BESLUIT van 15 december 1995, houdende regelen ter uitvoering van een
aantal bepalingen van de Archiefwet 1995
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen, A. Nuis, van 6 september 1995, 95022683/8010, directie
Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 9, eerste lid, 12, tweede lid, 21, eerste en
tweede lid, 23, vierde lid, 25, tweede lid, onderdeel b, en 41,
tweede lid, van de Archiefwet 1995;
Gezien het advies van de Raad voor het cultuurbeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 31 oktober 1995, nr.
W05.95.0489);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen, A. Nuis, van 12 december 1995, 95031870/8010,
directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. de wet: de Archiefwet 1995;
b. selectielijsten: selectielijsten als bedoeld in artikel 5 van
de wet.
Hoofdstuk II. Het ontwerpen van selectielijsten, alsmede de
vervanging en vervreemding van archiefbescheiden
Artikel 2
1. Bij het ontwerpen en vaststellen van selectielijsten, bij
besluiten omtrent de vervanging van archiefbescheiden door
reprodukties en bij besluiten omtrent de vervreemding van
archiefbescheiden wordt rekening gehouden met:
a. de taak van het desbetreffende overheidsorgaan;
b. de verhouding van dit overheidsorgaan tot andere
overheidsorganen;
c. de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het
cultureel erfgoed; en
d. het belang van de in de archiefbescheiden voorkomende gegevens
voor overheidsorganen, voor recht- of bewijszoekenden en voor
historisch onderzoek.
2. Selectielijsten worden vastgesteld voor de duur van ten
hoogste twintig jaar.
Artikel 3
1. De zorgdrager betrekt bij het ontwerpen van een
selectielijst ten minste:
a. één of meer personen die deskundig zijn ten aanzien van de
organisatie en taken van het desbetreffende overheidsorgaan;
b. één of meer personen die deskundig zijn ten aanzien van het
beheer van de nog niet naar een archiefbewaarplaats overgebrachte
archiefbescheiden van het desbetreffende overheidsorgaan;
c. de algemene rijksarchivaris;
d. indien het archiefbescheiden van een provincie of
archiefbescheiden als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet
betreft, tevens de provinciaal inspecteur;
e. indien het archiefbescheiden van een gemeente of waterschap
betreft, tevens de provinciaal inspecteur en, indien benoemd, de
gemeentearchivaris onderscheidenlijk waterschapsarchivaris.
2. Indien gedeputeerde staten van twee of meer provincies
gezamenlijk een selectielijst ontwerpen, kan in afwijking van het eerste
lid, onderdeel d, volstaan worden met de betrokkenheid van een
provinciaal inspecteur.
3. Indien de colleges van burgemeester en wethouders van twee of
meer gemeenten of de besturen van twee of meer waterschappen gezamenlijk
een selectielijst ontwerpen, kan in afwijking van het eerste lid,
onderdeel e, volstaan worden met de betrokkenheid van een
provinciaal inspecteur en een gemeentearchivaris, onderscheidenlijk
waterschapsarchivaris.
Artikel 4
1. Op de voorbereiding van een selectielijst is afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Onze minister geeft
toepassing aan deze procedure.
2. De termijn voor het uitbrengen van een advies door de Raad
voor cultuur bedraagt acht weken.
3. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
Artikel 5
Een selectielijst bestaat ten minste uit:
a. een titel waaruit blijkt op welk overheidsorgaan de
selectielijst betrekking heeft;
b. een opsomming van de taken van dat overheidsorgaan;
c. een systematische opsomming van categorieën
archiefbescheiden, waarin bij iedere categorie is aangegeven of de
archiefbescheiden bewaard worden dan wel na welke termijn zij voor
vernietiging in aanmerking komen;
d. een toelichting die in ieder geval bevat:
1°. een verantwoording van de wijze waarop toepassing is
gegeven aan artikel 2, eerste lid,
2°. een verslag van de wijze waarop derden en met name de
deskundigen, bedoeld in artikel 3, bij het ontwerpen van de
selectielijst betrokken zijn en van de inhoud van het met hen
gevoerde overleg, en
3°. een verslag van de procedure, bedoeld in artikel 4;
e. een opsomming van de criteria aan de hand waarvan de
zorgdrager archiefbescheiden die ingevolge de selectielijst voor
vernietiging in aanmerking komen, van vernietiging kan uitzonderen.
