| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet personenvervoer
2000 (Wp 2000)
BESLUIT
PERSONENVERVOER 2000 (Bp 2000)
Tekst zoals deze geldt op
25 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
BESLUIT van 14 december 2000, houdende vaststelling van een algemene
maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet personenvervoer 2000 (Besluit
personenvervoer 2000)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat van
10 juli 2000, Centrale Directie Juridische Zaken, nr. CDJZ/WVW/2000-767;
Gelet op de artikelen 2, 3, 8, 9, 14, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 35, 44,
46, 49, 70, 74, 82, 83, 86, 99, 102 en 104 van de Wet personenvervoer
2000, de Wegenverkeerswet 1994, artikel 5:12, tweede lid, van de
Arbeidstijdenwet, artikel 22 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen, artikel VI, tweede lid, van de Wet van 26 februari
1996 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en andere
wetten in verband met de opheffing van de functie van verkeersschout (Stb.
1996, 155), artikel 12 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 5,
vierde lid, en 15, derde lid, van de Wet goederenvervoer over de weg, de
artikelen 8 en 9 van de Wet Infrastructuurfonds, de artikelen 27 en 32
van de Spoorwegwet, artikel 74c van het Wetboek van Strafrecht, artikel
16 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992,
artikel 72, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994,
en de Vreemdelingenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 18 september 2000,
nr. W09.00.0283/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat,
van 7 december 2000, Centrale Directie Juridische Zaken, nr. CDJZ/WVW/2000-41452;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
§ 1. Definities
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. EER: Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte,
b. richtlijn nr. 2004/18/EG:
richtlijn nr. 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van
de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken,
leveringen en diensten (PbEU L 134),
c. richtlijn nr. 96/26/EG: richtlijn
nr. 96/26/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 1996
inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-,
respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en
internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's,
certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de
uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde
ondernemers (PbEG L 124),
d. wet: Wet personenvervoer 2000,
e. lidstaat: lidstaat van de Europese
Unie,
f. passagiersschip: schip als bedoeld
in de in artikel 1 van het Binnenvaartbesluit opgenomen definitie
van passagiersschip,
g. elektronisch vervoerbewijs:
vervoerbewijs waarmee de reiziger zich na elektronische registratie
toegang kan verschaffen tot het openbaar vervoer;
h. boordcomputerkaart: geheugenkaart
met chip voor gebruik in de boordcomputer waarmee de boordcomputer
de identiteit van de kaarthouder kan vaststellen;
i. chauffeurskaart: aan een
bestuurder afgegeven boordcomputerkaart waarmee de boordcomputer de
identiteit van de desbetreffende bestuurder kan vaststellen en
waarop gegevens kunnen worden opgeslagen;
j. keuringskaart: aan een erkende
werkplaats afgegeven boordcomputerkaart die de desbetreffende
werkplaats identificeert en waarmee gegevens kunnen worden
overgebracht;
k. ondernemerskaart: aan een
vervoerder afgegeven boordcomputerkaart die de desbetreffende
vervoerder identificeert en waarmee de voor deze in de boordcomputer
opgeslagen gegevens zichtbaar kunnen worden gemaakt en overgebracht
kunnen worden;
l. veerboot: schip als bedoeld in de
in artikel 1 van het Binnenvaartbesluit opgenomen definitie van
veerboot,
m. Verordening (EG) 1370/2007:
Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad
van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per
spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr
1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PbEU
L 315).
§ 2. Werkingssfeer
Artikel 2
De wet is niet van toepassing op:
a. militair vervoer met
vervoermiddelen voorzien van een militair kenteken, op vervoer met
door een militaire autoriteit gevorderde vervoermiddelen en op door
een militaire autoriteit gevorderd vervoer,
b. vervoer met daarvoor bestemde
vervoermiddelen, van ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor
de uitvoering van de politietaak, in de uitoefening van hun functie
en van personen onder strafrechtelijke geleide van politie of
justitie,
c. vervoer met daarvoor bestemde
vervoermiddelen ten behoeve van de brandweerzorg en ten behoeve van
door Onze Minister aan te wijzen diensten voor de ongevallen- en
rampenbestrijding,
d. overig vervoer voor de uitoefening
van de openbare dienst in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet
met daarvoor bestemde vervoermiddelen,
e. vervoer van zieken of slachtoffers
van een ongeval en hun begeleiders met ambulance-auto's in de zin
van de Wet ambulancevervoer,
f. vervoer met auto's of bussen voor
de uitvoering van trouwerijen of uitvaarten met inbegrip van het
afhalen en terugbrengen van de deelnemers,
g. vervoer met vervoermiddelen die in
gebruik zijn als onderdeel van een historische verzameling, voor
zover het niet commercieel van aard is dan wel een geringe weerslag
heeft op de vervoersmarkt,
h. vervoer met vervoermiddelen die
deelnemen aan een optocht die in overeenstemming met een
gemeentelijke verordening wordt gehouden,
i. vervoer met vervoermiddelen ten
tijde dat zij worden gebruikt voor het geven van onderricht en het
afnemen van proeven in praktische rijvaardigheid onder toezicht,
mits zich niet meer dan vijf personen in het vervoermiddel bevinden,
j. vervoer met takelwagens en
getakelde vervoermiddelen,
k. vervoer met vervoermiddelen die
worden verplaatst ten behoeve van stalling, onderhoud en reparatie
dan wel bij wijze van een korte proefrit,
l. vervoer met auto's, voor eigen
rekening en risico verricht door ondernemingen ten behoeve van hun
werknemers, onderwijsinstellingen ten behoeve van hun leerlingen,
kindercentra ten behoeve van kinderopvang als bedoeld in artikel
1.1. van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen,
tehuizen ten behoeve van hun vaste bewoners, alsmede
verpleeginrichtingen, psychiatrische instellingen, medische
verzorgingstehuizen, medische dagverblijven of soortgelijke
instellingen ten behoeve van hun patiėnten,
m. vervoer met een combinatie van een
bedrijfsauto, landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met
beperkte snelheid als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling
voertuigen, met een aanhangwagen als bedoeld in artikel 1.1 van de
Regeling voertuigen,
n. vervoer met autos, voor eigen
rekening en risico verricht door buitensportondernemingen die
uitsluitend omzet genereren uit het organiseren van
buitensportactiviteiten, mits het vervoer onlosmakelijk is verbonden
aan de buitensportactiviteiten en daarvoor geen aparte betaling
plaatsvindt,
o. vervoer, verricht door bestuurders
die chauffeursdiensten in een auto leveren aan consumenten die zelf
in het bezit zijn van die auto,
p. vervoer van personen met een
handicap in autos, ten behoeve van een meerdaagse vakantiereis
die aan de specifieke behoeften van deze personen is aangepast.
Artikel 3
1. Onder de kosten van de auto, bedoeld
in artikel 2, derde lid, van de wet, worden verstaan de kosten van
afschrijving, verzekering, motorrijtuigenbelasting en brandstof,
alsmede onderhouds- en reparatiekosten.
2. Als bijkomende kosten als bedoeld in
artikel 2, derde lid, van de wet, worden aangemerkt
onkostenvergoedingen voor vrijwilligers tot een bij ministeriėle
regeling vast te stellen bedrag.
Artikel 4
1. De artikelen 4, eerste lid, 9, 12,
13 en 14, eerste lid, van de wet en de artikelen 21 tot en met 30 van
dit besluit zijn niet van toepassing op besloten busvervoer dat wordt
verricht als nevenactiviteit ten behoeve van een hoofdactiviteit die
niet bestaat uit het vervoer van personen dan wel dat niet commercieel
van aard is, en dat een geringe weerslag heeft op de vervoersmarkt.
2. Onder besloten busvervoer als
bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval begrepen busvervoer dat
voor eigen rekening en risico wordt verricht:
a. door ondernemingen ten behoeve
van hun werknemers, onderwijsinstellingen ten behoeve van hun
leerlingen, tehuizen ten behoeve van hun vaste bewoners, alsmede
verpleeginrichtingen, psychiatrische instellingen, medische
verzorgingstehuizen, medische dagverblijven of soortgelijke
instellingen ten behoeve van hun patiėnten,
b. ten behoeve van particuliere
doeleinden.
Artikel 4a
Artikel 32, tweede lid, onderdelen i, j
en k, van de wet is niet van toepassing op openbaar vervoer anders dan
per trein.
Artikel 5
De artikelen 41 tot en met 43, 45, eerste
lid, onderdeel a, 46 en 50 zijn niet van toepassing op openbaar vervoer
per trein.
Artikel 6
1. De artikelen 14, 70 tot en met 74,
76 tot en met 79, 87, 88, eerste lid, 89 tot en met 93, 97 tot en met
99, 101, 103, 105 en 106 van de wet en de artikelen 12 tot en met 23,
26, 28 tot en met 30, tweede en vierde lid, hoofdstuk 4 met
uitzondering van de artikelen 41, 42, 43 en 50, hoofdstuk 6, met
uitzondering van de artikelen 73, 74en 78, 118, 120, 121, 124 en126
van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing op voor een ieder
openstaand personenvervoer per auto dat niet volgens een
dienstregeling wordt verricht:
a. krachtens een door een
bestuursorgaan als bedoeld in artikel 20 van de wet, met een
vervoerder gesloten overeenkomst, welke tot stand is gekomen na
een aanbestedingsprocedure krachtens de Raamwet EEG-voorschriften
aanbestedingen voor het plaatsen van opdrachten voor
dienstverlening,
b. op afroep van reizigers,
voorzover dat vervoer binnen een door de vervoerder bepaalde tijd
vooraf bij hem is besteld en
c. in de plaats van een opgeheven
of in aanvulling op een bestaande openbaar vervoervoorziening.
2. De artikelen 27, 28, 31, 32 en 44
van de wet en de artikelen 31 tot en met 34 van dit besluit zijn van
overeenkomstige toepassing op vervoer als bedoeld in het eerste lid,
met dien verstande dat wordt gelezen voor:
a. concessie: in artikel 6, eerste
lid, van het besluit bedoelde overeenkomst;
b. concessiehouder: vervoerder;
c. aan de concessie te verbinden
voorschriften: in de overeenkomst te regelen onderwerpen;
d. concessiegebied: gebied waarvoor
de overeenkomst is gesloten;
e. dienstregeling: dienstkenmerken,
zijnde het gebied waarbinnen en de tijdstippen waartussen vervoer
wordt verricht, de vooraanmeldingstijd en de ophaal- of
aankomstmarge.
3. Het vervoer, bedoeld in het eerste
lid, is vervoer als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet dat
door een gemeentelijk vervoerbedrijf mag worden verricht.
Artikel 7
1. De artikelen 12, 13, 14, 70 tot en
met 74, 87, 88, eerste lid, 89 tot en met 93, 97, 98, 101, 102, 105 en
106 van de wet, en de artikelen 10 en 11, hoofdstuk 4 met uitzondering
van de artikelen 41, 42, 43 en 50, van dit besluit zijn van
overeenkomstige toepassing op voor een ieder openstaand
personenvervoer volgens een dienstregeling per passagiersschip dat
wordt verricht:
a. krachtens een door een
bestuursorgaan als bedoeld in artikel 20 van de wet met een
vervoerder gesloten overeenkomst voor ten hoogste zes jaar of voor
een langere duur, voor zover Onze Minister met die duur heeft
ingestemd op grond van aanzienlijke investeringen door de
vervoerder in voor het te verrichten vervoer noodzakelijke
materieel, en
b. waarbij de overeenkomst tot
stand is gekomen na een procedure van aanbesteding voor het
plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening krachtens de
Raamwet EEG-voorschriften aanbestedingen voor het plaatsen van
opdrachten voor dienstverlening.
2. De artikelen 27, 28, 31, 32 en 44
van de wet en de artikelen 31 tot en met 34 van dit besluit zijn van
overeenkomstige toepassing op vervoer als bedoeld in het eerste lid,
met dien verstande dat wordt gelezen voor:
a. concessie: in artikel 7, eerste
lid, van het besluit bedoelde overeenkomst;
b. concessiehouder: vervoerder;
c. aan de concessie te verbinden
voorschriften: in de overeenkomst te regelen onderwerpen;
d. concessiegebied: gebied waarvoor
de overeenkomst is gesloten.
3. Dit artikel is niet van toepassing
op vervoer dat wordt verricht met passagiersschepen:
a. met een door de constructie
bepaalde maximumsnelheid van minder dan 30 kilometer per uur,
b. die zijn bestemd voor het
vervoer van voertuigen op meer dan twee wielen, niet zijnde een
brommobiel of een gehandicaptenvoertuig als bedoeld in artikel 1,
onderdeel ia, onderscheidenlijk onderdeel r van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990 of
c. op de Waddenzee, met inbegrip
van de verbindingen met de Noordzee.
4. Het vervoer, bedoeld in het eerste
lid, is vervoer als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet dat
door een gemeentelijk vervoerbedrijf mag worden verricht.
Artikel 7a
1. De artikelen 1, 12 tot en met 14,
19, eerste en tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 25 eerste, tweede
en derde lid, 26, eerste lid met uitzondering van de zinsnede
«bedoeld in artikel 20, tweede en derde lid», 27, 28 tot en met 29a,
31 tot en met 32a, 33 tot en met 37, 38 met uitzondering van het
tweede en derde lid, 39, 40, 41, 43, 43a tot en met 43c, 44, 45, 46,
49, 70, 71, 72, 73, 74, 87 met uitzondering van het vierde lid, 88,
eerste lid, 89, 90 tot en met 93, 97, 98, 100, 101, 102, 105 en 106
van de wet en de artikelen 1, 2, 10, eerste lid, onderdelen a tot en
met e en onderdeel g, 11, 31, 33, 34, 39, 44 tot en met 46, 48, 49,
51, 52 en 53van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing op
voor een ieder openstaand personenvervoer met of zonder een
dienstregeling per veerboot of passagiersschip dat wordt verricht
tussen twee of meer aanlegplaatsen gelegen aan de Waddenzee, met
inbegrip van de verbindingen met de Noordzee en met havens die in open
verbinding staan met de Waddenzee, waarbij Vlieland, Terschelling,
Ameland of Schiermonnikoog met het vasteland wordt verbonden.
