REGELING houdende regels voor de goedkeuring en het gebruik van
controleapparaten alsmede de erkenning van installateurs en reparateurs
van controleapparaten en tot wijziging van de Regeling taken Dienst
Wegverkeer, de Regeling wijze van keuren APK en de Erkenningsregeling
snelheidsbegrenzers (Regeling controleapparaten 2005)
De Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister Van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 9:2, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet en artikel
2.4:12, aanhef en onder f en g, en artikel 2.4:13, eerste lid, van
het Arbeidstijdenbesluit vervoer;
Besluiten:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. analoog controleapparaat: controleapparaat als bedoeld in
bijlage I van verordening (EEG) nr. 3821/85;
b. digitaal controleapparaat: controleapparaat als bedoeld in
bijlage IB van verordening (EEG) nr. 3821/85;
c. onderzoek: het op grond van artikel 46, onderdeel a en b,
verplichte onderzoek van het controleapparaat;
d. erkenninghouder: een installateur of een reparateur van
controleapparaten die op grond van deze regeling als zodanig is
erkend;
e. installateur: natuurlijke persoon of rechtspersoon die
bedrijfsmatig de installatie verzorgt van alsmede onderzoeken
verricht aan controleapparaten;
f. reparateur: natuurlijk persoon of rechtspersoon die
bedrijfsmatig reparaties uitvoert aan controleapparaten;
g. importeur: door de fabrikant contractueel erkende importeur;
h. werkplaats: inrichting waarin een erkenninghouder de
werkzaamheden als bedoeld in deze regeling mag verrichten;
i. inrichting: perceel of enkele kadastraal aangrenzende percelen
waarop één of meer gebouwen zijn geplaatst;
j. mobiele installatie-eenheid: installatie-eenheid waarmee een
erkenninghouder afwisselend in verscheidene werkplaatsen als
installateur werkzaamheden als bedoeld in deze regeling mag
verrichten.
§ 2. Goedkeuring controleapparaten
Artikel 2
1. Een goedkeuring van een controleapparaat of registratieblad
wordt door de Dienst Wegverkeer verleend indien voldaan wordt aan het
bepaalde bij of krachtens artikel 5 tot en met 11 van verordening
(EEG) nr. 3821/85.
2. De aanvraag tot goedkeuring van een controleapparaat of
registratieblad wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer, waarbij alle
op het controleapparaat en het registratieblad betrekking hebbende
gegevens worden overgelegd.
§ 3. Aanvraag en verlening van een erkenning als installateur of
reparateur
Artikel 3
1. De Dienst Wegverkeer kan een erkenning verlenen als:
a. installateur;
b. reparateur.
2. In de erkenning wordt vermeld:
a. of het een erkenning als installateur, dan wel als reparateur
betreft;
b. de door de erkenninghouder gevoerde merken controleapparaten ten
aanzien waarvan de erkenning verleend wordt;
c. naam en adres van de erkenninghouder;
d. het adres van de werkplaats waar de met installatie, onderzoek
en reparatie verband houdende werkzaamheden worden verricht;
e. het ingevolge artikel 7 toegekende verzegelnummer.
3. In plaats van de gegevens van artikel 3, tweede lid, onderdeel
d, wordt in de erkenning als bedoeld in artikel 4, tweede lid, vermeld:
a. de naam van de persoon die de werkzaamheden verricht; en
b. het kenteken van het voertuig van waaruit de werkzaamheden
worden verricht.
Artikel 4
1. De Dienst Wegverkeer verleent een erkenning als installateur
of reparateur aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon voor een of
meer in Nederland gevestigde werkplaatsen die elk voldoen aan de in
paragraaf 4 gestelde erkenningseisen voor de door hen gevoerde merken
controleapparaten.
2. Dienst Wegverkeer verleent een erkenning als installateur aan
de natuurlijke persoon of rechtspersoon voor een in Nederland werkzame
mobiele installatie-eenheid die voldoet aan de eisen, gesteld in de
artikelen 9, 11, 12, eerste lid en derde lid, 13 en 14 voor de door deze
gevoerde merken controleapparaten.
Artikel 5
1. De aanvraag voor een erkenning wordt bij de Dienst
Wegverkeer ingediend door middel van een volledig ingevuld en
ondertekend aanvraagformulier.
2. De aanvrager van een erkenning overlegt tegelijk met het
aanvraagformulier de volgende bescheiden:
a. voor zover inschrijving in het handelsregister ingevolge de
Handelsregisterwet verplicht is, een niet eerder dan één jaar vóór
het tijdstip van indiening van de aanvraag door de secretaris van de
Kamer van Koophandel en Fabrieken, waarbij de aanvrager of een
onderneming waarop de aanvraag betrekking heeft, is ingeschreven,
verstrekt schriftelijk uittreksel, waaruit blijkt dat de aanvrager of
de onderneming op het tijdstip van afgifte van dat geschrift was
ingeschreven in het handelsregister;
b. voor zover inschrijving in het verenigingenregister of het
stichtingenregister ingevolge boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
verplicht is of inschrijving in het verenigingenregister ingevolge
artikel 30, derde lid, van Boek 2 van genoemd wetboek is geschied, een
niet eerder dan één jaar vóór het tijdstip van indiening van de
aanvraag door de secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken
waarbij de aanvrager is ingeschreven, verstrekte schriftelijke
mededeling, waaruit blijkt dat de aanvrager op het tijdstip van
afgifte van die afdruk of mededeling was ingeschreven in het
verenigingenregister of in het stichtingenregister;
c. indien de aanvraag namens de aanvrager door een ander wordt
ingediend, een gewaarmerkt afschrift van een geschrift waaruit blijkt
dat die ander tot de vertegenwoordiging bevoegd is.