Artikel 6
1. De zorgdrager besluit tot vervanging van archiefbescheiden
door reprodukties slechts indien de vervanging geschiedt met juiste en
volledige weergave van de in de te vervangen archiefbescheiden
voorkomende gegevens.
2. De zorgdrager maakt zowel bij een aanvraag om een machtiging
als bedoeld in artikel 7 van de wet, als bij de bekendmaking van een
besluit als bedoeld in het eerste lid melding van de wijze waarop
toepassing is gegeven aan artikel 2, eerste lid, onderdelen c en d
.
Artikel 7
1. De zorgdrager betrekt bij de voorbereiding van een besluit
tot vervreemding van archiefbescheiden deskundigen als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, indien die archiefbescheiden tengevolge van de
vervreemding niet komen te berusten in een archiefbewaarplaats.
2. De zorgdrager maakt zowel bij een aanvraag om een machtiging
als bedoeld in artikel 8, eerste of derde lid, van de wet, als bij de
bekendmaking van een besluit als bedoeld in het eerste lid melding van
de wijze waarop de deskundigen, bedoeld in het eerste lid, bij de
voorbereiding betrokken zijn en van de inhoud van het met hen gevoerde
overleg, alsmede van de wijze waarop toepassing is gegeven aan artikel
2, eerste lid.
Artikel 8
De zorgdrager maakt van de vernietiging, vervanging of vervreemding
een verklaring op, die ten minste een specificatie van de vernietigde,
vervangen of vervreemde archiefbescheiden bevat, alsmede aangeeft op
grond waarvan en op welke wijze de vernietiging, vervanging of
vervreemding is geschied. Een exemplaar van deze verklaring wordt
bewaard door het overheidsorgaan waaronder de archiefbescheiden zouden
berusten, indien zij niet waren vernietigd, vervangen of vervreemd.
Hoofdstuk III. Overbrenging van archiefbescheiden
Artikel 9
1. De zorgdrager brengt de archiefbescheiden, bedoeld in
artikel 12, eerste lid, van de wet in perioden over naar een
archiefbewaarplaats, maar niet later dan tien jaar nadat die
archiefbescheiden de leeftijd van twintig jaar hebben bereikt.
2. De zorgdrager en de beheerder van de archiefbewaarplaats
plegen tijdig overleg over de voorgenomen overbrenging van
archiefbescheiden.
3. De zorgdrager en de beheerder van de archiefbewaarplaats maken
van de overbrenging gezamenlijk een verklaring op die ten minste een
specificatie van de archiefbescheiden bevat.
Artikel 10
Indien de zorgdrager ingevolge artikel 15, eerste lid, van de wet
beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden stelt, wordt het
daartoe strekkende besluit gevoegd bij de verklaring, bedoeld in artikel
9, derde lid.
Hoofdstuk IV. Duurzaamheid, ordening en toegankelijkheid van
archiefbescheiden; bouw, verbouwing, inrichting en verandering van
inrichting van archiefruimten en archiefbewaarplaatsen; ingebruikneming
van gebouwen of gedeelten van gebouwen als archiefruimte of
archiefbewaarplaats
Artikel 11
1. De zorgdrager treft zodanige voorzieningen ten aanzien van
de door hem opgemaakte archiefbescheiden die ingevolge een voor hem
geldende selectielijst voor bewaring in aanmerking komen, dat bij het
raadplegen van die archiefbescheiden na ten minste honderd jaar geen
noemenswaardige achteruitgang zal zijn te constateren.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld
omtrent de duurzaamheid van de in het eerste lid bedoelde
archiefbescheiden.
Artikel 12
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot
het in geordende en toegankelijke staat brengen en bewaren van
archiefbescheiden die ingevolge een selectielijst voor bewaring in
aanmerking komen.
Artikel 13
1. De zorgdrager is verplicht zijn archiefruimten en
archiefbewaarplaatsen zodanig te situeren, te bouwen en in te richten
alsmede bij verbouwing en verandering van inrichting zodanige
maatregelen te treffen dat de zich daarin bevindende archiefbescheiden
in geval van een calamiteit zo min mogelijk gevaar lopen.
