|
REGELING van de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 december
2007, nr. SAS/2007116981, inzake meldingen, vergunningen, vrijstellingen
en toetsingscriteria met betrekking tot natuurlijke bronnen van
ioniserende straling (Regeling natuurlijke bronnen van ioniserende
straling 2008)
De Ministers van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 25, zevende lid, 101 in
samenhang met 3, tweede lid, 102, eerste lid, 105, tweede lid, 106,
tweede en derde lid, 107, vierde lid, 108, eerste lid, 109, tweede lid,
en 110, eerste en tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming;
Besluiten:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. besluit: Besluit stralingsbescherming;
b. bijlage: bij deze regeling behorende bijlage, tenzij anders is
aangegeven;
c. oppervlaktebesmetting: aanwezigheid op het oppervlak van een
object dat bestaat uit niet-radioactieve vaste stoffen, van
niet-afwrijfbare of afwrijfbare natuurlijke bronnen met een
gemiddelde massa per oppervlakte van minder dan 1 g/cm2;
d. bereikbaar oppervlak:
1°. het bereikbaar oppervlak van een object zonder nader of
destructief ingrijpen in dat object, of
2°. oppervlak van een object dat bereikbaar is indien dat
object geopend of uit elkaar genomen is voor gebruik, onderhoud
of reparatie, voor product- of materiaalgebruik of voor product-
of materiaalhergebruik;
e. eindbestemming: bestemming waarvan door de Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of de
ondernemer voorzien is dat een natuurlijke bron daar gedurende meer
dan twee jaar zal verblijven, indien voor die bron geen andere
bestemming is voorzien.
Artikel 2
De lijst van werkzaamheden waarbij mogelijk de in bijlage 1, tabel 1
en 2, bij het besluit vermelde waarden worden overschreden, wordt
bekendgemaakt door vermelding in bijlage 1.
Artikel 3
1.De activiteiten of activiteitsconcentraties van natuurlijke
bronnen worden gewogen en gesommeerd ten behoeve van de toetsing aan
de in bijlage 1, tabel 1 of 2, van het besluit vermelde waarden,
volgens de methode, aangegeven in bijlage 2, onder 1A en 1B.
2.De omgevingsdosisequivalenten, de equivalente en de effectieve
doses, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het besluit, ten gevolge
van werkzaamheden worden bepaald volgens de methode, bedoeld in
artikel 3, derde lid, onder a, van het besluit, volgens de methode
aangegeven in bijlage 2, onder 2.
3.De doses met betrekking tot werkzaamheden worden getoetst volgens
de methode, aangegeven in bijlage 2, onder 3.
Artikel 4
Werkzaamheden waarvoor een verplichting tot melding geldt
overeenkomstig artikel 103, eerste lid, van het besluit, worden verricht
met inachtneming van de in bijlage 3 opgenomen voorschriften.
Artikel 5
1.De schade ten gevolge van werkzaamheden in gevallen, waarin de
activiteitsconcentratie in combinatie met de activiteit geen juiste
indicatie geeft van de nadelige gevolgen ten gevolge van blootstelling
aan straling door de werkzaamheden, wordt bepaald en getoetst door:
a. de bepaling, onderscheidenlijk de toetsing van de
oppervlaktebesmetting van enig bereikbaar oppervlak, of
b. de bepaling, onderscheidenlijk de toetsing van de externe
straling ten gevolge van de besmetting van enig niet-bereikbaar
oppervlak.
2.In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder a, geldt met het
oog op de stralingsbescherming in afwijking van artikel 107, tweede
lid, van het besluit, het in het eerste lid van dat artikel gestelde
verbod voor werkzaamheden met natuurlijke bronnen indien de
oppervlaktebesmetting een totale bčta-activiteit heeft, die gelijk is
aan of hoger dan 4 Bq/cm2.
3.De oppervlaktebesmetting van een materiaal wordt gemeten volgens
de methode aangegeven in bijlage 4.
4.Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing in gevallen
waarin de in het derde lid bedoelde meetmethode niet kan worden
toegepast.
5.In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder b, geldt met het
oog op de stralingsbescherming dat, indien de externe straling onder
normale bedrijfsomstandigheden op 0,1 meter afstand van enig
bereikbare buitenzijde van een bron een hoger
omgevingsdosisequivalenttempo veroorzaakt dan 10 µSv per uur,
zodanige maatregelen worden genomen dat voor die werkzaamheden een
dosisbeperking van 1 mSv effectieve dosis in een kalenderjaar wordt
gehanteerd.
Artikel 6
In de gevallen waarin de effectieve doses voor leden van de bevolking
ten gevolge van water- of luchtlozingen hoger kunnen zijn dan 10 µSv in
een kalenderjaar, geldt met het oog op de stralingsbescherming, in
afwijking van artikel 108, tweede lid, van het besluit, het in het
eerste lid van dat artikel gestelde verbod.
Artikel 7
1.Het is verboden radioactieve afvalstoffen van natuurlijke
bronnen, in de gevallen bedoeld in artikel 110, tweede lid, van het
besluit als eindbestemming op te slaan anders dan in een daartoe door
de Ministers krachtens artikel 37, achtste lid, van het besluit
aangewezen instelling.
2.De opslag van radioactieve afvalstoffen van natuurlijke bronnen
als bedoeld in het eerste lid, die aan de waarden bedoeld in artikel
107, tweede lid voldoen, wordt verricht met inachtneming van de in
bijlage 3 opgenomen voorschriften.
Artikel 8
1.Het mengen van natuurlijke bronnen, niet zijnde afvalstoffen, met
andere natuurlijke bronnen of met andere stoffen is toegestaan, mits
deze bronnen zijn bestemd voor een nuttige toepassing.
2.In gevallen waarin bij het voorhanden hebben of toepassen van
natuurlijke bronnen of het product- of materiaalhergebruik daarvan in
grond-, weg- of waterbouw de activiteitsconcentratie in combinatie met
de totale activiteit van de betrokken natuurlijke bronnen hoger is dan
de in bijlage 1, tabel 1, van het besluit aangegeven waarden, worden
de bronnen, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, zodanig gemengd met
andere materialen dat de activiteitsconcentratie in de uiteindelijk
toe te passen bouwstof lager wordt dan de in bijlage 1, tabel 1, van
het besluit aangegeven waarden.
3.In gevallen, bedoeld in het tweede lid, waarbij de menging van
bronnen met andere materialen redelijkerwijs niet mogelijk is, is de
werkzaamheid niet toegestaan indien de dosis voor leden van de
bevolking hoger is dan 0,3 mSv effectieve dosis in een jaar.
Artikel 8a [Vervallen per 03-04-2010]
Artikel 9
1.Het melden van werkzaamheden, alsmede van het beëindigen
daarvan, wordt gedaan op een formulier waarvan het model is opgenomen
in bijlage 5.
2.De melding bevat, naast de gegevens, bedoeld in de artikelen 105,
eerste lid, en 106, eerste lid, van het besluit, de andere gegevens
die in het formulier zijn aangegeven.
3.Een nieuwe melding als bedoeld in artikel 105, tweede lid, van
het besluit is steeds een volledige melding en is vereist:
a. ten minste één week voordat zich een belangrijke wijziging
in de stralingsbeschermingsaspecten van de werkzaamheden ten
opzichte van de laatste melding voordoet,
b. in geval zich binnen vijf jaar na een volledige melding
andere wijzigingen in de stralingsbeschermingsaspecten van de
werkzaamheden hebben voorgedaan, of
c. in andere gevallen dan bedoeld onder a en b: tien jaar na de
laatste volledige melding.
Artikel 10
1.Een ondernemer is vrijgesteld van het melden van werkzaamheden,
in gevallen waarin een andere ondernemer deze meldt op een formulier
waarvan het model is opgenomen in bijlage 6.
2.Een ondernemer in de grond-, weg- of waterbouw is vrijgesteld van
het melden van werkzaamheden indien:
a. een andere ondernemer meldt dat de natuurlijke bron een
eindproduct in de grond-, weg-, of waterbouw is en een schatting
van de effectieve dosis, uitgedrukt in multifunctionele
individuele dosis en actuele individuele dosis, als bedoeld in de
Regeling analyse gevolgen ioniserende straling voor het milieu in
een jaar ten gevolge van eindbestemming voor leden van de
bevolking geeft, en
b. een certificaat bij de bronnen wordt meegeleverd, waarop
vermeld staat dat het radioactief materiaal betreft dat voor deze
eindbestemming gebruikt mag worden.
3.De melding bevat, naast de gegevens bedoeld in artikel 105,
eerste lid, van het besluit, de andere gegevens die in het formulier
zijn aangegeven.
4.In een geval als bedoeld in het eerste lid, deelt de ondernemer
een wijziging van de gemelde gegevens ten minste zes weken voor de
aanvang van de wijziging schriftelijk mede aan de ondernemer die de
melding gedaan heeft.
5.Artikel 9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
1.Een aanvraag om een vergunning voor werkzaamheden wordt ingediend
op een formulier, waarvan het model is opgenomen in bijlage 7.
2.De aanvraag bevat, naast de gegevens, bedoeld in artikel 109,
eerste lid, van het besluit, de andere gegevens die in het formulier
zijn aangegeven.
Artikel 12
1.Voor het aanwezig zijn van natuurlijke bronnen in werken van
grond-, weg- of waterbouw buiten een inrichting, die zijn verricht of
daadwerkelijk een aanvang hebben genomen voor 26 september 2004,
gelden de in artikel 103, eerste lid, van het besluit gestelde
verplichting, het in artikel 107, eerste lid, van het besluit gestelde
verbod en artikel 8, tweede lid, van deze regeling niet.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op stortplaatsen
van radioactieve afvalstoffen die voor 26 september 2004 zijn
ingericht.
3.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op werkzaamheden
in de grond-, weg- of waterbouw binnen een inrichting, indien:
a. de effectieve dosis voor werknemers binnen de locatie de 1
mSv in een kalenderjaar niet overschrijdt en
b. buiten de inrichting een actuele individuele dosis voor
leden van de bevolking als bedoeld in de Regeling analyse gevolgen
ioniserende straling voor het milieu van 0,1 mSv in een
kalenderjaar niet wordt overschreden.
4.Indien niet aan het derde lid wordt voldaan, wordt de situatie
aangemerkt als een situatie die leidt tot langdurige blootstelling als
gevolg van een vroegere werkzaamheid.
Artikel 13
De Regeling natuurlijke bronnen van ioniserende straling wordt
ingetrokken.
Artikel 14
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling natuurlijke bronnen van
ioniserende straling 2008.
Artikel 15
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2008.
Deze beschikking zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 10 december 2007.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J.M. Cramer .
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner.
Bijlagen
|
Nummer |
Onderwerp |
|
1 |
Lijst van geďdentificeerde
werkzaamheden |
|
2 |
Methode van sommatie en toetsing
van doses ten gevolge van werkzaamheden |
|
3 |
Voorschriften voor
meldingsplichtige werkzaamheden |
|
4 |
Meetmethode en bepaling
oppervlaktebesmetting met natuurlijke bronnen |
|
5 |
Formulier voor melding, afmelding
of wijziging werkzaamheden (artikelen 103, 104, 105 en 106 van het
besluit)
|
|
6 |
Formulier voor ketenmelding
werkzaamheden (artikelen 103, 104, 105 en 106 van het besluit)
|
|
7 |
Formulier vergunningaanvraag
werkzaamheden (artikelen 107, 108, 109 van het besluit)
|
Bijlage 1. Lijst van geďdentificeerde
werkzaamheden
Deze bijlage hoort bij artikel 2 van de
Regeling natuurlijke bronnen van ioniserende straling 2008.
|
Nr. |
Type industrie |
Nr. |
Soort werkzaamheid |
Nr. |
Natuurlijke bronnen
waarvoor meldings- of vergunningplicht of anderszins regulering
door het bevoegde gezag in het kader van de Kew van toepassing zou
kunnen zijn |
|
1 |
Thermische fosforproductie |
1.1 |
Opslag |
1.1.1 |
Stoffen die vrijkomen ten gevolge
van de productie van elementair fosfor, fosforzuur en afgeleide
producten, zoals cotrellstof, cotrellslurry en calcinaat |
| |
1.2 |
Productie |
1.2.1 |
Cotrellstof, cotrellslurry,
calcinaat |
| |
1.3 |
Decontaminatie of schoonmaken |
1.3.1 |
Besmette installatieonderdelen |
| |
1.4 |
Reparatie of onderhoud |
1.4.1 |
Besmette installatieonderdelen |
| |
|
1.5 |
Intern materiaal- |
1.5.1 |
Cotrellstof en cotrellslurry |
| |
|
|
(her)gebruik |
1.5.2 |
Ovenwandmateriaal en
ovenuitruimmateriaal |
| |
|
|
|
1.5.3 |
Stoffen die vrijkomen bij
decontaminatie, onderhouds- of schoonmaakwerkzaamheden |
| |
|
|
|
1.5.4 |
Besmette installatieonderdelen |
| |
|
1.6 |
Lozen in water of lucht |
1.6.1 |
Stoffen die vrijkomen tengevolge
van de productie van elementair fosfor, fosforzuur en afgeleide
producten |
| |
|
1.7 |
Overdracht aan derden voor
(her)gebruik of voor afval |
1.7.1 |
Fosforslakken, cotrellstof,
cotrellslurry, calcinaat en besmette installatieonderdelen |
|
2 |
Zinkproductie |
2.1 |
Opslag |
2.1.1 |
Stoffen die vrijkomen ten gevolge
van de productie van zink, zoals cobaltkoek |
| |
|
2.2 |
Overdracht aan derden voor
(her)gebruik of voor afval |
2.2.1 |
Cobaltkoek en besmette
installatieonderdelen |
|
3 |
Staalproductie |
3.1 |
Opslag |
3.1.1 |
Stoffen die vrijkomen ten gevolge
van de ertsvoorbereiding |
| |
|
|
|
3.1.2 |
Stoffen die vrijkomen bij
decontaminatie van installatieonderdelen |
| |
|
|
|
3.1.3 |
Stoffen die vrijkomen bij
cokesproductie |
| |
|
3.2 |
Intern materiaalhergebruik |
3.2.1 |
Stoffen die vrijkomen ten gevolge
van de ertsvoorbereiding |
| |
|
3.3 |
Lozen in lucht of water |
3.3.1 |
Stoffen die vrijkomen ten gevolge
van de productie van ruwijzer of cokes en ten gevolge van de
ertsvoorbereiding |
| |
|
3.4 |
Overdracht aan derden voor
(her)gebruik of voor afval |
3.4.1 |
Filterstof en besmette
installatieonderdelen |
|
4 |
Titaanoxide pigment productie |
4.1 |
Opslag |
4.1.1 |
(Afval)stoffen die vrijkomen ten
gevolge van de productie van titaanoxide pigment |
| |
4.2 |
Overdracht aan derden voor
(her)gebruik of als afval |
4.2.1 |
(Afval)stoffen die vrijkomen ten
gevolge van de productie van titaanoxide (TiO 2)pigment |
| |
4.3 |
Lozing |
4.3.1 |
Lozingen op (oppervlakte)water |
|
5 |
Elektriciteitsproductie |
5.1 |
Opslag |
5.1.1 |
Besmette installatieonderdelen |
| |
|
|
5.1.2 |
Stoffen die vrijkomen bij
decontaminatie, onderhouds- of schoonmaakwerkzaamheden |
| |
5.2 |
Decontaminatie of schoonmaken |
5.2.1 |
Besmette installatieonderdelen |
| |
|
5.3 |
Reparatie of onderhoud |
5.3.1 |
Besmette installatieonderdelen |
| |
|
5.4 |
Lozen in lucht |
5.4.1 |
Stoffen die vrijkomen ten gevolge
van de productie van elektriciteit, zoals olie-, gas- of
kolenstook |
|
6 |
Olie- of gaswinning |
6.1 |
Opslag |
6.1.1 |
Besmette installatieonderdelen |
| |
|
|
6.1.2 |
Slib en scales en andere producten
die vrijkomen bij normale productie, decontaminatie, onderhouds-
of schoonmaakwerkzaamheden |
| |
6.2 |
Decontaminatie of schoonmaken |
6.2.1 |
Met scales of slib besmette
installatieonderdelen |
| |
|
6.3 |
Reparatie of onderhoud, slopen van
installaties |
6.3.1 |
Met scales of slib besmette
installatieonderdelen |
| |
|
6.4 |
Product(her)gebruik |
6.4.1 |
Besmette installatieonderdelen |
| |
|
6.5 |
Lozen in lucht of water |
6.5.1 |
Stoffen die vrijkomen ten gevolge
van de productie van olie of gas |
| |
|
|
|
|
| |
|
6.6 |
Overdracht aan derden |
6.6.1 |
Besmette installatieonderdelen |
| |
|
|
|
6.6.2 |
Slib en scales en andere producten
die vrijkomen bij normale productie, decontaminatie, onderhouds-
of schoonmaakwerkzaamheden |
|
7 |
Bewerking van minerale delfstoffen,
zanden en secundaire (grond)stoffen |
7.1 |
Malen, breken en micromiseren |
7.1.1 |
Zirkoonzanden, bauxiet, tantaliet,
columbiet, coltan, struversiet, ilmeniet, scheelite, baddeleyte,
monaziet, rutiel, fosforslakken en spodumeen |
| |
|
|
|
| |
7.2 |
Opslag |
7.2.1 |
Besmette installatieonderdelen |
| |
|
|
|
| |
|
|
|
7.2.2 |
Slib en scales en andere producten
die vrijkomen bij normale productie, decontaminatie, onderhouds-
of schoonmaakwerkzaamheden |
| |
|
7.3 |
Overdracht aan derden |
7.3.1 |
als 7.2.1 |
| |
|
|
|
7.3.2 |
als 7.2.2 |
|
8 |
Glasindustrie |
8.1 |
Toepassing Zirkoon Alumina Casting
(ZAC) als vuurvast materiaal in glasovens |
8.1.1 |
ZAC-stenen |
| |
|
8.2 |
Vervanging ZAC-stenen |
8.2.1 |
Afval-ZAC-stenen |
|
9 |
Fijn keramiek |
9.1 |
Opslag |
9.1.1 |
Zirkoonzanden |
| |
|
9.2 |
Mengen |
9.2.1 |
Zirkoonzanden |
|
10 |
Gieterijen |
10.1 |
Mengen |
10.1.1 |
Zirkoonzanden |
| |
|
10.2 |
Vormen |
10.2.1 |
Zirkoonzanden |
| |
|
10.3 |
Materiaal(her)gebruik |
10.3.1 |
Gevormde zirkoonzanden |
| |
|
10.4 |
Opslag |
10.4.1 |
Zirkoonzanden |
| |
|
|
|
10.4.2 |
Zirkoonzanden die niet meer
hergebruikt kunnen worden |
| |
|
10.5 |
Overdracht aan |
10.5.1 |
Zirkoonzanden |
| |
|
|
derden |
10.5.2 |
Zirkoonzanden die niet meer
hergebruikt kunnen worden |
|
11 |
(Metaal)oppervlaktebehandeling |
11.1 |
Plasma coaten en plasma spuiten |
11.1.1 |
Zirkoonoxide of yttriumoxide |
| |
|
11.2 |
Polijsten |
11.2.1 |
Ceriumoxide |
| |
|
11.3 |
Gebruik van straal- en
polijstmiddelen op basis van zirkoonverbindingen |
11.3.1 |
Slijpschijven en andere
instrumenten op basis van zirkoonverbindingen |
| |
|
11.4 |
Overdracht aan derden |
11.4.1 |
Afval van coatings en gebruikt
straal- en polijstmiddel |
|
12 |
Productie van laselektroden en
lasdraden |
12.1 |
Opslag en productie |
12.1.1 |
Zirkoonoxide, thoriumhoudend
wolfraam en zirkoonzanden |
| |
|
|
12.1.2 |
De grondstoffen rutielerts en
ilmeniet |
|
13 |
Las- en loodgieters bedrijven |
13.1 |
Opslag laselektroden en lasdraden |
13.1.1 |
Zirkoonhoudend stoffen |
| |
13.2 |
Aanslijpen |
13.2.1 |
Zirkoonhoudende stoffen |
| |
|
13.3 |
Wiglassen |
13.3.1 |
Thoriumhoudende stoffen |
|
14 |
Grond- Weg- en Waterbouw (GWW) |
14.1 |
Opslag van bouwstoffen |
14.1.1 |
Fosforslak |
| |
14.2 |
Materiaal(her)gebruik als
bouwstoffen |
14.2.1 |
Fosforslak |
|
15 |
Chemische industrie |
15.1 |
Opslag |
15.1.1 |
Chlorides van zeldzame aarden en
zirkoon |
| |
15.2 |
Bereiding Fluid Cracking Catalyst (FCC) |
15.2.1 |
Chlorides van zeldzame aarden en
zirkoon |
| |
15.3 |
Decontaminatie of schoonmaken |
15.3.1 |
Besmette installatieonderdelen (met
radiumscales) |
| |
|
15.4 |
Reparatie of onderhoud |
15.4.1 |
Besmette installatieonderdelen (met
radiumscales) |
| |
|
15.5 |
Overdracht aan derden voor
(her)gebruik of voor afval |
15.5.1 |
Besmette installatieonderdelen (met
radiumscales) |
|
16 |
Kunstmestproductie |
16.1 |
Opslag |
16.1.1 |
Stoffen die vrijkomen ten gevolge
van de productie van kunstmest |
| |
|
|
16.1.2 |
Slib dat vrijkomt bij
decontaminatie |
| |
|
16.2 |
Decontaminatie of schoonmaken |
16.2.1 |
Besmette installatieonderdelen |
| |
|
16.3 |
Reparatie of onderhoud |
16.3.1 |
Besmette installatieonderdelen |
| |
|
16.4 |
Overdracht aan derden voor
(her)gebruik of als afval |
16.4.1 |
Besmette installatieonderdelen |
|
17 |
Sloopbedrijven |
17.1 |
Opslag |
17.1.1 |
Slakkenwol |
| |
|
17.2 |
Slopen van installaties |
17.2.1 |
Slakkenwol |
| |
|
17.3 |
Overdracht aan derden voor
(her)gebruik of als afval |
17.3.1 |
Slakkenwol die vrijkomt bij sloop |
|
18 |
Opslag van afval |
18.1 |
Verwerking |
18.1.1 |
Te verwerken radioactief afval |
| |
18.2 |
Opslaan |
18.2.1 |
Radioactief afval dat in deponie
gebracht wordt |
| |
18.3 |
Deponie |
18.3.1 |
Radioactief afval dat zich in
deponie bevindt |
|
19 |
Veembedrijven |
19.1 |
Opslag |
19.1.1 |
Delfstoffen en restanten daarvan |
| |
|
|
19.1.2 |
Tantaalslakken |
| |
|
|
|
19.1.3 |
Zirkoonzanden, bauxiet, tantaliet,
columbiet, coltan, struveriet, ilmeniet, scheelite, baddeleyte, |
| |
|
|
|
19.1.4 |
monaziet, rutiel, fosforslakken en
spodumeen |
| |
|
|
|
19.1.5 |
Besmette installatieonderdelen
Slib en scales en andere producten
die vrijkomen bij normale productie, decontaminatie, onderhouds-
of schoonmaakwerkzaamheden |
|
20 |
Gastransport |
20.1 |
Opslag |
20.1.1 |
Besmette installatieonderdelen |
| |
|
|
20.1.2 |
Slib en scales die vrijkomen bij
normale productie, decontaminatie, onderhouds- of
schoonmaakwerkzaamheden |
| |
|
20.2 |
Decontaminatie of schoonmaken |
20.2.1 |
Met scales of slib besmette
installatieonderdelen |
| |
|
20.3 |
Reparatie of onderhoud, slopen van
installaties |
20.3.1 |
Met scales of slib besmette
installatieonderdelen |
| |
|
20.4 |
Product(her)gebruik |
20.4.1 |
Besmette installatieonderdelen |
|
21 |
Onderzoeks-instituten |
21.1 |
Kwalitetsonderzoek |
21.1.1 |
Proefmaterialen
Delfstoffen (ertsen en
ertsconcentraties), slakken etc. die niet bestemd zijn voor de
splijtstofcyclus |
| |
21.2 |
Opslag |
21.2.1 |
Materiaal dat vrijkomt bij
proefnemingen waarbij verrijking kan optreden |
|
22 |
Transportbedrijven van natuurlijke
materialen |
22.1 |
Opslag in verband met vervoer |
22.1.1 |
Stoffen die betrokken zijn bij alle
hiervoor genoemde werkzaamheden |
| |
22.2 |
Laden en lossen op locatie |
22.2.1 |
Stoffen die betrokken zijn bij alle
hiervoor genoemde werkzaamheden |
| |
22.3 |
Daadwerkelijk transport |
22.3.1 |
Transportstoffen waarvan de
activiteit (Bq-totaal) hoger is dan 10 maal de
vrijstellingswaarden en de activiteitsconcentratie (Bq/g) hoger is
dan de vrijstellingswaarden in bijlage 1, tabel 1 van het besluit |
|
23 |
Schroothandel en schrootverwerkende
bedrijven die onder het Besluit detectie radioactief schroot
vallen |
23.1 |
Verwerking schroot |
23.1.1 |
Gecontamineerd schroot |
| |
23.2 |
Zich ontdoen van schroot |
23.2.1 |
Gecontamineerd schroot |
| |
23.3 |
Opslag van schroot |
23.3.1 |
Gecontamineerd schroot |
|
24 |
Industriële reinigings- of
schoonmaakbedrijven |
24.1 |
Schoonmaken van besmette
materialen, apparaten etc. |
24.1.1 |
Gecontamineerde apparatuur,
onderdelen en andere materialen |
Bijlage 2. Methode van sommatie en
toetsing van doses ten gevolge van werkzaamheden
Deze bijlage hoort bij artikel 3 van de
Regeling natuurlijke bronnen van ioniserende straling 2008.
1A Gewogen sommatie van activiteiten en
activiteitsconcentraties van natuurlijke bronnen bij radionuclide
vervalketens ten behoeve van toetsing aan meldings- of vergunningplicht
Natuurlijke materialen zullen vaak
radionucliden uit dezelfde vervalketen (moeder- en dochternucliden) M+
of Msec (verder aan te geven met M+) bevatten. In dat geval zijn er drie
situaties mogelijk:
a. de activiteit van de
dochternucliden is gelijk aan de activiteit van het moedernuclide M
b. er zijn meer dochternucliden
aanwezig dan volgens de vervalketen verwacht kan worden of
c. er zijn minder dochternucliden
aanwezig dan volgens de vervalketen verwacht kan worden.
Voor de sommatie en weging van de
activiteiten of activiteitsconcentraties ten behoeve van de toetsing aan
de vrijstellings- of vrijgavewaarden in bijlage 1, tabel 1 en 2, van het
besluit, wordt in elk van deze situaties de daarbij aangegeven methode
toegepast.
a. de activiteit van de dochternucliden
is gelijk aan de activiteit van het moedernuclide M
De vrijstellings- of vrijgavewaarde van
de vervalketen M+ (het moedernuclide inclusief de dochternucliden) wordt
genomen. De dochternucliden worden verder niet beschouwd, maar worden
(indirect) bij de sommatie meegenomen.
b.1. er zijn meer dochternucliden
aanwezig dan volgens de vervalketen verwacht kan worden
Er moet een keuze gemaakt worden uit de
volgende drie methoden:
i. aangenomen wordt dat er een
(seculair) evenwicht is tussen het moedernuclide en een deel van de
dochternucliden en dat er nog wat dochters resteren. Deze laatste
concentraties worden gewogen met de vrijgavewaarden die voor de
dochters zijn gegeven en gesommeerd met de uitkomst van de weging
van het evenwicht.
ii. aangenomen wordt dat het
moedernuclide in (seculair) evenwicht is met de dochternucliden en
het moedernuclide de activiteit of activiteitsconcentratie heeft van
het dochternuclide met de hoogste activiteit respectievelijk
activiteitsconcentratie.
iii. Vervolgens zijn de vrijstellings-
of vrijgavewaarden voor M+ van toepassing.
iv. alle radionucliden uit de
vervalketen worden apart beschouwd en derhalve alle meegenomen bij
de (gewogen) sommatie waarbij gebruik wordt gemaakt van hun
respectievelijke vrijstellings- of vrijgavewaarden.
b.2. de dochternucliden zijn aanwezig,
maar het moedernuclide is in het proces geëlimineerd (verbijzondering
van punt b)
Er moet een keuze gemaakt worden uit de
volgende twee methoden:
i. aangenomen wordt dat het
moedernuclide aanwezig is en in (seculair) evenwicht is met de
dochternucliden en het moedernuclide de activiteit of
activiteitsconcentratie heeft van het dochternuclide met de hoogste
activiteit of activiteitsconcentratie. Vervolgens is de
vrijstellings- of vrijgavewaarde voor M+ van toepassing;
ii. alle daadwerkelijk aanwezige
radionucliden uit de vervalketen worden apart beschouwd en derhalve
alle meegenomen bij de (gewogen) sommatie waarbij gebruik wordt
gemaakt van hun respectievelijke vrijstellings- of vrijgavewaarden.
c. er zijn minder dochternucliden
aanwezig zijn dan volgens de vervalketen verwacht kan worden
Er moet een keuze gemaakt worden uit de
volgende drie methoden:
i. de activiteit of
activiteitsconcentratie wordt overschat door aan te nemen dat de
dochternucliden in (seculair) evenwicht zijn met het moedernuclide.
Vervolgens wordt de activiteit respectievelijk
activiteitsconcentratie van het moedernuclide genomen en zijn de
vrijstellings- of vrijgavewaarden voor de gehele vervalketen M+ van
toepassing;
ii. voor de activiteiten of
activiteitsconcentraties van de dochternucliden inclusief het
moedernuclide dat daarmee in (seculair) evenwicht is, wordt voor de
gehele desbetreffende vervalketen M+ een activiteit of
activiteitsconcentratie verondersteld gelijk te zijn aan de laagste
activiteit respectievelijk activiteitsconcentratie van (een van) de
dochternucliden. De keten wordt vervolgens gewogen gesommeerd met
het resterend deel van de activiteit respectievelijk
activiteitsconcentratie van het moedernuclide en eventueel van een
van de dochters die hoger zijn dan in (seculair) evenwicht;
iii. alle nucliden van de vervalketen
worden apart beschouwd en alle meegenomen bij de (gewogen) sommatie
waarbij gebruik wordt gemaakt van hun vrijstellings- of
vrijgavewaarden.
1B Radionucliden die bij de meting en
sommatie van activiteiten of activiteitsconcentraties van natuurlijke
bronnen niet beschouwd worden
Ten behoeve van toetsingen als bedoeld
onder 1A van deze bijlage, worden de activiteiten en
activiteitsconcentraties van de hieronder onder a tot en met d vermelde
(natuurlijke) radionucliden niet bij de sommatie meegenomen en worden
daarom ten behoeve van deze toetsing niet bepaald.
a. bij niet-lozingen
i. de radionucliden die niet in de
bijlage 1, tabel 1, van het besluit zijn opgenomen;
ii. het radionuclide K-40, in
bouwmaterialen in de grond-, weg- of waterbouw,
iii. U-235sec en dochters voor zover de
natuurlijke bronnen niet afkomstig zijn van of gevormd zijn in
processen waarbij een verrijking van de radionucliden uit de U-235
vervalketen kan plaatsvinden;
iv. Th-234;
v. radionucliden met een halveringstijd
van minder dan 10 dagen, tenzij deel uitmakend van een
moeder-dochterketen in evenwicht (M+).
b. bij lozingen in lucht of water
de radionucliden die niet in bijlage 1,
tabel 2, van het besluit zijn opgenomen.
c. bij lozingen in water
i. Th-234;
ii. Ra-223;
iii. Ra-224;
iv. alle nucliden uit de U-235
vervalketen.
d. daarnaast
i. hoeft U-234 niet bepaald te worden
als de hoeveelheid activiteit of activiteitsconcentratie bij de
gewogen sommatie gelijk gesteld wordt aan die van U-238sec en
ii. Th-230 niet bepaald te worden als
de hoeveelheid activiteit of activiteitsconcentratie bij de gewogen
sommatie gelijk gesteld wordt aan die van U-238sec, tenzij er
redelijkerwijs verwacht kan worden dat de Th-230
activiteit/activiteitsconcentratie duidelijk hoger is dan de U-238
activiteit/activiteitsconcentratie.
2. Methode voor de bepaling van doses ten
gevolge van natuurlijke bronnen bij lozingen en niet-lozingen
Bij de bepaling van de dosis ten gevolge
van ingestie, inhalatie of externe straling worden in principe alle
aanwezige radionucliden (en hun dosiscoëfficiënten) meegenomen.
Echter, deze bepaling kan ook met behulp van zogenoemde key- of
triggerradionucliden uitgevoerd worden.
Voor leden van de bevolking kunnen de
doses in eerste instantie conservatief doch realistisch worden geschat.
Met betrekking tot de externe
stralingsdosis kan, naarmate de afstand tussen de bron en de
locatiegrens groter is, een grovere, doch realistisch conservatieve,
schatting plaatsvinden. Indien de externe stralingsdosis met deze grove
schatting uitkomt op minder dan 10 µSv omgevingsdosisequivalent
[H*(10)] in een kalenderjaar is een nadere berekening niet nodig. Deze
10 µSv is het secundaire niveau voor externe straling (SN-ext). De
H*(10) is weliswaar niet geheel gelijk aan de effectieve dosis [E ] ten
gevolge van 24 uur verblijf, maar kan hieraan gelijk geacht worden.
Opgegeven kan worden: E < 10 µSv in een kalenderjaar of E <<
10 µSv in een kalenderjaar. Uiteraard kan indien voorhanden en gewenst
ook een meer precieze uitkomst opgegeven worden.
Indien een grove, doch realistisch
conservatieve, schatting van de inhalatie- of ingestiedosis uitkomt op E
< 1 µSv in een kalenderjaar (SN-inh/ing), is nadere precisering
daarvan ook niet nodig.
Indien de uitkomsten van de hierboven
bedoelde grove schattingen hoger zijn dan de hiervoor vermelde waarden,
worden de doses meer precies berekend; zie daarvoor onder 3 van deze
bijlage.
3. Methode berekening van doses ten
gevolge van werkzaamheden ter toetsing aan de doses genoemd in het
besluit
In de gevallen waarin de uitkomsten van
de dosisschattingen bedoeld onder 2 hoger zijn dan 1 µSv E en 10 µSv
H*(10) voor ingestie- of inhalatiedosis respectievelijk externe
stralingsdosis, worden deze doses berekend volgens de methode beschreven
in de rapporten Dosisberekening in de Omgeving bij Vergunningverlening
Ioniserende Straling: DOVIS, deel A, Lozingen in lucht en water
respectievelijk DOVIS, deel B, externe straling.2[1]
Bijlage 3. Voorschriften voor
meldingsplichtige werkzaamheden
Deze bijlage hoort bij de artikelen 4 en
7, tweede lid, van de Regeling natuurlijke bronnen van ioniserende
straling 2008.
1. Voorschriften met betrekking tot
de deskundigheid
a. De ondernemer zorgt ervoor dat
de werkzaamheden plaatsvinden door een deskundige als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, van het besluit, die ten minste het
diploma ioniserende straling niveau 3 of een gelijkwaardig
diploma heeft behaald.
b In afwijking van onderdeel a
mogen de werkzaamheden onder toezicht en na instructie van in de
dat onderdeel bedoelde deskundige door daartoe aangewezen
anderen uitgevoerd worden, waarbij ten minste een deskundige
aanwezig moet zijn die het diploma ioniserende straling niveau
5B of een gelijkwaardig diploma heeft behaald.
c. De aanwezigheid van de in
onderdeel b bedoelde deskundige is niet noodzakelijk, indien er
aantoonbaar afdoende toezicht en voorafgaande schriftelijke
instructie is.
d. De onder a en b bedoelde
deskundigen moeten voorafgaande aan de werkzaamheden en daarna
ten minste eenmaal per jaar en tevens bij belangrijke
wijzigingen de situatie ter plekke beoordelen.
e, De onder a bedoelde deskundige
moet door de ondernemer schriftelijk zijn aangewezen als
verantwoordelijk deskundige. Hij moet altijd beschikbaar zijn.
f. De onderdelen a tot en met e
zijn alleen van toepassing wanneer de op de locatie aanwezige
massa meldingsplichtig materiaal op enig moment meer bedraagt
dan 1 ton.
2. Voorschriften met betrekking tot
de registratie
a. Van een werkzaamheid wordt in
een register een massabalans van de betrokken radioactieve
stoffen of afvalstoffen bijgehouden.
b. In een register wordt
gespecificeerd opgenomen wat de activiteiten en
activiteitsconcentraties zijn van de betrokken radioactieve
stoffen of afvalstoffen.
c. In een register wordt
gespecificeerd aangegeven waar die radioactieve stoffen of
afvalstoffen zich binnen de inrichting bevinden.
d. De onder a, b en c bedoelde
registers zijn aanwezig op de locatie of nabij de plaats waar de
werkzaamheden plaatsvinden of zijn anderszins direct
beschikbaar.
Bijlage 4. Meetmethode en bepaling
oppervlaktebesmetting met natuurlijke bronnen
Deze bijlage hoort bij artikel 5, derde
lid, van de Regeling natuurlijke bronnen van ioniserende straling 2008 .
Voorschriften voor de meetmethode
a. de meetmethode moet voldoen aan de
daarvoor geldende beste beschikbare technieken;
b. het criterium van 4 Bq/cm2 is van
toepassing op het gemiddelde over een oppervlak van 300 cm2;
indien het bereikbare oppervlak kleiner
is dan 300 cm2 , moet de uitkomst worden verrekend naar het gemiddelde
over 300 cm2;
c. in afwijking van onderdeel b, is in
het geval van een meer dan half-buisvormig object met een diameter van
minder dan 15 cm voor de binnenzijde daarvan het criterium van
toepassing op het gemiddelde over een oppervlak van 1000 cm2;
indien het bereikbare oppervlak van de
binnenzijde van een meer dan halfbuisvormig object met een diameter
van minder dan 15 cm kleiner is dan 1000 cm2 , moet de uitkomst worden
verrekend naar het gemiddelde over 1000 cm2;
d. de besmetting wordt bepaald met een
meetinstrument dat geschikt is voor de meting van bčtastraling met
een Eβmax van 150 keV of hoger;
e. tevoren moet worden vastgesteld dat
de meetresultaten niet beďnvloed worden door een magnetisch veld,
veroorzaakt door het te meten object of andere objecten in de omgeving
daarvan;
f. de gevoeligheid van het
meetinstrument moet, rekening houdend met het achtergrondtempo,
zodanig zijn
– dat – bij één meting – de
detectiegrens voor bčta-activiteit niet hoger is dan 0,5 Bq/cm2,
of
– dat – bij meer metingen –
in ieder geval wordt voldaan aan tenminste één van de twee
volgende eisen: de spreiding in de meetwaarden is niet groter dan
10% van de gemiddelde meetwaarde of de spreiding is niet groter
dan 1 Bq/cm2;
g. het meetinstrument moet worden
gekalibreerd voor de relevante zelfabsorptie; voor lagen tot 4 Bq/cm2
kan bij min of meer constante samenstelling van de besmetting van een
vaste defaultwaarde voor de zelfabsorptie uitgegaan worden; deze
defaultwaarde dient dan eenmaal per jaar bepaald te worden;
h. de meetmethode moet zijn aangepast
aan de specifieke situaties ten aanzien van de toegepaste kalibratie.
Bijlage 5. Formulier voor melding,
afmelding of wijziging werkzaamheden (artikelen 103, 104, 105 en 106 van
het besluit)
Deze bijlage hoort bij artikel 9, eerste
lid, van de Regeling natuurlijke bronnen van ioniserende straling 2008.
[Illustraties verwijderd]
Bijlage 6. Formulier voor ketenmelding
werkzaamheden (artikelen 103, 104, 105 en 106 van het besluit)
Deze bijlage hoort bij artikel 10, eerste
lid, van de Regeling natuurlijke bronnen van ioniserende straling 2008.
[Illustraties verwijderd]
Bijlage 7. Formulier vergunningaanvraag
werkzaamheden (artikelen 107, 108, 109 van het besluit)
Deze bijlage hoort bij artikel 11 van de
Regeling natuurlijke bronnen van ioniserende straling 2008.
[Illustraties verwijderd]
|