Artikel 6
De Dienst Wegverkeer kent aan de erkenninghouder toegangscodes toe
voor de melding van de installatie of het onderzoek, bedoeld in artikel
36.
Artikel 7
De Dienst Wegverkeer kent een verzegelnummer toe aan:
a. de erkenninghouder;
b. de op grond van artikel 8:1, tweede lid, van de
Arbeidstijdenwet aangewezen ambtenaren.
§ 4. Erkenningseisen
Artikel 8
De aanvrager van een erkenning als installateur of reparateur
beschikt over een werkplaats die verwarmd, overdekt, behoorlijk af te
sluiten en goed verlicht is.
Artikel 9
1. De aanvrager van een erkenning als installateur beschikt
over:
a. door de fabrikant of importeur van controleapparaten
voorgeschreven wegdraaital-meetapparatuur geschikt voor zowel
mechanische als elektronische controleapparaataandrijving;
b. een door de fabrikant of importeur van controleapparaten
voorgeschreven impulsenteller ten behoeve van het afstellen van
elektronisch aanpasbare controleapparaten;
c. een door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde rollentestbank of
remmentestbank, aangepast op een door de fabrikant of importeur van
controleapparaten voorgeschreven wijze, ten behoeve van het bepalen
van het wegdraaital of het bepalen van de bandenomtrek dan wel een
voor motorrijtuigen geschikte horizontale effen meetbaan van ten
minste 20 meter lengte.
d. een verzegelinrichting, geschikt voor de gevoerde merken
controleapparaat;
e. een bandenpomp met bandenluchtdrukmeetapparatuur;
f. door de fabrikant of importeur van controleapparaten
voorgeschreven goedgekeurde testapparatuur voor snelheids- en
afstandsmetingen alsmede voor de daarop betrekking hebbende
registratie;
g. overige, door de fabrikant of importeur van de gevoerde merken
controleapparaat voorgeschreven gereedschappen, apparatuur,
werkplaatshandboeken en documentatie;
h. een afsluitbare kast, dan wel over een gelijkwaardige
voorziening, waarin de in het eerste lid onder d genoemde
verzegelinrichting en onder a, b en f genoemde testapparatuur kunnen
worden opgeborgen.
2. De aanvrager van een erkenning als installateur voor een
analoog controleapparaat beschikt in aanvulling op het eerste lid over:
a. apparatuur voorzien van een loep voor het onderzoeken van
registratiebladen;
b. een onderzoeksjablone, waarop de toegestane tolerantiegebieden
staan aangegeven;
3. De apparatuur, genoemd in het eerste lid, onderdeel f, en het
tweede lid, onderdelen a en b, is niet vereist voor werkplaatsen van
fabrikanten of importeurs van motorrijtuigen, mits de installaties
uitsluitend betrekking hebben op motorrijtuigen die voor de eerste maal
in gebruik worden genomen.
4. De in dit artikel bedoelde apparatuur is deugdelijk en
verkeert in goede staat.
Artikel 10
1. De aanvrager van een erkenning als reparateur beschikt over:
a. een door de fabrikant of importeur van controleapparaten
voorgeschreven impulsenteller ten behoeve van het afstellen van
elektronisch aanpasbare controleapparaten;
b. door de fabrikant of importeur van controleapparaten
voorgeschreven testapparatuur voor snelheids- en afstandsmetingen
alsmede voor de daarop betrekking hebbende registratie;
c. een verzegelinrichting welke geschikt is voor de gevoerde merken
controleapparaat;
d. overige, door de fabrikant of importeur van de gevoerde merken
controleapparaat voorgeschreven gereedschappen, apparatuur,
werkplaatshandboeken en documentatie.
2. De aanvrager van een erkenning als reparateur voor een analoog
controleapparaat beschikt in aanvulling op het eerste lid over:
a. apparatuur voorzien van een loep voor het onderzoeken van
registratiebladen;
b. een onderzoekssjablone, waarop de toegestane tolerantiegebieden
staan aangegeven.
3. De in dit artikel bedoelde apparatuur is deugdelijk en
verkeert in goede staat.
Artikel 11
1. De aanvrager van een erkenning als installateur of
reparateur beschikt over een register, waarin de gegevens als bedoeld
in de artikelen 30 en 31 kunnen worden opgeslagen.
2. De aanvrager van een erkenning als installateur of reparateur
van digitale controleapparaten kan door tussenkomst van de fabrikant of
importeur van het digitale controleapparaat beschikken over een
certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht, waarop de
gegevens als bedoeld in artikel 34, zesde lid, zijn vermeld.
Artikel 12
1. De aanvrager van een erkenning als installateur, dan wel het
door hem voor installatie en onderzoek van controleapparaten
aangewezen personeel, heeft met goed gevolg met betrekking tot de door
de erkenninghouder te voeren merken controleapparaten een cursus
doorlopen met betrekking tot:
a. het installeren en functioneren van controleapparaten;
b. het functioneren van snelheidsbegrenzers met betrekking tot
aspecten die van belang zijn bij de installatie en het onderzoek van
controleapparaten;
c. het functioneren van motorrijtuigen met betrekking tot aspecten
die van belang zijn bij de installatie en het onderzoek van
controleapparaten;
d. de wettelijke voorschriften ten aanzien van controleapparaten
alsmede ten aanzien van snelheidsbegrenzers voor zover van belang voor
de installatie en het onderzoek van controleapparaten.
2. De aanvrager van een erkenning als reparateur dan wel het door
hem voor reparatie van controleapparaten aangewezen personeel heeft met
goed gevolg met betrekking tot de door de erkenninghouder te voeren
merken controleapparaten een cursus doorlopen met betrekking tot:
a. het repareren van controleapparaten;
b. de wettelijke voorschriften ten aanzien van controleapparaten.
3. De in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid bedoelde
cursussen zijn georganiseerd door de fabrikant of importeur van de in
het kader van de erkenning als installateur of reparateur te voeren
merken controleapparaat, dan wel door een door de Dienst Wegverkeer
aangewezen instelling.
Artikel 13
1. De aanvrager van de erkenning als installateur of reparateur
meldt bij de Dienst Wegverkeer de personen, bedoeld in artikel 12,
eerste dan wel tweede lid.
2. Op het bewijs van deelname is tenminste vermeld:
a. maand en jaar van deelname aan de cursus;
b. de merken en typen controleapparaat waarop de cursus betrekking
had;
c. de naam van de deelnemer aan de cursus;
d. uniek volgnummer, indien dit bewijs is afgegeven voor deelname
aan een cursus tot installateur of reparateur van een digitaal
controleapparaat.
Artikel 14
1. De aanvrager van een erkenning als installateur beschikt
over een voorziening voor het door middel van datacommunicatie melden
van de installatie en het onderzoek aan de Dienst Wegverkeer. Deze
voorziening moet geschikt zijn voor de toegangsstructuur van een door
de Dienst Wegverkeer geaccepteerd netwerk.
2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor fabrikanten of
importeurs van motorrijtuigen, mits deze zich uitsluitend beperken tot
het installeren van controleapparaten in motorrijtuigen die voor de
eerste maal in gebruik worden genomen.
§ 5. Algemene erkenningsvoorschriften
Artikel 15
1. Behoudens in geval van een erkenning als bedoeld in artikel
4, tweede lid, worden de met de installatie, het onderzoek en de
reparatie verband houdende werkzaamheden slechts verricht in de
werkplaats die in de erkenning is vermeld.
2. In geval van een erkenning als bedoeld in artikel 4, tweede
lid, worden de met de installatie en het onderzoek verband houdende
werkzaamheden slechts verricht in een werkplaats van een erkenninghouder
waarvan de erkenning niet is geschorst of is ingetrokken.
Artikel 16
1. Behoudens in geval van een erkenning als bedoeld in artikel
4, tweede lid, is vanaf de buitenkant van elke werkplaats waarvoor de
erkenning geldt, op een door de Dienst Wegverkeer vastgestelde en in
de Staatscourant bekendgemaakte wijze zichtbaar dat een erkenning is
verleend.
2. In elke werkplaats of mobiele installatie-eenheid waarvoor de
erkenning geldt, is het door de Dienst Wegverkeer afgegeven bewijs
aanwezig waaruit blijkt dat voor de werkplaats een erkenning is verleend
en voor welke merken controleapparaten de erkenning geldt.
3. In elke werkplaats of mobiele installatie-eenheid is het
bewijs van deelname van de erkenninghouder dan wel het door hem voor
installatie, onderzoek en reparatie aangewezen personeel aan de cursus
als bedoeld in artikel 12, eerste of tweede lid, aanwezig.
4. Op verzoek van de Dienst Wegverkeer of belanghebbende wordt
het in het tweede of derde lid bedoelde bewijs getoond.
Artikel 17
1. De ten behoeve van de erkenning aanwezige apparatuur is
deugdelijk en verkeert in goede staat van onderhoud.
2. Aan de eisen in het eerste lid is in ieder geval voldaan
indien de in deze regeling genoemde testapparatuur als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onderdelen a, b, c en f, tweede lid, onderdelen a
en b en artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b, werken binnen de
toleranties die voor het controleapparaat op grond van verordening (EEG)
nr. 3821/85 zijn vastgesteld.
3. Als een daartoe geschikte proefbank, bedoeld in bijlage I,
hoofdstuk VI, onder 4, van verordening (EEG) nr. 3821/85 en in bijlage
IB, hoofdstuk VI, onder 5, wordt aangemerkt een aangepaste
rollentestbank, een aangepaste remmentestbank of een meetbaan.
Artikel 18
1. De erkenninghouder draagt er zorg voor dat de bij hem in
gebruik zijnde verzegelinrichting, werkplaatskaarten alsmede de aan
hem verstrekte toegangscodes niet toegankelijk zijn voor onbevoegden.
2. De houder van de werkplaatskaart en erkenninghouder dragen er
zorg voor dat de werkplaatskaart met bijbehorende pincode niet
toegankelijk is voor andere personen dan voor de houder van de
werkplaatskaart.
Artikel 19
1. Behoudens de erkenninghouder als bedoeld in artikel 4,
tweede lid, voldoet de erkenninghouder als installateur voldoet
voortdurend aan de eisen, gesteld in de artikelen 8, 9 en 11.
2. De erkenninghouder als reparateur voldoet voortdurend aan de
eisen, gesteld in de artikelen 8, 10 en 11.
3. De erkenninghouder als bedoeld in artikel 4, tweede lid,
voldoet voortdurend aan de eisen, gesteld in de artikelen 9 en 11.
Artikel 20
De erkenninghouder zorgt ervoor dat installaties, onderzoeken en
reparaties slechts worden uitgevoerd door de in artikel 12 bedoelde
personen, bevoegd voor het desbetreffende merk en type controleapparaat.
Artikel 21
Onverminderd het bepaalde in artikel 12 beschikt de erkenninghouder
dan wel het door hem aangewezen personeel aantoonbaar over actuele
kennis en documentatie vanuit de fabrikant omtrent de in het kader van
de erkenning te voeren merken en typen controleapparaat.
Artikel 22
De erkenninghouder meldt bij de Dienst Wegverkeer wijzigingen van of
aanvullingen op de reeds in artikel 12, eerste en tweede lid, vermelde
gegevens.
Artikel 23
Indien zich een wijziging voordoet van de natuurlijke persoon of de
rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, zijn zowel
de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de erkenning
oorspronkelijk was verleend als degene die de bedrijfsvoering voortzet,
verplicht de Dienst Wegverkeer hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk
in kennis te stellen.
§ 6. Voorschriften voor installatie, onderzoek en reparatie
Artikel 24
Het controleapparaat wordt geïnstalleerd met inachtneming van de
instructies van de fabrikant of importeur met betrekking tot:
a. het desbetreffende merk controleapparaat;
b. het functioneren van snelheidsbegrenzers met betrekking tot
aspecten die van belang zijn bij de installatie en het onderzoek van
controleapparaten;
c. het functioneren van motorrijtuigen met betrekking tot
aspecten die van belang zijn bij de installatie en het onderzoek van
controleapparaten.
Artikel 25
De houder van een werkplaatskaart plaatst bij alle werkzaamheden als
bedoeld in deze regeling zijn werkplaatskaart direct in het digitale
controleapparaat.
Artikel 26
Bij nieuwe voertuigen wordt het digitale controleapparaat uiterlijk
geactiveerd en geïnstalleerd op het tijdstip dat het voertuig voor het
eerst in gebruik wordt genomen.
Artikel 27
1. Bij het onderzoek wordt een testregistratie gemaakt met ten
minste de registraties van:
a. de snelheid, in ten minste drie stappen;
b. de snelheid bij maximum snelheidsbereik;
c. de werktijd, rijtijd en rusttijd;
d. de afgelegde weg;
e. de werking van de schrijfstiftgeleiding.
2. De in het eerste lid bedoelde testregistratie wordt uitgevoerd
met behulp van:
a. een voor het desbetreffende controleapparaat goedgekeurd
registratieblad indien het een analoog controleapparaat betreft; of
b. een visuele controle op snelheid indien het een digitaal
controleapparaat betreft.
3. Met behulp van een leesapparaat, voorzien van een loep en een
onderzoekssjabloon, wordt beoordeeld of de testregistraties op het
testregistratieblad de maximaal toelaatbare fouten, genoemd in hoofdstuk
III, onder f) 1 en 2 van bijlage I van verordening (EEG) nr. 3821/85
niet overschrijden, indien het een analoog controleapparaat betreft.
Artikel 28
1. De verzegeling op het mechanisme van het controleapparaat
wordt slechts door een fabrikant van controleapparaten of een
reparateur aangebracht.
2. De verzegeling van de bewegingssensor aan het voertuig met het
aan de erkenninghouder toegekende verzegelnummer volstaat indien het een
controleapparaat betreft dat met encryptisch gecodeerde signalen werkt.
3. In geval van verbreking in het belang van toezicht op de
naleving door de op grond van artikel 8:1, tweede lid, van de
Arbeidstijdenwet aangewezen ambtenaren wordt door de betreffende
ambtenaar een nieuwe verzegeling aangebracht op de plaatsen waar deze
verbroken is.
4. Verbreking als bedoeld in het derde lid vindt slechts plaats
ter controle van:
a. de juiste instelling van de apparaatconstante van het
controleapparaat;
b. de juiste aansturing van de snelheidsbegrenzer;
c. de aanwezigheid van voorzieningen waarmee de juiste werking van
het controleapparaat kan worden beïnvloed;
d. de aanwezigheid van voorzieningen waarmee de juiste werking van
de snelheidsbegrenzer kan worden beïnvloed, indien het gestelde in
artikel 16, tweede lid, van de Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers
van toepassing is.
5. Van de verzegeling als bedoeld in het derde lid, wordt aan de
bestuurder een schriftelijke kennisgeving, gewaarmerkt door de
betreffende ambtenaar en voorzien van het in artikel 7, onderdeel b,
bedoelde verzegelnummer, uitgereikt met de reden waarom de verzegeling
werd verbroken.
Artikel 29
Na het onderzoek wordt een korte rijproef uitgevoerd, waarbij het in
artikel 25, tweede lid, bedoelde testregistratieblad dan wel de
werkplaatskaart in het controleapparaat aanwezig is, opdat vastgesteld
kan worden dat het controleapparaat functioneert.
Artikel 30
1. Van iedere installatie en ieder onderzoek worden de volgende
gegevens in het register als bedoeld in artikel 11 vastgelegd:
a. met betrekking tot de installateur:
1°. de naam en het adres van de installateur,
2°. de naam van de persoon die de installatie of het onderzoek
heeft verricht,
3°. werkplaatskaartnummer, indien het een digitaal
controleapparaat betreft;
b. met betrekking tot het motorrijtuig:
1°. het kenteken of indien het motorrijtuig nog niet is voorzien
van een kenteken, het identificatienummer,
2°. merk en type,
3°. de kilometerstand,
4°. de effectieve omtrek van de wielbanden wielen in mm,
5°. de ongecorrigeerde kenmerkende coëfficiënt van het
motorrijtuig in omw/km of imp/km,
6°. indien het een digitaal controleapparaat betreft:
i. de bandenmaat,
ii. de instelling van de snelheidsbegrenzer;
c. met betrekking tot de installatie:
1°. de ongecorrigeerde kenmerkende coëfficiënt in omw/km of
imp/km of in geval van een aanpasbaar controleapparaat de ingestelde
apparaatconstante in imp/km,
2°. het merk, type en serienummer van het controleapparaat;
d. met betrekking tot de uitgevoerde werkzaamheden:
1°. de datum en tijd van de installatie of het onderzoek,
2°. de ondertekening door de in onderdeel a, onder 2°, bedoelde
persoon,
3°. doel van het onderzoek.
2. Het eerste lid geldt niet voor fabrikanten of importeurs van
motorrijtuigen, mits deze zich uitsluitend beperken tot het installeren
van controleapparaten in motorrijtuigen die voor de eerste maal in
gebruik worden genomen.
3. Bij het register als bedoeld in artikel 11 wordt gevoegd:
a. het bij de installatie of het onderzoek van een analoog
controleapparaat gebruikte testregistratieblad;
b. het bij de reparatie van een analoog controleapparaat gebruikte
testregistratieblad dan wel een afschrift van dat testregistratieblad,
mits dit blad de in artikel 27 bedoelde registraties bevat;
c. het bij de installatie of het onderzoek van een digitaal
controleapparaat gemaakt afdruk of opgeslagen document met de
testresultaten;
d. het bij de reparatie van een digitaal controleapparaat gemaakte
gemaakt afdruk of opgeslagen document met de testresultaten.
Artikel 31
Van iedere reparatie worden de volgende gegevens in het in artikel 11
bedoelde register vastgelegd:
a. de naam en het adres van de reparateur;
b. de naam van de persoon die de reparatie heeft uitgevoerd;
c. merk, type en serienummer van het controleapparaat;
d. de aard van de reparatie;
e. de datum en tijd van de reparatie;
f. de ondertekening door de in onderdeel b bedoelde persoon
indien het de reparatie van een analoog controleapparaat betreft.
Artikel 32
De erkenninghouder bewaart de gegevens in het register gedurende ten
minste drie jaar vanaf het tijdstip van installatie, onderzoek of
reparatie.
Artikel 33
1. De erkenninghouder en de houder van een werkplaatskaart
dragen er zorg voor dat op de werkplaatskaart opgeslagen
kalibreringsgegevens, regelmatig wordt overgebracht naar een computer
om te voorkomen dat reeds opgeslagen kalibreringsgegevens worden
overschreven of op andere wijze verloren gaan.
2. Bij de gegevensoverdracht als bedoeld in het eerste lid mogen
geen wijzigingen worden aangebracht in de gegevens.
Artikel 34
1. Indien een erkenninghouder een digitaal controleapparaat
buiten bedrijf stelt of in een ander motorrijtuig installeert, stelt
hij, voor zover dit mogelijk is, alle gegevens uit het apparaat
veilig.
2. De erkenninghouder moet de in het eerste lid bedoelde gegevens
ten minste 52 weken bewaren vanaf de datum van gegevensoverdracht.
3. In de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens mogen geen
wijzigingen worden aangebracht.
4. De in het eerste bedoelde gegevens worden op zodanige wijze
bewaard, dat zij niet toegankelijk zijn voor onbevoegden.
5. Op schriftelijk verzoek van de werkgever of de persoon als
bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet verstrekt de
erkenninghouder aan hem de gegevens uit een digitaal controleapparaat
die dat bedrijf betreffen.
6. In geval van onmogelijkheid van gegevensoverdracht, bedoeld in
paragraaf 6, van hoofdstuk VI, van bijlage IB, van verordening (EEG) nr.
3821/85, bevat het door de erkenninghouder door tussenkomst van de
fabrikant of importeur van het digitale controleapparaat af te geven
certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht in ieder geval de
volgende gegevens:
a. met betrekking tot de erkenninghouder:
1°. de naam en het adres,
2°. het nummer van de erkenninghouder,
b. met betrekking tot de installateur of reparateur die het
onderzoek heeft verricht:
1°. de naam,
2°. het nummer van de werkplaatskaart,
3°. de handtekening;
c. met betrekking tot het motorrijtuig:
1°. het kenteken,
2°. het identificatienummer,
3°. het merk en het type;
d. met betrekking tot het digitale controleapparaat:
1°. de fabrikant,
2°. het type en serienummer van het digitale controleapparaat,
3°. de datum van fabricage,
4°. de plaats in de cabine van het motorrijtuig,
5°. het keurmerk van de typegoedkeuring,
6°. de zichtbaarheid van het installatieplaatje;
e. met betrekking tot de werkgever of de persoon als bedoeld in
artikel 2:7, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet:
1°. de bedrijfsnaam,
2°. het adres,
3°. het nummer van de bedrijfskaart;
f. met betrekking tot het certificaat van onmogelijkheid van
gegevensoverdracht:
1°. de datum en plaats van afgifte,
2°. het door de fabrikant of importeur verstrekte
certificaatnummer,
3°. verklaring van onmogelijkheid van gegevensoverdracht,
4°. het antwoord op de vraag of het maken van een afdruk uit het
controleapparaat nog mogelijk is.
7. Bij het certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht
wordt als bijlage gevoegd:
a. bij positieve beantwoording van de vraag als bedoeld in het
vijfde lid, onderdeel f, onder 4º, de gemaakte afdruk;
b. het schriftelijk verzoek als bedoeld in het zesde lid.
8. Van een ingevolge paragraaf 6, van hoofdstuk VI, van bijlage
IB, van verordening (EEG) nr. 3821/85 door tussenkomst van de fabrikant
of importeur van het digitale controleapparaat door de erkenninghouder
aan de werkgever of de persoon als bedoeld in artikel 2:7, eerste lid
van de Arbeidstijdenwet afgegeven certificaat van onmogelijkheid van
gegevensoverdracht wordt in aanvulling op die paragraaf ook door die
fabrikant of importeur een kopie ten minste 52 weken bewaard vanaf de
datum van afgifte van het certificaat.
9. Op schriftelijk verzoek van de op grond van artikel 8:1,
tweede lid, van de Arbeidstijdenwet aangewezen ambtenaren verstrekt de
erkenninghouder aan hem alle gegevens betreffende een bepaald bedrijf
uit een digitaal controleapparaat dat buiten bedrijf is gesteld of in
een ander motorrijtuig is geïnstalleerd dan wel het ten behoeve van dat
apparaat en bedrijf afgegeven certificaat van onmogelijkheid van
gegevensoverdracht.
Artikel 35
De erkenninghouder en de houder van een werkplaatskaart dragen er
zorg voor dat alle verzamelde gegevens, verkregen bij het installeren,
onderzoeken of repareren van digitale controleapparaten juist en
volledig zijn opgeslagen en zodanig zijn geordend dat deze eenvoudig
door de Dienst Wegverkeer zijn te raadplegen.
Artikel 36
1. Na de installatie of het onderzoek van het controleapparaat
worden door middel van datacommunicatie de volgende gegevens aan de
Dienst Wegverkeer gemeld:
a. de toegangscodes,
b. het kenteken en de meldcode, gevormd door de laatste vier
cijfers van het identificatienummer,
c. merk en serienummer en ingestelde apparaatconstante van het
controleapparaat.
2. In afwijking van het eerste lid onderdeel b mag indien het de
installatie of een onderzoek van een analoog controleapparaat betreft en
het motorrijtuig nog niet is voorzien van een kenteken het volledige
identificatienummer worden gemeld.
3. Onverminderd het eerste lid wordt bij een melding door een
erkenninghouder als bedoeld in artikel 4, tweede lid, het adres met
postcode van de werkplaats waar de installatie of het onderzoek is
verricht, gemeld.
4. De in het eerste lid genoemde meldingsplicht geldt niet voor
fabrikanten of importeurs van motorrijtuigen, voor zover het de
installatie betreft in motorrijtuigen die voor de eerste maal in gebruik
worden genomen.
5. De door de Dienst Wegverkeer gegeven aanwijzingen met
betrekking tot de melding worden in acht genomen.
Artikel 37
1. Nadat is vastgesteld dat alle verzegelingen als bedoeld in
hoofdstuk V, paragraaf 4, van bijlage I of als bedoeld in hoofdstuk V,
paragraaf 3, van bijlage IB van verordening (EEG) nr. 3821/85 aanwezig
zijn, wordt in de bestuurdersruimte op het controleapparaat
overeenkomstig verordening (EEG) nr. 3821/85 op onuitwisbare wijze een
installatieplaatje aangebracht.
2. In geval van installatie of onderzoek van een elektronisch
aanpasbaar controleapparaat wordt op of in het controleapparaat een
sticker aangebracht, waarop de ingestelde vier- of meercijferige
apparaatsconstante goed zichtbaar en leesbaar staat vermeld, waarbij de
apparaatsconstante wordt aangeduid met k= …imp/km.
3. De in het tweede lid bedoelde sticker wordt van een
verzegeling voorzien dan wel zodanig aangebracht dat deze bij
verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd.
Artikel 38
Het in artikel 37, eerste lid, bedoelde installatieplaatje wordt niet
eerder aangebracht dan nadat is vastgesteld dat het controleapparaat
goed is afgesteld en verzegeld en door de Dienst Wegverkeer is
medegedeeld dat:
a. de in artikel 36 bedoelde melding niet leidt tot een
steekproefsgewijze controle van de installatie of het onderzoek door
de Dienst Wegverkeer; of
b. de melding leidt tot een steekproefsgewijze controle van de
installatie of het onderzoek, doch deze controle niet binnen 90
minuten na de melding wordt begonnen; dan wel
c. de melding leidt tot een steekproefsgewijze controle van de
installatie of het onderzoek en deze controle heeft geleid tot een
goedkeuring van de betreffende werkzaamheden.
§ 7. Toezicht
Artikel 39
1. Nadat een erkenning is verleent verricht de Dienst
Wegverkeer ten minste één keer per 2 jaar een herschouwing op de
werkplaats of de mobiele installatie-eenheid van de erkenninghouder.
2. De Dienst Wegverkeer voert tenminste eenmaal per jaar op ten
minste 5% van de landelijk verrichte installaties en onderzoeken een
controle uit.
Artikel 40
1. In het kader van het toezicht op de erkenninghouder, bedoeld
in artikel 9:1, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet, wordt door de
Dienst Wegverkeer ten aanzien van het bepaalde in paragraaf 6 een
systeem van bonus- en strafpunten voor de erkenninghouder vastgesteld,
dat bekend wordt gemaakt in de Staatscourant.
2. Aan de hand van het systeem als bedoeld in het eerste lid kan
worden vastgesteld of het toezicht wordt verminderd, het toezicht wordt
verscherpt dan wel dat de erkenning wordt ingetrokken.
3. Indien als gevolg van een wijziging als bedoeld in artikel 23
de bedrijfsvoering van het reeds erkende bedrijf wordt voortgezet door
een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon, worden de opgelegde
sancties alsmede de toegekende bonus- en strafpunten van het systeem als
bedoeld in het tweede lid beschouwd als te zijn toegekend aan deze
natuurlijke persoon of rechtspersoon.
Artikel 41
De erkenninghouder mag in de staat van een motorrijtuig dat aan een
controle als bedoeld in artikel 39, tweede lid, zal worden onderworpen,
gedurende een periode van 90 minuten na het tijdstip van melding van de
installatie of het onderzoek geen wijziging aanbrengen of laten
aanbrengen en mag met betrekking tot het voertuig geen metingen
verrichten of laten verrichten.
Artikel 42
1. De erkenninghouder verleent alle medewerking aan de in
artikel 39, eerste en tweede lid, bedoelde handelingen en de terzake
door de Dienst Wegverkeer gegeven aanwijzingen worden in acht genomen.
2. Onder alle medewerking wordt in het kader van de in artikel
39, tweede lid, bedoelde handelingen in ieder geval verstaan dat:
a. degene die de installatie of het onderzoek heeft verricht
aanwezig gedurende de hele steekproef aanwezig is en zelf feitelijk
assistentie verleent, zonodig met behulp van zijn werkplaatskaart, bij
het uitvoeren van de steekproef;
b. indien de installatie of het onderzoek is verricht door een
mobiele installatie-eenheid tevens het voertuig, van waaruit door de
mobiele installatie-eenheid de installaties of onderzoeken zijn
verricht, bij de steekproef aanwezig is;
c. het voertuig, ongeacht het tijdstip van aanvang van de
steekproef, niet uit de werkplaats wordt verwijderd gedurende de
steekproef;
d. de desbetreffende ruimte en apparatuur gedurende de steekproef
beschikbaar wordt gesteld.
§ 8. Intrekking van een erkenning als installateur of reparateur
Artikel 43
1. De Dienst Wegverkeer trekt een erkenning geheel of
gedeeltelijk in, indien degene aan wie de erkenning is verleend,
daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan een erkenning geheel of gedeeltelijk
intrekken indien degene aan wie de erkenning is verleend:
a. niet meer voldoet aan de erkenningseisen, neergelegd in
paragraaf 4;
b. in strijd handelt met de erkenningsvoorschriften, neergelegd in
paragraaf 5;
c. in strijd met de voorschriften, neergelegd in paragraaf 6, een
installatie, onderzoek of reparatie verricht;
d. de verplichtingen, neergelegd in paragraaf 7, niet nakomt
e. het aan het toezicht verbonden tarief als bedoeld in artikel
12:2, derde lid, van de Arbeidstijdenwet niet voldoet.
3. De Dienst Wegverkeer kan de aan een erkenning verbonden
voorschriften wijzigen indien gewijzigde inzichten dan wel
ontwikkelingen in de techniek zulks noodzakelijk maken.
Artikel 44
1. Indien er sprake is van een situatie waarin aan een of meer
erkenningseisen of erkenningsvoorschriften of algemene
erkenningsvoorschriften niet wordt voldaan, terwijl de situatie op
korte termijn kan worden hersteld, kan, in plaats van intrekking of
wijziging van de erkenning, overgegaan worden tot schorsing van de
erkenning voor een termijn van ten hoogste 12 weken.
2. Wordt binnen de in het eerste lid genoemde termijn niet
aangetoond dat wederom aan de erkenningseisen of algemene
erkenningsvoorschriften wordt voldaan, dan volgt alsnog intrekking of
wijziging van de erkenning.
§ 9. Verplichtingen werkgever en zelfstandige
Artikel 45
1. De werkgever en de persoon als bedoeld in artikel 2:7,
eerste lid van de Arbeidstijdenwet zorgen ervoor dat het
controleapparaat door een erkenninghouder als installateur is
aangebracht, en door deze is voorzien van een installatieplaatje en
van verzegelingen, als bedoeld in artikel 37.
2. In afwijking van het eerste lid mag een motorrijtuig,
ingevoerd uit één der lidstaten van de Europese Unie of een andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte, zijn voorzien van een controleapparaat dat volgens
de in die lidstaten geldende voorschriften is geïnstalleerd.
Artikel 46
De werkgever en de persoon als bedoeld in artikel 2:7, eerste lid van
de Arbeidstijdenwet zorgen ervoor dat:
a. ten minste eenmaal per twee jaar het controleapparaat door een
erkenninghouder als installateur wordt onderzocht;
b. na iedere verbreking van verzegelingen als bedoeld in
hoofdstuk V, paragraaf 4, van bijlage I of als bedoeld in hoofdstuk
V, paragraaf 3, van bijlage IB van verordening (EEG) nr. 3821/85,
met uitzondering van een verbreking als bedoeld in artikel 28, derde
lid, en na iedere wijziging aan het motorrijtuig waardoor
wegdraaital of bandenomtrek zijn beïnvloed, het controleapparaat
door een erkenninghouder als installateur of reparateur wordt
onderzocht;
c. na ieder onderzoek het controleapparaat door een
erkenninghouder als installateur of reparateur is voorzien van een
installatieplaatje en van verzegelingen als bedoeld in hoofdstuk V,
paragraaf 4, van bijlage I of als bedoeld in hoofdstuk V, paragraaf
3, van bijlage IB van verordening (EEG) nr. 3821/85 dan wel in
artikel 37, derde lid;
d. tijdens het gebruik van het motorrijtuig waarin een analoog
dan wel digitaal controleapparaat is geïnstalleerd de maximaal
toelaatbare fouten, aangegeven in bijlage I, hoofdstuk III onder f)
onder 3 respectievelijk bijlage IB, hoofdstuk III, paragrafen 2 en 3
van verordening nr. (EEG) 3821/85 niet worden overschreden;
e. de onder c bedoelde verzegelingen ongewijzigd en intact
blijven.
§ 10. Vrijstellingen
Artikel 47
Van de verplichting tot installatie en gebruik van het
controleapparaat zijn vrijgesteld motorrijtuigen die worden gebruikt
voor het geven van rijonderricht en zijn voorzien van een krachtens de
Regeling vaststelling L-bord voorgeschreven blauwe plaat met de letter
L.
§ 11. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 48
[Wijzigt de Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers.]
Artikel 49
[Wijzigt de Regeling wijze van keuren APK.]
Artikel 50
1. Erkenningen verleend ingevolge de Regeling controleapparaten
worden gelijk gesteld met een erkenning verleend op grond van deze
regeling.
2. Certificaten van deelname aan een cursus als bedoeld in
artikel 12, eerste dan wel tweede lid, van de Regeling controleapparaten
worden gelijk gesteld met certificaten van deelname op grond artikel 12,
eerste dan wel tweede lid, van deze regeling.
Artikel 51
De Regeling controleapparaten wordt ingetrokken.
Artikel 52
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling controleapparaten 2005.
Artikel 53
Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip van
inwerkingtreding van de wet van 6 juli 2004 tot wijziging van de
Arbeidstijdenwet en de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering
van het digitale controleapparaat (Stb. 2004, 347).
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.