worden
gebracht. Indien sprake is van opslag als bedoeld in artikel 1.1.4,
derde lid, wordt in plaats van «48 uur» gelezen: twee weken.
7. Professioneel vuurwerk is voorts voorzien van de informatie
waartoe met betrekking tot professioneel vuurwerk is besloten met
toepassing van artikel 18, eerste lid, onder c, van de EG-richtlijn
pyrotechnische artikelen. Indien de informatie, bedoeld in de eerste
volzin, zou afwijken van het bepaalde in het eerste of tweede lid,
blijft het in die leden bepaalde in zoverre buiten toepassing. Het
derde tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.1.2 [Vervallen per 04-07-2010]
Artikel 3.1.3 [Vervallen per 04-07-2010]
Artikel 3.1.4 [Vervallen per 04-07-2010]
§ 2. Opslaan en bewerken van professioneel vuurwerk
Artikel 3.2.1
1. Degene die een inrichting drijft, waar professioneel vuurwerk al
dan niet tezamen met consumentenvuurwerk of pyrotechnische artikelen
voor theatergebruik wordt opgeslagen of bewerkt, voldoet aan de
voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 2 en aan de
veiligheidsafstanden die van toepassing zijn ingevolge bijlage 3.
2. Degene die de inrichting drijft draagt er zorg voor dat de
voorschriften worden nageleefd.
Artikel 3.2.2
1.Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot de
in bijlage 2, onder B, opgenomen voorschriften ten aanzien van:
a. de wijze waarop verpakt of onverpakt vuurwerk wordt
opgeslagen, bedoeld in voorschrift 1.9;
b. de interne afstanden binnen de inrichting teneinde
domino-effecten te voorkomen, bedoeld in voorschrift 1.13;
c. de compartimentering van de opslag van stoffen en voorwerpen
uit verschillende compatibiliteitsgroepen, bedoeld in voorschrift
3.15 in één ruimte;
d. de wijze waarop bij een eventuele brand alarm moet worden
geslagen, bedoeld in voorschrift 5.2.
2.De nadere eisen gelden voor een ieder die de inrichting drijft.
Deze draagt er zorg voor dat de nadere eisen worden nageleefd.
3.Het bevoegd gezag kan nadere eisen wijzigen of aanvullen in het
belang van de bescherming van het milieu, of wijzigen of intrekken
indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen
niet verzet.
4.Het bevoegd gezag stelt de commandant van de regionale brandweer
binnen wiens gebied de inrichting geheel of in hoofdzaak is gelegen,
in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van de
beschikking waarbij de nadere eis wordt gesteld.
5.Van de beschikking wordt mededeling gedaan door kennisgeving in
één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
6.Een afschrift van de in het eerste lid bedoelde beschikking wordt
door het bevoegd gezag gezonden aan Onze Minister.
Artikel 3.2.3
1. Degene die een inrichting drijft als bedoeld in artikel 3.2.1,
eerste lid:
a. stelt naar het oordeel van het bevoegd gezag op genoegzame
wijze door verzekering of anderszins financiële zekerheid ter
dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in boek 6 van het
Burgerlijk Wetboek, waartoe het drijven van de inrichting
aanleiding kan geven;
b. overlegt aan het bevoegd gezag binnen een daartoe door het
bevoegd gezag gestelde termijn schriftelijk bewijs van de gestelde
financiële zekerheid.
2. De zekerheid bedraagt tenminste € 5 000 000,00 per gebeurtenis
en per inrichting en wordt in stand gehouden tot het moment waarop de
omgevingsvergunning vervalt.
3. De verzekering is gesloten bij een financiële onderneming die
ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf
van verzekeraar mag uitoefenen.
4. Het eerste lid is niet van toepassing ter zake van opslag van
vuurwerk door of onder verantwoordelijkheid van bestuursorganen die
door Onze Minister zijn aangewezen. De benadeelde heeft jegens een
bestuursorgaan dat geen financiële zekerheid als bedoeld in het
eerste lid heeft gesteld de rechten welke hij overeenkomstig dit
artikel anders tegenover de verzekeraar zou hebben, indien de
financiële zekerheid door verzekering zou zijn gesteld.
Artikel 3.2.4
Het bevoegd gezag zendt een afschrift van een verleende
omgevingsvergunning aan Onze Minister.
§ 3. Verkoop en tot ontbranding brengen van professioneel vuurwerk
Artikel 3.3.1
1. Het is verboden professioneel vuurwerk aan een ander ter
beschikking te stellen.
2. Het verbod geldt niet voor het ter beschikking stellen van
professioneel vuurwerk aan een persoon met gespecialiseerde kennis.
Artikel 3.3.2 [Vervallen per 04-07-2010]
Artikel 3.3.3 [Vervallen per 04-07-2010]
Artikel 3.3.4 [Vervallen per 04-07-2010]
Artikel 3.3.4a [Vervallen per 04-07-2010]
Artikel 3.3.5 [Vervallen per 04-07-2010]
Artikel 3.3.6 [Vervallen per 04-07-2010]
Hoofdstuk 3a. Pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
§ 1. Eisen aan pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
Artikel 3A.1.1
1. Pyrotechnische artikelen voor theatergebruik zijn voorzien van:
a. de aanduiding: Niet geschikt voor particulier gebruik;
b. een vermelding of afbeelding van de soort van het artikel
waaruit duidelijk blijkt wat de te verwachten effecten tijdens het
functioneren zijn;
c. de naam, de handelsnaam of het handelsmerk en de naam en de
plaats van vestiging van de fabrikant;
d. indien de fabrikant niet is gevestigd in de Europese
Gemeenschap: de naam, de handelsnaam of het handelsmerk en de naam
en de plaats van vestiging van de importeur;
e. indien de importeur niet in Nederland is gevestigd: de naam,
de handelsnaam of het handelsmerk en de naam en de plaats van
vestiging van de distributeur;
f. De naam en het type van het artikel, het door de fabrikant
bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat dient ter
identificatie van het artikel en het productiejaar van het
artikel;
g. de categorie, bedoeld in artikel 1A.1.3, waartoe het artikel
behoort;
h. de NEM;
i. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en
waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel
of schade bij de gebruiker en omstanders kan ontstaan.
2. Op pyrotechnische artikelen voor theatergebruik moet voorts de
volgende informatie staan: voor zover het betreft categorie T1: in
voorkomend geval: «uitsluitend buitenshuis te gebruiken» en een
minimale veiligheidsafstand; voor zover het betreft categorie
T2:«uitsluitend door personen met gespecialiseerde kennis te
gebruiken» en een minimale veiligheidsafstand(en).
3. Het eerste en tweede lid gelden niet voor pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik van geringe afmeting, mits die artikelen
zich in een verpakking bevinden waarop de in het eerste en tweede lid
bedoelde gegevens zijn aangebracht.
4. De aanduiding en de gegevens, bedoeld in het eerste en tweede
lid, zijn in de Nederlandse taal gesteld, zichtbaar, leesbaar en
onuitwisbaar.
5. In afwijking van het vierde lid worden de aanduiding en de
gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, op pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik die zullen worden verkocht in een andere
lidstaat van de Europese Unie gesteld in de officiële taal of talen
van het desbetreffende land.
6. Dit artikel is niet van toepassing op pyrotechnische artikelen
voor theatergebruik waarvan op het moment dat het binnen het
grondgebied van Nederland wordt gebracht, naar het oordeel van Onze
Minister genoegzaam wordt aangetoond dat zij binnen 48 uur weer buiten
het grondgebied van Nederland zullen worden gebracht. Indien sprake is
van opslag als bedoeld in artikel 1.1.4, derde lid, wordt in plaats
van «48 uur» gelezen: twee weken.
7. Pyrotechnische artikelen voor theatergebruikmoeten voorts zijn
voorzien van de informatie waartoe met betrekking tot deze artikelen
is besloten met toepassing van artikel 18, eerste lid, onder c, van de
EG-richtlijn pyrotechnische artikelen. Indien de informatie, bedoeld
in de eerste volzin, zou afwijken van het bepaalde in het eerste of
tweede lid, blijft het in die leden bepaalde in zoverre buiten
toepassing. Het derde tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 3A.1.2
1. Verpakt theatervuurwerk is bij het opslaan en het voorhanden
hebben op zodanige wijze verpakt dat zij volgens bijlage A van het ADR,
uitsluitend kunnen worden aangemerkt als artikelen behorende tot
klasse 1.4G of 1.4S.
2. Dit artikel is niet van toepassing op theatervuurwerk waarvan op
het moment dat zij binnen het grondgebied van Nederland worden
gebracht, naar het oordeel van Onze Minister genoegzaam wordt
aangetoond dat zij binnen 48 uur weer buiten het grondgebied van
Nederland zullen worden gebracht. Indien sprake is van opslag als
bedoeld in artikel 1.1.4, derde lid, wordt in plaats van 48 uur
gelezen: twee weken.
§ 2. Opslaan en bewerken van pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik
Artikel 3A.2.1
1. Degene die een inrichting drijft waar pyrotechnische artikelen
voor theatergebruik al dan niet tezamen met consumentenvuurwerk of
professioneel vuurwerk worden opgeslagen of bewerkt, voldoet aan de
voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 2 en aan de
veiligheidsafstanden die van toepassing zijn ingevolge bijlage 3.
2. In afwijking van het eerste lid voldoet degene die een
inrichting drijft waar theatervuurwerk al dan niet tezamen met
consumentenvuurwerk worden opgeslagen, aan de voorschriften die zijn
opgenomen in bijlage 1 en aan de veiligheidsafstanden die van
toepassing zijn ingevolgebijlage 3.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien er
sprake is van opslag van uitsluitend theatervuurwerk in een
hoeveelheid van ten hoogste 25 kilogram en het Besluit algemene regels
voor inrichtingen milieubeheer van toepassing is op die opslag of aan
de vergunning, bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet
milieubeheer, een voorschrift is verbonden, waarvan de inhoud
overeenkomt met voorschrift 2.1.3 van de bijlage, onder B, bij dat
besluit.
4. Voor de bepaling van de hoeveelheid artikelen, bedoeld in het
derde lid, wordt uitgegaan van het gewicht van de artikelen als zijnde
onverpakt.
5. Degene die de inrichting drijft draagt er zorg voor dat de
voorschriften worden nageleefd.
Artikel 3A.2.2
De artikelen 3.2.2, 3.2.3 en 3.2.4 zijn van overeenkomstige
toepassing.
§ 3. Verkoop van pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
Artikel 3A.3.1
1. Het is verboden pyrotechnische artikelen voor theatergebruik aan
een ander ter beschikking te stellen.
2. Het verbod geldt niet voor het ter beschikking stellen van
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik aan een persoon met
gespecialiseerde kennis.
Hoofdstuk 3b. Het tot ontbranding brengen van vuurwerk en
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
Artikel 3B.1
1. Met uitzondering van de situatie, bedoeld in artikel 2.3.6, is
het verboden zonder een daartoe verleende vergunning
consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk of pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik tot ontbranding te brengen, ten behoeve
daarvan op te bouwen, te installeren, te bewerken, dan wel na
ontbranding te verwijderen.
2. Gedeputeerde staten van de provincie waarin de aanvrager is
gevestigd zijn bevoegd om te beslissen op een aanvraag om een
vergunning. Is de aanvrager in het buitenland gevestigd, dan is Onze
Minister bevoegd.
3. Aan de vergunning wordt het voorschrift verbonden dat:
a. voorafgaand aan het tot ontbranding brengen van vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik door de aanvrager
toestemming is verkregen van gedeputeerde staten van de provincie
waarin de artikelen tot ontbranding zullen worden gebracht en de
aan de toestemming verbonden voorschriften worden nageleefd;
b. de tot ontbranding te brengen artikelen afkomstig zijn uit
een inrichting als bedoeld in artikel 2.2.1, 2.2.2, 3.2.1 of
3A.2.1 dan wel rechtstreeks afkomstig zijn uit het buitenland.
4. Aan de vergunning worden voorts voorschriften verbonden in het
belang van de bescherming van mens en milieu. Zij kan onder
beperkingen worden verleend.
5. Degene aan wie een vergunning is verleend, is gehouden de in het
derde en vierde lid bedoelde voorschriften na te leven.
6. De vergunning vervalt op het moment dat de geldigheidsduur van
het certificaat van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 3B.2, eerste
lid, onder c, afloopt. Is de vergunning verleend aan een onderneming
dan vervalt de vergunning eveneens op het moment dat er geen persoon
aan wie een certificaat van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4.9,
tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, is afgegeven, meer
werkzaam is voor de onderneming.
7. Gedeputeerde staten stellen de korpschef van de politieregio
waar de aanvrager is gevestigd, in de gelegenheid advies uit te
brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een
vergunning.
8. Een afschrift van de vergunning wordt door gedeputeerde staten
gezonden aan Onze Minister.
Artikel 3B.2
1. Bij de aanvraag van de vergunning worden door de aanvrager de
volgende gegevens verstrekt:
a. zijn naam, adres, geboortedatum en geboorteplaats en, in
voorkomend geval, de naam en het adres van de betrokken
onderneming;
b. gegevens waaruit blijkt dat de handelingen waarop de
aanvraag betrekking heeft bedrijfsmatig worden verricht;
c. een afschrift van een geldig certificaat van vakbekwaamheid,
bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van het
Arbeidsomstandighedenbesluit, dat is afgegeven aan de persoon door
wie of onder wiens voortdurend toezicht de handelingen, waarop de
aanvraag betrekking heeft, worden verricht en dat betrekking heeft
op die handelingen;
d. de handelingen en de soorten vuurwerk of pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik waarop de aanvraag betrekking heeft;
e. of het tot ontbranding brengen van het vuurwerk of de
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik binnen of buiten een
gebouw plaatsvindt.
2. De aanvrager stelt naar het oordeel van het bevoegd gezag bij de
aanvraag op genoegzame wijze door verzekering of anderszins
financiële zekerheid ter dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in
boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de in het eerste lid,
onder b, bedoelde handelingen.