2. De zorgdrager beveiligt zijn archiefruimten en
archiefbewaarplaatsen op toereikende wijze tegen brand, inbraak en
wateroverlast.
3. De zorgdrager is verplicht in zijn archiefruimten en
archiefbewaarplaatsen het klimaat zodanig te beheersen en de lucht
zodanig te zuiveren dat het natuurlijk verval en de aantasting door
milieu-invloeden van archiefbescheiden worden beperkt.
4. Bij ministeriële regeling worden in overeenstemming met de
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
nadere regels gesteld omtrent de bouw, verbouwing, inrichting en
verandering van inrichting van archiefruimten en archiefbewaarplaatsen,
alsmede omtrent de ingebruikneming van gebouwen of gedeelten van
gebouwen als archiefruimte of archiefbewaarplaats.
Hoofdstuk V. Zorg voor de archiefbescheiden van het rijk en van de in
artikel 41, eerste lid, van de wet bedoelde overheidsorganen, voor zover
deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een
archiefbewaarplaats
Artikel 14
De zorgdragers, genoemd in de artikelen 23, eerste lid, en 41, eerste
lid, van de wet stellen ten aanzien van hun archiefbescheiden
beheersregels vast. Zij voorzien in voldoende ruimte voor hun
archiefbescheiden en zij stellen voldoende, deskundig personeel aan.
Hoofdstuk VI. Opleiding tot en het verkrijgen van diploma’s in de
archivistiek
Artikel 15
1. Er zijn twee diploma’s in de archivistiek:
a. het diploma archivistiek A, dat wordt verkregen door met goed
gevolg het afsluitend examen af te leggen, dat is verbonden aan een
opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel c, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek; en
b. het diploma archivistiek B, dat wordt verkregen door met goed
gevolg het afsluitend examen af te leggen, dat is verbonden aan een
opleiding in het hoger beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel d, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek.
2. Op aanvraag van een instelling voor wetenschappelijk onderwijs
kan Onze minister een opleiding als bedoeld in het eerste lid, onder a,
aanwijzen als een opleiding ter verkrijging van het diploma archivistiek
A, indien de onderwijseenheden van die opleiding de archivistiek naar
zijn oordeel in voldoende mate betreffen.
3. Op aanvraag van een instelling voor hoger beroepsonderwijs kan
Onze minister een opleiding als bedoeld in het eerste lid, onder b,
aanwijzen als een opleiding ter verkrijging van het diploma archivistiek
B, indien de onderwijseenheden van die opleiding de archivistiek naar
zijn oordeel in voldoende mate betreffen.
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 13, tweede en derde lid, blijft ten aanzien van bij de
inwerkingtreding van dit besluit bestaande archiefruimten en
archiefbewaarplaatsen vijf jaar buiten toepassing.
Artikel 20a
Een besluit tot aanwijzing dat is genomen op grond van artikel 2,
tweede lid, of artikel 3, tweede lid, van het Tijdelijk besluit
opleidingen en diploma’s archivistiek, geldt als een besluit op grond
van artikel 15, tweede, onderscheidenlijk derde lid.
Artikel 20b
Degene die de hoedanigheid bezit van middelbaar of hoger
archiefambtenaar, bedoeld in artikel 9 van de Archiefwet 1962, voldoet
aan de benoembaarheidsvereisten, bedoeld in de artikelen 25, eerste lid,
26, tweede lid, 28, tweede lid, 32, eerste lid, en 37, eerste lid, van
de Archiefwet 1995.
Artikel 21
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 22
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 23
Dit besluit wordt aangehaald als: Archiefbesluit 1995.
Artikel 24
1. De Archiefwet 1995 treedt in werking met ingang van 1
januari 1996.
2. Dit besluit treedt op hetzelfde tijdstip in werking, met
uitzondering van de artikelen 11, tweede lid, 12 en 13, vierde lid, die
in werking treden op een nader bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 15 december 1995
BEATRIX
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen,
A. Nuis
Uitgegeven de achtentwintigste december 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager