| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Arbeidstijdenwet (Atw)
NADERE
REGELING KINDERARBEID
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 3:2, derde lid, van de Arbeidstijdenwet;
Besluit:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1:1. Definities
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
– alternatieve sanctie:
a. de deelname aan een project, bedoeld in artikel 77e, van
het Wetboek van Strafrecht;
b. de vervulling van de voorwaarde, bedoeld in artikel 77f,
eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht, of
c. de uitvoering van de alternatieve sanctie, bedoeld in
artikel 77h, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;
– arbeid van lichte aard: werkzaamheden die niet te zwaar
zijn, geen gevaar opleveren of niet schadelijk zijn voor de
gezondheid;
– niet-industriële arbeid van lichte aard: arbeid van lichte
aard die niet wordt verricht met of aan mechanische
arbeidsmiddelen waaraan onacceptabele veiligheidrisico’s voor
een kind of zijn omgeving zijn verbonden;
– niet-industriële hulparbeid van lichte aard:
niet-industriële arbeid van lichte aard die bestaat uit het
verlenen van hand en spandiensten, waarbij geen sprake is van
zelfstandige productiearbeid en waarbij nadrukkelijk toezicht
wordt gehouden;
– schoolweek: een week waarin op één of meerdere dagen
onderwijs gevolgd wordt;
– uitvoering: het deelnemen aan uitvoeringen van culturele,
wetenschappelijke, opvoedkundige of artistieke aard, aan
modeshows, aan audio-, visuele of audio-visuele opnamen en daarmee
vergelijkbare uitvoeringen;
– vakantieweek: een week waarin geen onderwijs wordt gevolgd;
– voorarbeid: de met de uitvoering samenhangende arbeid
bestaande uit de noodzakelijke repetities alsmede de wacht- en
rusttijden.
2. Geen arbeid van lichte aard is in ieder geval arbeid waarbij:
a. op grond van de artikelen 3.46, 4.105, 4.106, 6.27, 7.39 of
9.36 van het Arbeidsomstandighedenbesluit voor jeugdige werknemers
arbeid is verboden dan wel daaraan bijzondere vereisten zijn
gesteld;
b. met maatregelen als bedoeld in artikel 2.15 van het
Arbeidsomstandighedenbesluit blootstelling aan psychosociale
arbeidsbelasting als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet niet
kan worden voorkomen of beperkt;
c. door een kind kassawerkzaamheden worden verricht;
d. door een kind niet in een gevarieerde werkhoudingen kan
worden gewerkt;
e. door een kind lasten worden getild van meer dan 10 kilogram;
f. door een kind voorwerpen worden geduwd of getrokken waarbij
meer dan 20 kilogram kracht nodig is, of
g. door een kind permanent persoonlijke beschermingsmiddelen
moeten worden gedragen om het risico tegen te gaan.
3. Onacceptabele veiligheidsrisico's voor een kind of zijn omgeving
zijn in ieder geval aanwezig bij werkzaamheden:
a. met of in de omgeving van mechanische arbeidsmiddelen
waarbij brand-,elektrocutie-, knel-, plet-, snij- of valgevaar
bestaat, of
b. waarbij op grond van artikel 1.37 van het
Arbeidsomstandighedenbesluit voor jeugdige werknemers bijzondere
vereisten zijn gesteld.
§ 2. Alternatieve sanctie
Artikel 2:1
Indien in het kader van een alternatieve sanctie een kind van 12 jaar
tot en met 14 jaar niet industriële hulparbeid van lichte aard verricht
of een kind van 15 jaar niet industriële arbeid van lichte aard
verricht, dan wordt in acht genomen, dat dat kind:
a. op zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat uit de
aard van de arbeid voortvloeit en het tegendeel is bedongen. Indien
de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van de vorige
zin worden afgeweken, indien de werkgever daartoe overeenstemming
heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of, bij het ontbreken
daarvan, met de belanghebbende werknemers. Een in de aanhef bedoelde
kind verricht in de omstandigheden, bedoeld in dit onderdeel,
uitsluitend arbeid op zondag, indien de ouders of verzorgers daarmee
voor dat geval instemmen;.
b. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren in elke
periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen 20.00
uur en 07.00 uur begrepen is;
c. in elke periode van 7 achtereenvolgende dagen een onafgebroken
rusttijd heeft van ten minste 36 uren;
d. tijdens een schoolweek niet langer arbeid verricht dan 20
uren, waarvan ten hoogste 2 uren per dag op dagen dat onderwijs
wordt gevolgd en ten hoogste 7 uren per dag op andere dagen;
e. tijdens een vakantieweek niet langer arbeid verricht dan 35
uren per week, waarvan ten hoogste 7 uren per dag;
f. gedurende ten hoogste 6 vakantieweken per jaar arbeid
verricht;
g. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur,
die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur
aaneengesloten.
§ 3. Arbeid naast en in samenhang met onderwijs
Artikel 3:1
1. Alvorens de in dit artikel bedoelde arbeid kan worden verricht
is een stageovereenkomst, bedoeld in artikel 35 van het
Inrichtingsbesluit W.V.O., gesloten, onderscheidenlijk een beslissing
van burgemeester en wethouders, waarbij goedkeuring wordt verleend op
een verzoek tot vervangende leerplicht, bedoeld in de artikelen 3a en
3b van de Leerplichtwet 1969. De stageovereenkomst wordt
(mede)ondertekend door een persoon, die over het betrokken kind het
ouderlijke gezag of de voogdij uitoefent of in wiens huishouding dat
kind is opgenomen.
2. Indien een kind van 14 jaar of ouder arbeid van lichte aard
verricht in het kader van een schoolwerkplan van zijn school
onderscheidenlijk een programma in het kader van de vervangende
leerplicht, dan wordt in acht genomen, dat dat kind:
a. op zondag geen arbeid verricht;
b. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren in
elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen
19.00 uur en 07.00 uur begrepen is.
c. niet langer arbeid verricht dan 35 uren per week, waarvan
ten hoogste 7 uren per dag;
d. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur,
die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur
aaneengesloten.
3. Voor de toepassing van dit artikel geldt de tijd waarop een kind
als bedoeld in het tweede lid onderwijs volgt of pleegt te volgen, de
onderbrekingen inbegrepen, als arbeidstijd.
4. Voor de toepassing van dit artikel wordt in afwijking van
artikel 1:1, tweede lid, onder arbeid van lichte aard mede verstaan
arbeid waarbij door een kind permanent persoonlijke
beschermingsmiddelen moeten worden gedragen.
Artikel 3:2. Maatschappelijke stage tijdens een schoolweek voor 13 en
14 jarigen
1. Alvorens de in dit artikel bedoelde arbeid kan worden verricht
is een stageovereenkomst als bedoeld in artikel 30a van het
Inrichtingsbesluit W.V.O., gesloten.
2. Indien een kind van 13 of 14 jaar tijdens een schoolweek
niet-industriële arbeid van lichte aard verricht in de vorm van een
maatschappelijke stage dan wordt in acht genomen, dat dat kind:
a. op zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat uit
de aard van de arbeid voortvloeit en het tegendeel is bedongen.
Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van
de vorige zin worden afgeweken, indien de werkgever daartoe
overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of,
bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers. Een
in de aanhef bedoelde kind verricht in de omstandigheden, bedoeld
in dit onderdeel, uitsluitend arbeid op zondag, indien de ouders
of verzorgers daarmee voor dat geval instemmen;
b. indien hij op zondag arbeid verricht, hij op de dag
voorafgaande aan die zondag geen arbeid verricht;
c. op ten minste 5 zondagen in elke periode van 16
achtereenvolgende weken geen arbeid verricht;
d. op niet meer dan ten hoogste 5 dagen arbeid verricht;
e. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren in
elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen
19.00 uur en 07.00 uur begrepen is;
f. niet langer arbeid verricht dan 12 uren, waarvan ten hoogste
2 uren per dag op dagen dat onderwijs wordt gevolgd en ten hoogste
7 uren per dag op andere dagen;
g. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur,
die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur
aaneengesloten.