2. Met het in het eerste lid genoemde
personenvervoer wordt tevens bedoeld vervoer van personen die zich
verplaatsen per motorrijtuig, bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van
vrachtautos als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet wegvervoer
goederen. De bedoelde motorrijtuigen kunnen voorzien zijn van een
aanhangwagen.
3. Onze Minister verleent concessies
voor het personenvervoer, bedoeld in het eerste lid, voor de duur van
ten hoogste 15 jaar nadat daartoe een aanbesteding is gehouden.
Artikel 5, derde lid, van Verordening (EG) 1370/2007 is daarbij van
toepassing.
4. Onze Minister kan in afwijking van
het derde lid, de in dat lid genoemde concessie voor de eerste maal
verlenen zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden, indien die
concessie voldoet aan een van de kenmerken bedoeld in artikel 5,
vierde lid, van Verordening (EG) 1370/2007.
Indien Onze Minister een concessie als
bedoeld in de eerste volzin verleent, wordt het programma van eisen,
bedoeld in artikel 44 van de wet, voorafgaand aan de
concessieverlening gepubliceerd.
5. Voor de toepassing van de artikelen
van de wet en het besluit op het vervoer, bedoeld in het eerste lid,
wordt gelezen voor:
a. trein: het in het eerste lid
bedoelde vervoer;
b. station, stations, halteplaats
of perron: de in het eerste lid bedoelde aanlegplaatsen;
c. aanbesteding van een concessie
of concessies: verlening van een concessie of concessies;
d. aanbestedingsreglement:
reglement;
e. auto, bus, trein, metro, tram of
via geleidesysteem voortbewogen voertuig: het in het eerste lid
bedoelde vervoer;
f. openbaar vervoer: het in het
eerste lid bedoelde vervoer.
6. De plicht te gedogen, bedoeld in
artikel 35 van de wet, geldt voor het in het eerste lid bedoelde
vervoer ten aanzien van het gebruik door de concessiehouder van de
haveninfrastructuur waaronder wordt verstaan:
a. haventerreinen;
b. aanleginrichtingen.
Artikel 8
In afwijking van artikel 2, aanhef en
onderdeel l, zijn de artikelen 73, 74, 87, 88, eerste lid, 89 tot en met
91, 93, 97, 98,105 en 106 van de wet en de artikelen 52, 53, van dit
besluit van overeenkomstige toepassing op door of vanwege de werkgever
verzorgd vervoer van werknemers:
a. naar en van de werkplek,
voorafgaand aan onderscheidenlijk na afloop van de werkzaamheden,
b. dat wordt verricht met bussen dan
wel met auto's ingericht voor vervoer van meer dan zeven personen,
de bestuurder daaronder niet begrepen en
c. waarvoor subsidie wordt verleend
door een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 20 van de wet.
2. Het vervoer, bedoeld in het eerste
lid, is vervoer als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet dat
door een gemeentelijk vervoerbedrijf mag worden verricht.
Artikel 9 [Treedt in werking op een nader
te bepalen tijdstip]
De artikelen 4, tweede lid, 6, tot en met
9, 11 tot en met 13, 84 tot en met 86, onderdeel b, 87, 88, eerste lid,
89 tot en met 93, 97 tot en met 99 en 104 van de wet en de artikelen 12
tot en met 23, 28 tot en met 30, tweede en vierde lid, 75 tot en met 78,
81, 82, 118, 119, 123 en 125 van dit besluit zijn van overeenkomstige
toepassing op het vervoer van personen dat wordt verricht met een
driewielig motorrijtuig als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van het
Voertuigreglement.
§ 3. Reisinformatie
Artikel 10
1. Een vervoerder die openbaar vervoer
verricht, verstrekt aan degene, die daarom verzoekt ten behoeve van
het voeden en actualiseren van een reisinformatiesysteem ten minste
gegevens inzake:
a. de door de vervoerder
gehanteerde dienstregeling met de geldigheidsduur daarvan,
b. de door de vervoerder
gegarandeerde overstapmogelijkheden binnen de dienstregeling,
c. de wijzigingen van de
dienstregeling als gevolg van geplande werkzaamheden ten behoeve
van aanleg van en onderhoud aan de door de vervoerder benodigde
infrastructuur,
d. de wijzigingen van de
dienstregeling die ten minste 24 uur van tevoren bekend zijn,
gerekend vanaf de eerste dienst die op een dag wordt verzorgd,
e. de door de vervoerder
gehanteerde tarieven of de informatie die nodig is om de prijs per
reis met een of meer openbaar vervoersmodaliteiten te berekenen,
f. de actuele informatie met
betrekking tot de dienstuitvoering ten opzichte van de door hem
gehanteerde dienstregeling en
g. de mate van toegankelijkheid
voor reizigers met een handicap van haltes, stations en voertuigen
die door de desbetreffende vervoerder worden gebruikt voor het
verrichten van openbaar vervoer.
2. Een vervoerder die vervoer verricht
als bedoeld in artikel 6, eerste lid, verstrekt aan de exploitant van
een reisinformatiesysteem op diens verzoek ten minste gegevens inzake:
a. het gebied waarbinnen en de
tijdstippen waartussen vervoer wordt verricht;
b. het telefoonnummer voor het
bestellen van de ritten;
c. de vooraanmeldingstijd;
d. de ophaal- of aankomstmarge;
e. de door de vervoerder
gehanteerde tarieven en de daarbij behorende zone-indeling;
f. de mate van toegankelijkheid van
het vervoer voor reizigers met een handicap.
3. Bij ministeriėle regeling kan:
a. nadere invulling worden gegeven
aan de aard van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen
e, f en g,
b. worden bepaald dat andere
gegevens dan de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden
verstrekt ten behoeve van het voeden en actualiseren van een
reisinformatiesysteem.
Artikel 11
1. Onze Minister kan ambtshalve of op
aanvraag een exploitant van een reisinformatiesysteem met een
landelijk bereik aanwijzen als bedoeld in artikel 14 van de wet,
indien niet meer voorzien kan worden in ten minste één doelmatig en
voor de reiziger toegankelijk reisinformatiesysteem met een landelijk
bereik.
2. Voordat Onze Minister een exploitant
aanwijst, maakt hij in de Staatscourant zijn voornemen daartoe bekend.
3. Bij de bekendmaking, bedoeld in het
tweede lid, wordt de termijn aangegeven waarbinnen bij Onze Minister
een aanvraag kan worden ingediend tot aanwijzing als exploitant van
een reisinformatiesysteem.
4. De aanvraag, bedoeld in het derde
lid, bevat ten minste een voorstel tot exploitatie van een doelmatig
en voor de reiziger toegankelijk reisinformatiesysteem met een
landelijk bereik en de daarbij gedurende een bepaalde periode
behorende jaarlijkse financiėle bijdrage van de vervoerders die
openbaar vervoer verrichten waardoor de instandhouding van het
desbetreffende reisinformatiesysteem is gewaarborgd.
5. Indien de aanvraag naar het oordeel
van Onze Minister aan redelijke eisen van doelmatigheid en
toegankelijkheid voor de reiziger kan voldoen, legt hij deze voor
advies voor aan de vervoerders die openbaar vervoer verrichten.
6. De vervoerders, bedoeld in het
vijfde lid, leggen Onze Minister binnen een door hem bepaalde termijn
een met redenen omkleed advies voor over het voorstel, bedoeld in het
derde lid.
7. De vervoerders stellen de aanvrager
in de gelegenheid met hen overleg te voeren voordat advies wordt
uitgebracht.
8. Onze Minister wijst na afloop van de
termijn, genoemd in het zesde lid, een exploitant aan van een
reisinformatiesysteem dat het meest doelmatig is en waarvan de
toegankelijkheid voor de reiziger en het landelijk bereik optimaal is
gewaarborgd en stelt de daarbij behorende jaarlijkse financiėle
bijdrage vast die een vervoerder die openbaar vervoer verricht aan de
aangewezen exploitant van het reisinformatiesysteem verleent.
9. Onze Minister geeft een aanwijzing
voor bepaalde tijd.
Hoofdstuk 2. Vergunningen
§ 1. Verlening, wijziging, schorsing of
intrekking
Artikel 12
1. Onze Minister besluit binnen twaalf
weken op een aanvraag om verlening, wijziging of intrekking van een
vergunning.
2. Onze Minister neemt een aanvraag om
verlening of wijziging van een vergunning in behandeling nadat de bij
ministeriėle regeling vastgestelde vergoeding voor de kosten van deze
behandeling is ontvangen.
Artikel 13
1. Van het voornemen tot ambtshalve
wijziging, schorsing of intrekking van een vergunning doet Onze
Minister mededeling aan de houder van de vergunning, waarna de houder
van de vergunning ten minste vier weken in de gelegenheid wordt
gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
2. Onze Minister neemt een besluit over
de voorgenomen wijziging, schorsing of intrekking van de vergunning
binnen acht weken na afloop van de termijn, bedoeld in het eerste lid.
3. Indien een besluit als bedoeld in
het tweede lid wordt genomen ten aanzien van een communautaire
vergunning en de houder van de vergunning ten tijde van het voornemen,
bedoeld in het eerste lid, openbaar vervoer verricht, wordt de
concessieverlener tevens ten minste vier weken in de gelegenheid
gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
4. Indien Onze Minister besluit tot
wijziging of intrekking van een vergunning, vermeldt hij in de
beschikking de datum van ingang van de wijziging of de intrekking, die
niet eerder mag liggen dan twaalf weken na verzending van de
beschikking of zoveel later als de redelijke belangen van de
vergunninghouder en van anderen die door wijziging of intrekking van
de vergunning in hun belangen kunnen worden getroffen, vereisen.
5. Het vierde lid is van
overeenkomstige toepassing op een besluit tot schorsing van de
vergunning, met dien verstande dat een termijn geldt van ten minste
zes weken.
§ 2. Vereisten aan vergunningen
Artikel 14
1. Vergunningen worden op naam van de
vervoerder gesteld.
2. Indien natuurlijke personen of
rechtspersonen gezamenlijk als vervoerder optreden, worden de
vergunningen op hun namen tezamen gesteld, met, in voorkomend geval,
toevoeging van de naam waaronder zij gezamenlijk als vervoerder
optreden.
3. De vervoerder doet een aanvraag tot
wijziging van de vergunning bij wijziging van de naam van de
vervoerder, van een van de namen van de natuurlijke personen of
rechtspersonen die gezamenlijk als vervoerder optreden of van de naam
waaronder natuurlijke personen of rechtspersonen gezamenlijk als
vervoerder optreden.
Artikel 15
1. Onverminderd artikel 14 worden in de
vergunning vermeld:
a. het vervoer waarvoor de
vergunning is verleend en
b. het adres van de vervoerder aan
wie de vergunning is verleend of, indien artikel 14, tweede lid,
toepassing heeft gevonden, de adressen van de natuurlijke
personen, bedoeld in dat artikel, dan wel het gezamenlijk adres
van deze personen.
2. In de vergunning worden, voor zover
van toepassing, de voorschriften vermeld die aan de vergunning zijn
verbonden en de beperkingen waaronder de vergunning is verleend.
§ 3. Vergunningbewijzen
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 17
1. Vergunningbewijzen worden op
aanvraag door Onze Minister verleend aan de vergunninghouder.
2. Onze Minister neemt een aanvraag om
verlening van een vergunningbewijs in behandeling nadat de bij
ministeriėle regeling vastgestelde vergoeding voor de kosten van deze
behandeling is ontvangen.
3. Vergunningbewijzen zijn geldig voor
een periode van ten hoogste vijf jaar, gerekend vanaf het moment van
verlening van de vergunning.
4. Onze Minister kan de verlening van
het aantal vergunningbewijzen beperken tot het aantal bussen of auto's
waarvan de vergunninghouder aantoont dat hij daarover duurzaam de
beschikking heeft.
Artikel 18
1. Op het vergunningbewijs van de
vervoerder die taxivervoer verricht worden vermeld:
a. de naam en het adres van de
vervoerder aan wie de vergunning is verleend,
b. het vervoer waarvoor de
vergunning is verleend,
c. de beschikking waarbij de
vergunning is verleend of laatstelijk is gewijzigd.
2. Op het vergunningbewijs van de
vervoerder die taxivervoer verricht worden voorts voor zover van
toepassing vermeld:
a. de naam van de personen, bedoeld
in artikel 14, tweede lid, dan wel de naam waaronder zij
gezamenlijk als vervoerder optreden,
b. de adressen van de personen,
bedoeld in artikel 14, tweede lid, dan wel het gezamenlijk adres
van deze personen,
c. de voorschriften die aan de
vergunning zijn verbonden en de beperkingen waaronder de
vergunning is verleend voorzover van belang voor het toezicht op
de rechtmatigheid van het verrichte vervoer, en
d. de geldigheidstermijn van het
vergunningbewijs van de vervoerder die taxivervoer verricht.
Artikel 19
1. Een vergunningbewijs is niet geldig
vanaf het tijdstip waarop de vergunning is ingetrokken, gedurende de
periode waarin de op het vergunningbewijs vermelde gegevens niet
overeenstemmen met de feitelijke situatie en gedurende de periode
waarin een vergunning is geschorst.
2. Met uitzondering van de periode
waarin een vergunning is geschorst en met uitzondering van het geval
dat de geldigheidstermijn, bedoeld in artikel 18, tweede lid,
onderdeel d, is verlopen, levert de vervoerder binnen vier weken na
het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, het vergunningbewijs in bij
Onze Minister.
Artikel 20
Het is verboden een bewerkt
vergunningbewijs te gebruiken.
§ 4. Eis van betrouwbaarheid
Artikel 21
1. De vervoerder die openbaar vervoer,
besloten busvervoer of taxivervoer verricht, voldoet aan de eis van
betrouwbaarheid.
2. Indien meer natuurlijke personen of
rechtspersonen gezamenlijk als vervoerder optreden, voldoet een ieder
van de natuurlijke personen en een ieder van de bestuurders van de
rechtspersonen aan de eis, bedoeld in het eerste lid.
3. Indien de vervoerder een
rechtspersoon is, voldoet een ieder van de bestuurders van deze
rechtspersoon aan de eis, bedoeld in het eerste lid.
4. Indien de vervoerder een dienst of
bedrijf van een gemeente is, voldoet het hoofd van de dienst of het
bedrijf aan de eis, bedoeld in het eerste lid, en indien er meer
hoofden zijn aangewezen, ieder van hen.
5. Indien de natuurlijke personen of
rechtspersonen, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, niet
of slechts gedeeltelijk zijn betrokken bij de permanente en
daadwerkelijke leiding van de onderneming, de dienst of het bedrijf,
voldoet degene die is belast met de permanente of daadwerkelijke
leiding, mede aan de eis, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 22
1. De vervoerder voldoet aan de eis van
betrouwbaarheid, indien hij een met het oog op een communautaire
vergunning of taxivervoer verleende verklaring omtrent het gedrag
overeenkomstig de bepalingen van de Wet justitiėle gegevens heeft
overgelegd die niet ouder is dan twee maanden.
2. De vervoerder wiens land van
oorsprong of herkomst een andere lidstaat is dan Nederland, dan wel
een andere staat die partij is bij de EER, voldoet aan de eis van
betrouwbaarheid, indien hij een document of verklaring heeft
overgelegd die in die staat is afgegeven overeenkomstig artikel 3,
tweede lid, van richtlijn nr. 96/26/EG, die niet ouder is dan twee
maanden.
Artikel 23
1. Aan de eis van betrouwbaarheid wordt
niet of niet langer voldaan indien:
a. een persoon als bedoeld in
artikel 21 geen verklaring omtrent het gedrag overlegt,
b. de vervoerder of een persoon als
bedoeld in artikel 21 in een aaneengesloten periode van vijf jaar,
al dan niet met toepassing van artikel 51 van het Wetboek van
Strafrecht, onherroepelijk is veroordeeld wegens het, naar het
oordeel van Onze Minister in ernstige mate, overtreden van:
1°. een in de Wet op de
economische delicten strafbaar gestelde bepaling van de
Arbeidstijdenwet;
2°. een bepaling, genoemd in
artikel 7:1 van het Arbeidstijdenbesluit,
3°. een bepaling, genoemd in
artikel 8:1 of 8:2 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer,
4°. artikel 2, eerste of
tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen,
5°. de artikelen 75 en 76 of
6°. artikel 5.3.15 of 5.1.1,
eerste lid, onderdeel c, van de Regeling voertuigen.
c. tegen de vervoerder binnen een
aaneengesloten periode van vijf jaar onherroepelijk vonnis is
gewezen wegens het, naar het oordeel van Onze Minister in ernstige
mate, niet nakomen van verplichtingen die voortvloeien uit een
door hem aangegane arbeidsovereenkomst of overeenkomst van
opdracht tot het verrichten van arbeid.
2. Indien ingevolge artikel 21 de
plicht tot het voldoen aan de eis van betrouwbaarheid rust op
verschillende personen, wordt niet langer aan deze plicht voldaan
indien een van hen voldoet aan de voorwaarden, genoemd in het eerste
lid.
3. Het verplaatsen van een leeg
vervoermiddel wordt voor de toepassing van het eerste gelijkgesteld
met het verrichten van personenvervoer.
4. Bij ministeriėle regeling wordt
vastgesteld op welk tijdstip de periode van vijf jaar een aanvang
neemt en bij welke aard van de overtredingen en cumulatie van
veroordelingen onderscheidenlijk vonnissen als bedoeld in het eerste
lid, onder b en c, niet langer wordt voldaan aan de eis van
betrouwbaarheid, waarbij rekening kan worden gehouden met de aard en
de omvang van het vervoer dat wordt verricht en waarbij tevens bepaald
kan worden in welke gevallen tijdelijk niet aan de eis van
betrouwbaarheid wordt voldaan.
§ 5. Eis van kredietwaardigheid
Artikel 24
1. De vervoerder die openbaar vervoer
of besloten busvervoer verricht, voldoet aan de eis van
kredietwaardigheid.
2. Indien meer natuurlijke personen of
rechtspersonen gezamenlijk als vervoerder optreden, voldoet een ieder
van de natuurlijke personen en een ieder van de rechtspersonen aan de
eis, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 25
1. Ter voldoening aan de eis van
kredietwaardigheid dient de vervoerder minimaal te beschikken over een
bedrijfskapitaal van 36 302,42 vermeerderd met 4 991,58 voor
iedere auto, bus, metro, tram of een via een geleidesysteem
voortbewogen voertuig, met dien verstande dat het gehele
bedrijfskapitaal ten minste 45 378,02 bedraagt.
2. Omtrent het voldoen aan de in het
eerste lid genoemde eis van kredietwaardigheid stelt Onze Minister een
onderzoek in aan de hand van de criteria, bedoeld in artikel 3, derde
lid, van richtlijn nr. 96/26/EG.
3. Indien de vervoerder een dienst of
bedrijf van een gemeente is, overlegt Onze Minister met Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten behoeve van de
vaststelling van het voldoen aan de eis van kredietwaardigheid.
4. De vervoerder die openbaar vervoer
of besloten busvervoer verricht en wiens land van oorsprong of
herkomst een andere lidstaat is dan Nederland, dan wel een andere
staat die partij is bij de EER, voldoet aan de eis van
kredietwaardigheid, indien hij een verklaring overlegt die
overeenkomstig artikel 3, tweede lid, van richtlijn nr. 96/26/EG, in
die staat is afgegeven en die niet ouder is dan twee maanden.
§ 6. Eis van vakbekwaamheid
Artikel 26
1. De vervoerder die openbaar vervoer,
besloten busvervoer of taxivervoer verricht, moet aan de eis van
vakbekwaamheid voldoen.
2. Degene die permanent en
daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer, bedoeld in het eerste
lid, voldoet aan de eis, bedoeld in het eerste lid, of, indien deze
leiding bij meer personen berust, tenminste een van hen.
3. De vervoerder meldt Onze Minister de
vervanging van een persoon als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 27
1. De vervoerder die openbaar vervoer
of besloten busvervoer verricht, voldoet aan de eis van vakbekwaamheid
indien wordt overgelegd:
a. een door Onze Minister erkend
getuigschrift van met goed gevolg afgelegde examens waarbij ten
minste de kennis is vastgesteld van de onderwerpen en het
opleidingsniveau van bijlage I van richtlijn nr. 96/26/EG en die
overeenkomstig die bijlage zijn georganiseerd, of,
b. een verklaring van
vakbekwaamheid die op grond van artikel 3, vierde lid, van
richtlijn nr. 96/26/EG, door een andere lidstaat, dan wel door een
andere staat die partij is bij de EER, is afgegeven.
2. Een getuigschrift als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, geldt als een verklaring van vakbekwaamheid
als bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel d, van richtlijn nr.
96/26/EG.
3. Bij ministeriėle regeling kan
worden bepaald van welke onderwerpen, genoemd in bijlage I van
richtlijn nr. 96/26/EG, vrijstelling kan worden verleend aan houders
van de in die regeling genoemde diploma's.
Artikel 28
1. De vervoerder die taxivervoer
verricht voldoet aan de eis van vakbekwaamheid indien wordt
overgelegd:
a. een door Onze Minister erkend
getuigschrift van met goed gevolg afgelegde examens waarbij ten
minste de kennis is vastgesteld van de door Onze Minister
vastgestelde onderwerpen, of
b. een voor het beroep van
vervoerder die taxivervoer verricht afgegeven erkenning van
EG-beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 6 van de Algemene
wet erkenning EG-beroepskwalificaties.
2. Een getuigschrift als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, geldt als een erkenning van
EG-beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 6 van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties.
3. Bij ministeriėle regeling kunnen
regels worden gesteld over de gevallen waarin en de wijze waarop een
erkenning van EG-beroepskwalificaties als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, wordt verstrekt.
4. Onze Minister neemt een aanvraag om
verlening van een erkenning van EG-beroepskwalificaties voor
taxivervoer in behandeling nadat de door Onze Minister vastgestelde
vergoeding voor de kosten van deze behandeling is ontvangen.
5. Bij ministeriėle regeling kan
worden bepaald van welke onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, onder
a, vrijstelling kan worden verleend aan houders van in die regeling
genoemde diploma's.
Artikel 29
1. Indien de vervoerder door
overlijden, wettelijke of lichamelijke onbekwaamheid van degene die op
grond van artikel 26 voldeed aan de eis van vakbekwaamheid in een
onderneming, dienst of bedrijf van een gemeente, niet langer aan deze
eis voldoet, kan Onze Minister, te rekenen vanaf dit moment, de
belanghebbende die het vervoer wenst voort te zetten, onverminderd het
vereiste van een vergunning, op verzoek voor ten hoogste een jaar
ontheffing verlenen van deze eis in die onderneming of die dienst of
dat bedrijf van een gemeente.
2. Onze Minister neemt een aanvraag om
verlening van een ontheffing in behandeling nadat de bij ministeriėle
regeling vastgestelde vergoeding voor de kosten van deze behandeling
is ontvangen.
3. De periode, bedoeld in het eerste
lid, kan in bijzondere gevallen met maximaal zes maanden worden
verlengd.
4. Indien de vervoerder door
overlijden, wettelijke of lichamelijke onbekwaamheid van degene die op
grond van artikel 27 voldeed aan de eis van vakbekwaamheid in een
onderneming, dienst of bedrijf van een gemeente, niet langer aan deze
eis voldoet, kan Onze Minister, te rekenen vanaf dit moment, degene
die beschikt over een praktische ervaring van ten minste drie jaar in
de dagelijkse leiding van die onderneming, die dienst of dat bedrijf,
in bijzondere gevallen op verzoek voor bepaalde tijd ontheffing
verlenen van deze eis in die onderneming, die dienst of dat bedrijf.
5. Aan de ontheffing, bedoeld in het
eerste lid, kan het voorschrift worden verbonden dat de belanghebbende
binnen de periode waarvoor een ontheffing geldt, alsnog zal voldoen
aan de eis van vakbekwaamheid.
§ 7. Periodieke toetsing van de eisen
van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid
Artikel 30
1. De vervoerder die openbaar vervoer
of besloten busvervoer verricht, overlegt elke vijf jaar, gerekend
vanaf de dag waarop de vergunning is verleend, aan Onze Minister een
verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 22, eerste lid,
en toont aan dat hij voldoet aan de eis van kredietwaardigheid als
bedoeld in artikel 25 en de eis van vakbekwaamheid als bedoeld in
artikel 27, eerste lid.
2. De vervoerder die taxivervoer
verricht overlegt elke vijf jaar, gerekend vanaf de dag waarop de
vergunning is verleend, aan Onze Minister een verklaring omtrent het
gedrag als bedoeld in artikel 22, eerste lid, en toont aan dat hij
voldoet aan de eis van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 28, eerste
lid.
3. Onze Minister kan de vervoerder,
bedoeld in het eerste lid, ten hoogste een jaar uitstel verlenen ten
behoeve van de vaststelling van het voldoen aan de eis van
kredietwaardigheid indien de vervoerder heeft aangetoond dat het op
grond van de algemene bedrijfseconomische situatie van zijn
onderneming aannemelijk is dat hij voor afloop van het verleende
uitstel zal voldoen aan de eis van kredietwaardigheid.
4. Indien Onze Minister vermoedt dat
een persoon als bedoeld in artikel 21 niet langer voldoet aan de eisen
voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, kan Onze
Minister verlangen dat, in afwijking van het eerste lid, die persoon
binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn opnieuw een
verklaring omtrent het gedrag overlegt.
Hoofdstuk 3. Concessies en aanbesteding
§ 1. Concessies
Artikel 31
Consumentenorganisaties die ingevolge de
artikelen 27, eerste lid, 31, eerste lid, en 44, derde lid, van de wet
om advies worden gevraagd:
a. bezitten rechtspersoonlijkheid,
b. behartigen krachtens hun
statutaire doelstellingen of hun feitelijke werkzaamheden de
belangen van de reizigers in het openbaar vervoer en
c. zijn werkzaam op nationale of
regionale schaal.
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 33
1. De onderwerpen, bedoeld in artikel
31, derde lid, van de wet waarover de concessiehouder krachtens de
concessie ten minste eenmaal per jaar advies vraagt aan
consumentenorganisaties als bedoeld in artikel 31 van dit besluit
betreffen, voor zover de concessiehouder ten aanzien van die
onderwerpen maatregelen heeft getroffen:
a. de uitvoering van de
dienstregeling,
b. de wijze waarop de
concessiehouder de reiziger informeert over de dienstregeling en
de tarieven,
c. de vervoervoorwaarden waartegen
openbaar vervoer wordt verricht,
d. de modellen van vervoerbewijzen
die de concessiehouder uitgeeft,
e. de wijze waarop en de mate
waarin vervoerbewijzen verkrijgbaar zijn gesteld,
f. de wijze waarop reizigers de
prijs van het vervoerbewijs kunnen voldoen,
g. de voorzieningen die de
concessiehouder treft ten aanzien van de toegankelijkheid van het
openbaar vervoer voor reizigers met een handicap en
h. de voorzieningen die de
concessiehouder treft ten behoeve van het waarborgen van een
verantwoorde mate van veiligheid van reizigers en van het voor hem
werkzame personeel.
2. Het eerste lid is van toepassing op
de concessieverlener indien hij op grond van artikel 31, zevende lid,
van de wet, een wijziging initieert van een onderwerp als bedoeld in
het eerste lid.
3. Voor zover de concessieverlener ten
aanzien van die onderwerpen voorschriften aan de concessie heeft
verbonden en voor zover de concessiehouder ten aanzien van die
onderwerpen maatregelen heeft getroffen, is de aanhef van het eerste
lid, mede van toepassing op:
a. de procedure voor de behandeling
van klachten van de reiziger en de wijze waarop de concessiehouder
de reiziger hierover informeert,
b. een regeling over een vergoeding
aan de reiziger in geval van vertraging in de uitvoering van de
dienstregeling en
c. aan het publiek kenbaar gemaakte
doelstellingen van de concessiehouder over de kwaliteit van het
door hem te verrichten openbaar vervoer.
Artikel 34
De concessieverlener informeert
consumentenorganisaties als bedoeld in artikel 31 ten minste over
resultaten van maatregelen ten aanzien van:
a. de mate van bereikbaarheid van het
concessiegebied en
b. de aanleg en onderhoud van
infrastructuur ten behoeve van het openbaar vervoer.
Artikel 35
De plicht te gedogen, bedoeld in artikel
35 van de wet, geldt ten aanzien van het gebruik door de concessiehouder
van in de bijlage opgenomen categorieėn of onderdelen van
infrastructuur.
Artikel 35a
De concessieverlener verbindt uiterlijk
drie maanden na inwerkingtreding van het besluit van 30 juni 2011 tot
wijziging van het Besluit personenvervoer 2000 in verband met het
meervoudige basistarief bij gebruik van de OV-chipkaart voor het
openbaar vervoer per trein aan een concessie voor openbaar vervoer per
trein het voorschrift dat de reiziger voor de aanvang van de treinreis
voor zijn totale treinreis kan beschikken over:
1. het NS-vervoerbewijs voor enkele
reis- en retourkaarten tweede klas,
2. het NS-abonnement tweede klas, of
3. het NS-deel van de OV-jaarkaart
tweede klas.
Artikel 36
1. De duur van een concessie voor
openbaar vervoer per trein bedraagt ten hoogste vijf jaar. Indien de
concessie tevens wordt verleend voor het verrichten van openbaar
vervoer anders dan per trein, bedraagt de duur van de concessie ten
hoogste acht jaar.
2. In afwijking van het eerste lid kan
de duur van een concessie voor openbaar vervoer per trein op ten
hoogste tien jaar worden vastgesteld, indien dit naar het oordeel van
de concessieverlener wordt gerechtvaardigd door het bestaan van
commerciėle overeenkomsten, specifieke investeringen of bijzondere
risicos.
3. In afwijking van het eerste lid kan
de duur van een concessie voor openbaar vervoer per trein op ten
hoogste vijftien jaar worden vastgesteld, indien dit naar het oordeel
van de concessieverlener wordt gerechtvaardigd door het bestaan van
omvangrijke investeringen voor lange termijn.
Artikel 36a
1. Een concessie voor openbaar vervoer
per trein als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de wet kan bij
wijze van overgangsmaatregel worden verleend zonder dat een
aanbesteding is gehouden:
a. in afwachting van tot stand te
brengen infrastructuur;
b. in afwachting van de vorming van
nieuwe concessiegebieden, of
c. gedurende een periode waarin
aanbesteding wordt voorbereid.
2. De duur van een concessie die wordt
verleend conform het eerste lid bedraagt ten hoogste drie jaar. Na
afloop van die concessie vindt voor het openbaar vervoer in het gebied
waarop de desbetreffende concessie betrekking had, niet opnieuw
concessieverlening plaats conform het eerste lid, behoudens
goedkeuring van Onze Minister.
3. Een opdracht voor het openbaar
vervoer per regionale treindienst die voor de inwerkingtreding van dit
besluit is aanbesteed of onderhands verleend op grond van artikel 5,
eerste lid, van de Regeling experimenten regionale treindiensten, kan
na inwerkingtreding van dit besluit worden omgezet in een concessie
voor openbaar vervoer per trein zonder dat daartoe een aanbesteding is
gehouden.
Artikel 36b [Vervallen per 01-01-2013]
§ 2. Aanbesteding
Artikel 37
1. Op aanbesteding van concessies voor
openbaar vervoer waarvan de geraamde waarde exclusief omzetbelasting
tenminste het in artikel 7, aanhef onderdeel b, van het Besluit
aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten bedoelde bedrag bedraagt,
zijn, onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, de artikelen
2 tot en met 57 van dat Besluit van overeenkomstige toepassing, met
uitzondering van de artikelen 3, 5, eerste lid, 8, 9, vijfde, negende,
tiende, elfde en twaalfde lid, 10 tot en met 17, 20, 21, 22, 31,
tweede lid, en 34.
2. Voor zover de wet niet anders
bepaalt, wendt een concessieverlener zich zonder discriminatie en
onder dezelfde voorwaarden als die welke hij voor gegadigden of
inschrijvers in Nederland stelt, tot ondernemers in andere lidstaten
en in overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte, die voldoen aan de vereisten gesteld
krachtens richtlijn nr. 2004/18/EG, en handelt hierbij transparant.
Artikel 38
Het besluit tot concessieverlening
geschiedt op grond van gunningscriteria nadat de geschiktheid van de
vervoerders die niet uit hoofde van de wet, artikel 37 of andere door de
concessieverlener bij de aanbesteding gestelde voorwaarden zijn
uitgesloten, door de concessieverlener is vastgesteld.
Artikel 39
1. Onverminderd hetgeen bij
concessieverlening is bepaald, verstrekt een concessiehouder met het
oog op de voorbereiding van aanbesteding van een concessie desgevraagd
aan een concessieverlener:
a. gegevens over de vervoeromvang
per lijn of traject in absolute reizigersaantallen of in
reizigerskilometers,
b. gegevens over de gerealiseerde
kosten van de uitvoering van de concessie,
c. gegevens over de tijdens de
concessieperiode door de concessiehouder verkochte vervoerbewijzen
op jaarbasis met de bijbehorende opbrengsten per kaartsoort en per
tarief en
d. overige gegevens die naar het
oordeel van de concessieverlener noodzakelijk zijn voor de
voorbereiding van aanbesteding van een concessie.
2. De in het eerste lid, onderdeel b,
bedoelde kosten worden ingedeeld naar de kostensoorten personeel en
materieel en zodanig gespecificeerd en toegelicht dat een
overzichtelijk beeld ontstaat van de samenstelling ervan, van de
samenhang tussen kostensoorten en van de relatie met het niveau van de
dienstverlening.
3. De concessiehouder verstrekt de
gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, desgevraagd
vergezeld van een toelichting en een verklaring van een accountant als
bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek.
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn
van overeenkomstige toepassing op een vervoerder die openbaar vervoer
verricht zonder een daartoe verleende concessie, indien de gegevens
noodzakelijk zijn voor de voorbereiding van aanbesteding van een
concessie voor dat openbaar vervoer.
Artikel 40
1. De concessieverleners die een
concessie hebben verleend, zenden een kennisgeving betreffende het
verloop en de uitslag van de aanbestedingsprocedure aan Onze Minister.
2. Bij ministeriėle regeling worden
regels vastgesteld over de gegevens die de kennisgeving tenminste moet
bevatten.
Hoofdstuk 4. Vervoervoorwaarden en
bepalingen voor de reiziger
§ 1. Nationale vervoerbewijzen
Artikel 41
1. Een nationaal vervoerbewijs is
geldig in geheel Nederland met uitzondering van de gebieden waarvoor
Onze Minister op verzoek van een concessieverlener of ambtshalve heeft
bepaald dat het nationaal vervoerbewijs niet geldig is.
2. Bij ministeriėle regeling worden
regels gesteld over het verzoek, bedoeld in het eerste lid, en over de
gevallen waarin en over gebieden waarvoor een nationaal vervoerbewijs
niet geldig is.
Artikel 42
1. Bij ministeriėle regeling worden
regels vastgesteld over de voor nationale vervoerbewijzen geldende
tarieven waarbij onder meer onderscheid kan worden gemaakt naar
soorten reizigers.
2. Bij het vaststellen van een tarief
kan Onze Minister uitgaan van een zone-indeling.
Artikel 43
1. Een model van een nationaal
vervoerbewijs:
a. bevat een vermelding van de
prijs van het vervoerbewijs en
b. is zodanig ingericht dat de
houder van het vervoerbewijs en de in de artikelen 87 en 89 van de
wet bedoelde ambtenaren en personen de geldigheid van het
vervoerbewijs kunnen vaststellen en
c. voldoet aan andere bij
ministeriėle regeling vastgestelde eisen.
2. Bij ministeriėle regeling kunnen
regels worden vastgesteld over eisen die aan nationale vervoerbewijzen
kunnen worden gesteld, waaronder over de verkrijgbaarheid.
§ 2. Bepalingen voor de reiziger
Artikel 44
Een reiziger is voor het vervoer een
vervoerprijs verschuldigd overeenkomstig het daarvoor geldende tarief.
Artikel 45
1. Het verbod, bedoeld in artikel 70,
eerste lid, van de wet is niet van toepassing op:
a. kinderen onder geleide die de
leeftijd van vier jaar nog niet hebben bereikt en voor wie geen
eigen zitplaats wordt verlangd,
b. één persoon van ten minste
twaalf jaar oud die een persoon begeleidt die is voorzien van een
legitimatiebewijs voor gehandicapten,
c. ambtenaren en personen als
bedoeld in de artikelen 87 en 89 van de wet, belast met toezicht
en opsporing, bij de uitoefening van de hun in die artikelen
opgedragen taak.
2. Bij ministeriėle regeling kunnen
regels worden gesteld over een legitimatiebewijs als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, alsmede over de afgifte ervan.
Artikel 46
1. Geen vervoerprijs is verschuldigd
voor het vervoer van handbagage en een hond die een persoon begeleidt
die is voorzien van een legitimatiebewijs voor gehandicapten.
2. Onder handbagage wordt verstaan
zaken die een reiziger als gemakkelijk mee te voeren, draagbaar, dan
wel met de hand verrijdbaar bij zich heeft en geen zitplaats in het
vervoermiddel innemen, waaronder een vouwfiets, levende dieren die
gemakkelijk zijn mee te voeren en die geen zitplaats innemen, alsmede
zaken die door de vervoerder als handbagage zijn toegelaten.
3. Tenzij de concessieverlener en
concessiehouder anders regelen, is geen vervoerprijs verschuldigd voor
het vervoer van:
a. een fiets, niet zijnde een zaak
als bedoeld in het tweede lid,
b. levende dieren die niet als
handbagage kunnen worden meegenomen.
4. Het derde lid is niet van toepassing
op openbaar vervoer per trein waarvoor door Onze Minister een
concessie is verleend.
Artikel 47
1. De reiziger is met uitzondering van
de gevallen, bedoeld in artikel 45, en met uitzondering van de door de
vervoerder bepaalde gevallen, verplicht zich van een geldig
elektronisch vervoerbewijs te voorzien:
a. voordat hij, hetzij het
vervoermiddel betreedt, hetzij een gedeelte van een station of
halte betreedt waar hij blijkens duidelijke aanwijzingen van de
vervoerder in het bezit moet zijn van een geldig elektronisch
vervoerbewijs of
b. zo spoedig mogelijk nadat hij
het vervoermiddel of het gedeelte van het station of de halte
heeft betreden, voor zover daar een met afgifte of ontwaarding
belaste functionaris of een voor afgifte of ontwaarding bestemd
apparaat aanwezig is.
2. Een elektronisch vervoerbewijs is
geldig indien:
a. het een nationaal elektronisch
vervoerbewijs of een op grond van de concessie door of namens de
concessiehouder afgegeven elektronisch vervoerbewijs betreft,
b. de reismogelijkheden van het
elektronisch vervoerbewijs toereikend zijn voor de te maken reis
en het vertrekpunt elektronisch is geregistreerd,
c. het elektronisch vervoerbewijs,
voor zover het op naam is gesteld, overeenstemt met de identiteit
van de houder daarvan en
d. de te betalen vervoerprijs voor
de reis ten minste gelijk is aan het tarief dat de gebruiker van
het elektronisch vervoerbewijs daarvoor verschuldigd is.
3. Een elektronisch vervoerbewijs is
niet geldig indien het gewijzigd of anderszins bewerkt is.
Artikel 48
1. De reiziger die het vervoerbewijs
waarvan hij moet zijn voorzien desgevraagd ter controle niet toont of
overhandigt, is op vordering van de vervoerder de vervoerprijs
verschuldigd die geldt voor het traject tussen vertrekpunt en plaats
van bestemming van de reiziger.
2. Onverminderd het eerste lid, is de
reiziger op vordering van de vervoerder een bij ministeriėle regeling
vast te stellen bedrag verschuldigd indien hij:
a. niet voldoet aan de in artikel
47, eerste lid, bedoelde verplichting,
b. het vervoerbewijs waarvan hij
moet zijn voorzien desgevraagd niet toont of overhandigt,
c. een onbevoegd gewijzigd of
anderszins bewerkt vervoerbewijs gebruikt,
d. een vervoerbewijs misbruikt of
e. de controle van vervoerbewijzen
belemmert of verhindert.
3. Indien de vervoerder die gelegenheid
biedt, betaalt de reiziger het bedrag, bedoeld in het tweede lid,
terstond tezamen met de krachtens het eerste lid verschuldigde
vervoerprijs.
4. Indien de reiziger de in het tweede
en derde lid bedoelde bedragen terstond betaalt, is de vervoerder
verplicht een betalingsbewijs af te geven, dat voor zover nodig tevens
geldt als vervoerbewijs.
5. Indien de reiziger de in het tweede
en derde lid bedoelde bedragen niet terstond betaalt, stelt de
vervoerder hem in de gelegenheid deze bedragen alsnog te betalen
binnen veertien dagen nadat het feit is geconstateerd. De vervoerder
kan aan de reiziger een bewijs verstrekken op grond waarvan deze zijn
reis kan aanvangen of voortzetten.
6. Indien de reiziger de in het tweede
en derde lid bedoelde bedragen niet binnen de termijn, bedoeld in het
vijfde lid, heeft betaald, stelt de vervoerder hem nogmaals in de
gelegenheid deze bedragen, verhoogd met een bij ministeriėle regeling
vast te stellen bedrag aan administratiekosten, te betalen binnen
veertien dagen na afloop van de termijn, bedoeld in het vijfde lid.
7. Zodra de reiziger voldoet aan het in
het tweede, derde, vijfde of zesde lid bepaalde, vervalt het recht van
strafvervolging ter zake van overtreding van artikel 70, eerste lid,
van de wet.
Artikel 49
Zolang een opeisbare schuld ter zake van
vervoerbewijzen niet is voldaan, heeft de betrokkene geen recht op
afgifte van een op naam gesteld vervoerbewijs.
Artikel 50
1. Indien van een nationaal
vervoerbewijs met een geldigheidsduur van tenminste een week geen of
slechts gedeeltelijk gebruik wordt gemaakt, kan de reiziger onder
overlegging van dit vervoerbewijs verzoeken om gehele of gedeeltelijke
terugbetaling van de vervoerprijs of om ontheffing van de, eventueel
resterende, betalingsverplichting.
2. Terugbetaling van de vervoerprijs
dan wel ontheffing van de betalingsverplichting vindt slechts plaats
indien:
a. van het vervoerbewijs geen
gebruik wordt gemaakt en de reiziger het verzoek om terugbetaling
of om ontheffing van de betalingsverplichting indient vóór het
tijdstip waarop de geldigheid aanvangt,
b. van het vervoerbewijs slechts
voor een gedeelte van de termijn van geldigheid gebruik wordt
gemaakt, met dien verstande dat de terugbetaling of ontheffing
slechts betrekking kan hebben op de termijn waarvoor het
vervoerbewijs na overlegging nog geldig is.
3. Degene die beslist tot terugbetaling
van de vervoerprijs of tot ontheffing van de betalingsverplichting is
bevoegd om voor de behandeling van verzoeken als bedoeld in het eerste
lid een bij ministeriėle regeling vast te stellen bedrag aan
administratiekosten in rekening te brengen.
4. Bij ministeriėle regeling kunnen
nadere regels worden vastgesteld over de terugbetaling van de
vervoerprijs en de ontheffing van de betalingsverplichting.
Artikel 51
Bij intrekking van een vervoerbewijs of
gedeelte van een vervoerbewijs geven de in de artikelen 87 en 89 van de
wet bedoelde ambtenaren en personen daarvan een bewijs af aan de
reiziger.
§ 3. Bepalingen over verstoring van
orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang
Artikel 52
1. Onder verstoring van orde, rust,
veiligheid of een goede bedrijfsgang als bedoeld in artikel 72 van de
wet worden verstaan:
a. gedragingen waardoor de
bediening en het gebruik van voorzieningen of van een
vervoermiddel dan wel de taakuitoefening van het personeel van de
vervoerder worden verhinderd of belemmerd,
b. misbruik maken van voorzieningen
dan wel gebruik maken van voorzieningen of van een vervoermiddel
op een tijdstip waarop deze niet voor gebruik beschikbaar zijn dan
wel op een andere wijze dan waarvoor deze bestemd zijn,
c. uit een vervoermiddel werpen van
stoffen of van voorwerpen,
d. zich in kennelijke staat van
dronkenschap of onder kennelijke invloed van verdovende middelen
bevinden,
e. afsteken van vuurwerk, of op
zodanige wijze geluid voortbrengen dat anderen daarvan hinder
ondervinden,
f. uitoefenen van beroep of bedrijf
of het aanbieden van diensten,
g. tentoonstellen van voorwerpen,
maken van reclame of propaganda, verspreiden van drukwerken,
bedelen of houden van inzamelingen,
h. meenemen in een vervoermiddel
van dieren, stoffen of voorwerpen, die hinder, gevaar,
verontreiniging of beschadiging veroorzaken of kunnen veroorzaken,
i. roken in een vervoermiddel,
station of halte, of gedeelten daarvan, ten aanzien waarvan de
vervoerder heeft aangegeven dat roken niet is toegestaan,
j. zich bevinden op een station of
halte op een tijdstip dat deze kenbaar gesloten is of op een
gedeelte van een station of halte dat kenbaar daartoe niet
toegankelijk is,
k. zich op een station of halte
begeven langs een andere dan de daarvoor bestemde weg,
l. op een andere wijze hinder,
gevaar, verontreiniging of beschadiging veroorzaken of kunnen
veroorzaken.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing voor zover de vervoerder daarvoor, met inachtneming van de
belangen van de reizigers, toestemming heeft gegeven.
Artikel 53
Onder aanwijzingen betreffende orde,
rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang wordt mede verstaan de door
of vanwege de vervoerder kenbaar gemaakte aanduidingen in beeld of
geschrift.
Hoofdstuk 5 [Vervallen per 06-04-2005]
§ 1 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 54 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 55 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 56 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 57 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 58 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 59 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 60 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 61 [Vervallen per 06-04-2005]
§ 2 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 62 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 63 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 64 [Vervallen per 06-04-2005]
§ 3 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 65 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 66 [Vervallen per 06-04-2005]
§ 4 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 67 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 68 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 69 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 70 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 71 [Vervallen per 06-04-2005]
§ 5 [Vervallen per 06-04-2005]
Artikel 72 [Vervallen per 06-04-2005]
Hoofdstuk 6. Eisen te stellen aan
vervoerders, bestuurders en materieel
§ 1. Eisen te stellen aan vervoerders en
bestuurders
Artikel 72a
Bij ministeriėle regeling worden regels
gesteld over de verplichting voor de vervoerder die taxivervoer verricht
om in of op de auto waarmee taxivervoer wordt verricht dan wel
anderszins duidelijk kenbaar te maken op welke wijze een klacht als
bedoeld in artikel 78, eerste lid, van de wet kan worden ingediend en op
welke wijze deze wordt behandeld.
Artikel 73
1. Bij ministeriėle regeling worden
regels gesteld over de verplichting voor de vervoerder om het ten
tijde van het aanbieden van het taxivervoer te hanteren tarief
duidelijk leesbaar te tonen zowel aan de buitenzijde van als binnen in
de auto waarmee dat vervoer wordt verricht of dit tarief op een andere
wijze kenbaar te maken.
2. Bij ministeriėle regeling worden
regels gesteld over de verplichting voor de vervoerder om de reiziger
na afloop van het verrichtte taxivervoer een automatisch gegenereerd
ritbewijs te verstrekken en over de verplicht op het ritbewijs te
vermelden gegevens.
3. De regels, bedoeld in het tweede
lid, kunnen voor bij ministeriėle regeling aan te wijzen soorten
taxidiensten verschillend luiden.
4. In de regels, bedoeld in het tweede
lid, kan een uitzondering worden opgenomen voor taxivervoer dat wordt
verricht ter uitvoering van een schriftelijke overeenkomst waarbij
gedurende in een bij die overeenkomst vastgestelde periode meermalen
taxivervoer wordt verricht tegen een in die overeenkomst vastgelegd
tarief.
Artikel 74
1. Met het besturen van een bus wordt
slechts diegene belast, die in het bezit is van een niet ouder dan
vijf jaar zijnde geneeskundige verklaring waaruit blijkt dat hij geen
lichamelijke of geestelijke afwijkingen heeft welke hem zouden kunnen
beletten een bus naar behoren te besturen en dat hij beschikt over
voldoende gehoor- en gezichtsvermogen. De geneeskundige verklaring
wordt afgegeven door een deskundige persoon als bedoeld in artikel 14,
eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de
taken, bedoeld in de onderdelen b of c, van dat lid, of een arts die
deel uitmaakt van een arbodienst als bedoeld in die wet.
2. Indien Onze Minister vermoedt dat de
bestuurder van een bus, werkzaam in het openbaar vervoer of besloten
busvervoer, niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid,
kan Onze Minister verlangen dat die bestuurder zich binnen een door
Onze Minister vast te stellen termijn aan een nieuw geneeskundig
onderzoek onderwerpt. Indien dit onderzoek daartoe aanleiding geeft,
kan de geneeskundige verklaring worden ingetrokken.
3. De bestuurder van een bus is
verplicht de geneeskundige verklaring bij zich te hebben.
4. Bij ministeriėle regeling kunnen
nadere regels worden gesteld over de afgifte van een geneeskundige
verklaring en een geneeskundig onderzoek.
§ 2. Eisen te stellen aan materieel
Artikel 75
Met het oog op de herkenbaarheid en
toegankelijkheid van het vervoer van personen kunnen bij ministeriėle
regeling regels worden gesteld inzake de inrichting en uitrusting van
trein, metro, tram, bus en auto.
Artikel 76
1. Het is verboden openbaar vervoer met
een bus of besloten busvervoer te verrichten indien op het
kentekenbewijs de vermelding ontbreekt dat het voertuig is goedgekeurd
als bus. Het is verboden taxivervoer of openbaar vervoer met een auto
te verrichten indien op het kentekenbewijs de vermelding ontbreekt dat
het voertuig is goedgekeurd als taxi.
2. Een keuringsbewijs als bedoeld in
artikel 72 van de Wegenverkeerswet 1994, dat is afgegeven voor het
verrichten van openbaar vervoer, besloten busvervoer of taxivervoer
met een bus of auto, verliest zijn geldigheid indien hieruit niet
blijkt dat is voldaan aan de eisen, bedoeld in het derde lid,
onderdeel b.
3. Bij ministeriėle regeling kunnen,
onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994,
regels worden gesteld inzake de inrichting, uitrusting en keuring van
bussen en auto's, alsmede de voor de keuring verschuldigde
vergoedingen, ten behoeve van de afgifte van:
a. de aanduiding op het
kentekenbewijs, bedoeld in het eerste lid,
b. het keuringsbewijs, bedoeld in
artikel 72 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 77
1. Op het kentekenbewijs wordt het
hoogste aantal personen, buiten de bestuurder, dat met een bus of auto
mag worden vervoerd, vermeld, waarbij rekening kan worden gehouden met
het soort vervoer dat wordt verricht en met de wijze waarop wordt
plaats genomen in de bus of auto.
2. Het is verboden met een bus of auto
meer personen te vervoeren, dan wel deze voor ander vervoer te
gebruiken dan blijkens het kentekenbewijs is toegestaan.
3. Bij ministeriėle regeling kunnen
regels worden vastgesteld omtrent de wijze waarop het aantal personen,
bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald.
§ 3. Taxameter en boordcomputer
Artikel 78
1. De vervoerder die taxivervoer
verricht draagt er zorg voor dat in een auto waarmee taxivervoer wordt
verricht, een taxameter aanwezig is die zichtbaar voor de reiziger de
vervoerprijs overeenkomstig de kenbaar gemaakte tarieven aangeeft.
2. De taxameter voldoet aan de regels
die bij of krachtens de Metrologiewet zijn gesteld.
3. Behoudens in geval schriftelijk in
een overeenkomst tarieven zijn vastgelegd voor gedurende een bepaalde
periode meermalen te verrichten taxivervoer, wordt taxivervoer slechts
verricht indien de in de auto aanwezige taxameter wordt gebruikt.
4. Bij ministeriėle regeling worden
nadere regels gesteld over de instelling van de taxameter en de
tijdvakken waarop een controle van de taxameter moet plaatsvinden
tegen de in het tweede lid bedoelde eisen voor een in gebruik genomen
taxameter. De artikelen 15, vierde lid, en 20 van het
Meetinstrumentenbesluit I zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.
5. [Dit lid is nog niet in werking
getreden.]
6. Het eerste lid is niet van
toepassing indien de auto uitsluitend wordt gebruikt voor taxivervoer
dat wordt verricht ter uitvoering van een schriftelijke overeenkomst
waarbij gedurende in een bij die overeenkomst vastgestelde periode
meermalen taxivervoer wordt verricht tegen een in die overeenkomst
vastgelegd tarief en in door Onze Minister te bepalen gevallen waarbij
de auto uitsluitend wordt gebruikt voor vervoer tegen eenheidsprijzen.
Artikel 79
1. De vervoerder die taxivervoer
verricht, draagt er zorg voor dat in een auto waarmee taxivervoer
wordt verricht een op correcte wijze functionerende boordcomputer
aanwezig is waarvoor een typegoedkeuring is verleend, als bedoeld in
artikel 22, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
2. De boordcomputer, bedoeld in het
eerste lid, heeft een activeringskeuring en, voor zover bepaald bij
ministeriėle regeling, een periodiek onderzoek ondergaan, die zijn
uitgevoerd door erkende natuurlijke of rechtspersonen, als bedoeld in
artikel 9:1, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet.
3. De vervoerder die taxivervoer
verricht draagt er zorg voor dat de boordcomputer te allen tijde de
volgende gegevens registreert:
a. de kilometerstand van de auto;
b. het kenteken van de auto;
c. de datum en de tijd;
d. de door de auto afgelegde route;
e. informatie over de werking van
de boordcomputer.
4. De vervoerder die taxivervoer
verricht draagt er tevens zorg voor dat de boordcomputer de arbeids-
en rusttijden van de bestuurder registreert.
5. Indien de bestuurder taxivervoer
verricht, draagt de vervoerder er, onverminderd het derde en vierde
lid, zorg voor dat de boordcomputer de volgende gegevens registreert:
a. het personenvervoernummer dat
staat aangegeven op de vergunning, bedoeld in artikel 4, derde
lid, van de wet;
b. het aan de vervoerder toegekende
unieke nummer, als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de
Handelsregisterwet 2007;
c. het nummer van de
chauffeurskaart van de bestuurder;
d. de datum en het tijdstip van
aankomst en vertrek per rit;
e. de locatie van vertrek en
aankomst per rit;
f. de afstand, de prijs van het
vervoer per rit in beladen en onbeladen staat en eventueel in
rekening gebrachte toeslagen.
6. Indien de boordcomputer buiten
toedoen van de bestuurder en de vervoerder buiten gebruik is, geldt in
plaats van de verplichting, bedoeld in het derde tot en met het vijfde
lid, het bepaalde krachtens artikel 80, vijfde lid.
7. Bij ministeriėle regeling worden
regels gesteld over de keuring ter activering van de boordcomputer,
het periodiek onderzoek en de tijdvakken waarop een onderzoek van de
boordcomputer plaatsvindt.
8. Bij ministeriėle regeling kunnen
nadere regels worden gesteld over het erkennen van natuurlijke of
rechtspersonen die een boordcomputer activeren, herstellen en
periodiek onderzoeken, de aanvraag van de erkenning, de voor de
erkenning gestelde eisen, de aan de erkenning te verbinden
voorschriften en de intrekking of schorsing van een erkenning.
Artikel 80
1. De bestuurder en de vervoerder die
taxivervoer verrichten, gebruiken de boordcomputer overeenkomstig het
bij ministeriėle regeling bepaalde, tenzij de boordcomputer buiten
toedoen van de bestuurder en de vervoerder buiten gebruik is.
2. De vervoerder die taxivervoer
verricht bewaart de door de boordcomputer geregistreerde gegevens,
bedoeld in artikel 79, derde en vijfde lid, en de gegevens, bedoeld in
het vijfde lid, ten minste 104 weken, gerekend vanaf de datum waarop
de gegevens betrekking hebben.
3. Bij ministeriėle regeling kunnen
regels worden gesteld over de wijze van bewaren van de gegevens,
bedoeld in artikel 79, derde en vijfde lid, en het overbrengen van de
in de boordcomputer en de op de chauffeurskaart geregistreerde
gegevens naar de vestiging van de vervoerder die taxivervoer verricht.
4. Het derde lid is van overeenkomstige
toepassing op de gegevens bedoeld in artikel 79, vierde lid.
5. Bij ministeriėle regeling worden
nadere regels gesteld over de registratieverplichtingen die op de
vervoerder en de bestuurder rusten indien de boordcomputer buiten
gebruik is en de gegevens die in dat geval aanwezig zijn in de auto
waarmee taxivervoer wordt verricht.
6. Indien de boordcomputer niet op
correcte wijze functioneert of buiten gebruik is, draagt de vervoerder
er zorg voor dat de boordcomputer, binnen een bij ministeriėle
regeling te bepalen termijn, hersteld wordt door erkende natuurlijke
of rechtspersonen, als bedoeld in artikel 9:1, eerste lid, van de
Arbeidstijdenwet.
7. De vervoerder verstrekt de
bestuurder op diens verzoek een kopie van de gegevens die ingevolge
het derde lid van de chauffeurskaart zijn overgebracht naar de
vestiging van de vervoerder.
8. Het is de vervoerder die taxivervoer
verricht verboden:
a. om de boordcomputer ondeugdelijk
te maken, of te doen maken, te vernietigen of te doen vernietigen,
dan wel toe te laten dat de boordcomputer ondeugdelijk gemaakt, of
vernietigd wordt;
b. om in de auto waarmee
taxivervoer wordt verricht een voorziening aanwezig te hebben die
kennelijk bedoeld is om voor misbruik, als bedoeld in onderdeel a,
aan te wenden.
9. Het achtste lid is van
overeenkomstige toepassing op de bestuurder van een auto waarmee
taxivervoer wordt verricht.
Artikel 81
1. De vervoerder die taxivervoer
verricht, gebruikt ten behoeve van een deugdelijke registratie van de
gegevens, bedoeld in artikel 79, derde tot en met vijfde lid, een door
Onze Minister verstrekte ondernemerskaart.
2. De erkende natuurlijke persoon of
rechtspersoon, als bedoeld in artikel 9:1, eerste lid, van de
Arbeidstijdenwet gebruikt ten behoeve van het installeren, onderzoeken
of herstellen van de boordcomputer een door Onze Minister verstrekte
keuringskaart.
3. Met het besturen van een auto
waarmee taxivervoer wordt verricht, wordt slechts diegene belast, die
in het bezit is van een geldige, behoorlijk leesbare, door Onze
Minister verstrekte chauffeurskaart.
4. Voor bij ministeriėle regeling aan
te wijzen soorten taxidiensten waarbij gedurende een bepaalde periode
meermalen taxivervoer wordt verricht volgens een schriftelijke
overeenkomst waarin tarieven zijn vastgelegd, kan in de plaats van de
in het derde lid bedoelde chauffeurskaart volstaan worden met een
chauffeurskaart onder beperkingen.
5. De bestuurder van een auto waarmee
taxivervoer wordt verricht, is in het bezit van een door Onze Minister
verstrekte chauffeurskaart of chauffeurskaart onder beperkingen en
gebruikt deze kaart ten behoeve van een deugdelijke registratie van de
gegevens, bedoeld in artikel 79, derde tot en met vijfde lid.
6. Ten behoeve van het toezicht op de
naleving van het bepaalde krachtens het vierde lid, is in een auto
waarmee een in het vierde lid bedoelde taxidienst wordt verricht het
deel van de administratie aanwezig waarmee kan worden aangetoond dat
daadwerkelijk de in het vierde lid bedoelde soort taxidienst wordt
verricht.
7. Bij ministeriėle regeling kunnen
eisen gesteld worden aan het deel van de administratie, bedoeld in het
zesde lid.
8. Ingeval van verlies, diefstal,
beschadiging of een defect van de ondernemerskaart respectievelijk de
chauffeurskaart geldt in plaats van de verplichtingen, bedoeld in het
eerste en vijfde lid, het bij ministeriėle regeling bepaalde.
Artikel 82
1. Bij de aanvraag voor de
chauffeurskaart worden de volgende documenten overgelegd:
a. een rijbewijs als bedoeld in de
Wegenverkeerswet 1994 dan wel een door het bevoegde gezag buiten
Nederland afgegeven rijbewijs, dat geldig is voor het besturen van
het motorrijtuig waarmee wordt gereden;
b. een geneeskundige verklaring die
niet ouder is dan vier maanden, die voldoet aan de eisen, bedoeld
in artikel 74, eerste lid;
c. een met het oog op het
uitoefenen van het beroep van taxichauffeur verleende verklaring
omtrent het gedrag overeenkomstig de bepalingen van de Wet
justitiėle en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan
vier maanden;
d. een door Onze Minister erkend
getuigschrift van met goed gevolg afgelegde examens waarbij ten
minste de kennis is vastgesteld van de door Onze Minister
vastgestelde onderwerpen, waarbij onderscheid gemaakt kan worden
tussen verschillende soorten taxidiensten;
e. een niet beschadigde, recente,
goed gelijkende pasfoto van de aanvrager, die voldoet aan alle
acceptatiecriteria zoals die zijn opgenomen in de bij de
Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 behorende fotomatrix.
2. Op de aanvrager die woonachtig is in
een andere lidstaat dan Nederland, dan wel een andere staat die partij
is bij de EER, is voor wat betreft de verklaring omtrent het gedrag,
artikel 22, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat het document of de verklaring niet ouder is dan vier
maanden.
3. Bij ministeriėle regeling kan
worden bepaald van welke onderwerpen, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel d, vrijstelling kan worden verleend.
4. Onze Minister kan onder voorwaarden
en beperkingen vrijstelling verlenen van de verplichting om het
getuigschrift, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, over te leggen.
5. Indien naar het oordeel van Onze
Minister niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden en
beperkingen, bedoeld in het vierde lid, kan de vrijstelling worden
ingetrokken.
6. Indien Onze Minister vermoedt dat de
bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, niet meer
voldoet aan de eisen voor het afgeven van een geneeskundige verklaring
of een verklaring omtrent het gedrag, als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, respectievelijk c, kan Onze Minister verlangen dat die
bestuurder zich binnen een door hem vast te stellen termijn aan een
nieuw geneeskundig onderzoek onderwerpt, respectievelijk opnieuw
verzoekt om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag. De
bestuurder overlegt binnen een door Onze Minister vast te stellen
termijn de nieuwe geneeskundige verklaring of de nieuwe verklaring
omtrent het gedrag.
Artikel 83
1. Onze Minister neemt een aanvraag om
verlening van een boordcomputerkaart in behandeling nadat de bij
ministeriėle regeling vastgestelde vergoeding voor de kosten van deze
behandeling is ontvangen.
2. De boordcomputerkaarten hebben een
geldigheidsduur van vijf jaar.
3. Een boordcomputerkaart verliest zijn
geldigheid door intrekking of schorsing en door het verstrijken van de
geldigheidsduur.
4. Een binnen de geldigheidsduur
verloren, gestolen, defect geraakt, of beschadigde boordcomputerkaart,
wordt vervangen door een vervangende kaart voor de resterende termijn
van geldigheid.
5. De houder van een chauffeurskaart of
ondernemerskaart meldt verlies of diefstal van zijn boordcomputerkaart
aan Onze Minister.
6. De houder van een chauffeurskaart of
ondernemerskaart levert een defecte, beschadigde of ingetrokken
boordcomputerkaart in bij Onze Minister binnen een bij ministeriėle
regeling te bepalen termijn.
7. Het vijfde en zesde lid zijn van
overeenkomstige toepassing op de houder van een keuringskaart.
8. Bij ministeriėle regeling worden
regels gesteld over:
a. de wijze waarop de bestuurder en
de vervoerder de chauffeurskaart, respectievelijk de
ondernemerskaart gebruiken;
b. de wijze waarop erkende
natuurlijke of rechtspersonen, als bedoeld in artikel 9:1, eerste
lid, van de Arbeidstijdenwet, de keuringskaart gebruiken;
c. de aanvraag van de
boordcomputerkaarten en van vervangende boordcomputerkaarten;
d. de verlening, afgifte,
weigering, schorsing, intrekking en inname van de
boordcomputerkaarten en de gronden daarvoor;
e. de wijze van melden in geval van
verloren, gestolen, defecte of beschadigde boordcomputerkaarten;
f. de wijze van inleveren van de
boordcomputerkaarten.
9. In het kader van leer-werktrajecten
en in het kader van tijdelijke en incidentele dienstverrichting als
bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties, kan door Onze Minister een chauffeurskaart
worden verstrekt met een kortere geldigheidsduur dan de in het tweede
lid bedoelde geldigheidsduur, dan wel ontheffing worden verleend van
de in artikel 81, vijfde lid, bedoelde eis.
Hoofdstuk 7. Cabotagevervoer
Artikel 84
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en
de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. verordening (EG) nr. 12/98:
verordening (EG) nr. 12/98 van de Raad van de Europese Unie van 11
december 1997 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder
vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands
personenvervoer over de weg in een lidstaat waar zij niet gevestigd
zijn (PbEG L 4),
b. cabotagevervoer: het verrichten
van binnenlands personenvervoer met touringcars en met autobussen
over de weg in een lidstaat, dan wel in een andere staat die partij
is bij de EER, door een onderneming die is gevestigd in een andere
lidstaat dan wel in een andere staat die partij is bij de EER.
Artikel 85
Op het cabotagevervoer dat in Nederland
op grond van verordening (EG) nr. 12/98 is toegestaan, is hoofdstuk I,
paragraaf 3, van de wet, niet van toepassing.
Artikel 86
Het is verboden cabotagevervoer te
verrichten in strijd met het bepaalde bij of krachtens verordening (EG)
nr. 12/98.
Artikel 87
1. Reisbladenboekjes als bedoeld in
artikel 6, derde lid, van verordening (EG) nr. 12/98 worden voor
Nederland afgegeven door Onze Minister nadat de bij ministeriėle
regeling vastgestelde vergoeding voor de kosten van de afgifte van een
dergelijk reisbladenboekje, is ontvangen.
2. De gebruikte reisbladen als bedoeld
in artikel 6, vijfde lid, van verordening (EG) nr. 12/98 worden
teruggezonden aan Onze Minister.
Artikel 88
De in Nederland gevestigde vervoerder die
cabotagevervoer verricht als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid,
van verordening (EG) nr. 12/98, verstrekt aan Onze Minister binnen een
maand na ieder kalenderkwartaal de gegevens over dit cabotagevervoer dat
tijdens het betreffende kwartaal door hem is verricht.
Hoofdstuk 8. Internationaal vervoer per
bus en auto
§ 1. Definities
Artikel 89
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en
de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. verordening (EEG) nr. 684/92:
verordening (EEG) nr. 684/92 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 16 maart 1992 houdende gemeenschappelijke regels
voor het internationaal vervoer van personen met touringcars en met
autobussen (PbEG 1992 L 74),
b. verordening (EG) nr. 2121/98:
verordening (EG) nr. 2121/98 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 2 oktober 1998 houdende uitvoeringsbepalingen van
Verordeningen van de Raad (EEG) nr. 684/92 en (EG) nr. 12/98
aangaande de documenten voor het personenvervoer met touringcars en
autobussen (PbEG L 268),
c. ASOR: Overeenkomst betreffende
internationaal ongeregeld personenvervoer over de weg met autobussen
als bedoeld in Besluit 82/505/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen houdende afsluiting van deze overeenkomst (PbEG L
230),
d. Interbus-overeenkomst:
Overeenkomst betreffende het ongeregeld internationaal vervoer van
personen met touringcars en met autobussen als bedoeld in Besluit
2002/917/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 oktober 2002
houdende goedkeuring van deze overeenkomst (PbEG L 321),
e. Beneluxbeschikking: Beschikking
van het Comité van Ministers van 20 december 1994 M(94)7, houdende
de vaststelling van additionele bepalingen inzake het
reizigersvervoer met touringcars en met autobussen op het
grondgebied van een Beneluxstaat,
f. derde land: overeenkomstsluitende
partij bij de ASOR, niet zijnde de Europese Gemeenschappen, een
lidstaat dan wel een staat die partij is bij de EER of bij de
Interbus-overeenkomst,
g. ander land: land, niet zijnde een
lidstaat, land dat partij is bij de Interbus-overeenkomst of een
derde land,
h. geregeld vervoer:
1°. in de relatie met andere
lidstaten en met staten die partij zijn bij de EER: geregeld
vervoer in de zin van artikel 2, eerste lid van verordening (EEG)
nr. 684/92, met uitzondering van een bijzondere vorm van
geregeld vervoer, voor zover dat vervoer beantwoordt aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 1 van die verordening,
2°. in de relatie met derde
landen: geregeld vervoer als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
van de ASOR,
3°. in de relatie met andere
landen: geregeld vervoer als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
van de ASOR, tenzij anders bepaald in de met deze landen
gesloten overeenkomsten,
4°. in de relatie met landen die
partij zijn bij de Interbus-overeenkomst: geregeld vervoer als
bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Interbus-overeenkomst,
i. een bijzondere vorm van geregeld
vervoer:
1°. in de relatie met andere
lidstaten en met staten die partij zijn bij de EER: een
bijzondere vorm van geregeld vervoer in de zin van artikel 2,
eerste lid, punt 2, onder a tot en met c, van verordening (EEG)
nr. 684/92, voor zover dat vervoer beantwoordt aan de
voorwaarde, bedoeld in artikel 1, van die verordening,
2°. in de relatie met derde
landen: een bijzondere vorm van geregeld vervoer in de zin van
artikel 3, tweede lid, van de ASOR,
3°. in de relatie met andere
landen: een bijzondere vorm van geregeld vervoer als bedoeld in
artikel 3, tweede lid, van de ASOR, tenzij anders bepaald in de
met deze landen gesloten overeenkomsten,
4°. in de relatie met landen die
partij zijn bij de Interbus-overeenkomst: een bijzondere vorm
van geregeld vervoer als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van
de Interbus-overeenkomst,
j. pendelvervoer:
1°. in de relatie met derde
landen: pendelvervoer als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van
de ASOR,
2°. in de relatie met andere
landen: pendelvervoer als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van
de ASOR, tenzij anders bepaald in de met deze landen gesloten
overeenkomsten,
3°. in de relatie met landen die
partij zijn bij de Interbus-overeenkomst: pendelvervoer als
bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Interbus-overeenkomst,
k. ongeregeld vervoer:
1°. in de relatie met andere
Beneluxlanden: ongeregeld vervoer in de zin van artikel 4 van de
Beneluxbeschikking,
2°. in de relatie met andere
lidstaten en met staten die partij zijn bij de EER: ongeregeld
vervoer als bedoeld in artikel 2, derde lid, van verordening (EEG)
nr. 684/92, voor zover dat voldoet aan de voorwaarden, bedoeld
in artikel 1 van die verordening,
3°. in de relatie met derde
landen: ongeregeld vervoer in de zin van artikel 2, eerste lid,
van de ASOR voor zover dat vervoer beantwoordt aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 1 van deze overeenkomst,
4°. in de relatie met andere
landen: het grensoverschrijdend vervoer van personen met
autobussen dat noch aan de definitie van geregeld vervoer in de
onderdeel i, noch aan de definitie van pendelvervoer in
onderdeel i voldoet, omvattende:
het vervoer in gesloten
rondritten, daaronder begrepen vervoer met hetzelfde
voertuig dat dezelfde groep reizigers over het gehele
traject vervoert en naar de plaats van vertrek terugbrengt,
het vervoer waarbij de
heenreis met en de terugreis zonder reizigers plaatsvindt,
alle andere vormen van
vervoer.
5°. in relatie met landen die
partij zijn bij de Interbus-overeenkomst: ongeregeld
internationaal vervoer als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van
de Interbusovereenkomst,
l. vervoer voor eigen rekening:
vervoer voor eigen rekening als bedoeld in artikel 4.
§ 2. Algemene bepalingen
Artikel 90
Op vervoer van personen dat in Nederland
wordt verricht door een vervoerder die niet in Nederland is gevestigd en
waarbij voor dat vervoer ten minste een grens tussen landen wordt
overschreden, is de wet slechts van toepassing voor zover voorzien in
dit hoofdstuk.
Artikel 91
1. Onze Minister beslist op een
aanvraag om een vergunning, een attest of een bewijs van toelating
voor internationaal vervoer als bedoeld in dit hoofdstuk. Hij kan
ambtshalve of op verzoek de vergunning, het attest of het bewijs van
toelating vernieuwen, wijzigen of intrekken. De vergunning kan tevens
ambtshalve worden geschorst.
2. Reisbladenboekjes als bedoeld in
artikel 11, vierde lid, van verordening (EEG) nr. 684/92 en artikel 7,
eerste lid, van de ASOR, alsmede in artikel 11 van de
Interbus-overeenkomst worden voor Nederland afgegeven door Onze
Minister.
3. Een kopie van het reisblad als
bedoeld in artikel 2 van verordening (EG) nr. 2121/98 en in artikel 13
van de ASOR, alsmede in artikel 13 van de Interbus-overeenkomst wordt
op het hoofdkantoor van de desbetreffende vervoerder tenminste twee
jaar bewaard.
Artikel 92 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 93
Het is verboden een bewerkt gewaarmerkt
afschrift van een vergunning te gebruiken.
Artikel 94
Hoofdstuk 2, paragrafen 1, 2 en 3, zijn
van overeenkomstige toepassing op de verlening, wijziging of intrekking
van vergunningen en documenten als bedoeld in dit hoofdstuk.
§ 3. Geregeld vervoer en een bijzondere
vorm van geregeld vervoer van en naar andere lidstaten en staten die
partij zijn bij de EER
Artikel 95
Het is verboden in strijd met het
bepaalde bij of krachtens verordening (EEG) nr. 684/92 geregeld vervoer
of een bijzondere vorm van geregeld vervoer te verrichten van en naar
andere lidstaten en van en naar staten die partij zijn bij de EER.
Artikel 96
De vervoerder die geregeld vervoer of een
bijzondere vorm van geregeld vervoer verricht van en naar andere
lidstaten dan wel van en naar staten die partij zijn bij de EER, draagt
zorg dat in de bus waarmee het vervoer wordt verricht, een gewaarmerkt
afschrift van de communautaire vergunning aanwezig is en:
a. indien het geregeld vervoer
betreft: de vergunning krachtens welke het vervoer wordt verricht of
een door Onze Minister gewaarmerkt afschrift van deze vergunning,
b. indien het een bijzondere vorm van
geregeld vervoer betreft: de overeenkomst, bedoeld in artikel 4,
tweede lid, van verordening (EEG) nr. 684/92 of het door Onze
Minister gewaarmerkt afschrift van de vergunning.
Artikel 97
1. De in Nederland gevestigde
vervoerder die geregeld vervoer verricht van en naar andere lidstaten
dan wel staten die partij zijn bij de EER, verstrekt aan Onze Minister
binnen twee maanden na afloop van ieder kalenderjaar, de gegevens in
een vervoerverslag van elk in dat jaar per kwartaal verricht vervoer.
2. Onze Minister stelt het model vast
voor het vervoerverslag.
§ 4. Geregeld vervoer en een bijzondere
vorm van geregeld vervoer van en naar derde landen, landen die partij
zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere landen
Artikel 98
1. Het is verboden geregeld vervoer of
een bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar derde landen,
landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst of andere landen
te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning.
2. Een vergunning als bedoeld in het
eerste lid wordt aan de in Nederland gevestigde vervoerder slechts
verleend indien hem een communautaire vergunning is verleend.
Artikel 99
1. Indien de vervoerder, aan wie een
vergunning is verleend voor het verrichten van geregeld vervoer, het
voornemen heeft de exploitatie te beėindigen voordat de vergunning
haar geldigheid heeft verloren, stelt hij uiterlijk drie maanden
vóór het tijdstip waarop hij zich voorstelt de exploitatie te
beėindigen, Onze Minister schriftelijk in kennis van dit voornemen
onder opgave van de redenen.
2. De vervoerder maakt zijn voornemen
op zodanige wijze kenbaar, dat de betrokken reizigers en overige
belanghebbenden ervan kunnen kennis nemen.
Artikel 100
De vervoerder die geregeld vervoer of een
bijzondere vorm van geregeld vervoer van en naar derde landen, landen
die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst of andere landen verricht,
draagt er zorg voor dat in de bus waarmee dat vervoer wordt verricht de
vergunning krachtens welke het vervoer wordt verricht of het door Onze
Minister gewaarmerkt afschrift daarvan aanwezig is.
Artikel 101
1. De in Nederland gevestigde
vervoerder die geregeld vervoer of een bijzondere vorm van geregeld
vervoer van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de
Interbus-overeenkomst of andere landen verricht, verstrekt aan Onze
Minister binnen twee maanden na afloop van ieder kalenderjaar van elk
in dat jaar per kwartaal verricht vervoer de gegevens in een
vervoerverslag.
2. Onze Minister stelt het model vast
voor het vervoerverslag.
§ 5. Pendelvervoer van en naar derde
landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst en andere
landen
Artikel 102
1. Het is verboden pendelvervoer van en
naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst
en andere landen te verrichten zonder een daartoe strekkende
vergunning, tenzij met een land is overeengekomen dat geen vergunning
is vereist.
2. Een vergunning als bedoeld in het
eerste lid wordt aan de in Nederland gevestigde vervoerder slechts
verleend indien hem een communautaire vergunning is verleend.
Artikel 103
De vervoerder die pendelvervoer van en
naar derde landen, landen die partij zijn bij de Interbus-overeenkomst
of andere landen verricht, draagt er zorg voor dat in de bus waarmee dat
vervoer wordt verricht de vergunning krachtens welke het vervoer wordt
verricht of het door Onze Minister gewaarmerkt afschrift daarvan
aanwezig is.
§ 6. Ongeregeld vervoer met bussen uit
lidstaten, derde landen, landen die partij zijn bij de
Interbus-overeenkomst en andere landen
Artikel 104
1. Het is vervoerders die in Nederland,
Belgiė of Luxemburg zijn gevestigd, verboden ongeregeld vervoer te
verrichten in strijd met de Beneluxbeschikking.
2. Onverminderd het eerste lid, is het
verboden met bussen die blijkens het kenteken zijn ingeschreven in
lidstaten dan wel in staten die partij zijn bij de EER, ongeregeld
vervoer te verrichten in strijd met het bepaalde bij of krachtens
verordening (EEG) nr. 684/92.
3. Het is verboden met bussen die
blijkens het kenteken zijn ingeschreven in derde landen, ongeregeld
vervoer te verrichten in strijd met de ASOR.
4. Het is verboden met bussen die
blijkens het kenteken zijn ingeschreven in landen die partij zijn bij
de Interbus-overeenkomst ongeregeld vervoer te verrichten in strijd
met de Interbus-overeenkomst.
Artikel 105
1. Het is verboden ongeregeld vervoer
als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de ASOR, van en
naar derde landen te verrichten zonder een daartoe strekkende
vergunning, met uitzondering van het vervoer, bedoeld in artikel 5,
tweede lid, van die overeenkomst.
2. Het is verboden ongeregeld vervoer
als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Interbus-overeenkomst te
verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning als bedoeld in
artikel 15 van de Interbus-overeenkomst, met uitzondering van het
vervoer bedoeld in artikel 6 van die overeenkomst.
Artikel 106
Het is verboden met bussen die blijkens
het kenteken zijn ingeschreven in een andere staat, ongeregeld vervoer
te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning, tenzij met een
staat is overeengekomen dat geen vergunning is vereist.
Artikel 107
De in Nederland gevestigde vervoerder die
ongeregeld vervoer als bedoeld in deze paragraaf verricht, is houder van
een communautaire vergunning.
Artikel 108
De vervoerder die ongeregeld vervoer
verricht met bussen van en naar lidstaten dan wel staten die partij zijn
bij de EER of de Interbus-overeenkomst dan wel derde landen, draagt zorg
dat in de bus waarmee het vervoer wordt verricht aanwezig is:
a. indien het betreft vervoer als
bedoeld in artikel 2, derde lid, punt 1, eerste alinea van
verordening (EEG) nr. 684/92 van en naar lidstaten dan wel staten
die partij zijn bij de EER: het reisblad en het gewaarmerkt
afschrift van de communautaire vergunning,
b. indien het betreft vervoer als
bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de ASOR van en naar
derde landen en het wordt verricht door een in Nederland gevestigde
vervoerder: het reisblad en het gewaarmerkt afschrift van de
communautaire vergunning,
c. indien het betreft vervoer als
bedoeld in artikel 5, derde lid, van de ASOR van en naar derde
landen en het wordt verricht door een in Nederland gevestigde
vervoerder: een gewaarmerkt afschrift van de vergunning en het
gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning,
d. indien het betreft vervoer als
bedoeld in artikel 6 van de Interbus-overeenkomst van en naar landen
die partij zijn bij die overeenkomst en het vervoer wordt verricht
door een in Nederland gevestigde vervoerder: het reisblad en het
gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning,
e. indien het betreft vervoer als
bedoeld in artikel 7 van de Interbus-overeenkomst van en naar landen
die partij zijn bij die overeenkomst en het vervoer wordt verricht
door een in Nederland gevestigde vervoerder: een gewaarmerkt
afschrift van de vergunning en het gewaarmerkt afschrift van de
communautaire vergunning.
Artikel 109
De vervoerder die ongeregeld vervoer van
en naar derde landen verricht, draagt er zorg voor dat in de bus waarmee
dat vervoer wordt verricht, indien het vervoer betreft waarvoor op grond
van artikel 105 een vergunning is vereist, de vergunning krachtens welke
het vervoer wordt verricht of het door Onze Minister gewaarmerkt
afschrift daarvan aanwezig is.
§ 7. Vervoer voor eigen rekening
Artikel 110
Het is verboden in strijd met het
bepaalde bij of krachtens verordening (EEG) nr. 684/92 vervoer voor
eigen rekening te verrichten van en naar andere lidstaten dan wel staten
die partij zijn bij de EER.
Artikel 111 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 112
De vervoerder die vervoer voor eigen
rekening, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van verordening (EEG)
nr. 684/92, van en naar andere lidstaten dan wel staten die partij zijn
bij de EER verricht, draagt er zorg voor dat in de bus waarmee het
vervoer wordt verricht een attest, als bedoeld in artikel 13, eerste
lid, van verordening (EEG) nr. 684/92, aanwezig is.
Artikel 113
Het is verboden vervoer voor eigen
rekening van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de
Interbus-overeenkomst of andere landen te verrichten zonder een daartoe
strekkende vergunning, tenzij met een land is overeengekomen dat geen
vergunning is vereist.
Artikel 114
De vervoerder die vervoer voor eigen
rekening van en naar derde landen, landen die partij zijn bij de
Interbus-overeenkomst of andere landen verricht, draagt er zorg voor dat
in de bus waarmee vervoer wordt verricht, de vergunning krachtens welke
het vervoer wordt verricht of een door Onze Minister gewaarmerkt
afschrift daarvan aanwezig is.
§ 8. Internationaal taxivervoer
Artikel 115
1. Artikel 76 van de wet is niet van
toepassing op taxivervoer met een auto die blijkens het kenteken
buiten Nederland is geregistreerd, mits het betreft:
a. vervoer in gesloten rondritten,
dat wil zeggen vervoer dat begint en eindigt in het land waar de
auto is ingeschreven en dat wordt uitgevoerd met dezelfde auto
waarbij over het gehele traject dezelfde reizigers worden
vervoerd,
b. vervoer waarbij de heenreis met
reizigers en de terugreis naar het land waar de auto is
ingeschreven, zonder reizigers geschiedt,
c. vervoer waarbij de heenreis
zonder reizigers geschiedt teneinde reizigers op te halen die
worden vervoerd naar een bestemming buiten Nederland,
d. vervoer waarbij de heenreis met
reizigers geschiedt en waarbij de terugreis met andere reizigers
geschiedt en de bestemming buiten Nederland ligt.
2. Artikel 76 van de wet is evenmin van
toepassing op taxivervoer met een auto die blijkens het kenteken is
geregistreerd in Belgiė of Luxemburg, waarbij de heenreis zonder
reizigers geschiedt teneinde reizigers op te nemen die de auto hadden
besteld voordat de auto Nederland was binnengekomen.
3. De vervoerder, bedoeld in het eerste
en tweede lid, beschikt over een vergunning voor het verrichten van
taxivervoer van het land waar de auto is geregistreerd.
Artikel 116 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 117
De vervoerder, bedoeld in artikel 115,
draagt er zorg voor dat in de auto aanwezig is:
a. een vergunning als bedoeld in
artikel 115 of een gewaarmerkt afschrift hiervan,
b. een volledig en naar waarheid voor
de aanvang van de rit ingevuld, bij ministeriėle regeling
vastgesteld controledocument waarop tenminste is aangeven naam en
adres van de vervoerder, naam van de bestuurder, datum, kenteken en
zo nodig plaatsnummer van de auto, plaats en tijdstip van vertrek
van de rit en plaats en tijdstip van instappen en uitstappen van
reizigers.
Hoofdstuk 9. Strafbepalingen
Artikel 118
Overtreding van elk van de voorschriften
gesteld bij de artikelen 76, derde, vijfde en zesde lid, 77, eerste en
tweede lid, 78, eerste lid en 80 van de wet, en van de voorschriften
gesteld bij of krachtens de artikelen 14,19, 20, 26, 72a tot en met 83,
86 tot en met 88, 91, 93, 95 tot en met 110 en 112 tot en met 117 van
het besluit, vormt een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1, onder
4°, van de Wet op de economische delicten.
Hoofdstuk 10. Overgangs- en
slotbepalingen
§ 1. Overgangsbepalingen
Artikel 119
1. Artikel 6 is van toepassing op
vervoer als bedoeld in artikel 5b van het Besluit personenvervoer,
waarvan de overeenkomst op het moment van inwerkingtreding van dit
besluit nog niet was beėindigd.
2. Artikel 7 is van toepassing op
vervoer als bedoeld in artikel 5c van het Besluit personenvervoer,
waarvan de overeenkomst op het moment van inwerkingtreding van dit
besluit nog niet was beėindigd
Artikel 120
In afwijking van artikel 12 geldt voor
een beslissing op een aanvraag om verlening van een vergunning voor het
verrichten van taxivervoer een termijn van zes maanden, voorzover deze
aanvraag is gedaan voor 1 januari 2001.
Artikel 121
1. Gedurende de periode dat
vergunningen die krachtens de Wet personenvervoer zijn verleend,
overeenkomstig artikel 112 of 113 van de Wet personenvervoer 2000
geldig blijven, behouden ook de op deze vergunningen verstrekte
vergunningbewijzen hun geldigheid, behoudens het bepaalde in artikel
14.
2. Artikel 16 is niet van toepassing op
vergunningen als bedoeld in het eerste lid, die zijn verleend voor het
verrichten van openbaar vervoer.
Artikel 122
[Wijzigt dit besluit.] .
Artikel 123
[Wijzigt dit besluit.]
Artikel 124
Degene die in het bezit is van een
verklaring die voor 1 oktober 1999 overeenkomstig artikel 10 van
richtlijn nr. 96/26/EG is afgegeven door Onze Minister of door een
andere lidstaat dan Nederland, dan wel door een andere staat die partij
is bij de EER, voldoet aan de eis van vakbekwaamheid.
Artikel 125
Tot 1 juli 2001, wordt, in afwijking van
artikel 28, aan de eis van vakbekwaamheid voor het verrichten van
taxivervoer voldaan indien:
a. een vervoerder die taxivervoer
verricht bij de aanvraag van een vergunning voor het verrichten van
taxivervoer ten genoegen van Onze Minister aantoont in de periode
van 1 juli 1999 tot 1 december 1999 gemiddeld minimaal 30 uur per
week per auto taxivervoer te hebben verricht, waarbij is voldaan aan
de eisen, gesteld bij of krachtens de artikelen 62 en 63 van de Wet
personenvervoer en artikel 159 van het Besluit personenvervoer,
zoals deze golden tot 1 januari 2000 en
b. voor 1 juli 2001 aan artikel 28,
eerste lid, wordt voldaan, dan wel voor die datum, blijkens een door
Onze Minister afgegeven verklaring wordt aangetoond dat een persoon
als bedoeld in artikel 26, de laatste 5 jaar belast is geweest met
het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit
taxivervoer krachtens een geldige vergunning.
Artikel 126
Degene aan wie op grond van artikel 29
van het Besluit personenvervoer, zoals dat luidde voor de
inwerkingtreding van artikel 29, een ontheffing is verleend van de eis
van vakbekwaamheid, blijft vanaf de inwerkingtreding van dit besluit
ontheven van de eis van vakbekwaamheid onder de voorwaarden waaronder en
gedurende de periode waarvoor die ontheffing is verleend.
Artikel 127 [Vervallen per 01-10-2011]
Artikel 128
Een geneeskundige verklaring die voor de
inwerkingtreding van dit besluit op grond van artikel 157 van het
Besluit personenvervoer is afgegeven en zijn geldigheid niet heeft
verloren, wordt vanaf de inwerkingtreding van dit besluit gelijkgesteld
met de verklaring, bedoeld in artikel 74.
Artikel 129
Een wijziging van richtlijn nr. 96/26/EG
en richtlijn nr. 92/50/EEG gaat voor de toepassing van dit besluit
gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn
uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de
Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
§ 2. Aanpassing en intrekking van andere
besluiten
Artikel 130
[Wijzigt het Arbeidstijdenbesluit
vervoer]
Artikel 131
[Wijzigt het Besluit bedragen
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen]
Artikel 132
[Wijzigt het Wijzigingsbesluit Wet op de
rechterlijke organisatie en andere wetten in verband met de opheffing
van de functie van verkeersschout (Stb. 155), en aanpassing van lagere
regelgeving aan die wet]
Artikel 133
[Wijzigt het Besluit gevonden voorwerpen]
Artikel 134
[Wijzigt het Besluit goederenvervoer over
de weg]
Artikel 135
[Wijzigt het Besluit infrastructuurfonds]
Artikel 136
[Wijzigt het Interimbesluit
capaciteitstoewijzing spoorwegen]
Artikel 137
[Wijzigt het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990 (RVV 1990)]
Artikel 138
[Wijzigt het Transactiebesluit 1994]
Artikel 139
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting
van personenauto's en motorrijwielen 1992]
Artikel 140
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit
motorrijtuigenbelasting 1994]
Artikel 141
[Wijzigt het Voertuigreglement]
Artikel 142
[Wijzigt het Vreemdelingenbesluit]
Artikel 143
Na de inwerkingtreding van dit besluit
berusten de hierna genoemde ministeriėle regelingen op de daarbij
vermelde artikelen van dit besluit:
a. de Regeling aanwijzing instanties
afgifte legitimatiebewijs voor gehandicapten berust op artikel 45,
eerste lid, onderdeel b,
b. de Regeling rijksbijdrage openbaar
vervoer berust op de artikelen 54 tot en met 59,
c. het besluit van de Minister van
Verkeer en Waterstaat van 27 maart 2000, nr. CDJZ/WVW/2000-343
(Stcrt. 77) berust op artikel 71,
d. de Regeling experiment
meerjarenafspraken openbaar vervoer 2000 berust op artikel 72.
e. de Regeling maximumtarief en
bekendmaking tarieven taxivervoer berust mede op artikel 73,
f. de Regeling chauffeurspas
taxivervoer berust op de artikelen 75, 76 en 78,
g. de Regeling permanente eisen
bussen berust op artikel 80, derde lid, onder b,
h. de Regeling permanente eisen
taxi's berust op artikel 80, derde lid, onder b,
i. de Regeling vaststelling regels
voor de keuring van auto's berust op artikel 80, derde lid, onder a,
j. de Regeling vaststelling regels
voor de keuring van bussen berust op artikel 80, derde lid, onder a,
k. de Regeling vaststelling
controledocument internationaal taxivervoer berust op artikel 117,
onderdeel b.
§ 3. Slotbepalingen
Artikel 144
Dit besluit treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 145
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
personenvervoer 2000.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 14 december 2000
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos
Uitgegeven de achtentwintigste december 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Bijlage behorende bij artikel 35 van het Besluit personenvervoer 2000
1. openbaar vervoer per bus*
a. busbanen en bijbehorende brug/duiker/viaduct/aquaduct/tunnel,
b. busstation, inclusief voorzieningen voor aan- en afvoer van de
voertuigen of in- en uitstappen van reizigers,
c. verkeersregelsystemen,
d. verkeerssignalering,
e. wegmarkering (incl bussluizen),
f. bewegwijzering,
g. verkeersveiligheidsvoorziening,
h. wisselverwarmingsinstallaties,
i. opstelemplacementen of remises voor zover deze een functie
hebben als opstelplaats,
j. de gebouwen waarin de voorzieningen of installaties zijn
geplaatst, voor zover deze voorzieningen en installaties uitsluitend
bestemd en ingericht zijn voor het busvervoer.
* exclusief openbare wegen en uitsluitend voor openbaar vervoer
openstaande wegen voor zover die onderdeel uitmaken van openbare wegen
(bij voorbeeld busstroken op wegen, businhammen bij bushaltes)
§ 2. openbaar vervoer per tram of metro
a. railwegen en bijbehorende brug/duiker/viaduct/aquaduct/tunnel,
b. tram-/metrohalte inclusief perron,
c. rangeerterrein, opstelsporen als onderdeel van de te bedienen
baanvakken,
d. voertuigidentificatiesystemen,
e. voertuigbeheersingssystemen,
f. beveiligingssystemen,
g. verkeerssignalering,
h. verlichtingsinstallaties,
i. tractie-energievoorzieninginstallaties,
j. wisselverwarmingsinstallaties,
k. opstelemplacementen of remises voor zover deze een functie
hebben als opstelplaats,
l. de gebouwen waarin de voorzieningen of installaties zijn
geplaatst, voor zover deze voorzieningen en installaties uitsluitend
bestemd en ingericht zijn voor het tram- of metrovervoer en de (toegangs)wegen
op de terreinen voor tram- of metrovervoer ten dienste van dit
vervoer.
|
|
|