3. De zekerheid bedraagt ten minste € 2 500 000,00 per
gebeurtenis en wordt in ieder geval in stand gehouden tot het moment
waarop de vergunning vervalt. Artikel 3.2.3, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 3B.3
1. De aanvraag om toestemming als bedoeld in artikel 3B.1, derde
lid, bij gedeputeerde staten gaat vergezeld van een afschrift van het
werkplan, bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, van het
Arbeidsomstandighedenbesluit, een afschrift van de ingevolge artikel
3B.1, eerste lid, verleende vergunning en een afschrift van het
inartikel 3B.2, eerste lid, onder c, bedoelde certificaat.
Gedeputeerde staten zenden onverwijld een afschrift van de aanvraag
aan de burgemeester van de gemeente binnen wiens gemeente het vuurwerk
of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding
zullen worden gebracht. Op de voorbereiding van de beschikking op de
aanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet
van toepassing.
2. Aan de toestemming kunnen voorschriften worden verbonden in het
belang van de bescherming van mens en milieu.
3. De toestemming kan worden geweigerd in het belang van de
bescherming van mens en milieu.
4. Degene aan wie de toestemming is verleend, is gehouden de in het
tweede lid bedoelde voorschriften na te leven.
5. Gedeputeerde staten stellen alvorens toestemming te verlenen:
a. degene die de aanvrager de vergunning, bedoeld in artikel
3B.1, eerste lid, hebben verleend,
b. de betrokken luchtverkeersdienst als omschreven in artikel
1, onder r, van het Luchtverkeersreglement voor zover het zichzelf
voortdrijvend opstijgend vuurwerk betreft dat in de open lucht tot
ontbranding zal worden gebracht binnen 15 kilometer afstand van
een luchtvaartterrein,
c. de commandant van de regionale brandweer binnen wiens gebied
het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
tot ontbranding zullen worden gebracht,
d. de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder, bedoeld in artikel 1,
derde lid, onderdeel d, van de Arbeidsomstandighedenwet, en
e. de burgemeester van de gemeente aangrenzend aan de gemeente
waar de het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik tot ontbranding zullen worden gebracht voor zover
de artikelen effect kunnen hebben binnen zijn gemeente, in de
gelegenheid advies uit te brengen over de beslissing op de
aanvraag.
6. Een afschrift van de beschikking waarbij toestemming wordt
verleend wordt door gedeputeerde staten gezonden aan Onze Minister,
aan een daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder als bedoeld in artikel 1,
derde lid, onderdeel d van de Arbeidsomstandighedenwet, aan de
burgemeester en aan de commandant van de regionale brandweer, bedoeld
in het vijfde lid, onder c.
Artikel 3B.4
1. In afwijking van artikel 3B.1, derde lid, onder a, kan degene
aan wie een vergunning als bedoeld in artikel 3B.1, eerste lid, is
verleend en die:
a. ten hoogste 10 kilogram theatervuurwerk tot ontbranding wil
brengen, of
b. ten hoogste 100 kilogram consumentenvuurwerk tot ontbranding
wil brengen,
voorafgaand aan het tot ontbranding brengen volstaan met een
melding aan gedeputeerde staten van de provincie waarin de artikelen
tot ontbranding zullen worden gebracht.
2. Voor de bepaling van de hoeveelheid consumentenvuurwerk of
theatervuurwerk, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van het
gewicht van de artikelen als zijnde onverpakt consumentenvuurwerk
onderscheidenlijk onverpakt theatervuurwerk.
3. Artikel 3B.3, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op
de melding aan gedeputeerde staten. Gedeputeerde staten zenden
onverwijld een afschrift van de melding aan een daartoe door Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen
toezichthouder als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel d, van
de Arbeidsomstandighedenwet, aan de commandant van de regionale
brandweer binnen wiens gebied de artikelen tot ontbranding zullen
worden gebracht en aan de burgemeester van de gemeente binnen wiens
gemeente de artikelen tot ontbranding zullen worden gebracht.
4. Degene die het consumentenvuurwerk of theatervuurwerk tot
ontbranding wil brengen draagt er zorg voor dat de melding ten minste
twee weken voordat de artikelen tot ontbranding wordt gebracht door
gedeputeerde staten is ontvangen.
5. In afwijking van het vierde lid kunnen gedeputeerde staten na
overleg met de burgemeester en de commandant, bedoeld in het derde
lid, in bijzondere omstandigheden een kortere termijn voor de melding
toestaan.
Artikel 3B.5
1. Een vergunning als bedoeld in artikel 3B.1, eerste lid, kan
worden gewijzigd of ingetrokken.
2. De artikelen 8.22, eerste en tweede lid, 8.23, eerste en tweede
lid, 8.24, eerste lid, 8.25, eerste tot en met derde en achtste lid,
en 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 3B.6
1. Degene aan wie een vergunning, als bedoeld in artikel 3B.1,
eerste lid, is verleend, houdt een register bij waarin zijn vermeld:
a. de persoon of personen aan wie een certificaat van
vakbekwaamheid is afgegeven als bedoeld in artikel 4.9, tweede
lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, en door wie of onder
wier toezicht bedrijfsmatig handelingen met vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden verricht, als
bedoeld in artikel 3B.1, eerste lid;
b. de personen die onder toezicht van de onder a bedoelde
persoon of personen bedrijfsmatig handelingen met vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik verrichten als
bedoeld in artikel 3B.1, eerste lid;
c. de evenementen en voorstellingen, waarbij vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding zijn
gebracht en de daarbij tot ontbranding gebrachte typen en
hoeveelheden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik in kilogrammen alsmede de weigeraars, met
vermelding van de door de fabrikant bij de vervaardiging
toegekende artikelnummers die dienen ter identificatie van het
vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en het
productiejaar;
d. ongewone voorvallen die zich tijdens het tot ontbranding
brengen van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik hebben voorgedaan.
2. Het register wordt binnen twee werkdagen na een wijziging dan
wel na een evenement of voorstelling bijgewerkt.
3. De gegevens worden op een zodanige wijze geregistreerd dat
gedurende de periode waarover de registratieplicht ingevolge het
vierde lid geldt, indien Onze Minister of gedeputeerde staten van de
provincie die de vergunning hebben verleend daarom verzoeken, binnen
acht uur de gegevens schriftelijk kunnen worden overgelegd.
4. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, blijven ten minste voor
de duur van tien jaar na de vastlegging in de registratie opgenomen.
5. Degene aan wie een vergunning, als bedoeld in artikel 3B.1,
eerste lid, is verleend, meldt een ongewoon voorval als bedoeld in het
eerste lid, onder d, onverwijld aan gedeputeerde staten van de
provincie waarin het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik tot ontbranding worden gebracht.
Hoofdstuk 4. Veiligheidsafstanden
Artikel 4.1
1.De veiligheidsafstanden, bedoeld in bijlage 3 worden, voor zover
deze in acht genomen moeten worden bij de vaststelling van een besluit
als bedoeld in artikel 4.2, aangemerkt als grenswaarde als bedoeld in
artikel 5.1, derde lid, van de Wet milieubeheer.
2.Indien de kwaliteit van een gebied waarvoor de veiligheidsafstand
in acht moet worden genomen, beter is dan de grenswaarde aangeeft,
treedt de kwaliteit van dat gebied niet in de plaats van de
grenswaarde.
Artikel 4.2
1. Het bevoegd gezag neemt de in bijlage 3 gestelde afstanden in
acht bij:
a. het vaststellen van een bestemmings- of inpassingsplan of
een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, 3.26 of 3.28,
onderscheidenlijk artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening;
b. het wijzigen van een bestemmingsplan overeenkomstig artikel
3.6, eerste lid, onder a, van die wet;
c. het verlenen van een omgevingsvergunning voor een activiteit
als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c of e, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht.
2. Gedeputeerde staten nemen de in bijlage 3 gestelde afstanden in
acht bij de verlening of wijziging van een omgevingsvergunning.
3. Onze Minister neemt bij de verlening of wijziging van een
omgevingsvergunning voor een inrichting die is gelegen binnen het door
hem op grond van categorie 29.1, onder l, van bijlage I, onder C, bij
het Besluit omgevingsrecht, aangewezen gebied, de in bijlage 3
gestelde afstanden in acht ten aanzien van kwetsbare objecten en
geprojecteerde kwetsbare objecten die zijn gelegen buiten het door hem
aangewezen gebied.
4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien
van inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1.4.
5. In afwijking van het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag
een kleinere afstand dan genoemd in bijlage 3, onder 1.3, vaststellen,
indien het desbetreffende besluit betrekking heeft op:
a. een inrichting waar theatervuurwerk al dan niet tezamen met
consumentenvuurwerk wordt opgeslagen of bewerkt,
b. een inrichting waar meer dan 10 000 kilogram
consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, herverpakt of bewerkt, of
c. de bestemming van grond, voor zover die grond ligt binnen
het invloedsgebied van een inrichting als bedoeld onder a of b,
indien aan de omgevingsvergunning voor de desbetreffende
inrichting zodanige voorschriften zijn verbonden dat:
1°. de warmtestraling ten gevolge van brand in die
inrichting waarbij vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik betrokken zijn voor personen die zich ophouden
buiten een gebouw dat onderdeel is van een kwetsbaar object of
een geprojecteerd kwetsbaar object beperkt blijft tot ten
hoogste 10 kW/m2, en
2°. de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag
tussen de deuropening van een bewaarplaats of een
bufferbewaarplaats en een gebouw, indien dat gebouw een
kwetsbaar object of een geprojecteerd kwetsbaar object is,
niet lager is dan 60 minuten.
Artikel 4.3
1. Indien voor het desbetreffende gebied een bestemmingsplan geldt,
gelden de veiligheidsafstanden, tenzij in bijlage 3 anders is
aangegeven, vanaf de uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in
artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2003, van het gebouw waar vuurwerk
wordt opgeslagen of bewerkt binnen een inrichting als bedoeld in de
artikelen 2.2.1,2.2.2, 3.2.1 of 3A.2.1, tot aan de bestemmingsgrens.
2. Indien een bestemmingsplan voor het desbetreffende gebied
ontbreekt, gelden de veiligheidsafstanden, tenzij in bijlage 3 anders
is aangegeven, vanaf de uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in
artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2003, van het gebouw, bedoeld in het
eerste lid, tot aan de eigendomsgrens van het gebied dat behoort bij
het kwetsbare object.
3. In afwijking van het eerste lid gelden de veiligheidsafstanden
tot tien meter vanaf het kwetsbare object of het geprojecteerde
kwetsbare object, indien:
a. dat object een gebouw is, niet zijnde een gebouw als bedoeld
in artikel 1.1.1, eerste lid, onder d, e of f, en de grens van de
bouwstrook meer dan tien meter vanaf de bestemmingsgrens is
gelegen;
b. dat object een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht is die meer dan
tien meter vanaf de grens van het gebied dat voor woonwagens is
bestemd, is of mag worden geplaatst.
4. Indien in het bestemmingsplan geen bouwstrook is aangegeven,
gelden de veiligheidsafstanden tot aan de bestemmingsgrens.
5. In afwijking van het tweede lid gelden de veiligheidsafstanden
tot tien meter vanaf het kwetsbare object, indien:
a. dat object een gebouw is, niet zijnde een gebouw als bedoeld
in artikel 1.1.1, eerste lid, onder d, e of f, dat meer dan tien
meter vanaf de eigendomsgrens van het desbetreffende gebied is
gelegen;
b. dat object een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht is die meer dan
tien meter van de eigendomsgrens van het desbetreffende perceel of
van het gebied dat voor woonwagens is aangewezen, is geplaatst.
6. In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid gelden de
veiligheidsafstanden, tenzij in bijlage 3 anders is aangegeven, vanaf
de uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in artikel 1.1 van het
Bouwbesluit 2003, van het gebouw, bedoeld in het eerste lid, tot aan
de ligplaats van een woonschip als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste
lid, onder c.
Artikel 4.4
Onze Minister geeft voor 1 januari 2008 aan in hoeverre de bij dit
besluit gestelde grenswaarden herziening behoeven.
Hoofdstuk 5. Overige, overgangs- en slotbepalingen
§ 1. Wijzigingsbepalingen
Artikel 5.1.1
[Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit]
Artikel 5.1.2
[Wijzigt het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen]
Artikel 5.1.3
[Wijzigt het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer]
Artikel 5.1.4
[Wijzigt het Transactiebesluit milieudelicten]
Artikel 5.1.5
[Wijzigt het Transactiebesluit 1994]
Artikel 5.1.6
[Wijzigt het Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren
milieuwetgeving]
Artikel 5.1.7
[Wijzigt het Besluit politieregisters]
Artikel 5.1.8
[Wijzigt het Besluit aanwijzing Halt-feiten]
Artikel 5.1.9
[Wijzigt het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer]
Artikel 5.1.10
[Wijzigt het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer]
Artikel 5.1.11
[Wijzigt het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
milieubeheer]
Artikel 5.1.12
[Wijzigt het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer]
Artikel 5.1.13
[Wijzigt het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer]
Artikel 5.1.14
[Wijzigt het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer]
§ 2. Intrekking van regelgeving
Artikel 5.2.1
Ingetrokken worden:
a. het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen;
b. het Besluit opslag vuurwerk milieubeheer;
c. het Reglement Gevaarlijke Stoffen;
d. de beschikking van de Staatssecretaris van Verkeer en
Waterstaat van 6 november 1979, houdende voorschriften voor de
aflevering van ontploffingsgevaarlijke stoffen;
e. de regeling van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat
van 17 maart 1980, houdende verbod tot het gebruik van explosieven
voor opruimingswerkzaamheden;
f. de ontheffing van het Reglement Gevaarlijke Stoffen van de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 19 december 1985;
g. de regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 20
december 1990, houdende vergunningplicht voor het afleveren, ter
aflevering aanwezig houden en bezigen van vuurwerk;
h. het Interim-besluit bezigen en afleveren professioneel
vuurwerk Wms;
i. de Interimregeling aanwijzing toezichthoudende ambtenaren
Interim-besluit bezigen en afleveren professioneel vuurwerk Wms.
Artikel 5.2.2
[Wijzigt het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen]
§ 3. Overgangsbepalingen
Artikel 5.3.1
Een vergunning die is verleend krachtens artikel 41, eerste lid, van
het Reglement Gevaarlijke Stoffen, wordt tot en met 31 december 2002
gelijkgesteld met een vergunning als bedoeld in artikel 3.3.2, eerste
lid.
Artikel 5.3.2
1.Indien op het tijdstip waarop de paragrafen 2 van de hoofdstukken
2 en 3 van dit besluit in werking treden, ten opzichte van kwetsbare
of geprojecteerde kwetsbare objecten niet wordt voldaan aan de van
toepassing zijnde veiligheidsafstanden, draagt – behoudens eerdere
intrekking van de vergunning – degene die de inrichting drijft er
binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit zorg voor dat de
veiligheidsafstanden zijn geëffectueerd.
2.In afwijking van het eerste lid kunnen gedeputeerde staten op
verzoek van degene die de inrichting drijft een kleinere
veiligheidsafstand dan genoemd in bijlage 3, onder 1.3, vaststellen
ten behoeve van:
a. een inrichting waar theatervuurwerk al dan niet tezamen met
professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 3.1.4 wordt
opgeslagen of bewerkt, of
b. een inrichting waar meer dan 10 000 kilogram
consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, herverpakt of bewerkt,
indien aan de vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet
milieubeheer voor de desbetreffende inrichting zodanige
voorschriften zijn verbonden dat:
1°. de warmtestraling ten gevolge van brand in die
inrichting waarbij vuurwerk betrokken is voor personen die
zich ophouden buiten een gebouw dat onderdeel is van een
kwetsbaar object of een geprojecteerd kwetsbaar object beperkt
blijft tot ten hoogste 10 kW/m2, en
2°. de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag
tussen de deuropening van een bewaarplaats of een
bufferbewaarplaats en een gebouw, indien dat gebouw een
kwetsbaar object of een geprojecteerd kwetsbaar object is,
niet lager is dan 60 minuten.
3.Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan voor 1 maart
2004 en gaat vergezeld van toereikende gegevens met betrekking tot de
warmtestraling en brandoverslag die de inrichting kan veroorzaken.
4.Gedeputeerde staten stellen alvorens toepassing te geven aan het
tweede lid de commandant van de regionale brandweer binnen wiens
gebied de inrichting geheel of in hoofdzaak is gelegen, in de
gelegenheid advies uit te brengen op het verzoek, bedoeld in het
tweede lid.
5.Indien gedeputeerde staten toepassing geven aan het tweede lid
wordt voor de effectuering van de veiligheidsafstanden, in afwijking
van het eerste lid in plaats van «binnen twee jaar na
inwerkingtreding van dit besluit»gelezen: uiterlijk 1 maart 2005.
6.Het eerste lid geldt niet ten aanzien van geprojecteerde
kwetsbare objecten, voor zover het bestemmingsplan dan wel de
beheersverordening waarin deze objecten zijn opgenomen, is vastgesteld
op een tijdstip meer dan tien jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop
de paragrafen 2 van de hoofdstukken 2 en 3 van dit besluit in werking
treden.
Artikel 5.3.3
1.Voor inrichtingen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het
tijdstip waarop de paragrafen 2 van de hoofdstukken 2 en 3 van dit
besluit in werking treden, een vergunning gold voor het opslaan,
herverpakken of bewerken van vuurwerk krachtens artikel 8.1 van de Wet
milieubeheer zijn gedurende twee jaar na inwerkingtreding van dit
besluit – behoudens eerdere intrekking van de vergunning of het
verstrijken van de periode waarvoor de vergunning is verleend –
artikel 2.3.4 en de voorschriften opgenomen in bijlagen 1 en 2 die ten
gevolge van de inwerkingtreding van de artikelen 2.2.2 en 3.2.1 gaan
gelden, niet van toepassing. Gedurende die periode blijven een
zodanige vergunning, de aan de vergunning verbonden voorschriften en
artikel 9 van het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen, zoals
dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, van toepassing.
2.Voor inrichtingen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het
tijdstip waarop de paragrafen 2 van de hoofdstukken 2 en 3 van dit
besluit in werking treden, een vergunning gold voor het opslaan,
herverpakken of bewerken van vuurwerk krachtens artikel 8.1 van de Wet
milieubeheer en binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit
besluit ten gevolge van het veranderen van de inrichting dan wel het
veranderen van de werking daarvan de vergunning moet worden gewijzigd,
zijn artikel 2.3.4 en de voorschriften opgenomen in bijlagen 1 en 2
van toepassing, voor zover de wijziging daarop betrekking heeft.
3.Voor inrichtingen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het
tijdstip waarop paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van dit besluit in werking
treedt, een melding was gedaan krachtens het Besluit opslag vuurwerk
milieubeheer, zijn artikel 2.3.4 en de voorschriften opgenomen in
bijlage 1 die ten gevolge van de inwerkingtreding van artikel 2.2.1
gaan gelden, niet van toepassing gedurende twee jaar na
inwerkingtreding van dit besluit. Gedurende die periode blijven de
voorschriften die gesteld zijn bij of krachtens het Besluit opslag
vuurwerk milieubeheer en artikel 9 van het Vuurwerkbesluit Wet
milieugevaarlijke stoffen, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding
van dit besluit, van toepassing.
4.Voor inrichtingen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het
tijdstip waarop paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van dit besluit in werking
treedt, een melding was gedaan krachtens het Besluit opslag vuurwerk
milieubeheer en binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit
besluit ten gevolge van het veranderen van de inrichting dan wel het
veranderen van de werking daarvan voor zover die verandering
betrekking heeft op de opslag van vuurwerk een melding moet worden
gedaan, zijn artikel 2.3.4 en de voorschriften opgenomen in bijlage 1
die ten gevolge van de inwerkingtreding van artikel 2.2.1 gaan gelden,
van toepassing, voor zover de verandering daarop betrekking heeft.
5.Voor de in het eerste en derde lid bedoelde inrichtingen, voor
zover daarin theatervuurwerk al dan niet tezamen met vuurwerk als
bedoeld in artikel 3.1.4of meer dan 10 000 kg consumentenvuurwerk
wordt opgeslagen en gedeputeerde staten toepassing hebben gegeven aan
het tweede lid van artikel 5.3.2, wordt voor de toepassing van het
eerste en derde lid in plaats van «gedurende twee jaar na
inwerkingtreding van dit besluit» gelezen: tot uiterlijk 1 maart
2005.
6.Voor de in het eerste en derde lid bedoelde inrichtingen, voor
zover daarin niet meer dan 10 000 kg consumentenvuurwerk wordt
opgeslagen, wordt voor zover het betreft de in bijlage 1,
voorschriften 5.1 tot en met 5.5 genoemde onderdelen in plaats van
«gedurende twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit» gelezen:
tot uiterlijk 1 november 2004.
Artikel 5.3.4
Met de aanduiding «Geschikt voor particulier gebruik» genoemd in de
artikelen 1.1.2, eerste lid, onder e, 1.3.1, eerste lid, onder d, 2.1.3,
eerste lid, onder a, en 2.1.4 wordt tot 2 januari 2005 gelijkgesteld de
aanduiding «bestemd voor particulier gebruik», indien deze aanduiding
is aangebracht op vuurwerk dat voor 1 januari 2003 is vervaardigd.
Artikel 5.3.5
1. Deartikelen 1A.1.3 tot en met 1A.4.1 en 3A.1.1 zijn eerst met
ingang van 4 juli 2013 van toepassing op vuurwerk behorende tot
categorie 4 en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.
2. Tot en met 3 juli 2013 wordt onder professioneel vuurwerk mede
verstaan vuurwerk dat niet behoort tot categorie 1, 2 of 3 en wel
behoort tot :
a. professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van het
Vuurwerkbesluit, zoals dit artikel luidde op 3 juli 2010,
b. vuurwerk bestemd voor particulier gebruik als bedoeld in
artikel 1.2.2, vijfde lid, of
c. vuurwerk waarvan de bestemming niet kan worden vastgesteld.
3. Artikel 3.1.1 van het Vuurwerkbesluit, zoals dat artikel luidde
op 3 juli 2010, blijft tot en met 3 juli 2013 van toepassing op
professioneel vuurwerk als bedoeld in het tweede lid.
4. Tot en met 3 juli 2013 is het in de handel brengen van vuurwerk
behorende tot categorie 4 en van pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik behorende tot categorie T1 of T2 slechts toegestaan
overeenkomstig de artikelen van dit besluit genoemd in het eerste lid,
dan wel artikel 3.1.1, zoals dat artikel luidde op 3 juli 2010.
5. Vuurwerk dat voor 4 juli 2010 in Nederland in de handel is
gebracht, mag tot en met 3 juli 2013 in Nederland worden verhandeld of
gebruikt overeenkomstig het Vuurwerkbesluit zoals dat gold op 3 juli
2010.
Artikel 5.3.6
1. Een vergunning, verleend op grond van artikel 3.3.2 van het
Vuurwerkbesluit, zoals dit gold tot en met 3 juli 2010, wordt na die
datum aangemerkt als een vergunning krachtens artikel 3B.1, eerste
lid, van het Vuurwerkbesluit.
2. Een toestemming als bedoeld in artikel 3.3.2, derde lid, onder
a, van het Vuurwerkbesluit, zoals dit gold tot en met 3 juli 2010,
wordt na die datum aangemerkt als een toestemming als bedoeld in
artikel 3B.1, derde lid, van het Vuurwerkbesluit.
3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, en een toestemming
als bedoeld in het tweede lid, gelden tevens voor consumentenvuurwerk
en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.
Artikel 5.3.7
1. Deartikelen 3.3.2, 3.3.3 en 3.3.4 van het Vuurwerkbesluit zoals
dat gold tot en met 3 juli 2010 blijven van toepassing op voor 4 juli
2010 ingediende aanvragen van onderstaande besluiten, totdat deze
onherroepelijk zijn geworden:
a. een besluit inzake het verlenen, wijzigen of intrekken van
een vergunning voor het tot ontbranding brengen, ten behoeve
daarvan opbouwen, installeren, bewerken, dan wel na ontbranding
verwijderen van professioneel vuurwerk;
b. een besluit inzake het verlenen, wijzigen of intrekken van
een toestemming voor het tot ontbranding brengen, ten behoeve
daarvan opbouwen, installeren, bewerken, dan wel na ontbranding
verwijderen van professioneel vuurwerk.
2. Artikel 5.3.6 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.3.8
Een certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4.9, tweede
lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dat voor 4 juli 2010 is
afgegeven aan de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 3B.1,
geldt, indien het betrekking heeft of mede betrekking heeft op
professioneel vuurwerk, mede voor consumentenvuurwerk en pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik.
§ 4. Slotbepalingen
Artikel 5.4.0
Dit besluit berust mede op de artikelen 9.2.1.4, 9.2.2.1 en 9.2.3.2
van de Wet milieubeheer.
Artikel 5.4.1
Onze Minister wijst een vertaling aan van bijlage A van het ADR of
draagt zorg voor een vertaling en doet van de aanwijzing of wijze van
bekendmaking van de vertaling mededeling in de Staatscourant.
Artikel 5.4.2
1.De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2.Artikel 4.2 kan tot twee jaar na inwerkingtreding van de
artikelen 4.1 tot en met 4.3 buiten toepassing worden gelaten ten
aanzien van besluiten die betrekking hebben op:
1°. het gebied gelegen binnen de veiligheidsafstand die in
acht genomen moet worden ten opzichte van een inrichting waar
professioneel vuurwerk al dan niet tezamen met consumentenvuurwerk
wordt opgeslagen of bewerkt;
2°. de verlening of wijziging van een vergunning op grond van
de Wet milieubeheer ten behoeve van inrichtingen in het onder 1°
bedoelde gebied,
indien en voor zover door de onder 1° bedoelde inrichting op het
tijdstip waarop de artikelen 4.1 tot en met 4.3 in werking treden, ten
opzichte van kwetsbare of geprojecteerde kwetsbare objecten niet wordt
voldaan aan de voor die inrichting van toepassing zijnde
veiligheidsafstanden.
3.Het tweede lid geldt niet voor zover het besluit, bedoeld in
artikel 4.2, betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel
3.2.1.
Artikel 5.4.3
Dit besluit wordt aangehaald als: Vuurwerkbesluit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 22 januari 2002
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer,
J.P. Pronk
Uitgegeven de negenentwintigste januari 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Bijlage 1. Voorschriften voor het
opslaan, herverpakken en bewerken van consumentenvuurwerk, als bedoeld
in de artikelen 2.2.1 en 2.2.2, voor het opslaan en bewerken van
theatervuurwerk
A. Begripsbepalingen
1. In deze bijlage wordt verstaan onder:
a. automatische sprinklerinstallatie:
vast leidingstelsel voorzien van sprinklers (sproeiers) die worden
afgesloten door een hittegevoelig element of een systeem met
sprinklers of sprinklerkoppen (deluge) dat wordt aangestuurd met een
automatisch detectiesysteem, dat in geval van een brand wordt
aangesproken, waardoor de sprinklers water gaan verspreiden;
b. bergingsverpakking: speciale
verpakking, als bedoeld in het ADR, voor het vervoer van
beschadigde, defecte of lekkende colli met gevaarlijke stoffen, of
gevaarlijke goederen die zijn verspreid of vrijgekomen;
c. bewaarplaats: besloten ruimte,
bestemd voor het bewaren van verpakt consumentenvuurwerk;
d. brandwerendheid van bouwdelen:
tijd uitgedrukt in minuten, gedurende welke een bouwkundig onderdeel
van een gebouw, niet zijnde een deur-, luik- of raamconstructie,
zijn functie moet kunnen blijven vervullen bij verhitting, bepaald
volgens NEN 6069, uitgave 1991;
e. brandwerendheid van deur-, luik-
en raamconstructies: tijd uitgedrukt in minuten, gedurende welke
deur-, luik- en raamconstructies weerstand bieden tegen bezwijken en
vlamdicht blijven in geval van brand, bepaald volgens NEN 6069,
uitgave 1991;
f. bufferbewaarplaats: besloten
ruimte, waarin verpakt consumentenvuurwerk uit de
transportverpakking wordt genomen voor het samenstellen van
vuurwerkpakketten of bestellingen voor een klant en het aansluitend
bewaren van onverpakt consumentenvuurwerk, al dan niet tezamen met
verpakt consumentenvuurwerk;
g. domino-effect: effect dat de
risico's van een ongeval binnen de inrichting of de gevolgen
daarvan, buiten de inrichting groter kunnen zijn dan op grond van de
in een inrichting aanwezige afzonderlijke hoeveelheden vuurwerk en
gevaarlijke stoffen kan worden verwacht;
h. gevaarlijke stof: stof die of
preparaat dat bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding
milieugevaarlijke stoffen en preparaten is ingedeeld in een
categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet
milieubeheer;
i. NEN: door de Stichting Nederlands
Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;
j. NPR 7910-2: Gevarenzone-indeling
met betrekking tot ontploffingsgevaar; deel 2:
Stofontploffingsgevaar, gebaseerd op NEN-EN 50281-3, uitgave 2001;
k. verkoopruimte: besloten ruimte die
geheel of gedeeltelijk toegankelijk is voor het publiek en waarin de
verkoop en aflevering van consumentenvuurwerk plaatsvindt.
l. memorandum nr. 60: memorandum
betreffende voorschriften voor sprinkler-, brandmeld- en
ontruimingsinstallaties in vuurwerkbewaarplaatsen en verkoopruimten
voor consumentenvuurwerk, behorende bij de Voorschriften
Automatische Sprinklerinstallaties, uitgave juli 1996, Nationaal
Centrum voor Preventie te Houten;
m. brandbeveiligingsinstallatie:
automatische sprinklerinstallatie en brandmeldinstallatie.
2. Voor zover een NEN-norm of
NPR-richtlijn waarnaar in een voorschrift verwezen wordt, betrekking
heeft op de uitvoering van constructies, toestellen en apparaten, wordt
bedoeld de laatste vóór de datum, waarop dit besluit in het Staatsblad
is geplaatst, uitgegeven norm met de daarop tot die datum uitgegeven
aanvullingen of correctiebladen dan wel – voor zover het op voornoemde
datum reeds bestaande constructies, toestellen en apparaten betreft –
de norm die bij de aanleg of installatie van die constructies,
toestellen en apparaten is toegepast, tenzij in het voorschrift anders
is bepaald.
3. Met de in deze bijlage onder A,
onderdeel 1, sub d, e en j, bedoelde normen en de in deze bijlage onder
A, onderdeel 1, sub l, bedoelde voorschriften, worden gelijkgesteld
normen en voorschriften die worden gesteld in een andere lidstaat van de
Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de
Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe
strekkend Verdrag dat bindend is voor Nederland, en die ten minste een
gelijkwaardig niveau waarborgen.
4. Met de in deze bijlage, onder B,
voorschrift 5.2 bedoelde inspectie-instelling of de in voorschrift 5.3
bedoelde certificatie-instelling die is geaccrediteerd door de Stichting
Raad voor Accreditatie wordt gelijkgesteld een accreditatie afgegeven
door een instelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel
in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij
is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat
bindend is voor Nederland, en die aan ten minste een gelijkwaardig
niveau voldoet.
5. In deze bijlage wordt theatervuurwerk,
tenzij in het voorschrift anders is bepaald, gelijkgesteld aan
consumentenvuurwerk.
6. Bij ministeriële regeling wordt
bepaald welke versie van het memorandum nr. 60 moet worden toegepast of
wordt een document aangewezen dat in de plaats van het memorandum moet
worden toegepast.
B. Voorschriften
Paragraaf 1. Algemene voorschriften voor
de opslag en voor de verkoop
1.1 De voorschriften van deze bijlage
zijn niet van toepassing op fop- en schertsvuurwerk, mits binnen de
inrichting niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is.
1.2 Bij de vaststelling van de in deze
bijlage genoemde hoeveelheden vuurwerk wordt, indien meer dan 200 kg
fop- en schertsvuurwerk aanwezig is, 10 kg fop- en schertsvuurwerk
gelijk gesteld aan 1 kg consumentenvuurwerk.
1.3 Consumentenvuurwerk is, behalve
tijdens intern transport, alleen aanwezig in de daarvoor bestemde
bewaarplaats, bufferbewaarplaats en verkoopruimte en alleen in de
hoeveelheden, op die tijdstippen en op de wijze die genoemd is in de
voorschriften ten aanzien van de betreffende ruimte. Aangeboden
consumentenvuurwerk wordt onmiddellijk na levering in de
(buffer)bewaarplaats opgeborgen, waarbij het vervoermiddel waarmee het
consumentenvuurwerk wordt aangeleverd niet onbewaakt blijft staan,
tenzij het vervoermiddel zich bevindt op een voor onbevoegden afgesloten
terrein.
1.4 Degene die de inrichting drijft heeft
de in zijn inrichting werkzame personen die belast zijn met de verkoop
van consumentenvuurwerk, het gereedmaken van vuurwerkpakketten en het de
bewaarplaats inbrengen of uitnemen van consumentenvuurwerk, een
schriftelijke instructie verstrekt, die erop gericht is gedragingen
hunnerzijds, die tot gevolg kunnen hebben dat een voorschrift of nadere
eis wordt overtreden, uit te sluiten en die erop gericht is dat
voornoemde personen zijn geïnstrueerd over het gevaar van
consumentenvuurwerk en de wijze van brandbestrijding in geval van
calamiteiten.
1.5 Gevallen of beschadigd
consumentenvuurwerk wordt onmiddellijk opgeraapt. Beschadigd
consumentenvuurwerk wordt bovendien in een bergingsverpakking bewaard in
de bufferbewaarplaats, of, indien geen bufferbewaarplaats aanwezig is,
in de bewaarplaats en binnen 30 dagen als onbetrouwbaar afgevoerd. De
bergingsverpakking is voorzien van het identificatienummer, voorafgegaan
door de letters «UN» en van alle gevaarsetiketten van het beschadigde
collo dat daarin aanwezig is, alsmede van het opschrift «BERGING».
Vrijgekomen ontplofbare of pyrotechnische stof wordt bevochtigd met
water, zorgvuldig opgeruimd en op dezelfde wijze als gevallen of
beschadigd consumentenvuurwerk bewaard en binnen 30 dagen afgevoerd.
1.6 Op de toegangsdeur van alle ruimten
waar consumentenvuurwerk aanwezig is, wordt een veiligheidssymbool
aangebracht, waarmee het ontploffingsgevaar wordt aangeduid. Hierbij
wordt gebruik gemaakt van de in bijlage XVIII bij de
Arbeidsomstandighedenregeling opgenomen borden.
1.7 Binnen de inrichting mag niet worden
gerookt en mag geen open vuur aanwezig zijn. Dit verbod is aangegeven
door op een daarvoor geschikte plaats een verbodsbord overeenkomstig
bijlage XVIII bij de Arbeidsomstandighedenregeling aan te brengen
waaruit blijkt dat vuur, open vlam en roken zijn verboden.
1.8 Alle ruimten waar consumentenvuurwerk
aanwezig mag zijn, zijn op de begane grond gesitueerd. In afwijking
hiervan kan het bevoegd gezag toestemming verlenen dat
consumentenvuurwerk aanwezig is in een kelder of op de eerste verdieping
indien deze ruimten naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende
bereikbaar en toegankelijk zijn met het oog op brandbestrijding. Het
bevoegd gezag stelt alvorens toestemming te verlenen de commandant van
de regionale brandweer binnen wiens gebied de inrichting geheel of in
hoofdzaak is gelegen, in de gelegenheid hierover advies uit te brengen.
1.9 De afstand van ruimten waar
consumentenvuurwerk aanwezig mag zijn tot licht of zeer licht
ontvlambare stoffen en drukhouders, met uitzondering van
brandblusmiddelen, is ten minste 5 m.
1.10 In de bewaarplaats en de
bufferbewaarplaats voldoet de gebruikte apparatuur en de installaties
aan de in NPR 7910-2 genoemde voorschriften voor zone 22. De maximaal
toegelaten oppervlaktetemperatuur is 100°C.
1.11 Opdat een brand binnen redelijke
tijd kan worden geblust, heeft een inrichting één of meer
brandslanghaspels, waarbij aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. het aantal brandslanghaspels is
zodanig dat de loopafstand tussen een brandslanghaspel en elk punt
van de vloer van de inrichting niet groter is dan de lengte van de
slang, vermeerderd met 5 m. Bij het bepalen van de loopafstand wordt
een constructieonderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, buiten
beschouwing gelaten;
b. bij het bepalen van de loopafstand
wordt de loopafstand gelegen in een verblijfsgebied, als bedoeld in
het Bouwbesluit 2003, met 1,5 vermenigvuldigd;
c. een brandslanghaspel is
aangesloten op een voorziening voor leidingwater en ligt niet in een
vluchttrappenhuis;
d. een brandslanghaspel heeft een
lengte van niet meer dan 30 m en een statische druk van niet minder
dan 100 kPa en een capaciteit van 1,3 m3/h, bij gelijktijdig gebruik
van twee brandslanghaspels die zijn aangesloten op dezelfde
voorziening voor leidingwater.
1.12 Een brandslanghaspel is steeds voor
onmiddellijk gebruik beschikbaar en kan onbelemmerd worden bereikt. Een
brandslanghaspel wordt jaarlijks door een deskundige gecontroleerd op
zijn deugdelijkheid.
Paragraaf 2. Constructie van een
bewaarplaats en van een bufferbewaarplaats
2.1 De (buffer)bewaarplaats wordt
gelijkgesteld met een brandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit
2003. De brandwerendheid van een (buffer)bewaarplaats is niet lager dan
60 minuten. De brandwerendheid van een (buffer)bewaarplaats naar een
andere (buffer)bewaarplaats is niet lager dan 120 minuten. Bovendien
zijn de wanden, vloer en afdekking van een (buffer)bewaarplaats
vervaardigd van metselwerk, beton of cellenbeton.
2.2 Indien de toegangsdeuren van
bewaarplaatsen, bufferbewaarplaatsen dan wel verkoopruimten zich naast
elkaar bevinden, steekt de constructieve scheiding ten minste 300 mm uit
tussen de toegangsdeuren van de betreffende bewaarplaats,
bufferbewaarplaats dan wel verkoopruimte.
2.3 Van de (buffer)bewaarplaats zijn,
behalve de toegangsdeur, in de wanden en de afdekking geen openingen of
ramen aanwezig.
2.4 De toegangsdeur van de
(buffer)bewaarplaats:
– draait naar buiten,
– is zelfsluitend,
– is zodanig geconstrueerd dat een
doelmatige drukontlasting niet wordt belemmerd,
– is steeds onbelemmerd bereikbaar,
en
– heeft een oppervlak van maximaal
4 m2, met dien verstande dat de toegangsdeur van een bewaarplaats
voor het opslaan van meer dan 10 000 kg verpakt consumentenvuurwerk
een oppervlak van maximaal 8 m2mag hebben.
2.5 De deur van de (buffer-)bewaarplaats
bevindt zich niet:
– in een gang, open bordes of
portaal dat deel uitmaakt van een vluchtroute, tenzij deze
vluchtroute langs meerdere onafhankelijke vluchtroutes is
gewaarborgd en uitkomt op een veilige plaats,
– in een ruimte die is ingericht
als een brand- en rookvrije vluchtroute als bedoeld in het
Bouwbesluit 2003,
– in of nabij een koker voor een
personenlift, of
– in een verkoopruimte.
2.6 De scheidingsconstructie tussen de
ruimte waarin de deur van de (buffer-)bewaarplaats zich bevindt en de
verkoopruimte heeft een brandwerendheid die niet lager is dan 30 minuten
en bevat naast de zelfsluitende toegangsdeur naar de verkoopruimte geen
openingen of ramen die opengezet kunnen worden.
2.7 Voor de verwarming van de
(buffer)bewaarplaats worden slechts toestellen gebruikt, waarbij water
voor de warmteoverdracht wordt toegepast. De maximale
oppervlaktetemperatuur van de verwarmingsapparatuur mag niet boven
100°C kunnen komen.
2.8 Als de toegangsdeur van de
(buffer)bewaarplaats kan worden bereikt via een terrein dat voor derden
toegankelijk is, is op een afstand van ten minste 4 m van de
toegangsdeur een deugdelijke (erf)afscheiding aanwezig waardoor
onbevoegden geen toegang hebben tot het terrein.
2.9 Binnen de (buffer)bewaarplaats
bevindt zich geen gasleiding of brandstofleiding.
Paragraaf 3. Gebruik van een bewaarplaats
en van een bufferbewaarplaats
3.1 In de (buffer)bewaarplaats mogen geen
consumentenvuurwerk en andere goederen gelijktijdig aanwezig zijn.
3.2 In de bufferbewaarplaats mogen geen
andere werkzaamheden worden verricht dan:
a. het inbrengen of uitnemen van
verpakt of onverpakt consumentenvuurwerk,
b. het herverpakken van
consumentenvuurwerk voor het samenstellen van vuurwerkpakketten, of
c. het bewerken van
consumentenvuurwerk.
3.3 In de bewaarplaats mogen geen andere
werkzaamheden worden verricht dan het inbrengen of uitnemen van verpakt
consumentenvuurwerk.
3.4 Met uitzondering van de tijd die
nodig is voor het inbrengen of uitnemen van consumentenvuurwerk moet de
deur van de (buffer)bewaarplaats gesloten worden gehouden.
3.5 De (buffer)bewaarplaats is zodanig
ingericht dat consumentenvuurwerk of verpakkingsmateriaal niet tegen
toestellen en leidingen van de verwarmings- of de
verlichtingsinstallatie is geplaatst. De afstand tussen verwarmings- of
verlichtingsapparatuur bedraagt ten minste 30 cm.
3.6 De (buffer)bewaarplaats is zodanig
ingericht dat visuele inspectie van consumentenvuurwerk mogelijk is en
het inbrengen en uitnemen van vuurwerk niet wordt belemmerd. In een
betreedbare (buffer)bewaarplaats is daarom ten minste één gangpad met
een breedte van ten minste 75 cm aanwezig.
3.7 Bij stapeling van verpakt
consumentenvuurwerk wordt de maximale hoogte van een stapel mede bepaald
door de sterkte van het verpakkingsmateriaal. De onderste lagen mogen
niet worden vervormd noch worden beschadigd door het gewicht van de
hoger gelegen lagen.
Paragraaf 4. Verkoopruimte
4.1 Gedurende de openingstijden van de
winkel is tijdens de toegestane verkoopdagen voor de verkoop van
consumentenvuurwerk in de verkoopruimte niet meer dan 250 kg
consumentenvuurwerk aanwezig. Buiten deze tijden is geen
consumentenvuurwerk anders dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk in de
verkoopruimte aanwezig.
4.2 Het in de verkoopruimte aanwezige
consumentenvuurwerk is opgeslagen in een vitrine, stelling of
winkelkast. Deze vitrine, stelling of winkelkast is zodanig geplaatst of
uitgevoerd dat het vuurwerk zich niet onder handbereik van het publiek
bevindt.
Paragraaf 5. Automatische
sprinklerinstallatie
5.1 De bewaarplaats, de
bufferbewaarplaats en de verkoopruimte zijn voorzien van een
automatische sprinklerinstallatie. In de directe nabijheid van de
bewaarplaats, de bufferbewaarplaats en de verkoopruimte is een
brandmeldinstallatie aanwezig.
5.2. De brandbeveiligingsinstallatie is
ontworpen, aangelegd, opgeleverd en onderhouden overeenkomstig een
programma van eisen, opgesteld conform memorandum nr. 60. Het programma
van eisen is beoordeeld door een inspectie-instelling. Deze
inspectie-instelling voldoet voor wat betreft het uitvoeren van
beoordelingen en inspecties van brandbeveiligingsinstallaties op basis
van memorandum nr. 60 aan EN 45004 en is daarbij een type A
inspectie-instelling. De inspectie-instelling is geaccrediteerd door de
Stichting Raad voor Accreditatie. Met toepassing van artikel 28, eerste
lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om
accreditatie als bedoeld in de vierde volzin. Het programma van eisen is
goedgekeurd door het bevoegd gezag, voordat met de aanleg van de
brandbeveiligingsinstallatie wordt begonnen. Het programma van eisen,
alsmede het bewijs van beoordeling door de inspectie-instelling is
binnen de inrichting aanwezig.
5.3 De bewaarplaats, bufferbewaarplaats
en verkoopruimte worden niet eerder in gebruik genomen dan nadat door
een inspectie-instelling als bedoeld in voorschrift 5.2 een goedkeurend
inspectierapport is afgegeven of nadat een certificaat door een daartoe
op basis van EN 45011 door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerde
certificatie-instelling is afgegeven. Met toepassing van artikel 28,
eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3.
van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om
accreditatie als bedoeld in de eerste volzin. Uit het goedkeurend
inspectierapport of het certificaat blijkt dat de
brandbeveiligingsinstallatie voldoet aan het goedgekeurde programma van
eisen. Het goedkeurend inspectierapport of het certificaat is binnen de
inrichting aanwezig.
5.4. Iedere twaalf maanden na aanleg van
de brandbeveiligingsinstallatie wordt door een inspectie-instelling als
bedoeld in voorschrift 5.2 beoordeeld of de brandbeveiligingsinstallatie
functioneert en is onderhouden conform het in voorschrift 5.2 bedoelde
goedgekeurde programma van eisen. De inspectierapporten zijn binnen de
inrichting aanwezig. Een bewaarplaats, een bufferbewaarplaats of een
verkoopruimte is niet in gebruik indien uit een inspectierapport blijkt
dat een brandbeveiligingsinstallatie niet voldoet aan het in voorschrift
5.2 bedoelde goedgekeurde programma van eisen.
5.5 [Vervallen.]
5.6 De wijze waarop verpakt of onverpakt
consumentenvuurwerk wordt opgeslagen heeft geen negatieve invloed op de
functionele werking van de automatische sprinklerinstallatie. Daartoe is
de wijze van opslaan tenminste in overeenstemming met de uitgangspunten
die ten aanzien daarvan ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp van
de automatische sprinklerinstallatie, zoals deze zijn neergelegd in het
Programma van Eisen.
Paragraaf 6. Afstanden tot objecten
binnen de inrichting
6.1 Indien vanuit de deuropening van de
bewaarplaats de toegangsdeur van de verkoopruimte of van een andere
bewaarplaats visueel kan worden waargenomen, dient, gemeten vanaf de
deuropening van de bewaarplaats tot de deuropening van de andere ruimte,
de volgende afstand in acht te worden genomen:
|
grootte deuropening
van de bewaarplaats |
afstand tussen
deuropeningen |
|
vanaf 0 m2 tot en met 4 m2 |
20 meter |
|
vanaf 4 m2 tot en met 6 m2 |
25 meter |
|
vanaf 6 m2 tot en met 8 m2 |
30 meter |
Indien in de inrichting niet meer dan 10
000 kg consumentenvuurwerk, niet zijnde theatervuurwerk, mag worden
opgeslagen, dient, in afwijking van de vorige volzin, ten minste 8 meter
in acht te worden genomen.
6.2 Indien vanuit de deuropening van de
bufferbewaarplaats de toegangsdeur van de verkoopruimte, van een
bewaarplaats of van een andere bufferbewaarplaats visueel kan worden
waargenomen, dient, gemeten vanaf de deuropening van de
bufferbewaarplaats tot de deuropening van de andere ruimte, de volgende
afstand in acht te worden genomen:
|
toegestane
hoeveelheid consumentenvuurwerk per bufferbewaarplaats |
afstand tussen
deuropeningen |
|
vanaf 0 kg tot en met 1 000 kg |
20 meter |
|
vanaf 1 000 kg tot en met 2 000 kg |
25 meter |
|
vanaf 2 000 kg tot en met 3 500 kg |
30 meter |
|
vanaf 3 500 kg tot en met 5 000 kg |
35 meter |
Indien in de inrichting niet meer dan 10
000 kg consumentenvuurwerk, niet zijnde theatervuurwerk, mag worden
opgeslagen, dient, in afwijking van de vorige volzin, ten minste 8 meter
in acht te worden genomen.
6.3 Indien de toegangsdeur, bedoeld in de
voorschriften 6.1 en 6.2, niet visueel kan worden waargenomen en niet
aan de daar genoemde afstanden wordt voldaan, zijn tussen de deuropening
van de bewaarplaats onderscheidenlijk de bufferbewaarplaats en die
toegangsdeur voldoende bouwkundige voorzieningen aangebracht om
brandoverslag te voorkomen.
6.4 Teneinde domino-effecten tussen
ruimten waar consumentenvuurwerk aanwezig kan zijn en andere onderdelen
van de inrichting waar gevaarlijke stoffen aanwezig kunnen zijn te
voorkomen, worden vanaf de (buffer)bewaarplaats ten opzichte van die
onderdelen ten minste de in bijlage 3, onderdeel B, onder 1.2 en 1.3
gestelde veiligheidsafstanden in acht genomen.
C. Opslag van ten hoogste 1 000 kilogram
consumentenvuurwerk
In een inrichting waar ten hoogste 1 000
kg consumentenvuurwerk mag worden opgeslagen, mag ten hoogste één
bufferbewaarplaats aanwezig zijn.
D. Opslag van meer dan 1 000 kilogram
consumentenvuurwerk
1. In een inrichting waar meer dan 1 000
kg consumentenvuurwerk doch niet meer dan 10 000 kg consumentenvuurwerk
mag worden opgeslagen:
a. mogen ten hoogste twee
bewaarplaatsen aanwezig zijn;
b. mag ten hoogste één
bufferbewaarplaats aanwezig zijn en mag in die bufferbewaarplaats in
totaal ten hoogste 2 000 kg consumentenvuurwerk aanwezig zijn,
ongeacht of het consumentenvuurwerk verpakt of onverpakt is.
2. In een inrichting waar meer dan 10 000
kg consumentenvuurwerk mag worden opgeslagen:
a. mag per bewaarplaats ten hoogste
50 000 kg verpakt consumentenvuurwerk worden opgeslagen;
b. mogen ten hoogste twee
bufferbewaarplaatsen aanwezig zijn en mag in elke bufferbewaarplaats
in totaal ten hoogste 5 000 kg consumentenvuurwerk aanwezig zijn,
ongeacht of het consumentenvuurwerk verpakt of onverpakt is.
Bijlage 2. Voorschriften voor het opslaan
en bewerken van professioneel vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik, al dan niet tezamen met consumentenvuurwerk, als bedoeld
in artikel 3.2.1 of 3A.2.1
A. Begripsbepalingen
1. In deze bijlage wordt verstaan onder:
a. automatische sprinklerinstallatie:
vast leidingstelsel voorzien van sprinklers (sproeiers) die worden
afgesloten door een hittegevoelig element of een systeem met
sprinklers of sprinklerkoppen (deluge) dat wordt aangestuurd door
een automatisch detectiesysteem, dat in geval van een brand wordt
aangesproken, waardoor de sprinklers water gaan verspreiden;
b. bewaarplaats: besloten ruimte,
bestemd voor het bewaren van verpakt vuurwerk;
c. brandwerendheid van bouwdelen:
tijd uitgedrukt in minuten, gedurende welke een bouwkundig onderdeel
van een gebouw, niet zijnde een deur-, luik- of raamconstructie,
zijn functie moet kunnen blijven vervullen bij verhitting, bepaald
volgens NEN 6069, uitgave 1991;
d. brandwerendheid van deur-, luik-
en raamconstructies: tijd uitgedrukt in minuten, gedurende welke
deur-, luik- en raamconstructies weerstand bieden tegen bezwijken en
vlamdicht blijven in geval van brand, bepaald volgens NEN 6069,
uitgave 1991;
e. bewerkingsruimte: besloten ruimte,
bestemd voor het bewerken van vuurwerk;
f. domino-effect: effect dat de
risico's van een ongeval binnen de inrichting of de gevolgen
daarvan, buiten de inrichting groter kunnen zijn dan op grond van de
in een inrichting aanwezige afzonderlijke hoeveelheden vuurwerk en
gevaarlijke stoffen kan worden verwacht;
g. gevaarlijke stof: stof die of
preparaat dat bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding
milieugevaarlijke stoffen en preparaten is ingedeeld in een
categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet
milieubeheer;
h. NEN: door de Stichting Nederlands
Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;
i. NPR 7910-2: Gevarenzone-indeling
met betrekking tot ontploffingsgevaar; deel 2:
Stofontploffingsgevaar, gebaseerd op NEN-EN 50281-3, uitgave 2001;
j. brandbeveiligingsinstallatie:
automatische sprinklerinstallatie en brandmeldinstallatie.
2. Voor zover een NEN-norm of
NPR-richtlijn waarnaar in een voorschrift verwezen wordt, betrekking
heeft op de uitvoering van constructies, toestellen en apparaten, wordt
bedoeld de laatste vóór de datum, waarop dit besluit in het Staatsblad
is geplaatst, uitgegeven norm met de daarop tot die datum uitgegeven
aanvullingen of correctiebladen dan wel – voor zover het op voornoemde
datum reeds bestaande constructies, toestellen en apparaten betreft –
de norm die bij de aanleg of installatie van die constructies,
toestellen en apparaten is toegepast, tenzij in het voorschrift anders
is bepaald.
3. Met de in deze bijlage, onder A,
onderdeel 1, sub c, d en i, en onder B, onderdelen 2.15 en 2.22,
bedoelde normen en de in deze bijlage onder A, onderdeel 1, sub j,
bedoelde voorschriften, worden gelijkgesteld normen en voorschriften die
worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in
een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is
bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat bindend
is voor Nederland, en die ten minste een gelijkwaardig niveau
waarborgen.
4. Met de in deze bijlage, onder B,
voorschrift 1.5 bedoelde inspectie-instelling die is geaccrediteerd door
de Stichting Raad voor Accreditatie wordt gelijkgesteld een accreditatie
afgegeven door een instelling in een andere lidstaat van de Europese
Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese
Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend
Verdrag dat bindend is voor Nederland, en die aan ten minste een
gelijkwaardig niveau voldoet.
5. In deze bijlage wordt onder vuurwerk
begrepen professioneel vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik alsmede consumentenvuurwerk.
B. Voorschriften
Paragraaf 1. Algemene voorschriften
1.1 Binnen de inrichting mag de totale
netto explosieve massa niet meer bedragen dan 6 000 kg. Dit voorschrift
geldt niet voor het ononderbroken lossen van vuurwerk uit een
vervoermiddel in de inrichting.
1.2 De voorschriften van deze bijlage
zijn niet van toepassing op fop- en schertsvuurwerk, mits binnen de
inrichting niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is.
1.3 Bij de vaststelling van de in deze
bijlage genoemde hoeveelheden vuurwerk wordt, indien meer dan 200 kg
fop- en schertsvuurwerk aanwezig is, 10 kg fop- en schertsvuurwerk
gelijk gesteld aan 1 kg consumentenvuurwerk.
1.4 In de bewaarplaats en in de
bewerkingsruimte is een automatische sprinklerinstallatie met
automatische doormelding naar de centrale meldkamer van de brandweer
aanwezig.
1.5 De brandbeveiligingsinstallatie is
ontworpen, aangelegd, opgeleverd en onderhouden overeenkomstig een
programma van eisen. Het programma van eisen is beoordeeld door een
inspectie-instelling. Deze inspectie-instelling voldoet voor wat betreft
het uitvoeren van beoordelingen en inspecties van
brandbeveiligingsinstallaties aan EN 45004 en is daarbij een type A
inspectie-instelling. De inspectie-instelling is geaccrediteerd door de
Stichting Raad voor Accreditatie. Met toepassing van artikel 28, eerste
lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om
accreditatie als bedoeld in de vierde volzin. Het programma van eisen is
goedgekeurd door het bevoegd gezag, voordat met de aanleg van de
brandbeveiligingsinstallatie wordt begonnen. Het programma van eisen,
alsmede het bewijs van beoordeling door de inspectie-instelling is
binnen de inrichting aanwezig.
1.6 De bewaarplaats, bufferbewaarplaats
en verkoopruimte worden niet eerder in gebruik genomen dan nadat door
een inspectie-instelling als bedoeld in voorschrift 1.5 een goedkeurend
inspectierapport is afgegeven of nadat een certificaat door een daartoe
op basis van EN 45011 door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerde
certificatie-instelling is afgegeven. Met toepassing van artikel 28,
eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3.
van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om
accreditatie als bedoeld in de eerste volzin. Uit het goedkeurend
inspectierapport of het certificaat blijkt dat de
brandbeveiligingsinstallatie voldoet aan het goedgekeurde programma van
eisen. Het goedkeurend inspectierapport of het certificaat is binnen de
inrichting aanwezig.
1.7 Iedere twaalf maanden na aanleg van
de brandbeveiligingsinstallatie wordt door een inspectie-instelling als
bedoeld in voorschrift 1.5 beoordeeld of de brandbeveiligingsinstallatie
functioneert en is onderhouden conform het in voorschrift 1.5 bedoelde
goedgekeurde programma van eisen. De inspectierapporten zijn binnen de
inrichting aanwezig. Een bewaarplaats of een bewerkingsruimte is niet in
gebruik indien uit een inspectierapport blijkt dat de
brandbeveiligingsinstallatie niet voldoet aan het in voorschrift 1.5
bedoelde goedgekeurde programma van eisen.
1.8 [Vervallen.]
1.9 De wijze waarop vuurwerk wordt
opgeslagen heeft geen negatieve invloed op de functionele werking van de
automatische sprinklerinstallatie. Daartoe is de wijze van opslaan
tenminste in overeenstemming met de uitgangspunten die ten aanzien
daarvan ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp van de automatische
sprinklerinstallatie, zoals deze zijn neergelegd in het Programma van
Eisen.
1.10 In de bewaarplaats en in de
bewerkingsruimte is ten minste één draagbaar blustoestel aanwezig, met
een inhoud van ten minste 12 kg ABC-bluspoeder, waarvan het
ABC-bluspoeder minstens 40% ammoniumfosfaat bevat. De loopafstand vanaf
elk willekeurig punt in de bewaarplaats en in de bewerkingsruimte tot
aan een blustoestel bedraagt maximaal 20 m.
1.11 Opdat een brand binnen redelijke
tijd kan worden geblust, heeft een bewaarplaats en een bewerkingsruimte
één of meer brandslanghaspels, waarbij aan de volgende voorwaarden is
voldaan:
a. het aantal brandslanghaspels is
zodanig dat de loopafstand tussen een brandslanghaspel en elk punt
van de vloer van de bewaarplaats en van de bewerkingsruimte niet
groter is dan de lengte van de slang, vermeerderd met 5 m. Bij het
bepalen van de loopafstand wordt een constructieonderdeel, niet
zijnde een bouwconstructie, buiten beschouwing gelaten;
b. bij het bepalen van de loopafstand
wordt de loopafstand gelegen in een verblijfsgebied, als bedoeld in
het Bouwbesluit 2003, met 1,5 vermenigvuldigd;
c. een brandslanghaspel is
aangesloten op een voorziening voor leidingwater en ligt niet in een
vluchttrappenhuis;
d. een brandslanghaspel heeft een
lengte van niet meer dan 30 m en een statische druk van niet minder
dan 100 kPa en een capaciteit van 1,3 m3/h, bij gelijktijdig gebruik
van twee brandslanghaspels die zijn aangesloten op dezelfde
voorziening voor leidingwater.
1.12 De brandslanghaspel is steeds voor
onmiddellijk gebruik beschikbaar en kan onbelemmerd worden bereikt. De
brandslanghaspel wordt jaarlijks door een deskundige gecontroleerd op
zijn deugdelijkheid.
1.13 Teneinde domino-effecten te
voorkomen, is voldoende afstand in acht genomen tussen de bewaarplaats
onderscheidenlijk de bewerkingsruimte en andere onderdelen van de
inrichting waar gevaarlijke stoffen aanwezig kunnen zijn. Daartoe mag
een brand ter plaatse van andere onderdelen van de inrichting waar
gevaarlijke stoffen aanwezig kunnen zijn op de gevel van de bewaarplaats
onderscheidenlijk de bewerkingsruimte geen grotere stralingsbelasting
dan 15 kW per m2 veroorzaken.
1.14 Teneinde instantane sympathische
reacties door grondschok, drukgolf, thermische effecten en uitgeworpen
brokstukken en artikelfragmenten te voorkomen, dient voldoende afstand
te worden aangehouden tussen bewaarplaatsen en bewerkingsruimten en
tussen deze plaatsen en ruimten onderling.
Paragraaf 2. Constructie van een
bewaarplaats en van een bewerkingsruimte bestemd voor het opslaan of
bewerken van vuurwerk
2.1 Een bewaarplaats wordt gelijkgesteld
met een brandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit 2003. De
brandwerendheid van een bewaarplaats is niet lager dan 60 minuten.
Bovendien zijn de wanden, vloer en afdekking van een bewaarplaats
vervaardigd van metselwerk, beton of gasbeton.
2.2 Van een bewaarplaats zijn, behalve de
toegangsdeur, in de wanden en de afdekking geen openingen of ramen
aanwezig.
2.3 De toegangsdeur van de bewaarplaats:
– draait naar buiten,
– is zelfsluitend,
– is om drukontlasting mogelijk te
maken niet voorzien van dievenklauwen of daarmee vergelijkbare
voorzieningen,
– is steeds onbelemmerd bereikbaar,
en
– heeft een voldoende groot
oppervlak, minimaal 4 m2, om vlotte aan- en afvoer van vuurwerk
mogelijk te maken.
2.4 Met het oog op een goede ventilatie
zijn in de muren vlak boven de vloer en vlak onder of in het dak
voldoende afsluitbare en met roosters afgeschermde ventilatieopeningen
aangebracht, waarvan het totale oppervlak ten minste 0,5% van het
vloeroppervlak bedraagt. Ventilatieopeningen zijn voorzien van
vlamkerende roosters.
2.5 Ventilatie- en afzuiginstallaties
zijn zo geconstrueerd, dat zich hierin geen stoffen kunnen ophopen dan
wel zodanig samenkomen, dat gevaar van brand of explosie ontstaat.
Voorts is de installatie zodanig geconstrueerd en geaard, dat de
weerstand, gemeten tussen elk deel van de installatie en de aardleiding,
ten hoogste 1 ohm bedraagt. Zij moeten jaarlijks worden gecontroleerd
door een onafhankelijke deskundige.
2.6 De vloeren vertonen geen scheuren of
kieren en zijn afgewerkt met een deklaag, die ter voorkoming van
stofvorming slechts weinig aan slijtage onderhevig is, en die bovendien
niet elektriciteit-isolerend (weerstand kleiner dan 10 000 000 ohm) is.
Vloeren in bewaarplaatsen zijn volledig vonkvrij. De grootte van de
weerstand wordt ten minste eenmaal per 6 maanden gemeten door een
onafhankelijke deskundige.
2.7 Ter voorkoming van opeenhoping van
stof en ter vergemakkelijking van de reiniging, zijn de muren glad
afgewerkt zonder horizontale lijsten of randen.
2.8 Transformator- en schakelgebouwen
zijn zo geconstrueerd, dat zij geen gevaar opleveren voor bewaarplaatsen
die in de nabijheid van die gebouwen liggen. Zij zijn ten minste 15 m
daarvan verwijderd.
2.9 In een bewaarplaats voldoen de
gebruikte apparatuur en de installaties aan de in NPR 7910-2 genoemde
voorschriften voor zone 22. De maximaal toegelaten
oppervlaktetemperatuur van de gebruikte apparatuur en de installaties is
100°C.
2.10 De elektrische installatie draagt
een permanent karakter en bestaat uitsluitend uit vaste leidingen.
2.11 Horizontaal lopende gedeelten van de
elektriciteitsleiding zijn buiten handbereik geplaatst dan wel in de
vloer gelegd. Indien daartoe aanleiding bestaat, zijn zij tegen stoten
afgeschermd.
2.12 Een bovengrondse
elektriciteitsleiding nadert de bewaarplaats niet dichter dan 15 m.
Leidt de leiding naar de bewaarplaats, dan is zij vanaf die afstand tot
het bereiken van een schakel- en verdeelinrichting ondergronds
aangebracht.
2.13 In een bewaarplaats zijn geen
schakel- en verdeelinrichtingen of contactdozen aangebracht. Dergelijke
apparatuur is aangebracht op een schakelbord aan de buitenzijde van de
bewaarplaats.
2.14 De elektrische installatie is
verdeeld in groepen, die kunnen worden in- en uitgeschakeld met behulp
van groepschakelaars op het schakelbord, bedoeld in het vorige
voorschrift. Daarop is tevens een direct bedienbare hoofdschakelaar
aangebracht waarmee de gehele installatie kan worden uitgeschakeld.
2.15 De bewaarplaats is afdoende
beveiligd tegen blikseminslag. Daartoe is de bewaarplaats voorzien van
een bliksemafleidinstallatie die voldoet aan de eisen van NEN 1014. In
afwijking van NEN 1014 wordt de installatie jaarlijks gecontroleerd. Een
afschrift van het rapport van de controle is binnen de inrichting
aanwezig.
2.16 Rondom de bewaarplaats is op een
afstand van ten minste 15 m een deugdelijke afrastering van
metaalvlechtwerk met een hoogte van ten minste 2 m aanwezig. De
toegangspoort in de afrastering wordt alleen geopend voor werkzaamheden
of controle in de bewaarplaats en is verder afgesloten. Binnen de
afrastering bevindt zich geen naaldhoutbeplanting en binnen een afstand
van 5 m van de bewaarplaats bevindt zich bovendien geen loofhout.
Daarnaast bevinden zich binnen de afrastering geen goederen,
snoeimateriaal en overige materialen die door vuur tot ontbranding
kunnen worden gebracht.
2.17 In een bewaarplaats wordt voor
verwarming uitsluitend gebruik gemaakt van:
a. centrale verwarming;
b. elektrische verwarming.
2.18 Bij centrale verwarming als bedoeld
in voorschrift 2.17, onder a, wordt alleen gebruik worden gemaakt van
water onder lage druk. De warmtebron is tenminste 15 m van de
bewerkingsruimte verwijderd, doch bij voorkeur op een grotere afstand.
Indien de afstand minder dan 25 m bedraagt, is op de rookgasafvoer van
de centrale verwarming een vonkenvanger geplaatst.
2.19 Bij elektrische verwarming als
bedoeld in voorschrift 2.17, onder b, worden alleen afgesloten
radiatoren gebruikt. De oppervlaktetemperatuur van die radiatoren mag
ten hoogste 100°C bedragen.
2.20 Alle radiatoren en leidingen zijn
zodanig aangelegd en afgeschermd, dat zij niet onopzettelijk kunnen
worden aangeraakt en dat er geen voorwerpen op kunnen worden geplaatst.
2.21 De voorschriften 2.1 tot en met 2.20
zijn van overeenkomstige toepassing op de constructie van een
bewerkingsruimte, met dien verstande dat:
– in afwijking van voorschrift 2.6,
de vloer een weerstand bezit tussen 25 000 en 1 000 000 ohm;
– in afwijking van voorschrift 2.9,
de in NPR 7910-2 genoemde voorschriften voor zone 21 gelden.
2.22 In de bewerkingsruimte is een
zodanige leiding aangebracht, dat het mogelijk is gereedschappen en
werktuigen door middel van deze leiding te aarden. De leiding is
verbonden aan een aardelektrode overeenkomstig NEN 1014. Dezelfde
aardelektrode wordt niet toegepast voor de
bliksembeveiligingsinstallatie.
2.23 In de bewerkingsruimte is een aparte
ruimte aanwezig, waar overkleding en schoeisel kunnen worden geborgen.
2.24 Bij de ingang van de
bewerkingsruimte is een aardingsmogelijkheid aanwezig.
Paragraaf 3. Gebruik van een bewaarplaats
en van een bewerkingsruimte
3.1 In de bewaarplaats worden geen andere
goederen dan vuurwerk en daarvoor benodigde materialen en hulpmiddelen
opgeslagen. Indien in de bewaarplaats vuurwerk is opgeslagen, dan mogen
in die bewaarplaats geen bewerkingen plaatsvinden.
3.2 Onbruikbaar vuurwerk dat vanwege de
gevaarlijke toestand waarin het verkeert in aanmerking komt voor
vernietiging of voor speciale behandeling, mag niet met ander vuurwerk
in dezelfde bewaarplaats worden opgeslagen. Hetzelfde geldt voor
professioneel vuurwerk waarvan de toestand of herkomst onbekend is.
3.3 In een bewaarplaats worden geen
werkzaamheden verricht, met uitzondering van werkzaamheden die
rechtstreeks verband houden met de opslag van vuurwerk. Het vuurwerk
wordt uitsluitend binnengebracht, eventueel (om)gestapeld en naar buiten
gebracht. De bewaarplaats wordt schoongehouden.
3.4 Voordat met herstelwerkzaamheden aan
een bewaarplaats of een bewerkingsruimte wordt begonnen, is de
bewaarplaats onderscheidenlijk de bewerkingsruimte geheel leeg en
schoongemaakt. Indien deze werkzaamheden door derden worden uitgevoerd,
vindt de aanvang daarvan niet eerder plaats dan nadat degene die de
inrichting drijft daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven.
3.5 Aan een in gebruik zijnde
bewaarplaats of bewerkingsruimte mogen:
a. geen werkzaamheden worden verricht
in een ruimte, waarin vuurwerk is opgeslagen;
b. kleine werkzaamheden worden
verricht aan de buitenzijde van de bewaarplaats alsmede in ruimten
in de bewaarplaats, die niet in open verbinding staan met een ruimte
waarin vuurwerk is opgeslagen, mits bij die werkzaamheden geen open
vuur wordt gebruikt, geen explosief gasmengsel kan ontstaan en geen
vonkvorming kan optreden.
3.6 Indien werkzaamheden in de inrichting
worden uitgevoerd waarbij vonkvorming kan optreden dan wel open vuur
nodig is, zijn de bewaarplaats en de bewerkingsruimte binnen 15 m van de
plaats der werkzaamheden ontruimd. Deze afstand wordt vergroot tot 25 m,
indien bij bedoelde werkzaamheden een explosief gasmengsel kan ontstaan.
3.7 Bij het verplaatsen en (om)stapelen
van vuurwerk wordt met de nodige voorzichtigheid gehandeld, waarbij niet
wordt gegooid of gesleept met het vuurwerk. Vooral ten aanzien van
beschadigd professioneel vuurwerk en ten aanzien van professioneel
vuurwerk waarvan de verpakking is geschonden, is uiterste behoedzaamheid
geboden.
3.8 Indien professioneel vuurwerk van een
hoogte van meer dan 1,5 m is gevallen of zodanig is terechtgekomen dat
de verpakking of het professioneel vuurwerk zelf is beschadigd, draagt
degene die de inrichting drijft er voor zorg dat het vuurwerk niet wordt
verplaatst en dat het vuurwerk onmiddellijk wordt geïnspecteerd.
3.9 De bewaarplaats is zodanig ingericht
dat visuele inspectie van vuurwerk mogelijk is en het inbrengen en
uitnemen van vuurwerk niet wordt belemmerd. In een betreedbare
bewaarplaats is daarom ten minste één gangpad met een breedte van ten
minste 75 cm aanwezig.
3.10 Binnen de inrichting worden
uitsluitend veilige elektrische ontstekingsmiddelen opgeslagen.
Elektrische ontstekingsmiddelen kunnen als veilig worden beschouwd,
indien zij:
– zijn verpakt in een (metalen)
omhulsel dat zodanig is samengesteld dat elektromagnetische straling
niet tot de inhoud daarvan kan doordringen, of
– aanwezig zijn in een ruimte die
afdoende beschermd is tegen elektromagnetische straling.
Elektrische ontstekingsmiddelen die niet
aan deze eisen voldoen, worden als onveilig beschouwd.
3.11 Veilige ontstekingsmiddelen worden
niet blootgesteld aan hogere veldsterkten of aan grotere
vermogensdichtheden dan die waarin zij zijn beproefd.
3.12 Elektrische ontstekingsmiddelen zijn
steeds kortgesloten en verpakt in metaal.
3.13 Een bewaarplaats, waarin geen
vuurwerk wordt ingebracht, uitgenomen of omgestapeld, alsmede de
toegangspoort in de afrastering van deze bewaarplaats is afgesloten. De
sleutels, alle voorzien van een sleutelplaat met het nummer van de
betrokken deur, worden opgeborgen in een afgesloten kast in het
kantoorgebouw. De reservesleutels worden elders in of bij de inrichting
opgeborgen in een afgesloten kast.
3.14 De bewaarplaats en de
bewerkingsruimte worden goed schoon gehouden. Papierafval, pallets,
gebruikte poetslappen en andere ontbrandbare zaken mogen daarin nimmer
worden achtergelaten.
3.15 Stoffen en voorwerpen uit ADR-klasse
1 die behoren tot verschillende compatibiliteitsgroepen, zoals die zijn
aangegeven in het ADR met de letters A tot en met J, K tot en met N en
S, worden gecompartimenteerd opgeslagen, tenzij deze stoffen en
voorwerpen gezamenlijk kunnen worden opgeslagen zonder dat:
a. de kans op een ongewilde
ontsteking wordt verhoogd;
b. voor een gegeven hoeveelheid de
ernst van de effecten bij een dergelijk voorval wordt vergroot.
3.16 In een bewerkingsruimte mag,
onverminderd voorschrift 3.15, uitsluitend professioneel vuurwerk, dat
behoort tot dezelfde compatibiliteitsgroep gelijktijdig aanwezig zijn.
Dit voorschrift is niet van toepassing op de kortstondige gelijktijdige
aanwezigheid van bij elkaar behorende componenten die behoren tot
verschillende compatibiliteitsgroepen tijdens het uitpakken, uit elkaar
nemen, in elkaar zetten (samenstellen) en inpakken van dat vuurwerk.
Paragraaf 4. Voorschriften voor de
uitrusting in de bewerkingsruimte
4.1 Werktafels zijn voorzien van een
dekplaat van geleidend vonkvrij materiaal, die op deugdelijke wijze is
geaard.
4.2 Alle werktuigen, gereedschappen en
instrumenten, die tijdens het gebruik statische elektriciteit kunnen
opwekken, zijn op deugdelijke wijze geaard. De weerstand tussen elk deel
van het werktuig, gereedschap en instrument en de aardleiding mag ten
hoogste 1 ohm bedragen.
4.3 Werktuigen zijn waar nodig voorzien
van afschermplaten of kappen. De plaatdikte daarvan is afgestemd op de
mogelijk optredende hitte-, druk- of scherfwerking.
4.4 Automatische en halfautomatische
werktuigen, waarop gevulde vuurwerkartikelen worden bewerkt, zijn
voorzien van een drukschakelaar, zodat de machine stopt, wanneer de
schakelaar wordt losgelaten. Deze schakelaar mag ook als voet- of
knieschakelaar zijn uitgevoerd.
4.5 De werktuigen, gereedschappen en
instrumenten verkeren in goede staat. Indien zij niet zijn
voorgeschreven door de inrichtinghouder voor de uitvoering van de
werkzaamheden, worden zij niet gebruikt.
4.6 Ten minste eenmaal per maand worden
alle werktuigen, gereedschappen en instrumenten op goede werking en
beveiliging gecontroleerd. Deze controle wordt ook bij de aanvang van
elke nieuwe werkzaamheid uitgevoerd. Wanneer gebreken worden
geconstateerd of vermoed, wordt het betrokken materieel onmiddellijk uit
de bewerkingsruimte verwijderd of voor gebruik geblokkeerd.
4.7 Indien aan werktuigen, gereedschappen
of instrumenten herstellingen moeten worden verricht, wordt dit
materieel ter plaatse eerst zorgvuldig schoongemaakt en van alle
explosieve stof ontdaan. De herstellingen worden slechts uitgevoerd door
deskundig personeel en niet eerder dan nadat alle vuurwerk uit de
betrokken ruimte is verwijderd.
4.8 Voor de (hulp)transportmiddelen wordt
elektriciteit voor de aandrijving gebruikt. Zij worden periodiek
nagekeken op eventuele gebreken en slijtageverschijnselen. Voor
incidentele werkzaamheden binnen de bewaarplaats, alsmede binnen een
afstand van 15 m tot de bewaarplaats, worden geen transportmiddelen en
andere machines of apparatuur gebruikt die zijn voorzien van een
verbrandingsmotor. Deze eisen gelden ook voor werkzaamheden die worden
uitgevoerd door derden, zoals onderhoudsbedrijven en hoveniersbedrijven,
tenzij het materiaal is uitgerust met een dieselmotor.
4.9 Mechanische transportmiddelen voldoen
aan de volgende eisen:
– voor de bestuurder zijn vanaf
zijn zitplaats duidelijk zichtbaar de volgende gegevens, voor zover
van toepassing, vermeld: het eigen gewicht van het transportmiddel,
het maximum laadvermogen, het maximum hefvermogen, de maximum
rijsnelheid, de kleinste draaicirkel, de vrije hefhoogte, de
telescoop-hefhoogte en de voorwaartse en achterwaartse helling van
de vork;
– vanaf de zitplaats is duidelijk
leesbaar het bedieningsvoorschrift van het betrokken transportmiddel
aangebracht;
– het transportmiddel is uitgerust
met ten minste een draagbaar blustoestel, met een inhoud van ten
minste 6 kg ABC-bluspoeder. Dat toestel is onder onmiddellijk bereik
van de bestuurder geplaatst.
4.10 Mechanische transportmiddelen die in
een bewerkingsruimte worden toegepast voldoen onverminderd het gestelde
in voorschrift 4.9 aan de volgende eisen:
– de wielen van de
transportmiddelen zijn uitgerust met rubberbanden;
– de hoofdschakelaars zijn voorzien
van een afneembare bedieningssleutel, die alleen kan worden
uitgenomen, wanneer de betrokken hoofdschakelaar op uit staat;
– de bekabeling is zo aangebracht
en beschermd, dat de kans op beschadiging minimaal is. Bij alle
door- en invoeringen zijn wartels gebruikt;
– lampen zijn met behulp van een
metalen rooster tegen mechanische beschadigingen beschermd;
– de hoofdschakelaars,
contactsloten, bedieningsschakelaars, smeltveiligheden en dergelijke
zijn verhoogd beveiligd en drukvast uitgevoerd. De smeltveiligheden
zijn daarbij steeds apart omkast en de patronen in de
smeltveiligheden kunnen alleen in spanningsloze toestand worden
vervangen;
– de motoren zijn beveiligd tegen
overbelasting, zijn stofdicht geconstrueerd en zijn voorzien van een
drukvast huis of omhulsel. De ventilatie geschiedt door kokers met
een labyrinth-afdichting;
– statische elektriciteit wordt met
behulp van een vast contact met de vloer, bijvoorbeeld door middel
van metalen strippen in de banden, zonder vonkvorming afgevoerd.
Kettinkjes zijn derhalve verboden;
– voor de aandrijving van
(hulp)transportmiddelen, die in bewerkingsruimten worden gebruikt,
wordt uitsluitend van elektriciteit, verkregen uit accumulatoren,
gebruik gemaakt;
– de batterijen zijn in een
stevige, drukvaste, gesloten maar niet lucht-dichte omkasting
opgesteld op een plaats, die de kans op een mechanische beschadiging
miniem maakt. Het deksel van de omkasting bestaat aan de kant van de
aansluitklemmen uit een niet-geleidend materiaal. Voorts is in het
huis of omhulsel met behulp van een buisaansluiting koolzuurgas of
samengeperste lucht aangebracht om het in de batterijruimte
aanwezige waterstofgas te verdrijven of althans te verdunnen.
In plaats van of naast mechanische
transportmiddelen mogen ook transportmiddelen worden gebruikt, die met
handkracht worden voortbewogen, waarbij de wielen zijn voorzien van
rubberbanden.
4.11 Rolbanen, transportkettingen en
dergelijke zijn dusdanig beveiligd, dat er geen vuurwerkartikelen af
kunnen vallen. Bedoelde hulpmiddelen moeten eveneens deugdelijk zijn
geaard overeenkomstig voorschrift 4.2. Mechanische transportkettingen en
-banden zijn op elke handelingsplaats voorzien van een schakelaar, die
de ketting of band buiten gebruik kan stellen.
4.12 De transportmiddelen worden
regelmatig nagezien op eventuele gebreken en slijtageverschijnselen.
Voorschrift 4.7 is van overeenkomstige toepassing.
4.13 De hijsapparatuur is op deugdelijke
wijze geaard. Voorschrift 4.2 is van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 5. Veiligheidsinstructies voor
personen die werkzaamheden verrichten binnen de inrichting
5.1 Degene die de inrichting drijft zorgt
er voor dat het personeel steeds op de hoogte is van zijn taak en bekend
is met het gereedschap, dat het daarbij moet gebruiken. Derden mogen
slechts werkzaamheden in of aan een bewaarplaats of bewerkingsruimte
verrichten, indien zij in het bezit zijn van een schriftelijke
werkopdracht. Degene die de inrichting drijft ziet erop toe dat daarbij
de veiligheidsvoorschriften, die voor de betrokken bewaarplaats of
bewerkingsruimte gelden, worden nageleefd.
5.2 Degene die de inrichting drijft stelt
richtlijnen vast voor de wijze, waarop bij een eventuele brand alarm
moet worden geslagen, de personen of instanties in dat geval moeten
worden gewaarschuwd en de handelingen die ieder personeelslid in geval
van alarm moet verrichten of nalaten.
5.3 Een beginnende brand moet
onmiddellijk met alle beschikbare blusmiddelen worden bestreden,
ongeacht de gevarenklasse waartoe het betrokken vuurwerk behoort. De
wijze waarop een brandverkenning kan worden uitgevoerd of een zich
uitbreidende brand kan worden bestreden, wordt bepaald door de
gevarenklasse en het type vuurwerk dat in de bewaarplaats is opgeslagen.
5.4 Door de inrichtinghouder wordt het
personeel regelmatig gewezen op de gevaren, die zijn verbonden aan het
uitvoeren van werkzaamheden aan vuurwerk. Het personeel mag alleen die
activiteiten uitvoeren die zijn opgedragen door de inrichtinghouder.
5.5 Binnen de afrastering rondom de
bewaarplaats en de bewerkingsruimte wordt niet gerookt en is geen open
vuur aanwezig. Het is tevens verboden lucifers, aanstekers of andere
vlamverwekkers voorhanden te hebben. Dit verbod geldt ook voor het
dragen van elektronische (communicatie)middelen, zoals portofoons,
mobiele telefoons, buzzers, zend- of ontvangsthorloges en dergelijke.
Het laatstgenoemde verbod geldt niet in noodsituaties voor zover het
bevoegd gezag en hulpverleners ter plaatse toestemming hebben gegeven
voor het gebruik van de genoemde (communicatie)middelen. Deze verboden
zijn aangegeven door op elke zijde van de afrastering en op de
toegangsdeur van de bewaarplaats een verbodsbord overeenkomstig bijlage
XVIII bij de Arbeidsomstandighedenregeling aan te brengen waaruit de
betreffende verboden blijken.
5.6 Op de toegangsdeur van de
bewaarplaats en van de bewerkingsruimte wordt een veiligheidssymbool
aangebracht, waarmee het ontploffingsgevaar wordt aangeduid. Hierbij
wordt gebruik gemaakt van de in bijlage XVIII bij de
Arbeidsomstandighedenregeling opgenomen borden.
5.7 Het personeel wordt uitgebreid
voorgelicht omtrent de voorzieningen, die in verband met de veiligheid
zijn getroffen. Voorts oefent het personeel de toepassing van die
voorzieningen.
5.8 Het personeel bevindt zich
uitsluitend op de plaats waar het de opgedragen werkzaamheden moet
verrichten en mag zich aldaar uitsluitend met de eigen taak bezig
houden. Het is hun verboden zich elders op te houden, tenzij door degene
die de inrichting drijft daarvoor toestemming is verleend.
5.9 Het is het personeel verboden tijdens
de rustpauzes in de bewerkingsruimte te verblijven, met uitzondering van
een wacht, die toezicht houdt op de in bewerking zijnde
vuurwerkartikelen.
5.10 Indien het in de nabijheid van de
bewerkingsruimte onweert (wanneer tussen bliksem en donderslag minder
dan 10 seconden zijn verlopen), worden de werkzaamheden in de
bewerkingsruimte en/of de bewaarplaats gestaakt. Iedereen verlaat de
bewerkingsruimte en/of de bewaarplaats die vervolgens wordt afgesloten.
Het werk mag pas worden hervat, wanneer het onweer volledig is
overgedreven. Indien blikseminslag wordt geconstateerd, wordt de werking
van de bliksembeveiligingsinstallaties, naast de reguliere controle
volgens voorschrift 2.15, direct gecontroleerd door een onafhankelijke
deskundige. Een afschrift van het rapport van de controle is binnen de
inrichting aanwezig.
5.11 Het personeel moet goed bekend zijn
met de brandalarmregelingen.
5.12 Een voldoende aantal leden van het
personeel is geïnstrueerd over het hanteren van de brandblusapparatuur.
Dit personeel moet bekend zijn met de plaats van deze apparatuur.
5.13 Bij brand in de onmiddellijke
nabijheid van de bewerkingsruimte, die gevaar oplevert voor de
bewerkingsruimte, moet de deur van de bewerkingsruimte worden gesloten.
Bovendien dienen bij voorkeur de volgende veiligheidsmaatregelen te
worden getroffen:
a. de open aanwezige explosieve stof
wordt zoveel mogelijk in een gesloten verpakking geborgen;
b. professioneel vuurwerk, dat ter
verwerking in machines of werktuigen is geplaatst, wordt daaruit
verwijderd en verpakt;
c. het elektriciteitsnet binnen de
bewerkingsruimte wordt spanningsloos gemaakt.
5.14 Wanneer het personeel iets ongewoons
bemerkt aan een gebouw, materieel, materiaal of bewerking of aan het
gedrag van een persoon, wordt dit gemeld aan degene die de inrichting
drijft. Het betrokken materieel of materiaal wordt direct terzijde
gesteld. De betrokken bewerking wordt direct gestaakt.
5.15 Personeel dat een ruimte betreedt
waarin professioneel vuurwerk wordt bewerkt, moet zich van tevoren
elektrisch ontladen.
5.16 Gedurende de werkzaamheden is het
personeel gekleed in een overall of in een werkbroek en werkkiel van
stevige stof. Werkkleding van personeel, werkzaam in ruimten waar
explosieve stof wordt bewerkt, wordt ten minste eenmaal per week
gewassen. In de werkkleding mogen geen andere voorwerpen dan een zakdoek
worden meegenomen. De overige persoonlijke bezittingen moeten worden
achtergelaten in het kleedlokaal.
5.17 Bij het werken met zwart buskruit
draagt het personeel een hoofddeksel dat daartoe ter beschikking wordt
gesteld door degene die de inrichting drijft.
5.18 In ruimten waar vuurwerk wordt
bewerkt, worden vonkvrije schoenen gedragen. Deze schoenen mogen, nadat
bedoelde ruimten zijn verlaten, niet worden aangehouden.
5.19 Het personeel maakt uitsluitend
gebruik van de gereedschappen en hulpmiddelen die voor de uitvoering van
de werkzaamheden zijn voorgeschreven.
5.20 Bij het verrichten van werkzaamheden
aan metalen onderdelen waarbij aantasting van het materiaal moet worden
voorkomen, moeten handschoenen worden gedragen.
5.21 Bij werkzaamheden waarbij het gevaar
bestaat dat door elektrostatische ladingen brand of explosie ontstaat,
mag geen kunststoffen of zijden kleding worden gedragen. Bij deze
werkzaamheden wordt zodanig schoeisel gedragen, dat de weerstand tussen
de persoon en de vloer ligt tussen 25 000 en 1 000 000 ohm.
Paragraaf 6. Werkzaamheden aan
professioneel vuurwerk
6.1 Er zijn geen brandbare of
brandgevaarlijke goederen of vloeistoffen in de werkruimte aanwezig,
tenzij deze direct benodigd zijn voor of bij de werkzaamheden. Na afloop
van de werkzaamheden worden deze hulpmiddelen onmiddellijk uit de
bewerkingsruimte verwijderd.
6.2 In elke bewerkingsruimte is een vat,
bestemd voor afval, geplaatst, dat na de beëindiging van de
werkzaamheden wordt geledigd. Tevens is in de bewerkingsruimte een vat,
vervaardigd van vonkvrij en geleidend materiaal, geplaatst, bestemd voor
het afval van explosieve stoffen, dat voor het einde van de
werkzaamheden wordt geledigd, waarna de explosieve stoffen zo spoedig
mogelijk worden afgevoerd.
6.3 Tijdens werkzaamheden aan of met
professioneel vuurwerk is de werkruimte overzichtelijk en zijn alleen
die materialen en/of hulpmiddelen die zijn voorgeschreven ter uitvoering
van de opgedragen werkzaamheden in de bewerkingsruimte aanwezig.
6.4 Degene die de inrichting drijft zorgt
ervoor dat voor de aanvang van werkzaamheden aan vuurwerk een werkschema
is vastgesteld.
6.5 Het werkschema geeft uitsluitsel
omtrent de volgende bijzonderheden, voor zover die van belang zijn voor
de betrokken opdracht:
a. personeel voor de gehele opdracht;
b. personeel per bewerkingsfase;
c. maximale hoeveelheid explosieve
stof in kilogrammen per bewerkingsfase;
d. maximaal aantal vuurwerkartikelen
per bewerkingsfase;
e. maximaal aantal vuurwerkartikelen
in de bewerkingsruimte;
f. een volledige omschrijving van
elke bewerking;
g. veiligheidsvoorzieningen voor elke
bewerking;
h. inspectiegegevens voor elke
bewerking;
i. scheiding der werkzaamheden;
j. barricaden en bescherming;
k. gereedschappen en werktuigen;
l. aan- en afvoer, alsmede de
opstelling van onderdelen en materialen voor elke bewerking;
m. beschermende kleding en
veiligheidsinstructies;
n. veiligheidsafstanden;
o. een vloeiend verloop van de
werkzaamheden;
p. aan- en afvoer;
q. het interne transport;
r. deuren en nooduitgangen;
s. alarmeringssysteem;
t. blusmiddelen;
u. ventilatie;
v. verlichting;
w. elektrische installatie;
x. statische elektriciteit en aarding;
y. schoonhouden van gebouwen en
werktuigen.
6.6 In het werkschema wordt ieders taak
nauwkeurig omschreven.
6.7 Degene die de inrichting drijft ziet
erop toe dat een ieder op de hoogte is van de voor hem geldende
bijzonderheden die in het betrokken werkschema zijn vastgelegd.
6.8 Tijdens de werkzaamheden worden geen
andere gereedschappen gebruikt dan die, welke in het werkschema zijn
genoemd en aan het personeel zijn verstrekt.
6.9 Bij het einde van de werktijd laat
het personeel de werktuigen en gereedschappen, alsmede de banken, tafels
enz. schoon en ordelijk achter. De vloer wordt zo nodig gereinigd.
Brandbare vloeistoffen en andere artikelen, zoals oliedotten en afval
van explosieve stof, worden uit de werkplaats verwijderd.
6.10 Vuurwerk, ontstekers en
ontstekingsmiddelen blijven niet in een bewerkingsruimte achter, tenzij
deze voorwerpen op veilige wijze worden opgeborgen in speciaal daarvoor
ingerichte kasten of worden voorzien van een deugdelijke verpakking.
Bijlage 3. Veiligheidsafstanden als
bedoeld in de artikelen 2.2.1, 2.2.2, 3.2.1 en 4.2
A. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
a. hoeveelheid verpakt vuurwerk: het
totale gewicht vuurwerk binnen een bewaarplaats of een
bewerkingsruimte, bestaande uit de lading, het omhulsel, de primaire
verpakking en de transportverpakking, uitgedrukt in kilogrammen;
b. hoeveelheid onverpakt vuurwerk:
het totale gewicht vuurwerk binnen een bufferbewaarplaats of een
bewerkingsruimte, bestaande uit de lading, het omhulsel en de
primaire verpakking, uitgedrukt in kilogrammen;
c. veiligheidsafstand in voorwaartse
richting: afstand in zowel horizontale als verticale richting,
gemeten in bolvorm vanaf het middelpunt van de deuropening van een
ruimte in de richting, zoals aangegeven in figuur 1, onder a;
d. veiligheidsafstanden in zijwaartse
en achterwaartse richting: afstanden in zowel horizontale als
verticale richting, gemeten in blokvorm vanaf het middelpunt van de
deuropening van een ruimte in de richting, zoals aangegeven in
figuur 1, onder b, onderscheidenlijk onder c, waarbij de
veiligheidsafstand in verticale richting gelijk is aan de
veiligheidsafstand in (horizontale) zijwaartse richting;
e. vrijwaringsgebied: gebied zoals
aangegeven in figuur 1, in horizontale richtingen begrensd door de
veiligheidsafstand in voorwaartse richting en de breedte van de
besloten ruimte waarin consumentenvuurwerk aanwezig is waarbij
parallel wordt gemeten aan de zijde waar de toegangsdeur zich
bevindt – met dien verstande dat niet van meer dan 5 meter behoeft
te worden uitgegaan – en in verticale richtingen begrensd door de
vloer en het plafond van deze besloten ruimte.
B. Veiligheidsafstanden
1.1 Bij een inrichting waarin verpakt of
onverpakt professioneel vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, aanwezig mag
zijn, dient, gemeten vanaf de bewaarplaats en, indien aanwezig, de
bewerkingsruimte, tot een kwetsbaar object en een geprojecteerd
kwetsbaar object de volgende veiligheidsafstand in acht te worden
genomen:
|
toegestane netto
explosieve massa per bewaarplaats of bewerkingsruimte |
veiligheidsafstand |
|
vanaf 0 kg tot en met 750 kg |
400 meter |
|
vanaf 750 kg tot en met 6 000 kg |
800 meter |
1.2 a. Bij een inrichting waarin in
totaal niet meer dan 10 000 kg consumentenvuurwerk aanwezig mag zijn,
dient, gemeten vanaf de bewaarplaats en de bufferbewaarplaats in
voorwaartse richting, tot een kwetsbaar object en een geprojecteerd
kwetsbaar object een veiligheidsafstand van ten minste 8 meter in acht
te worden genomen.
b. Binnen de veiligheidsafstand in
voorwaartse richting, het vrijwaringsgebied daaronder niet begrepen, mag
in afwijking van onderdeel a een kwetsbaar object aanwezig zijn of
geprojecteerd zijn, indien tussen de deuropening van de
(buffer)bewaarplaats en dat object een scheidingsconstructie aanwezig
is:
1°. waarvan de brandwerendheid niet
lager is dan 60 minuten;
2°. waarin zich geen opening, raam
of deur bevindt;
3°. die, voor zover het een
verticale scheidingsconstructie betreft, vervaardigd is van
metselwerk, beton of cellenbeton.
1.3 Bij een inrichting waarin
theatervuurwerk al dan niet tezamen met in totaal meer dan 10 000 kg
consumentenvuurwerk aanwezig mag zijn:
a. mag boven de bewaarplaats en de
bufferbewaarplaats geen kwetsbaar object aanwezig zijn of
geprojecteerd zijn,
b. dient, gemeten vanaf de
bewaarplaats in voorwaartse richting, tot een kwetsbaar object en
een geprojecteerd kwetsbaar object de volgende veiligheidsafstand in
acht te worden genomen:
|
grootte deuropening
van de bewaarplaats |
veiligheidsafstand |
|
vanaf 0 m2 tot en met 4 m2 |
20 meter |
|
vanaf 4 m2 tot en met 6 m2 |
25 meter |
|
vanaf 6 m2 tot en met 8 m2 |
30 meter |
c. dienen, gemeten vanaf de
bufferbewaarplaats in voorwaartse, zijwaartse en achterwaartse
richting, tot een kwetsbaar object en een geprojecteerd kwetsbaar
object de volgende veiligheidsafstanden in acht te worden genomen:
|
toegestane
hoeveelheid per bufferbewaarplaats |
veiligheidsafstand |
|
|
| |
voorwaarts |
zijwaarts |
achterwaarts |
|
vanaf 0 kg tot en met 500 kg |
20 meter |
20 meter |
4 meter |
|
vanaf 500 kg tot en met 1 000 kg |
25 meter |
20 meter |
5 meter |
|
vanaf 1 000 kg tot en met 2 000 kg |
33 meter |
25 meter |
6 meter |
|
vanaf 2 000 kg tot en met 3 500 kg |
42 meter |
31 meter |
8 meter |
|
vanaf 3 500 kg tot en met 5 000 kg |
48 meter |
36 meter |
9 meter |
Figuur 1: Afstanden in voorwaartse,
zijwaartse en achterwaartse richting vanuit de deuropening van een
bewaarplaats of een bufferbewaarplaats en bijbehorend vrijwaringsgebied.

|
|
|