Artikel 3:3. Maatschappelijke stage tijdens een vakantieweek voor 13
en 14 jarigen
1. Alvorens de in dit artikel bedoelde arbeid kan worden verricht
is een stageovereenkomst als bedoeld in artikel 30a van het
Inrichtingsbesluit W.V.O., gesloten.
2. Indien een kind van 13 of 14 jaar tijdens een vakantieweek
niet-industriële arbeid van lichte aard verricht in de vorm van een
maatschappelijke stage dan wordt in acht genomen, dat dat kind:
a. op zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat uit
de aard van de arbeid voortvloeit en het tegendeel is bedongen.
Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van
de vorige zin worden afgeweken, indien de werkgever daartoe
overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of,
bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers. Een
in de aanhef bedoelde kind verricht in de omstandigheden, bedoeld
in dit onderdeel, uitsluitend arbeid op zondag, indien de ouders
of verzorgers daarmee voor dat geval instemmen;
b. indien hij op zondag arbeid verricht, hij op de dag
voorafgaande aan die zondag geen arbeid verricht;
c. op ten minste 5 zondagen in elke periode van 16
achtereenvolgende weken geen arbeid verricht;
d. op niet meer dan ten hoogste 5 dagen arbeid verricht;
e. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren in
elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen
19.00 uur en 07.00 uur begrepen is;
f. niet langer arbeid verricht dan 35 uren per week, waarvan
ten hoogste 7 uren per dag;
g. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur,
die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur
aaneengesloten.
3. Een kind van 13 of 14 jaar mag gedurende ten hoogste 4
vakantieweken per jaar arbeid verrichten, waarvan ten hoogste 3
vakantieweken aaneengesloten.
Artikel 3:4. Maatschappelijke stage tijdens een schoolweek voor 15
jarigen
1. Alvorens de in dit artikel bedoelde arbeid kan worden verricht
is een stageovereenkomst als bedoeld in artikel 30a van het
Inrichtingsbesluit W.V.O., gesloten.
2. Indien een kind van 15 jaar tijdens een schoolweek
niet-industriële arbeid van lichte aard verricht in de vorm van een
maatschappelijke stage dan wordt in acht genomen, dat dat kind:
a. op zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat uit
de aard van de arbeid voortvloeit en het tegendeel is bedongen.
Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van
de vorige zin worden afgeweken, indien de werkgever daartoe
overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of,
bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers. Een
in de aanhef bedoelde kind verricht in de omstandigheden, bedoeld
in dit onderdeel, uitsluitend arbeid op zondag, indien de ouders
of verzorgers daarmee voor dat geval instemmen;
b. indien hij op zondag arbeid verricht, hij op de dag
voorafgaande aan die zondag geen arbeid verricht;
c. op ten minste 5 zondagen in elke periode van 16
achtereenvolgende weken geen arbeid verricht;
d. op niet meer dan ten hoogste 5 dagen arbeid verricht;
e. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren in
elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen
19.00 uur en 07.00 uur begrepen is;
f. niet langer arbeid verricht dan 12 uren, waarvan ten hoogste
2 uren per dag op dagen dat onderwijs wordt gevolgd en ten hoogste
8 uren per dag op andere dagen;
g. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur,
die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur
aaneengesloten.
Artikel 3:5. Maatschappelijke stage tijdens een vakantieweek voor 15
jarigen
1. Alvorens de in dit artikel bedoelde arbeid kan worden verricht
is een stageovereenkomst als bedoeld in artikel 30a van het
Inrichtingsbesluit W.V.O., gesloten.
2. Indien een kind van 15 jaar tijdens een vakantieweek
niet-industriële arbeid van lichte aard verricht in de vorm van een
maatschappelijke stage dan wordt in acht genomen, dat dat kind:
a. op zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat uit
de aard van de arbeid voortvloeit en het tegendeel is bedongen.
Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van
de vorige zin worden afgeweken, indien de werkgever daartoe
overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of,
bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers. Een
in de aanhef bedoelde kind verricht in de omstandigheden, bedoeld
in dit onderdeel, uitsluitend arbeid op zondag, indien de ouders
of verzorgers daarmee voor dat geval instemmen;
b. indien hij op zondag arbeid verricht, hij op de dag
voorafgaande aan die zondag geen arbeid verricht;
c. op ten minste 5 zondagen in elke periode van 16
achtereenvolgende weken geen arbeid verricht;
d. op niet meer dan ten hoogste 5 dagen arbeid verricht;
e. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren in
elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen
21.00 uur en 07.00 uur begrepen is;
f. niet langer arbeid verricht dan 40 uren per week, waarvan
ten hoogste 8 uren per dag;
g. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur,
die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur
aaneengesloten.
3. Een kind van 15 jaar mag gedurende ten hoogste 6 vakantieweken
per jaar arbeid verrichten, waarvan ten hoogste 4 vakantieweken
aaneengesloten.
§ 4. Niet-industriële (hulp)arbeid van lichte aard, niet zijnde
uitvoeringen, tijdens een schoolweek
Kind van 13 of 14 jaar
Artikel 4:1
1.Indien een kind van 13 of 14 jaar tijdens een schoolweek
niet-industriële hulparbeid van lichte aard verricht, niet zijnde een
uitvoering, dan wordt in acht genomen, dat dat kind:
a. op zondag geen arbeid verricht;
b. op dagen dat onderwijs wordt gevolgd geen arbeid verricht;
c. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren in
elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen
19.00 uur en 07.00 uur begrepen is;
d. niet langer arbeid verricht dan 12 uren, waarvan ten hoogste
7 uren per dag;
e. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur,
die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur
aaneengesloten.
2.Met inachtneming van het eerste lid, onder a, c en e, wordt,
indien een kind van 13 of 14 jaar tijdens een schoolweek incidenteel
niet-industriële hulparbeid van lichte aard verricht, die bestaat
uit:
a. het oppassen bij familie of kennissen,
b. het wassen van auto’s van derden,
c. het behulpzaam zijn bij het verspreiden van folders en huis-
aan huisbladen, in een gezinshuishouding of op een
kinderboerderij,
tevens in acht genomen, dat dat kind:
1°. op niet meer dan ten hoogste 5 dagen arbeid verricht;
2°. niet langer arbeid verricht dan 12 uren, waarvan ten
hoogste 2 uren per dag op dagen dat onderwijs wordt gevolgd en ten
hoogste 7 uren per dag op andere dagen.
3.Met inachtneming van het eerste lid, onderdelen a, c en e, wordt,
indien tijdens een schoolweek hulparbeid van lichte aard in de
landbouw of in een winkel die met een woonhuis één geheel vormt,
wordt verricht door een eigen, aangehuwd, pleeg- of adoptiekind van 13
of 14 jaar van de verantwoordelijke persoon, dat in dat woonhuis bij
hem inwoont, tevens in acht genomen, dat dat kind:
a. op niet meer dan ten hoogste 5 dagen arbeid verricht;
b. niet langer arbeid verricht dan 12 uren, waarvan ten hoogste
2 uren per dag op dagen dat onderwijs wordt gevolgd en ten hoogste
7 uren per dag op andere dagen.
Kind van 15 jaar
Artikel 4:2
Indien een kind van 15 jaar tijdens een schoolweek niet-industriële
arbeid van lichte aard verricht, niet zijnde een uitvoering, dan wordt
in acht genomen, dat dat kind:
a. op zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat uit de
aard van de arbeid voortvloeit en het tegendeel is bedongen. Indien
de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van de vorige
zin worden afgeweken, indien de werkgever daartoe overeenstemming
heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of, bij het ontbreken
daarvan, met de belanghebbende werknemers. Een in de aanhef bedoelde
kind verricht in de omstandigheden, bedoeld in dit onderdeel,
uitsluitend arbeid op zondag, indien de ouders of verzorgers daarmee
voor dat geval instemmen;
b. indien hij op zondag arbeid verricht, hij op de dag
voorafgaande aan die zondag geen arbeid verricht;
c. op ten minste 5 zondagen in elke periode van 16
achtereenvolgende weken geen arbeid verricht;
d. op niet meer dan ten hoogste 5 dagen arbeid verricht;
e. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren in elke
periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen 19.00
uur en 07.00 uur begrepen is;
f. niet langer arbeid verricht dan 12 uren, waarvan ten hoogste 2
uren per dag op dagen dat onderwijs wordt gevolgd en ten hoogste 8
uren per dag op andere dagen;
g. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur,
die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur
aaneengesloten.
§ 5. Niet-industriële (hulp)arbeid van lichte aard, niet zijnde
uitvoeringen, tijdens een vakantieweek
Kind van 13 of 14 jaar
Artikel 5:1
1.Indien een kind van 13 of 14 jaar tijdens een vakantieweek
niet-industriële hulparbeid van lichte aard verricht, niet zijnde een
uitvoering, dan wordt in acht genomen, dat dat kind:
a. op zondag geen arbeid verricht;
b. op niet meer dan ten hoogste 5 dagen arbeid verricht;
c. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren in
elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen
19.00 uur en 07.00 uur begrepen is;
d. niet langer arbeid verricht dan 35 uren per week, waarvan
ten hoogste 7 uren per dag;
e. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur,
die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur
aaneengesloten.
2.Een kind van 13 of 14 jaar mag gedurende ten hoogste 4
vakantieweken per jaar arbeid verrichten, waarvan ten hoogste 3
vakantieweken aaneengesloten.
Kind van 15 jaar
Artikel 5:2
1. Indien een kind van 15 jaar tijdens een vakantieweek
niet-industriële arbeid van lichte aard verricht, niet zijnde een
uitvoering, dan wordt in acht genomen, dat dat kind:
a. a. op zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat
uit de aard van de arbeid voortvloeit en het tegendeel is
bedongen. Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken,
kan van de vorige zin worden afgeweken, indien de werkgever
daartoe overeenstemming heeft bereikt met het
medezeggenschapsorgaan of, bij het ontbreken daarvan, met de
belanghebbende werknemers. Een in de aanhef bedoelde kind verricht
in de omstandigheden, bedoeld in dit onderdeel, uitsluitend arbeid
op zondag, indien de ouders of verzorgers daarmee voor dat geval
instemmen;
b. indien hij op zondag arbeid verricht, hij op de dag
voorafgaande aan die zondag geen arbeid verricht;
c. op niet meer dan ten hoogste 5 dagen arbeid verricht;
d. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren in
elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen
21.00 uur en 07.00 uur begrepen is;
e. niet langer arbeid verricht dan 40 uren per week, waarvan
ten hoogste 8 uren per dag;
f. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur,
die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur
aaneengesloten.
2. Een kind van 15 jaar mag gedurende ten hoogste 6 vakantieweken
arbeid verrichten, waarvan ten hoogste 4 vakantieweken aaneengesloten.
§ 6. Niet-industriële arbeid van lichte aard bestaande uit
uitvoeringen tijdens een schoolweek
Kind van 13 of 14 jaar
Artikel 6:1
1. Indien een kind van 13 of 14 jaar tijdens een schoolweek
niet-industriële arbeid van lichte aard verricht bestaande uit een
uitvoering, dan wordt in acht genomen, dat dat kind:
a. op zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat uit
de aard van de arbeid voortvloeit en het tegendeel is bedongen.
Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van
de vorige zin worden afgeweken, indien de werkgever daartoe
overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of,
bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers. Een
in de aanhef bedoelde kind verricht in de omstandigheden, bedoeld
in dit onderdeel, uitsluitend arbeid op zondag, indien de ouders
of verzorgers daarmee voor dat geval instemmen;
b. indien hij op zondag arbeid verricht, hij op de dag
voorafgaande aan die zondag geen arbeid verricht;
c. op ten minste 5 zondagen in elke periode van 16
achtereenvolgende weken geen arbeid verricht;
d. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren in
elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen
23.00 uur en 08.00 uur begrepen is;
e. niet meer dan ten hoogste 3 malen optreedt met een maximum
aan uitvoeringen tezamen met artikel 7:1, eerste lid, onder c, van
24 malen per jaar;
f. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur,
die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur
aaneengesloten;
g. zowel voor, tijdens als na de uitvoering deskundig wordt
begeleid.
2. Met inachtneming van het eerste lid, onderdeel c, bedraagt de
totale arbeidstijd met in begrip van de voorarbeid ten hoogste 7 uren
per dag en 12 uren per week.
Kind van 15 jaar
Artikel 6:2
1.Indien een kind van 15 jaar tijdens een schoolweek
niet-industriële arbeid van lichte aard verricht bestaande uit een
uitvoering, dan wordt in acht genomen, dat dat kind:
a. a. op zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat
uit de aard van de arbeid voortvloeit en het tegendeel is
bedongen. Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken,
kan van de vorige zin worden afgeweken, indien de werkgever
daartoe overeenstemming heeft bereikt met het
medezeggenschapsorgaan of, bij het ontbreken daarvan, met de
belanghebbende werknemers. Een in de aanhef bedoelde kind verricht
in de omstandigheden, bedoeld in dit onderdeel, uitsluitend arbeid
op zondag, indien de ouders of verzorgers daarmee voor dat geval
instemmen;
b. indien hij op zondag arbeid verricht, hij op de dag
voorafgaande aan die zondag geen arbeid verricht;
c. op ten minste 5 zondagen in elke periode van 16
achtereenvolgende weken geen arbeid verricht;
d. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren in
elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen
23.00 uur en 07.00 uur begrepen is;
e. niet meer dan ten hoogste 3 malen optreedt met een maximum
van 24 malen per jaar;
f. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur,
die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur
aaneengesloten;
g. zowel voor, tijdens als na de uitvoering deskundig wordt
begeleid.
2.Met inachtneming van het eerste lid, onderdeel c, bedraagt de
totale arbeidstijd met in begrip van de voorarbeid ten hoogste 8 uren
per dag en 12 uren per week.
§ 7. Niet-industriële arbeid van lichte aard bestaande uit
uitvoeringen tijdens een vakantieweek
Kind van 13 of 14 jaar
Artikel 7:1
1. Indien een kind van 13 of 14 jaar tijdens een vakantieweek
niet-industriële arbeid van lichte aard verricht bestaande uit een
uitvoering, dan wordt in acht genomen, dat dat kind:
a. op zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat uit
de aard van de arbeid voortvloeit en het tegendeel is bedongen.
Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van
de vorige zin worden afgeweken, indien de werkgever daartoe
overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of,
bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers. Een
in de aanhef bedoelde kind verricht in de omstandigheden, bedoeld
in dit onderdeel, uitsluitend arbeid op zondag, indien de ouders
of verzorgers daarmee voor dat geval instemmen;
b. indien hij op zondag arbeid verricht, hij op de dag
voorafgaande aan die zondag geen arbeid verricht;
c. ten hoogste 3 malen arbeid verricht tussen 19.00 uur en
23.00 uur met een maximum aan uitvoeringen tezamen met artikel
6:1, eerste lid, onder e, van 24 malen per jaar;
d. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren in
elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen
23.00 uur en 07.00 uur begrepen is;
e. niet langer arbeid verricht, met inbegrip van de voorarbeid,
dan 35 uren per week, waarvan ten hoogste 7 uren per dag;
f. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur,
die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur
aaneengesloten;
g. zowel voor, tijdens als na de uitvoering deskundig wordt
begeleid.
2. Een kind van 13 of 14 jaar mag gedurende ten hoogste 4
vakantieweken per jaar arbeid verrichten, waarvan ten hoogste 3
vakantieweken aaneengesloten.
Kind van 15 jaar
Artikel 7:2
1.Indien een kind van 15 jaar tijdens een vakantieweek
niet-industriële arbeid van lichte aard verricht bestaande uit een
uitvoering, dan wordt in acht genomen, dat dat kind:
a. op zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat uit
de aard van de arbeid voortvloeit en het tegendeel is bedongen.
Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van
de vorige zin worden afgeweken, indien de werkgever daartoe
overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of,
bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers. Een
in de aanhef bedoelde kind verricht in de omstandigheden, bedoeld
in dit onderdeel, uitsluitend arbeid op zondag, indien de ouders
of verzorgers daarmee voor dat geval instemmen;
b. indien hij op zondag arbeid verricht, hij op de dag
voorafgaande aan die zondag geen arbeid verricht;
c. ten hoogste 3 malen arbeid verricht tussen 19.00 uur en
23.00 uur;
d. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren in
elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen
23.00 uur en 07.00 uur begrepen is;
e. niet langer arbeid verricht, met inbegrip van de voorarbeid,
dan 40 uren per week, waarvan ten hoogste 8 uren per dag;
f. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur,
die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur
aaneengesloten;
g. zowel voor, tijdens als na de uitvoering deskundig wordt
begeleid.
2.Een kind van 15 jaar mag gedurende ten hoogste 6 vakantieweken
arbeid verrichten, waarvan ten hoogste 4 vakantieweken aaneengesloten.
§ 8. Niet-industriële arbeid van lichte aard voor kinderen met een
vrijstelling van de leerplicht
Artikel 8:1
1.Voor de toepassing van dit artikel geldt de tijd waarop onderwijs
wordt gevolgd en gelden de daarbij behorende onderbrekingen van het
onderwijs als arbeidstijd.
2.Indien voor een kind van 15 jaar een gehele of gedeeltelijke
vrijstelling geldt van de leerplicht en dit kind niet-industriële
arbeid van lichte aard verricht, dan wordt in acht genomen, dat dat
kind:
a. op zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat uit
de aard van de arbeid voortvloeit en het tegendeel is bedongen.
Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van
de vorige zin worden afgeweken, indien de werkgever daartoe
overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of,
bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers. Een
in de aanhef bedoelde kind verricht in de omstandigheden, bedoeld
in dit onderdeel, uitsluitend arbeid op zondag, indien de ouders
of verzorgers daarmee voor dat geval instemmen;
b. indien hij op zondag arbeid verricht, hij op de dag
voorafgaande aan die zondag geen arbeid verricht;
c. op ten minste 5 zondagen in elke periode van 16
achtereenvolgende weken geen arbeid verricht;
d. niet langer arbeid verricht dan 40 uren per week, waarvan
ten hoogste 8 uren per dag;
e. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren in
elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen
19.00 uur en 07.00 uur begrepen is;
f. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur,
die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur
aaneengesloten.
§ 9. Het bezorgen van ochtendkranten
Artikel 9:1
1.Alvorens de in dit artikel bedoelde arbeid kan worden verricht is
een bezorgovereenkomst gesloten tussen de werkgever en het kind. De
bezorgovereenkomst wordt (mede)ondertekend door een persoon, die over
het betrokken kind het ouderlijke gezag of de voogdij uitoefent of in
wiens huishouding dat kind is opgenomen.
2.Indien een kind van 15 jaar arbeid verricht, bestaande uit het
bezorgen van ochtendkranten, dan wordt in acht genomen, dat dat kind:
a. indien hij op zondag arbeid verricht, hij de dag
voorafgaande aan die zondag geen arbeid verricht;
b. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren in
elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen
19.00 uur en 06.00 uur begrepen is;
c. niet langer arbeid verricht dan 2 uren per dag.
§ 10. Samenloop tijdens schoolweek
Kind van 13 of 14 jaar
Artikel 10:1
Indien een kind van 13 of 14 jaar in een schoolweek arbeid verricht,
waarop de artikelen 3:2, 4:1 of 6:1 van toepassing zijn, geldt elk van
die regels op de onderscheiden categorieën van arbeid, met dien
verstande dat hij niet langer arbeid verricht dan 12 uren per week,
waarvan ten hoogste 2 uren per dag op dagen dat onderwijs wordt gevolgd
en ten hoogste 7 uren per dag op andere dagen.
Kind van 15 jaar
Artikel 10:2
Indien een kind van 15 jaar in een schoolweek arbeid verricht, waarop
de artikelen 3:4, 4:2, 6:2 of9:1 van toepassing zijn, geldt elk van die
regels op de onderscheiden categorieën van arbeid, met dien verstande
dat hij niet langer arbeid verricht dan 12 uren per week, waarvan ten
hoogste 2 uren per dag op dagen dat onderwijs wordt gevolgd en ten
hoogste 8 uren per dag op andere dagen.
§ 11. Samenloop tijdens een vakantieweek
Kind van 13 of 14 jaar
Artikel 11:1
Indien een kind van 13 of 14 jaar in een vakantieweek arbeid
verricht, waarop de artikelen 3:3, 5:1 of7:1 van toepassing zijn, geldt
elk van die regels op de onderscheiden categorieën van arbeid, met dien
verstande dat hij niet langer arbeid verricht dan 35 uren per week,
waarvan ten hoogste 7 uren per dag.
Kind van 15 jaar
Artikel 11:2
Indien een kind van 15 jaar in een vakantieweek arbeid verricht,
waarop de artikelen 3:5, 5:2, 7:2 of9:1 van toepassing zijn, geldt elk
van die regels op de onderscheiden categorieën van arbeid, met dien
verstande dat hij niet langer arbeid verricht dan 40 uren per week,
waarvan ten hoogste 8 uren per dag.
§ 12. Andere vormen van samenloop
Artikel 12:1
1.Indien een kind van 12 jaar tot en met 14 jaar arbeid verricht
als bedoeld in artikel 2:1 en tevens in de week andere arbeid
verricht, geldt elk van die regels op de onderscheiden categorieën
van arbeid, met dien verstande dat hij niet langer arbeid verricht dan
35 uren per week, waarvan ten hoogste 7 uren per dag.
2.Indien een kind van 15 jaar arbeid verricht als bedoeld in
artikel 2:1 en tevens in de week andere arbeid, geldt elk van die
regels op de onderscheiden categorieën van arbeid, met dien verstande
dat hij niet langer arbeid verricht dan 40 uren per week, waarvan ten
hoogste 8 uren per dag.
3.Indien een kind van 14 jaar arbeid verricht als bedoeld in
artikel 3:1 en tevens in de week andere arbeid verricht, geldt elk van
die regels op de onderscheiden categorieën van arbeid, met dien
verstande dat hij niet langer arbeid verricht dan 35 uren per week,
waarvan ten hoogste 7 uren per dag.
4.Indien een kind van 15 jaar arbeid verricht als bedoeld in
artikel 8:1 en tevens in de week andere arbeid verricht, geldt elk van
die regels op de onderscheiden categorieën van arbeid, met dien
verstande dat hij niet langer arbeid verricht dan 40 uren per week,
waarvan ten hoogste 8 uren per dag.
§ 13. Slotbepalingen
Artikel 13:1
Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de
Arbeidstijdenwet in werking treedt.
Artikel 13:2
Deze regeling wordt aangehaald als: Nadere regeling kinderarbeid.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 13 december 1995.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
|
|
|